LEERPLANDOELEN WONEN EN LEVEN IN INDIA

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "LEERPLANDOELEN WONEN EN LEVEN IN INDIA"

Transcriptie

1 LEERPLANDOELEN WONEN EN LEVEN IN INDIA Beste leerkracht, In dit document kunt u alle leerplandoelen voor alle vakken terugvinden die gelinkt zijn aan de hoofdstukken en activiteiten van de lesmap Wonen en Leven in India. De leerplandoelen werden voor de drie netten (VSKO GO! OVSG) afzonderlijk opgelijst. We hopen dat dit document een hulp voor u kan zijn. Met vriendelijke groeten, Het team van Studio Globo Roeselare

2 Leerplandoelen VSKO 5 de leerjaar / 6 de leerjaar Godsdienst Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen kinderen verzamelen bouwstenen waarmee mensen hun leven mooier en gelukkiger willen maken. o Aan de hand van enkele voorbeelden zien hoe mensen in andere culturen geluk nastreven Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen ervaren wat het is te dragen en gedragen te worden. o Stilstaan bij wat ze dragen of met zich meedragen in verschillende betekenissen van het woord: voorwerpen, kledij, mensen,

3 Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Vormen van anders zijn van mensen verkennen waarmee zij geconfronteerd worden. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen. o Leren omgaan met de moeilijkheden die kunnen voorkomen bij verschillen tussen mensen Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen. o Leren omgaan met de moeilijkheden die kunnen voorkomen bij verschillen tussen mensen.

4 Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven 1. Ohm (godsdienst) Kinderen zien in dat mensen in hun verhaaltradities en heilige boeken een godsdienstige kijk op het leven verwoorden en doorgeven Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen verkennen symbolen in verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen. o Ontdekken dat symbolen een grote rol spelen bij gelovige en niet gelovige mensen. 2. Sapitacha (voedsel) Kinderen ervaren de veelzijdige wijzen waarop mensen samen maaltijd houden. o Ontdekken hoe mensen bij een maaltijd niet alleen voedsel delen, maar ook ervaringen en verbondenheid, en op die manier leefgemeenschappen vormen. o Verkennen hoe mensen uit andere culturen maaltijd houden. 3. Ek, do, teen (school) Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen.

5 4. Vaanka, vaanka (wonen) Gastvrijheid leren kennen als vorm van zorg dragen voor mensen in verschillende culturen en godsdiensten, via religieuze verhalen en gebruiken. 5. Kaam karna (beroepen) Kinderen ervaren wat het is te dragen en gedragen te worden. o Stilstaan bij wat ze dragen of met zich meedragen in verschillende betekenissen van het woord: voorwerpen, kledij, mensen, Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep. ACT.2 Gokken op water en ACT.3 Waterverbruik(t) Kinderen ervaren water als deugddoend en bedreigend. o Ervaren dat water levengevend en levensnoodzakelijk is voor elke mens: voedsel, groeikracht, reinigend, helend, o Beseffen dat water noodzakelijk is voor elk levend wezen Kinderen waarderen water als een kostbaar geschenk. o Er zich bewust van zijn dat niet ieder kind kan beschikken over water. o Hun waardering voor water uiten. o Weten wat de gevolgen zijn als mensen niet over voldoende water kunnen beschikken.

6 ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen confronteren zich ermee dat de weg naar geluk geen rechtlijnige vervulling kent Kinderen bespreken hoe mensen vanuit hun levens- of geloofsovertuiging zoeken om te gaan met grenzen. o Stilstaan bij levensgetuigenissen van mensen, bij wie grenservaringen soms leiden tot optimisme bij de enen en soms pessimisme bij anderen Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen. ACT.5 work Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen confronteren zich ermee dat de weg naar geluk geen rechtlijnige vervulling kent Kinderen bespreken hoe mensen vanuit hun levens- of geloofsovertuiging zoeken om te gaan met grenzen.

7 o Stilstaan bij levensgetuigenissen van mensen, bij wie grenservaringen soms leiden tot optimisme bij de enen en soms pessimisme bij anderen Kinderen ontdekken waardoor mensen bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Aan de hand van enkele voorbeelden vaststellen en onderkennen hoe mensen beïnvloed en bewogen worden Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Al spelend ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen verkennen hoe kinderen in verschillende culturen vieren dat zij groeien en dat zij mogen deelnemen aan belangrijke gebeurtenissen in hun leefgemeenschap Kinderen gaan na welke belangrijke momenten in het (en hun) leven gevierd worden bv. geboorte, verjaardag, huwelijk,

8 Kinderen ontdekken de betekenis van enkele religieuze feesten. Hoofdstuk Kinderen gaan op weg om stilaan zelf vorm te geven aan hun eigen leven met bouwstenen die ze als zinvol en waardevol ontdekken. o Zien dat hun eigen leven vorm krijgt in relatie en confrontatie met andere mensen Kinderen ontdekken waardoor mensen bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Aan de hand van enkele voorbeelden vaststellen en onderkennen hoe mensen beïnvloed en bewogen worden Kinderen verkennen bij zichzelf en bij elkaar waardoor ze bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Kunnen en durven uitspreken of duidelijk maken aan elkaar waardoor ze persoonlijk en/of samen in beweging komen Kinderen kunnen de aard van relaties tussen mensen onderscheiden Kinderen vormen zich een beeld van de mensenwereld zoals ze die ervaren en dromen Kinderen gaan op zoek naar drijfveren en mechanismen die de samenleving maken tot wat ze is. o Aan de hand van concrete voorbeelden zoeken welke drijfveren het samenleven van mensen bevorderen, bv. solidariteit, respect, rechtvaardigheid, Kinderen begrijpen dat ook zij aangesproken worden om zich te engageren voor de samenleving. o Tot het inzicht komen dat welvaart tot welzijn kan worden, wanneer mensen solidair zijn. o Ontdekken dat de droom van een betere wereld maar werkelijkheid kan worden doorheen overleg, afspraken, wetgeving, instellingen en diensten, o In gezamenlijk overleg zoeken welke houding zij kunnen of moeten aannemen tegenover bepaalde maatschappelijke situaties in hun omgeving Kinderen verwonderen zich erover hoezeer natuur, wetenschap en techniek onze leefwereld tekenen. o Aan de hand van voorbeelden bespreken hoe wetenschap en techniek evolueren als een antwoord op menselijke problemen en behoeften Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld.

9 Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen.

10 Wereldoriëntatie Leerplandoelen wereldoriëntatie die gelden voor de gehele lesmap. Leerplandoelen rond samenwerking, plannen en klasorde [1]: 0.5: Kinderen werken samen. 0.6: Kinderen drukken zich zo verstaanbaar mogelijk uit en benoemen waar mogelijk de dingen correct. 0.7: Kinderen kunnen en durven problemen aanpakken. 0.8: Kinderen ontwikkelen tot autonome leerders. 0.9: Kinderen kunnen nauwkeurig waarnemen met al hun zintuigen. 0.10: Kinderen kunnen vragen stellen waarvan de antwoorden onderzoekbaar of opzoekbaar zijn. 0.12: Kinderen kunnen uit een aantal vaststellingen zelf conclusies trekken. 0.13: Kinderen kunnen informatiebronnen op een doeltreffende manier hanteren. 4.2: Kinderen ontwikkelen vertrouwen in eigen mogelijkheden. 4.5: Kinderen kunnen zich verplaatsen in de gedachten, gevoelens en waarnemingen van anderen en houden daar rekening mee. 4.7: Kinderen kunnen respect en waardering opbrengen. 4.9: Kinderen kunnen leiding volgen of meewerken. 4.10: Kinderen kunnen leiding geven. 4.11: Kinderen kunnen een ander helpen door zich dienstbaar op te stellen. 4.12: Kinderen kunnen hulp vragen en zorg aanvaarden. 4.13: Kinderen kunnen constructief kritisch zijn. 8.3: Kinderen kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid, realistisch inschatten. 8.7: Kinderen kunnen een planning maken in de tijd en er zich aan houden. 9.3: Kinderen houden rekening met de persoonlijke ruimte van een ander. 9.4: Kinderen dragen mee zorg voor de ruimte waarin ze verblijven. Leerplandoelen rond diversiteit en het eigen leven vergelijken met dat van anderen [2]: 0.1: Kinderen willen meer te weten komen over de wereld in al z n dimensies, hier en elders, vroeger en nu. 0.2: Kinderen uiten hun verwondering over het (on)(be)grijpbare, het goede, het mooie, het mysterieuze, het verrassende, in de wereld. 0.3: Kinderen beleven en ervaren een intense verbondenheid met de wereld. 0.4: Kinderen leven waardegericht.

11 2.4: Kinderen kunnen illustreren dat mensen van elkaar verschillen op allerlei gebied. 2.6: Kinderen worden zich bewust van hun eigen levensverhaal en van de samenhang ervan met andere levensverhalen. 2.10: Kinderen denken na over de eigen mogelijkheden en keuzes. 4.1: Kinderen ontwikkelen een gedifferentieerd beeld van zichzelf. 5.4: Kinderen beseffen dat ze in een multiculturele samenleving leven. 5.5: Kinderen ontdekken dat groepen van mensen in een land van een ander cultuurgebied op een andere manier samenleven. Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.1 Het postpakket [2] ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen [1] & [2] 4.6: Kinderen kunnen zich als persoon presentstellen. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. 8.5: Kinderen ervaren en uiten dat hun leven een opeenvolging van gebeurtenissen is. 8.6: Kinderen zien in dat hun tijdsbesteding gelijkenissen en verschillen vertoont met die van andere kinderen uit andere groepen of samenlevingen. ACT.3 Een blik op India [1] 9.22: Kinderen beseffen dat vervoermiddelen functioneel kunnen gebruikt worden. Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.1 Speluitleg [1]

12 ACT.2 Treinspel [1] & [2] 0.14: Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren en classificeren. 2.1: Kinderen zien in dat elk mens gelooft. 2.2: Kinderen zijn er zich van bewust dat veel mensen hun leven zin geven door hun geloof in een waardegeheel en/of in een persoonlijke God. 2.3: Kinderen ontdekken hoe mensen omgaan met grote momenten in het leven. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden. 5.3: Kinderen zien in dat vele groepen en volkeren eigen symbolen en kentekens hanteren. 5.6: Kinderen zien in dat samenleven het naleven van allerhande omgangsvormen, leefregels en afspraken veronderstelt en kunnen zich daaraan houden. 7.24: Kinderen ervaren en zien in dat het weer kan verschillen naar plaats en tijd. 7.25: Kinderen zien in dat het weer de leefgewoonten van mensen beïnvloedt. 7.26: Kinderen zien in dat er verschillende klimaten zijn en kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven. 8.6: Kinderen zien in dat hun tijdsbesteding gelijkenissen en verschillen vertoont met die van kinderen uit andere groepen of samenlevingen. 8.13: Kinderen zijn nieuwsgierig naar de historische ontwikkeling van planten, dieren, mensen, voorwerpen, systemen, actuele toestanden. 8.14: Kinderen beseffen dat er naast een heden, ook een verleden en een toekomst zijn. 8.15: Kinderen zien in dat er verbanden zijn tussen een historisch verschijnsel en de tijdsomstandigheden. 9.9: Kinderen kunnen gebruik maken van diverse voorstellingen van de ruimte. 9.14: Kinderen ervaren dat alles en iedereen zich in een of andere ruimte bevindt of beweegt. 9.15: Kinderen zien in dat menselijk verkeer altijd risico s inhoudt. 9.16: Kinderen bewegen zich op een verantwoorde manier en dragen zo bij tot de eigen veiligheid en die van anderen. 9.17: Kinderen houden in hun gedrag rekening met andere gebruikers van dezelfde ruimte. 9.22: Kinderen beseffen dat vervoermiddelen functioneel kunnen gebruikt worden.

13 ACT.3 Evaluatie [2] 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meerdere groepen behoren. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas [2] 2.7: Kinderen zien in dat iedereen zijn leven een stuk in handen neemt. 4.6: Kinderen kunnen zich als persoon presentstellen. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden. ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen [1] & [2] 2.1: Kinderen zien in dat elk mens gelooft. 2.7: Kinderen zien in dat iedereen zijn leven een stuk in handen neemt. 2.3: Kinderen ontdekken hoe mensen omgaan met grote momenten in het leven. 2.5: Kinderen zien in dat elk mens iemand is, iets betekent, en op de een of andere wijze blijft voortleven in de herinnering van anderen. 2.2: Kinderen zijn er zich van bewust dat veel mensen hun leven zin geven door hun geloof in een waardegeheel en/of in een persoonlijke God. 3.2: Kinderen zijn zich bewust van de gevoelens die schoonheidservaringen bij hen oproepen en durven die te uiten. 5.6: Kinderen zien in dat samenleven het naleven van allerhande omgangsvormen, leefregels en afspraken veronderstelt en kunnen zich daaraan houden. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflictenkan leiden. 5.3: Kinderen zien in dat vele groepen en volkeren eigen symbolen en kentekens hanteren. 3.3: Kinderen merken verschillende schoonheidsaspecten op in hun omgeving.

14 8.6: Kinderen zien in dat hun tijdsbesteding gelijkenissen en verschillen vertoont met die van kinderen uit andere groepen of samenlevingen. ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven 1. Ohm (godsdienst) [1] & [2] 0.11: Kinderen kunnen kwalitatief en kwantitatief vergelijken. 0.15: Kinderen kunnen verslag uitbrengen over hun bevindingen. 2.1: Kinderen zien in dat elk mens gelooft. 2.2: Kinderen zijn er zich van bewust dat veel mensen hun leven zin geven door hun geloof in een waardegeheel en/of in een persoonlijke God. 2.3: Kinderen ontdekken hoe mensen omgaan met grote momenten in het leven. 2.5: Kinderen zien in dat elk mens iemand is, iets betekent, en op de een of andere wijze blijft voortleven in de herinnering van anderen. 2.7: Kinderen zien in dat iedereen zijn leven een stuk in handen neemt. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. 5.3: Kinderen zien in dat vele groepen en volkeren eigen symbolen en kentekens hanteren. 5.6: Kinderen zien in dat samenleven het naleven van allerhande omgangsvormen, leefregels en afspraken veronderstelt en kunnen zich daaraan houden. 8.6: Kinderen zien in dat hun tijdsbesteding gelijkenissen en verschillen vertoont met die van kinderen uit andere groepen of samenlevingen. 2. Sapitacha (voedsel) [1] & [2] 0.11: Kinderen kunnen kwalitatief en kwantitatief met elkaar vergelijken. 0.14: Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren en classificeren. 0.15: Kinderen kunnen verslag uitbrengen over hun bevindingen. 1.8: Kinderen beseffen dat welvaart ongelijk verdeeld is. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat menden bij één of meer groepen behoren. 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden. 5.3: Kinderen zien in dat vele groepen en volkeren eigen symbolen en kentekens hanteren. 6.1: Kinderen zien in dat courante producten gemaakt zijn uit welbepaalde materialen en/of grondstoffen.

15 6.2: Kinderen kennen verschillende energiebronnen. 6.15: Kinderen kijken kritisch naar een zelfgemaakt product of bereiding. 7.9: Kinderen ontdekken en zien in dat elke mens, elk dier en elke plant een ontwikkeling doormaakt. 7.10: Kinderen ontdekken en zien in dat veel mensen de aanwezigheid van planten en dieren in hun omgeving waarderen en/of beïnvloeden. 7.11: Kinderen ontdekken en zien in dat de mens afhankelijk is van planten en dieren voor voeding, kleding, gezondheid, constructiematerialen, 7.12: Kinderen kunnen illustreren dat er verschillende soorten relaties bestaan tussen mens, dier en plant. 7.17: Kinderen beseffen dat de aarde bron is van energie en van grondstoffen. 7.25: Kinderen zien in dat het weer de leefgewoonten van mensen beïnvloedt. 7.26: Kinderen zien in dat er verschillende klimaten zijn en kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven. 3. Ek, do, teen (school) [1] & [2] 0.11: Kinderen kunnen kwalitatief en kwantitatief vergelijken. 0.14: Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren en classificeren. 0.15: Kinderen kunnen verslag uitbrengen over hun bevindingen. 1.1: Kinderen zien in dat mensen moeten zorgen voor hun dagelijks bestaan. 1.2: Kinderen zien in dat mensen arbeid verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien. 1.3: Kinderen beseffen dat samenwerking met anderen nodig is om een aantal arbeidstaken zo goed mogelijk te kunnen verrichten. 1.4: Kinderen zijn er zich van bewust dat arbeidsomstandigheden kunnen verschillen. 1.5: Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep. 1.6: Kinderen zien in wat werkloosheid betekent. 1.7: Kinderen zien in hoe een samenleving er voor zorgt en zorgde dat aan de levensnoodzakelijke behoeften van zo veel mogelijk mensen voldaan wordt. 1.8: Kinderen beseffen dat welvaart ongelijk verdeeld is. 1.9: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen op verschillende manieren welvaart of bezit verwerven en tonen aalleen respect voor de eerlijke manier. 1.10: Kinderen beseffen dat er een onderscheid is tussen welzijn en welvaart. 2.7: Kinderen zien in dat iedereen zijn leven een stuk in handen neemt. 2.8: Kinderen beseffen dat kennis belangrijk is voor mensen. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren.

16 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflictenkan leiden. 5.3: Kinderen zien in dat vele groepen en volkeren eigen symbolen en kentekens hanteren. 5.6: Kinderen zien in dat samenleven het naleven van allerhande omgangsvormen, leefregels en afspraken veronderstelt en kunnen zich daaraan houden. 9.1: Kinderen ervaren en uiten dat elke (open) ruimte een indruk oproept of nalaat en dat verschillende factoren daarbij een rol spelen. 9.2: Kinderen kunnen illustreren en herkennen dat de beleving van eenzelfde (meet)ruimte subjectief is. 4. Vaanka, vaanka (wonen) [1] & [2] 0.11: Kinderen kunnen kwalitatief en kwantitatief vergelijken. 0.14: Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren en classificeren. 0.15: Kinderen kunnen verslag uitbrengen over hun bevindingen. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden. 9.1: Kinderen ervaren en uiten dat elke (open) ruimte een indruk oproept of nalaat en dat verschillende factoren daarbij een rol spelen. 9.2: Kinderen kunnen illustreren en herkennen dat de beleving van eenzelfde (meet)ruimte subjectief is. 9.6: Kinderen kunnen een omgeving typeren als overwegend landelijk, stedelijk, toeristisch en/of industrieel. 9.7: Kinderen zien in dat mensen vaak ruimten afbakenen en/of grenzen trekken. 9.8: Kinderen kunnen zich vlot in de ruimte oriënteren. 9.9: Kinderen kunnen gebruik maken van diverse voorstellingen van de ruimte. 9.10: Kinderen kunnen plaatsen en gebeurtenissen waar ze kennis mee maken vlot op een passende kaart of plattegrond terugvinden. 9.12: Kinderen herkennen en interpreteren op een daarvoor geschikte plattegrond en/of kaart typische patronen in ruimtelijke spreiding. 9.14: Kinderen ervaren dat alles en iedereen zich in een of andere ruimte bevindt of beweegt.

17 5. Kaam karna (beroepen) [1] & [2] 0.11: Kinderen kunnen kwalitatief en kwantitatief vergelijken. 0.14: Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren en classificeren. 0.15: Kinderen kunnen verslag uitbrengen over hun bevindingen. 1.1: Kinderen zien in dat mensen moeten zorgen voor hun dagelijks bestaan. 1.2: Kinderen zien in dat mensen arbeid verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien. 1.3: Kinderen beseffen dat samenwerking met anderen nodig is om een aantal arbeidstaken zo goed mogelijk te kunnen verrichten. 1.4: Kinderen zijn er zich van bewust dat arbeidsomstandigheden kunnen verschillen. 1.5: Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep. 1.6: Kinderen zien in wat werkloosheid betekent. 1.7: Kinderen zien in hoe een samenleving er voor zorgt en zorgde dat aan de levensnoodzakelijke behoeften van zo veel mogelijk mensen voldaan wordt. 1.8: Kinderen beseffen dat welvaart ongelijk verdeeld is. 1.9: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen op verschillende manieren welvaart of bezit verwerven en tonen alleen respect voor de eerlijke manier. 1.10: Kinderen beseffen dat er een onderscheid is tussen welzijn en welvaart. 1.11: Kinderen zien in dat de productie van goederen en diensten leidt tot ruilverkeer. 1.12: Kinderen zijn er zich van bewust dat consumptie wordt beïnvloed. 1.13: Kinderen zien in hoe je verantwoord omgaat met geld. 1.14: Kinderen beseffen dat niet voor alles betaald moet worden. 1.15: Kinderen ontdekken dat mensen en landen sterk afhankelijk zijn van elkaar voor hun levensonderhoud. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden. ACT.4 Voorstelling in de klas [1] & [2] 0.15: Kinderen kunnen verslag uitbrengen over hun bevindingen. 3.6: Kinderen combineren woord, beweging, beeld, drama, muziek, om de ervaringen rond een thema of project naar anderen te communiceren.

18 Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt [2] 1.1: Kinderen zien in dat mensen moeten zorgen voor hun dagelijks bestaan. 1.2: Kinderen zien in dat mensen arbeid verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien. 1.3: Kinderen beseffen dat samenwerking met anderen nodig is om een aantal arbeidstaken zo goed mogelijk te kunnen verrichten. 1.4: Kinderen zijn er zich van bewust dat arbeidsomstandigheden kunnen verschillen. 1.5: Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep. 1.6: Kinderen zien in wat werkloosheid betekent. 1.7: Kinderen zien in hoe een samenleving er voor zorgt en zorgde dat aan de levensnoodzakelijke behoeften van zo veel mogelijk mensen voldaan wordt. 1.8: Kinderen beseffen dat welvaart ongelijk verdeeld is. 1.9: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen op verschillende manieren welvaart of bezit verwerven en tonen alleen respect voor de eerlijke manier. 1.10: Kinderen beseffen dat er een onderscheid is tussen welzijn en welvaart. 1.15: Kinderen ontdekken dat mensen en landen sterk afhankelijk zijn van elkaar voor hun levensonderhoud. 6.7: Kinderen kunnen op hun niveau uitleggen hoe een aantal distributiesystemen in hun omgeving zorgen voor aanvoer van water, energie, 7.24: Kinderen ervaren en zien in dat het weer kan verschillen naar plaats en tijd. 7.25: Kinderen zien in dat het weer de leefgewoonten van mensen beïnvloedt. ACT.2 Gokken op water [2] 1.1: Kinderen zien in dat mensen moeten zorgen voor hun dagelijks bestaan. 1.2: Kinderen zien in dat mensen arbeid verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien. 1.3: Kinderen beseffen dat samenwerking met anderen nodig is om een aantal verschillen. 1.4: Kinderen zijn er zich van bewust dat arbeidsomstandigheden kunnen arbeidstaken zo goed mogelijk te kunnen verrichten.

19 6.7: Kinderen kunnen op hun niveau uitleggen hoe een aantal distributiesystemen in hun omgeving zorgen voor aanvoer van water, energie, 7.24: Kinderen ervaren en zien in dat het weer kan verschillen naar plaats en tijd. 7.25: Kinderen zien in dat het weer de leefgewoonten van mensen beïnvloedt. ACT.3 Waterverbruik(t) [2] 9.1: Kinderen ervaren en uiten dat elke (open) ruimte een indruk oproept of nalaat en dat verschillende factoren daarbij een rol spelen. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder [2] 1.1: Kinderen zien in dat mensen moeten zorgen voor hun dagelijks bestaan. 1.2: Kinderen zien in dat mensen arbeid verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien. 1.3: Kinderen beseffen dat samenwerking met anderen nodig is om een aantal arbeidstaken zo goed mogelijk te kunnen verrichten. 1.4: Kinderen zijn er zich van bewust dat arbeidsomstandigheden kunnen verschillen. 1.5: Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep. 1.6: Kinderen zien in wat werkloosheid betekent. 1.7: Kinderen zien in hoe een samenleving er voor zorgt en zorgde dat aan de levensnoodzakelijke behoeften van zo veel mogelijk mensen voldaan wordt. 1.8: Kinderen beseffen dat welvaart ongelijk verdeeld is. 1.9: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen op verschillende manieren welvaart of bezit verwerven en tonen alleen respect voor de eerlijke manier. 1.10: Kinderen beseffen dat er een onderscheid is tussen welzijn en welvaart. 1.15: Kinderen ontdekken dat mensen en landen sterk afhankelijk zijn van elkaar voor hun levensonderhoud. 6.7: Kinderen kunnen op hun niveau uitleggen hoe een aantal distributiesystemen in hun omgeving zorgen voor aanvoer van water, energie, 7.24: Kinderen ervaren en zien in dat het weer kan verschillen naar plaats en tijd. 7.25: Kinderen zien in dat het weer de leefgewoonten van mensen beïnvloedt.

20 ACT.5 work [1] & [2] 1.1: Kinderen zien in dat mensen moeten zorgen voor hun dagelijks bestaan. 1.2: Kinderen zien in dat mensen arbeid verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien. 1.3: Kinderen beseffen dat samenwerking met anderen nodig is om een aantal verschillen. 1.4: Kinderen zijn er zich van bewust dat arbeidsomstandigheden kunnen arbeidstaken zo goed mogelijk te kunnen verrichten. 1.5: Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep. 1.15: Kinderen ontdekken dat mensen en landen sterk afhankelijk zijn van elkaar 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.1 Speluitleg [1] ACT.2 Feestquiz [1] & [2] 2.1: Kinderen zien in dat elke mens gelooft. 2.3: Kinderen ontdekken hoe mensen omgaan met grote momenten in het leven. 2.7: Kinderen zien in dat iedereen zijn leven een stuk in handen neemt. 5.3: Kinderen zien in dat vele groepen en volkeren eigen symbolen of kentekens hanteren. Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander [1] & [2]

21 4.5: Kinderen kunnen zich verplaatsen in de gedachten, gevoelens en waarnemingen van anderen en houden daar rekening mee. 4.6: Kinderen kunnen zich als persoon present stellen. 4.7: Kinderen kunnen respect en waardering opbrengen. 5.1: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren. ACT.2 Hoe gaat het verder? [2] 1.1: Kinderen zien in dat mensen moeten zorgen voor hun dagelijks bestaan. 1.4: Kinderen zijn er zich van bewust dat arbeidsomstandigheden kunnen verschillen. 1.7: Kinderen zien in hoe een samenleving er voor zorgt en zorgde dat aan de levensnoodzakelijke behoeften van zo veel mogelijk mensen voldaan wordt. 1.8: Kinderen beseffen dat welvaart ongelijk verdeeld is. 1.9: Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen op verschillende manieren voor hun levensonderhoud. 1.10: Kinderen beseffen dat er een onderscheid is tussen welzijn en welvaart. 1.15: Kinderen ontdekken dat mensen en landen sterk afhankelijk zijn van elkaar welvaart of bezit verwerven en tonen alleen respect voor de eerlijke manier. 4.14: Kinderen kunnen zich op een passende manier weerbaar opstellen. 5.2: Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden. ACT.3 Ik en de wereld [1] & [2] 1.11: Kinderen zien in dat de productie van goederen en diensten leidt tot ruilverkeer. 1.12: Kinderen zijn er zich van bewust dat consumptie wordt beïnvloed. 1.13: Kinderen zien in hoe je verantwoord omgaat met geld.

22 Muzische opvoeding Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen BEELDOPVOEDING 1: Openstaan voor beelden. 2.1: Zien dat de wereld rondom ons in beelden spreekt. 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). 2.6: Ervaren dat beelden, gekoppeld aan geluiden, een grotere invloed hebben dan beelden alleen. 2.7: Ervaren dat bewegende beelden veel invloed hebben. DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. MEDIA O1.3: Je ervan bewust zijn dat media je informeren en laten genieten en dat je via media met anderen in contact kunt komen. O2: Mediaboodschappen bewust waarnemen. (Ook alle doelen die onder punt O2 vallen, zijn van toepassing). O3.1: Weten dat beelden en geluiden vaak naar bepaalde gedachten of gevoelens verwijzen. O3.4: Wat in de mediaboodschap voor jou belangrijk lijkt, trachten te onthouden. O3.5: Aandacht schenken aan verbale, beeld-, klank- en bewegingsaspecten die zeggingskracht geven aan een mediaboodschap. O3.10: Je waarnemingen koppelen aan je eigen gedachten en gevoelens, aan je voorkennis, je voorstellingen en je fantasie. O4: Mediaboodschappen beoordelen en verwerken en ervan genieten. ACT.3 Een blik op India BEELDOPVOEDING 1: Openstaan voor beelden. 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). 2.6: Ervaren dat beelden, gekoppeld aan geluiden, een grotere invloed hebben dan beelden alleen. 2.7: Ervaren dat bewegende beelden veel invloed hebben.

23 DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel MUZIKALE OPVOEDING 12.2: De wereld van stilte, geluid en muziek verwonderd en aandachtig tegemoet treden. DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen BEELDOPVOEDING 1: Openstaan voor beelden. 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). 2.6: Ervaren dat beelden, gekoppeld aan geluiden, een grotere invloed hebben dan beelden alleen. 2.7: Ervaren dat bewegende beelden veel invloed hebben. 3.10: Reflecteren over eigen kijkgedrag. DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. MEDIA O1.3: Je ervan bewust zijn dat media je informeren en laten genieten en dat je via media met anderen in contact kunt komen. O2: Mediaboodschappen bewust waarnemen. (Ook alle doelen die onder punt O2 vallen, zijn van toepassing). O3.1: Weten dat beelden en geluiden vaak naar bepaalde gedachten of gevoelens verwijzen. O3.4: Wat in de mediaboodschap voor jou belangrijk lijkt, trachten te onthouden.

24 O3.5: Aandacht schenken aan verbale, beeld-, klank- en bewegingsaspecten die zeggingskracht geven aan een mediaboodschap. O3.10: Je waarnemingen koppelen aan je eigen gedachten en gevoelens, aan je voorkennis, je voorstellingen en je fantasie. O4: Mediaboodschappen beoordelen en verwerken en ervan genieten. ACT.4 Voorstelling in de klas MUZIKALE OPVOEDING 1.1: De ademhaling bewust gebruiken en de lichaamshouding verzorgen. 1.2: Aandacht schenken aan een goede stemplaatsing en resonantie. 1.3: Een tekst of een lied uitvoeren met aandacht voor een correct stemgebruik en een goede stemexpressie. MUZISCH TAALGEBRUIK 1: Intensief gebruik maken van alle zintuigen. 4: Gevoelig zijn voor het overdrachtelijk of symbolisch karakter van een muzische expressievorm. 5: De ander in zijn expressie willen ontmoeten. 12: Erop gericht zijn de eigen ideeën, gevoelens, ervaringen en waardering in muzische taal uit te drukken. 14: Technische vaardigheden in verband met muzische vormgeving trachten te beheersen. 17: Gericht zijn op een verstaanbare of sprekende vormgeving. 18: Werken vanuit geloof in eigen kunnen. 19: Genoegen beleven aan muzisch bezig zijn. Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt BEELDOPVOEDING 1: Openstaan voor beelden. 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in.

25 ACT.2 Gokken op water BEELDOPVOEDING 1: Openstaan voor beelden.2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. ACT.3 Waterverbruik(t) DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder BEELDOPVOEDING 1: Openstaan voor beelden. 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. ACT.5 work BEELDOPVOEDING 1: Openstaan voor beelden 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz MUZIKALE OPVOEDING 1.1: De ademhaling bewust gebruiken en de lichaamshouding verzorgen. 1.2: Aandacht schenken aan een goede stemplaatsing en resonantie.

26 1.3: Een tekst of een lied uitvoeren met aandacht voor een correct stemgebruik en een goede stemexpressie. 11.2: Een eigen mening over de omgang met klank en muziek verwoorden. 12.2: De wereld van stilte, geluid en muziek verwonderd en aandachtig tegemoet treden. 12.3: Zich verbonden voelen met anderen tijdens een groepsgerichte omgang met klank en muziek. BEELDOPVOEDING 1: Openstaan voor beelden. 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). MUZISCH TAALGEBRUIK 1: Intensief gebruik maken van alle zintuigen. 4: Gevoelig zijn voor het overdrachtelijk of symbolisch karakter van een muzische expressievorm. 5: De ander in zijn expressie willen ontmoeten. 12: Erop gericht zijn de eigen ideeën, gevoelens, ervaringen en waardering in muzische taal uit te drukken. 14: Technische vaardigheden in verband met muzische vormgeving trachten te beheersen. 19: Genoegen beleven aan muzisch bezig zijn. BEWEGINGSEXPRESSIE 1: Kinderen experimenteren met en bekwamen zich in de uitdrukkingsmogelijkheden van hun lichaam. 4: Kinderen worden zich bewust van hun identiteit en hun inlevingsvermogen. 5: Kinderen ervaren de mogelijkheden van de lichaamstaal om met zichzelf en met anderen te communiceren. MEDIA O1.3: Je ervan bewust zijn dat media je informeren en laten genieten en dat je via media met anderen in contact kunt komen. O2: Mediaboodschappen bewust waarnemen. (Ook alle doelen die onder punt O2 vallen, zijn van toepassing). O3.1: Weten dat beelden en geluiden vaak naar bepaalde gedachten of gevoelens verwijzen. O3.4: Wat in de mediaboodschap voor jou belangrijk lijkt, trachten te onthouden. O3.5: Aandacht schenken aan verbale, beeld-, klank- en bewegingsaspecten die zeggingskracht geven aan een mediaboodschap.

27 O3.10: Je waarnemingen koppelen aan je eigen gedachten en gevoelens, aan je voorkennis, je voorstellingen en je fantasie. O4: Mediaboodschappen beoordelen en verwerken en ervan genieten. Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. MEDIA O3.10: Je waarnemingen koppelen aan je eigen gedachten en gevoelens, aan je voorkennis, je voorstellingen en je fantasie. O4: Mediaboodschappen beoordelen en verwerken en ervan genieten. ACT.2 Hoe gaat het verder? BEELDOPVOEDING 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ). 2.6: Ervaren dat beelden, gekoppeld aan geluiden, een grotere invloed hebben dan beelden alleen. 2.7: Ervaren dat bewegende beelden veel invloed hebben. 3.10: Reflecteren over eigen kijkgedrag. DRAMATISCH SPEL 6: Kinderen leven zich in een ding, een idee, een personage, een gebeurtenis of omstandigheid in. MEDIA O1.3: Je ervan bewust zijn dat media je informeren en laten genieten en dat je via media met anderen in contact kunt komen. O2: Mediaboodschappen bewust waarnemen. (Ook alle doelen die onder punt O2 vallen, zijn van toepassing). O3.1: Weten dat beelden en geluiden vaak naar bepaalde gedachten of gevoelens verwijzen. O3.4: Wat in de mediaboodschap voor jou belangrijk lijkt, trachten te onthouden. O3.5: Aandacht schenken aan verbale, beeld-, klank- en bewegingsaspecten die zeggingskracht geven aan een mediaboodschap.

28 O3.10: Je waarnemingen koppelen aan je eigen gedachten en gevoelens, aan je voorkennis, je voorstellingen en je fantasie. O4: Mediaboodschappen beoordelen en verwerken en ervan genieten. ACT.3 Ik en de wereld BEELDOPVOEDING 2.4: Informatie halen uit beelden (bijvoorbeeld foto s ).

29 Nederlands Leerplandoelen Nederlands die gelden voor de gehele lesmap. SCHRIJVEN 2.2: Een schrijfstrategie bepalen en volgen om visuele en schriftelijke boodschappen vorm te geven : materiaal verzamelen : materiaal selecteren : materiaal ordenen : teksten verzorgen, nalezen, herwerken. 4.1: Zo precies en nauwkeurig mogelijk formuleren. 4.2: Het belang van Algemeen Nederlands als schrijftaal beseffen. LEZEN 1.1: Niet-talige boodschappen waarnemen. 1.2: Talige boodschappen waarnemen. 1.3: Communicatieve elementen waarnemen. 2.1: Niet-talige boodschappen begrijpen en interpreteren. 2.2: Talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren. 2.3: Communicatieve elementen begrijpen en interpreteren. 3.1: Boodschappen beoordelen. 3.2: Boodschappen integreren. LUISTEREN 1.2: Talige geluiden waarnemen. 2.2: Talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren. 2.3: De communicatieve elementen begrijpen en interpreteren. 3: Boodschappen verwerken: beoordelen en integreren. SPREKEN 1.2: Zo zelfstandig mogelijk het Standaardnederlands hanteren. 1.14: Spreken over gevoelens zoals blijheid, angst, verdriet, verwondering, eigen gevoelens verwoorden. 1.18: Vragen van de leerkracht beantwoorden in verband met een behandeld onderwerp. 1.20: Reageren in gesprekken met eenvoudige, maar relevante vragen of met commentaar. 1.21: Vragen stellen die de gewenste of ontbrekende informatie leveren. 1.22: De hulp of de medewerking van anderen inroepen.

30 1.31: In een gesprek, discussie met leeftijdsgenoten uitkomen voor zijn mening, zijn mening geven. 1.43: Gespreksregels respecteren. TAALBESCHOUWING 8.57: Spelling (woordtekens, leestekens, hoofdletters). Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.1 Het postpakket LEZEN 1.3: Communicatieve elementen waarnemen. ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen SCHRIJVEN 1.5: Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken. SPREKEN 1.7: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen uit de eigen omgeving of over boodschappen van anderen. 1.8: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen of over boodschappen van anderen uit de ruimere omgeving. ACT.3 Een blik op India LEZEN 2.1: Niet-talige boodschappen begrijpen en interpreteren. Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.1 Speluitleg LUISTEREN 2.2: Talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren.

31 SPREKEN 1.5: Voor leerlingen bestemde zakelijke mededelingen en opdrachten herformuleren. 1.25: Uitleggen hoe in een activiteit gewerkt zal worden of gewerkt werd. ACT.2 Treinspel LUISTEREN 1.1.1: Niet-talige geluiden herkennen en onderscheiden : Niet-talige geluiden associëren, onderverdelen, rangschikken. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas SPREKEN 1.7: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen uit de eigen omgeving of over boodschappen van anderen. 1.8: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen of over boodschappen van anderen uit de ruimere omgeving. ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen SCHRIJVEN 1.5: Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken. ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven LEZEN 2.2: Talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren. 2.3: Communicatieve elementen begrijpen en interpreteren. SPREKEN 1.17: Gerichte vragen beantwoorden in verband met betekenis, inhoud, bedoeling, mening, enz. in concrete situaties. ACT.4 Voorstelling in de klas SCHRIJVEN 1.5: Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken.

32 2.2: Een schrijfstrategie bepalen en volgen om visuele en schriftelijke boodschappen vorm te geven. (2.2.1 materiaal verzamelen, materiaal selecteren, materiaal ordenen, teksten verzorgen, nalezen en herwerken.) 4.1: Zo precies en nauwkeurig mogelijk formuleren. 4.2: Het belang van Algemeen Nederlands als schrijftaal beseffen. SPREKEN 1.8: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen of over boodschappen van anderen uit de ruimere omgeving. 1.11: Verslag uitbrengen aan leeftijdsgenoten en aan de leerkracht over onder meer waarnemingen, een op school behandeld onderwerp. 1.24: Vragen stellen bij een behandeld onderwerp, die begrepen en beantwoord kunnen worden door leeftijdsgenoten. 2: Spreektechnische vaardigheden ontwikkelen en beheersen. Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt LEZEN 2.2: Talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren. 2.3: Communicatieve elementen begrijpen en interpreteren. SCHRIJVEN 1.5: Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken. 4.1: Zo precies en nauwkeurig mogelijk formuleren. ACT.2 Gokken op water SCHRIJVEN 1.5: Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken. ACT.3 Waterverbruik(t) LEZEN 2.3: Communicatieve elementen begrijpen en interpreteren.

33 ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder LEZEN 3.1: Boodschappen beoordelen. 3.2: Boodschappen integreren. ACT.5 work LEZEN 2.3: Communicatieve elementen begrijpen en interpreteren. 3.1: Boodschappen beoordelen. 3.2: Boodschappen integreren. Hoofdstuk 4 Feesten ACT. 1 Speluitleg LUISTEREN 2.2: Talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren. SPREKEN 1.5: Voor leerlingen bestemde zakelijke mededelingen en opdrachten herformuleren. 1.25: Uitleggen hoe in een activiteit gewerkt zal worden of gewerkt werd. ACT.2 Feestquiz SCHRIJVEN 1.5: Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken. ACT.3 Voorbereiding op het atelier SPREKEN 1.5: Voor leerlingen bestemde zakelijke mededelingen en opdrachten herformuleren. 1.25: Uitleggen hoe in een activiteit gewerkt zal worden of gewerkt werd.

34 Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander LEZEN 3.1: Boodschappen beoordelen. 3.2: Boodschappen integreren. SPREKEN 1.7: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen uit de eigen omgeving of over boodschappen van anderen. 1.8: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen of over boodschappen van anderen uit de ruimere omgeving. 1.25: Uitleggen hoe in een activiteit gewerkt werd. ACT.2 Hoe gaat het verder? SCHRIJVEN 1.5: Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken. SPREKEN 1.7: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen uit de eigen omgeving of over boodschappen van anderen. 1.8: Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen of over boodschappen van anderen uit de ruimere omgeving. LUISTEREN 2.2: Talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren. ACT.3 Ik en de wereld LEZEN 2.2: Talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren. 2.3: Communicatieve elementen begrijpen en interpreteren. 3.1: Boodschappen beoordelen. 3.2: Boodschappen integreren.

35 Wiskunde Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel MR1: Twee dingen kwalitatief vergelijken volgens kleurschakering, geluidssterkte, levensduur, hardheid, lengte, gewicht, oppervlakte, inhoud en volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid en de vergelijking verwoorden met termen als: donkerder, luider, langer, groter, kleiner, even ver, lichter, even groot, later, kortst, kouder, even vlug, MR73: Weten dat een temperatuur uitgedrukt kan worden in graden Celsius, daarbij de term temperatuur gebruiken, en weten dat: a) bij temperatuurmeting 0 C het vriespunt aangeeft b) bij temperaturen beneden het vriespunt negatieve getallen gebruikt worden MR74: De temperatuur tot op 1 C nauwkeurig meten, aflezen en noteren MR90: Resultaten van metingen zoals bevolkingsdichtheid, windkracht, neerslag, stijgingspercentage van de weg, verkeersintensiteit, kijkdichtheid, leesvaardigheid, populariteit begrijpen Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven Leerplandoelen wiskunde die gelden voor de vijf thema s uit het dagelijkse leven. G1: Gestructureerde en ongestructureerde aantallen vergelijken en sorteren, en de vergelijking verwoorden met de termen: a) veel/weinig, evenveel/niet evenveel, te veel/te weinig, over/te kort, meer/minder, meest/minst b) is meer dan, is minder dan, is gelijk aan, is niet gelijk aan c) x meer dan y, x minder dan y d) en de vergelijking voorstellen met de symbolen =,, <, > G10: Inzicht verwerven in de tientalligheid en het plaatswaardesysteem van ons talstelsel. G11: De natuurlijke getallen lezen en schrijven a) tot 20 b) tot 100 c) tot 1000 d) tot e) tot f) tot en gebruik maken van de termen en de symbolen: g) eenheid (E), tiental (T) h) honderdtal (H) i) duizendtal (D) j) tienduizendtal (TD), honderdduizendtal (HD) k) miljoental (M) l) natuurlijk getal

36 G30: De delers van een natuurlijk getal ( 100), de gemeenschappelijke deler(s) van natuurlijke getallen ( 100) en de grootste gemeenschappelijke deler van twee natuurlijke getallen ( 100) vinden, en daarbij de termen gemeenschappelijke deler(s) en grootste gemeenschappelijke deler gebruiken B2: Eenvoudige situaties omzetten in formules met natuurlijke getallen, breuken, percenten en kommagetallen, en omgekeerd (van formule naar situatie) door: a) bewerkingen handelend uit te voeren, die te verwoorden en daarbij gebruik te maken van termen als optellen, aftrekken, - vermenigvuldigen, delen, b) vast te stellen welke schema s (bijv. een pijlenschema) en bewerkingen passend zijn en die bewerkingen in formulevorm om te zetten c) bij formules situaties te bedenken en die situaties te verwoorden B3: De geleerde symbolen, notatiewijzen en conventies in verband met bewerkingen en getallen a) kennen en gebruiken in verschillende situaties b) en de structuur van formules begrijpen en de formules correct toepassen c) en volgende termen gebruiken: - optelling, plus(teken), som, aftrekking, min(teken), verschil term(en, aftrektal, aftrekker vermenigvuldiging, maal- of vermenigvuldigingsteken, product, deling, deelteken, quotiënt en rest factor(en), vermenigvuldiger, vermenigvuldigtal, deeltal, deler bewerkingen d) en volgende symbolen benoemen, noteren en correct gebruiken: +, -, x, :, () B19: Vermenigvuldigen met: a) 10; 100 b) 5; 50 c) 1000; B23: Delen door: a) 10; 100 b) 5; 50 c) 1000; B49: Enkelvoudige vraagstukken oplossen over optellen en aftrekken in verschillende situaties met a) natuurlijke getallen b) breuken c) kommagetallen B50: Enkelvoudige vraagstukken oplossen over vermenigvuldigen en delen in verschillende situaties met a) natuurlijke getallen b) breuken c) kommagetallen B51: Samengestelde vraagstukken oplossen over optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met: a) natuurlijke getallen b) breuken c) kommagetallen Ohm (godsdienst) 1. Ohm G25: Een percent interpreteren en gebruiken: a) als een operator (bijv. 50% van.) b) als een verhouding en de term percent gebruiken. G26: Percenten lezen en schrijven.

37 2. Sapitacha (voedsel) MR50: Weten dat het resultaat van een inhoudsmeting uitgedrukt kan worden in liter of daarvan afgeleide maateenheden, en daarbij de term inhoud gebruiken. MR51: Het metriek stelsel in verband met inhoud opbouwen en daarbij volgende maateenheden en hun symbolen lezen en gebruiken: a) de liter (l) b) de deciliter (dl), de centiliter (cl) c) de milliliter (ml) MR61: Weten dat het resultaat van een gewichtsmeting uitgedrukt kan worden in kilogram of daarvan afgeleide maateenheden, en daarbij de term gewicht gebruiken MR62: Het metriek stelsel in verband met gewichten opbouwen, en daarbij volgende maateenheden lezen en gebruiken: a) kilogram (kg) b) gram (g) c) de ton. MR88: Vraagstukken over één grootheid oplossen: lengte, oppervlakte, inhoud, volume, gewicht, tijd, geldwaarden, temperatuur en hoekgrootte 3. Ek, do, teen (school) MR68: Weten dat een tijdstip en een tijdsduur uitgedrukt kan worden in uur of daarvan afgeleide maateenheden, en volgende termen en afkortingen lezen en gebruiken: a) het uur (wordt niet afgekort) en het halfuur b) het kwartier c) de minuut (min.) d) de seconde (sec.) MR88: Vraagstukken over één grootheid oplossen: lengte, oppervlakte, inhoud, volume, gewicht, tijd, geldwaarden, temperatuur en hoekgrootte MR89: In veel voorkomende situaties de relaties tussen grootheden ervaren en onderzoeken bij: a) prijsberekeningen b) winst of verlies c) tijd, afstand, snelheid d) sparen e) korting f) kapitaal en enkelvoudige interest g) soortelijk gewicht 4. Vaanka, vaanka (wonen) MK4: De richting van de beweging verkennen en bepalen: a) van zichzelf b) van voorwerpen tegenover zichzelf c) van zichzelf tegenover referentiepunten in de ruimte d) van voorwerpen in de ruimte tegenover andere voorwerpen en daarbij de zin van de beweging verwoorden met termen als: e) omhoog, omlaag, vooruit, achteruit f) naar mij toe, van mij weg, dichterbij komen, opzij, langs, door, over g) in de richting van, schuin MK5: De plaats en/of de richting precies bepalen vanuit een referentiepunt (bijv. het tweede appartement van links op de derde verdieping) MK6: Verkennen en verwoorden wat en ziet vanuit andere gezichtspunten als men zich: a) werkelijk verplaatst in de ruimte b) mentaal verplaatst in de ruimte c) mentaal verplaatst in de ruimte en daarbij termen gebruiken als: c) richting, plaats, d) vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht

38 MK7: De relatie tussen driedimensionale situaties en hun voorstellingen om zich te oriënteren in de ruimte met: a) tekeningen, foto s, maquettes, plattegronden b) kaarten, gegevens over afstand en richting en daarbij termen gebruiken als: c) afstand d) patroon, plattegrond 5. Kaam karna (beroepen) G14: Breuken interpreteren en gebruiken: a) als operator (een stuk (deel) van, een verdeling, een vermenigvuldigingsfactor) b) als een getal (met een plaats op de getallenas, als een quotiënt van een deling) c) als een verhouding (onder meer de aanduiding voor een kans) d) en ze herkennen in de omgangstaal (bijv. helft, kwart, één en een kwart, anderhalf) G15: a) breuken lezen (in de vorm./. of ) en schrijven (enkel in de vorm ) en gebruik maken van de termen b) breuk, teller, noemer, breukstreep d) stambreuk G16: Breuken vergelijken, ordenen en onder meer aanduiden op een getallenas: a) stambreuken b)breuken met dezelfde noemer en breuken met dezelfde teller c) eenvoudige breuken (na vereenvoudiging) d) en gebruik maken van de term gelijkwaardige breuken G17: a) eenvoudige breuken gelijknamig maken om ze te vergelijken en te ordenen of om ze op te tellen of af te trekken b) en gebruik maken van de term gelijkwaardige breuken G27: In eenvoudige en zinvolle gevallen de gelijkwaardigheid van breuken, kommagetallen en percenten inzien en verduidelijken door omzettingen. B35: in eenvoudige en praktische gevallen percenten van een grootheid of van een getal nemen MR71: Weten dat een geldwaarde uitgedrukt kan worden in belgische frank/euro of daarvan afgeleide maateenheden, daarbij de termen geld, waarde, prijs, frank, euro, (euro)cent gebruiken, b) volgende afkortingen/symbolen lezen en noteren: fr. euro, - BEF, EUR c.. ROEPIE = RS Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.3 Waterverbruik(t) G11: De natuurlijke getallen lezen en schrijven a) tot 20 b) tot 100 c) tot 1000 d) tot e) tot f) tot en gebruik maken van de termen en de symbolen: g) eenheid (E), tiental (T) h) honderdtal (H) i) duizendtal (D) j) tienduizendtal (TD), honderdduizendtal (HD) k) miljoental (M) l) natuurlijk getal MR50: Weten dat het resultaat van een inhoudsmeting uitgedrukt kan worden in liter of daarvan afgeleide maateenheden, en daarbij de term inhoud gebruiken.

39 ACT.5 work G11: De natuurlijke getallen lezen en schrijven a) tot 20 b) tot 100 c) tot 1000 d) tot e) tot f) tot en gebruik maken van de termen en de symbolen: g) eenheid (E), tiental (T) h) honderdtal (H) i) duizendtal (D) j) tienduizendtal (TD), honderdduizendtal (HD) k) miljoental (M) l) natuurlijk getal Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz G11: De natuurlijke getallen lezen en schrijven a) tot 20 b) tot 100 c) tot 1000 d) tot e) tot f) tot en gebruik maken van de termen en de symbolen: g) eenheid (E), tiental (T) h) honderdtal (H) i) duizendtal (D) j) tienduizendtal (TD), honderdduizendtal (HD) k) miljoental (M) l) natuurlijk getal B10: Optellen volgens standaardprocedures en de optelling verwoorden en noteren. B13: Aftrekken volgens standaardprocedures en de aftrekking verwoorden en noteren. MR1: Twee dingen kwalitatief vergelijken volgens kleurschakering, geluidssterkte, levensduur, hardheid, lengte, gewicht, oppervlakte, inhoud en volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid en de vergelijking verwoorden met termen als: donkerder, luider, langer, groter, kleiner, even ver, lichter, even groot, later, kortst, kouder, even vlug, MK4: De richting van de beweging verkennen en bepalen: a) van zichzelf b) van voorwerpen tegenover zichzelf c) van zichzelf tegenover referentiepunten in de ruimte d) van voorwerpen in de ruimte tegenover andere voorwerpen en daarbij de zin van de beweging verwoorden met termen als: e) omhoog, omlaag, vooruit, achteruit f) naar mij toe, van mij weg, dichterbij komen, opzij, langs, door, over g) in de richting van, schuin MK5: De plaats en/of de richting precies bepalen vanuit een referentiepunt (bijv. het tweede appartement van links op de derde verdieping) Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander MR86: Allerlei verbanden tussen grootheden opsporen en onderzoeken.

40 ACT.2 Hoe gaat het verder? MR1: Twee dingen kwalitatief vergelijken volgens kleurschakering, geluidssterkte, levensduur, hardheid, lengte, gewicht, oppervlakte, inhoud en volume, tijdsduur, temperatuur, snelheid en de vergelijking verwoorden met termen als: donkerder, luider, langer, groter, kleiner, even ver, lichter, even groot, later, kortst, kouder, even vlug, ACT.3 Ik en de wereld G11: De natuurlijke getallen lezen en schrijven a) tot 20 b) tot 100 c) tot 1000 d) tot e) tot f) tot en gebruik maken van de termen en de symbolen: g) eenheid (E), tiental (T) h) honderdtal (H) i) duizendtal (D) j) tienduizendtal (TD), honderdduizendtal (HD) k) miljoental (M) l) natuurlijk getal

41 Leerplandoelen OVSG 5 de leerjaar / 6 de leerjaar GODSDIENST Katholieke godsdienst Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen kinderen verzamelen bouwstenen waarmee mensen hun leven mooier en gelukkiger willen maken. o Aan de hand van enkele voorbeelden zien hoe mensen in andere culturen geluk nastreven Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen ervaren wat het is te dragen en gedragen te worden.

42 o Stilstaan bij wat ze dragen of met zich meedragen in verschillende betekenissen van het woord: voorwerpen, kledij, mensen, Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Vormen van anders zijn van mensen verkennen waarmee zij geconfronteerd worden. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen. o Leren omgaan met de moeilijkheden die kunnen voorkomen bij verschillen tussen mensen Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen.

43 o Leren omgaan met de moeilijkheden die kunnen voorkomen bij verschillen tussen mensen Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven 1. Ohm (godsdienst) Kinderen zien in dat mensen in hun verhaaltradities en heilige boeken een godsdienstige kijk op het leven verwoorden en doorgeven Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen verkennen symbolen in verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen. o Ontdekken dat symbolen een grote rol spelen bij gelovige en niet gelovige mensen. 2. Sapitacha (voedsel) Kinderen ervaren de veelzijdige wijzen waarop mensen samen maaltijd houden. o Ontdekken hoe mensen bij een maaltijd niet alleen voedsel delen, maar ook ervaringen en verbondenheid, en op die manier leefgemeenschappen vormen. o Verkennen hoe mensen uit andere culturen maaltijd houden. 3. Ek, do, teen (school) Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst.

44 o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen. 4. Vaanka, vaanka (wonen) Gastvrijheid leren kennen als vorm van zorg dragen voor mensen in verschillende culturen en godsdiensten, via religieuze verhalen en gebruiken. 5. Kaam karna (beroepen) Kinderen ervaren wat het is te dragen en gedragen te worden. o Stilstaan bij wat ze dragen of met zich meedragen in verschillende betekenissen van het woord: voorwerpen, kledij, mensen, Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep. ACT.2 Gokken op water en ACT.3 Waterverbruik(t) Kinderen ervaren water als deugddoend en bedreigend. o Ervaren dat water levengevend en levensnoodzakelijk is voor elke mens: voedsel, groeikracht, reinigend, helend, o Beseffen dat water noodzakelijk is voor elk levend wezen Kinderen waarderen water als een kostbaar geschenk. o Er zich bewust van zijn dat niet ieder kind kan beschikken over water. o Hun waardering voor water uiten.

45 o Weten wat de gevolgen zijn als mensen niet over voldoende water kunnen beschikken. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen confronteren zich ermee dat de weg naar geluk geen rechtlijnige vervulling kent Kinderen bespreken hoe mensen vanuit hun levens- of geloofsovertuiging zoeken om te gaan met grenzen. o Stilstaan bij levensgetuigenissen van mensen, bij wie grenservaringen soms leiden tot optimisme bij de enen en soms pessimisme bij anderen Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen. ACT.5 work Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen confronteren zich ermee dat de weg naar geluk geen rechtlijnige vervulling kent.

46 Kinderen bespreken hoe mensen vanuit hun levens- of geloofsovertuiging zoeken om te gaan met grenzen. o Stilstaan bij levensgetuigenissen van mensen, bij wie grenservaringen soms leiden tot optimisme bij de enen en soms pessimisme bij anderen Kinderen ontdekken waardoor mensen bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Aan de hand van enkele voorbeelden vaststellen en onderkennen hoe mensen beïnvloed en bewogen worden Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Al spelend ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen verkennen hoe kinderen in verschillende culturen vieren dat zij groeien en dat zij mogen deelnemen aan belangrijke gebeurtenissen in hun leefgemeenschap.

47 Kinderen gaan na welke belangrijke momenten in het (en hun) leven gevierd worden bv. geboorte, verjaardag, huwelijk, Kinderen ontdekken de betekenis van enkele religieuze feesten. Hoofdstuk Kinderen gaan op weg om stilaan zelf vorm te geven aan hun eigen leven met bouwstenen die ze als zinvol en waardevol ontdekken. o Zien dat hun eigen leven vorm krijgt in relatie en confrontatie met andere mensen Kinderen ontdekken waardoor mensen bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Aan de hand van enkele voorbeelden vaststellen en onderkennen hoe mensen beïnvloed en bewogen worden Kinderen verkennen bij zichzelf en bij elkaar waardoor ze bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Kunnen en durven uitspreken of duidelijk maken aan elkaar waardoor ze persoonlijk en/of samen in beweging komen Kinderen kunnen de aard van relaties tussen mensen onderscheiden Kinderen vormen zich een beeld van de mensenwereld zoals ze die ervaren en dromen Kinderen gaan op zoek naar drijfveren en mechanismen die de samenleving maken tot wat ze is. o Aan de hand van concrete voorbeelden zoeken welke drijfveren het samenleven van mensen bevorderen, bv. solidariteit, respect, rechtvaardigheid, Kinderen begrijpen dat ook zij aangesproken worden om zich te engageren voor de samenleving. o Tot het inzicht komen dat welvaart tot welzijn kan worden, wanneer mensen solidair zijn. o Ontdekken dat de droom van een betere wereld maar werkelijkheid kan worden doorheen overleg, afspraken, wetgeving, instellingen en diensten, o In gezamenlijk overleg zoeken welke houding zij kunnen of moeten aannemen tegenover bepaalde maatschappelijke situaties in hun omgeving Kinderen verwonderen zich erover hoezeer natuur, wetenschap en techniek onze leefwereld tekenen. o Aan de hand van voorbeelden bespreken hoe wetenschap en techniek evolueren als een antwoord op menselijke problemen en behoeften.

48 Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen.

49 Wereldoriëntatie Maatschappij mens natuur ruimte (6) technologie tijd verkeer (5 + 6) Leerplandoelen wereldoriëntatie (maatschappij mens natuur ruimte technologie tijd verkeer) die gelden voor de gehele lesmap. Leerplandoelen rond samenwerking, plannen en klasorde [1]: 1.3.2: De leerlingen begrijpen dat samenwerken noodzakelijk kan zijn om een bepaald doel te bereiken. (mens 5 + 6) 1.3.5: De leerlingen kennen en begrijpen omgangsvormen, leefregels en afspraken die van belang zijn voor het samenleven in een groep. (mens 5 + 6) 2.3.1: De leerlingen wachten hun beurt af. (mens 5 + 6) 2.3.2: De leerlingen kunnen de ander een deel van de beschikbare ruimte geven. (mens 5 + 6) 2.3.3: De leerlingen kunnen zorg dragen voor de netheid van de lokalen, voorzieningen en het materiaal van de anderen. (mens 5 + 6) 2.3.4: De leerlingen kunnen een gevoeligheid tonen voor de behoeften van anderen. (mens 5 + 6) 2.3.5: De leerlingen bieden de ander de mogelijkheid om te reageren zoals hij/zij het wil. (mens 5 + 6) 2.3.6: De leerlingen gaan op een spontane en respectvolle wijze om met leeftijdsgenoten. (mens 5 + 6) 2.3.7: De leerlingen kunnen voor een andere visie/mening waardering opbrengen en uiten. (mens 5 + 6) 2.3.8: De leerlingen tonen bereidheid zich te oefenen in omgangsvormen met anderen waarin ze minder sterk zijn. (mens 5 + 6) 2.5.1: De leerlingen kunnen met steun van de leerkracht leiding geven. (mens 5 + 6) 2.5.2: De leerlingen kunnen in spel- of taaksituatie zeggen of tonen wat anderen moeten doen. (mens 5 + 6) 2.5.3: De leerlingen kunnen een initiatief voor een gespreksonderwerp of voor de oplossing van een probleem verwoorden. (mens 5 + 6) 2.5.5: De leerlingen kunnen de verantwoordelijkheid van een groepstaak op zich nemen. (mens 5 + 6) 2.6.2: De leerlingen kunnen een opgelegde taak rustig utvoeren. (mens 5 + 6)

50 2.6.3: De leerlingen kunnen een beperkt aantal regels en afspraken nakomen. (mens 5 + 6) 2.6.4: De leerlingen kunnen de leiding van een klasgenoot aanvaarden. (mens 5 + 6) 2.6.5: De leerlingen kunnen richtlijnen en adviezen naleven. (mens 5 + 6) 2.7.4: De leerlingen kunnen kritisch luisteren. (mens 5 + 6) 2.8.3: De leerlingen durven voor hun mening op een aanvaardbare manier opkomen. (mens 5) 2.8.4: De leerlingen tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van het eigen kunnen. (mens 5 + 6) 2.8.5: De leerlingen geven blijk op te staan voor nieuwe, onbekende taken. (mens 5 + 6) : de leerlingen kunnen aangeven dat zij iets niet begrepen hebben, niet weten, niet kunnen, niet durven of dat zij twijfelen. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen op passende wijze aangeven dat ze zelf aan het woord willen komen. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen de ander laten uitspreken en niet onnodig in de rede vallen. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen nagaan of zij de ander(en) goed begrepen hebben. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen verbaal en non-verbaal gedrag op elkaar afstemmen. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen op elkaar inspelen (verbaal/non-verbaal); niet naast elkaar praten. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen het actief luisteren en het zelf spreken evenwichtig afwisselen. (mens 5 + 6) : De leerlingen tonen een openheid om met iedereen samen te werken en samen te spelen. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen de regels en taakverdeling die in de groep afgesproken werden, naleven en controleren of de anderen dit ook doen. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen overleggen naar aanleiding van een groepsopdracht. (mens 5 + 6) : De leerlingen herinneren anderen aan de bedoeling van het samenwerken. Ze geven blijk de intentionaliteit van de opdracht in de gaten te houden. (mens 5 + 6) : De leerlingen zijn bereid rekening te houden met de onuitgesproken regels die de interacties binnen hun groep bepalen. (mens 5 + 6) 1.22 (5 de ) / 1.21 (6 de ): De leerlingen leren effectief met informatica en informatieverwerking omgaan. (technologie 5 + 6)

51 3.3: De leerlingen tonen zich bereid om veilig om te gaan met materialen en gereedschap van de klas. (technologie 5 + 6) 3.4: De leerlingen tonen zich bereid nauwkeurig en veilig te werken, geen materiaal te verkwisten en zorg te dragen voor hun gereedschap. (technologie 5 + 6) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken. (tijd 5 + 6) 3.4: De leerlingen kunnen taken plannen en organiseren met behulp van een persoonlijk schema. (tijd 5) 3.5 (5 de ) / 3.4 (6 de ): De leerlingen kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken. (tijd 5 + 6) Leerplandoelen rond diversiteit en het eigen leven vergelijken met dat van anderen [2]: 2.2.1: De leerlingen beseffen dat sommige mensen een andere levensstijl hebben dan zijzelf, als ze geconfronteerd worden met beelden, informatie of mensen uit een andere cultuur. (maatschappij 5 + 6) 2.2.2: De leerlingen zijn zich bewust dat ze in een maatschappij leven met mensen van andere nationaliteiten, volkeren of rassen. (maatschappij 5 + 6) 2.2.3: De leerlingen onderkennen dat we allen verschillende gebruiken hebben en dat die dikwijls worden bepaald door de eigen cultuur. (maatschappij 5 + 6) 2.2.4: De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen andere waarden en normen bezitten. (maatschappij 5 + 6) 2.7.6: De leerlingen kunnen kritisch nadenken over bepaalde maatschappelijke toestanden. (mens 5 + 6) 3.20 (5 de ) / 3.18 (6 de ): De leerlingen tonen belangstelling voor het verleden, heden en toekomst, hier en elders. (tijd 5 + 6) Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.1 Het postpakket [2] ACT.2 Kennismaking met de drie kinderen [1] & [2]

52 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) : De leerlingen kunnen zichzelf voorstellen. (mens 5 + 6) ACT.3 Een blik op India [1] 3.7: De leerlingen kunnen plaatsen en gebeurtenissen waar ze kennis mee maken, lokaliseren op een in die context passende kaart. (ruimte 6) Hoofdstuk 1 met de trein door India ACT.1 Speluitleg [1] : De leerlingen kunnen regels en een taakverdeling afspreken met het oog op een vlotte groepswerking bij een spel of taak: met hulp van een volwassene; zelfstandig. (mens 5 + 6) ACT.2 Treinspel [1] & [2] (5 de ) / (6 de ): De leerlingen tonen zich bereid om zowel lichamelijk actieve als lichamelijk passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderscheiden, te onderzoeken en te evalueren: zelfstandig. (maatschappij 5 + 6) 2.2.8: De leerlingen zien in dat het uitoefenen van beroepen, de beroepsverdeling en vrijetijdsbesteding samenhangen met plaatselijke cultuurpatronen. (maatschappij 5 + 6) 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen weten dat de rijkdom ongelijk verdeeld is: in ons land / in de wereld. (maatschappij 5 + 6) : De leerlingen kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waar ze leven. (natuur 5 + 6)

53 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) 3.7: De leerlingen kunnen plaatsen en gebeurtenissen waar ze kennis mee maken, lokaliseren op een in die context passende kaart. (ruimte 6) 3.11: De leerlingen kunnen in de realiteit op een gepaste kaart een landelijke, stedelijke, toeristische en industriële omgeving herkennen en van elkaar onderscheiden. (ruimte 6) VKR-16: De leerlingen kennen de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik. (verkeer) VKR-17: De leerlingen kunnen de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven voor het groeiende autogebruik vergelijken. (verkeer) ACT.3 Evaluatie [2] 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) Hoofdstuk 2 een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas [2] (5 de ) / (6 de ): De leerlingen tonen zich bereid om zowel lichamelijk actieve als lichamelijk passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderscheiden, te onderzoeken en te evalueren: zelfstandig. (maatschappij 5 + 6) 2.2.8: De leerlingen zien in dat het uitoefenen van beroepen, de beroepsverdeling en vrijetijdsbesteding samenhangen met plaatselijke cultuurpatronen. (maatschappij 5 + 6) 3.1: De leerlingen kunnen met behulp van visuele ondersteuning, binnen het weekverloop vooruit- en terugblikken en hoogtepunten plannen in het verloop van de week over situaties in verband met: ruimere leef- en beleefwereld. (tijd 5 + 6) ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen [1] & [2]

54 (5 de ) / (6 de ): De leerlingen tonen zich bereid om zowel lichamelijk actieve als lichamelijk passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderscheiden, te onderzoeken en te evalueren: zelfstandig. (maatschappij 5 + 6) 2.2.8: De leerlingen zien in dat het uitoefenen van beroepen, de beroepsverdeling en vrijetijdsbesteding samenhangen met plaatselijke cultuurpatronen. (maatschappij 5 + 6) 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in één of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) : De leerlingen kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waar ze leven. (natuur 5 + 6) 3.1: De leerlingen kunnen met behulp van visuele ondersteuning, binnen het weekverloop vooruit- en terugblikken en hoogtepunten plannen in het verloop van de week over situaties in verband met: ruimere leef- en beleefwereld. (tijd 5 + 6) ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven 1. Ohm [1] & [2] 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in één of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) 2. Sapitacha? [1] & [2] : De leerlingen weten dat verschillende planten en dieren in een bepaalde biotoop thuishoren. (natuur 5 + 6) : De leerlingen kunnen een duidelijk verband leggen tussen de omgeving en het al dan niet voorkomen van planten en dieren. (natuur 5 + 6) : De leerlingen stellen vast dat de invloed van de mens op de aanwezigheid van planten en dieren positief of negatief kan zijn. (natuur 5 + 6) : De leerlingen kunnen illustreren dat de mens de aanwezigheid van planten en dieren in zijn omgeving beïnvloedt. (natuur 5 + 6)

55 : De leerlingen kunnen gericht waarnemen met al hun zintuigen en kunnen hun waarnemingen op een systematische wijze noteren. (natuur 5 + 6) : De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen om meer te weten te komen over verschijnselen in de natuur. (natuur 5 + 6) : De leerlingen kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waar ze leven. (natuur 5 + 6) 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) 2.6: De leerlingen kunnen een eenvoudige werktekening of handleiding juist en veilig stap voor stap uitvoeren. (technologie 5 + 6) 3. Ek, do, teen [1] & [2] (5 de ) / (6 de ): De leerlingen tonen zich bereid om zowel lichamelijk actieve als lichamelijk passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderscheiden, te onderzoeken en te evalueren: zelfstandig. (maatschappij 5 + 6) 2.2.8: De leerlingen zien in dat het uitoefenen van beroepen, de beroepsverdeling en vrijetijdsbesteding samenhangen met plaatselijke cultuurpatronen. (maatschappij 5 + 6) 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) 3.1: De leerlingen kunnen met behulp van visuele ondersteuning, binnen het weekverloop vooruit- en terugblikken en hoogtepunten plannen in het verloop van de week over situaties in verband met: ruimere leef- en beleefwereld. (tijd 5 + 6) 4. Vaanka, vaanka [1] & [2] 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) 3.7: De leerlingen kunnen plaatsen en gebeurtenissen waar ze kennis mee maken, lokaliseren op een in die context passende kaart. (ruimte 6)

56 3.11: De leerlingen kunnen in de realiteit op een gepaste kaart een landelijke, stedelijke, toeristische en industriële omgeving herkennen en van elkaar onderscheiden. (ruimte 6) 5. Kaam karna [1] & [2] 1.1.2: De leerlingen weten dat gelijkaardig werk niet overal, noch voor iedereen, op dezelfde wijze gehonoreerd wordt. (maatschappij 5 + 6) 1.1.3: De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend gewaardeerd worden. (maatschappij 5 + 6) 1.1.4: De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen. (maatschappij 5 + 6) 1.1.5: De leerlingen tonen respect voor alle vormen van arbeid. (maatschappij 5 + 6) 2.2.8: De leerlingen zien in dat het uitoefenen van beroepen, de beroepsverdeling en vrijetijdsbesteding samenhangen met plaatselijke cultuurpatronen. (maatschappij 5 + 6) 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) ACT.4 Voorstelling in de klas [1] & [2] 2.5.4: De leerlingen kunnen verslag uitbrengen over een taakgroep. (mens 5 + 6) 2.8.1: De leerlingen durven binnen de klasgroep naar voren treden. (mens 5 + 6) : De leerlingen kunnen duidelijk hoorbaar (goed articuleren, voldoende luid, ) spreken. (mens 5) : De leerlingen kunnen regels en een taakverdeling afspreken met het oog op een vlotte groepswerking bij een spel of taak: met hulp van een volwassene; zelfstandig. (mens 5 + 6)

57 Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt [2] 1.1.1: De leerlingen kunnen illustreren hoe door technologische ontwikkelingen en veranderde behoeften de arbeidsmarkt en -situatie verandert : De leerlingen weten dat gelijkaardig werk niet overal, noch voor iedereen, op dezelfde wijze gehonoreerd wordt. (maatschappij 5 + 6) 1.1.5: De leerlingen tonen respect voor alle vormen van arbeid. (maatschappij 5 + 6) 2.2.8: De leerlingen zien in dat het uitoefenen van beroepen, de beroepsverdeling en vrijetijdsbesteding samenhangen met plaatselijke cultuurpatronen. (maatschappij 5 + 6) 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) ACT.2 Gokken op water [2] 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) : De leerlingen kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waar ze leven. (natuur 5 + 6) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen weten dat de rijkdom ongelijk verdeeld is: in ons land / in de wereld. (maatschappij 5 + 6) ACT.3 Waterverbruik(t) [2] 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) : De leerlingen kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waar ze leven. (natuur 5 + 6)

58 ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder [2] 1.1.2: De leerlingen weten dat gelijkaardig werk niet overal, noch voor iedereen, op dezelfde wijze gehonoreerd wordt. (maatschappij 5 + 6) 1.1.5: De leerlingen tonen respect voor alle vormen van arbeid. (maatschappij 5 + 6) 2.2.8: De leerlingen zien in dat het uitoefenen van beroepen, de beroepsverdeling en vrijetijdsbesteding samenhangen met plaatselijke cultuurpatronen. (maatschappij 5 + 6) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen weten dat de rijkdom ongelijk verdeeld is: in ons land / in de wereld. (maatschappij 5 + 6) ACT.5 work [2] 1.1.2: De leerlingen weten dat gelijkaardig werk niet overal, noch voor iedereen, op dezelfde wijze gehonoreerd wordt. (maatschappij 5 + 6) 1.1.3: De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend gewaardeerd worden. (maatschappij 5 + 6) 1.1.4: De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen. (maatschappij 5 + 6) 1.1.5: De leerlingen tonen respect voor alle vormen van arbeid. (maatschappij 5 + 6) 2.2.8: De leerlingen zien in dat het uitoefenen van beroepen, de beroepsverdeling en vrijetijdsbesteding samenhangen met plaatselijke cultuurpatronen. (maatschappij 5 + 6) 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz [1] & [2]

59 (5 de ) / (6 de ): De leerlingen tonen zich bereid om zowel lichamelijk actieve als lichamelijk passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderscheiden, te onderzoeken en te evalueren: zelfstandig. (maatschappij 5 + 6) 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in één of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) 3.2: De leerlingen kunnen eenvoudige op hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld. (ruimte 6) ACT.3 Voorbereiding op het atelier : De leerlingen kunnen regels en een taakverdeling afspreken met het oog op een vlotte groepswerking bij een spel of taak: met hulp van een volwassene; zelfstandig. (mens 5 + 6) Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander [1] & [2] 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) ACT.2 Hoe gaat het verder? [1] & [2] 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6) ACT.3 Ik en de wereld [1] & [2] 2.2.9: De leerlingen kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen. (maatschappij 5 + 6)

60 : De leerlingen stellen vast dat de invloed van de mens op de aanwezigheid van planten en dieren positief of negatief kan zijn. (natuur 5 + 6)

61 Muzische Vorming leerplandoelen Muzische vorming (beeld, bewegen, drama, media en muziek die gelden voor de gehele lesmap. BEELD BLD-BS-5: Kinderen ervaren dat beeldelementen de zeggingskracht van een werk kunnen vergroten. BLD-BS-6: Kinderen ervaren dat beelden een inhoud, betekenis of doel kunnen hebben. BLD-BS-8: Kinderen genieten ervan naar beeldend werk van zichzelf en anderen te kijken en erover te praten. BEWEGEN BEW-BG-1: De kinderen ervaren dat eenvoudige bewegingen deel uitmaken van hun eigen leefwereld. DRAMA DRA-BV-1.2: De kinderen overwinnen hun spreekangst en durven te vertellen in de kring. DRA-SGB-3.5: De kinderen genieten van een gevarieerd aanbod van voor hen bestemde culturele activiteiten. MEDIA MED-MKL-1.1: De kinderen ervaren beelden, geluiden en combinaties daarvan die gebracht worden via verschillende media. MED-MKL-1.2: De kinderen beseffen dat hun wereld doordrongen is met audiovisuele boodschappen. MED-MKL-1.8: De kinderen kunnen het effect bespreken van beelden, geluiden en combinaties daarvan in de media. MED-MKL-1.9: De kinderen weten dat de media verschillende functies kunnen hebben. MED-MKL-1.11: De kinderen kunnen de effecten van het verspreiden van eenzelfde boodschap via verschillende media met elkaar vergelijken en verwoorden. MED-MKL-1.13: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden verschillend kunnen geïnterpreteerd worden afhankelijk van de invalshoek waarmee de ontvanger tegen de boodschap aankijkt. MED-MKL-1.14: De kinderen zien in dat relaties tussen beelden en/of geluiden de subjectieve weergave van de werkelijkheid kunnen beïnvloeden.

62 MED-MO-4.4: De kinderen kunnen waardering opbrengen voor en genieten van mediaproducten van andere culturen. MED-MO-4.9: De kinderen benaderen de media kritisch. MED-MO-4.10: De kinderen ervaren dat beelden en/of geluiden verschillend kunnen geïnterpreteerd worden, afhankelijk van de context waarin ze voorkomen. MUZIEK MV-MUZ-MB : De leerlingen maken kennis met populaire muziek uit andere werelddelen. Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.2 Kennismaking met de drie kinderen BEWEGEN BEW-BG-3: De kinderen nemen waar dat verschillende culturen eigen bewegingen hebben. MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden iets vertellen. MED-MKL-1.4: De kinderen ervaren dat een werkelijkheid kan voorgesteld worden door beelden en/of geluiden. MED-MKL-1.5: De kinderen ervaren dat beelden en geluiden effect op elkaar kunnen hebben. MED-MKL-1.12: De kinderen zien in dat het variëren van het beeld en/of geluid een andere werkelijkheid kan oproepen. Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel MUZIEK MUZ-MV-1: De kinderen kunnen bij een geluid een passende afbeelding plaatsen. MUZ-MB-1.2.3: De kinderen ontleden en onderzoeken muziekfragmenten via actief gericht luisteren. MUZ-MB-1.3.1: De kinderen kunnen met begeleidende opdrachten gedurende een bepaalde tijd zonder onderbreking naar een kort muziekfragment luisteren. MUZ-MB : De leerlingen maken kennis met populaire muziek uit andere werelddelen.

63 MUZ-MB : De leerlingen maken kennis met traditionele muziek uit andere werelddelen. MUZ-MB-2.1.1: De kinderen nemen gedurende een bepaalde tijd omgevingsgeluiden en stilte waar, praten erover en kunnen erop reageren. BEWEGEN BEW-BG-3: De kinderen nemen waar dat verschillende culturen eigen bewegingen hebben. BEW-BG-4: De kinderen komen in contact met dansen uit verschillende culturen. BEW-BG-6: De kinderen nemen verschillende soorten muziek waar en reageren er spontaan op. BEW-VB-22: De kinderen nemen kennis van de waarde van de traditionele en nieuwe dansen uit andere en eigen cultuur en praten over wanneer en waarom mensen dansen. BEW-VB-27: De kinderen kunnen de expressieve waarde van beweging en dans begrijpen vanuit inzicht in de culturele, historische, sociale context en kunnen zich hierover kritisch uiten. MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden iets vertellen. MED-CM-3.2: De kinderen brengen een volgorde aan in een reeks van voorwerpen, beelden en/of geluiden zodat ze een geheel vormen. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas BEELD BLD-BS-2: Kinderen praten over beelden uit hun omgeving. ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen BEELD BLD-BS-2: Kinderen praten over beelden uit hun omgeving. MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden iets vertellen. MED-MKL-1.4: De kinderen ervaren dat een werkelijkheid kan voorgesteld worden door beelden en/of geluiden. MED-MKL-1.5: De kinderen ervaren dat beelden en geluiden effect op elkaar kunnen hebben.

64 MED-MKL-1.12: De kinderen zien in dat het variëren van het beeld en/of geluid een andere werkelijkheid kan oproepen. ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven BEWEGEN BEW-BG-2: De kinderen nemen kennis van gelegenheden waarbij dans onderdeel is van een feest in familie- of ander verband. MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden iets vertellen. ACT.4 Voorstelling in de klas DRAMA DRA-BV-1.3: De kinderen overwinnen hun drempelvrees en schuchterheid door regelmatig iets in de kring naar voren te brengen. DRA-BV-1.13: Kinderen gebruiken in overleg met elkaar allerlei materialen en attributen. DRA-BV-1.18: De kinderen reageren op het spel van anderen. DRA-SB-2.1: De kinderen vergroten hun spreekvaardigheid. DRA-SB-2.8: De kinderen kunnen een aangepaste spreektechniek gebruiken: tempo, volume, toonhoogte, articulatie, timbre, DRA-SGB-3.4: De kinderen genieten van wat anderen in de kring tonen of spelen en ze reageren er spontaan op. MUZIEK MUZ-MB : De leerlingen maken kennis met populaire muziek uit andere werelddelen. MEDIA MED-OOW-2.5: De kinderen kunnen boodschappen overbrengen via verschillende media, rekening houdend met hun verschillende mogelijkheden en beperkingen. MED-CM-3.6: De kinderen kunnen een boodschap overbrengen. MED-CM-3.8: De leerlingen kunnen zender en ontvanger verrekenen in het overbrengen van een boodschap.

65 Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden iets vertellen. ACT.2 Gokken op water MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden iets vertellen. MED-MKL-1.4: De kinderen ervaren dat een werkelijkheid kan voorgesteld worden door beelden en/of geluiden. MED-MKL-1.12: De kinderen zien in dat het variëren van het beeld en/of geluid een andere werkelijkheid kan oproepen. MUZIEK MUZ-MB-1.3.2: De kinderen kunnen met begeleidende opdrachten naar een langer fragment luisteren. ACT.3 Waterverbruik(t) BEELD BLD-BS-2: Kinderen praten over beelden uit hun omgeving. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder BLD-BS-6: Kinderen ervaren dat beelden een inhoud, betekenis of doel kunnen hebben. MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden of geluiden iets vertellen. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz BEELD BLD-OM-3.6: Kinderen vinden plezier en voldoening in het beeldend vormgeven.

66 BEWEGEN BEW-BG-2: De kinderen nemen kennis van gelegenheden waarbij dans onderdeel is van een feest in familie- of ander verband. BEW-BM-1: De kinderen ervaren en exploreren bewegen ter plaatse (buigen, strekken, draaien, springen, roteren, schudden, zwaaien, ) en gebruiken verschillende lichaamsdelen als steunpunt (handen, één voet, schouder, ) BEW-BM-36: De kinderen kunnen samen met een ander kind een eenvoudige bewegingsopdracht uitvoeren. MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden iets vertellen. MED-MKL-1.12: De kinderen zien in dat het variëren van het beeld en/of geluid een andere werkelijkheid kan oproepen. MUZIEK MUZ-MB-1.3.5: De kinderen kunnen na het beluisteren van een muziekfragment hun indrukken verwoorden. MUZ-MB-2.2.3: De kinderen rubriceren klinkende voorwerpern of instrumenten naar de gevoelsmatige reacties die ze oproepen. MUZ-MB-2.2.5: De kinderen kunnen in een goedgekozen muziekfragment de reeds gekende muziekinstrumenten ontdekken en benoemen. MUZ-MB-2.2.6: De kinderen ervaren via goedgekozen muziekfragmenten de specifieke klankkleur van de groepen instrumenten. MUZ-MB : De leerlingen maken kennis met populaire muziek uit andere werelddelen. MUZ-MB : De leerlingen maken kennis met traditionele muziek uit andere werelddelen. MUZ-LZ-6: De kinderen kunnen het lied volledig meezingen. MUZ-LZ-7: De kinderen kunnen het lied zelfstandig zingen. Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander BEELD BLD-BS-2: Kinderen praten over beelden uit hun omgeving. ACT.2 Hoe gaat het verder? BEELD BLD-BS-2: Kinderen praten over beelden uit hun omgeving.

67 MEDIA MED-MKL-1.3: De kinderen weten dat beelden en/of geluiden iets vertellen. MED-MKL-1.4: De kinderen ervaren dat een werkelijkheid kan voorgesteld worden door beelden en/of geluiden. MED-MKL-1.5: De kinderen ervaren dat beelden en geluiden effect op elkaar kunnen hebben. MED-MKL-1.12: De kinderen zien in dat het variëren van het beeld en/of geluid een andere werkelijkheid kan oproepen. ACT.3 Ik en de wereld BEELD BLD-BS-2: Kinderen praten over beelden uit hun omgeving.

68 Taal Lezen luisteren schrijven spreken Leerplandoelen taal (lezen luisteren schrijven spreken) die gelden voor de gehele lesmap. LEZ-DV-D02-07: De leerlingen kunnen hun voorkennis over het onderwerp meedelen door te vertellen, te tekenen of te dramatiseren. LEZ-DV-D02-09: De leerlingen kunnen vragen stellen waarop ze een antwoord hopen te vinden in de tekst. LEZ-DV-D03-02a-03: De leerlingen kunnen de betekenis van een gelezen woord, uitdrukking of afkorting vragen aan de leraar (of aan een medeleerling). LEZ-DV-D04-10: De leerlingen kunnen in teksten op hun niveau de feiten en meningen aanduiden. LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen de betrouwbaarheid van de informatie vaststellen. LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen hun gevoelens beschrijven die worden opgeroepen bij de beschrijving van personen, handelingen van personen, gebeurtenissen, LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen hun oordeel geven over de inhoud van een tekst en hun argumenten daarvoor opgeven. LEZ-TV-01-04: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten lezen en correct uitvoeren. Ze kunnen lange instructies verdelen in kleinere stappen (deelinstructies). LUI-DV-D02.05: De leerlingen kunnen hun voorkennis over het onderwerp meedelen door te vertellen, te tekenen of te dramatiseren. LUI-DV : de leerlingen kunnen in concrete, communicatieve en alledaagse situaties aan de mimiek, de gebaren en de lichaamshouding van de spreker en de auditieve expressieve factoren afleiden wat zijn gevoelens zijn en of hij: - blij, vrolijk, uitgelaten, is. LUI-DV-D : De leerlingen weten dat het spreektempo van de zender een invloed heeft op het begrijpen van een mondelinge boodschap. Zij kunnen de spreker vragen zijn tempo aan te passen als dat voor hen te hoog ligt. LUI-DV-D05-03: De leerlingen kunnen de bedoeling van de spreker identificeren of afleiden bij instructies indien de kenmerken van dit teksttype duidelijk te herkennen zijn. Ze kunnen gepast reageren op de gegeven instructie.

69 LUI-DV-D06-11: De leerlingen kunnen hun oordeel geven over de inhoud van een tekst en hun argumenten daarvoor opgeven. LUI-TV-04.15: De leerlingen kunnen de informatie in vragen en antwoorden naar aanleiding van een gesprek of een discussie met medeleerlingen over behandelde leerinhouden op een kritische manier beoordelen. SCH-DV-D : De leerlingen kunnen hun bedoeling als schrijver van een tekst verwoorden. SCH-DV-D /03: De leerlingen kunnen informatie verzamelen door gerichte vragen te stellen aan leeftijdsgenoten/volwassenen. SCH-DV-D : De leerlingen kunnen informatie verzamelen door antwoord te geven op de vragen: wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, SCH-DV-D04-02d: De leerlingen kunnen passend gebruikmaken van hoofdletters. SCH-DV-D04-02e: De leerlingen kunnen werkwoordsvormen correct schrijven. SCH-DV-D04-03: De leerlingen kunnen bij het schrijven van zinnen interpunctietekens (leestekens) passend gebruiken. SCH-DV-D06-05: De leerlingen kunnen op hun niveau spelling- en interpunctieregels in acht nemen. SCH-TV-06-09: De leerlingen kunnen persoonlijke gevoelens en indrukken neerschrijven die werden opgeroepen bij het lezen van of luisteren naar een verhaal. SPR-DV-D01-01: De leerlingen kunnen verwoorden tot wie ze zich richten. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen op hun niveau formuleren in Standaardnederlands. SPR-DV-D /05: De leerlingen kunnen een zin waarin zij een gevoelen uitdrukken / een mening geven correct formuleren. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen een verzoek of een mening tactvol formuleren. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen een opdracht met eigen woorden herformuleren. SPR-GESPR-TV-01-59: De leerlingen kunnen in een gesprek informatie uitwisselen door vragen en doorvragen, en door in hun antwoorden precies de gevraagde informatie te verstrekken. Daarbij luisteren zij kritisch en sluiten direct aan bij de vorige spreker. SPR-GESPR-TV-01-60: De leerlingen kunnen tactvol, beleefd en assertief reageren. Zij passen daarbij zoveel mogelijk gespreksconventies toe. Het kan gaan om zakelijke informatie, meningen en beoordelingen, als gesprekspartners medeleerlingen zijn of bekende volwassenen. SPR-GESPR-TV-03-04: De leerlingen kunnen door discussies met leeftijdgenoten en bekende volwassenen mee afspraken opstellen. SPR-GESPR-TV-03-06: De leerlingen kunnen door discussies met leeftijdgenoten en bekende volwassenen verschillende beoordelingen met elkaar vergelijken.

70 TBS-SEM : De leerlingen kunnen metatalige begrippen gebruiken in hun gesprekken over communicatie. Deze begrippen zijn: gezichtsuitdrukking, gebaren. TBS-SEM-02-02: De leerlingen kunnen o hun niveau met woorden de wereld beschrijven en verklaren. TBS-SEM-02-33: De leerlingen durven en willen de betekenis van een onbegrepen woord vragen. TBS-PRAG-03-19: De leerlingen kunnen op hun niveau de inhoud van een boodschap begrijpen. TBS-PRAG-03-20: De leerlingen kunnen o hun niveau de inhoud van hun ideeën en gevoelens in taal omzetten. TBS-CULT-12-01: De leerlingen ervaren dat er mensen zijn die zich van andere talen dan het Nederlands bedienen en dat deze communicatie ook heel goed kan lopen. Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.1 Het postpakket LEZ-DV-D01-13: De leerlingen kunnen op basis van de niet-talige kenmerken aanduiden uit welke bron een tekst afkomstig is. ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen formuleren welke gevoelens stripfiguren en afbeeldingen bij hen oproepen. LEZ-DV-D03-04c-01: De leerlingen kunnen de hoofdpersoon aanduiden als de figuur (persoon, dier, plant, ding) waarover het verhaal gaat. De hoofdpersoon wil, denkt, handelt, voelt, TBS-CULT-13-02: De leerlingen ervaren dat taalgebruik afhangt van leeftijd, cultuur en traditie. ACT.3 Een blik op India LUI-TV-01.08: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten uitvoeren. Ze kunnen zich een voorstelling maken bij langere instructies.

71 Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.1 Speluitleg LUI-TV-01.08: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten uitvoeren. Ze kunnen zich een voorstelling maken bij langere instructies. ACT.2 Treinspel SPR-TV-01-06: De leerlingen kunnen aan medeleerlingen instructies geven die bestaan uit verschillende stappen. Zij ordenen de tussenstappen en formuleren de instructie op een gestructureerde wijze. LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen formuleren welke gevoelens stripfiguren en afbeeldingen bij hen oproepen. LEZ-TV-05-08: De leerlingen kunnen de informatie aflezen in beeld-, staaf-, lijn- en cirkeldiagrammen. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen bij een prent hun gevoelens verwoorden. TBS-CULT-13-02: De leerlingen ervaren dat taalgebruik afhangt van leeftijd, cultuur en traditie. ACT.3 Evaluatie SCH-TV-06-09: De leerlingen kunnen persoonlijke gevoelens en indrukken neerschrijven die werden opgeroepen bij het lezen van of luisteren naar een verhaal. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas LUI-DV-D06-05: De leerlingen kunnen op hun niveau de gevoelens beschrijven die worden opgeroepen bij de beschrijving van personen, handelingen van personen, gebeurtenissen. SPR-TV-03-07: De leerlingen kunnen beschouwingen, gebeurtenissen en ervaringen op een gestructureerde wijze weergeven. ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen formuleren welke gevoelens stripfiguren en afbeeldingen bij hen oproepen.

72 LUI-DV-D : De leerlingen kunnen op hun niveau bij waargenomen dagelijkse situaties of gebeurtenissen vaststellen hoe de gebeurtenissen elkaar opvolgen. TBS-PRAG-03-06: De leerlingen kunnen op hun niveau aangeven waarom mensen met anderen communiceren. TBS-CULT-13-02: De leerlingen ervaren dat taalgebruik afhangt van leeftijd, cultuur en traditie. ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven LUI-TV-01.08: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten uitvoeren. Ze kunnen zich een voorstelling maken bij langere instructies. SPR-TV-01-06: De leerlingen kunnen aan medeleerlingen instructies geven die bestaan uit verschillende stappen. Zij ordenen de tussenstappen en formuleren de instructie op een gestructureerde wijze. TBS-SEM-02-13: De leerlingen kunnen verwoorden waarom bepaalde woorden een sleutelrol hebben. 1. Ohm (godsdienst) LEZ-TV-05-08: De leerlingen kunnen de informatie aflezen in beeld-, staaf-, lijn- en cirkeldiagrammen. 2. Sapitacha (voedsel) LUI-TV-01.08: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten uitvoeren. Ze kunnen zich een voorstelling maken bij langere instructies. 3. Ek, do, teen (school) LEZ-TV-05-09: De leerlingen kunnen informatie aflezen in samengestelde tabellen (kruistabellen, sportuitslagen). TBS-CULT-12-02: De leerlingen zien in dat er verschillen en overeenkomsten zijn tussen het Nederlands en vreemde talen. TBS-CULT-13-02: De leerlingen ervaren dat taalgebruik afhangt van leeftijd, cultuur en traditie. 4. Vaanka, vaanka (wonen) LEZ-TV-05-08: De leerlingen kunnen de informatie aflezen in beeld-, staaf-, lijn- en cirkeldiagrammen.

73 SCH-DV-D : De leerlingen kunnen antwoorden op vragen in functie van het beschrijven van een voorwerp/persoon. 5. Kaam karna (beroepen) SPR-DV-D : De leerlingen kunnen bij een prent hun gevoelens verwoorden. ACT.4 Voorstelling in de klas LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen de hoofdgedachte omschrijven als wat de schrijver over het thema wil vertellen. De hoofdgedachte wordt met een zin weergegeven. LUI-DV-D : De leerlingen kunnen door oogcontact aan de spreker duidelijk maken dat ze geïnteresseerd zijn in zijn boodschap. LUI-DV-D : De leerlingen kunnen op hun niveau de begeleidende gebaren van de spreker begrijpen. SCH-DV-D : De leerlingen kunnen de verschillende stappen van het schrijfproces systematisch doorlopen. SCH-DV-D : De leerlingen kunnen antwoorden op vragen in functie van het beschrijven van een voorwerp/persoon. SCH-DV-D : De leerlingen kunnen zich de vragen stellen die essentieel zijn voor het achterhalen van de informatie op een afbeelding of een foto. SCH-DV-D : De leerlingen kunnen woorden kiezen die geschikt zijn om het gestelde schrijfdoel te bereiken. SCH-DV-D07-08: De leerlingen kunnen de organisatie van het schrijfproces bijsturen. SPR-BV-01-01: De leerlingen kunnen hun ademhaling aanpassen aan het spreken. SPR-BV-01-02: De leerlingen kunnen stemgeven door een gepast gebruik van steminzet en stemvoering. SPR-BV-01-09: De leerlingen kunnen tijdens het spreken eigen klemtonen leggen door volume, tempo en toonhoogte te laten variëren. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen de oriëntatievragen bij de planning van hun spreektaak gebruiken door het geheel van deze oriëntatievragen zelfstandig te gebruiken. SPR-DV-D01-06: De leerlingen kunnen zich zodanig op hun spreektaak richten dat zij voldoende spreekdurf hebben om de taak aan te vatten. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen de geselecteerde informatie aan de hand van een schema verwoorden. SPR-DV-D /02: De leerlingen kunnen in functie van de spreektaak hun voorkennis activeren / om informatie vragen.

74 SPR-DV-D04-05: De leerlingen kunnen de spreektaak van anderen beoordelen en de beoordeling verwoorden. TBS-SEM-02-10: De leerlingen kunnen als zender op hun niveau het meest passende woord kiezen in concrete communicatieve situaties. Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen getekende toestanden, handelingen of gebeurtenissen herkennen en meedelen wat er wordt afgebeeld. LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen de gevoelens van getekende figuren opnoemen. LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen formuleren welke gevoelens stripfiguren en afbeeldingen bij hen oproepen. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen bij een prent hun gevoelens verwoorden. TBS-PRAG-03-06: De leerlingen kunnen op hun niveau aangeven waarom mensen met anderen communiceren. ACT.2 Gokken op water LEZ-DV-D03-05c-05: De leerlingen kunnen oorzaak-gevolgrelaties identificeren in korte teksten, ook in structuren waarbij het gevolg wordt vermeld vóór de oorzaak. LUI-DV-D01.07: De leerlingen kunnen de gegeven oriëntatievragen beantwoorden indien ze vooraf worden gesteld. LUI-DV-D02.02: De leerlingen kunnen zich op basis van de titel een beeld vormen van de te verwachten inhoud van een tekst en hun ideeën hierover meedelen. LUI-DV-D02.04: De leerlingen kunnen, indien een aantal vragen vooraf zijn gegeven, de tekst gericht of selectief beluisteren om een antwoord te geven op die vragen. LUI-DV-D : De leerlingen kunnen zich de beluisterde tekst voorstellen, dit wil zeggen zich een mentaal visueel beeld vormen van een vernoemd object, een toestand of een gebeurtenis. LUI-DV-D05-05: De leerlingen kunnen de bedoeling van de spreker identificeren of afleiden bij rapporterende teksten. LUI-DV-D06-05: De leerlingen kunnen op hun niveau de gevoelens beschrijven die worden opgeroepen bij de beschrijving van personen, handelingen van personen, gebeurtenissen. TBS-PRAG-03-06: De leerlingen kunnen op hun niveau aangeven waarom mensen met anderen communiceren.

75 ACT.3 Waterverbruik(t) LEZ-DV-D01-13: De leerlingen kunnen aanduiden uit welke bron een tekst afkomstig is. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen getekende toestanden, handelingen of gebeurtenissen herkennen en meedelen wat er wordt afgebeeld. LEZ-TV-06-11: De leerlingen kunnen hun mening geven over een gelezen verhaal en de handelwijze van hoofdpersonen. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen bij een prent hun gevoelens verwoorden. ACT.5 work LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen formuleren welke gevoelens stripfiguren en afbeeldingen bij hen oproepen. LEZ-TV-06-11: De leerlingen kunnen hun mening geven over een gelezen verhaal en de handelwijze van hoofdpersonen. LUI-TV-01.08: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten uitvoeren. Ze kunnen zich een voorstelling maken bij langere instructies. SCH-DV-D : De leerlingen kunnen woorden kiezen die geschikt zijn om het gestelde schrijfdoel te bereiken. TBS-PRAG-03-06: De leerlingen kunnen op hun niveau aangeven waarom mensen met anderen communiceren. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.1 Speluitleg LUI-TV-01.08: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten uitvoeren. Ze kunnen zich een voorstelling maken bij langere instructies. ACT.2 Feestquiz LUI-TV-01.08: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten uitvoeren. Ze kunnen zich een voorstelling maken bij langere instructies. SPR-DV-D : De leerlingen kunnen bij een prent hun gevoelens verwoorden. TBS-PRAG-03-06: De leerlingen kunnen op hun niveau aangeven waarom mensen met anderen communiceren. TBS-CULT-13-02: De leerlingen ervaren dat taalgebruik afhangt van leeftijd, cultuur en traditie.

76 Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander LEZ-TV-06-11: De leerlingen kunnen hun mening geven over een gelezen verhaal en de handelwijze van hoofdpersonen. TBS-CULT-10-01: De leerlingen ontdekken dat er veel verschillende namen zijn voor mensen en dat er ook mensen zijn die dezelfde naam hebben. ACT.2 Hoe gaat het verder? LEZ-TV-06-11: De leerlingen kunnen hun mening geven over een gelezen verhaal en de handelwijze van hoofdpersonen. LUI-DV-D06-05: De leerlingen kunnen op hun niveau de gevoelens beschrijven die worden opgeroepen bij de beschrijving van personen, handelingen van personen, gebeurtenissen. LUI-DV-D06-08: De leerlingen kunnen in de tekst argumenten vinden die de stellingen van de spreker ondersteunen. LUI-TV-03.09: De leerlingen kunnen de informatie in voor hen bestemde nieuwsberichten achterhalen. Ze kunnen de hoofdzaken onderscheiden in een gesproken nieuwsbericht in dien het gaat om dagelijks nieuws. TBS-PRAG-03-06: De leerlingen kunnen op hun niveau aangeven waarom mensen met anderen communiceren. ACT.3 Ik en de wereld LEZ-DV-D : De leerlingen kunnen in de tekst argumenten vinden die de stellingen van de schrijver ondersteunen. LEZ-TV-06-11: De leerlingen kunnen hun mening geven over een gelezen verhaal en de handelwijze van hoofdpersonen. LUI-TV-01.08: De leerlingen kunnen instructies bij opdrachten uitvoeren. Ze kunnen zich een voorstelling maken bij langere instructies. LUI-TV-03.09: De leerlingen kunnen de informatie in voor hen bestemde nieuwsberichten achterhalen. Ze kunnen de hoofdzaken onderscheiden in een gesproken nieuwsbericht in dien het gaat om dagelijks nieuws. TBS-PRAG-03-06: De leerlingen kunnen op hun niveau aangeven waarom mensen met anderen communiceren.

77 Wiskunde Hoofdstuk 1 met de trein door India ACT.2 Treinspel 1.2.2: De leerlingen kunnen natuurlijke getallen lezen en noteren tot en let en Zij kunnen dat ook met kommagetallen (tot en met 3 cijfers na de komma. (getallen) 2.1.1: De leerlingen kunnen kwalitatieve eigenschappen bij zichzelf, bij anderen, bij voorwerpen (kleur, geur, smaak, gevoel, geluid, vorm, ) verwoorden. (meten) 2.6.4: De leerlingen kunnen temperaturen aflezen op de thermometer en ze correct noteren : De leerlingen kunnen de gemiddelde temperatuur berekenen (ook met negatieve temperaturen). (meetkunde) ACT.3 Een blik op India 1.2.2: De leerlingen kunnen natuurlijke getallen lezen en noteren tot en let en Zij kunnen dat ook met kommagetallen (tot en met 3 cijfers na de komma. (getallen) : De leerlingen kennen volgende maateenheden en hun symbolen en kunnen daarmee meet- of berekeningsresultaten mee noteren: m², dm², cm², km². (meten) Hoofdstuk 2 een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen 2.1.1: De leerlingen kunnen kwalitatieve eigenschappen bij zichzelf, bij anderen, bij voorwerpen (kleur, geur, smaak, gevoel, geluid, vorm, ) verwoorden. (meten) 2.1.4: De leerlingen kunnen meer dan twee objecten classificeren steunend op een combinatie van twee kwalitatieve eigenschappen. (meten)

78 ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven Leerplandoelen wiskunde (getallen meetkunde meten) die gelden voor de vijf thema s uit het dagelijkse leven : De leerlingen kunnen natuurlijke getallen lezen en noteren tot en let en Zij kunnen dat ook met kommagetallen (tot en met 3 cijfers na de komma. (getallen) : De leerlingen kunnen twee of meer getallen optellen: de natuurlijke getallen, som 1000; gelijknamige breuken; natuurlijke getallen, som > 1000; natuurlijk getal + kommagetal (of breuk/gemengd getal); kommagetal (of breuk/gemengd getal) + natuurlijk getal; kommagetal (of breuk/gemengd getal) + kommagetal (of breuk/gemengd getal; ongelijknamige breuken (gemengde getallen). (getallen) : De leerlingen kunnen twee of meer getallen van elkaar aftrekken: de natuurlijke getallen, som 1000; gelijknamige breuken; natuurlijke getallen, som > 1000; kommagetal natuurlijk getal; natuurlijk getal kommagetal (of breuk, gemengd getal); kommagetal (of breuk/gemengd getal) kommagetal (of breuk/gemengd getal); ongelijknamige breuken (gemengde getallen). (getallen) : De leerlingen kunnen twee of meer getallen met elkaar vermenigvuldigen: natuurlijke getallen 100; product 1000; natuurlijke getallen; product 1000; natuurlijk getal x kommagetal (ook < 1) (of breuk/gemengd getal); kommagetal (ook <1) (of breuk/gemengd getal) x natuurlijk getal; kommagetal (ook <1) (of bruk) x kommagetal (ook <1) (of breuk). (getallen) : De leerlingen kunnen twee getallen door elkaar delen: natuurlijke getallen, quotiënt, deler en deeltal 1000, zonder rest (560 : 10 /560 : 100 / 450 : 9/ 336 : 7 / 388 : 4 /.); natuurlijke getallen, quotiënt, deler en deeltal 1000, met rest (566 : 10 / 566 : 100 / 455 : 9 / 392 : 7 / 378: 4 /..); natuurlijke getallen delen door 1000, het quotiënt blijft een natuurlijk getal; natuurlijke getallen delen door 1000, het quotiënt wordt een kommagetal; kommagetallen delen door 10, 100; natuurlijke getallen delen door 25, 50, het quotiënt blijft een natuurlijk getal; natuurlijke getallen delen door 5, 25, 50, het quotiënt wordt een kommagetal; kommagetallen delen door 25, 50. (getallen) 1. Ohm (5 de ) / (6 de ): De leerlingen kunnen het begrip procent hanteren en het symbool % lezen en noteren. (getallen) : De leerlingen kunnen van een cirkelgrafiek (of sectordiagram) verwoorden dat: de oppervlakte van de cirkel het totaal aanduidt; de sectoren de delen of de

79 percentages van het geheel aanduiden. (getallen) / : De leerlingen kunnen van een cirkelgrafiek (of sectordiagram) verwoorden dat: de sectoren de delen of de percentages van het geheel aanduiden. (getallen) (5 de ) (6 de ): De leerlingen kunnen van een cirkeldiagram (of sectordiagram) kwantitatieve gegevens aflezen en met deze gegevens eenvoudige bewerkingen uitvoeren. (getallen) 2. Sapitacha? 2.1.1: De leerlingen kunnen kwalitatieve eigenschappen bij zichzelf, bij anderen, bij voorwerpen (kleur, geur, smaak, gevoel, geluid, vorm, ) verwoorden. (meten) : De leerlingen kennen volgende maateenheden en hun symbolen en kunnen daarmee meet- of berekeningsresultaten noteren: dm, mm, ton, dl, ml, m², dm², cm², km², m³, dm³, cm³ (cc). (meten) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen kennen, omwille van het systeem, het opbouwprincipe van de rij maateenheden voor lengte, inhoud, gewicht, oppervlakte en volume en kunnen daarbij de relatie leggen tussen de grootheid en de maateenheid. (meten) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen geven, door frequent meten, eenzelfde maat op verschillende manieren weer. Ze kunnen hun meetresultaten op verschillende manieren lezen en noteren; de voor- en nadelen van de verschillende notaties inzien en verwoorden; betekenisvolle herleidingen uitvoeren; op een zinvolle manier meetresultaten afronden. Ze kunnen daarbij aangeven dat maateenheid en maatgetal omgekeerd evenredig zijn. (meten) 3. Ek, do, teen (5 de ) / (6 de ): De leerlingen kunnen afkortingen noteren en gebruiken. Bv. Sec.; symbolen lezen: h, min, s, en (bv. 3u6 23 ) (meten) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen kennen de samenhang tussen de maateenheden: 1 minuut = 60 seconden / 1 seconde wordt tiendelig verdeeld (in 10den, 100sten, 1000sten). (meten) : De leerlingen kunnen zinvolle herleidingen van tijdsintervallen maken. (meten) 2.5.1: De leerlingen kunnen verwoorden in welke situatie (bv. De snelheid van de wind) de snelheid wordt uitgedrukt in: m per seconde. Ze kunnen dit lezen en noteren met afkortingen en symbolen: m/sec. (meten) 2.5.3: De leerlingen kunnen de relatie leggen tussen afstand (afgelegde weg), tijd en gemiddelde snelheid. Ze kunnen het ontbrekende gegeven berekenen wanneer twee elementen gegeven zijn (meten )

80 4. Vaanka, vaanka 2.1.1: De leerlingen kunnen kwalitatieve eigenschappen bij zichzelf, bij anderen, bij voorwerpen (kleur, geur, smaak, gevoel, geluid, vorm, ) verwoorden. (meten) 3.5.1: De kinderen kunnen op grond van een plaatsbeschrijving iets of iemand in de ruimte vinden. De complexiteit van de plaatsbeschrijving neemt toe met de leeftijd. (meetkunde) 3.5.2: De leerlingen kunnen van een reële ruimtelijke situatie een voorstelling maken: ze kunnen zich er een mentale voorstelling van maken en die beschrijven of selecteren. (meetkunde) 3.5.3: De leerlingen kunnen op een rooster, plattegrond of kaart coördinaten hanteren om een plaats aan te duiden of terug te vinden. De coördinaten bestaan uit enkele natuurlijke getallen. (meetkunde) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen kunnen op grond van een routebeschrijving de weg vinden in de realiteit en op de kaart de route aanduiden. Omgekeerd kunnen ze ook van een gevolgde weg of een route op kaart een wegbeschrijving geven. Ze kunnen ook met behulp van ene kaart de weg vinden in een niet-vertrouwde omgeving. (meetkunde) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen kunnen op grond van de legende, inclusief een schaalaanduiding, een verband leggen tussen een kaart en de realiteit. (meetkunde) 5. Kaam karna 1.3.5: De leerlingen kunnen op gestructureerd materiaal (bv. honderdveld) een percentage aanduiden en voorstellen. (getallen) (5 de ) / (6 de ): De leerlingen kunnen eenvoudige breuken, decimale 3 75 breuken, kommagetallen en procenten naar elkaar omzetten (bv. = = 0,75 = %). (getallen) 2.8.4: De leerlingen kunnen eenvoudige omrekeningstabellen voor vreemde munten lezen. Ze stelen daarbij vast dat de verhouding tussen verschillende valuta s (in tegenstelling tot bv. Lengtematen) niet vast is. (meten) Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.2 Gokken op water : De leerlingen kennen volgende maateenheden en hun symbolen en kunnen daarmee meet- of berekeningsresultaten mee noteren: l. (meten)

81 ACT.3 Waterverbruik(t) 1.5.3: De leerlingen gebruiken een natuurlijk getal als maatgetal, zowel bij nietconventionele als bij conventionele maateenheden (l, m, kg, ). (getallen) : De leerlingen kennen volgende maateenheden en hun symbolen en kunnen daarmee meet- of berekeningsresultaten mee noteren: l. (meten) ACT.5 work 1.2.2: De leerlingen kunnen natuurlijke getallen lezen en noteren tot en let en Zij kunnen dat ook met kommagetallen (tot en met 3 cijfers na de komma. (getallen) Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz 1.2.2: De leerlingen kunnen natuurlijke getallen lezen en noteren tot en let en Zij kunnen dat ook met kommagetallen (tot en met 3 cijfers na de komma. (getallen) : De leerlingen kunnen twee of meer getallen optellen natuurlijke getallen som > (getallen bewerkingen) : De leerlingen kunnen twee of meer getallen van elkaar aftrekken natuurlijke getallen > (getallen bewerkingen) 2.1.1: De leerlingen kunnen kwalitatieve eigenschappen bij zichzelf, bij anderen, bij voorwerpen (kleur, geur, smaak, gevoel, geluid, vorm, ) verwoorden. (meten) 3.5.1: De kinderen kunnen zichzelf, anderen en voorwerpen in de ruimte situeren aan de hand van volgende plaatsbepalende begrippen: in de buurt van, rechts van, links van, (meetkunde) Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander 2.1.1: De leerlingen kunnen kwalitatieve eigenschappen bij zichzelf, bij anderen, bij voorwerpen (kleur, geur, smaak, gevoel, geluid, vorm, ) verwoorden. (meten) ACT.2 Hoe gaat het verder? 2.1.1: De leerlingen kunnen kwalitatieve eigenschappen bij zichzelf, bij anderen, bij voorwerpen (kleur, geur, smaak, gevoel, geluid, vorm, ) verwoorden. (meten)

82 ACT.3 Ik en de wereld 1.2.2: De leerlingen kunnen natuurlijke getallen lezen en noteren tot en let en Zij kunnen dat ook met kommagetallen (tot en met 3 cijfers na de komma. (getallen) 2.1.1: De leerlingen kunnen kwalitatieve eigenschappen bij zichzelf, bij anderen, bij voorwerpen (kleur, geur, smaak, gevoel, geluid, vorm, ) verwoorden. (meten)

83 Leerplandoelen GO! 5 de leerjaar / 6 de leerjaar Niet-confessionele zedenleer leerplandoelen niet-confessionele zedenleer die gelden voor de gehele lesmap. 1.7 vrijheid van vereniging - positieve en negatieve aspecten van een groep leren kennen, inschatten en beoordelen om persoonlijke keuzes te kunnen maken. 3.4 media: TV, radio, kranten, tijdschriften, strips, computer - verschillende mediavormen leren kennen. 4.1 mijn gezin, mijn familie - verschillende samenlevingsvormen bij ons en in andere culturen leren kennen. 4.9 sociale opvoeding: ik naar de groep, de maatschappij, de wereld - de samenhang zien tussen het dagelijks leven en het maatschappelijk leven. 5.2 Beelden en beeldvorming - In staat zijn om de verschillende gezichtspunten te onderkennen in een toespraak, een krantenartikel, een radio- of televisie-uitzending. - Stereotiepe denkbeelden doorzien in de media, in contacten met individuen of groepen. - Beelden en informatie van verschillende bronnen kritisch beoordelen. - Nadenken over het belang van een juiste beeldvorming over anderen, (ander ras, huidskleur, geslacht, taal, religie, afkomst, handicap, ) - Leren kennis en verbeelding gebruiken om inzicht te krijgen in de levenswijze, het gedrag en de opvattingen van anderen. - Een positieve beeldvorming ontwikkelen over andere culturen. - Ervaren / inzien dat wat je waarneemt, niet altijd beantwoordt aan de werkelijkheid, dat die soms anders is dan ze lijkt. - Ervaren / inzien dat mensen eenzelfde situatie verschillend kunnen interpreteren en dat iemand eenzelfde situatie de ene keer anders kan beoordelen dan de andere keer.

84 5.3 een eigen cultuur (taal, leefgewoonten, feest, kunst, ) - kennismaken met andere culturen, zowel in de eigen gemeenschap als elders in de wereld. Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen 1.1 identiteit en de bescherming ervan. - weten dat leeftijd en omgeving (sociaal milieu) een belangrijke rol spelen in het kunnen ontwikkelen van zijn/haar identiteit, van zijn/haar persoonlijkheid. - weten dat ieder individu een eigen sociale en culturele identiteit heeft en afhankelijk is van het gezin waar het opgroeit. ACT.3 Een blik op India 5.3 een eigen cultuur (taal, leefgewoonten, feest, kunst, ) - kennismaken met andere culturen, zowel in de eigen gemeenschap als elders in de wereld. Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel 1.6 vrijheid van gedachte, geweten en levensbeschouwing - kennismaken met verschillende levensbeschouwingen in de wereld. 2.4 wonen en leefomgeving - verschillende woonvormen leren kennen. - weten dat wonen in een gezonde woning, in een leefbare woonomgeving een recht is. 3.6 vrije tijd - kinderen hebben recht op spel en ontspanning. - kennismaken met mogelijke vormen van vrijetijdsbesteding samen spelend leren - weten dat spelen een universeel gegeven is.

85 4.7 geld - het belang en de rol van geld in de maatschappij leren kennen. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas 1.1 identiteit en de bescherming ervan. - weten dat ieder individu een eigen sociale en culturele identiteit heeft en afhankelijk is van het gezin waar het opgroeit. 1.3 Gevoelens, gedachten en de uitdrukking ervan. - Factoren die gedachten en gevoelens beïnvloeden, leren kennen. ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen 1.1 identiteit en de bescherming ervan. - weten dat ieder individu een eigen sociale en culturele identiteit heeft en afhankelijk is van het gezin waar het opgroeit. 1.3 Gevoelens, gedachten en de uitdrukking ervan. - Factoren die gedachten en gevoelens beïnvloeden, leren kennen. 3.1 leren en onderwijs - weten dat vorming en onderwijs kansen bieden tot verdere ontwikkeling, verbetering en verdieping van samenlevingen. - weten dat het onderwijs bijdraagt tot de cognitieve, sociaal-emotionele, motorische en morele ontwikkeling. 4.9 Sociale opvoeding: Ik naar de groep, de maatschappij, de wereld. - Het begrip onderlinge afhankelijkheid leren kennen. ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven 1. Ohm (godsdienst) 1.1 identiteit en de bescherming ervan. - weten dat ieder individu een eigen sociale en culturele identiteit heeft en afhankelijk is van het gezin waar het opgroeit. 1.6 vrijheid van gedachte, geweten en levensbeschouwing.

86 - kennismaken met verschillende levensbeschouwingen in de wereld. - In staat zijn respect te hebben voor de mening, de overtuiging van anderen. 2. Sapitacha (voedsel) 2.1 recht op leven - overlevingsrechten (gezond eten en drinken, onderdak, medische zorgen) leren kennen. 3. Ek, do, teen (school) 3.1 leren en onderwijs - kinderen hebben recht op onderwijs - weten dat het onderwijs bijdraagt tot de cognitieve, sociaal-emotionele, motorische en morele ontwikkeling. - weten dat niet alle kinderen naar school kunnen gaan en waarom. - oorzaken en gevolgen leren kennen van gebrek aan onderwijs en vorming. - weten dat vorming en onderwijs kansen bieden tot verdere ontwikkeling, verbetering en verdieping van samenlevingen. 4. Vaanka, vaanka (wonen) 2.4 wonen en leefomgeving - verschillende woonvormen leren kennen. - weten dat wonen in een gezonde woning, in een leefbare woonomgeving een recht is. 5. Kaam karna (beroepen) 4.6 arbeid werk - het begrip arbeid of werk kunnen invullen. - De onderlinge afhankelijkheid en wisselwerking van verschillende vormen van arbeid in de maatschappij leren inzien. - Zich leren inleven in de werksituatie van andere mensen. - Leren respect tonen voor het werk dat mensen leveren (zowel thuis, als buitenshuis).

87 Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt 1.4 Een mening vormen en uiten. - Om je mening te vormen is kennis en informatie nodig. - Verschillende manieren leren kennen om je mening te uiten. 2.5 Mens en natuur - Inzicht verwerven in de relatie milieu en ontwikkeling / welvaart en welzijn. ACT.2 Gokken op water 2.5 Mens en natuur - Inzicht verwerven in de relatie milieu en ontwikkeling / welvaart en welzijn. 4.6 Arbeid / werk - De onderlinge afhankelijkheid en wisselwerking van verschillende vormen van arbeid in de maatschappij leren inzien. - Zich leren inleven in de werksituatie van andere mensen. - Leren respect tonen voor het werk dat mensen leveren (zowel thuis, als buitenshuis). ACT.3 Waterverbruik(t) 1.3 Gevoelens, gedachten en de uitdrukking ervan. - Factoren die gedachten en gevoelens beïnvloeden, leren kennen. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder 1.3 Gevoelens, gedachten en de uitdrukking ervan. - Factoren die gedachten en gevoelens beïnvloeden, leren kennen. 2.3 Levensstandaard - Weten dat een bepaalde levensstandaard nodig is om waardig te kunnen leven en volwaardige kansen te krijgen om zich te ontplooien. 4.6 Arbeid / werk - De onderlinge afhankelijkheid en wisselwerking van verschillende vormen van arbeid in de maatschappij leren inzien. - Zich leren inleven in de werksituatie van andere mensen.

88 - Leren respect tonen voor het werk dat mensen leveren (zowel thuis, als buitenshuis). 4.9 Sociale opvoeding: Ik naar de groep, de maatschappij, de wereld. - Het begrip onderlinge afhankelijkheid leren kennen. ACT.5 work 1.4 Een mening vormen en uiten. - Om je mening te vormen is kennis en informatie nodig. - Verschillende manieren leren kennen om je mening te uiten. 2.3 Levensstandaard - Weten dat een bepaalde levensstandaard nodig is om waardig te kunnen leven en volwaardige kansen te krijgen om zich te ontplooien. 4.6 Arbeid / werk - De onderlinge afhankelijkheid en wisselwerking van verschillende vormen van arbeid in de maatschappij leren inzien. - Zich leren inleven in de werksituatie van andere mensen. - Leren respect tonen voor het werk dat mensen leveren (zowel thuis, als buitenshuis). 4.9 Sociale opvoeding: Ik naar de groep, de maatschappij, de wereld. - Het begrip onderlinge afhankelijkheid leren kennen. 7.7 Communicatie - Verschillende facetten van communicatie leren kennen: de intenties (bedoelingen, denken, voelen), de boodschap / code (zeggen, doen) het effect van de boodschap, de feedback. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz 1.1 identiteit en de bescherming ervan. - weten dat ieder individu een eigen sociale en culturele identiteit heeft en afhankelijk is van het gezin waar het opgroeit. 1.6 vrijheid van gedachte, geweten en levensbeschouwing. - kennismaken met verschillende levensbeschouwingen in de wereld.

89 - In staat zijn respect te hebben voor de mening, de overtuiging van anderen. 5.3 een eigen cultuur (taal, leefgewoonten, feest, kunst, ) - kennismaken met andere culturen, zowel in de eigen gemeenschap als elders in de wereld. ACT.3 Voorbereiding op het atelier 5.3 een eigen cultuur (taal, leefgewoonten, feest, kunst, ) - kennismaken met andere culturen, zowel in de eigen gemeenschap als elders in de wereld. Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander 1.3 Gevoelens, gedachten en de uitdrukking ervan. - Factoren die gedachten en gevoelens beïnvloeden, leren kennen. 1.6 vrijheid van gedachte, geweten en levensbeschouwing. - kennismaken met verschillende levensbeschouwingen in de wereld. - In staat zijn respect te hebben voor de mening, de overtuiging van anderen. 4.9 Sociale opvoeding: Ik naar de groep, de maatschappij, de wereld. - Het begrip onderlinge afhankelijkheid leren kennen. ACT.2 Hoe gaat het verder? 1.3 Gevoelens, gedachten en de uitdrukking ervan. - Factoren die gedachten en gevoelens beïnvloeden, leren kennen. 1.4 Een mening vormen en uiten. - Om je mening te vormen is kennis en informatie nodig. - Verschillende manieren leren kennen om je mening te uiten. 1.6 vrijheid van gedachte, geweten en levensbeschouwing. - kennismaken met verschillende levensbeschouwingen in de wereld. - In staat zijn respect te hebben voor de mening, de overtuiging van anderen. 2.5 Mens en natuur - Inzicht verwerven in de relatie milieu en ontwikkeling / welvaart en welzijn.

90 4.6 Arbeid / werk - De onderlinge afhankelijkheid en wisselwerking van verschillende vormen van arbeid in de maatschappij leren inzien. - Zich leren inleven in de werksituatie van andere mensen. - Leren respect tonen voor het werk dat mensen leveren (zowel thuis, als buitenshuis). ACT.3 Ik en de wereld 4.9 Sociale opvoeding: Ik naar de groep, de maatschappij, de wereld. - De wereld zien als een systeem waarin alle elementen (mensen, gebeurtenissen, ontwikkelingen, plaatsen) onderling verbonden zijn. - De samenhang zien tussen het dagelijkse leven en het maatschappelijk leven. - Het begrip onderlinge afhankelijkheid leren kennen.

91 Katholieke godsdienst Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen kinderen verzamelen bouwstenen waarmee mensen hun leven mooier en gelukkiger willen maken. o Aan de hand van enkele voorbeelden zien hoe mensen in andere culturen geluk nastreven Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen ervaren wat het is te dragen en gedragen te worden. o Stilstaan bij wat ze dragen of met zich meedragen in verschillende betekenissen van het woord: voorwerpen, kledij, mensen,

92 Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Vormen van anders zijn van mensen verkennen waarmee zij geconfronteerd worden. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen. o Leren omgaan met de moeilijkheden die kunnen voorkomen bij verschillen tussen mensen Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen. o Leren omgaan met de moeilijkheden die kunnen voorkomen bij verschillen tussen mensen.

93 Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven 1. Ohm (godsdienst) Kinderen zien in dat mensen in hun verhaaltradities en heilige boeken een godsdienstige kijk op het leven verwoorden en doorgeven Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen verkennen symbolen in verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen. o Ontdekken dat symbolen een grote rol spelen bij gelovige en niet gelovige mensen. 2. Sapitacha (voedsel) Kinderen ervaren de veelzijdige wijzen waarop mensen samen maaltijd houden. o Ontdekken hoe mensen bij een maaltijd niet alleen voedsel delen, maar ook ervaringen en verbondenheid, en op die manier leefgemeenschappen vormen. o Verkennen hoe mensen uit andere culturen maaltijd houden. 3. Ek, do, teen (school) Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking. o Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen. o Eigen gevoelens uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen Kinderen voelen zich uitgenodigd om zelf de verscheidenheid van mensen als een rijkdom te beleven. o Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeenkomst. o Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen.

94 4. Vaanka, vaanka (wonen) Gastvrijheid leren kennen als vorm van zorg dragen voor mensen in verschillende culturen en godsdiensten, via religieuze verhalen en gebruiken. 5. Kaam karna (beroepen) Kinderen ervaren wat het is te dragen en gedragen te worden. o Stilstaan bij wat ze dragen of met zich meedragen in verschillende betekenissen van het woord: voorwerpen, kledij, mensen, Kinderen ontdekken verscheidenheid in verband met geboorte en groei. o Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur, Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep. ACT.2 Gokken op water en ACT.3 Waterverbruik(t) Kinderen ervaren water als deugddoend en bedreigend. o Ervaren dat water levengevend en levensnoodzakelijk is voor elke mens: voedsel, groeikracht, reinigend, helend, o Beseffen dat water noodzakelijk is voor elk levend wezen Kinderen waarderen water als een kostbaar geschenk. o Er zich bewust van zijn dat niet ieder kind kan beschikken over water. o Hun waardering voor water uiten. o Weten wat de gevolgen zijn als mensen niet over voldoende water kunnen beschikken.

95 ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen confronteren zich ermee dat de weg naar geluk geen rechtlijnige vervulling kent Kinderen bespreken hoe mensen vanuit hun levens- of geloofsovertuiging zoeken om te gaan met grenzen. o Stilstaan bij levensgetuigenissen van mensen, bij wie grenservaringen soms leiden tot optimisme bij de enen en soms pessimisme bij anderen Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen. ACT.5 work Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen ook zijzelf in hun leven geluk nastreven. o Zien wat mensen rondom hen doen om gelukkig te zijn Kinderen confronteren zich ermee dat de weg naar geluk geen rechtlijnige vervulling kent Kinderen bespreken hoe mensen vanuit hun levens- of geloofsovertuiging zoeken om te gaan met grenzen.

96 o Stilstaan bij levensgetuigenissen van mensen, bij wie grenservaringen soms leiden tot optimisme bij de enen en soms pessimisme bij anderen Kinderen ontdekken waardoor mensen bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Aan de hand van enkele voorbeelden vaststellen en onderkennen hoe mensen beïnvloed en bewogen worden Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld. o Via verhalen en getuigenissen beluisteren waarom mensen zich aansluiten bij een groep, gemeenschap, vereniging, o Verwoorden wat het behoren tot de groep hen bijbrengt en welke bijdrage zij de groep leveren. o Formuleren wanneer en waarom het goed of niet goed gaat in een groep Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz Kinderen ontdekken dat er verschillen zijn tussen mensen. o Al spelend ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking o Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven. o De beleving en enkele rituelen van godsdiensten verkennen. o Kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven Kinderen verkennen hoe kinderen in verschillende culturen vieren dat zij groeien en dat zij mogen deelnemen aan belangrijke gebeurtenissen in hun leefgemeenschap Kinderen gaan na welke belangrijke momenten in het (en hun) leven gevierd worden bv. geboorte, verjaardag, huwelijk,

97 Kinderen ontdekken de betekenis van enkele religieuze feesten. Hoofdstuk Kinderen gaan op weg om stilaan zelf vorm te geven aan hun eigen leven met bouwstenen die ze als zinvol en waardevol ontdekken. o Zien dat hun eigen leven vorm krijgt in relatie en confrontatie met andere mensen Kinderen ontdekken waardoor mensen bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Aan de hand van enkele voorbeelden vaststellen en onderkennen hoe mensen beïnvloed en bewogen worden Kinderen verkennen bij zichzelf en bij elkaar waardoor ze bewogen worden en hoe ze in beweging komen. o Kunnen en durven uitspreken of duidelijk maken aan elkaar waardoor ze persoonlijk en/of samen in beweging komen Kinderen kunnen de aard van relaties tussen mensen onderscheiden Kinderen vormen zich een beeld van de mensenwereld zoals ze die ervaren en dromen Kinderen gaan op zoek naar drijfveren en mechanismen die de samenleving maken tot wat ze is. o Aan de hand van concrete voorbeelden zoeken welke drijfveren het samenleven van mensen bevorderen, bv. solidariteit, respect, rechtvaardigheid, Kinderen begrijpen dat ook zij aangesproken worden om zich te engageren voor de samenleving. o Tot het inzicht komen dat welvaart tot welzijn kan worden, wanneer mensen solidair zijn. o Ontdekken dat de droom van een betere wereld maar werkelijkheid kan worden doorheen overleg, afspraken, wetgeving, instellingen en diensten, o In gezamenlijk overleg zoeken welke houding zij kunnen of moeten aannemen tegenover bepaalde maatschappelijke situaties in hun omgeving Kinderen verwonderen zich erover hoezeer natuur, wetenschap en techniek onze leefwereld tekenen. o Aan de hand van voorbeelden bespreken hoe wetenschap en techniek evolueren als een antwoord op menselijke problemen en behoeften Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld.

98 Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen. o In getuigenissen van geëngageerde mensen lezen of horen wat hen beweegt: verontwaardiging, protest, gevoeligheid voor iets, innerlijke dwang, o Ontdekken dat engagement weerstand en ontgoocheling kan teweegbrengen, zowel bij zichzelf als bij anderen.

99 Wereldoriëntatie Leerplandoelen wereldoriëntatie die gelden voor de gehele lesmap. Leerplandoelen rond samenwerking, plannen en klasorde [1]: (SV 1.2): Tonen in hun omgang met anderen respect en waardering (SV 1.5): Een taak binnen de groep op een verantwoordelijke wijze oppakken (SV 3): Samenwerken met anderen in de groep, zonder onderscheid van sociale achtergrond, geslacht of etnische origine (SV 1.5): Bij groepstaken leiding geven en onder leiding van een medeleerling meewerken (ET 5.1 / ET 5.3): Bij groepswerk een gegeven opdracht volgens taakverdeling en tijdsplanning uitvoeren (ET 5.1 / ET 5.3): Een planning bijsturen als die niet klopt of niet haalbaar blijkt (ET 5.1 / ET 5.3): De tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende activiteit realistisch inschatten : Aangeven dat er binnen de eigen groep afspraken nodig zijn : Afspraken maken over aspecten van het werk of het samenleven in de groep en deze vastleggen in pictogrammen of tekst : Opkomen voor eigen rechten en de rechten van anderen en actief naleven en bewaken van de eigen plichten van anderen op het niveau van het samenleven in de klas en de school. Leerplandoelen rond diversiteit en het eigen leven vergelijken met dat van anderen [2]: : Gelijkenissen en verschilpunten met betrekking tot levenswijze tussen henzelf en mensen uit een andere cultuur verwoorden (ET 4.8): Op een positieve manier omgaan met verschillen in leefgewoontes en cultuur : Verschillen en overeenkomsten tussen eigen leefwijze en leefwijze van mensen in ontwikkelingslanden verwoorden : Zich inleven in de leefwereld van leeftijdsgenoten in ontwikkelingslanden Illustreren met voorbeelden dat er in een land, waar ook ter wereld, een grote verscheidenheid is aan leefwijzen naargelang de woonplaats (stad platteland, klimaatzone), socio-economische situatie (rijk arm), levensbeschouwing

100 (ET 6.9): Aspecten van het dagelijks leven in onze streken vergelijken met het dagelijks leven in een land met duidelijk verschillende geografische kenmerken (bv. transport in het hooggebergte, wonen en werken in een woestijnachtige streek, culturele aspecten, ) Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.1 Het postpakket [2] ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen [1] & [2] (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat mensen meestal tot verschillende groepen behoren en verwoorden tot welke groepen ze zelf behoren (ET 5.5): Eigen ervaringen situeren op een levenslijn, waarbij de chronologie gerespecteerd wordt (ET 5.5): Op de levenslijn geboortejaar en huidig jaar aanduiden en verwoorden (ET 5.5): De eigen levenslijn vergelijken met deze van een klasgenoot en hierbij gelijkenissen en verschillen aangeven. ACT.3 Een blik op India [1] (ET 6.15): De voor- en nadelen van mogelijke alternatieven voor de wagen aangeven (ET 6.15): Het meest geschikte vervoersmiddel kiezen voor een bepaalde verplaatsing : Minstens volgende landen situeren op de wereldkaart: Australië, Brazilië, India, China, de Verenigde Staten, Canada, Congo, Japan en Rusland.

101 Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.1 Speluitleg [1] ACT.2 Treinspel [1] & [2] (ET 4.6*): Zich bereid tonen om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en te evalueren (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat mensen meestal tot verschillende groepen behoren en verwoorden tot welke groepen ze zelf behoren (ET 4.8): Gelijkenissen en verschilpunten met betrekking tot levensbeschouwing tussen henzelf en een ander verwoorden : Op een positieve manier omgaan met verschillen in levensbeschouwing (ET 4.8): Illustreren zonder waardeoordeel dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten (ET 4.4): Illustreren met voorbeelden dat de welvaart op wereldvlak ongelijk verdeeld is : Enkele voorbeelden geven van oorzaken van ongelijke welvaartverdeling op wereldvlak : Verschillen onderscheiden in geluid, geur, kleur, smaak en voelen (ET 1.01): Gericht waarnemen met alle zintuigen en die waarnemingen op een systematische wijze noteren (ET 1.12): Kenmerken opsommen van het eigen klimaat (gematigd zeeklimaat) en enkele andere klimaattypes (bijv. zeeklimaat, woestijnklimaat, tropisch klimaat, polair klimaat ) en hun invloed op mens en natuur verwoorden (ET 6.1): Ruimtebegrippen gebruiken om relaties te duiden tussen op allerei kaarten en/of de globe voorgestelde elementen : Minstens volgende landen situeren op een wereldkaart: Australië, Brazilië, India, China, de Verenigde Staten, Canada, Congo, Japan en Rusland : De gevolgen van het groeiend autogebruik aangeven (ET 6.15): De voor- en nadelen van mogelijke alternatieven voor de wagen aangeven (ET 6.15): Het meest geschikte vervoersmiddel kiezen voor een bepaalde verplaatsing.

102 ACT.3 Evaluatie [2] (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat mensen meestal tot verschillende groepen behoren en verwoorden tot welke groepen ze zelf behoren. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas [2] (ET 4.6*): Zich bereid tonen om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en te evalueren (ET 5.1): Op een correcte wijze begrippen hanteren die verwijzen naar aanduidingen van tijd in actief taalgebruik; in leeftijdsgebonden en authentieke contexten (ET 5.1): Op een correcte wijze begrippen hanteren die verwijzen naar tijdsindeling in het actief taalgebruik; in leeftijdsgebonden en authentieke contexten : Periode (ET 5.2): Aangeven dat wanneer het bij ons nacht is, het op andere plaatsen dag kan zijn (tijd ruimterelatie) : Verwoorden dat hun tijdsbesteding gelijkenissen maar ook verschillen vertoont met die van kinderen uit andere samenlevingen : Illustreren dat tijdsbesteding mee bepaald wordt door normen en waarden, gebruiken, klimaat, (ET 6.9): Aspecten van het dagelijks leven in onze streken vergelijken met het dagelijks leven in een land met duidelijk verschillende geografische kenmerken (bv. transport in het hooggebergte, wonen en werken in een woestijnachtige streek, culturele aspecten, ). ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen [1] & [2] (ET 4.6*): Zich bereid tonen om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en te evalueren (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat mensen meestal tot verschillende groepen behoren en verwoorden tot welke groepen ze zelf behoren.

103 (ET 4.8): Gelijkenissen en verschilpunten met betrekking tot levensbeschouwing tussen henzelf en een ander verwoorden : Op een positieve manier omgaan met verschillen in levensbeschouwing (ET 4.8): Illustreren zonder waardeoordeel dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten (ET 5.1): Op een correcte wijze begrippen hanteren die verwijzen naar aanduidingen van tijd in actief taalgebruik; in leeftijdsgebonden en authentieke contexten (ET 5.1): Op een correcte wijze begrippen hanteren die verwijzen naar tijdsindeling in het actief taalgebruik; in leeftijdsgebonden en authentieke contexten (ET 5.2): Aangeven dat wanneer het bij ons nacht is, het op andere plaatsen dag kan zijn (tijd ruimterelatie) : Verwoorden dat hun tijdsbesteding gelijkenissen maar ook verschillen vertoont met die van kinderen uit andere samenlevingen : Illustreren dat tijdsbesteding mee bepaald wordt door normen en waarden, gebruiken, klimaat, (ET 6.9): Aspecten van het dagelijks leven in onze streken vergelijken met het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied. ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven 1. Ohm (godsdienst) [1] & [2] (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat de meeste mensen er nood aan hebben in groepsverband samen te leven en zich groeperen in verenigingen en organisaties rond een gezamenlijk thema (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat mensen meestal tot verschillende groepen behoren en verwoorden tot welke groepen ze zelf behoren (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat elke groep zijn eigen afspraken, regels, normen en waarden maakt (ET 4.8): Gelijkenissen en verschilpunten met betrekking tot levensbeschouwing tussen henzelf en een ander verwoorden : Op een positieve manier omgaan met verschillen in levensbeschouwing (ET 4.8): Illustreren zonder waardeoordeel dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten. 2. Sapitacha (voedsel) [1] & [2]

104 (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat elke groep zijn eigen afspraken, regels, normen en waarden maakt (ET 1.26*): Aantonen dat ze respect en zorg hebben voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu : Aangeven dat zaadplanten zich voortplanten door middel van zaden (ET 1.6): Aangeven dat planten beter groeien als ze gewied, besmest, worden : Enkele voorbeelden geven van producten en grondstoffen die afkomstig zijn van planten (ons voedsel, hout, rubber, kurk, ) (ET 1.6): Illustreren dat de mens de aanwezigheid van planten in zijn omgeving beïnvloedt (bijv. akkerbouw, tuinen, parken, bermen, poelen, vijvers, beken, ) (ET 1.5): Met voorbeelden illustreren dat planten aangepast zijn aan hun biotoop (veel of weinig licht, soort bodem ) en aan het klimaat (temperatuur, neerslag ) (ET 1.16): Aangeven dat voeding als energiebron nodig is voor de ontwikkeling, de instandhouding en het functioneren van organismen (ET 1.17): Verwoorden dat voedingsgewoontes gezond of ongezond kunnen zijn (bij. Niet eenzijdig, met mate, regelmaat ) (ET 1.16 / ET 1.17): Aangeven dat een evenwichtige voeding nodig is om te groeien, te bewegen en goed te functioneren. 3. Ek, do, teen (school) [1] & [2] (ET 5.1): Op een correcte wijze begrippen hanteren die verwijzen naar aanduidingen van tijd in actief taalgebruik; in leeftijdsgebonden en authentieke contexten (ET 5.1): Op een correcte wijze begrippen hanteren die verwijzen naar tijdsindeling in het actief taalgebruik; in leeftijdsgebonden en authentieke contexten (ET 5.2): Aangeven dat wanneer het bij ons nacht is, het op andere plaatsen dag kan zijn (tijd ruimterelatie) (OD 5.2): Delen van de dag associëren met al dan niet typische activiteiten (OD 5.1 / OD 5.2): Verwoorden hoe een dag (etmaal) is ingedeeld (ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht) : De verschillende activiteiten van de dag beschrijven en chronologisch ordenen met behulp van de daglijn : De verschillende activiteiten van de dag beschrijven en chronologisch ordenen zonder visuele steun.

105 : Verwoorden dat hun tijdsbesteding gelijkenissen maar ook verschillen vertoont met die van kinderen uit andere samenlevingen : Illustreren dat tijdsbesteding mee bepaald wordt door normen en waarden, gebruiken, klimaat, 4. Vaanka, vaanka (wonen) [1] & [2] (ET 5.8): Enkele actuele toestanden en gebeurtenissen relateren aan het verleden (ET 6.1): Ruimtebegrippen gebruiken om relaties te duiden op allerlei kaarten en/of de globe voorgestelde elementen (ET 6.3 bis): De begrippen provincie, land, gemeenschap en gewest in de juiste context gebruiken : Aangeven dat menselijke ingrepen het landschap kunnen schaden, in stand houden of bevorderen. 5. Kaam karna (beroepen) [1] & [2] : Voorbeelden opsommen van bezigheden van hen bekende volwassenen en aangeven wat de rol en het belang ervan is voor de samenleving (ET 4.1): Met eigen woorden verklaren hoe het komt dat sommige mensen geen (betaalde) arbeid verrichten (ET 4.1): Illustreren met eigen voorbeelden dat er ook onbetaalde arbeid is (ET 4.1): Illustreren met eigen voorbeelden dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen (ET 4.1): Illustreren met eigen voorbeelden dat werken en niet werken en verschillende vormen van arbeid verschillend gewaardeerd worden (ET 4.8): Illustreren zonder waardeoordeel dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten : Verwoorden gevoelens bij eigen ervaringen m.b.t. waardering van anderszijn, afwijzing en uitsluiting : Illustreren met eigen voorbeelden welke mechanismen ervoor zorgen dat in de eigen (klas)groep kinderen soms uitgesloten worden (ET 4.12): Met eigen voorbeelden illustreren wat stereotypen en vooroordelen zijn en er voorbeelden van geven uit de eigen omgeving en media (ET 4.12): Illustreren met eigen voorbeelden hoe stereotypen en vooroordelen oorzaak kunnen zijn van discriminatie.

106 : Uitleggen waar geld vandaan komt (werken) en waar geld heen gaat (uitgeven, sparen) (ET 1.26*): Aantonen dat ze respect en zorg hebben voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu (SV 1.2): Waardering uitdrukken en respect tonen voor het werk van mensen uit hun omgeving. ACT.4 Voorstelling in de klas [1] & [2] Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt [2] (ET 4.1): Met eigen woorden verklaren hoe het komt dat sommige mensen geen (betaalde) arbeid verrichten (ET 1.12): Kenmerken opsommen van het eigen klimaat (gematigd zeeklimaat) en enkele andere klimaattypes (bv. zeeklimaat, woestijnklimaat, tropisch klimaat, polair klimaat, ) en hun invloed op mens en natuur verwoorden. ACT.2 Gokken op water [2] : Binnen hun eigen mogelijkheden actiegerichte oplossingen voor problemen in de samenleving en de wereld verwoorden (ET 1.26*): Aantonen dat ze respect en zorg hebben voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu (ET 1.12): Kenmerken opsommen van klimaattypes en hun invloed op mens en natuur verwoorden (ET 2.6 / ET 7): Van veel voorkomende technische systemen illustreren hoe ze ondermeer gebaseerd zijn op de kennis van natuurlijke verschijnselen. (elektrische pomp moesson).

107 ACT.3 Waterverbruik(t) [2] (ET 1.12): Kenmerken opsommen van klimaattypes en hun invloed op mens en natuur verwoorden. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder [2] (ET 1.26*): Aantonen dat ze respect en zorg hebben voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu (ET 1.12): Kenmerken opsommen van klimaattypes en hun invloed op mens en natuur verwoorden. ACT.5 work [1] & [2] (SV 1.2): Waardering uitdrukken en respect tonen voor het werk van mensen uit hun omgeving : Voorbeelden opsommen van bezigheden van hen bekende volwassenen en aangeven wat de rol en het belang ervan is voor de samenleving : Binnen hun eigen mogelijkheden actiegerichte oplossingen voor problemen in de samenleving en de wereld verwoorden : Met voorbeelden uit de eigen ervaring illustreren hoe men als individu of als groep kan participeren aan solidariteitsacties en wat het nut en het effect hiervan is. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.1 Speluitleg [1] ACT.2 Feestquiz [1] & [2]

108 (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat de meeste mensen er nood aan hebben in groepsverband samen te leven en zich groeperen in verenigingen en organisaties rond een gezamenlijk thema (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat mensen meestal tot verschillende groepen behoren en verwoorden tot welke groepen ze zelf behoren (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat elke groep zijn eigen afspraken, regels, normen en waarden maakt (ET 4.8): Gelijkenissen en verschilpunten met betrekking tot levensbeschouwing tussen henzelf en een ander verwoorden : Op een positieve manier omgaan met verschillen in levensbeschouwing (ET 4.8): Illustreren zonder waardeoordeel dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten. Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander [2] (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat de meeste mensen er nood aan hebben in groepsverband samen te leven en zich groeperen in verenigingen en organisaties rond een gezamenlijk thema (ET 3.7*): Illustreren met eigen voorbeelden dat mensen meestal tot verschillende groepen behoren en verwoorden tot welke groepen ze zelf behoren : Aangeven dat menselijke ingrepen het landschap kunnen schaden, in stand houden of bevorderen (ET 6.9): Aspecten van het dagelijkse leven in onze streken vergelijken met het dagelijkse leven in een land met duidelijk verschillende geografische kenmerken (bv. transport in het hooggebergte, wonen en werken in een woenstijnachtige streek, culturele aspecten, ). ACT.2 Hoe gaat het verder? [1] & [2] : Binnen hun eigen mogelijkheden actiegerichte oplossingen voor problemen in de samenleving en de wereld verwoorden : Met voorbeelden uit de eigen ervaring illustreren hoe men als individu of als groep kan participeren aan solidariteitsacties en wat het nut en het effect hiervan is.

109 : Aangeven dat de ordelijke bepaaldheid restricties inhoudt over wat er in een bepaald gebied is toegelaten (bv. bouwovertredingen in een natuurgebied, ) : Aangeven dat menselijke ingrepen het landschap kunnen schaden, in stand houden of bevorderen. ACT.3 Ik en de wereld [1] & [2] : Gevoelens verwoorden n.a.v. feiten en toestanden in de wereld via het volgen van de actualiteit in de media : Eigen meningen verwoorden n.a.v. feiten en toestanden in de wereld via het volgen van de actualiteit in de media (ET 1.26*): Aantonen dat ze respect en zorg hebben voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu.

110 Muzische opvoeding Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan. MUZIEK 2.1: Actief luisteren naar geluiden en muziek. 2.3: Openstaan voor hedendaagse muziek, muziek uit andere tijden, andere landen en culturen. DRAMA 3.3: Geconcentreerd luisteren naar een gesproken tekst (verteld of voorgelezen) en die mondeling, schriftelijk, beeldend of dramatisch weergeven. 3.4: Spelvormen in een sociale en maatschappelijke context hanteren. MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan. MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen. ATTITUDE 6.5: Respect tonen voor uitingen van leeftijdsgenoten, behorend tot eigen en andere culturen.

111 ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan. MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen. ACT.4 Voorstelling in de klas BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan. 1.6: Tactiele, visuele impressies, ervaringen, gevoelens en fantasieën op een beeldende manier weergeven. MUZIEK 2.3: Openstaan voor hedendaagse muziek, muziek uit andere tijden, andere landen en culturen. DRAMA 3.7: Genieten van, praten over en kritisch staan tegenover het eigen spel en dat van anderen, de keuze van spelvormen, onderwerpen, de beleving. MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen. ATTITUDE 6.4: Vertrouwen op hun eigen expressiemogelijkheden en durven hun creatieve uitingen tonen. Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan.

112 MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen. ACT.2 Gokken op water MUZIEK 2.1: Actief luisteren naar geluiden en muziek. DRAMA 3.3: Geconcentreerd luisteren naar een gesproken tekst. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan. MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen. ACT.5 work BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan. MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan. 1.6: Tactiele, visuele impressies, ervaringen, gevoelens en fantasieën op een beeldende manier weergeven.

113 MUZIEK 2.3: Openstaan voor hedendaagse muziek, muziek uit andere tijden, andere landen en culturen. 2.4: Genieten van zingen en musiceren en dit gebruiken als impuls voor nieuwe muzikale spelideeën of andere aanverwante expressiewijzen. BEWEGING 4.1: Genieten van lichaamstaal, beweging en dans. 4.4: Bewegen op een creatieve manier en daarbij één of meerdere basiselementen van de beweging bespelen. MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen. ATTITUDE 6.3: Genieten van het muzisch handelen waardoor hun expressiemogelijkheden verruimen. Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander BEWEGING 4.4: Bewegen op een creatieve manier en daarbij één of meerdere basiselementen van de beweging bespelen. ACT.2 Hoe gaat het verder? BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan. DRAMA 3.3: Geconcentreerd luisteren naar een gesproken tekst (verteld of voorgelezen) en die mondeling, schriftelijk, beeldend of dramatisch weergeven. 3.4: Spelvormen in een sociale en maatschappelijke context hanteren. MEDIA 5.2: Ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid kan oproepen.

114 ACT.3 Ik en de wereld BEELD 1.3: De beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan.

115 Nederlands Leerplandoelen Nederlands die gelden voor de gehele lesmap. (4.1.1).1.2.1: Waarnemend luisteren. (4.1.1) : Begrijpen en achterhalen van informatie uit voor hen bestemde multimediale bronnen. (4.1.1).2.1: Een positieve bereidheid aan de dag leggen om: belangstelling te tonen voor wat de ander zegt; de ander te begrijpen naar zijn bedoeling; te reflecteren op taal, taalgebruik en eigen luistergedrag; luisterconventies na te leven. (4.1.1).2.2: Plezier en zin hebben in luisteren naar anderen om het eigen weten, denken en voelen te stimuleren. (4.1.1).2.3: Voldoende weerbaar zijn om het beluisterde te toetsen aan eigen inzichten. (4.1.2).1.2.2: Inschatten en interpreteren van de communicatieve situatie en in functie daarvan passend taalgebruik kiezen. (4.1.2).2.1: Informatie, ervaringen, gedachten, gevoelens, meningen en standpunten uitwisselen. (4.1.2).2.2: Vragen beantwoorden. (4.1.2)2.4: Vragen stellen. (4.1.2).4.1: Spreekdurf d.w.z. een positieve bereidheid om het woord te voeren. (4.1.2).4.3: Een positieve houding ten overstaan van na te leven gespreksconventies, o.m. het gebruik van het Standaardnederlands in functionele gesprekssituaties. (4.1.2).4.4: Respect voor de gesprekspartners. (4.1.2).4.5: Plezier en zin in het spreken met anderen. (4.1.2).4.6: Voldoende weerbaarheid om voor de eigen mening op te komen. (4.2).1.3: Alle geschikte tekstgenres waarmee de leerlingen zowel in als buiten de school in aanraking komen, correct lezen. (4.2).5.4: Zich voldoende weerbaar opstellen om bij het lezen de verkregen informatie aan zijn eigen mening en kennis te toetsen. (4.2).5.6: Bereid zijn om zich in te leven in de boodschap van de schrijver, in de personages en de situaties in jeugdliteratuur, dialogen, toneelstukjes, gedichten. (4.3.1).4.5: Bereid zijn tot zelfcontrole en gerichtheid op de precisie in de formulering. (4.3.2).2.1: Kennis en inzichten i.v.m. spelling laten functioneren bij het schrijven van frequent voorkomende woorden.

116 (4.3.3).3.1: Respect voor de schrijfvaardigheid van andere personen tonen. (4.4).1.2: Nadenken over gebruikte strategieën bij het luisteren, spreken, lezen en schrijven. (4.4).3.1: Bereid zijn over eigen en andermans taalgebruik na te denken. Instap kennismaking met de Indiase kinderen ACT.1 Het postpakket (4.1.1).1.2.1: Waarnemend luisteren. (4.3.1).1.2: Ervaren dat geschreven en andere visuele boodschappen expressiemiddelen zijn om te communiceren. (4.4).1.1: Nadenken over factoren die een rol spelen in taalgebruikssituaties. ACT.2 Kennismaking met de Indiase kinderen (4.1.1).1.1.2: Oproepen van eigen kennis met betrekking tot het onderwerp. (4.1.1) : Voor hen bestemde informatie uit multimediale bronnen op een persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen. (4.2).4.2: Zijn gevoelens omtrent de tekst verwoorden in termen van interesse, opwinding, verveling, vrees, amusement. (4.3.3).2.6: Kinderen zien in dat het handschrift ook een persoonlijke dimensie geeft aan een geschreven boodschap. (4.4).1.1: Nadenken over factoren die een rol spelen in taalgebruikssituaties. ACT.3 Een blik op India (4.3.3).2.9: Kinderen zien in dat er in andere culturen ook andere lettervormen of andere schriftsystemen gebruikt worden. Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.1 Speluitleg (4.1.1).1.2.1: Waarnemend luisteren. ACT.2 Treinspel (4.1.1).1.1.2: Oproepen van eigen kennis met betrekking tot het onderwerp. (4.2).2.1.1: Betekenis van woorden/begrippen uit de tekst achterhalen.

117 Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.1 Diversiteit in de eigen klas (4.1.1).1.1.2: Oproepen van eigen kennis met betrekking tot het onderwerp. ACT.2 Dagverloop van de Indiase kinderen (4.1.1).1.1.2: Oproepen van eigen kennis met betrekking tot het onderwerp. (4.1.1) : Voor hen bestemde informatie uit multimediale bronnen op een persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen. (4.2).4.2: Zijn gevoelens omtrent de tekst verwoorden in termen van interesse, opwinding, verveling, vrees, amusement. (4.3.3).2.6: Kinderen zien in dat het handschrift ook een persoonlijke dimensie geeft aan een geschreven boodschap. (4.4).1.1: Nadenken over factoren die een rol spelen in taalgebruikssituaties. ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven (4.2).2.1.1: Betekenis van woorden/begrippen uit de tekst achterhalen. (4.3.3).2.9: Kinderen zien in dat er in andere culturen ook andere lettervormen of andere schriftsystemen gebruikt worden. 3. Ek, do, teen (school) (4.3.3).2.9: Kinderen zien in dat er in andere culturen ook andere lettervormen of andere schriftsystemen gebruikt worden. ACT.4 Voorstelling in de klas (4.1.1).1.1.2: Oproepen van eigen kennis met betrekking tot het onderwerp. (4.1.1).1.1.3: Kiezen van een geschikte luisterwijze in functie van het onderwerp, de tekstsoort, de relatie met de spreker, de situatie, (4.1.1).1.4.2: Reflecteren op communicatieve elementen. (4.1.2).1.1.1: Zich oriënteren op het spreken door de communicatieve situatie te analyseren. (4.1.2).1.1.2: Genereren van ideeën en verzamelen van informatie uit directe waarneming en beleving. (4.1.2).1.1.3: Selecteren van informatie op basis van publiek en situatie (4.1.2).1.1.4: Ordenen van informatie. (4.1.2).1.3.1: Duidelijk en expressief spreken.

118 (4.2).3.2.4: Hoofd- en bijzaken onderscheiden. (4.2).3.2.5: Relevante informatie selecteren en markeren met betrekking tot het leesdoel en met betrekking tot de eigen voorkennis. (4.2).3.2.8: Zelf schematiseren in verschillende modellen. (4.3.1).2.1.3: Materiaal verzamelen door waarneming en associatie. (4.3.3).2.6: Kinderen zien in dat het handschrift ook een persoonlijke dimensie geeft aan een geschreven boodschap. (4.4).1.1: Nadenken over factoren die een rol spelen in taalgebruikssituaties. Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt (4.2).2.2.7: De essentie van een tekst achterhalen en formuleren. (4.2) : Het mogelijk vervolg van de tekst voorspellen. (4.2).4.3: Uiting geven van sympathie of antipathie tegenover personages en situaties in de tekst. ACT.2 Gokken op water (4.4).1.1: Nadenken over factoren die een rol spelen in taalgebruikssituaties. ACT.4 Het verhaal van Mani gaat verder (4.2).4.3: Uiting geven van sympathie of antipathie tegenover personages en situaties in de tekst. ACT.5 work (4.2).2.2.1: Informatie die letterlijk in de tekst voorkomt, herkennen en reproduceren. (4.2).4.16: Teksten aanvullen of herschrijven. (4.3.1).3.1: Overschrijven van schriftelijk aangeboden informatie. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.1 Speluitleg (4.1.1).1.2.1: Waarnemend luisteren. (4.2).4.2: Zijn gevoelens omtrent de tekst verwoorden in termen van interesse, opwinding, verveling, vrees, amusement.

119 ACT.2 Feestquiz (4.1.1) : Voor hen bestemde informatie uit multimediale bronnen op een persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen. (4.1.2).3.1: Ervaringen, ideeën, gevoelens, fantasieën uiten met expressie van stem, mimiek en gebaar. (4.2).2.1.1: Betekenis van woorden/begrippen uit de tekst achterhalen. Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander (4.2).4.3: Uiting geven van sympathie of antipathie tegenover personages en situaties in de tekst. (4.2).4.4: het verhaal met eigen woorden navertellen. ACT.2 Hoe gaat het verder? (4.1.1) : Voor hen bestemde informatie uit multimediale bronnen op een persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen. (4.2).4.4: het verhaal met eigen woorden navertellen. (4.4).1.1: Nadenken over factoren die een rol spelen in taalgebruikssituaties. ACT.3 Ik en de wereld (4.2).4.2: Zijn gevoelens omtrent de tekst verwoorden in termen van interesse, opwinding, verveling, vrees, amusement.

120 Wiskunde Hoofdstuk 1 Met de trein door India ACT.2 Treinspel (4.2.10) : De gemiddelde temperatuur voor een bepaalde periode kunnen berekenen. (4.4.1) (4.4.1) (4.4.1) : Het kunnen toepassen van de ontdekte relaties in levensechte situaties, ook buiten de leersituatie. Hoofdstuk 2 Een dag uit het leven van Nandini, Aiden en Cheyten ACT.3 Vijf thema s uit het dagelijkse leven leerplandoelen wiskunde die gelden voor de vijf thema s uit het dagelijkse leven. (4.1.1) (4.1.1) (4.1.1) : Naargelang van de probleemstelling een passende keuze kunnen maken tussen hoofdrekenen, bewerkingsschema s, de zakrekenmachine of een combinatie hiervan. (4.1.2) (4.1.2).1.39 (4.1.2) : Het resultaat kunnen bepalen door optimaal te profiteren van de kennis en inzichten in verband met de getalstructuren, de getalrelaties, de samenhang en de eigenschappen van bewerkingen die op dat ogenblik reeds verworven zijn. (4.1.2) (4.1.2) (4.1.2) : De geleerde begrippen, inzichten en procedures met betrekking tot getallen efficiënt kunnen hanteren in betekenisvolle toepassingssituaties zowel binnen als buiten de klas. (4.1.2) (4.1.2) (4.1.2) : Met concrete voorbeelden uit de eigen leefwereld kunnen aangeven welke de rol en het praktisch nut is van wiskunde in de maatschappij. (4.2.12) (4.2.12) (4.2.12) : Allerlei problemen met kwantitatieve aspecten uit de eigen leefwereld leren oplossen. De klemtoon ligt hier op oplossingsmethoden, d.w.z. een aantal algemene vaardigheden die de leerlingen kunnen helpen om de juiste oplossing van een probleem te vinden. (4.4.1) (4.4.1) (4.4.1) : Problemen kunnen oplossen met één of meerdere opeenvolgende handelingen die verwijzen naar de hoofdbewerking.

121 (4.4.1) (4.4.1) (4.4.1) : Het kunnen toepassen van de ontdekte relaties in levensechte situaties, ook buiten de leersituatie. Cruciale vragen zijn hier: Over welke grootheden gaat het hier? Welke relaties bestaan er hier over die grootheden? Welke relaties moet ik gebruiken om het probleem te kunnen oplossen? (4.4.1) (4.4.1) (4.4.1) : Het kunnen hanteren van algemeen bruikbare oplossingsmethodes en houdingen, waarvan de toepassingsmogelijkheden niet beperkt blijven tot de wiskunde, zoals: de vraag centraal stellen, hypothesen formuleren en controleren, materialiseren of schematiseren, de gegevens chronologisch ordenen, samenhorende gegevens ordenen, omstructureren, elimineren van overtollige gegevens in functie van de vraag, het probleem opdelen in deelproblemen, gericht zijn op het zoeken van partiële problemen, gericht zijn op controle, (4.5.1) (4.5.1) (4.5.1) : Waardering opbrengen voor wiskunde als dimensie van menselijke inventiviteit. (4.5.1) (4.5.1) (4.5.1) : Een kritische houding ontwikkelen ten aanzien allerlei cijfermateriaal, tabellen en berekeningen die bewust of onbewust gebruikt worden om mensen te informeren, te overtuigen, te misleiden, (4.5.1) (4.5.1) (4.5.1) : Ervaren dat bezig zijn met wiskunde een actief en constructief proces is, dat kan groeien en uitbreiden als gevolg van eigen denk- en leeractiviteiten. (4.5.1) (4.5.1) (4.5.1) : De opvattingen ontwikkelen dat wiskundige bekwaamheid naar studies en beroepen kan leiden waarin wiskunde aan bod komt. (4.5.1) (4.5.1) (4.5.1) : Bereid zijn verstandige zoekstrategieën aan te wenden die helpen bij het aanpakken van wiskundige problemen met betrekking tot getallen, ruimtelijke oriëntatie en meetkunde. (4.5.1) (4.5.1) (4.5.1) : Bereid zijn zichzelf vragen te stellen over hun aanpak voor, tijdens en na het oplossen van een wiskundig probleem en op basis hiervan hun aanpak bijsturen. 1. Ohm (godsdienst) (4.1.1) : De begrippen miljoen, miljard, kunnen gebruiken. (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren. (4.1.1) : Een procent van een getal kunnen berekenen en omgekeerd. (4.1.1) : De symbolen., / en % kunnen gebruiken.

122 2. Sapitacha (voedsel) (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren. (4.1.2) : Inzien op welke manier een product verandert als één of meerdere factoren met een getal vermenigvuldigd of door een getal gedeeld worden. (4.1.2) : Natuurlijke en kommagetallen (max. 3 cijfers na de komma) met een natuurlijk getal kleiner dan 1000 (max. 2 cijfers na de komma) kunnen vermenigvuldigen. (4.2.4) : Vetrekkend vanuit een zinvolle context, gegeven of bekomen meetresultaten uitdrukken in een passende maateenheid: hl, dal, l, dl, cl, ml. (4.2.4) : De verhoudingen tussen opeenvolgende maten kunnen gebruiken (niet-opeenvolgende maten tot zinvolle verhoudingen beperken). (4.2.5) : Vetrekkend vanuit een zinvolle context, gegeven of bekomen meetresultaten uitdrukken in een passende maateenheid: ton, kg, hg, dag, g, dg, cg, mg. (4.2.5) : De verhoudingen tussen opeenvolgende maten kunnen gebruiken (niet-opeenvolgende maten tot zinvolle verhoudingen beperken). (4.2.5) : De meetresultaten kunnen noteren (gebruik makend van de symbolen). (4.2.12) : De voorvoegsels kilo, hecto, deca, deci, centi, milli kunnen gebruiken. 3. Ek, do, teen (school) (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren. (4.1.1) : Natuurlijke getallen op een as kunnen afbeelden en omgekeerd de waarde van een getal kunnen afleiden uit zijn plaats op een as. (4.1.2) : Inzien op welke manier een product verandert als één of meerdere factoren met een getal vermenigvuldigd of door een getal gedeeld worden. (4.1.2) : Natuurlijke en kommagetallen (max. 3 cijfers na de komma) met een natuurlijk getal kleiner dan 1000 (max. 2 cijfers na de komma) kunnen vermenigvuldigen. (4.2.1) : De verhoudingen tussen opeenvolgende maten kunnen gebruiken (niet-opeenvolgende maten tot zinvolle verhoudingen beperken). (4.2.9) : Een tijdsduur in een gepaste tijdseenheid kunnen uitdrukken: uur, kwartier, minuut, seconde; dag, week, maand, jaar, trimester, semester, eeuw. (4.2.12) : De voorvoegsels kilo, hecto, deca, deci, centi, milli kunnen gebruiken.

123 4. Vaanka, vaanka (wonen) (4.3.1) : Objecten met behulp van een coördinatenrooster kunnen lokaliseren. 5. Kaam karna (beroepen) (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren. (4.1.1) : De breuk als verhouding kunnen gebruiken. (4.1.1) : Breuken gelijknamig kunnen maken in functie van het optellen, het aftrekken en het ordenen. (4.1.1) : Breuken kunnen vereenvoudigen in functie van de bewerkingen of in functie van het meedelen van een resultaat. (4.1.1) : Breuken in procenten kunnen omzetten en eenvoudige procenten kunnen lezen, noteren, ordenen en op een getallenas plaatsen. (4.1.1) : Procenten in breuken kunnen omzetten. (3.1.1) : Een procent van een getal kunnen berekenen en omgekeerd. (4.1.2) : De symbolen., / en % kunnen gebruiken. (4.1.2) : Inzien op welke manier een product verandert als één of meerdere factoren met een getal vermenigvuldigd of door een getal gedeeld worden. (4.1.2) : Ongelijknamige breuken kunnen optellen en aftrekken. (4.1.2) : Een eenvoudig kommagetal en een eenvoudige breuk kunnen optellen of aftrekken. (4.1.2) : Een natuurlijk getal met een breuk kunnen vermenigvuldigen. (4.1.2) : Een breuk met een breuk kunnen vermenigvuldigen. (4.1.2) : Een breuk door een natuurlijk getal kunnen delen. (4.2.8) : Met behulp van een waardentabel van vreemde munten een prijs in buitenlands munt, in eigen munt kunnen omzetten en omgekeerd. Hoofdstuk 3 Het verhaal van Mani ACT.1 Mani raakt zijn grond kwijt (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren. ACT.3 Waterverbruik(t) (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren.

124 (4.2.4) : De conventionele inhoudsmaten aan inhouden uit hun ervaringswereld kunnen koppelen en ze kunnen gebruiken bij het schatten van inhouden (l). (4.2.4) : Vertrekkend vanuit een zinvolle context, gegeven of bekomen meetresultaten uitdrukken in een passende maateenheid. ACT.5 work (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren. Hoofdstuk 4 Feesten ACT.2 Feestquiz (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren. (4.1.1) : Een aantal kunnen tellen. (4.1.2) : Handelingen die verwijzen naar de vier hoofdbewerkingen zoals bijvoegen, wegnemen, vermeerderen, verminderen, verdelen, kunnen verwoorden. (4.1.2) : Binnen de getallenrij tot : Alle optellingen met natuurlijke getallen en kommagetallen kunnen uitvoeren. (4.3.1) : Een aantal essentiële ruimtelijke begrippen zoals in, op, boven, onder, voor, achter, tussen, naast, rondom, rechts, links, correct in een betekenisvolle context begrijpen en kunnen gebruiken. Hoofdstuk 5 Even terugblikken ACT.1 Ik en de ander (4.4.1) (4.4.1) (4.4.1) : Het kunnen toepassen van de ontdekte relaties in levensechte situaties, ook buiten de leersituatie. ACT.2 Hoe gaat het verder? (4.4.1) (4.4.1) (4.4.1) : Het kunnen toepassen van de ontdekte relaties in levensechte situaties, ook buiten de leersituatie.

125 ACT.3 Ik en de wereld (4.1.1) : Natuurlijke getallen met maximum 12 cijfers kunnen lezen en noteren. (4.4.1) (4.4.1) (4.4.1) : Het kunnen toepassen van de ontdekte relaties in levensechte situaties, ook buiten de leersituatie.

Leerplan VVKBaO. Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden. Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen

Leerplan VVKBaO. Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden. Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen 2014 2015 Leerplan VVKBaO Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen THOMAS MORE KEMPEN VORSELAAR INHOUDSOPGAVE 1 Wereldoriëntatie...

Nadere informatie

leerplandoelen derde cyclus 1 Dit overzicht lijst alle leerplandoelen van de derde cyclus op.

leerplandoelen derde cyclus 1 Dit overzicht lijst alle leerplandoelen van de derde cyclus op. Dit overzicht lijst alle leerplandoelen van de derde cyclus op. Je kan dit overzicht gebruiken om je jaarplan godsdienst op te bouwen. Op de bijhorende gele blaadjes van het leerplan lees je concreet welke

Nadere informatie

Leerplan OVSG. Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden. Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen

Leerplan OVSG. Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden. Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen 2014 2015 Leerplan OVSG Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen THOMAS MORE KEMPEN VORSELAAR INHOUDSOPGAVE 1 Wereldoriëntatie...

Nadere informatie

Beide vakken godsdienst en wereldoriëntatie handelen vaak over dezelfde thema s. Daardoor is het dikwijls aangewezen om projectmatig te werken.

Beide vakken godsdienst en wereldoriëntatie handelen vaak over dezelfde thema s. Daardoor is het dikwijls aangewezen om projectmatig te werken. Godsdienst en wereldoriëntatie Beide vakken godsdienst en wereldoriëntatie handelen vaak over dezelfde thema s. Daardoor is het dikwijls aangewezen om projectmatig te werken. Om dat mogelijk te maken worden

Nadere informatie

Deze les voor Saved by the bell (lager onderwijs) voldoet aan meerdere eindtermen. Een aantal eindtermen zijn gebundeld in onderstaande lijst.

Deze les voor Saved by the bell (lager onderwijs) voldoet aan meerdere eindtermen. Een aantal eindtermen zijn gebundeld in onderstaande lijst. Eindtermen Deze les voor Saved by the bell (lager onderwijs) voldoet aan meerdere eindtermen. Een aantal eindtermen zijn gebundeld in onderstaande lijst. Op de volgende bladzijden hebben we ook enkele

Nadere informatie

Leerplan GO! Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden. Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen

Leerplan GO! Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden. Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen 2014 2015 Leerplan GO! Verbondenheid door middel van rituelen tijdens speciale gelegenheden Jenthé Adriaens, Elise Buts & Sharis Vertommen THOMAS MORE KEMPEN VORSELAAR INHOUDSOPGAVE 1 Wereldoriëntatie...

Nadere informatie

Catechese 1 ste leerjaar (Tuin van Heden.nu)

Catechese 1 ste leerjaar (Tuin van Heden.nu) Catechese 1 ste leerjaar (Tuin van Heden.nu) Mag ik zijn wie ik ben? De leerlingen uit welke thuis, cultuur of geloofsovertuiging ze ook komen voelen zich benaderd, aanvaard, uitgedaagd en bemind als iemand

Nadere informatie

ATTITUDINALE DOELEN VOOR DE KLEUTERSCHOOL Klas : Schooljaar : Thema's I II III trimester

ATTITUDINALE DOELEN VOOR DE KLEUTERSCHOOL Klas : Schooljaar : Thema's I II III trimester ATTITUDINALE DOELEN VOOR DE KLEUTERSCHOOL Klas : Schooljaar : Thema's I II III trimester 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Positieve ingesteldheid 1 zich emotioneel goed voelen 2 zich als persoon iets

Nadere informatie

SOCIALE VAARDIGHEDEN: contactsleutels

SOCIALE VAARDIGHEDEN: contactsleutels SOCIALE VAARDIGHEDEN: contactsleutels We gebruiken op school voor het 4 de, 5 de en 6 de leerjaar de handleiding CONTACTSLEUTELS van uitgeverij De Sleutel. Kenmerken van Contactsleutels: Elk leerjaar beschikt

Nadere informatie

Muzische opvoeding. Muzikale opvoeding. klas: doelen deelleerplan VSKO 1999

Muzische opvoeding. Muzikale opvoeding. klas: doelen deelleerplan VSKO 1999 Muzische opvoeding Muzikale opvoeding klas: doelen deelleerplan VSKO 1999 1. Het kind musiceert met klank en muziek 3 1.1 Musiceren en experimenteren met de stem, met aandacht voor een goed stemgebruik

Nadere informatie

KOKEN IN DE KLAS. hoekenfiche. Algemeen: DOELEN en ASPECTEN

KOKEN IN DE KLAS. hoekenfiche. Algemeen: DOELEN en ASPECTEN KOKEN IN DE KLAS hoekenfiche In deze hoekenfiche vindt u de belangrijkste ontwikkelingsaspecten en de leerplandoelen van wereldoriëntatie en Nederlands. Die zijn geordend in drie groepen: algemeen bij

Nadere informatie

Onderwijskundige doelen

Onderwijskundige doelen Onderwijskundige doelen Het materiaal van Dit Ben Ik in Brussel beoogt vooral het positief omgaan met diversiteit. Daarom is het ook logisch dat heel wat doelen van het Gelijke Onderwijskansenbeleid aan

Nadere informatie

BIJLAGE 3 DE LEERPLANNEN EN RELATIONELE EN

BIJLAGE 3 DE LEERPLANNEN EN RELATIONELE EN BIJLAGE 3 DE LEERPLANNEN EN RELATIONELE EN SEKSUELE VORMING In deze bijlage maken we de vergelijking tussen de Ontwikkelingsdoelen uit het Ontwikkelingsplan van de katholieke kleuterschool en de doelen

Nadere informatie

OBSERVATIELIJST van de MUZISCHE ONTWIKKELING Van kleuters IN 5 CATEGORIEËN

OBSERVATIELIJST van de MUZISCHE ONTWIKKELING Van kleuters IN 5 CATEGORIEËN OBSERVATIELIJST van de MUZISCHE ONTWIKKELING Van kleuters IN 5 CATEGORIEËN Mijn muzisch enthousiasme Mijn muzische durf en creativiteit Mijn relatie met en begrip van de kunsttalen Mijn muzische expressie

Nadere informatie

EINDTERMENTABEL OVERZICHT. Flos en Bros werkboekjes. x x. x x x x x. x x x. Werkboekje blz e Leerjaar 6 e Leerjaar

EINDTERMENTABEL OVERZICHT. Flos en Bros werkboekjes. x x. x x x x x. x x x. Werkboekje blz e Leerjaar 6 e Leerjaar 5 e Leerjaar 6 e Leerjaar EINDTERMENTABEL OVERZICHT Flos en Bros werkboekjes Tandenmuzeum De mondgazt Dagboek v/e tandenborstel Gezonde start in de mond - Suiker Verzin een supersmoes Tanden de wereld

Nadere informatie

Doelen relationele vorming

Doelen relationele vorming Doelen relationele vorming RV 1 Kinderen hebben vertrouwen in zichzelf RV 1.1. Ontdekken dat ieder uniek is. RV 1.2. Zich bewust worden van hun eigen kwetsbaarheid en ermee kunnen omgaan. RV 1.3. Eigen

Nadere informatie

Workshop. Vogels in je tuin

Workshop. Vogels in je tuin Workshop Vogels in je tuin * Info rond vogels voederen in de winter. De leerlingen lezen deze tekst op voorhand, als voorbereiding! * Voederbal en voederfles maken. * Vogelquiz als afsluiter Voederflessen

Nadere informatie

Arrangement: Sport en spel

Arrangement: Sport en spel Rooms-katholieke Godsdienst RKgs RKgs Openkomen voor geloofstaal, symboliek en rituelen (RKgs) liggen en een nieuw begin maakt. Ontdekken wat verrijzenis kan betekenen in het leven van mensen en mogelijk

Nadere informatie

Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur

Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur Rooms-katholieke Godsdienst RKve Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur voor de keuzes die men maakt. Verschillende vormen van verstilling, meditatie, KLEUTER: verbondenheid

Nadere informatie

Doelenlijst Relationele Vorming in de Basisschool in combinatie met de IK-zinnen

Doelenlijst Relationele Vorming in de Basisschool in combinatie met de IK-zinnen Doelenlijst Relationele Vorming in de Basisschool in combinatie met de IK-zinnen RV 1 Kinderen hebben vertrouwen in zichzelf. RV1.1 RV1.2 RV1.3 RV1.4 Ontdekken dat iedereen uniek is. Ik heb door dat iedereen

Nadere informatie

Workshop. Timmeren. - de oppervlakte van de plank berekenen, en de oppervlakte van het binnenwerk berekenen: basis x hoogte

Workshop. Timmeren. - de oppervlakte van de plank berekenen, en de oppervlakte van het binnenwerk berekenen: basis x hoogte Workshop Timmeren Leerlingen krijgen als voortaak (thuis oplossen) het plan, en dan samen bespreken en controleren in de workshop: - ontbrekende getallen invullen. Hiervoor zetten ze eerst best alles in

Nadere informatie

Arrangement: Dag klas, dag school! Tot ziens!

Arrangement: Dag klas, dag school! Tot ziens! Rooms-katholieke Godsdienst RKve Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur (RKve) de andere. Zich laten inspireren door de wijze waarop Jezus met anderen omgaat en oproept

Nadere informatie

Schuilt er een onderzoeker in jou?

Schuilt er een onderzoeker in jou? Schuilt er een onderzoeker in jou? Bijlage: Lesdoelen en leerplandoelen INHOUD 1 Eerste kennismaking met Inagro en zijn activiteiten... 3 1.1 Lesdoelen... 3 1.2 Leerplandoelen... 3 1.2.1 Leerplan wereldoriëntatie

Nadere informatie

BIJLAGE 2 RELATIONELE EN SEKSUELE VORMING IN DE LEERPLANNEN. Inleiding. verwijst naar ontwikkelingsaspecten uit het OWP

BIJLAGE 2 RELATIONELE EN SEKSUELE VORMING IN DE LEERPLANNEN. Inleiding. verwijst naar ontwikkelingsaspecten uit het OWP BIJLAGE 2 RELATIONELE EN SEKSUELE VORMING IN DE LEERPLANNEN Inleiding In alle leerplannen en in het Ontwikkelingsplan voor de Katholieke Basisschool zitten aspecten van relationele vorming verwerkt. Soms

Nadere informatie

ET 1.1. De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren.

ET 1.1. De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren. Wereldoriëntatie ET 1.1. De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren. NATUUR ET 1.6 De leerlingen kunnen illustreren dat de mens

Nadere informatie

Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur

Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur Rooms-katholieke Godsdienst RKve Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur christelijke scheppingsspiritualtiteit betekent in het leven van mensen en. KLEUTER: verbondenheid

Nadere informatie

Leerdoelen en kerndoelen

Leerdoelen en kerndoelen Leerdoelen en kerndoelen De leerdoelen in de leerlijn vallen in het leerdomein Oriëntatie op jezelf en de wereld. Naast de gebruikelijke natuur en milieukerndoelen (kerndoelen 39, 40 en 41) zijn ook de

Nadere informatie

Cijfers en letters. Zelfstandig spelen. Ontmoeten

Cijfers en letters. Zelfstandig spelen. Ontmoeten Cijfers en letters Zelfstandig spelen Schrijfhoekje: ( MO ) 45 kleinmotorisch bewegen Met allerlei schrijfmaterialen experimenteren op verschillende soorten papier < een juiste pengreep nadoen bij het

Nadere informatie

eindtermen basisonderwijs

eindtermen basisonderwijs STAM op schoolmaat eindtermen basisonderwijs inhoudstafel 1. inleiding...3 2. leergebied overschrijdende eindtermen...3 2.1. ICT...3 2.2. sociale vaardigheden...3 3. eindtermen leergebieden...4 3.1. muzische

Nadere informatie

Eén, twee, drie en rust.

Eén, twee, drie en rust. Rooms-katholieke Godsdienst RKve Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur voor de keuzes die men maakt. Verschillende vormen van verstilling, meditatie, KLEUTER: verbondenheid

Nadere informatie

Lijst van de gebruikte leerplannen binnen het katholiek onderwijs

Lijst van de gebruikte leerplannen binnen het katholiek onderwijs Lijst van de gebruikte leerplannen binnen het katholiek onderwijs 1. Specifiek voor het kleuteronderwijs: (Ook de ander leerplannen gelden voor het kleuteronderwijs) November 2008 Ontwikkelingsplan nieuw

Nadere informatie

Uitbreiding: ingaan op een actueel conflict (uit de kleine of de grote wereld).

Uitbreiding: ingaan op een actueel conflict (uit de kleine of de grote wereld). Bi-ba-Bijbel-oe 8+ LEERPLANDOELEN Kaïn en Abel 5.2.2.1 Vergeving en verzoening, p. 138 kinderen ontdekken wat vergeving en verzoening in de Bijbel inhouden. zich inleven in andere verhalen over vergeving

Nadere informatie

Workshop. Vriendschapsbandjes

Workshop. Vriendschapsbandjes Workshop Vriendschapsbandjes Opzet: Vriendschapsbandjes in macramé met pareltjes aan. (Idee uit het boekje Eigentijds macramé, Margriet Kors en Gina Lambers, Cantecleer, 2002, ISBN 90 213 3201 9) pagina

Nadere informatie

3 LEERPLANDOELEN. De katholieke basisschool stelt zich als algemeen streefdoel voor mediaopvoeding:

3 LEERPLANDOELEN. De katholieke basisschool stelt zich als algemeen streefdoel voor mediaopvoeding: 3 LEERPLANDOELEN Algemeen streefdoel De katholieke basisschool stelt zich als algemeen streefdoel voor mediaopvoeding: De leerlingen kunnen op een behendige, zelfredzame en kritische manier participeren

Nadere informatie

Overlegfiche: Onthaal

Overlegfiche: Onthaal Overlegfiche: Onthaal Klas: Laatste overleg: 14/09/2018 ONDERDELEN EN DOELEN Onderdeel Namen noteren Ontwikkelingsdomeinen Positieve ingesteldheid Ontwikkelings-aspecten + leerplandoelen 2,5-jarigen 3-jarigen

Nadere informatie

Pedagogische Begeleidingsdienst Basisonderwijs GO! wereldoriëntatie

Pedagogische Begeleidingsdienst Basisonderwijs GO! wereldoriëntatie & Pedagogische Begeleidingsdienst Basisonderwijs GO! wereldoriëntatie E HO DIT T RK AL E W ITA? G I D IER H CA mens & maatschappij specifieke visie van leerlijn naar methodiek van methodiek naar leerlijn

Nadere informatie

Eindtermen: Activiteiten + 6 jaar The Outsider Vlaamse Ardennen

Eindtermen: Activiteiten + 6 jaar The Outsider Vlaamse Ardennen Eindtermen: Activiteiten + 6 jaar The Outsider Vlaamse Ardennen 1. Kids Adventure: - Kids-moeras, blote voetenpad, estafettes, kano s, lage tarzans, speleobox Eindtermen wereldoriëntatie (WO) WO mens en

Nadere informatie

Sint-Nicolaas, de bisschop van Myra

Sint-Nicolaas, de bisschop van Myra Rooms-katholieke Godsdienst RKve Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur Zich gedragen weten door, verbonden met en aangesproken door gemeenschappen dichtbij en veraf; ontdekken

Nadere informatie

EINDTERMEN en ONTWIKKELINGSDOELEN Zoektocht in het Maascentrum. A. Eindtermen voor het basisonderwijs vanaf 01/09/2010

EINDTERMEN en ONTWIKKELINGSDOELEN Zoektocht in het Maascentrum. A. Eindtermen voor het basisonderwijs vanaf 01/09/2010 EINDTERMEN en ONTWIKKELINGSDOELEN Zoektocht in het Maascentrum Derde graad LO A. Eindtermen voor het basisonderwijs vanaf 01/09/2010 Lichamelijke opvoeding Motorische competenties 1.1 De motorische basisbewegingen

Nadere informatie

Lokaliseren situeren van plaatsen op een landkaart (in een beperkt of ruim kader).

Lokaliseren situeren van plaatsen op een landkaart (in een beperkt of ruim kader). De volgende vakken komen aan bod Aardrijkskunde Maatschappelijke vorming (MAVO) Nederlands Godsdienst Niet-conventionele zedenleer LEERDOELSTELLINGEN LESFICHE C Door aan de slag te gaan met lesfiche C

Nadere informatie

Doelen van de school Methoden / materialen Relatie met de kerndoelen. Constructiemateriaal. Poppenhoekmateriaal. Ongevormd materiaal.

Doelen van de school Methoden / materialen Relatie met de kerndoelen. Constructiemateriaal. Poppenhoekmateriaal. Ongevormd materiaal. Bijlage 2 Ordening van de inhoud van het onderwijs WERKEN MET ONTWIKKELINGSMATERIAAL Over een grote mate van begripsvorming en ruimtelijk inzicht beschikken en dit laatste ook in het platte vlak kunnen

Nadere informatie

leerlijn muzische 2de, 3de en 4de leerjaar.xls 1 van 10 Werken aan een degelijk en samenhangend onderwijsaanbod

leerlijn muzische 2de, 3de en 4de leerjaar.xls 1 van 10 Werken aan een degelijk en samenhangend onderwijsaanbod 1. Intensief gebruik maken van alle zintuigen Ik kan geconcentreerd kijken, beluisteren, betasten, smaken, ruiken. Ik sta open voor muzische prikkels van buitenaf en neem de tijd om ze op mij te laten

Nadere informatie

Timing: 50 min. Graad: 1-2. Leerplandoelen: VVKBAO:

Timing: 50 min. Graad: 1-2. Leerplandoelen: VVKBAO: Graad: 1-2 Timing: 50 min. Leerplandoelen: VVKBAO: WO TE 6.18 Kinderen kunnen met techniek omgaan in verschillende toepassingsgebieden. WO TE 6.18.1 Dat houdt in dat ze technische realisaties uit verschillende

Nadere informatie

Visie pastoraal in Monsheide

Visie pastoraal in Monsheide Visietekst pastoraal in Monsheide I. Inleiding Onze christelijke levensbeschouwing, ontleend aan de stichtende Congregatie Sint-Vincentius à Paulo, trachten wij een eigentijdse invulling te geven. Vanuit

Nadere informatie

Eindtermen: Activiteiten + 10 jaar The Outsider Vlaamse Ardennen

Eindtermen: Activiteiten + 10 jaar The Outsider Vlaamse Ardennen Eindtermen: Activiteiten + 10 jaar The Outsider Vlaamse Ardennen 1. Teambuilders, Kajak & Kano, Laser battle Eindtermen wereldoriëntatie (WO) WO mens en maatschappij: ik en mezelf ik en de ander ik en

Nadere informatie

Klasbezoek bibliotheek 2de-3de kleuter

Klasbezoek bibliotheek 2de-3de kleuter Klasbezoek bibliotheek 2de-3de kleuter De bib is een bos. In groep volgen we een spoor van blaadjes langs verschillende plaatsen in de bib. We leren het reglement kennen en aan de hand van voorwerpen ontdekken

Nadere informatie

Arrangement 1: Een steengoed schooljaar

Arrangement 1: Een steengoed schooljaar Arrangement : Een steengoed schooljaar Rooms-katholieke Godsdienst RKvm Vertrouwen en wantrouwen, mogelijkheden en beperkingen in ontmoeting treden met het christelijk geloven in een liefhebbende God.

Nadere informatie

VISIE. Met opvoeden en onderwijzen beogen leerkrachten de harmonische ontplooiing van de totale persoon.

VISIE. Met opvoeden en onderwijzen beogen leerkrachten de harmonische ontplooiing van de totale persoon. Met opvoeden en onderwijzen beogen leerkrachten de harmonische ontplooiing van de totale persoon. OPVOEDEN en LEREN is gebaseerd op een draagvlak van STEUNEN, STUREN EN STIMULEREN: Om binnen de grenzen

Nadere informatie

WO-NAT De leerlingen nemen gericht waar met al hun zintuigen. WO-NAT De leerlingen noteren hun waarnemingen op een systematische wijze.

WO-NAT De leerlingen nemen gericht waar met al hun zintuigen. WO-NAT De leerlingen noteren hun waarnemingen op een systematische wijze. Leerplandoelen OVSG Wereldoriëntatie Natuur WO-NAT-01.04 De leerlingen nemen gericht waar met al hun zintuigen. WO-NAT-01.06 De leerlingen noteren hun waarnemingen op een systematische wijze. WO-NAT-07.05

Nadere informatie

Eindtermen en leerdoelen WO

Eindtermen en leerdoelen WO Eindtermen en leerdoelen WO 1. Eindtermen In functie van gezondheidsopvoeding beoogt het project te werken aan verscheidene eindtermen: Eindtermen wereldoriëntatie (geldig vanaf 01/09/2010) Wereldoriëntatie

Nadere informatie

1.1. Kennis en inzicht in verband met het historisch referentiekader

1.1. Kennis en inzicht in verband met het historisch referentiekader 1. Kennis en Inzicht 1.1. Kennis en inzicht in verband met het historisch referentiekader 1. verduidelijken de begrippen generatie, decennium, eeuw, millenium aan de hand van historische evoluties, vertrekkend

Nadere informatie

Korte inhoud van de thema s

Korte inhoud van de thema s Korte inhoud van de thema s 1. Sporen uit het verleden In dit thema stappen de leerlingen in een teletijdmachine en flitsen ze door tijd en ruimte naar verschillende historische periodes. In die periodes

Nadere informatie

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Algemene vorming op het einde van de derde graad secundair onderwijs Voor de sociale

Nadere informatie

Workshop. Vlijmscherp!

Workshop. Vlijmscherp! Workshop Vlijmscherp! Opzet : Verschillend snijmateriaal leren kennen en verantwoord kunnen omgaan met een keukenmes, een aardappelmesje en een scherp mes met tandjes. (De leerlingen hebben vooraf reeds

Nadere informatie

Eindtermen Nederlands lager onderwijs

Eindtermen Nederlands lager onderwijs Eindtermen Nederlands lager onderwijs Bron: www.ond.vlaanderen.be/dvo 1 Luisteren De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in: 1.1 een voor hen bestemde mededeling

Nadere informatie

Soorten gezinnen. 2. Vakgebied en vakonderdeel: Wereldoriëntatie / Godsdienst. Eerste graad Tweede graad Derde graad 1 2 3 4 5 6

Soorten gezinnen. 2. Vakgebied en vakonderdeel: Wereldoriëntatie / Godsdienst. Eerste graad Tweede graad Derde graad 1 2 3 4 5 6 Soorten gezinnen 1. Thema: Diversiteit 2. Vakgebied en vakonderdeel: Wereldoriëntatie / Godsdienst 3. Doelgroep Eerste graad Tweede graad Derde graad 1 2 3 4 5 6 4. Duur: 50 min. 5. Doelen Eindtermen Wereldoriëntatie:

Nadere informatie

De peuterklas van. Basisdoelstellingen en ontwikkelingsdoelen Gemeenschapsonderwijs

De peuterklas van. Basisdoelstellingen en ontwikkelingsdoelen Gemeenschapsonderwijs De peuterklas van A tot Z Basisdoelstellingen en ontwikkelingsdoelen DPKL00H_DOELLIJST-GO.indd 1 20-01-2010 09:16:59 DPKL00H_DOELLIJST-GO.indd 2 20-01-2010 09:16:59 De peuterklas van A tot Z Inleiding

Nadere informatie

Keurmerk: Duurzame school

Keurmerk: Duurzame school Keurmerk: Duurzame school Doorlopende leerlijn voor duurzame ontwikkeling van basisonderwijs (PO) t/m voortgezet onderwijs (VO) PO-1 Kennis en inzicht (weten) Vaardigheden (kunnen) Houding (willen) Begrippen

Nadere informatie

Het leven leren. De theorie en visie achter het levo lesmateriaal

Het leven leren. De theorie en visie achter het levo lesmateriaal Het leven leren De theorie en visie achter het levo lesmateriaal Waar gaat kaderdocument Het leven leren (2003) over? De levensbeschouwelijke ontwikkeling èn beroepsethische vorming van onderwijsdeelnemers

Nadere informatie

Nederlands. Mondeling onderwijs

Nederlands. Mondeling onderwijs Nederlands Mondeling onderwijs - Kerndoel 1: De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven. Gebruik

Nadere informatie

Leerplandoelen Drama (GO)

Leerplandoelen Drama (GO) Leerplandoelen Drama (GO) 1ste graad 3.1 De leerlingen kunnen door kijken naar, inspelen op en zelf spelen, plezier beleven aan eenvoudige dramatische situaties. a. toneelvoorstellingen of poppentheater

Nadere informatie

Voorstel van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO

Voorstel van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO Voorstel van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO Voorstel van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO Onderdeel van de eindrapportage

Nadere informatie

Overzicht rapportmodule

Overzicht rapportmodule Overzicht rapportmodule zoals steeds: alles is aanpasbaar in de maintenance module. Bepaal zelf Uw vakonderdelen - punten - periodes - maatregelen...enz. Zachte evaluatie: bepaal de leergebieden en vragen,

Nadere informatie

Doelenlijst G-start voor VVKBaO

Doelenlijst G-start voor VVKBaO 1 1. OVER -START -start is een CTO-uitgave over het stimuleren van geletterdheid bij jonge kinderen (2,5 tot 7 jaar). -start is een boek vol achtergrondinformatie en concreet uitgewerkte activiteiten.

Nadere informatie

Bijlage 20 Zelfassessment adequaat samenwerken met ouders

Bijlage 20 Zelfassessment adequaat samenwerken met ouders Bijlage 20 Zelfassessment adequaat samenwerken met ouders Deze bijlage hoort bij hoofdstuk 4.9 en 4.11. Dit zelfassessment is ontwikkeld door Barbara de Boer, adviseur bij CPS. Zij maakte daarbij gebruik

Nadere informatie

PERSOONSGEBONDEN ONTWIKKELING DOELENKAARTEN

PERSOONSGEBONDEN ONTWIKKELING DOELENKAARTEN PERSOONSGEBONDEN ONTWIKKELING DOELENKAARTEN 2017-09-15 1 Zich engageren in vriendschap en relatie, daar deugd aan beleven en zich daarover uitdrukken. 2 De verscheidenheid van mensen als een rijkdom ervaren

Nadere informatie

Workshop voorbereiden Authentieke instructiemodel

Workshop voorbereiden Authentieke instructiemodel Workshop voorbereiden Authentieke instructiemodel Workshop voorbereiden Uitleg Start De workshop start met een echte, herkenbare en uitdagende situatie. (v.b. het is een probleem, een prestatie, het heeft

Nadere informatie

basiscompetenties 3de graad beeldende en audiovisuele kunsten

basiscompetenties 3de graad beeldende en audiovisuele kunsten basiscompetenties 3de graad beeldende en audiovisuele kunsten 1 CONCORDANTIETABEL Basiscompetenties 3de graad beeldende en audiovisuele kunsten Concordantie tussen: - de specifieke basiscompetenties voor

Nadere informatie

Enkele krachtlijnen voor kwalitatieve muzische vorming MUZISCHE GRONDHOUDING ONTWIKKELEN MUZISCHE EXPRESSIEVORMEN ONTDEKKEN

Enkele krachtlijnen voor kwalitatieve muzische vorming MUZISCHE GRONDHOUDING ONTWIKKELEN MUZISCHE EXPRESSIEVORMEN ONTDEKKEN Enkele krachtlijnen voor kwalitatieve muzische vorming Kristof Dupont [email protected] MUZISCHE GRONDHOUDING ONTWIKKELEN MUZISCHE EXPRESSIEVORMEN ONTDEKKEN 1 KRACHTLIJNEN Ontplooien unieke persoon

Nadere informatie

Algemene lessen. Les 6: Poppenkast

Algemene lessen. Les 6: Poppenkast Algemene lessen Les 6: Poppenkast Lestitel: Poppenkast Leerdomein: muzische opvoeding Lesduur: 50 minuten Leerplandoelen Leerplan wereldoriëntatie van het VVKBaO 8.14 Kinderen beseffen dat er naast een

Nadere informatie

leerlijn muzische kleuters en 1ste lj.xls 1 van 10 Werken aan een degelijk en samenhangend onderwijsaanbod

leerlijn muzische kleuters en 1ste lj.xls 1 van 10 Werken aan een degelijk en samenhangend onderwijsaanbod 1. Intensief gebruik maken van alle zintuigen Wanneer ik ertoe word uitgenodigd, gebruik ik bepaalde zintuigen bij het waarnemen. Ik gebruik spontaan al mijn zintuigen bij het waarnemen. Ik weet al op

Nadere informatie

basiscompetenties 2de graad beeldende en audiovisuele kunsten

basiscompetenties 2de graad beeldende en audiovisuele kunsten basiscompetenties 2de graad beeldende en audiovisuele kunsten 1 CONCORDANTIETABEL Basiscompetenties 2de graad beeldende en audiovisuele kunsten Concordantie tussen: - de specifieke basiscompetenties voor

Nadere informatie

PROCESDOEL 3 HUMANISEREN VAN HET SAMENLEVEN MET ANDEREN

PROCESDOEL 3 HUMANISEREN VAN HET SAMENLEVEN MET ANDEREN PROCESDOEL 3 HUMANISEREN VAN HET SAMENLEVEN MET ANDEREN 3.1 Exploreren, verkennen en integreren van de mogelijkheden van de mens 3.2 Exploreren, verkennen en integreren van de grenzen van de mens 3.3 Ontdekken

Nadere informatie

VISIE PEDAGOGISCH PROJECT

VISIE PEDAGOGISCH PROJECT VISIE PEDAGOGISCH PROJECT van daltonschool De Kleine Icarus Algemene visie De opdracht van daltonschool De Kleine Icarus bevat naast het onderwijskundig eveneens een maatschappelijk aspect Wij brengen

Nadere informatie

ONS EIGEN OPVOEDINGSPROJECT

ONS EIGEN OPVOEDINGSPROJECT ONS EIGEN OPVOEDINGSPROJECT - SCHOOLBROCHURE - Basisonderwijs DE LINDE, Overpelt ONS EIGEN OPVOEDINGSPROJECT In ons Eigen opvoedingsproject (EOP) kan u lezen hoe wij als school onze opvoedingstaak zien.

Nadere informatie

Lesvoorbereiding: Kapper en schoonheidsspecialist (beroepen: kapper en schoonheidsspecialist)

Lesvoorbereiding: Kapper en schoonheidsspecialist (beroepen: kapper en schoonheidsspecialist) Lesvoorbereiding: Kapper en schoonheidsspecialist (beroepen: kapper en schoonheidsspecialist) Klas: 3 e graad basisonderwijs Leervak: WO Technologie - Maatschappij Onderwerp: Atelier i.v.m. de beroepssectoren

Nadere informatie

De Oude Kaasmakerij. Algemeen

De Oude Kaasmakerij. Algemeen Lesbrief De Oude Kaasmakerij Algemeen Deze lesbrief is opgemaakt voor het lager onderwijs. Voor leerlingen uit eerste, tweede en derde graad van het basisonderwijs werd een specifieke rondleiding uitgewerkt

Nadere informatie

Secundair onderwijs - Tweede graad ASO/KSO/TSO - Natuurwetenschappen - Vakgebonden eindtermen

Secundair onderwijs - Tweede graad ASO/KSO/TSO - Natuurwetenschappen - Vakgebonden eindtermen Eindtermen educatief project Korstmossen, snuffelpalen van ons milieu 2 de en 3 de graad SO Secundair onderwijs - Tweede graad ASO/KSO/TSO - Natuurwetenschappen - Vakgebonden eindtermen I. Gemeenschappelijke

Nadere informatie

De manus branding stichting

De manus branding stichting De manus branding stichting ontwikkelt programma s, die door lessen relationele en musische vorming sociale vaardigheden aanleren, waardoor jongeren beter in staat zijn op een, zowel voor hen zelf als

Nadere informatie

PERSOONSGEBONDEN ONTWIKKELING DOELENKAARTEN /KDR

PERSOONSGEBONDEN ONTWIKKELING DOELENKAARTEN /KDR PERSOONSGEBONDEN ONTWIKKELING DOELENKAARTEN 2016-11-19/KDR 1 Zich engageren in vriendschap en relatie, daar deugd aan beleven en zich daarover uitdrukken. 2 De verscheidenheid van mensen als een rijkdom

Nadere informatie

Boer in Beeld Ontwikkelingsdoelen voor type 8

Boer in Beeld Ontwikkelingsdoelen voor type 8 Boer in Beeld Deze onderstaande ontwikkelingsdoelen gelden voor alle thema s. De meer specifieke ontwikkelingsdoelen per thema vind je onder de naam van het thema. Algemene ontwikkelingsdoelen. 2 Varkens

Nadere informatie

Wereldoriëntatie. Beginsituatie: Leerlingen hebben verschillende technische beroepen besproken of hebben een bezoek gebracht aan de

Wereldoriëntatie. Beginsituatie: Leerlingen hebben verschillende technische beroepen besproken of hebben een bezoek gebracht aan de Lesvoorbereiding: Voedingsindustrie (beroepen : kwaliteitsverantwoordelijke, productieoperator en onderhoudstechnicus) Klas: 3de graad basisonderwijs Leervak: WO technologie maatschappij Onderwerp: Atelier

Nadere informatie

Onderwerp. VVKBaO. Het verloop van een sessie Scratch Junior.

Onderwerp. VVKBaO. Het verloop van een sessie Scratch Junior. Onderwerp Het verloop van een sessie Scratch Junior. ICT 1 Hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren. ICT 2 Gebruiken ICT op een veilige,

Nadere informatie

Deel 1 Opvoedingsproject

Deel 1 Opvoedingsproject Deel 1 Opvoedingsproject 1 Beste ouders, Welkom aan onze school. U kiest onze school voor het onderwijs en de opvoeding van uw kind. Wij zijn blij en dankbaar voor het vertrouwen in onze school. De directie

Nadere informatie

Lesvoorbereiding: Metaal en Technologie (beroepen: lasser, elektricien,

Lesvoorbereiding: Metaal en Technologie (beroepen: lasser, elektricien, Lesvoorbereiding: Metaal en Technologie (beroepen: lasser, elektricien, matrijzenbouwer, ) Klas: 3de graad basisonderwijs Leervak: WO technologie maatschappij Onderwerp: Atelier i.v.m. de beroepssector

Nadere informatie

Accent op improvisatie

Accent op improvisatie onderdeel: improvisatie Titel: Bij de dokter Graad: 2 Accent op improvisatie Aan al deze doelen wordt gewerkt, toch duidt u best aan welke u in de verf wil zetten. Leerplandoelnummer Leerplandoel uitgeschreven

Nadere informatie

Kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven. De leerlingen kunnen hulp vragen en zich laten helpen.

Kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven. De leerlingen kunnen hulp vragen en zich laten helpen. Onderwerp Voorkennis Leerlingen maken grotere projecten in Scratch. Ze moeten creatief zijn om problemen op te lossen en hun project vorm te geven. Leerlingen kregen een introductie les en hebben reeds

Nadere informatie

Ik hoor, ik hoor, wat jij niet ziet

Ik hoor, ik hoor, wat jij niet ziet Rooms-katholieke Godsdienst RKvm Vertrouwen en wantrouwen, mogelijkheden en beperkingen liggen en een nieuw begin maakt. Ontdekken wat verrijzenis kan betekenen in het leven van mensen en mogelijk in het

Nadere informatie

Eerste graad A-stroom

Eerste graad A-stroom EINDTERMEN en ONTWIKKELINGSDOELEN Vijverbiotoopstudie Eerste graad A-stroom Vakgebonden eindtermen aardrijkskunde Het natuurlijk milieu Reliëf 16* De leerlingen leren respect opbrengen voor de waarde van

Nadere informatie

Onderwerp. VVKBaO. Leerlingen maken een account, krijgen een rondleiding door Scratch en verkennen het programma.

Onderwerp. VVKBaO. Leerlingen maken een account, krijgen een rondleiding door Scratch en verkennen het programma. Onderwerp Leerlingen maken een account, krijgen een rondleiding door Scratch en verkennen het programma. WO 2.13 een eenvoudige werktekening of handleiding stap voor stap uitvoeren; ICT 1 Hebben een positieve

Nadere informatie

J L. Nordwin College Competentiemeter MBO - 21st Century & Green Skills. Vaardigheden Gedragsindicatoren. 21st Century Skill - -

J L. Nordwin College Competentiemeter MBO - 21st Century & Green Skills. Vaardigheden Gedragsindicatoren. 21st Century Skill - - Nordwin College Competentiemeter MBO - 21st Century & Green Skills 21st Century Skill Jouw talent Vaardigheden Gedragsindicatoren J L Ik weet wat ik wil Ik weet wat ik kan Ik ga na waarom iets mij interesseert

Nadere informatie

Piramide 4: muzische vorming

Piramide 4: muzische vorming Piramide 4: muzische vorming Muziek 1. Welkom Kriebels - De kinderen kunnen spontaan vakantieherinneringen ophalen. - De kinderen kunnen herkenbare passages vergelijken met situaties uit hun leefwereld.

Nadere informatie

DOELSTELLINGEN EN VOET BUURTAMBASSADEURS

DOELSTELLINGEN EN VOET BUURTAMBASSADEURS DOELSTELLINGEN EN VOET BUURTAMBASSADEURS 3 DE GRAAD SECUNDAIR ONDERWIJS - BSO - De volgende doelstellingen en VOET kunnen aan bod komen. Dat is steeds afhankelijk van de onderzochte (school)omgeving. Die

Nadere informatie

Dans & drama o.b.s. De Eiber Dedemsvaart Januari 2015

Dans & drama o.b.s. De Eiber Dedemsvaart Januari 2015 Dans & drama o.b.s. De Eiber Dedemsvaart Januari 2015 Inleiding 2 INLEIDING DANS Leerlingen in het basisonderwijs dansen graag. Het sluit aan bij hun natuurlijke creativiteit, fantasie en bewegingsdrang.

Nadere informatie