SCAN in kwaliteitsvol toetsen Instructies Overloop en beoordeel de concrete indicatoren van valide, betrouwbaar, transparant, efficiënt en/of leerrijk toetsen voor het geheel van toetsen/ de toets van een opleidingsonderdeel. Geef telkens aan in welke mate je vindt dat de indicator een sterkte en/of een uitdaging vormt voor je evaluatiepraktijk. Let op! Gelieve elk van onderstaande indicatoren te interpreteren in het licht van het aantal studiepunten/ belang van de toets. Eerder een sterkte/ zwakte. Eerder een kans(uitdaging) / bedreiging. Ik weet het niet. Ik heb daar geen zicht op.? Deze indicator is niet van toepassing. / S Z U B
Valide toetsen is evalueren wat je wil weten 1. De evaluatiepraktijk evalueert een representatief staal van leerdoelen/ competenties/ leerresultaten op het beoogde niveau. 2. Er is afstemming tussen de leerdoelen/ competenties/ leerresultaten, de onderwijsleeractiviteiten en de evaluatieactiviteit (de toets(instrumenten), de beoordeling/beoordelingscriteria, de puntenverdeling/gewichten, de beoordelingsprocedure, de norm of zak/slaaggrens 1 ). 3. De evaluatie is gericht op het verkrijgen van informatie in functie van een rijk en breed beeld over de student (informatie/ toets(vorm)en, evaluatoren, toetsmomenten). 4. De evaluatie sluit aan bij wat studenten geleerd en gedaan hebben tijdens de onderwijspraktijk. 5. De evaluatie benadert de authenticiteit van de beroepspraktijk. 6. De student kan in de evaluatie aantonen dat hij het geleerde kan toepassen in/ transfereren naar andere situaties/ contexten. 7. Andere docenten/lectoren, werkveld, experts, de student zelf, worden betrokken bij het ontwerp en de ontwikkeling van de evaluatie. 8. De evaluatie wordt op gepaste tijden bijgesteld in functie van bv. gewijzigde leerdoelen/ competenties/ leerresultaten/ onderwijsleeractiviteiten. Afname, beoordeling en beslissing 9. De beoordelingscriteria zijn éénduidig en duidelijk (op een vergelijkbare manier begrepen en gebruikt). 10. De beoordeling, de puntenverdeling/gewichten, de cesuur weerspiegelen de beoogde leerdoelen/ competenties/ leerresultaten/ onderwijsleeractiviteiten en het belang dat daaraan wordt gehecht. 11. Andere docenten, experts, het werkveld, de student, worden (geleidelijk aan) betrokken in de uitvoering, beoordeling en beslissing 2. Terugkoppeling 12. De evaluator kan voor elke student verantwoorden hoe het eindcijfer tot stand is gekomen in functie van de beoogde leerdoelen/competenties/leerresultaten. 1 cesuur = zak/slaaggrens 2 De opleiding is eindverantwoordelijk voor het eindcijfer.
Betrouwbaar toetsen is de kans op toevallige resultaten verkleinen 13. De toetspraktijk bevat geen onnodige talige drempels. 14. De evaluatiepraktijk bevat voldoende toetsen/ vragen/ opdrachten, 15. De toetspraktijk differentieert voldoende tussen studenten. 16. De vragen/ opdrachten zijn voldoende specifiek: - enkel studenten die de leerdoelen/ leerresultaten beheersen kunnen de toets uitvoeren; - zo weinig mogelijk afhankelijke vragen; - geen nodeloze vertroebeling door minder relevante inhouden, vaardigheden, attitudes,. 17. De toets is intern consistent: er is een relatie tussen de score op de vraag en de totaalscore. 18. De toetsvragen brengen de verschillen tussen studenten juist in kaart 3. 19. Er wordt gestreefd naar vergelijkbaarheid (vragen, opdrachten, toets(vorm)en, context, complexiteit, tijdstip, beoordelingscriteria, cesuur, ). Verschillen zijn verantwoord en worden (indien wenselijk) meegenomen in het eindcijfer. 20. Studenten worden op meerdere momenten geëvalueerd. 21. Meerdere evaluatoren (andere docent/lector, expert, werkveld, de student, ) worden betrokken in het ontwerp en de ontwikkeling. 22. Studenten worden geëvalueerd met rijke informatie (toetsenvormen, kwalitatief/kwantitatief, direct/indirect, context, ). 23. Toets (vragen of opdrachten), beoordelingscriteria, beoordeling(smodel), zijn met de nodige deskundigheid ontwikkeld. Uitvoering, beoordeling en beslissing 24. Er wordt gestreefd naar gunstige omstandigheden bij afname/uitvoering. 25. Er zijn maatregelen om spieken/ fraude tegen te gaan. 26. Bij groepswerk/producten wordt meeliften bewaakt. 27. Er zijn richtlijnen voor beoordeling of er is een beoordelingsmodel op basis waarvan de beoordeling wordt uitgevoerd en het eindcijfer verantwoord. 28. De docent streeft naar objectiviteit (intersubjectiviteit) in de beoordeling. Een andere evaluator komt tot een vergelijkbare eindscore. 29. Bij beoordeling door externe evaluatoren, investeert de opleiding (extra) in kwaliteitszorg (vb. training, afstemming en overleg, ). 3 Vragen onderscheiden een sterkere student met een hoge toetsscore van een minder sterke student met een lagere toetsscore.
Transparant toetsen is goed geïnformeerd zijn over en vertrouwd zijn met de evaluatie 30. Er wordt begrijpbare informatie (schriftelijk en mondeling) gegeven aan de student over de leerdoelen, toetsvorm, uitvoering, beoordeling/ beoordelingscriteria, puntenverdeling/gewichten, de cesuur, de gevolgen van het eindresultaat. 31. De studenten zijn vertrouwd met de beoogde competenties/ leerdoelen/ leerresultaten, de toetsvorm, beoordelingscriteria, beoordelaars, 4. 32. Indien externe beoordelaars betrokken zijn, wordt er begrijpbare informatie gegeven en zijn beoordelaars voldoende professioneel in functie van de uit te voeren evaluatietaak. Uitvoering, beoordeling en beslissing 33. Vragen en opdrachten (instructies) zijn duidelijk en helder (bv. lengte van het antwoord bij open vragen). 34. Het is duidelijk voor de student hoeveel tijd er beschikbaar is. 35. De vormgeving (lay-out) is helder en duidelijk. 36. Beoordelingscriteria zijn helder en worden op vergelijkbare manier geïnterpreteerd en gebruikt door student en evaluator. Terugkoppeling 37. Het is inzichtelijk voor elke student hoe zijn eindcijfer tot stand is gekomen. 4 Bv. een voorbeeldvraag/examen, oefenen met beoordelingscriteria door self of peerevaluatie,
Efficiënt en effectief toetsen is bewust omgaan met de beschikbare tijd en middelen 38. De evaluatie is uitvoerbaar en haalbaar voor studenten in de beschikbare tijd. De omvang van de evaluatiepraktijk (voorbereiding, voldoende afnametijd, aantal toetsen, opdrachten, ) staat in verhouding tot het aantal studiepunten. 39. De evaluatie is uitvoerbaar en haalbaar voor docenten met de beschikbare tijd en middelen. De omvang van de evaluatiepraktijk (voorbereiding, afname, verbetertijd, rapportering en feedback) staat in verhouding tot het aantal studiepunten. 40. De omvang van de totale evaluatiepraktijk staat in verhouding tot de omvang van de onderwijs- en leerpraktijk. 41. De beoordeling gebeurt binnen de gestelde termijn. 42. De resultaten worden tijdig bekend gemaakt. 43. De evaluatiepraktijk is eenvoudig en niet nodeloos complex. 44. Er wordt efficiënt samengewerkt met collega s/ vakgroep/ ontwikkelgroep/ andere opleidingen/ instellingen (bv. samen ontwikkelen, uitwisselen van vragen/opdrachten, toets- of itembanken, ). 45. Er wordt gebruik gemaakt van digitale middelen om de voorbereidingstijd, afnametijd, verbetertijd, rapporterings- en/of feedbacktijd zo efficiënt mogelijk te laten gebeuren. 46. De nodige voorzieningen (lokalen, computers, surveillanten, ) zijn aanwezig. 47. Verspil geen kostbare onderwijsleertijd. Vermijd overtoetsing. Gebruik geen toets(moment)en die geen toegevoegde waarde in het licht van de kwaliteit van evaluatie en/of het leerproces zijn.
Leerrijk toetsen is evalueren als leren, om te leren en van het leren 48. De student is mee partner in het ontwerpen en ontwikkelen van zijn evaluatiepraktijk (vb. bewijslast verzamelen, beoordelingscriteria formuleren, vragen formuleren, toetsdialogen, ). 49. Er is ruimte voor de student om te leren, te experimenteren, te reflecteren, feedback te krijgen,. Studenten staan niet voortdurend onder evaluatiedruk. 50. Onderwijsleerproces en evaluatie zijn een eenheid. 51. De evaluatieactiviteit laat ruimte voor maatwerk en differentiatie (leerstijl, talenten, kenmerken, ) van studenten naar doelen, plaats, tijdstip, evaluatievorm, zodat de student optimaal leert uit het evalueren. 52. De student is verantwoordelijk voor zijn eigen evaluatiepraktijk en stuurt (geleidelijk aan) zijn evaluatie zelf aan. 53. De evaluatiepraktijk gebeurt in dialoog samen met anderen (vb. peer review door experts, ontwikkelgroepen, ). Uitvoering, beoordeling en beslissing 54. Er wordt gebruik gemaakt van self- en peer-assessment. 55. De student vindt de evaluatie zelf leerrijk en motiverend (zet aan tot reflectie, formuleren van nieuwe leerdoelen, actiepunten, stimulerend voor het aanpakken van toekomstige leer- en toetsactiviteiten, ). 56. De evaluatie vindt plaats in een krachtige en tegelijkertijd veilige leeromgeving. 57. Er is een balans tussen de beoordeling van het product (het resultaat) en van het proces (de ontwikkeling, de voortgang, de mate van zelfsturing, de attitude t.o.v. het leren, ). 58. De uitvoering, beoordeling en beslissing gebeuren in overleg en dialoog met anderen (student, docent, werkveld, experts, ). Terugkoppeling 59. De student krijgt feedback (feedback en feedforward). 60. De docent formuleert conclusies op basis van de toetsscores over de geleverde prestaties en het leerproces van studenten. 61. De docent gebruikt de toetsresultaten om de nodige conclusies te trekken voor zijn toekomstige onderwijs-, evaluatiepraktijk en stuurt deze (indien wenselijk) bij. 62. Er is een regeling voor inzagerecht.