Winst = de totale (geldelijke) opbrengsten (of baten) zijn in een bepaalde periode groter dan de totale (in geld uitgedrukte) kosten (=lasten).

Vergelijkbare documenten
Samenvatting Management & Organisatie Hoofdstuk 7 t/m 12

Boekverslag door B woorden 9 mei keer beoordeeld

Winst = de totale (geldelijke) opbrengsten (of baten) zijn in een bepaalde periode groter dan de totale (in geld uitgedrukte) kosten (=lasten).

Samenvatting Management & Organisatie H12 t/m H18

Samenvatting Management & Organisatie Eenmanszaak deel 2

Samenvatting M&O periode 1. Hoofdstuk 13 8,4. Paragraaf 1. Samenvatting door G woorden 12 maart keer beoordeeld

Samenvatting M&O De eenmanszaak deel 2

6,2. Samenvatting door een scholier 1556 woorden 26 oktober keer beoordeeld

6, Samenvatting door een scholier 2300 woorden 8 november keer beoordeeld. M&O eenmanszaak deel 2

Samenvatting M&O De Industrie

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 16 EN 17 JUNI 2009

Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m juni 2009 proeftoets 100 minuten. In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing.

M&O VWO 2011/

Samenvatting Management & Organisatie Hoofstuk 1 t/m 7 en 10

DE EENMANSZAAK DEEL 2 VWO SAMENVATTING. Jannes Timmers. De Eenmanszaak deel 2 VWO

5, Marketingmix. 7.2 Omgevingsfactoren. Samenvatting door een scholier 2590 woorden 12 oktober keer beoordeeld. Onderdeel 3 Marketing

Resultatenrekening: een overzicht van de opbrengsten en de kosten van een bedrijf gedurende een bepaalde periode.

Samenvatting Management & Organisatie Eenmanszaak deel 2

Financiële aspecten van de planning

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 22 EN 23 JUNI 2010

Samenvatting Management & Organisatie Hoofdstuk 21 en 22

b Economische voorraad: de voorraad waarover de onderneming prijsrisico

Samenvatting Management & Organisatie Hoofdstuk 7 (Management in beweging)

Hoofdstuk 3: Resultaten

Samenvatting Management & Organisatie Hoofdstuk 4, 5 en 6

M&O VWO 2011/

6,4. Samenvatting door M woorden 23 januari keer beoordeeld. Waarom is het belangrijk om een voorraad te hebben?

Annuïteit= Elke maand een vast bedrag terugbetalen. Eerste periode is vooral rente, later wordt het aflossingsdeel steeds groter

Examen VWO. Economische wetenschappen II en recht (oude stijl)

Proefschoolexamen Management & Organisatie 5 vwo. Hoofdstuk 17 tot en met 28. Normering. Aantal punten x = cijfer 63

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

Een onderhandse lening is een lang lopende lening waarbij geld uitgeleend word door 1 geldgever.

Hoofdstuk 26 Kosten en resultaten in de industriële onderneming

Hoofdstuk 3: Resultaten

b Economische voorraad: de voorraad waarover de onderneming prijsrisico

Opgave 9.5 Variabele kosten per stuk: / = 3,75 Totale variabele kosten bij eenheden: ,75 =

OEFENOPGAVEN LESBRIEF INDUSTRIE

Samenvatting Management & Organisatie Hoofdstuk 9, 10, 11, 12

- Bij de juiste combinatie van de 4P s (marketingmix) kunnen marketingdoelen gerealiseerd worden. 1. Prijs 2. Product 3. Plaats 4.

Samenvatting door Sabien 1939 woorden 15 juni keer beoordeeld

Samenvatting M&O Domein G (H31 t/m 36)

modellen m&o havo Modellen voor management en organisatie 1. Inleiding

PDB. Antwoordenboek. berekeningen. Financiële administratie & Kostprijscalculatie

Hoofdstuk 19. Prijs en distributiebeleid. Veel verkopen is niet moeilijk als je een hele lage prijs vraagt.

Regels voor activa ; Waarderingsgrondslagen

Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting.

Eigen vermogen Geplaats aandelenkapitaal Agioreserve Herwaarderingsreserve Wettelijke en statutaire reserves Ingehouden winst uit de voorgaande jaren

Eindexamen m&o vwo 2005-I

2 Constante en variabele kosten

UITWERKINGEN OPGAVEN HOOFDSTUK 5 OPGAVE 3

Samenvatting Management & Organisatie Berekeningen

Boekverslag door C. 946 woorden 11 december keer beoordeeld

Examen VWO. economische wetenschappen II en recht (oude stijl)

Het verschil tussen de verkoopopbrengst van de verkochte goederen en de inkoopwaarde van die goederen

Samenvatting M&O Eenmanszaak deel 1 H3 t/m 5

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 10 JUNI 2009

Samenvatting Management & Organisatie Hoofdstuk 26

1 Het kasstroomoverzicht

Hoofdstuk 16 Marketing

Begrippenlijst Management & Organisatie Hoofdstuk 5, 6 en 7

Kamer van Koophandel (KvK): hier kom je meer te weten over vergunningen, wetgeving en btw.

eindexamenprogramma m&o vwo

Samenvatting Management & Organisatie Hoofdstuk 9 t/m 16

Kostensoorten

TOELATINGSTOETS M&O. Datum

b. Materiaal Loonkosten Opslag indirecte kosten: 125%

Samenvatting M&O hoofdstuk

Samenvatting Management & Organisatie Boek 1+ 2

Uitwerkingen proefexamen II PDB kostencalculatie

Vraag Antwoord Scores. Opmerking Voor elke fout wordt 1 scorepunt in mindering gebracht.

Hoofdstuk 1. Opgave , ,57. Opgave ,078. Opgave , ,

OPGAVEN HOOFDSTUK 6 ANTWOORDEN

Boekverslag door W woorden 20 juni keer beoordeeld. M&O Hoofdstuk

Dit oefenexamen bestaat uit 22 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

2 Kostprijsberekening en opslagmethode

Samenvatting Management & Organisatie InBalans 2 Hoofdstuk 32-36

Meerkeuzevragen: 5. Bereken voor dit jaar de totale constante kosten. A ,- B ,- C ,- D ,-

PROEFEXAMEN 2 Praktijkdiploma Boekhouden

Wanneer de ondernemer niet meer in staat is alle schulden te betalen, wordt door een rechtbank een faillissement uitgesproken.

Vraag Antwoord Scores. x 100% = 55%

Aurington. Administratie en Advies

Examen PC 2 vak Cash Management

Direct costing en break even analyse

UITWERKINGEN OPGAVEN OEFENEXAMEN 1 ASSOCIATIE MBA-KC

Samenvatting door een scholier 1651 woorden 29 maart keer beoordeeld

Dit oefenexamen bestaat uit 22 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43

Hoofdstuk 1. Opgave , ,57. Opgave ,078. Opgave , ,

Lever origineel en kopie van het examenpapier in.

Oefenopgave 1. Oefenopgave 1. Crediteuren 600 EV 600. Debiteuren 400. Gebouwen 300 EV. Voorraden 200 Crediteuren. Kas 300

Vraag Antwoord Scores

Vormen van lang vreemd vermogen: Kenmerken onderhandse lening: Obligatie = op lange termijn: Gezond financieren / Broers regels

De Naamloze Vennootschap ~ NV. Het bijeenroepen en leiden van algemene vergadering van aandeelhouders.

Samenvatting Management & Organisatie Hoofdstuk 1 t/m 3.3

OPGAVEN HOOFDSTUK 6 UITWERKINGEN

v6mo2p oefentoets vwo M&O 2e periode blad 1 van 5

1 Kostprijsberekening en bezettingsresultaat

- De site voor samenvatting en meer!

Ondernemingen: om hun nieuwe gebouwen te kunnen kopen. Zij geven leningen uit aan aandeelhouders, zodat ze geld ontvangen.

Samenvatting M&O Alle stof

Transcriptie:

Boekverslag door R. 4132 woorden 14 november 2004 6.1 20 keer beoordeeld Vak M&O Hoofdstuk 1 De binnenkant van een organisatie Organisatie = een geordende groep mensen die met behulp van bepaalde middelen samenwerkt om vooraf geplande doelen te bereiken. Kenmerken organisatie: - een doel - een plan - middelen (bv. grond, gebouwen, geld etc.) - mensen - leiding (of management) Winst = de totale (geldelijke) opbrengsten (of baten) zijn in een bepaalde periode groter dan de totale (in geld uitgedrukte) kosten (=lasten). Managementtaken: - plannen - organiseren - leidinggeven - controleren Plannen = het formuleren van in de toekomst te realiseren doelen en het vaststellen van de daarvoor noodzakelijke activiteiten. Organiseren = het regelen en verdelen van taken, bevoegdheden en middelen onder de leden van de organisatie. Leidinggeven = het sturen, beïnvloeden en motiveren van werknemers. Controleren = ervoor zorgen dat de gestelde doelen op de voorgeschreven manier bereikt worden. Strategische plannen: worden ontwikkeld door het topmanagement en beschrijven hoe de organisatie denkt haar langetermijndoelen te bereiken. Tactische plannen: betreffen de concrete activiteiten die moeten leiden tot het strategische doel. Ze worden in de regel gemaakt in samenspraak tussen top- en middenmanagement van de organisatie. https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 1 van 18

Operationele plannen: hebben betrekking op de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Ze worden gemaakt door het midden- en lagere management van de organisatie. Korte termijn planning: de planperiode is niet langer dan ± 1 jaar Middenlangetermijnplanning: de planperiode ligt tussen de 1 en 3 a 5 jaar. Langetermijnplanning: de planperiode ligt tussen de 3 a 5 en 15 a 20 jaar. Begroting = een overzicht van de verwachte financiële gevolgen van een plan. Projecten: zijn opgebouwd uit diverse activiteiten, die uitgevoerd worden door verschillende afdelingen of specialisten en die uiteindelijk moeten leiden tot een duidelijk omschreven resultaat. Kenmerken: - het is een geheel van bij elkaar behorende activiteiten, waarbij diverse personen met verschillende deskundigheden betrokken zijn. - het totaal aan activiteiten moet op een concreet omschreven einddoel gericht zijn. - de totale doorlooptijd moet begrensd zijn. Controle: administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) Dit is gebaseerd op functiescheiding. Bij grote bedrijven gaat functiescheiding verder dan bij kleine. Voorbeelden van functies van verschillende personen zijn: - beschikken of beslissen (inkoopmarkt) - bewaren (magazijnmeester) - uitvoeren (productie) - registreren (administratie) - controleren (dmv steekproeven etc.) Interne controle = elke vorm van controle die door of namens de leiding van de organisatie wordt uitgeoefend. - Het management laat zich dmv gegevens informeren over de stand van zaken binnen de organisatie. Hoofdstuk 2 Personeelsbeleid Arbeidsovereenkomst = een afspraak tussen een werkgever en een werknemer, waarbij de werknemer zich verplicht arbeid te verrichten ten behoeve van de werkgever. De werkgever krijgt de verplichting de werknemer een beloning te geven. Beide partijen hebben rechten en plichten: De werknemer moet: - de arbeid zo goed mogelijk verrichten - de arbeid zelf verrichten - de voorschriften van de werkgever opvolgen - zich als een goed werknemer gedragen De werkgever moet: - tijdig het overeen gekomen loon betalen - vakantie- en snipperdagen geven met behoud van loon https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 2 van 18

- de werknemer behandelen zoals het een goed werkgever behoort - na de dienstbetrekking desgevraagd een getuigschrift geven 3 fasen personeelsbeleid: - werving - dienstverband - ontslag Werving: er wordt gezocht naar geschikte mensen voor een bepaalde functie. Belangrijk voor een werknemer zijn de werkomstandigheden, mogelijke doorgroeifuncties en het soort contract. Er mag niet gediscrimineerd worden bij het uitzoeken van personeel, iedereen moet gelijke kansen krijgen. Positieve discriminatie = het bevoorrechten van mensen, omdat ze deel uitmaken van een tot op dat moment achtergestelde groep. Bevoegdheden van een ondernemingsraad (OR): - Recht op overleg: minstens 6 keer per jaar gezamenlijk overleg ondernemer en OR. - Recht op informatie: ondernemer moet OR info geven over gang van zaken en toekomst. - Recht op consultatie: ondernemer moet voor sommige zaken advies inwinnen bij OR. - Recht op meebeslissen: er zij enkele onderwerpen waarover de OR mag meebeslissen. Functioneringsgesprekken: open gesprekken tussen werknemer en diens directe leidinggevende. Wederzijds kunnen beiden in dat gesprek aangeven wat hun mening is over de diverse aspecten in hun functioneren. Beoordelingsgesprek: beoordelen staat voorop. Is de werkgever tevreden over de prestaties van de werknemer en wat betekent dat voor diens beloning en verdere loopbaan binnen het bedrijf. Ontslag verloopt meestal probleemloos (werknemer krijgt betere baan, begint eigen bedrijf, pensioen). Voor probleemgevallen is er vaak een gedwongen ontslag, maar dat moet meestal aangevraagd worden met goede redenen. Er zijn echter uitzonderingen (dringende reden). 3 regelingen waarbij de overheid loonkostensubsidie verstrekt: - Regeling vermindering lage lonen : minder belasting, werknemer krijgt meer netto. - Regeling vermindering langdurig werklozen : kosten minder belasting - Regeling vermindering onderwijs : minder belasting voor werknemers die naast hun werk nog 1 of 2 dagen naar school gaan Hoofdstuk 3 Rechtsvormen Rechtsvorm = de juridische vorm die aan een bedrijf is gegeven. Natuurlijke personen: alle mensen van vlees en bloed Rechtspersonen: organisaties die zelfstandig rechten en plichten kunnen hebben en daarbij niet https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 3 van 18

afhankelijk zijn van het bestaan van bepaalde personen. Ze leiden een eigen leven en kunnen in beginsel honderden jaren oud worden. Publiekrechtelijke rechtspersonen: Staat der Nederlanden, provincies, gemeenten, waterschappen. Privaatrechtelijke rechtspersonen: BV s, NV s, verenigingen en stichtingen. Surseance = uitstel van betaling Faillissement: onderneming heeft geen bestaanrecht meer. Curator: zaakwaarnemer, die ervoor zorgt dat een onderneming netjes wordt opgeheven. Hoofdstuk 5 Financiële markten Vermogensmarkt: het geheel van vraag naar een aanbod van financieringsmiddelen. - te splitsen in: - kapitaalmarkt - geldmarkt Kapitaalmarkt = het geheel van vraag en aanbod van financieringsmiddelen met een lange looptijd. Markt voor openbaar vermogen: voorwaarden waartegen geld geleend kan worden zijn van tevoren in openbaarheid bekend gemaakt en iedereen kan in de lening deelnemen. Markt voor onderhands vermogen: één geldvrager en één geldgever onderhandelen rechtstreeks met elkaar. Voorwaarden niet bekend. Aandeel = eigendomsbewijs van een onderneming. Nieuwe aandelen- eerstehandsmarkt Oudere aandelen - tweedehandsmarkt Obligaties: schuldbewijzen van de overheid, bedrijven of andere instellingen. Nominale waarde: waarde die op een obligatie vermeld staat. - pari: emissiekoers is gelijk aan nominale waarde. Agio: emissiekoers ligt boven nominale waarde. Disagio: emissiekoers ligt onder de nominale waarde. Factoren die voor schommeling aandelenkoersen zorgen: - rentestand - winstgevendheid van bedrijven - beurssentiment Geldmarkt = het geheel van vraag en aanbod van financieringsmiddelen met een korte looptijd (<2jaar). Functies banken: - kredietbemiddeling - kredietverlening - beheren van spaargelden - uitvoeren van het betalingsverkeer https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 4 van 18

- bemiddelen bij het emitteren van aandelen en obligaties - bewaren van effecten voor cliënten - aan- en verkopen van vreemde valuta - aan- en verkopen van effecten in opdracht van cliënten Hoofdstuk 6 De financiering van organisaties: eigen vermogen Balans = een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een organisatie op een bepaald tijdstip. Eigen vermogen: bestaat uit bezittingen verminderd met schulden. Aandeel = de deelname in het eigen vermogen van een BV of een NV. Preferent aandeel = een aandeel dat bij de winstverdeling recht geeft op een bepaald percentage van zijn nominale waarde als winstuitkering, voordat enige winstuitkering aan gewone aandeelhouders plaatsvindt. Prioriteitsaandeel = een aandeel waaraan de statuten van de vennootschap bijzondere zeggenschapsrechten hebben verbonden. Dividend = het gedeelte van de winst dat uitgekeerd wordt aan de aandeelhouders. Tantième = winstuitkering voor personeel. Stockdividend = een winstuitkering aan aandeelhouders in de vorm van eigen aandelen. Cashdividend = een winstuitkering aan aandeelhouders in contant geld. Intrinsieke waarde v/e onderneming = verschil tussen waarde bezittingen en schulden van de onderneming. Hoofdstuk 7 De financiering van organisaties: vreemd vermogen Hypothecaire lening = een geldlening waarbij de geldgever het recht van hypotheek verkrijgt. Recht van hypotheek = recht dat de geldgever heeft om de als zekerheid dienende zaak te verkopen, als de geldnemer in gebreke blijft bij de betaling van interest en/of aflossing. Registergoederen: hiertoe behoren onroerende zaken als grond, huizen en andere gebouwen, maar ook roerende zaken als schepen. De rechten die op die goederen rusten, zijn aangetekend in een openbaar register. Annuïteit = een gelijkblijvend periodiek te betalen bedrag dat een interest- en een aflossingsdeel bevat. Voordeel: te betalen bedrag elk jaar gelijk. Spaarhypotheek: Koop op afbetaling: een product wordt aangeschaft en in termijnen + interest terugbetaald. Huurkoop: de koper is pas eigenaar van het artikel als hij alle aflossingen gedaan heeft, maar krijgt het product meteen mee. Persoonlijke lening: niet gebonden aan aankoop van specifieke goederen, maar wel vast interest- en https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 5 van 18

aflossingsschema. Doorlopend krediet: het is mogelijk om afgeloste bedragen weer op te nemen. Vaste bedragen voor aflossing en interest. Leasing = het huren van een roerende of onroerende zaak voor een bepaalde periode. Factoring = een vorm van financiële dienstverlening door factormaatschappijen of factors die erin bestaat dat de factoor de vorderingen van ondernemingen op hun afnemers overneemt. Hoofdstuk 8 Omgevingsfactoren Marketing: omvat alle activiteiten die een organisatie onderneemt om zijn ruilactiviteiten te bevorderen, te vergemakkelijken en te bespoedigen. Marketingmix = de combinatie van instrumenten waarmee een bedrijf in de wensen van de afnemers wil voorzien. - Product 4 P s - Prijs - Plaats - Promotie Product = alles wat in een behoefte kan voorzien. Omgevingsfactoren: externe omstandigheden waarmee een organisatie bij het toepassen van de marketingmix rekening moet houden. - Niet-beïnvloedbaar: wetten, macro-economische-, demografische-, technologische ontwikkelingen. - Beïnvloedbaar: inkoop, verkoop, concurrentie, publieke en politieke druk. Hoofdstuk 9 Marketingdoelstellingen Marktaandeel van een bedrijf: diens afzet of omzet uitgedrukt in procenten van de afzet of omzet van de gehele bedrijfstak. Marktsegment = een groep mensen met gelijke kenmerken, die op gelijke wijze reageert op de marketingmix. Marketingstrategie = de wijze waarop een producent met de elementen van marketingmix inspeelt op de eigenschappen van zijn doelgroep. Ongedifferentieerde marketing: er worden geen marktsegmenten onderscheiden, product wordt in grote hoeveelheden geproduceerd (massafabricage). Gedifferentieerde marketing: er worden verschillende doelgroepen onderscheiden, die elk op een eigen manier benaderd worden. Geconcentreerde marketing: de producent richt zich op één of enkele marktsegmenten. Vaak het geval bij exclusiviteit van het product. Hoofdstuk 10 Productbeleid Product = alles waarmee in een specifieke behoefte kan worden voorzien. https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 6 van 18

Productmix = de combinatie van eigenschappen die een product bezit. - kwaliteit - technisch (kwalitatief vast te stellen) - consumentenkwaliteit (subjectief) - merk - verpakking - service Garantie = het vrijwaren van de koper voor onverwachte kwaliteitsvermindering. Merk = een naam, beeld of een symbool waarmee een product wordt aangeduid. Actieve merkbekendheid: Noem een bekend merk margarine. Passieve merkbekendheid: Welke van deze margarinemerken kent u? Functies verpakking: - bescherming - communicatie - aandacht trekken, informeren - verkoopstimulering - vorm en kleur zijn belangrijk - hanteerbaarheid - vloeistoffen, gassen Service: - voor aankoop - demonstratie, proefopstelling, bouwtekening - tijdens aankoop - bezorging, installeren, gebruikersinstructie - na aankoop - onderhoud, reparatie, garantie Productlevenscyclus = het verloop van de afzet van een product in de loop van de tijd. Introductiefase: veel reclame, (meestal) hoge prijs, weinig concurrentie, (nog) geen winst. Groeifase: snelle toename afzet, prijs daalt, meer concurrenten, winst neemt snel toe. Rijpheidsfase: afname afzetgroei, vervangingsvraag, prijskortingen. Verzadigingsfase: geen afzetgroei meer, voornamelijk vervangingsvraag, winst per eenheid product is laag. Neergangsfase: afzet daalt, winst daalt - verlies? Hoofdstuk 11 Prijsbeleid Prijs: het geldbedrag dat de afnemer aan de verkoper betaalt om een product te verkrijgen. Kostengeoriënteerde prijsbepaling: productiekosten worden verhoogd met een (bruto) winstpercentage (brutowinstopslag). Vraaggeoriënteerde prijsbepaling: de prijs die de consument wil betalen wordt als uitgangspunt genomen. (5 mogelijkheden). - prijsdiscriminatie: op hetzelfde moment worden voor hetzelfde product op verschillende marktsegmenten verschillende prijzen gevraagd. - Psychologische prijzen: $ 5,95 ipv $ 6,00. - Afroompolitiek: de producent vraagt voor een nieuw product aanvankelijk een hoge prijs en verlaagt vervolgens geleidelijk de prijs. - Penetratiepolitiek: de ondernemer kiest een zó lage prijs dat meteen een groot deel van de markt bediend wordt. https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 7 van 18

- Prijskortingen Profijtbeginsel: de gebruiker van een bepaalde voorziening betaalt de kosten van die voorziening(en). Niet-monetaire prijzen: - bereikbaarheid - psychologische drempels Hoofdstuk 12 Plaatsbeleid Plaatsbeleid / distributiebeleid: betreft alle handelingen die erop gericht zijn de goederen op de plaats te krijgen waar de afnemer de goederen verwacht. Collecterende functie: veel verschillende goederen opnemen om een aantrekkelijk assortiment te krijgen. Distribuerende functie: het leveren van goederen aan een afnemer, zodat deze niet al zijn inkopen bij verschillende producenten moet doen. Rabat = een korting die een producent aan een detaillist geeft. Pushstrategie: door het product voor de detaillist aantrekkelijk te maken, probeert de producent zijn product in de schappen te krijgen. Pullstrategie: dmv merkbekendheid zorgt de producent ervoor dat de detaillist zijn product in het assortiment op wil nemen. Brutowinstmarge = het verschil tussen de verkooprijs en de inkooprijs van een product. Hoofdstuk 13 Promotiebeleid Promotiebeleid: omvat alle activiteiten waarmee de interesse van de afnemer wordt gewekt en waarmee hij tot aankoop wordt overgehaald. - AIDA-formule: - Attention - aandacht koper trekken - Interest - koper krijgt belangstelling - Desire - koper wenst product te kopen - Action - koper gaat tot actie over Persoonlijke verkoop = er is rechtstreeks contact tussen afnemer en verkoper. Koopovereenkomst = een overeenkomst waarbij de verkoper zich verbindt een bepaalde zaak te leveren en de koper zich verbindt de overeengekomen prijs te betalen. Reclame = elke vorm van niet-persoonlijke presentatie en promotie van ideeën, goederen en diensten. - op basis van 5 soorten boodschappen: - individuele reclame - 1 organisatie - collectieve reclame - brancheorganisatie - ideële reclame - SIRE - actiereclame - kortetermijnactie, vb. 2 halen, 1 betalen - themareclame - onderhouden naambekendheid https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 8 van 18

free publicity = een bepaald product of bedrijf wordt in de media genoemd zonder dat de belanghebben hiervoor heeft betaald. Verschillende media voor reclame zijn: - televisiereclame - radioreclame - dagbladreclame - reclame in vrouwen-, familie- en radio/tv-bladen - reclame in vakbladen en hobbytijdschriften Public-relations = het stelselmatig bevorderen van wederzijds begrip tussen een organisatie en groepen van het publiek die voor de organisatie van belang zijn. Hoofdstuk 14 Marktonderzoek Marktonderzoek = het verzamelen, vastleggen en analyseren van gegevens die betrekking hebben op de markt voor een bepaald product en op de effectiviteit van de marketinginstrumenten op die markt. Desk research = het raadplegen van interne en externe (reeds bestaande) bronnen om bepaalde informatie te verkrijgen. Steekproef = een deel van een verzameling dat informatie geeft over de hele verzameling. Voorbeelden van fieldresearch: - experimenten - testen marketingmix in de praktijk - steekproeven - vergelijkend warenonderzoek Hoofdstuk 16 Functies van een handelsonderneming Handelsonderneming = een bedrijf dat goederen in- en verkoopt zonder deze goederen een verdere bewerking te geven. Collecterende functie: het verzamelen van handelsgoederen door bij verschillende leveranciers inkooporders te plaatsen. Distribuerende functie: de in grote hoeveelheden ingekochte goederen opsplitsen in kleinere hoeveelheden en die verdelen over de afnemers. Uitgaven in een periode: - betaling ingekochte goederen - betaling inkoopkosten - loonkosten personeel - rentebetalingen - overige betalingen Ontvangst: een bedrijf ontvangt geld (per kas of op een bankrekening) Opbrengst: geldontvangst die voortvloeit uit de levering van goederen of diensten. https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 9 van 18

Betaling = een uitgave Kosten: betaling van goederen of diensten ten behoeve van de productie van de onderneming. Afzet = de hoeveelheid goederen die in een bepaalde periode is verkocht. Omzet = de som van het aantal verkochte goederen vermenigvuldigd met de (werkelijke) verkoopprijs van ieder goed. Brutowinstopslag: brutowinst uitgedrukt in een percentage van de inkoopprijs. Brutowinstmarge: brutowinst uitgedrukt in een percentage van de verkoopprijs. Bedrijfskosten: overige kosten die een bedrijf maakt, bijvoorbeeld loonkosten, magazijnkosten, reclamekosten etc. Nettowinst = brutowinst minus bedrijfskosten. Oorzaken verschil tussen verwachte kosten en werkelijke kosten: - prijsveranderingen van enkele kostencategorieën. - Er is meer arbeid gebruikt om eenzelfde omzet te behalen. - Diensten van derden zijn duurder geworden. Omzetbelasting = een belasting op de consumptie (gebruik en verbruik) van goederen en diensten. Toegevoegde waarde = de waardevermeerdering die een product verkrijgt tijdens een productieproces. Consumentenprijs = verkoopprijs verhoogd met BTW. Hoofdstuk 17 Gerealiseerde brutowinst Fifo-methode: first in, first out: bij de berekening van de (bruto)winst gaat men ervanuit, dat de eerst ingekochte partij ook het eerst verkocht wordt. Voordeel fifo-methode: de waarde van de voorraad blijft actueel. Lifo-methode: last in, first out: bij de berekening van de (bruto)winst gaat men ervanuit, dat de laatst ingekochte partij het eerst verkocht wordt. Voordeel lifo-methode: bij dalende prijzen levert de lifo-methode een grotere brutowinst op. Nadeel lifo-methode: de berekende waarde van de voorraad zegt niets over de werkelijke waarde van de voorraad. Opmerking: het gebruik van fifo- en lifo-methode is alleen mogelijk bij goederen, die onbeperkt houdbaar zijn en na samenvoeging met de reeds bestaande voorraad niet meer te onderscheiden zijn. Gerealiseerde brutowinst = gerealiseerde omzet inkoopwaarde van de omzet. Hoofdstuk 18 Kostprijs en nettowinst Kosten voor een onderneming: - inkoopkosten - algemene kosten https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 10 van 18

- verkoopkosten Vaste verrekenprijs = de som van de geschatte gemiddelde inkoopprijs en een opslag voor de inkoopkosten. De vvp is gebaseerd op schattingen en hoeft dus niet precies met de werkelijke kosten overeen te komen. Berekening consumentenprijs: Inkoopprijs Opslag inkoopkosten + Vaste verrekenprijs Overheadkosten + Kostprijs Brutowinstopslag + Verkoopprijs BTW-opslag + Consumentenprijs Hoofdstuk 20 Voorraadkosten: bestaan uit bestelkosten en opslagkosten. Bestelkosten: alle kosten die verband houden met de inkoop, zoals telefoonkosten, porti, vervoers- en verzekeringskosten. Opslagkosten: alle kosten die verband houden met het in voorraad houden van goederen, zoals loonkosten van het magazijnpersoneel en kosten van de opslagruimte. Risico s van voorraad aanhouden: - bederf (kwaliteitsrisico) - diefstal (kwantiteitsrisico) - veroudering (commercieel risico) - prijsfluctuaties (economisch risico) Economische voorraad = de voorraad waarover een onderneming prijsrisico loopt. Technische voorraad = de werkelijk aanwezige voorraad. Technische voorraad = economische voorraad + voorverkopen voorinkopen. Economische voorraad = technische voorraad + voorinkopen voorverkopen. Logistiek: omvat alle handelingen die nodig zijn om de juiste goederen op het juiste tijdstip op de juiste plaats te leveren tegen kosten die de onderneming een zo hoog mogelijk rendement geven. Voorbeelden logistieke problemen: - het schatten van de behoeften van de afnemer - zorgen voor het juiste transport - het beheer van de voorraad - de afwerking van de orders https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 11 van 18

Ordergestuurd systeem: de ontvangst van de order zet het proces van levering in werking. Voorraadgestuurd systeem: er wordt besteld zodra de voorraad onder een bepaald minimum zakt. Plangestuurd systeem: logistiek systeem dat gebaseerd is op een productieplan. Voorbeeld plangestuurd systeem: Just-in-Time systeem. Reverse logistics: de goederenstroom die van de afnemer naar de leverancier loopt (bijvoorbeeld retourzending van verpakkingen of ondeugdelijke producten) Omlooptijd = de tijd die verstrijkt tussen het moment dat het productiemiddel is aangeschaft en het moment dat het geheel is terugverdiend uit de verkopen. Vlottende activa kennen een omlooptijd die korter is dan een jaar. Vaste activa: staan een bedrijf langer dan een jaar ter beschikking. Het in de vaste activa geïnvesteerde vermogen is in de regel pas na een aantal jaren terugverdiend. Slijtage = de waardedaling van duurzame productiemiddelen. De totale afschrijvingen op een duurzaam productiemiddel zijn gelijk aan het verschil tussen de aanschafprijs van dat productiemiddel en de restwaarde. Economische levensduur = de periode waarin een productiemiddel winstgevend kan worden gebruikt. Hoofdstuk 21 Kosten en winst Vaste of constante kosten: kosten die afhankelijk zijn van de gekozen productiecapaciteit en niet van de werkelijke productiegrootte. Productiecapaciteit = de hoeveelheid goederen die een bedrijf onder normale omstandigheden kan voortbrengen. Bezettingsgraad = de mate waarin de beschikbare capaciteit gedurende een bepaalde periode wordt benut. Variabele kosten: kosten waarvan de hoogte afhankelijk is van de bezettingsgraad. Dekkingsbijdrage = het verschil tussen de verkoopprijs per product en de som van inkoopprijs en variabele kosten per product (= contribution margin). Dekkingsbijdrage = C / (p-v) Break-evenafzet = de afzet waarbij de onderneming winst noch verlies maakt. Veiligheidsmarge = het verschil tussen de werkelijke afzet (omzet) en de break-evenafzet (omzet), uitgedrukt in procenten van de werkelijke afzet (omzet). Gewenste afzet = (vaste kosten + gewenste nettowinst) / dekkingsbijdrage Hoofdstuk 22 Industriële ondernemingen Industriële ondernemingen: commerciële organisaties die goederen vervaardigen uit halffabrikaten en grondstoffen met de inzet van personeel, duurzame productiemiddelen en hulpstoffen. https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 12 van 18

Massaproductie: de productie die niet gericht is op de specifieke wensen van de individuele afnemers, maar op de min of meer gestandaardiseerde wensen van de totale markt. Kostensoorten: kosten ingedeeld naar de aard van de ingezette productiemiddelen. Voorbeelden van kostensoorten: - kosten van grond (natuur) - kosten van grond- en hulpstoffen - kosten van arbeid - kosten van diensten - belastingen - kosten van duurzame productiemiddelen grond kan worden gebruikt als vestigingsplaats en als leverancier van delfstoffen. Afval = de grondstof die tijdens het productieproces verloren gaat. Waardevol afval: afval dat na eventuele bewerking nog als grondstof kan dienen voor een ander productieproces. Waardeloos afval: afval dat niet meer te gebruiken is. Arbeidskosten bestaan uit: - brutoloon - sociale premies - kosten van vakantie- en snipperdagen - pensioenpremies - kosten van overige faciliteiten Tijdloon = het loonstelsel waarbij de beloning van de werknemer afhankelijk is van de tijd dat de werknemer zijn of haar tijd ter beschikking stelt van de werkgever. Stukloon = het loonstelsel waarbij de werknemer een beloning ontvangt die afhankelijk is van de geleverde prestatie. Stukloon is alleen toepasbaar als aan de volgende eisen voldaan is: - de prestaties van de werknemer moeten meetbaar zijn - de werknemer moet het aantal prestaties kunnen beïnvloeden - de nadruk moet voor de werkgever liggen op de hoeveelheid en niet op de kwaliteit. Kostprijsverhogende belastingen: belastingen die de productiekosten van de onderneming verhogen, bijvoorbeeld milieuheffingen, onroerendezaakbelasting etc. Accijns en omzetbelasting (BTW) verhogen de verkoopprijs. Financieringskosten: alle kosten die samenhangen met het aantrekken en het gebruik van financieringsmiddelen. Financieringskosten stellen de bedrijfsleiding voor de volgende vraagstukken: - hoogte van de gecalculeerde interest - duur van het vermogensbeslag - grootte van het vermogensbeslag https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 13 van 18

Gemiddeld geïnvesteerd vermogen (GGV) = (aanschafwaarde + restwaarde) / 2 Hoofdstuk 23 Kosten en opbrengsten bij stukproductie Perioderesultaat = de winst, behaald in een bepaalde periode. Kostprijs = de som van de toegestane kosten voor dit product. Een verschil tussen toegestane kosten en werkelijke kosten wordt veroorzaakt door: - de kwaliteit van de voorcalculatie - de efficiency van het uitgevoerde proces We onderscheiden bij de kostenverschillen prijsverschillen en hoeveelheids- of efficiencyverschillen. Prijsverschillen worden veroorzaakt door verschillen in inkoopprijs en vooraf geschatte prijs en efficiencyverschillen worden veroorzaakt door verschil tussen de werkelijk gebruikte hoeveelheid en de vooraf ingeschatte hoeveelheid. Directe kosten: kosten die rechtstreeks aan een bepaald product zijn toe te rekenen. Indirecte kosten: kosten die niet toe te rekenen zijn aan één product, maar die ten behoeve van de hele productie gemaakt worden. Primitieve opslagmethode: voor de indirecte kosten als geheel wordt een opslagpercentage genomen en de kosten worden dan op één bepaalde directe kostensoort opgeslagen. Verfijnde opslagmethode: de indirecte kosten als geheel worden bij verschillende directe kosten met een mogelijk verschillend opslagpercentage opgeslagen. Opmerkingen: - de gekozen verbanden tussen directe- en indirecte kosten zijn over het algemeen erg willekeurig. - In moderne bedrijven zijn de indirecte kosten vaak hoger dan de directe kosten, waardoor zeer hoge opslagpercentages ontstaan. Hoofdstuk 24 Kosten en opbrengsten bij homogene massaproductie Productiecapaciteit: de maximale hoeveelheid producten die een bedrijf in een bepaalde periode kan leveren. Bezettingsgraad: de mate waarin de beschikbare capaciteit gedurende een bepaalde periode wordt benut. Constante kosten: kosten die met een bepaalde productiecapaciteit samenhangen. Variabele kosten: kosten waarvan het totaal afhankelijk is van de bezettingsgraad Proportioneel variabele kosten: hier is sprake van als er een rechtevenredig verband bestaat tussen de totale variabele kosten en de productie-omvang. Progressief variabele kosten: hier is sprake van als de variabele kosten meer dan evenredig toenemen als https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 14 van 18

gevolg van een grotere productie-omvang. Degressief variabele kosten: hier is sprake van als de variabele kosten minder dan evenredig toenemen als gevolg van een grotere productie-omvang. Kostprijs: de som van de toegestane kosten per eenheid product. Kostprijsberekeningen dienen onder andere voor: - het vaststellen van de verkoopprijs - de bepaling van het transactieresultaat en de voorraadwaardering - de efficiencybeoordeling Transactieresultaat: het verschil tussen de verkoopprijs per product en de kostprijs per product. Normale productie = de productie die een bedrijf op langere termijn gemiddeld kan voortbrengen, gezien de afzet- en productiemogelijkheden. Tarief voor dekking constante kosten: Tc = Ck / Np Tarief voor dekking variabele kosten: Tv = Vk / Bp Standaardkostprijs: Kp = (Ck / Np) + (Vk / Bp) Standaard: een standaard of norm geeft aan hoeveel er van een bepaalde kostensoort mag worden gebruikt en tegen welke prijs die kostensoort in calculatie mag worden opgenomen. Bezettingsresultaat: het bezettingsresultaat geeft weer of in een periode de productiecapaciteit meer, minder of net zoveel als de normale bezetting gebruikt is. Bij een grotere bezetting dan normaal hebben we een overbezetting en als de bezetting minder is dan normaal hebben we een onderbezetting. Bezettingsresultaat = (Bp Np) * (Ck / Np) Verkoopresultaat: het verschil tussen de verkoopprijs per product en de kostprijs per product vermenigvuldigd met de verkochte hoeveelheid. Bedrijfsresultaat: de in een periode verwachte omzet minus de kostprijs van de omzet. Het bedrijfsresultaat valt uiteen in het verkoopresultaat en het bezettingsresultaat. Dekkingsbijdrage = het verschil tussen de verkoopprijs per product en het tarief voor dekking van de variabele kosten per product. Break-evenafzet = de afzet waarbij een bedrijf winst noch verlies maakt. BEP = Ck / (p Vk) Fabricagekosten: kosten die uitsluitend betrekking hebben op de vervaardiging van goederen. Verkoopkosten: alle kosten die betrekking hebben op de verkoop. Hoofdstuk 25 Intern verslag van commerciële organisaties Resultatenrekening = een overzicht van de opbrengsten en de kosten van een bedrijf gedurende een https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 15 van 18

bepaalde periode. Balans = een overzicht van bezittingen, schulden en het eigen vermogen van een onderneming, zoals die op een bepaald moment bestaan. Eigen vermogen = activa vreemd vermogen Wettelijke reserves: - herwaarderingsreserves - statutaire reserves: bv / nv moeten reserves voor bepaalde doeleinden aanhouden. - overige of vrije reserves over het statutaire vermogen moet bij de oprichting van een rechtspersoon het volgende vermeld worden: - de grootte van het maatschappelijk kapitaal - het aantal en de nominale waarde van de aandelen - de regels aangaande het stemrecht van de aandeelhouders - de regels met betrekking tot winstverdeling Reserve = het bedrag waarmee het eigen vermogen het geplaatste aandelenvermogen overtreft. Agio = het verschil tussen de emissiekoers en de nominale waarde van de aandelen. Redenen waarom bedrijven het eigen vermogen versterken via winstinhouding: - geleidelijke vergroting van het EV in verband met uitbreiding van het bedrijf (zelffinanciering). - Dividendstabilisatie Voorziening = een geschatte toekomstige verplichting. Voorbeelden voorzieningen: - pensioenverplichtingen t.o.v. het personeel - belastingvoorziening - garantieverplichtingen i.v.m. verkochte goederen - periodiek onderhoud van de gebouwen Liquiditeitsbegroting = een overzicht van de verwachte ontvangsten en uitgaven in een toekomstige periode. Resultatenbegroting = een overzicht van de verwachte opbrengsten en kosten in een bepaalde periode. Samenvatting verschillen liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting: voorbeelden ontvangsten opbrengsten uitgaven Kosten Betaling debiteur X Verkoop op rekening X Contante verkoop X X Betaling crediteur X Afschrijvingen X Loon personeel X X Geprojecteerde balans: geeft een overzicht van de verwachte waarden van de activa en passiva van een bedrijf aan het eind van een bepaalde periode. https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 16 van 18

Hoofdstuk 26 Interne verslaggeving in industriële organisaties Stukproductie = de productie waarbij een bedrijf zijn product afstemt op de wensen van de individuele afnemers. In bedrijven met stukproductie zal de nacalculatie per order plaats vinden en niet per periode. Budgetresultaat = het verschil tussen werkelijke uitgaven en toegestane uitgaven. Massaproductie = productie die niet gericht is op de specifieke wensen van de individuele afnemers, maar op de min of meer gestandaardiseerde wensen van de totale markt. Voorcalculatie: geeft de planning van de bedrijfsleiding weer. Nacalculatie = een opstelling van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Verschillen tussen voor- en nacalculatie kunnen bestaan uit: - hoeveelheidsverschillen - prijsverschillen - bezettingsverschillen Vervangingswaarde: schatting van de actuele waarde van vaste activa. Herwaarderingsreserve: reserve dat wordt opgenomen in verband met de waardeverandering van vaste activa. Hoofdstuk 27 Extern verslag van commerciële organisaties Functie van het externe verslag is het cijfermatig vastleggen van de resultaten van een bedrijf in de afgelopen periode en het informeren van verschillende belanghebbenden over de huidige staat van het bedrijf. Het is wettelijk vastgelegd dat rechtspersonen elk jaar een jaarverslag en een jaarrekening moeten publiceren. Een jaarverslag is een verslag van het bestuur van een onderneming over de gang van zaken in het afgelopen jaar. Jaarrekening: bestaat uit een balans, een verlies- en winstrekening en een toelichting op die overzichten. Verlies- en winstrekening: een overzicht van behaalde opbrengsten verminderd met de kosten. Het verschil tussen beide vormt het exploitatieresultaat. Activa kunnen op een balans gewaardeerd worden volgens: - verkrijgingsprijs (=inkoopprijs + inkoopkosten) - actuele waarde Immateriële vaste activa: goodwill en vergunningen https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 17 van 18

Materiële vaste activa: terreinen, gebouwen, transportmiddelen en machines Financiële vaste activa: o.a. deelnemingen in andere bedrijven Voorbeelden van overlopende activa: - vooruitbetaalde verzekeringspremies - te ontvangen interest Het eigen vermogen bestaat uit: - geplaatst aandelenkapitaal - reserves Het verschil tussen een reserve en een voorziening is dat een voorziening zeker een keer (het tijdstip is vooraf niet bekend) gebruikt gaat worden, terwijl het bij een reserve niet zeker is of het ooit gebruikt gaat worden. Langlopende schulden: schulden met een looptijd van langer dan 1 jaar, bijvoorbeeld obligatieleningen, hypotheken en onderhandse leningen. Kortlopende schulden: schulden met een looptijd korter dan 1 jaar, bijvoorbeeld handelscrediteuren, aflossing van langlopende schulden, voor zover die in een jaar plaatsvinden etc. Bruto-omzetresultaat = gerealiseerde omzet inkoopwaarde van de omzet. Netto-omzetresultaat = bruto omzetresultaat bedrijfskosten. Financieringsresultaat = betaalde interest ontvangen interest. https://www.scholieren.com/verslag/19046 Pagina 18 van 18