TOELICHTING KLOKKIJKEN
1 4 2 5 3 6 18153_rv_wb_klokkijken_bw.indd 2-3 31-12-2013 9:56:14 Rekenvlinder Klokkijken Toelichting Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg www.rekenvlinder.nl TOELICHTING Klokkijken INLEIDING Deze toelichting geeft informatie over de doelen en inhouden van het werkboek Klokkijken en tips voor het type vragen dat u, als leerkracht, kunt stellen om het denkproces bij de leerlingen te stimuleren en/ te ondersteunen. DOELEN In het boek Klokkijken oefenen de kinderen Leerstap 1 het klokkijken met de kleine wijzer op wijzerklokken Leerstap 2 het klokkijken met de grote wijzer op wijzerklokken Leerstap 3 het aflezen van hele uren, halve uren en kwartieren op wijzerklokken Leerstap 4 het aflezen van alle tijden op wijzerklokken Leerstap 5 het aflezen van tijden tussen 00:00 uur en 12:00 uur op cijferklokken Leerstap 6 het aflezen van alle tijden op wijzerklokken en cijferklokken VOORKENNIS Een voorde om het werkboek Klokkijken te kunnen maken is dat de leerling beschikt over de kennis die onder het kopje Weet je nog? wordt geactiveerd en getoetst. WEET JE NOG? Begin je met dit boekje? Maak dan vooraf de opdrachten op deze pagina. Waar? Kruis aan. Hoe laat is het? Kruis aan. De kleine wijzer wijst de hele uren aan. De kleine wijzer gaat sneller rond dan de grote wijzer. 3 uur half 3 3 uur half 3 kwart over 3 kwart voor 3 Waar? Kruis aan. Op welke cijferklok is het 5 uur? De grote wijzer wijst de hele uren aan. Er zitten 60 minuten in een uur. 0 0 0 5 0 5 0 0 0 5 5 0 Wat is? Kruis aan. Waar? Kruis aan. Een kwartier duurt 15 minuten. Een kwartier duurt 30 minuten. Een kwartier duurt 45 minuten. Een dag duurt 24 uur. Een nieuwe dag begint om 00:00 uur. In 24 uur gaat de kleine wijzer één keer rond. De avond begint om 6:00 uur. 2 3 Zo is het van belang dat de leerling weet dat de grote wijzer sneller rond gaat dan de kleine wijzer, dat de kleine wijzer de uren en de grote wijzer de minuten aangeeft, dat een uur uit 60 minuten bestaat, dat een kwartier even lang duurt als 15 minuten, dat de leerling de verschillen kan benoemen tussen een wijzerklok (analoge klok) en een cijferklok (digitale klok), dat een hele dag 2
(etmaal) uit 24 uur bestaat, dat de kleine wijzer in 24 uur (in een etmaal) twee keer helemaal rond gaat en dat een nieuwe dag om 00:00 begint. Als de leerling minimaal 5 van de 6 opdrachten goed maakt, heeft hij voldoende kennis om te starten met leerstap 1 van het werkboek Klokkijken. Aan leerlingen die minder dan 5 van de 6 opdrachten goed maken, kunt u vragen stellen die het denkproces bij de leerling stimuleren en/ ondersteunen (zie tips). Na toetsing van de voorkennis kan de routing er als volgt uitzien: Minimaal 5 opdrachten goed? Minder dan 5 opdrachten goed? De leerling start met leerstap 1 van het werkboek Klokkijken. U stelt vragen die het denkproces bij de leerling stimuleren en/ ondersteunen (zie tips bij Weet je nog?). Vervolgens start de leerling met leerstap 1 van het werkboek Klokkijken. 3
1 4 2 5 3 18153_rv_wb_klokkijken_bw.indd 30-31 31-12-2013 10:19:10 6 Rekenvlinder Klokkijken Toelichting Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg www.rekenvlinder.nl REFLECTIE DIT KAN IK NU! teken jezelf Ben je helemaal klaar met het boekje? Kijk dan maar eens wat je nu allemaal kunt. Was de leerstap makkelijk? Kleur Was de leerstap moeilijk? Kleur Leg uit wat je makkelijk juist moeilijk vond. het klokkijken met de kleine wijzer op wijzerklokken het aflezen van alle tijden op wijzerklokken Hoe laat is het? Hoe laat is het? het klokkijken met de grote wijzer op wijzerklokken het aflezen van tijden tussen 00:00 uur en 12:00 uur op cijferklokken Waar staat de grote wijzer? Het is 10 minuten over 11. De grote wijzer wijst naar de 2 10 11 het aflezen van hele uren, halve uren en kwartieren op wijzerklokken Hoe laat is het? Welke tijd is juist? Het is half 6. Het is kwart over 1. 0 6 0 0 0 1 4 5 0 6 3 0 1 5 0 1 0 5 3 0 0 1 1 5 het aflezen van alle tijden op wijzerklokken en cijferklokken Welke tijd past bij het dagdeel? half 9 3 uur kwart voor 7 kwart voor 5 kwart voor 6 kwart over 12 nacht ochtend 1 5 4 5 0 0 4 5 middag 0 3 4 5 1 2 4 5 0 9 1 5 1 9 1 5 avond 2 1 1 5 0 7 1 5 30 31 De 6 opdrachten onder het kopje Dit kan ik nu! op pagina 30 en 31 dagen de leerling uit om te reflecteren op de wijze op en de mate in hij de 6 leerstappen van het werkboek Klokkijken heeft verwerkt. Voor leerlingen die minder dan 5 van de 6 opdrachten kunnen maken, vindt u onder het kopje tips enkele vragen die u als leerkracht kunt stellen om het leerproces bij de leerling(en) te stimuleren en/ te ondersteunen. Na de reflectie kan de routing er als volgt uitzien: Minder dan 5 opdrachten goed? Minimaal 5 opdrachten goed? U stelt vragen die het denkproces bij de leerling stimuleren en/ ondersteunen (zie tips per leerstap). De leerling start met het werkboek Tijdrekenen. Vervolgens start de leerling met het werkboek Tijdrekenen. 4
DOELEN EN INHOUDEN 1 1 het klokkijken met de kleine wijzer op Je oefent het klokkijken met de kleine wijzer op wijzerklokken wijzerklokken OPDRACHT 1 Hoe laat is het? Schrijf. Het is vijf uur. Het is uur. Met één wijzer kun je ook klokkijken. De kleine wijzer wijst de hele uren aan. Het is. Het is. In leerstap 1 oefent de leerling het klokkijken met alleen de kleine wijzer. Dit gebeurt in opdracht 1 t/m 6 met tijden in hele en halve uren. In opdracht 7 t/m 10 komt aan de orde dat het op wijzerklokken na 12 uur weer 1 uur wordt (en niet 13 uur, zoals op cijferklokken). Ook wordt de leerling uitgedaagd om globaal de tijd te geven wanneer de wijzer niet precies op een heel uur een half uur staat en maakt hij stappen van een half uur, een uur en 12 uur vooruit in de tijd. 2 4 2 het klokkijken met de grote wijzer op Je oefent het klokkijken met de grote wijzer op wijzerklokken wijzerklokken OPDRACHT 1 Hoeveel minuten voor over? Schrijf. over 8 minuten over minuten over minuten over voor Op hele uren staat de grote wijzer op de 12. De grote wijzer wijst de minuten aan. minuten voor minuten voor minuten voor In leerstap 2 oefent de leerling het klokkijken met alleen de grote wijzer. De grote wijzer wijst de minuten aan en verfijnt het klokkijken met de kleine wijzer. In opdracht 1 t/m 6 bepaalt de leerling hoeveel minuten voor/na voor/na het halve uur de grote wijzer staat. In opdracht 7 t/m 10 plaatst de leerling de grote wijzer in stapjes van 5 minuten en in stapjes van een kwartier vooruit en wordt hij uitgedaagd logisch na te denken over het verschil tussen de grote en de kleine wijzer. 8 5
3 3 het aflezen van hele uren, halve uren en Je oefent het aflezen van hele uren, halve uren en kwartieren op wijzerklokken kwartieren op wijzerklokken OPDRACHT 1 Hoe laat is het? Schrijf. 3 uur half 12 OPDRACHT 2 Hoe laat is het? Schrijf. In leerstap 3 oefent de leerling het aflezen van hele uren, halve uren en kwartieren op wijzerklokken. Beide wijzers doen nu mee. De begrippen kwart voor en kwart over zijn nieuw in kwart kwart voor over deze leerstap. In opdracht 1 t/m 6 wordt geoefend met tijden als 8 uur, half 4, kwart voor 2 en kwart over 11. In opdracht 7 t/m 10 plaatst de leerling de grote wijzer in stappen van een half uur kwart over 6 en in stappen van een kwartier vooruit en wordt hij uitgedaagd om logisch na te denken over de positie van de kleine en de grote wijzer. 12 4 4 kwart voor 2 Je oefent het aflezen van alle op wijzerklokken het aflezen van alle tijden op wijzerklokken 18153_rv_wb_klokkijken_bw.indd 12 6-1-2014 16:33:57 OPDRACHT 1 Hoe laat is het? Schrijf. 7 minuten over 10 uur is hetzelfde als 7 over 10. 7 over 10 11 voor 6 is hetzelfde als 11 minuten voor 6 uur. 11 voor 6 In leerstap 4 komen de voorgaande leerstappen samen. De leerling oefent het aflezen van alle tijden, op de minuut nauwkeurig. Hij doet dat op klokken met twee wijzers. In opdracht 1 t/m 5 oefent de leerling met tijden als 12 over 6 en 3 over half 2. In opdracht 6 bepaalt de leerling welke klokken tijden tussen half 3 en half 4 aangeven. In opdracht 7 t/m 10 plaatst de leerling de grote wijzer in stappen van een half uur en in stappen van een kwartier vooruit vanaf tijden als 11 voor 7 en 11 voor 7. In opdracht 10 wordt hij uitgedaagd om logisch na te denken over de positie van de kleine en de grote wijzer. 16 6
5 5 het aflezen van tijden tussen 00:00 uur en Je oefent het aflezen van tijden tussen 00:00 uur en 12:00 uur op cijferklokken 12:00 uur op cijferklokken OPDRACHT 1 Hoe laat is het? Schrijf het uur en de minuten. Een nieuwe dag begint om 00:00 uur. 55 00 05 50 10 45 15 40 35 30 25 20 0 6 0 8 0 3 0 5 uur minuten Het uur schrijf je met twee cijfers. De minuten schrijf je ook met twee cijfers. OPDRACHT 2 Hoe laat is het? Schrijf het uur en de minuten. 55 00 In leerstap 50 5 oefent 10 de leerling het aflezen van tijden tussen 00:00 uur en 12:00 uur op de cijferklok (digitale 45 klok). Aanvankelijk 15 gebeurt dit in samenhang met het aflezen van de tijden op de cijferklok (zie opdracht 40 1 en 20 2). In opdracht 7 t/m 10 past de leerling zijn kennis en vaardigheden verder toe en 35 25 wordt hij uitgedaagd 30 logisch na te denken over tijdsduur. De leerling zet daarmee een eerste stap richting 0 rekenen 8 5 5 met tijd. 6 20 05 Het is 5 minuten voor 9 uur. Je telt de minuten na. Het is dus 55 minuten na 8 uur. 6 het aflezen van alle tijden op wijzerklokken Je oefent het aflezen van alle tijden op wijzerklokken en cijferklokken en cijferklokken 18153_rv_wb_klokkijken_bw.indd 20 6-1-2014 16:43:37 OPDRACHT 1 Schrijf de tijd in de nacht en in de middag. 24 23 13 22 14 21 15 0 3 1 0 1 5 1 0 20 16 19 0 1 1 0 nacht 18 17 1 3 1 0 middag van 00:00 uur tot 06:00 uur van 12:00 uur tot 18:00 uur OPDRACHT 2 Schrijf de tijd in de ochtend en in de avond. 0 9 1 5 24 23 13 In leerstap 6 oefent de leerling het aflezen van alle tijden tussen 00:00 uur en 24:00 uur op de 22 14 2 1 1 5 wijzerklok 21 (analoge 15 klok) en de cijferklok (digitale klok). De leerling oefent het koppelen van deze tijden 20 aan de 16verschillende dagdelen (nacht, ochtend, middag en avond). Zo komt bijvoorbeeld het 19 17 18 onderscheid tussen 10 over 1 in de nacht (01:10) en 10 over 1 in de middag (13:10) aan de orde. 0 9 0 5 2 1 0 5 In opdracht 7 t/m 10 past de leerling zijn kennis en vaardigheden verder toe en wordt hij wederom ochtend avond uitgedaagd logisch na te denken over tijdsduur. 24 van 06:00 uur tot 12:00 uur van 18:00 uur tot 00:00 uur 18153_rv_wb_klokkijken_bw.indd 24 6-1-2014 16:46:32 7
TIPS Hieronder staan een aantal vragen die u als leerkracht kunt stellen om het leerproces bij de leerling te stimuleren en/ te ondersteunen: Weet je nog? Zorg voor een wijzerklok (met een verdeling in 60 minuten) van de grote wijzer kan worden verzet en de kleine wijzer automatisch meedraait. Bespreek samen met de leerling de kenmerken van deze klok, zoals: de grote wijzer, de kleine wijzer, de functies van beide wijzers en de richting in de wijzers zich bewegen ( met de klok mee ), de volgorde in de cijfers 1 tot en met 12 zich op de wijzerklok manifesteren, de posities van de cijfers 3, 6, 9 en 12, de begrippen heel uur, half uur, kwartier, minuten en de verdeling van een uur in 2 halve uren, in 4 kwartieren en in 60 minuten, de verdeling van een dag in 4 dagdelen en in 24 uur. Stel vragen als: Hoeveel minuten zitten er in een uur, en in een half uur, en in een kwartier? Wat gebeurt er met de kleine wijzer als je de grote wijzer één keer helemaal ronddraait, als je de grote wijzer een half uur vooruit zet en als je de grote wijzer een kwartier vooruit zet? Hoe vaak gaat de grote wijzer rond in een uur? Hoe vaak gaat de grote wijzer rond in een dag (etmaal)? Hoe vaak gaat de kleine wijzer rond in een dag (24 uur)? Zorg voor een cijferklok (digitale klok). Bespreek met de leerling de verschillen tussen deze klok en de wijzerklok (analoge klok) die in leerstap 1 tot en met 4 centraal staat. Leerstap 1 het klokkijken met de kleine wijzer op wijzerklokken Bespreek samen met de leerling de functie van de kleine wijzer. Deze wijzer wijst de hele uren (en halve uren) aan op de wijzerklok. Vraag: Hoe vaak gaat de kleine wijzer rond in een dag (24 uur)? Koppel situaties/gebeurtenissen in de dag van de leerling aan de plaats van de kleine wijzer op de wijzerklok en stel vragen als: Waar staat de kleine wijzer nu? Is het nu (bijna) 9 uur (bijna) half 10? En staat de kleine wijzer over een uur (als het een uur later is)? Waar staat de kleine wijzer als de kleine pauze begint? Is het dan (bijna) 10 uur (bijna) half 11? Hoe laat gaat de school uit? Waar staat de kleine wijzer dan? En staat de kleine wijzer als het een uur later is? Leerstap 2 het klokkijken met de grote wijzer op wijzerklokken Bespreek samen met de leerling de functie van de grote wijzer. Deze wijzer wijst de minuten aan op de wijzerklok. Stel vragen als: Hoe vaak gaat de grote wijzer rond in een dag (24 uur)? Hoe vaak gaat de grote wijzer rond in een uur? Hoeveel minuten zitten er in een uur? En in een half uur? Koppel situaties/gebeurtenissen in de dag van de leerling aan de plaats van de grote wijzer op de wijzerklok. Geef expliciet aandacht aan de plaats van de grote wijzer bij 10 minuten voor het hele uur, 10 minuten over, 10 minuten over half en 10 minuten voor half, 5 minuten voor, 5 minuten over, 5 minuten over half en 5 minuten voor half. Leerstap 3 het aflezen van hele uren, halve uren en kwartieren op wijzerklokken Zorg voor een wijzerklok (met een verdeling in 60 minuten) van de grote wijzer kan worden verzet en de kleine wijzer automatisch meedraait. Bespreek samen met de leerling de functies van de grote wijzer en de kleine wijzers, de posities van de cijfers 3, 6, 9 en 12, de verdeling van een uur in 4 kwartieren en de begrippen kwartier, kwart over () en kwart voor (). Stel vragen als: Hoeveel minuten zitten er in een kwartier? Waar staat de kleine wijzer als het kwart over 3 is? Waar staat de grote wijzer dan? Wat gebeurt er met de kleine wijzer als je de grote wijzer verplaatst naar de 9 (kwart voor 4)? Waar staat de kleine wijzer dan? 8
Leerstap 4 het aflezen van alle tijden op wijzerklokken Zorg voor een wijzerklok (met een verdeling in 60 minuten) van de grote wijzer kan worden verzet en de kleine wijzer automatisch meedraait. Bespreek samen met de leerling tijden als 7 over 10 en kwart over 6. Ga na de leerling begrijpt dat 7 over 10 hetzelfde is als 7 minuten over 10 ( 7 minuten na 10 uur) en dat kwart over 6 hetzelfde is als 15 minuten over 6 ( 15 minuten na 6 uur). Zet de wijzers van de klok op 15 minuten over 1 en laat de leerling de tijd benoemen. Vraag vervolgens: Hoe laat is het over 1 minuut? Kan de leerling de tijd correct benoemen? (Over 1 minuut is het 14 minuten voor half 2.) Zet de wijzers van de klok op 14 minuten over half 6 en laat de leerling de tijd benoemen. Vraag vervolgens: Hoe laat is het over 1 minuut? Kan de leerling de tijd correct benoemen? (Over 1 minuut is het kwart voor 6.) Leerstap 5 het aflezen van tijden tussen 00:00 uur en 12:00 uur op cijferklokken Zorg voor een wijzerklok (met een verdeling in 60 minuten) van de grote wijzer kan worden verzet en de kleine wijzer automatisch meedraait en een cijferklok (bijvoorbeeld een digitale wekker). Zet de cijferklok op 11:59. Vraag: Hoe laat is het nu? Laat de leerling deze tijd weergeven op de wijzerklok en benadruk dat het op beide klokken 1 minuut voor 12 is. Vraag: Hoe laat is het over 1 minuut? Hoe ziet dat er uit op de wijzerklok? En op de cijferklok? (Op de cijferklok verspringen de cijfer van 11:59 naar 12:00, op de wijzerklok staan beide wijzers op de 12.) Zet de cijferklok op 23:59. Vraag: Hoe laat is het nu? Laat de leerling deze tijd weergeven op de wijzerklok en benadruk dat het op beide klokken 1 minuut voor 12 is. Vraag: Hoe laat is het over 1 minuut? Hoe ziet dat er uit op de wijzerklok? En op de cijferklok? (Op de cijferklok verspringen de cijfer van 23:59 naar 00:00, op de wijzerklok staan beide wijzers wederom op de 12.) Laat de leerling in de loop van de dag verschillende tijden op de cijferklok (wekker) weergeven op de wijzerklok. Kan de leerling deze tijden correct benoemen? Leerstap 6 het aflezen van alle tijden op wijzerklokken en cijferklokken Zorg voor een wijzerklok (met een verdeling in 60 minuten) van de grote wijzer kan worden verzet en de kleine wijzer automatisch meedraait en een cijferklok (bijvoorbeeld een digitale wekker). Zet de cijferklok op 00:00. Vraag: Hoe laat is het nu? Laat de leerling deze tijd weergeven op de wijzerklok en benadruk dat het op beide klokken 12 uur is. Vraag: Hoe laat is het over 1 minuut? Hoe ziet dat er uit op de wijzerklok? En op de cijferklok? Is het dan nacht, ochtend, middag avond? Zet de cijferklok op 06:00. Vraag: Hoe laat is het nu? Laat de leerling deze tijd weergeven op de wijzerklok en benadruk dat het op beide klokken 6 uur is. Vraag: Hoe laat is het over 1 minuut? Hoe ziet dat er uit op de wijzerklok? En op de cijferklok? Is het dan nacht, ochtend, middag avond? Zet de cijferklok op 12:00. Vraag: Hoe laat is het nu? Laat de leerling deze tijd weergeven op de wijzerklok en benadruk dat het op beide klokken 12 uur is. Vraag: Hoe laat is het over 1 minuut? Hoe ziet dat er uit op de wijzerklok? En op de cijferklok? Is het dan nacht, ochtend, middag avond? Zet de cijferklok op 18:00. Vraag: Hoe laat is het nu? Laat de leerling deze tijd weergeven op de wijzerklok en benadruk dat het op beide klokken 6 uur is. Vraag: Hoe laat is het over 1 minuut? Hoe ziet dat er uit op de wijzerklok? En op de cijferklok? Is het dan nacht, ochtend, middag avond? Bespreek situaties bij dezelfde analoge tijd een rol speelt. Vraag bijvoorbeeld: Wat staat er op de cijferklok als je s ochtends om 8 uur opstaat? Wat staat er op de cijferklok als je s avonds om 8 uur naar bed gaat? 9