2014-2015 Cursuscode: Cohort 2012: LGWKOD40P2 Cohort 2013: LGWKOD40P2 Cohort 2014: LGWKOD40P2 1
Inhoudsopgave Inleiding 3 Werken aan competenties 3 Praktijkopdracht observeren en differentiëren 3 Bijlage 1: Beoordelingsformulier 5 2
Inleiding In elke stageperiode staat een korte praktijkbeoordeling (KPB) centraal, hiermee maak je competent gedrag zichtbaar in een authentieke beroepssituatie. In een KPB staat een thema centraal, bovendien is de KPB gekoppeld aan bepaalde deelcompetenties uit het competentieprofiel. De KPB s van jaar 2 en jaar 3 kennen geen vaste volgorde (behalve de KPB Afstudeerbekwaam). Je kiest voor de KPB die het beste past bij jouw leervragen en stageactiviteiten. Richtlijnen en criteria voor alle stages zijn beschreven in het Stagebeleid 2014 2018 1. Per kwartaal lever je één KPB in en per semester lever je een stageverslag in 2. De KPB plaats je in de inleveropdracht voor. Deze KPB heeft de titel observeren en differentiëren. Beiden zijn belangrijke vaardigheden die belangrijk zijn om het leerproces van je leerlingen te optimaliseren. Door observatie leer je je leerlingen steeds beter kennen, in deze KPB besteden we aandacht aan participerende observaties. Door mee te doen met je leerlingen en door veel vragen te stellen leer je je leerlingen steeds beter kennen. Je weet dan hoever ze zijn in het leerproces, maar vooral op welk niveau ze leerstof beheersen en waar hun voorkeuren bij het leren liggen. Deze kennis van je leerlingen zet je in bij het differentiëren. In de praktijkopdracht ga je oefenen in het vragen stellen, effectief instructie geven, het bevorderen van een positief leerklimaat en het rekening houden met verschillende intelligenties. Hieronder wordt toegelicht aan welke eisen de KPB moet voldoen. Werken aan competenties. Binnen deze KPB werk je specifiek aan de volgende competentiegebieden 3 op beheersingsniveau 2: 1.3 Kennis en vaardigheid bij groepsprocessen en communicatie 2.1 De leerlingen leren kennen 2.3 Pedagogisch handelen 2.4 Pedagogisch klimaat creëren 3.1 Onderwijs voorbereiden 3.2 Onderwijs uitvoeren 3.3. Onderwijs evalueren 3.4 Onderwijs afstemmen 4.4. Organisatie afstemmen op de leerlingen 5.2 Administratie en rapportage 6.2 Samenwerken met extern betrokkenen 7.1 Een goed beeld hebben van de eigen competenties 7.2 Ontwikkelen van een eigen visie 7.3 Afstemmen van de eigen ontwikkeling op het beleid van de school Praktijkopdracht observeren en differentiëren Het centrale thema voor deze opdracht zou kunnen zijn: Niet wat leraren doen doet ertoe, maar wat zij leerlingen laten doen. 4 Hiervoor is het nodig dat je jouw leerlingen goed kent zodat je weet hoe ze te motiveren. In deze opdracht ga je hier aan werken door een aantal strategieën bewust toe te passen: Hanteren van het directe instructiemodel als basis voor effectief leren. Het stellen van goede vragen om zo de leerlingen actiever bij het leerproces te betrekken. 1 Stagebeleid 2014-2018, geplaatst in Natschool (bij de informatiebronnen LGW). 2 Overzicht KPB s en Stageverslagen; geplaatst in Natschool (bij de informatiebronnen LGW). 3 De competentiegebieden zijn met bijbehorende gedragsindicatoren beschreven in Natschool (mijn competentieprofiel) 4 Hattie, J. (2009) Visible Learning. London and New York: Routledge. 3
Meervoudige intelligenties gebruiken in je lessen. Het bevorderen van het leerklimaat. De theoretische basis voor deze opdracht is beschreven in het boek Effectief leren (Ebbens & Ettekoven, 2013). Om effectief onderwijs te geven is belangrijk je leerlingen te observeren (wat heeft deze leerling nodig) en vervolgens te differentiëren (hoe gaat deze leerling aan het werk). Bij effectief onderwijs spelen zes sleutelbegrippen een belangrijke rol (Ebbens & Ettekoven, 2013) Een heldere structuur in de opbouw van de lesstof. Het juiste niveau van de lesstof. Betekenis geven aan de leerstof. Individuele aanspreekbaarheid. Zichtbaarheid van leren en denken. Aandacht voor nieuwsgierigheid en motivatie. De eerste twee sleutelbegrippen spelen vooral bij het voorbereiden van onderwijs, de overige vier komen aan bod bij het uitvoeren van je onderwijs. Bij het voorbereiden van onderwijs is het ook van belang dat je bewust voor leeractiviteiten kiest die bij een bepaald leerniveau horen (Ebbens & Ettekoven, 2013) Onthouden: herinneren, onthouden van informatie Begrijpen: in eigen woorden weergeven, samenhang zien Integreren: verbinden van nieuwe kennis aan reeds aanwezige kennis / ervaring Creatief toepassen: kennis gebruiken in een nieuwe situatie Als je in de les je richt op het onthouden en begrijpen van kennis, gebruik je andere leeractiviteiten dan wanneer je wilt dat kennis creatief wordt toegepast in een nieuwe situatie. De praktijkopdracht luidt nu als volgt: Ontwerp en geef twee lessen waarbij in de ene les sprake is van leren op het niveau van onthouden en/of begrijpen en bij de andere les sprake is van leren op het niveau van integreren en/of toepassen. Voor het uitwerken van deze lessen gelden dezelfde criteria als hierboven beschreven bij het onderdeel uitwerking van lessen. Je kan de lessen voor deze praktijkopdracht daardoor ook goed gebruiken binnen de vijf lessen die je voor dit verslag gaat inleveren. Voor beide lessen geldt dat per les duidelijk is aangegeven: 1. Hoe er rekening is gehouden met de sleutelbegrippen 2. Het model voor directe instructie is gehanteerd (hoofdstuk 2) 3. Hoe er op een effectieve manier vragen zijn gesteld, gericht op (hoofdstuk 3) a. Het denken zichtbaar / hoorbaar maken b. Nieuwe kennis laten aansluiten op voorkennis c. Effectief verankeren van nieuwe informatie 4. Hoe er gebruik is gemaakt van minimaal vier vormen van meervoudige intelligenties (hoofdstuk 5) 5. Hoe er in de les rekening is gehouden met de drie basisbehoeften om optimaal te functioneren (hoofdstuk 6). Dit betekent dat leerlingen a. Ervaren dat ze iemand zijn, eigen besluiten kunnen nemen: autonomie b. Ervaren dat ze erbij horen, het gevoel hebben welkom te zijn, zich veilig te voelen: relatie c. Ervaren dat lukt wat er gevraagd wordt, dat de prestatie ertoe doet: competentie Bron: Ebbens, S. & Ettekoven, S. (2013). Effectief leren. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers. 4
Bijlage 1 KBP Observeren en differentiëren Beoordelingsformulier Student: Docent: Beoordeling: Studentnr.: Datum: Cursuscode: Het verslag wordt ter inhoudelijke beoordeling in behandeling genomen mits het voldoet aan de onderstaande criteria: De onderdelen 1 t/m 6 moeten in orde zijn, wil er sprake kunnen zijn van een inhoudelijke beoordeling van het verslag. 1 Titelpagina Titel van het verslag Gegevens: naam, studentnummer, opleiding, opdrachtgever, begeleidend docent, datum 2 Inhoudsopgave Overzichtelijk en correct Pagina s zijn genummerd Hoofdstukken en paragrafen hebben relevante en korte titels 3 Literatuurlijst Voldoet aan APA-criteria Alleen/ alle literatuur waarnaar is verwezen wordt in de lijst genoemd 4 Bijlagen: Zijn relevant Volledig Hebben een titel Zijn doorlopend genummerd Zijn opgenomen in de inhoudsopgave 5 Lay-out Overzichtelijk Heldere opbouw in hoofdstukken en paragrafen Bladzijden genummerd Kop-en voetteksten zijn relevant 6 Stijl / Spelling Spelling en zinsopbouw zijn correct Bij meer dan 15 fouten breekt de docent de beoordeling af. In orde ja / nee Toelichting 5
Inhoudelijke beoordeling: Beoordelingscriteria Praktijkopdracht observeren en differentiëren: Les waarin sprake is van leren op het niveau van onthouden en/of begrijpen. Criteria: zie volgende pagina Praktijkopdracht observeren en differentiëren: Les waarin sprake is van leren op het niveau van integreren en/of toepassen. Criteria: zie volgende pagina Beoordeling G / V / O Toelichting: Beoordeling praktijkopdracht observeren en differentiëren Leren op het niveau van onthouden en/of begrijpen De les is uitgewerkt zoals aangegeven bij het onderdeel uitwerking van lessen. 1. Er is rekening gehouden met de sleutelbegrippen 2. Het model voor directe instructie is gehanteerd (hoofdstuk 2) 3. Op een effectieve manier zijn er vragen gesteld, gericht op (hoofdstuk 3) a. Het denken zichtbaar / hoorbaar maken b. Nieuwe kennis laten aansluiten op voorkennis c. Effectief verankeren van nieuwe informatie 4. Er is gebruik gemaakt van minimaal vier vormen van meervoudige intelligenties (hoofdstuk 5) 5. Er is rekening is gehouden met de drie basisbehoeften om optimaal te functioneren (hoofdstuk 6). Dit betekent dat leerlingen a. Ervaren dat ze iemand zijn, eigen besluiten kunnen nemen: autonomie b. Ervaren dat ze erbij horen, het gevoel hebben welkom te zijn, zich veilig te voelen: relatie c. Ervaren dat lukt wat er gevraagd wordt, dat de prestatie ertoe doet: competentie Leren op het niveau van integreren en/of toepassen De les is uitgewerkt zoals aangegeven bij het onderdeel uitwerking van lessen. 1. Er is rekening gehouden met de sleutelbegrippen 2. Het model voor directe instructie is gehanteerd (hoofdstuk 2) 6
3. Op een effectieve manier zijn er vragen gesteld, gericht op (hoofdstuk 3) a. Het denken zichtbaar / hoorbaar maken b. Nieuwe kennis laten aansluiten op voorkennis c. Effectief verankeren van nieuwe informatie 4. Er is gebruik gemaakt van minimaal vier vormen van meervoudige intelligenties (hoofdstuk 5) 5. Er is rekening is gehouden met de drie basisbehoeften om optimaal te functioneren (hoofdstuk 6). Dit betekent dat leerlingen a. Ervaren dat ze iemand zijn, eigen besluiten kunnen nemen: autonomie b. Ervaren dat ze erbij horen, het gevoel hebben welkom te zijn, zich veilig te voelen: relatie c. Ervaren dat lukt wat er gevraagd wordt, dat de prestatie ertoe doet: competentie 7