VOORTRAJECTEN: EEN NUTTIGE STAP IN HET DEELTIJDS ONDERWIJS?

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "VOORTRAJECTEN: EEN NUTTIGE STAP IN HET DEELTIJDS ONDERWIJS?"

Transcriptie

1 ACADEMIEJAAR VOORTRAJECTEN: EEN NUTTIGE STAP IN HET DEELTIJDS ONDERWIJS? EEN ONDERZOEK NAAR DE EFFECTIVITEIT VAN DE VOORTRAJECTEN IN VLAANDEREN Scriptie ingediend door INE SIMONS voor het behalen van het bachelordiploma in het sociaal werk

2

3 VOORTRAJECTEN: EEN NUTTIGE STAP IN HET DEELTIJDS ONDERWIJS? EEN ONDERZOEK NAAR DE EFFECTIVITEIT VAN DE VOORTRAJECTEN IN VLAANDEREN INE SIMONS ABSTRACT "Alleen een loser werkt" zegt Myriam terwijl ze een bankje schildert tijdens Effect. Effect is het voortraject van JES vzw te Molenbeek, een tussenstop in het deeltijds onderwijs. Het voortraject is 10 jaar geleden opgericht voor jongeren die nog niet klaar zijn voor een tewerkstelling in een openbaar bedrijf of een bedrijf van de derde sector. Ook deze jongeren hebben nood aan een voltijds engagement. Jongeren die niet gemotiveerd zijn om te gaan werken, niet weten welke richting ze uit willen op de arbeidsmarkt of die niet over de juiste competenties beschikken, maken een pitstop in het voortraject. Hier worden ze klaargestoomd om ingeschakeld te worden in de werkcomponent binnen het deeltijds onderwijs. Het voortraject biedt dus een antwoord op een restgroep van het deeltijds onderwijs die een voltijdse invulling nodig heeft maar nog niet klaar is voor arbeid. Maar is het voortraject een effectieve stap of gewoon een vangnet? De effectiviteit van het voortraject wordt, in dit bachelorproject, bekeken vanuit verschillende invalshoeken zowel jongeren, als werkgevers, als promotoren van het voortraject, als centra deeltijds onderwijs komen aan het woord. In dit bachelorproject wil ik de afweging maken of het voortraject zijn doelstellingen bereikt heeft of slechts een traject is om jongeren niet doelloos thuis te laten zitten. Kernwoorden: voortraject, deeltijds onderwijs, decreet leren en werken, jongeren, activering, arbeidsmarkt ACADEMIEJAAR Scriptie ingediend voor het behalen van het bachelordiploma sociaal werk

4 Geloof in de jongeren Zij zijn onze toekomst. - Patrick Manghelinckx

5 i Woord vooraf Bij aanvang van deze scriptie zou ik alle werkgevers, jongeren, begeleiders en coördinatoren van centra deeltijds onderwijs, promotoren van het voortraject, Erik Vanwoensel, Koen Stassen, Patrick Manghelinckx en Steef Corijn willen bedanken voor hun bijdrage tot de realisatie van deze scriptie. Zonder hun hulp en inbreng op verschillende vlakken zou deze opdracht niet haalbaar zijn geweest. Een speciaal woord van dank wil ik richten tot mijn praktijklector, Veronique Debeys. Zij is lector aan de Sociale Hogeschool Heverlee. Ik wil haar bedanken voor haar goede begeleiding, feedback, tips en deskundigheid gedurende het hele proces van deze scriptie. Daarnaast wil ik de coördinatrice opleidingen van JES vzw, Inge Van Brabant, bedanken om mij bij te staan met raad, suggesties en informatie, ondanks haar drukke agenda. Mijn scriptie zou niet dezelfde waarde hebben gehad, als ik niet bij haar kon aankloppen voor hulp. Ik zou ook graag mijn stagebegeleidster Rozelien De Mot, begeleidster van Effect Brussel, willen bedanken voor haar goede begeleiding en tips gedurende mijn hele stageperiode. Mijn stageplaats, JES vzw met al haar medewerkers, wil ik bedanken voor alle kansen die ze me hebben gegeven. Ze hebben me werkelijk met raad en daad bijgestaan. Tevens wil ik JES vzw bedanken om gebruik te mogen maken van interne documenten om deze scriptie te realiseren. Een speciaal woord van dank gaat uit naar mijn oom Peter Kohlbacher, om zijn avonden op te offeren om mijn werk na te lezen en te verbeteren. Zonder zijn kritisch oog zou dit werk er minder professioneel hebben uitgezien. Ten slotte wil ik ook mijn ouders, broer, vrienden en studiegenoten bedanken voor hun steun, begrip, hulp en motivatie gedurende mijn hele opleiding. Wanneer ik er even doorzat, waren zij er om mij weer de nodige moed in te spreken en kracht te geven om de eindstreep te halen. Ine Simons

6 ii Inhoudsopgave Woord vooraf... i Inhoudsopgave...ii Lijst van afkortingen... iii Inleiding De literatuurstudie De eigenheid van de doelgroep De situering van het decreet leren en werken Het onderwijssysteem in België De verwachtingen van het beleid ten aanzien van deeltijds onderwijs De Regionaal Overlegplatformen Centra deeltijds onderwijs Het persoonlijk ontwikkelingstraject Het voortraject Het brugtraject De arbeidsdeelname Het onderzoek Onderzoek kaderen Onderzoeksopzet Onderzoeksbenadering en methode Onderzoeksuitvoering De dataverzameling in cijfers Analyse en rapportering De jongeren De promotoren van het voortraject De centra deeltijds onderwijs De werkgevers Conclusies en aanbevelingen Conclusies Microniveau Mesoniveau Macroniveau Aanbevelingen...41 Bibliografie...45

7 iii Lijst van afkortingen ASO BT BSO BuSo CDO CDV CLB CLW CVS Algemeen Secundair Onderwijs Brugtraject Beroepssecundair Onderwijs Buitengewoon Secundair Onderwijs Centrum Deeltijds Onderwijs Centrum Deeltijdse Vorming Centrum voor Leerlingenbegeleiding Centrum voor Leren en Werken Cliëntvolgsysteem (registratiesysteem VDAB) DBO Dienst Beroepsopleiding (departement onderwijs en vorming) ESF KSO OKAN PAV POT RESOC ROP TSO Europees Sociaal Fonds Kunstsecundair Onderwijs Onthaalklas Anderstalige Nieuwkomers Project Algemene Vorming Persoonlijk Ontwikkelingstraject Regionaal Economisch-Sociaal Overlegcomité Regionaal Overlegplatform Technisch Secundair Onderwijs VDAB Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding VLOR VT Vlaamse Onderwijsraad Voortraject

8 1 Inleiding Voor mijn laatstejaarsstage kon ik bij JES vzw terecht. JES vzw, een overkoepelende organisatie actief in Brussel, Antwerpen en Gent, is actief op vele terreinen van het jeugdwerk. Effect is een deelwerking van JES vzw, dat voortrajecten voor jongeren uit het deeltijds onderwijs/deeltijdse vorming organiseert. Effect vormt een schakel in het arbeidsgericht traject binnen het deeltijds onderwijs. In het deeltijds onderwijs zou er steeds een leercomponent en een werkcomponent moeten zijn. Jongeren combineren twee dagen school met drie dagen tewerkstelling. Er is echter een groep jongeren, die omwille van persoonlijke problemen, demotivatie of een gebrek aan arbeidsattitude nog niet terecht kan in de werkcomponent van het deeltijds onderwijs. Het voortraject is een tussenschakel waar deze jongeren terecht kunnen om gericht te werken aan de stap naar tewerkstelling. Het voortraject lijkt een nuttige tussenstap in het traject, maar de meningen zijn hierover verdeeld. Het nut en de effectiviteit van het voortraject worden regelmatig in vraag gesteld. Het in vraagstellen van het nut van het voortraject werd het uitgangspunt voor mijn bachelorproef. Het onderzoek is gebaseerd op een literatuurstudie en interviews. In de literatuurstudie komt het decreet Leren en werken aan bod. In dit decreet is het deeltijds onderwijs in zowel de centra deeltijds onderwijs als in Syntra-opleidingen opgenomen. Binnen Syntraopleidingen is het ook mogelijk om in te stromen in voortrajecten. Aangezien dit onderzoek de voortrajecten binnen het deeltijds onderwijs behelst, neem ik het traject dat in de leertijd afgelegd wordt niet onder de loep genomen. Er zijn reeds een aantal onderzoeken gevoerd over het deeltijds onderwijs en de voortrajecten. In geen enkel onderzoek kwamen zowel de jongeren, als de centra deeltijds onderwijs, als de werkgevers, als de promotoren aan het woord. Vandaar dat de doelstelling van mijn onderzoek - of de hedendaagse voortrajecten een nuttige stap zijn in het deeltijds onderwijs- tweeledig is. Namelijk zowel de ervaringen van alle actoren samenbrengen als de effectiviteit van de voortrajecten in Vlaanderen meten. De interviews bleven niet beperkt tot Brussel, maar werden uitgebreid naar de verschillende Vlaamse Provincies om een totaalbeeld te krijgen. In deze interviews werd gepeild naar ervaringen en mogelijke knelpunten van het voortraject, daarnaast vonden er ook interviews plaats met verantwoordelijken van het beleid. Hierin werden de aangehaalde knelpunten uit de eerste interviews kritisch getoetst aan de beleidsvisie. Op deze manier konden de verschillende standpunten belicht worden. Vanuit deze interviews werden ook conclusies en aanbevelingen geformuleerd. Met deze scriptie wil ik enkele belangrijke aandachtspunten aanhalen die het voortraject kunnen verbeteren, maar die nergens in de literatuur vermeld staan. Het resultaat van deze scriptie houdt dus een aantal aanbevelingen en aandachtspunten in, die men kan implementeren binnen het werkveld van het deeltijds onderwijs. Het is een utopie om de trajecten binnen het deeltijds onderwijs te laten voldoen aan alle eisen van de stakeholders, maar toch kan men als vormingswerker, begeleider of beleidsmaker zijn steentje bijdragen om aan dit ideaalbeeld te werken.

9 2 1 De literatuurstudie De literatuurstudie is in drie grote hoofdstukken verdeeld. Het allereerste hoofdstuk handelt over de specifieke doelgroep van het deeltijds onderwijs, de doelgroep wordt hier besproken op microniveau. In het tweede hoofdstuk komt er een situering van het decreet leren en werken. Hierin worden onder andere de vragen beantwoord waarom het decreet leren en werken is opgericht en waar het deeltijds onderwijs zich situeert binnen het schoolse systeem. Dit tweede hoofdstuk handelt vooral over het macroniveau. Als laatste hoofdstuk zoomen we in op de centra deeltijds onderwijs en de trajecten waar de jongeren kunnen instromen. Hier wordt vooral gekeken naar de wetgeving op mesoniveau. 1.1 De eigenheid van de doelgroep Ze zijn niet gemotiveerd, ze zijn gewoon lui, klinkt een bekende klaagzang over de jeugd. Zo een uitspraak weerspiegelt verwachtingen. Uiteenlopende verwachtingen die gaan van het uitwerken van opdrachten en doorzetten, tot het aanvaarden van leiderschap, van assertiviteit en samenwerking tot het aanvaarden van training, coaching en feedback. (Grosemans, 2007) De leeftijd van de meeste jongeren van het deeltijds onderwijs situeert zich tussen de vijftien en twintig jaar. Een groep die door werkgevers als jonge werkkrachten bestempeld worden. Ze zijn jong, gemotiveerd en gaan deeltijds naar school om een job te leren. Maar deze jongeren hebben vaak niet de juiste arbeidsattitudes. Het deeltijds onderwijs investeert daarom meer tijd in het aanleren van attitudes en niet zo zeer het aanleren van een job. CDO s hebben normaal gezien geen opvoedfunctie, maar in de praktijk nemen ze die taak wel op zich, omdat ze zien dat hier nood aan is. (Geerts, 2013) Jongeren uit het deeltijds onderwijs worden door organisaties en begeleiders van CDO s vaak omschreven als jongeren die kwetsbaar zijn, zowel maatschappelijk als vanuit een persoonlijk standpunt. Er zijn weinigen die de doelgroep van het deeltijds onderwijs op een correcte manier kunnen omschrijven. Ann De Meulenmeester publiceerde in 1995 een artikel in de Welwijs, waarin ze de jongeren uit het deeltijds onderwijs beschreef. Deze definitie gaat nog steeds op: Het is opvallend hoeveel deeltijdse lerenden zich in een complexe probleemsituatie bevinden, zijnde een combinatie van problemen op vlak van gedrag, capaciteiten, familiale en sociale achtergrond. Velen onder hen hebben reeds diverse ontgoochelingen opgelopen en zijn daardoor vaak gedemotiveerd of defaitistisch. [..] Ze zijn veelal geen hulpzoekers. Deze jongeren hebben door hun eigen gezinssituatie, door hun instellingsbeleving of door hun contacten met vooral veroordelende, controlerende en sanctionerende diensten geen positieve beleving en degelijke sociale bindingen kunnen aangaan met welzijnswerkers, diensten, leraren en/of potentiële werkgevers. Vanuit hun ervaring verwachten ze veelal een negatieve reactie en opvallend genoeg worden ze daarin bevestigd. (De Meulemeester, 1995) De Meulenmeester maakt daarbovenop nog een extra opmerking, namelijk dat het nodig is dat een CDO een opvoedfunctie op zich neemt, omdat jongeren dit nodig hebben. Hier

10 3 is wel nood aan een kanttekening, niet alle jongeren zijn even maatschappelijk/persoonlijk kwetsbaar. Een beperkte groep deeltijds lerenden kiest bewust voor deeltijds onderwijs vanuit een persoonlijke en positieve ingesteldheid. Deze jongeren hebben weinig interesse om lang op de schoolbanken te vertroeven en zijn heel gemotiveerd om hun studies te combineren met een werkervaring. De bovenstaande definitie geldt voor de jongeren die geen werk hebben en elke vorm van onderwijs ervaren als negatieve keuze, met andere woorden vaak jongeren uit het POT, voortrajecten en brugtrajecten. (Sierens, Over aanklampen, kort op de bal spelen, grenzen verleggen en de klik maken, 2007) De gegevens van het Voortgangsrapport van het Regionaal Overlegplatform geven een definitie van een deeltijds lerende in cijfers en bevestigen de voorgaande feiten. 21,5% van de leerlingen heeft geen schoolachterstand, de overige 78,5% heeft een schoolachterstand van min. 1 jaar of meer. Daarnaast heeft bijna 30% van de deeltijds lerenden Nederlands niet als moedertaal. Het is geweten dat vaak leerlingen uit OKAN vlot doorstromen naar het deeltijds onderwijs. Daarnaast is er een steeds groter wordende groep niet leerplichtige leerlingen die zich inschrijven in het deeltijds onderwijs. Door het feit dat er weinig mogelijkheden zijn op de arbeidsmarkt zonder kwalificatie, zou het de 18-plussers aanzetten om zich opnieuw in te schrijven in het deeltijds onderwijs om alsnog hun diploma secundair onderwijs te halen. (SERV, 2013) (ROP, 2011) 1.2 De situering van het decreet leren en werken In 1983 werd in België de leerplicht opgetrokken tot 18 jaar. Hierbij wou men de jongeren wapenen tegen een maatschappij die steeds hogere eisen zou stelt. Maar men besefte ook dat niet elke jongere tot zijn 18 de levensjaar op de schoolbanken zou willen zitten. Daarom besloot de wetgever om een extra onderdeel toe te voegen aan het secundaire schoolsysteem. (Leens & De Rick, 2008) Het onderwijssysteem in België Het onderwijsstelsel in Vlaanderen ziet er heel indrukwekkend uit. De leerplicht voor jongeren in België is van zes jaar tot achttien jaar. Het begint bij de lagere school en eindigt na zes jaar middelbare school. Zoals op figuur 1 te zien is, zijn er twee keuzes na de lagere school, namelijk A secundair onderwijs of B secundair onderwijs. De A richting staat voor algemeen secundair onderwijs (ASO) en technisch secundair onderwijs (TSO). De B richting is het beroepssecundair onderwijs (BSO). In het derde middelbaar moet de echte keuze gemaakt worden tussen de volgende mogelijkheden: ASO, KSO, TSO en BSO. Dit zijn de verschillende richtingen van het gewoon secundair onderwijs. Dit houdt in dat alle leerlingen voltijds naar school gaan met als einddoel het behalen van een diploma hoger secundair onderwijs. Naast het gewoon secundair onderwijs, zijn er nog een aantal andere systemen om jongeren op te vangen. Een van deze systemen is het deeltijds beroepsonderwijs (DBO), dit wordt later uitgebreider besproken. Ook hier kunnen jongeren na het succesvol beëindigen van een zevende jaar een diploma halen, anders krijgen ze slechts een getuigschrift. Een ander systeem is de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (OKAN), dit is een taalklas voor leerlingen die pas in België zijn om op een intensieve manier Nederlands te leren. Vanuit OKAN kunnen ze doorstromen naar alle andere richtingen binnen het onderwijs. BuSO is een heel apart systeem van het onderwijs en staat los van de andere systemen. BuSO staat voor

11 4 buitengewoon secundair onderwijs en hier kunnen jongeren van dertien jaar tot eenentwintig jaar terecht die bijzondere hulp nodig hebben door een beperking of ernstige leerstoornissen. BuSo is ook opgedeeld in verschillende types, afhankelijk van de graad van de beperking en/of leerstoornis. (S.N., 2014) Figuur 1: Onderwijsstelsel Vlaanderen (Bron: Taaluniversum, 2014) De verwachtingen van het beleid ten aanzien van deeltijds onderwijs Met de wet van het voltijdse engagement binnen het secundair onderwijs, besloot de wetgever bijkomende mogelijkheid te voorzien zodat jongeren de mogelijkheid hebben om vanaf hun vijftiende levensjaar te kiezen voor een deeltijds schoolloopbaan aangevuld met een deeltijdse werkervaring. Het moest the best of both worlds combineren in één opleiding. In de beginjaren was de werkervaring geen verplicht

12 5 onderdeel van het deeltijds onderwijs, enkel het volgen van de lessen was verplicht. (SERV, Leren en wekren: naar een krachtige leerweg, 2013) In 2008 kwam hier de grote verandering. Het nieuwe decreet Leren en werken verplicht de centra om de leerplichtige jongeren een voltijdse invulling aan te bieden. Deze voltijdse invulling bestaat uit 28 uur die enerzijds worden ingevuld door een leercomponent en anderzijds door een werkcomponent. (Leens & De Rick, Een voltijds engagement in het deeltijds onderwijs, 2008) Leren en werken kadert binnen het ESF programma als doelstelling 2, prioriteit 1 namelijk talentactivering en duurzame integratie op de arbeidsmarkt, meer bepaald versoepeling van de transities van school naar werk. Het was de bedoeling om een totaal traject te ontwikkelen voor jongeren dat moest uiteindelijk moest leiden tot reguliere tewerkstelling. Door het inbouwen van verschillende trajecten binnen de component werkplekleren werd een kwaliteitsvol aanbod en voltijdse invulling voor elke jongere beoogd. (Departement Onderwijs en vorming, 2013) De opzet van het decreet was de realisatie van een voltijds engagement voor de ingeschreven jongeren in het deeltijds onderwijs. Tevens was het doel een betere afstemming tussen het deeltijds beroepsonderwijs, de leertijd (Syntra) en de deeltijdse vormingen (POT). Het decreet omvat ook maatwerk, met andere woorden het moet een traject op maat van elke jongere aanbieden. Daarnaast moet er een volwaardige kwalificatie kunnen worden aangereikt. (SERV, 2013) De kerngedachte van het decreet is streven naar een voltijds engagement. Voor 2008 was een voltijdse invulling binnen het deeltijds onderwijs niet verplicht. Door de invoering van het nieuwe decreet, werd het voltijds engagement ook als een prioriteit gezien. (Leens & De Rick, 2008) Om een voltijds engagement te kunnen waarborgen heeft het decreet in art.6 1 1, verschillende mogelijke invullingen gegeven voor de werkcomponent. De invulling van deze component is afhankelijk van de jongere zelf. Hierbij zijn er vier mogelijkheden, een arbeidsdeelname, een brugproject, een voortraject, of een persoonlijk ontwikkelingstraject. Elke leerplichtige jongere die wordt ingeschreven in een centrum deeltijds onderwijs, komt in één van deze vier trajecten terecht. (Voorhamme, 2012) Elke jongere in een systeem van leren en werken krijgt vanaf het schooljaar een voltijdse invulling van minimum 28 uur. Dit nieuwe decreet wil de ongekwalificeerde uitstroom in het deeltijds onderwijs terugdringen. Voor jongeren uit een centrum deeltijds onderwijs (CDO) bestaat deze voltijdse invulling uit: - 15 uur leren : deze component speelt zich af in schoolgebouwen en omvat vooral algemene en beroepsgerichte vorming uur werkplekleren : deze component moest zich buiten een CDO afspelen en omvat de vier verschillende invullingen, namelijk: o Reguliere tewerkstelling o Een brugproject: tewerkstelling binnen de sociale sector, in een goed omkaderde en veilige omgeving 1 Art 6 1 Decr. Vl. 2 september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober 2008

13 6 o o Een voortraject: een specifiek traject waar de jongere de kans krijgt om aan zijn arbeidsattitudes te werken Een persoonlijk ontwikkelingstraject: binnen een veilige omgeving krijgt de jongere individuele begeleiding en zorg op maat met als doel een beter zicht te krijgen op de persoonlijke situatie. (IPOP, 2012) Een voltijds engagement is niet de enige doelstelling van het decreet. Het decreet voorziet een screening en modularisering van alle bestaande opleidingen van het deeltijds onderwijs en de leertijd. Dit moet zorgen voor een rationeler en transparanter aanbod. Op dit moment is dit nog niet voor alle sectoren. De modularisering moet tegen 2016 een feit zijn. Elke opleiding bestaat dan uit meerdere modules die men op elk ogenblik kan opstarten. De jongeren krijgen deelcertificaten bij het afronden van een module, en een volwaardig diploma bij het afronden van de opleiding. Jongeren die een POT volgen, kunnen enkel een attest van verworven competenties krijgen. Op die manier zijn er trajecten op maat en zijn de trajecten ook veel transparanter voor de jongeren. (SERV, 2013) De Regionaal Overlegplatformen Met het decreet leren en werken werden ook een Regionaal Overlegplatformen (ROP) opgericht. Er is één ROP voorzien in elk Regionaal Sociaal-Economisch Overlegcomité (RESOC). Deze gebieden zijn Mechelen, Antwerpen, Turnhout, Dender-Waas, Gent en rand, Meetjesland, Zuid-Oost Vlaanderen, Brugge, Oostende, Midden-West Vlaanderen, Limburg, Leuven, Halle-Vilvoorde en Brussel Hoofdstedelijk Gewest. Daarnaast moet binnen elk ROP een voorzitter worden gekozen en een huisreglement worden vastgelegd. De samenstelling van een ROP, zoals besproken in art van het decreet leren en werken, ziet er als volgt uit: één afgevaardigde van elk CDO van elke regio, één afgevaardigde van elk CDV, één afgevaardigde van elk centrum vorming van zelfstandigen, kleine en middelgrote ondernemingen, één trajectbegeleider van Syntra, één VDAB consulente van elk klantencentrum, één waarnemer van het DBO, één waarnemer van het Departement Werk en Sociale Economie, één medewerker van het CLB en één afgevaardigde van het RESOC. Art van het decreet handelt over de bevoegdheden van het ROP. Deze bevoegdheden omvatten het bespreken van het regionaal opleiding en vormingsaanbod als ook de toeleiding, oriëntering en doorverwijzing van jongeren naar en binnen het stelsel leren en werken. Het bewaken van deskundigheid en het uitwisselen van knowhow tussen de verschillende partners, is ook een belangrijke doelstelling. Het ROP wil ook een rol spelen in het kwalitatief en kwantitatief afstemmen van vraag en aanbod van VT, BT en arbeidsdeelname. Daarnaast willen ze ook algemene maatregelen rond problematische afwezigheden bundelen, om zo deze problematiek te kunnen bestrijden. Het opstellen van een voortgangsrapport voor de Vlaamse regering behoort ook tot de taken van het ROP. In dit rapport dienen volgende items aan bod te komen : het profiel 2 Art 105 Decr. Vl. 2 september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober Art 106 Decr. Vl. 2 september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober 2008

14 7 van de jongeren, een overzicht van het voltijds engagement in Vlaanderen en de arbeidsmarktsituatie. Tot en met 2011 is er elk jaar een voortgangsrapport opgesteld. In de periode was een evaluatie van het decreet voorzien. Deze evaluatie is niet gebeurd. Hierdoor zijn er op dit moment geen recente cijfers van het decreet leren en werken beschikbaar. Het ROP wordt opgevolgd door het DBO en het departement werk en sociale economie. (Stassen, 2014) 1.3 Centra deeltijds onderwijs Decretaal ligt vast dat jongeren na een screening (veertien dagen) of een beslissing van de klassenraad georiënteerd worden naar het traject dat het best aansluit bij hun noden. De klassenraad geeft advies aan de hand van arbeidsrijpheid, interesse, motivatie en eerder verworven competenties. 4 De link met de arbeidsmarkt wordt gelegd door middel van de registratie van de beslissing in het cliëntvolgsysteem (CVS) van de VDAB. (IPOP, 2012) De klassenraad is niet enkel bevoegd voor de screening maar beslist ook of een jongere al dan niet geslaagd is voor een module/opleiding. Dit is een individuele, gemotiveerde evaluatie, die zowel betrekking heeft op de leercomponent als de werkcomponent. De klassenraad bestaat uit de directeur van het CDO, de leerkrachten, trajectbegeleiders en eventuele externen zoals promotoren van de trajecten of het CLB. De attesten die een klassenraad kan uitreiken zijn: een attest verworven competenties, deelcertificaten, certificaten, getuigschriften van tweede en derde graad secundair onderwijs en een getuigschrift over de basiskennis van bedrijfsbeheer. 5 De grootste taak van het CDO bestaat er in de jongeren in een aangepast tempo - met eventuele tussenstoppen in trajecten- naar een reguliere tewerkstelling te loodsen. Er wordt een trajectbegeleidingsplan opgesteld. Tweemaandelijks wordt dit plan geëvalueerd en bijgestuurd aan de hand van alterneringsgesprekken 6. Ongeacht het gekozen traject moet het steeds gepaard gaan met een inschrijving bij de VDAB, of in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest bij Actiris. Na de inschrijving dient de CDO of externe promotor dit te registreren onder Mijn Loopbaan op de VDAB website. Mijn Loopbaan is een instrument, ontwikkeld door de VDAB waarin de effectieve deelnemersuren worden geregistreerd. Aan de hand van de effectieve deelnemersuren wordt de subsidiëring van de verschillende trajecten bepaald. Daarnaast moeten de externe promotoren ook een chronologisch fiche bijhouden op smartschool. Hierin staan de gegevens van alle toegeleide jongeren. Deze fiche moet altijd up to date zijn, hier wordt ook de doorstroom in aangevuld. (Departement Onderwijs en vorming, 2013) De verschillende trajecten binnen het deeltijds onderwijs zijn opgericht om een voltijds engagement te waarborgen, en een opvang te bieden aan heel specifieke doelgroepen. 4 Omzendbrief SO 66 betreffende het deeltijds beroepssecundair onderwijs, decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, 8 augustus 2008, Omzendbrief SO 2008/08 5 Omzendbrief SO 66 betreffende het deeltijds beroepssecundair onderwijs, decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, 8 augustus 2008, Omzendbrief SO 2008/08 6 Omzendbrief SO 66 betreffende het deeltijds beroepssecundair onderwijs, decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, 8 augustus 2008, Omzendbrief SO 2008/08

15 8 De trajecten zijn zo verdeeld, dat de ze de afstand tot de arbeidsmarkt willen kleiner maken. Figuur 2 geeft de af te leggen weg aan van de CDO tot de arbeidsmarkt. Het persoonlijk ontwikkelingstraject (POT) staat als eerste vermeld, met andere woorden het verst verwijderd van het inschakelen in de arbeidsmarkt. Omdat dit vooral jongeren zijn die eerst hun eigen problemen moeten aanpakken om dan succesvol te kunnen doorstromen. Na het POT, komt het voortraject (VT). Figuur 2: traject tot de arbeidsmarkt Het voortraject is voorzien voor jongeren waarbij arbeidsattitudes onvoldoende aanwezig zijn of omwille van een te jonge leeftijd. Het brugtraject (BT) is het laatste traject voor een reguliere tewerkstelling. Dit traject omvat reeds een tewerkstelling in de sociale sector, hierin gebeurt een laatste bijsturing van de arbeidsattitudes. Hierna kunnen de jongeren doorstromen naar een reguliere tewerkstelling in het normaal economisch circuit (NEC) Het persoonlijk ontwikkelingstraject Jongeren die geen aansluiting vinden bij de leercontext van een CDO, wegens diverse problemen, kunnen worden toegeleid naar een voltijds POT. Dit houdt heel concreet in, dat de jongere minimum 28 uur aanwezig moet zijn in het centrum deeltijdse vorming (CDV) en dat de component leren en component werkplekleren wegvallen. Dit is het allerlaatste vangnet voor de jongeren, een stopzetting van dit traject valt dan ook zelden voor. Een POT kan op elk ogenblik van het schooljaar beginnen en eindigen, en kan eventueel schooljaaroverschrijdend doorlopen (IPOP, 2012) De jongeren die in het POT worden opgevangen, hebben vaak een onduidelijk toekomstperspectief. Het gaat om jongeren die wegens een persoonlijke of sociale problematiek niet klaar zijn voor de arbeidsmarkt. Daarom is er besloten, met het decreet Leren en Werken van , om deze jongeren eerst naar een beschermde en veilige omgeving te sturen waarin ze zorg op maat en individuele begeleiding krijgen om inzicht te krijgen in hun multicomplexe problematiek. (IPOP, 2012) Als het CDO een leerling doorgeeft, volgt er een intakegesprek met het CDV, CLB, ouders/voogd en de jongere. Hierin wordt de problematiek besproken en een oplossingsstrategie bedacht. De afgevaardigde van het CLB schrijft over dit 7 Art 3 12 Decr. Vl. 2 september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober 2008

16 9 intakegesprek een gemotiveerd verslag. Het POT is een dynamisch, persoonlijk en maatgericht instrument. Hierin moeten de verwachtingen, competenties en werkpunten van de jongere, duidelijk worden opgenomen. (ESF, 2012) Het POT is niet arbeids-, maar kwalificatiegericht. Het hoofddoel van elk POT moet een kwalitatieve terugkeer naar het CDO beogen. Omdat deze doelgroep ver van de maatschappij staat, zorgen de CDV s voor een intensieve, langdurige en individuele begeleiding. Een voltijds POT kan wel gecombineerd worden met een voortraject of een brugproject. Dit is echter niet het voornaamste doel, het voornaamste doel is de terugstroom naar het CDO Het voortraject Zoals eerder vermeld kunnen niet alle jongeren hun leerprogramma in het deeltijds onderwijs koppelen aan een werkervaring. Hierdoor ontstaat een groep jongeren die schoolmoe zijn, nog geen werkervaring hebben, te jong zijn, te kampen hebben met frustraties, enz. Om deze groep op te vangen organiseert het vormingswerk al jaren de voortrajecten. De invulling van deze voortrajecten verschilt per promotor en per regio. (Voorhamme, 2012) De voortrajecten ontstonden uit het idee dat voor een aantal jongeren de overstap naar de arbeidsmarkt te hoog gegrepen was, maar dat ze ook niet beantwoorden aan de doelgroep van de POT s. De jongeren uit het voortraject missen een aantal fundamentele basisattitudes, maar ze kunnen in groep functioneren. De voortrajecten werden allereerst gezien als het opstapje naar het brugtraject, maar deze visie is in 2008 herzien. Het voortraject is namelijk een schakel binnen een arbeidsmarktgerichte strategie van het deeltijds onderwijs om jongeren te laten proeven van de hedendaagse arbeidsmarkt. (Ruelens, 2004) Het voortraject is dus meer dan een opvangnet voor een restgroep. Een afbakening van de doelgroep is noodzakelijk. Momenteel is de afbakening niet eenduidig. Het is een algemene afbakening, de regio s kunnen hun eigen accenten leggen. Hierdoor ontstaat er een grote grijze zone waarbij een jongere in het ene CDO naar het voortraject kan worden gestuurd, terwijl een ander CDO dezelfde jongere naar een brugproject stuurt. (Vanwoensel, 2014) De doelgroep van het voortraject, wordt in het decreet Leren en Werken 9 als volgt omschreven. Het zijn jongeren tussen vijftien en achttien jaar, ingeschreven in een CDO maar waarbij de werkcomponent nog niet is ingevuld. De basismotivatie is aanwezig maar er is een gemis aan basisvaardigheden, sociale vaardigheden en attitudes. Een tweede belangrijke afbakening moet gebeuren in functie van een totaalproject. Het is en blijft een arbeidsgericht traject waarvan het voortraject slechts een van de vele schakels is. Anderzijds moet niet iedereen die een brugtraject of arbeidsdeelname succesvol heeft afgerond terecht komen in een voortraject. Maar jongeren kunnen steeds terugstromen 8 Art 35 Decr. Vl. twee september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober Art 3 21 Decr. Vl. twee september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober 2008

17 10 naar eerdere schakels in het traject, mocht het zijn fout gelopen in een ander traject. (JANUSproject, 2007) (Ruelens, 2004) Belangrijke doelstellingen binnen de voortrajecten zijn het activeren van jongeren door het aanbieden van gestructureerde en gevarieerde vorming, en het oriënteren namelijk samen met de jongeren een traject uitstippelen met een gerichte keuze van opleiding of tewerkstelling. (Ruelens L., 2004) (JANUSproject, 2007) Het is essentieel dat de jongere inzicht heeft in zijn/haar eigen functioneren. Met andere woorden kennis heeft van zowel eigen competenties, kwaliteiten als van eigen werkpunten. Als ondersteuning worden er een hele reeks van activiteiten georganiseerd zoals bedrijfsbezoeken, competentieversterkende activiteiten, loopbaanvaardigheden, ontspanning, oefeningen rond basisattitudes, enz. Door de jongeren zelf actief bezig te laten zijn, zowel in de groepsessies als de bedrijfsbezoeken, verlaagt de drempel tussen leren en werken. Voortrajecten staan dus niet op zichzelf, maar zijn gebaseerd op een wisselwerking tussen de jongere, de trajectbegeleider op CDO en de vormingswerker. (De Rick & Verdonck, Voortrajecten: een opstap naar alternerend leren, 2005) (JANUSproject, 2007) De activiteiten van een voortraject kunnen zowel arbeidsgericht als ontspanningsgericht zijn. Een goed evenwicht hierin is noodzakelijk. Te veel vrije tijdsactiviteiten kunnen de indruk wekken niet zinvol te zijn. Teveel arbeidsgerichte activiteiten leunen dichter aan bij de doelstelling maar zijn voor de meeste jongeren te hoog gegrepen. Een veel geprezen werkvorm binnen het voortraject is de projectwerking waarin jongeren werken aan een project dat kan uitmonden in een concreet tastbaar resultaat. (De Rick & Verdonck, Voortrajecten: een opstap naar alternerend leren, 2005) Voor de jongeren is het belangrijk dat een voortraject een duidelijk afgebakend project is en beperkt in tijd. Dit belet dat jongeren in het voortraject blijven hangen en maakt duidelijk dat het voortraject slechts een stap is om een ander doel (combinatie leren en werken) te bereiken. Binnen het decreet leren en werken is het voortraject vastgelegd op 2 dagen van contactmomenten en dit gedurende drie maanden, tenzij de jongere eerder kan doorstromen. Vermits de vormingswerkers rekening moeten houden met de werkpunten en competenties van de jongeren, is er een maximum van twaalf personen per sessie. Voortrajecten kunnen los van het centrum door een derde organisatie worden uitgevoerd of door het centrum zelf. Art in het decreet Leren en Werken vermeldt dat voortrajecten worden gesubsidieerd op basis van de gepresteerde deelnemersuren (14 euro per effectief gepresteerd uur, per jongere) met een gewaarborgde, forfaitaire vergoeding. Er wordt in de loop van februari een voorschot betaald en in oktober bij het voorleggen van de nodige bewijsstukken wordt het restbedrag uitgekeerd Het brugtraject In figuur 2 werd het brugproject als laatste traject voorgesteld, voordat een arbeidsdeelname kan aangevat worden. De jongeren zijn klaar om drie dagen per week te werken maar gelijktijdig is er nog een bijsturing van hun arbeidsgerichte attitudes en 10 Art. 100 Decr.Vl. 2 september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober 2008

18 11 vaardigheden. Het zijn jongeren die nog nood hebben aan opleiding en begeleiding in de zin van gestructureerde opvang vooraleer ze klaar zijn voor een arbeidsdeelname. In het decreet leren en werken art is de subsidiëring van het brugproject vastgelegd. Het brugproject wordt gesubsidieerd door de Vlaamse overheid op basis van effectief gepresteerde werkuren. In de maand februari wordt er een voorschot betaald en in oktober bij het inleveren van de schriftelijke bewijsschriften volgt het restbedrag. Deze subsidiëring wordt uitbetaald aan het CDO of een externe promotor die de brugprojecten organiseert. Om de doelstelling van het BT te verwezenlijken namelijk het bijsturen van arbeidsgerichte attitudes en vaardigheden, worden de jongeren tewerkgesteld in derdenorganisaties zoals vzw s en gemeentebesturen. De jongere kan maximum 800 uren (ca. tien maanden) effectief presteren in een brugproject. Deze periode geldt als maximum niet als minimum. Indien nodig kan de jongere vroeger doorstromen. Het brugproject wordt hierin ook gesteund en gerealiseerd met de hulp van het ESF. (Van Kerkhove M., 2013) De reden en motivatie om een jongere in het brugtraject op te nemen, wordt vastgelegd in de opleidingsovereenkomst en het alterneringsplan. De opleidingsovereenkomst is een contract tussen de CDO/externe promotor, de jongere en de werkgever. Dit contract geldt voor maximum 800 effectief gepresteerde uren, al dan niet onderbroken of schooljaaroverstijgend. Ook het alterneringsplan wordt getekend door alle partijen, dit document dient als opvolging. Alle evaluaties van de jongere worden aangeduid op dit document zodat alle partijen de evolutie van het traject kunnen volgen. ESF voorziet de financiering van het brugproject. Het bedrag voor de organisator dat ESF uitreikt is het toegekende aantal uren vermenigvuldigd met 3,55 euro. Het bedrag dat de jongere verdient per gepresteerd uur is het aantal uren vermenigvuldigd met 3,40 euro. (Departement Onderwijs en vorming, 2013) De arbeidsdeelname De arbeidsdeelname heeft, volgens de wet, de doelstelling om de jongeren een alternerende en kwalitatieve tewerkstelling te bieden in openbare of reguliere bedrijven om zo hun kansen op de arbeidsmarkt te verhogen. Concreet houdt dit in dat de jongere gedurende drie dagen in de week meewerkt in een bedrijf in het normaal economisch circuit en het vak al doende leert. (Van Kerkhove, Alternerend leren voor deeltijdse leerplichtigen, 2013) De Vlaamse overheid subsidieert op basis van het aantal effectief gepresteerde arbeidsuren. De subsidiëring gaat in dit geval naar de betrokken werkgever en niet naar het centrum deeltijds onderwijs. Op die manier hoopt de overheid de kandidatuurstelling van reguliere bedrijven - om een jongere uit het deeltijds onderwijs te werk te stellen - te stimuleren. Leren op de werkplek moet vertrekken vanuit het perspectief van levenslang leren. Werkplekleren kan bijdragen tot het wegwerken van knelpuntberoepen maar draagt ook bij om de overgang van leren naar werken te vergemakkelijken. De werkplek moet beschouwd worden als een unieke leeromgeving, waar een jongere zijn loopbaancompetenties kan opbouwen. Werkplekleren moet twee essentiële elementen 11 Art 101 Decr. Vl. 2 september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober 2008

19 12 omvatten namelijk een bedrijf vinden dat zijn werkplaats ter beschikking stelt en zorgen dat de werkplaats past binnen een opleidingstraject waarbij de lerende na beëindiging een attest ontvangt. Werkplekleren is dus altijd een onderdeel van een opleidingstraject. (SERV, Werkplekleren: creativiteit en passie in het leerproces, 2011) Ondanks het feit dat deeltijds onderwijs in ons land de koploper is van het werkervaringsleren, blijkt uit onderzoeken dat er nog een aantal knelpunten zijn. De knelpunten worden duidelijk in een rondtafelgesprek met een aantal werkgevers, georganiseerd door Unizo. De motivatie van de jongere om tewerkgesteld te worden in een bepaald bedrijf is allesbepalend. De leer en werkcomponent van het deeltijds onderwijs is niet altijd alternerend. De leerling te werk stellen primeert op de aard van het werk. (De Wilde, 2013) Robert Voorhamme schreef in zijn boek "de school is van iedereen" een belangrijke conclusie. In andere landen van Europa zoals Duitsland, Nederland of Zwitserland worden de leerlingen voor de inschrijving in een centrum deeltijds onderwijs gescreend. Enkel de leerlingen die reeds een arbeidscontract hebben met een werkgever, worden ingeschreven in de hooggeprezen opleidingen. Hierbij sluiten de leer -en werkcomponent goed op elkaar aan, maar is er geen plaats voor leerlingen die nog niet klaar zijn voor de arbeidsmarkt. Er moet een duidelijke keuze worden gemaakt: ofwel een goede aansluiting van de leer -en werkcomponent ofwel een systeem waarbij elke jongere wordt opgevangen maar waarbij er wachtlijsten zijn. Het ene is niet beter dan het andere, maar het moet duidelijk zijn voor welke strategie men kiest. (Voorhamme R., 2012) Een belangrijke voetnoot bij dit onderdeel, is dat meerderjarige leerlingen alleen kunnen instromen in de arbeidsdeelname. Het POT, VT en BT stoppen als de leerling de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Als een meerderjarige leerling 12 gedurende het schooljaar 30 dagen (60 halve dagen) problematisch afwezig is, dan wordt de leerling uitgeschreven omdat deze niet meer voldoet aan een voltijds engagement. Het is quasi onrealistisch om jongeren 30 volle dagen te geven om een reguliere tewerkstelling te zoeken, maar de wet moet worden toegepast. Bij uitschrijving worden de jongeren doorgestuurd naar de VDAB, waar ze verder worden opgevolgd. (VLOR, 2014) Daarnaast blijkt dat het moeilijk is voor de centra om werkervaringsplaatsen te vinden en te behouden. Hier rond is geen strategie of stappenplan uitgewerkt. Uit het onderzoek van Leens en De Rick, van het HIVA uit 2008 kwam naar voren dat de communicatie tussen de centra de VDAB en Actiris in Brussel vaak stroef verloopt. Het decreet van 2008 moest ervoor zorgen dat er een protocol werd uitgewerkt tussen VDAB en Actiris maar dit is, zes jaar later, nog steeds niet gebeurd. Hierdoor verloopt de inschrijving van leerlingen in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest niet zonder problemen. (Leens & De Rick, Een voltijds engagement in het deeltijds onderwijs, 2008) Ook het VLOR heeft omtrent dit thema een bevraging gedaan bij werkgevers, en kwam tot de conclusie dat de deeltijds lerenden onder een grote diversiteit aan contracten tewerkgesteld worden:leerovereenkomst, deeltijds arbeidscontract, brugovereenkomst, interimcontract, vrijwilligerscontract, enz. De veelheid aan contracten, en het gebrek aan eenduidigheid zijn een duidelijke belemmering voor de werkgevers om in te stappen in dit traject. (VLOR, 2014) 12 Art. 60 Decr.Vl. 2 september 2013 houdende wijziging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2008 houdende regeling van het stelsel leren en werken, BS 3 oktober 2008

20 13 Dit zijn slechts een aantal verklaringen en gegevens die het resultaat waren van vorige onderzoeken. In het volgende hoofdstuk worden de gekende knelpunten opnieuw afgetoetst en onder de loep genomen zodat de huidige situatie duidelijker wordt. 2 Het onderzoek 2.1 Onderzoek kaderen Mijn doelstelling van dit onderzoek was zowel de ervaringen van alle stakeholders samenbrengen als de effectiviteit van de voortrajecten meten in Vlaanderen. Om deze doelstelling te verwezenlijken, kwam ik tot de volgende onderzoeksvraag: zijn de hedendaagse voortrajecten een nuttige stap in het deeltijds onderwijs? Dit is een heel brede onderzoeksvraag, ik heb daarom besloten om deze onderzoeksvraag op te delen in verschillende niveau s. Op het microniveau bevinden zich de jongeren, waar vooral de vraag rijst: wat betekenen de voortrajecten voor de jongeren? En zien zij de voortrajecten als een nuttige stap in hun traject? Op het mesoniveau bevinden zich de promotoren van het voortraject en de CDO s. Ook hier kwamen een aantal vragen aan bod: zijn de knelpunten van vorige onderzoeken nog steeds relevant? Zijn er nieuwe knelpunten? En vormt het voortraject een meerwaarde binnen het deeltijds onderwijs? Op het macroniveau bevinden zich de werkgevers waarbij de jongeren worden tewerkgesteld. Hier wil ik vooral focussen op hun ervaringen met de jongeren uit het deeltijds onderwijs. Daarnaast zou ik ook graag een antwoord willen formuleren op de vraag of de werkgevers en de CDO s dezelfde verwachtingen hebben omtrent de doelstellingen die de jongeren moeten bereiken. Ook op het macroniveau bevindt zich het ROP. Het ROP werd opgericht bij de invoering van het decreet leren en werken in 2008, maar biedt het ROP een meerwaarde voor het deeltijds onderwijs of is dit slechts een decretale verplichting? In deze scriptie heb ik als laatste nog een extra macroniveau toegevoegd, om de antwoorden die ik heb gevonden op de deelonderzoeksvragen, terug te koppelen naar de beleidsmakers. Kennen ze de knelpunten die het werkveld aangeeft? En belangrijker, wat proberen ze te ondernemen om deze knelpunten aan te pakken? 2.2 Onderzoeksopzet Onderzoeksbenadering en methode Voor de opzet en de uitvoering van het onderzoek heb ik gekozen voor een kwalitatieve benadering. Namelijk om alle onderzoeksvragen beantwoord te krijgen, leken diepteinterviews de beste keuze om tot een optimaal resultaat te komen. Door de tijdsinvestering in diepte-interviews en de beperking in tijdsbesteding door mijn voltijdse stage zijn er kwantitatief gezien een beperkt aantal personen geïnterviewd.

21 14 Voor de onderzoeksmethode heb ik gekozen voor backcasting. Dit wil zeggen dat we vanuit de ideale situatie terugredeneren naar de huidige situatie, met andere woorden welke stappen zijn er nodig om het doel te bereiken Onderzoeksuitvoering In een eerste fase heb ik via de website van het Departement Beroepsonderwijs een lijst aangevraagd met alle Centra Deeltijds Onderwijs. Aan de hand van deze info stelde ik een lijst met criteria op waaruit ik de centra kon selecteren zodat mijn bachelorproject representatief is. De uiteindelijke selectiecriteria waren: - Minstens één centrum voor deeltijds onderwijs uit elke Vlaamse provincie plus het Brusselse gewest - Een goede variatie tussen grootsteden en kleine steden - Verschillende centra die met verschillende voortrajecten werken - Onderscheid maken tussen hoofdgebouwen en vestigingen Uiteindelijk stelde ik een voorlopige lijst op en contacteerde de centra. Met de centra die enthousiast waren om mee te werken, werd meteen een datum geprikt. Er waren enkele centra die eerst twijfelden, maar uiteindelijk namen alle gecontacteerde centra deel aan het onderzoek. Nadat de centra gecontacteerd waren, heb ik ook de verschillende voortrajecten die met deze centra samenwerkten gecontacteerd. De personen die werden geïnterviewd kunnen in de volgende categorieën worden ondergebracht: - Promotoren van het voortraject o Coördinatoren o Voortrajectbegeleiders - Centra deeltijds onderwijs o Coördinatoren o Trajectbegeleiders o Leerlingenbegeleiders - Jongeren die het voortraject reeds hebben afgerond o Jongeren met een succesvolle doorstroom o Jongeren die hun uren in het voortraject hebben opgebruikt o Jongeren zonder voltijds invulling - Werkgevers van brugprojecten De bedoeling van de afgenomen interviews was zoveel mogelijk te peilen naar de ervaringen, bezorgdheden en standpunten van de betrokken stakeholders omtrent de voortrajecten. Ik heb ervoor gekozen om semigestructureerde interviews af te nemen bij de betrokken actoren. Dit zijn interviews met vooraf bepaalde topics, maar die niet in een vaste volgorde afgewerkt dienden te worden alsook was er ruimte voor de betrokkenen voorzien om extra informatie te geven of bedenkingen te formuleren. Naast de interviews met de stakeholders had ik nog enkele andere interviews gepland om de knelpunten en bekommernissen die voortkwamen uit de interviews met de stakeholders, te bespreken. Een kritisch interview was met Erik Van Woensel, algemeen coördinator van Arktos, die in 2009 besloot om de voortrajecten binnen zijn organisatie stop te zetten. Een ander kritisch interview was gepland met een ambtenaar van de

22 15 Dienst Beroepsopleiding van het Departement Onderwijs en Vorming en een medewerker van het Kabinet van de minister van onderwijs Pascal Smet. Deze interviews zijn geannuleerd omdat de goedkeuring van de evaluatie van het decreet is toegekend aan de KULeuven. Het Departement wil daarom ook geen verdere commentaar geven omtrent de knelpunten omdat ze eerst de evaluatie willen afwachten. Daarom heb ik Koen Stassen, medewerker van de Vlaamse Onderwijsraad en Steef Corijn, voorzitter van het ROP Brussel gecontacteerd, om met deze experten kritische interviews af te nemen. De analyse van gegevens (interviewnotities en opnames) werden allemaal uitgetypt en doorgestuurd naar de betrokken actoren voor eventuele aanpassingen en/of aanvullingen. Daarna werden de verschillende topics en antwoorden gecodeerd om zo een analyse te vergemakkelijken De dataverzameling in cijfers In tabel 1 is het algemene overzicht van de dataverzameling te vinden. Voor verdere verduidelijking over welke personen waar zijn geïnterviewd, verwijs ik door naar bijlage 1. Tabel 1: algemeen overzicht interviews (bron: eigen survey) Succesvolle contacten Mislukte contacten Promotoren voortraject 8 1 Centra deeltijds 10 0 onderwijs Jongeren 24 2 Werkgevers 7 10 Kabinet minister Smet 0 1 Departement 0 1 Beroepsonderwijs Ex-promotor voortraject 1 0 Regionaal 1 0 Overlegplatform VLOR Analyse en rapportering Dit hoofdstuk is samengesteld uit vier paragrafen. De eerste paragraaf biedt een analyse op microniveau, namelijk de onderzoeksvragen die aan de jongeren voorgelegd werden, worden hierin behandeld. In de tweede en derde paragraaf worden de onderzoeksvragen op mesoniveau beantwoord. Hierbij is de tweede paragraaf gewijd aan de promotoren van het voortraject en de derde aan de centra deeltijds onderwijs. Aangezien de vragen grotendeels overeenkomen, is er een voortdurende vergelijking tussen deze paragrafen. In de laatste paragraaf bespreek ik de onderzoeksvragen op het macroniveau namelijk de werkgevers De jongeren De doelgroep van het voortraject Zoals reeds eerder beschreven omvat de doelgroep jongeren uit het deeltijds onderwijs die reeds willen gaan werken voordat hun voltijdse leerplicht is afgelopen. Idealiter

23 16 zouden deze jongeren twee dagen naar school gaan en drie dagen werken. Maar niet alle jongeren zijn meteen klaar om te gaan werken, en moeten eerst wat randvoorwaarden wegwerken. Het zijn vaak jongeren die bepaalde attitudes, om diverse redenen, nog niet bezitten. Mogelijke werkpunten zijn het aanpakken van een aantal persoonlijke problemen of het bijspijkeren van hun arbeidsattitudes alvorens ze succesvol kunnen doorstromen naar regulier werk. Maar de laatste jaren is er een nieuwe Toen ik 15 was, schakelde ik over tendens. Tegenwoordig zijn er vooral jongeren van ASO naar het CDO. De die wegens negatieve ervaringen in de leerkrachten vonden dat ik geen reguliere scholen, schoolmoe zijn, waarbij ook concentratie had en dat ik iets sprake is van een spijbelproblematiek en die anders moest zoeken. Dit was de geen toekomstvisie hebben. Ze zijn niet meer grootste vergissing die ik tot nu toe gemotiveerd om naar school te gaan maar heb gemaakt. - Leerling, 17 willen ook niet gaan werken. Ze houden zich jaar vast aan het deeltijds onderwijs omdat ze daar ook nog een laatste kans hebben op een diploma. Voor velen wordt het deeltijds onderwijs gezien als de laatste strohalm van het onderwijssysteem, als het nergens lukt, kan men daar nog terecht. Maar dit is geen correcte visie, het deeltijds onderwijs is een systeem evenwaardig aan andere onderwijsvormen. Tien jaar geleden kwamen zeer gemotiveerde jongeren, om diverse redenen, naar het CDO om een job aan te leren. In tegenstelling tot 10 jaar geleden, zien we nu veel jongeren die het slachtoffer zijn geworden van het watervalsysteem. Dit wil zeggen dat ze uit het voltijds onderwijs vertrekken wegens attitude of leerstoornissen en dan in het deeltijds onderwijs terechtkomen als laatste uitweg terwijl ze eigenlijk niet willen werken. Een leerlingenbegeleidster verklaart: door deze verschuiving is er vaak een dilemma om het getuigschrift tweede graad uit te reiken aan een jongere. Want langs de ene kant verdient hij of zij het niet, of heeft hij of zij deze niet gehaald. Maar juist omdat we weten dat een jongere nergens terecht kan zonder dat getuigschrift, wordt dit wel vaak gegeven aan jongeren ook al voldoen zij niet aan de gevraagde competenties. Ook bij de trajecten levert deze verschuiving grote problemen op. Op dit moment dienen de voortrajecten vaak als opvang voor jongeren voor dat ze een beter traject krijgen. Hierdoor missen de voortrajecten hun doel. Want deze jongeren komen naar het Ik wil niet uit het voortraject, het is hier veel te fijn. - Leerling, 17 jaar voortraject, maar willen niet doorstromen. Het voortraject is enkel zinvol en kwaliteitsvol als er een groep jongeren zit die willen werken maar op één of andere manier nog enkele drempels moeten overbruggen. Een knelpunt voor een aantal jongeren, voor deze die reeds te werk worden gesteld in een brugproject of reguliere tewerkstelling, is dat het verboden is om vakantiewerk uit te voeren. Dit wil zeggen dat de jongeren 2 maanden inactief zijn, omdat het een verhaal is van verschillende statuten (deeltijds werkende tegenover studentenjob in de vakanties). Maar de jongeren mogen het traject niet verder zetten als het CDO gesloten is. Hierdoor wordt deze jongeren een grote kans ontnomen. K. Stassen verklaart: het is belangrijk dat de jongeren ervaring blijven opdoen en actief blijven. Werkgevers die de jongeren te

24 17 werk stellen onder het jaar en tevreden zijn, zouden deze zeker laten werken in hun bedrijven in de vakanties. Maar dit is gewoon niet nodig. De werkgevers investeren vaak veel in een jongere, het zou zonde zijn mocht die investering na de vakantie niets meer waard zijn. (Stassen, 2014) De problematiek van de niet-leerplichtige leerlingen Er worden steeds meer 18-jarigen ingeschreven in het deeltijds onderwijs. Dit komt door het feit dat men een evenwaardig diploma kan halen aan betere voorwaarden. De problematiek van de 18-jarigen is op dit moment dat bij 30 voltijdse dagen onwettige afwezigheid de jongeren wettelijk moet worden uitgeschreven. Deze jongeren kunnen niet instromen in de trajecten omdat ze meerderjarig zijn. Ze kunnen alleen instromen in de reguliere tewerkstelling, en die is moeilijk om te vinden, zeker als je maar 30 volle dagen de tijd hebt om een job te vinden. De centra proberen dit op te vangen door de jongeren vrijwilligerswerk te laten doen. Zo doen ze ervaring op en rekken ze wat tijd om een reguliere job te vinden. Maar het spreekt voor zich dat de jongeren hiervoor moeilijk te motiveren zijn. Die 18jarigen hoeven niet op school te blijven, maar ze willen vrijwillig hun traject afmaken. Dit is een doelgroep die je niet meer hoeft te bereiken, maar die er al gemotiveerd staat. Ze verdienen een traject dat inspeelt op hun noden en hun een kwaliteitsvolle doorstroom geeft naar een diploma en naar werk Begeleidster van een voortraject Daarnaast is er de bijkomende problematiek dat de plus 18-jarigen niet dezelfde voordelen hebben als de min 18-jarigen. Werkgevers die een min 18-jarige aannemen, krijgen verschillende voordelen zoals een extra vermindering van de RSZ. Dit krijgen ze niet meer indien ze plus 18-jarige in dienst nemen. Grafiek 1: Toekomst van de 18plus (bron: eigen survey) 7 Toekomst van 18plussers? CDO Promotoren 1 0 Trajecten verlengen Nieuwe trajecten Doorsturen naar VDAB/GTB

25 18 Hoe zou de toekomst van de 18plussers er dan moeten uitzien? In grafiek 1 worden de antwoorden van de promotoren vergeleken met de antwoorden van de centra. Beide stakeholders zijn het erover eens dat de nieuwe doelgroep moet worden opgevangen, maar de manier waarop verschilt duidelijk. Van de tien ondervraagde centra, vindt 60% dat de leeftijd van de huidige trajecten verhoogd moeten worden. Leeftijd betekent niets binnen het deeltijds onderwijs, alles draait om maturiteit en arbeidsrijpheid. Maar met deze voorwaarden zijn de promotoren van het voortraject niet akkoord omdat ze vinden dat er een te groot leeftijdsverschil zou zijn en dat dit niet opgevangen kan worden door het beperkt aantal beschikbare uren. Door geven van een kans op het behalen van een diploma secundair onderwijs, heeft het decreet de deur opengezet voor 18-plussers. Als de wetgever kiest om de deur open te zetten, moet deze doelgroep ook op een kwalitatieve manier worden opgevangen E. Vanwoensel 20% van de ondervraagde centra vonden dat er nieuwe trajecten moeten worden opgericht voor de 18-jarigen. Een verkort voortraject en nieuwe brugtrajecten zouden de 18-jarigen al een hele stap vooruit moeten helpen. Het verkort voortraject zou dan vooral moeten focussen op solliciteren en arbeidsattitudes. Deze mening deelden 90% van alle promotoren. In Brussel is er reeds zo een traject gestart, ook georganiseerd door JES vzw namelijk SPI (Socioprofessionele Inschakeling). Een intensieve sollicitatietraining voor plus 18-jarigen, met een paar uitzonderingen van min 18-jarigen. Ook in Genk is er een mini jobclub op school voor zowel de min als de plus 18-jarigen. Er zouden ook meer brugprojecten moeten komen, ook voor 18-plus jongeren, omdat dit een veilige omgeving is waar jongeren de arbeidsmarkt zelf kunnen ontdekken. Voor heel veel 18-plussers is deze tussenstap tussen school en regulier werk een echte noodzaak, en die is er op dit moment niet. Daarnaast zijn er nog twee ondervraagde centra en één promotor die vonden dat de 18- plus jongeren moeten worden uitgeschreven bij hun achttiende verjaardag. Het is zinloos om de voortrajecten en brugtrajecten te wijzigen met het oog op de inschakeling van 18- plussers. Deze jongeren hebben nood aan geld, niet aan een voortraject. Een leerlingenbegeleidster verklaart: het is de beste oplossing om de 18-plussers uit te schrijven en door te sturen naar VDAB of GTB waarbij ze een goede begeleiding krijgen naar tewerkstelling. Op dit moment is er nog geen optimale begeleiding bij deze instellingen, waardoor de scholen hun jongeren ook niet willen uitschrijven en hen in de kou laten staan. Maar bij een goede en aangepaste begeleiding, zouden de jongeren beter naar de VDAB worden gestuurd. De VDAB staat dan in voor een verdere begeleiding van de jongeren. Een kanttekening die hier moet worden toegevoegd is dat leren en werken misschien beschouwd zou kunnen worden als de gemakkelijkste weg naar een diploma. Het VLOR merkt dat je via gemakkelijke beroepscompetenties de huidige eindtermen van het deeltijds onderwijs kunt halen. K. Stassen verklaart: het is geweldig dat meerderjarige leerlingen hun diploma nog kunnen halen, maar we willen niet dat de werkgevers gaan denken dat het slechts- jongeren zijn uit het deeltijds onderwijs. We moeten dus opletten dat we niet naar te kleine of te gemakkelijke beroepskwalificaties gaan. We willen een devaluatie van het diploma vermijden. (Stassen, 2014)

26 De toestroom van BuSojongeren in het deeltijds onderwijs De laatste jaren schrijft zich een grote groep BuSojongeren in bij de centra deeltijds onderwijs. Een verklaring voor dit fenomeen is te vinden in de tegenhanger van de brugprojecten bij de BuSo-opleidingen namelijk de integratie BuSo. Dit is een extra jaar bovenop de opleiding waarbij de jongeren twee dagen naar school gaan en de rest van de week meewerken in een bedrijf. Dit project heeft oog voor een duurzame tewerkstelling vermits de jongeren op het einde van het jaar bij deze werkgever een vast contract krijgen. Tegenover deze tewerkstelling staat geen regulier loon, maar de jongere krijgt 500 euro per jaar indien ze voldoende aanwezig zijn op hun arbeidsplaats. Het probleem op dit moment is dat de BuSojongeren te werk worden gesteld op dezelfde arbeidsplaatsen als jongeren uit een brugproject die hiervoor 300 euro per maand verdienen. Alhoewel de BuSo integratie een zeer goede en effectieve inschakelingsmethode is, schakelen veel jongeren uit het BuSo over naar deeltijds onderwijs in de hoop meer te verdienen. Het niveau op het CDO ligt echter te hoog en ze nemen op die manier de plaats in van andere jongeren. De meeste BuSojongeren stoppen ook als ze achttien jaar zijn, zonder diploma of getuigschrift. Alle stakeholders zijn van mening dat de BuSojongeren veel beter worden opgevangen in het Bijzonder Secundair Onderwijs als er betere voorwaarden tegenover staan. K. Stassen van het VLOR is het niet eens met de stakeholders. Het VLOR ziet geen tweestrijd. Een paar weken geleden is het M-decreet gestemd in het Vlaams Parlement en zal vanaf schooljaar toegepast worden. Het M-decreet is een decreet waarmee de wetgever zoveel mogelijk jongeren wil laten doorstromen naar het normaal, inclusief onderwijs. Heel concreet betekent dit dat men wil proberen om zoveel mogelijk jongeren uit het BuSo onderwijs te halen omdat deze jongeren ondanks een beperking of een leerstoornis, een hoger niveau aankunnen. Dit zal ertoe leiden dat het deeltijds onderwijs de volgende jaren een grote stroom BuSojongeren mag verwachten. De CDO s moeten deze instroom niet zien als een probleem, maar als een uitdaging. Ze zullen moeten nadenken hoe ze hun aanpak en aanbod beter kunnen afstemmen op de doelgroep. (Stassen, 2014) Wordt het voortraject als zinvol ervaren? De meningen van de jongeren liggen verspreid. Van de 25 jongeren, vinden 17 jongeren (68%) het voortraject nuttig en hebben ze er iets van geleerd. 6 jongeren (24%) vond het voortraject tijdsverspilling en zeggen dat ze er niks aan gehad hebben. De restgroep (8%) vindt het voortraject een nuttig initiatief, maar vonden dat zij er niks geleerd hebben. Objectief gezien, is er een tevredenheid van 76% over het nut van het voortraject. De redenen waarom jongeren het voortraject al dan niet nuttig vonden, zijn te vinden in tabel 2. De voornaamste redenen waarom het voortraject nuttig wordt bevonden is dat de jongeren rijper uit het voortraject komen. Dit betekent voor de jongere dat ze een realistisch beeld van de Ik was een deugniet, ik lapte alle regels aan mijn laars. Het voortraject heeft me geleerd wanneer grapjes zijn toegelaten en wanneer het serieus moet zijn. Het heeft me volwassener gemaakt Nico, 17 jaar arbeidsmarkt en een realistische toekomstvisie hebben ontwikkeld. Daarnaast geven de jongeren ook vooral aan, dat ze in het voortraject zaten om hun arbeidsattitudes bij te spijkeren en dat de focus voor hen minder lag op solliciteren en bedrijfsbezoeken. Dit is

27 20 ook de conclusie van de voortrajecten, alhoewel de scholen om meer sollicitatietraining en bedrijfsbezoeken vragen. Tabel 2: meningen van de jongeren (bron: eigen survey) NUTTIG Ze zoeken samen met jou naar een job 1 Ze laten je nadenken over de toekomst 2 De puntjes op de i zetten omtrent attitudes 9 Leren solliciteren 2 Ze hebben me volwassener gemaakt 10 Ze bieden je werkervaring en 3 bedrijfsbezoeken We hebben leren omgaan met geld 2 Ik had nog geen werkervaring 3 TIJDSVERSPILLING Ze geven geen realistische werksituatie 2 Het is heel algemeen, niet specifiek op een 1 studierichting Het voortraject duurde te lang 5 We willen sneller geld verdienen 5 Het was een te grote groep 1 Het was gewoon om een voltijds 3 engagement te hebben De redenen waarom jongeren de voortrajecten tijdverspilling vinden, liggen verder uit elkaar. Het merendeel vond dat het voortraject te lang duurde. Hiermee werd de termijn bedoeld, en niet het aantal uren per dag. Werken en hiervoor verloond worden, is de hoofdreden voor jongeren om in het deeltijds onderwijs in te stappen, en dit is in het voortraject niet mogelijk is. Ze vinden het vooral belangrijk om zo snel mogelijk aan het werk te gaan. Over de inhoud van het voortraject hebben ze geen klachten Moet er meer worden ingezet op ouderparticipatie? We moeten meer inzetten op ouderparticipatie klinkt het zowel bij de promotoren als bij de CDO s. De jongeren moeten voortdurend gemotiveerd en geactiveerd worden, hierin spelen de ouders een essentiële rol. De promotoren verwachten dat de school inzet op ouderparticipatie. Ouderparticipatie is een gedeelde taak en verantwoordelijkheid. Wil men het volledige engagement van de ouders, moeten alle partners hieraan meewerken. 70% van de ondervraagde promotoren belt de ouders van de afwezige jongeren elke dag, bij de overige 30% neemt de school deze taak op zich.

28 21 Grafiek 2: ouderparticipatie op CDO (bron: eigen survey) Ouderparticipatie Verplicht Ouders verwittigen trajectovereenkomst bij verandering traject tekenen Niet - verplicht oudercontact Verplicht oudercontact De meeste scholen nemen hierin hun verantwoordelijkheid op. In Grafiek 2 valt af te lezen dat, van de tien centra, proberen er toch zeven de ouders uit te nodigen bij elk oudercontact voor elk rapport. Op drie centra zijn er verplichte oudercontacten waarbij de leerling vergezeld moet worden door een meerderjarige. Daarnaast verwittigen vijf centra de ouders als hun zoon of dochter kan doorstromen naar een ander traject. Twee van de centra verplichten ouders zelfs om een trajectovereenkomst te tekenen, bij deze formaliteit wordt ook een zo volledig mogelijke uitleg gegeven over de verschillende trajecten. Naast de scholen trachten ook de voortrajecten de betrokken ouders te bereiken. Maar het blijft een moeilijke doelgroep om te bereiken. Volgens S. Corijn kan dit geoptimaliseerd worden als ieder centrum de ruimte krijgt om geld, tijd en creativiteit te investeren in de ouders. Ouders moeten evenzeer gemotiveerd worden om zich te engageren om hun kinderen te motiveren en op te volgen. Ouders zijn vaak niet voldoende op de hoogte van de werking van de centra voor deeltijds onderwijs en de voortrajecten. Ouders vormen een aparte doelgroep en moeten ook zo aangepakt worden. Dit is een project van lange adem. (Corijn, 2014) De promotoren van het voortraject In deze scriptie had ik de kans om verschillende actoren in de verschillende voortrajecten te interviewen. Ik heb gekozen om vijf verschillende voortrajecten te interviewen, dit was het maximale aantal in de beschikbare tijd. Ik heb wel gekozen om enkele organisaties dubbel te interviewen omdat deze werkzaam zijn over heel België. Daarom koos ik om Groep Intro (Travak) zowel in Oostende, een grootstad, als in Genk te interviewen, omdat er toch een groot verschil bestaat in de aanpak tussen beide regio s ondanks dat het over dezelfde organisatie gaat. Daarnaast heb ik ook Profo vzw twee keer geïnterviewd, eenmaal in Hasselt en andermaal in Aarschot. De keuze om Profo vzw twee keer te interviewen vloeit uit het feit dat ze in Hasselt een externe locatie huren terwijl ze in Aarschot het voortraject organiseren op school. Als laatste heb ik ook JES vzw (Effect) twee keer geïnterviewd, eenmaal in Gent en een andermaal in Brussel.

29 22 Omdat Brussel een aantal extra knelpunten kent omwille van het verschil in overheden en de concurrentie van de Franse gemeenschap. Daarnaast heb ik ook Webwerkt+ (Ace) en De Ploeg vzw geïnterviewd, maar hier is er slechts één interview doorgegaan per organisatie De verschillende voortrajecten in vogelvlucht Allereerst zou ik de projecten inhoudelijk met elkaar willen vergelijken, vermits ze vaak reeds inhoudelijk anders worden ingevuld. Travak, het voortraject van Groep Intro, zet heel veel in op het imago van het voortraject: voortraject is geen bezigheidstherapie maar een broodnodig project. Dit beeld proberen ze duidelijk over te brengen naar de scholen en andere partners waar ze mee samenwerken. Heel concreet ziet het voortraject bij Travak er als volgend uit: ze houden groepsdiscussies omtrent de verschillende aspecten rond werk. Daarnaast worden er ook een aantal kleine projecten georganiseerd waardoor de jongeren de kans hebben om een heel concrete werkervaring op te doen. Verder focussen ze ook op het zelfbeeld van de jongeren en trachten ze met hen een realistisch toekomsttraject uit stippelen. In Genk wordt het voortraject gegeven in twee dagen. Travak kent in Genk drie groepen waarvan iedere groep maximum tien jongeren telt. Er is één begeleider per groep. Wat het voortraject in Genk typeert is dat ze een stukje bos hebben geadopteerd van Natuurpunt. De taak van de jongeren van het voortraject bestaat erin dit stukje bos naar behoren te onderhouden daarnaast bezoeken ze ook de brugprojecten om jongeren te laten zien wat het betekent om op de arbeidsmarkt ingeschakeld te worden. Een werkervaring kunnen op doen in een regulier bedrijf is onmogelijk, dit is een knelpunt en wordt later in deze scriptie besproken. In Oostende werkt het voortraject samen met twee scholen namelijk KTA en VTI en wordt het voortraject gegeven in drie voormiddagen van vier uur per groep. Wanneer een groep meer dan acht ingeschreven jongeren kent, komt er een tweede begeleider in de groep. Tegenwoordig zijn er ongeveer tien tot veertien leerlingen waardoor er een tweede begeleider vast bijstaat. Wat het voortraject in Oostende onderscheidt in vergelijking met de andere trajecten, is dat ze om de twee weken een vast individueel gesprekmoment hebben met de jongeren waardoor de jongeren heel bewust worden van hun werkpunten en waar ze zich op dat moment bevinden in hun traject. Profo vzw, probeert zoveel mogelijk in te zetten op tewerkstelling. Dit wil heel concreet zeggen dat ze bedrijfsbezoeken organiseren, brugplaatsen bezoeken en eigen projecten opstarten. Daarnaast proberen ze ook attitudegericht te werken door verschillende activiteiten te doen met de jongeren. Waar Profo vzw ook hard op inzet, zijn de kennis - en ervaringsuitwisselingen tussen de verschillende voortrajecten van Profo. In Hasselt wordt er samengewerkt met de volgende scholen: Technisch instituut Heilig Hart in Hasselt, CDO Provil te Lommel en CDO Beringen. Ze rekenen erop dat als er meer dan tien jongeren in een groep zitten, dat er een tweede begeleider bijkomt. Op dit moment lopen er in Hasselt twee groepen namelijk één op maandag en dinsdag en een andere op donderdag en vrijdag. Ze proberen elke dag te beginnen met iets luchtigs, om dan te werken aan een ernstiger thema met de jongeren, om in de namiddag opnieuw te eindigen met iets luchtigs. Ze werken ook per groep met modules, zodat elke groep het hele traject doorloopt.

30 23 In Aarschot heeft Profo een klaslokaal in de school. Hierdoor wordt er nog wat vastgehouden aan de schoolse structuur, ze hanteren dezelfde regels. Ook zij werken zowel met dezelfde groepsgrootte als structuur als Profo Hasselt. Daarnaast werken ze met een stappenplan, namelijk elke dag worden de volgende drie modules behandeld: sociale vaardigheden, een arbeidsgericht project en werken aan een thema. De Ploeg vzw, werkt met twee groepen en vaste instroommomenten (september, januari en april). Het voortraject steunt hier op vier pijlers namelijk leerwerkplaatsen, vormingen rond specifieke thema s, een luik ontspanning en bedrijfsbezoeken. Elke pijler moet ongeveer evenveel aan bod komen. Daarnaast heeft De Ploeg vzw het geluk dat zowel het voortraject als het brugtraject door hun georganiseerd worden waardoor ze de jongeren op een kwalitatieve manier kunnen matchen met een brugplaats waar de jongere bij past. ACE, het voortraject van Webwerkt, wil vooral een aanspreekpunt zijn voor de jongeren. Daarnaast vullen ze het voortraject in met bedrijfsbezoeken waarbij ze het arbeidsreglement toelichten want zelf meewerken in de bedrijven is niet mogelijk. Ze proberen ook competentiegericht te werken aan de hand van individuele gesprekken. Maar ze vinden dat er ook tijd moet zijn voor ontspanning, zodat alles in evenwicht blijft. ACE organiseert drie groepen met elk tien jongeren. Bij elke groep staat één begeleider. Effect, het voortraject van JES vzw, is heel erg gericht op het bijbrengen en bijschaven van competenties en attitudes van de jongeren. Via de competenties proberen de begeleiders de link te leggen met werk. Daarnaast wordt er van de jongeren verwacht om hun eigen projecten op te starten om zo concrete werkervaring op te doen zoals een verkoopactiviteit, ed. In Gent werken ze samen met één school namelijk De Rotonde en worden er twee voortrajecten georganiseerd. In elke groepen zitten acht à tien leerlingen en staat er één begeleider voor de groep. Ze proberen het voortraject in te vullen door een goed evenwicht te vinden tussen ontspanning, competentiegericht werken en vrijwilligerswerk. In Brussel is er het grote voordeel dat JES vzw een jarenlange duurzame samenwerking heeft met CDO Anneessens Funck. Er is een maximum van tien personen per groep. Wekelijks worden er twee groepen georganiseerd. Er staan twee begeleiders voor een groep en er zijn vaste instroommomenten Het Regionaal Overlegplatform als meerwaarde voor het deeltijds onderwijs Bij slechts de helft van de begeleiders is het Regionaal Overlegplatform gekend. Vooral de kennis omtrent de functie en de taken van het ROP zijn nihil bij de begeleiders van het voortraject. Het zijn vooral de coördinatoren die in deze raad zetelen. De vraag die zich opdrong was dan ook of het Regionaal Overlegplatform een meerwaarde is voor het voortraject? 80% van de ondervraagden is het ermee eens dat het Regionaal Overlegplatform een organisatorische meerwaarde biedt omdat het een goed beeld heeft van de diensten in het gebied, de instroom en doorstroom van de jongeren in de verschillende projecten. Daarnaast wordt er de planning doorgegeven voor het trimesterieel overleg en worden er de uren per project verdeeld. Het is een noodzakelijk orgaan dat zorgt voor afstemming en afspraken.

31 24 Het Regionaal Overlegplatform heeft geen inhoudelijke meerwaarde voor het voortraject. De vraag kan gesteld worden of dit nodig is. Op het ROP zijn vooral de coördinatoren vertegenwoordigd van de verschillende partners en een aantal externe partners en beleidsambtenaren. Het ROP is niet de plaats om de voortrajecten inhoudelijk te bespreken. Een begeleider uit een voortraject verklaart: Niemand laat op het ROP het achterste van zijn tong zien, dat zou een ondoordachte zet zijn omdat alle partners erbij zitten. Er moet meer inhoudelijke afspraken gemaakt worden tussen de verschillende partners van de voortrajecten en het werkveld moet meer betrokken worden, maar het ROP is hiervoor niet het geschikte platform. De vraag naar een orgaan waarbij voortrajecten ervaringen kunnen uitwisselen met de concurrenten is een veel gestelde vraag binnen de interviews. Maar liefst 90% vond dat er meer mensen uit het werkveld betrokken moeten worden in een overleg. Maar liefst 70% vond dat er een inhoudelijk overlegorgaan rond de voortrajecten moet worden opgericht om zo verbetering na te streven. Het zou zeker een meerwaarde en een noodzaak zijn om zo een werkgroep in elk ROPgebied in te voeren. Een werkgroep waar enkel de CDO s en de voortrajecten, heel specifiek en inhoudelijk, gezamenlijk de voortrajecten kunnen verbeteren Hoe verloopt de communicatie? Bij de acht voortrajecten werd de vraag gesteld, hoeveel contact er is met de school van de jongeren. Deze resultaten zijn te zien op Grafiek 3. Alle acht voortrajecten hebben alterneringsgesprekken, dit is wettelijk bepaald. Over het doorgeven van de aanwezigheden is er een klein verschil: drie voortrajecten sturen wekelijks een mail met alle aanwezigheden van die week. Acht voortrajecten bellen dagelijks naar de school om de afwezigheden door te geven, in dit cijfer zit ook Profo Aarschot gerekend die dagelijks de afwezigheden mondeling doorgeeft op school. Er is aangetoond dat de voortrajecten die dagelijks contact hebben met de school, de communicatie positiever ervaren dan de voortrajecten die wekelijks contact hebben via mail. Dit komt omdat aan de telefoon nog informeel wordt gepraat over de jongeren en het blijkt dat de voortrajecten hier nood aan hebben. Daarnaast geven vijf voortrajecten aan dat ze inspraak hebben in de doorstroom van een leerling maar dat de school uiteindelijk de knoop doorhakt. Slechts twee voortrajecten, waaronder Profo Aarschot, hebben op regelmatige basis informele contacten met de school. In diezelfde twee gevallen mogen de promotoren zetelen in de klassenraad en kunnen ze hun mening omtrent het al of niet doorstromen bespreken. Ook hier werd de communicatie beter ervaren omdat de promotoren van het voortraject het gevoel hadden dat er echt geluisterd werd naar hun mening.

32 25 Grafiek 3 : communicatie VT en CDO (bron: eigen survey) Communicatie voortraject en CDO Als administratieve taak moeten de voortrajecten de chronologische fiche invullen. In deze chronologische fiche moeten de promotoren op het einde van het traject van de jongere, de doorstroom van de leerlingen invullen. Op de vraag of er nood was aan een structureel instrument waarbij de promotoren meteen kunnen kijken welk traject een jongere volgt, ging 80% van de promotoren akkoord. De andere 20% vraagt informeel na of heeft toegang tot het systeem van de school waar ze de doorstroom reeds kunnen opvolgen. Als een jongere doorstroomt, weten de promotoren naar welk traject. Maar eenmaal dat de chronologische fiche is ingevuld, zijn de voortrajecten niet meer op de hoogte van de volgende trajecten. Dit is jammer, volgens de promotoren, want pas in de latere doorstroom naar verschillende trajecten wordt het effect van het voortraject duidelijk. Maar alle promotoren zijn het eens, het zou een leuk instrument zijn, maar er zijn andere prioriteiten waar ze liever de focus opleggen De grootste knelpunten volgens de promotoren Het grootste knelpunt is en blijft de financiering. Toen het decreet werd opgemaakt in 2008 werd er flexibel omgesprongen met de financiering In alle jaren zijn er vele acties ondernomen en voorstellen geformuleerd om de financiering te verbeteren. Het beleid heeft hier nooit gehoor aan willen geven. P. Manghelinckx Je legt als begeleider een heel traject af met een bepaalde jongere, het zou enorm tof zijn om deze jongere te kunnen volgen in de rest van zijn of haar traject begeleider van een voortraject van de voortrajecten. Op dat moment bestond er een minimum financiering maar kon je als organisatie mits motivering extra financiële steun krijgen. Dit wil zeggen dat je het aantal ingeschreven jongeren in de voortrajecten bekeek, de noden noteerde en dan een raming maakte voor de kosten. Daarna werd dit gewijzigd naar zeventien euro per gepresteerd uur per jongere. Dit bedrag is naderhand nog gedaald, en op dit moment is het veertien euro per gepresteerd uur per jongere. Het voortraject is bij elke promotor een verlieslatende post, terwijl een breakeven het minimum

33 26 moet zijn. Met het geld dat je nu krijgt, kan je als organisatie net het loon van de begeleider betalen als de jongeren komen opdagen en al hun uren effectief presteren. De financiering was ook de belangrijkste reden waarom Arktos vzw in 2009 besloot om de voortrajecten stop te zetten. Arktos vzw was op dat moment de grootste aanbieder van voortrajecten in Vlaanderen. E. Vanwoensel, algemeen coördinator van Arktos vzw verklaart: We konden niet de juiste kwaliteit leveren die de jongeren verdienden, omdat we gewoon het geld er niet voor kregen. Om een breakeven te draaien moeten er minimaal acht jongeren elk uur effectief presteren. In een groep waar er maximum tien a twaalf leerlingen worden toegelaten, betekent dit een permanente aanwezigheid van jongeren van 80%. Dit is onrealistisch met de doelgroep van het voortraject. Als voortrajecten op dezelfde manier als het POT gefinancierd zouden worden, namelijk per ingeschreven jongere en niet per effectief gepresteerd uur, dan zou Arktos vzw het overwegen om opnieuw de voortrajecten te organiseren. (Vanwoensel, 2014) Hierbij samenhangend beschikken de meeste voortrajecten over onvoldoende didactische middelen om een voortraject naar behoren te runnen. Profo Hasselt moet een lokaaltje huren, waar ze geen materiaal ter beschikking hebben om de jongeren aan het werk te zetten. Andere voortrajecten hebben het geluk dat ze in een goed uitgebouwde organisatie zitten die hen alle didactische middelen ter beschikking stelt zoals JES vzw of Groep Intro. Maar daar worden de lonen en omkadering betaald met het geld uit hun andere projecten. Dit kan niet de bedoeling zijn. Een ander aspect dat samenhangt met het kostenplaatje is het aantal begeleiders per groep. Op dit moment werken slechts twee voortrajecten van de acht met twee begeleiders per groep. Elke begeleider en coördinator die geïnterviewd werd, vindt een tweede begeleider een noodzaak. Bij JES vzw is het zelfs een regel: twee begeleiders, of geen voortraject. Een begeleider bij Groep Intro verklaart: als er problemen zijn met een persoon in de groep, is het noodzakelijk dat deze persoon uit de groep verwijderd wordt en dat de andere begeleider verder kan met de groep. Op dit moment, moet je verplicht de jongere naar huis sturen omdat je de groep niet alleen kunt laten. Een tweede begeleider aanstellen is voor de meeste voortrajecten onmogelijk omdat de financiering het niet toelaat. Een ander knelpunt dat deels met de financiering samenhangt, is de mobiliteit van de jongeren. Vroeger kregen de jongere één euro per effectief gepresteerd uur dat ze in het voortraject zaten, op die manier was er een tegemoetkoming voor hun vervoersonkosten. In kleine steden zoals Turnhout, Aarschot, Genk en Hasselt is het al een enorme drempel voor de jongeren om een trein of busabonnement te kopen om ter plaatse te geraken. Mocht er wat speling zijn in de financiering, zouden organisaties hierin tegemoet kunnen komen. Ook de CDO s zijn hier vragende partij. Daarnaast kwam de vraag van drie voortrajectbegeleiders of er een mogelijkheid was om soepeler om te gaan met het maximum van 312 uur. Het zou de jongeren helpen indien de mogelijkheid zou bestaan om het aantal uren aan te passen aan de nood van de jongere. Niet alle trajecten zijn het hiermee eens. De andere vier trajecten vinden dat als de juiste doelgroep in het voortraject zit, de uren meer dan voldoende zijn. De lengte van het traject maakt niet uit, het draait om de kwaliteit van het traject. Hiermee samenhangend was er bij de helft van de voortrajecten het probleem van de doorlopende instroom, dit zijn de trajecten waar er geen wachtlijsten zijn. Als er steeds

34 27 leerlingen instromen, draait de groep op twee snelheden. Een aantal voortrajecten hebben na overleg met de school een aantal vaste instroommomenten vastgelegd. Maar hier ziet het CDO het knelpunt dat sommige jongeren een maand zonder invulling zitten omdat ze niet meteen kunnen instromen. In deze situatie is er geen goed en geen fout standpunt. Het zal van situatie tot situatie afhangen wat de beste werkwijze is Aftoetsen van stellingen Toen ik begon met deze scriptie, wou ik vertrekken vanuit twee bronnen. De eerste bron is Sven Sierens over aanklampen, kort op de bal spelen, grenzen verleggen en de klik maken (2007) een beschrijvend onderzoek rond voortrajecten vanuit de opdracht van ESF. In het kader van dit rapport had ik in oktober 2013 een interview met hem om een goed beeld te krijgen op de knelpunten binnen de voortrajecten. Zijn conclusie was dat regionale inbedding een oplossing zou kunnen zijn, namelijk dat de voortrajecten zich op één aspect of module zouden inwerken en de jongeren worden doorgestuurd naar het voortraject (lees: module) waar zij het meeste nood aan hebben. (Sierens, 2013) Grafiek 4: mening Sven Sierens afgetoest (bron: eigen survey) Mening VT omtrent regionale inbedding Akkoord mits voorwaarden Akkoord enkel voor jobclub Niet akkoord In Grafiek 4 wordt de mening van de promotoren weergegeven in een cirkeldiagram. Van de acht voortrajecten die ondervraagd zijn, gaat één voortraject akkoord onder bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn dat leerlingen met dezelfde werkpunten samen worden geplaatst waardoor deze elkaar stimuleren en de begeleiders van het voortraject hier ook beter op zouden kunnen inspelen. Daarnaast zou je ook een betere samenwerking hebben tussen de verschillende promotoren van het voortraject, iets waar veel nood aan is, gekeken naar het antwoord bij Regionale overlegplatforms. Twee promotoren van het voortraject zijn akkoord met regionale inbedding als dit specifiek gaat omtrent de jobclub. Jobclub was intensieve sollicitatietraining, het stond tussen het voortraject en het brugtraject, maar deze werd afgeschaft. Alle aspecten van het voortraject uit elkaar halen, is geen noodzaak, maar de jobclub afzonderen zou wel wenselijk zijn. De overige vijf geïnterviewde waren niet akkoord met regionale inbedding. De verscheidenheid aan modules maakt van het voortraject een totaalproject en geeft een

35 28 betere begeleiding. Hokjes denken proberen we zoveel mogelijk uit te sluiten. Door de verscheidenheid wordt tewerkstelling en innerlijke groei steeds door elkaar beïnvloed, men kan steeds bijleren van elkaar en elkaars werkpunten. Jongeren kunnen samen op weg gaan en elkaar helpen, heel concreet gezegd creëert het voortraject het groepsgevoel. Hieruit kunnen we afleiden dat volgens de promotoren het voortraject moet blijven in de vorm zoals het vandaag bestaat, met alle modules in één traject. De andere bron waarop ik deze scriptie heb gebaseerd is van Leens Rozelien en De Rick Katleen een voltijds engagement in het deeltijds onderwijs. (2008). Dit rapport werd door het HIVA vlak na het ingaan van het decreet leren en werken, gepubliceerd. Hierin werd aangehaald dat de voortrajecten te weinig inspelen op de hedendaagse arbeidsmarkt en teveel ontspanning geven. Daarom opteerden zij voor meer werkervaringsplaatsen en een aangepaste begeleiding op de werkvloer waar de jongeren zijn arbeidsattitudes bijspijkert in plaats van het volgen van een voortraject. (Leens & De Rick, Een voltijds engagement in het deeltijds onderwijs, 2008) Hierover lopen de meningen gelijk. De stelling van het HIVA is niet correct. Het is niet mogelijk dat het voortraject een realistische arbeidssituatie kan nabootsen, niet met vrijwilligerswerk noch met hun eigen projecten. Dit is niet realistisch want dan zou de jongere constant individuele begeleiding nodig hebben en mag hij voortdurend fouten maken zonder dat dit een probleem is voor de werkgever. De jongeren meteen op de werkvloer plaatsen is geen realistische doelstelling voor de doelgroep van het voortraject. Voortrajecten zijn in het leven geroepen omdat ze een veilige omgeving zijn waar jongeren fouten mogen maken en op hun tempo de arbeidsattitudes aanleren. Op die manier doet het voortraject aan empowerment, de jongere gaat werken op het moment dat hij/zij er zelf klaar voor is Is het voortraject een zinvol volgens promotoren? Eerder worden de knelpunten beschreven, maar de promotoren zijn van mening dat het voortraject de beste keuze lijkt te zijn. Biedt het voortraject een meerwaarde voor het deeltijds onderwijs en nog specifieker, voor de jongeren? Als begeleider van het voortraject ga je verder dan je arbeidsgerichte taak. Je probeert de jongeren hun wereldbeeld te verruimen. Dit is iets wat ze niet op de werkvloer zouden meekrijgen. Begeleider van het voortraject Het voortraject heeft als doelstelling de drempel naar de arbeidsmarkt te verkleinen. Het voortraject vangt een heel beperkte groep van jongeren op, en voor die jongeren heeft het voortraject zin. Het vergroten van het zelfvertrouwen en het bieden een stabiele basis om een toekomstige loopbaan uit te bouwen, moet het doel zijn van elk voortraject. Maar er zijn altijd verbeterpunten, de voortrajecten zouden nog specifieker moeten inspelen op de werkpunten van de jongeren en kwaliteitsvoller te werk kunnen gaan, alleen op die manier kan een duurzaam traject uitgebouwd worden. Om dat te kunnen verwezenlijken moeten de knelpunten wel aangepakt worden. Op dit moment is het voortraject een meerwaarde, maar men roeit met de riemen die men heeft. Het zou een grotere meerwaarde zijn, mocht aan de randvoorwaarden beter voldaan zijn.

36 De centra deeltijds onderwijs De screeningsperiode Wettelijk bepaald is dat elk CDO, bij de inschrijving van een jongere, een intakegesprek doet en de jongere screent gedurende een periode van veertien dagen. In deze periode wordt de jongere geobserveerd in verschillende situaties. Deze observatie bepaalt het traject waar de jongere kan instromen ( POT, voortraject of brugtraject) of dat de jongere reeds naar de arbeidsmarkt kan doorstromen. De screeningsvoorwaarden en instroommogelijkheden worden door de scholen zelf bepaald. In CDO Technisch Instituut Sint Lodewijk te Genk volgt er voor de jongere eerst een onthaal waarbij de verschillende opleidingen overlopen worden. Daarna volgt de screeningsperiode van veertien dagen waarop de jongere twee opleidingen kiest die hij graag zou doen. Hij loopt in de eerste week mee met één opleiding en in de tweede week met de andere. Tijdens deze proefdagen wordt de jongere geëvalueerd op praktijk, attitudes en het project algemene vorming (PAV). Daarna wordt op een klassenraad beslist welk traject het best voldoet aan de noden van deze jongere. Het traject dat wordt voorgesteld moet daarna worden goedgekeurd door de leerlingenbegeleider, de klastitularis, de ouders en de leerling zelf. Het Technisch Instituut Heilig Hart te Hasselt organiseert in de screeningsperiode een uitstap naar het Actionpark in Kiewit. Hier krijgt elke leerkracht enkele jongeren toegewezen om te observeren. In de volgende dagen krijgen de leerlingen ook een vragenlijst voorgeschoteld, aan de hand hiervan wordt hun graad van kennis bepaald. Op het einde van de veertien dagen bepaalt de klassenraad naar welk traject een jongere doorstroomt. In CDO VTI (Petrus en Paulus) te Oostende kiest de jongere een opleiding en wordt hij/zij gedurende veertien dagen geobserveerd. Op het einde van de 14 dagen beslist de klassenraad welk traject de jongere zal volgen. In KTA te Oostende wordt er eerst een intakegesprek met enkele persoonlijke vragen afgenomen. Hierna moet de VDAB screeningstest worden ingevuld. Daarna volgen veertien dagen van observatie voor de praktijkvakken, Frans en PAV. De jongeren worden dus zowel op kennis als op attitudes gescreend. In De Rotonde te Gent worden de jongeren gescreend op basis van de indruk die ze hebben achtergelaten in het intakegesprek, hun leeftijd en de observaties van leerkrachten in het kader van hun arbeidsattitudes. Na veertien dagen volgt er een overleg waarbij een voorstel tot traject wordt geformuleerd. In CDO De Vesten te Balen volgt er een screening van veertien dagen op de verschillende vakken op school. Daarna beslist een klassenraad welk traject het beste past bij een leerling. In PTS Leren en Werken te Boom krijgt de jongere in zijn/haar eerste veertien dagen op school verschillende testen voorgeschoteld om zowel kennis als vaardigheden te testen. Daarna volgt er een gesprek met een medewerker van het CLB en een trajectbegeleider met de vraag: Hoe zou de jongere functioneren op de werkvloer en op de arbeidsmarkt? Daarna wordt er een cel leerlingenbegeleiding opgericht die uiteindelijk beslist welk traject de jongere zal volgen. Deze cel bestaat uit een

37 30 trajectbegeleider (één voor de harde beroepen en één voor de zachte beroepen), een medewerker van het CLB, een leerlingenbegeleider en de coördinatrice. In CDO Damiaaninstituut te Aarschot worden de jongeren getest op een aantal modules. Daarna vormt de klassenraad een besluit over de trajectbepaling. In CDO Anneessens Funck te Laken krijgt elke jongere een intakegesprek. Dit is met een trajectbegeleider voor de min 18-jarigen. De plus 18-jarigen worden meteen doorgestuurd naar een tewerkstellingsbegeleider. Daarnaast krijgen de jongeren twee documenten die ze moeten invullen. Het eerste document is een bevraging over hun schoolverleden en hun werkervaring. Op het tweede document mogen de jongeren hun kwaliteiten en hun werkpunten aanduiden. Op basis van deze informatie en afgaande op het buikgevoel wordt op een klassenraad beslist naar welk traject de jongere doorstroomt. In CDO Noorderkempen te Arendonk kiezen de jongeren, als ze zich inschrijven, een opleiding. Gedurende veertien dagen worden ze geobserveerd, maar eigenlijk krijg je niet meer dan een eerste indruk. De veertien dagen zouden langer moeten zijn om een goede trajectbepaling te kunnen doen, aldus CDO Noorderkempen. De criteria waarop de keuze van het traject bepaald worden, worden door de centra zelf vastgelegd. In grafiek 5 staan de verschillende criteria opgelijst die scholen hanteren. Deze criteria worden in elk traject gehanteerd en de score hierop bepaalt de keuze van het traject voor de jongere. Zoals in de grafiek te zien is, speelt de leeftijd en de werkervaring van de jongeren een belangrijke rol in de beoordeling. Vijftienjarigen starten meestal in het voortraject, omdat ze nog te jong zijn om te gaan werken. De belangrijkste arbeidsattitudes scoren ook hoog als screeningscriteria, zoals stiptheid, omgaan met gezag, doorzettingsvermogen, omgaan met feedback, samenwerken en initiatief nemen. Dit zijn de attitudes die elke werkgever verwacht. Daarnaast screenen de scholen ook nog op andere attitudes die zij belangrijk vinden, maar deze verschillen per regio. Grafiek 5: screeningscriteria CDO's (Bron: eigen survey) Screeningscriteria

38 31 De scholen communiceren de verschillende criteria aan de hand van zelf ontworpen modellen. Ik had het voorrecht om al deze modellen te bestuderen. Omwille van het vertrouwelijk karakter is mij gevraagd deze modellen niet te publiceren. Uit de grafiek kunnen we afleiden dat er geen grote verschillen zijn in de attitudes waarop gescreend wordt, maar iedere school heeft zijn eigen accenten. Is er nood aan een uniform document voor alle centra? 80% van de ondervraagden vinden het een voordeel dat ze het zelf kunnen beslissen. Op die manier worden de modellen aangepast aan de centrumcultuur en aan de doelgroep. Hierdoor kan men maatwerk aanbieden, met andere woorden duidelijk inspelen op de noden van de leerling. Men heeft ook de ruimte om extra accenten te leggen op basis van eigen ervaringen en beroepskennis. 20% van de ondervraagden is het hier niet mee eens. Het zou makkelijker zijn mochten er eenduidige criteria zijn zodat niet elke school het warm water opnieuw moet uitvinden. Ook de promotoren van de voortrajecten zijn hier vragende partij. Promotoren die samenwerken met verschillende scholen, krijgen leerlingen doorgestuurd met verschillende profielen omdat elke school andere criteria hanteert. Hierdoor hebben ze vaak groepen die op twee tempo s draaien, dit bevordert de kwaliteit van het traject natuurlijk niet Wie volgt de jongeren op? Elk centrum bepaalt ook zelf wie de jongeren begeleidt in een bepaald traject. In Grafiek 6 kunnen we de resultaten van de bevraging naar het ankerpunt aflezen. De helft van de centra kiest voor groepsbegeleiding, dit wil zeggen dat er per traject een andere trajectbegeleider is en dat de jongeren doorstromen naargelang ze veranderen van traject. Grafiek 6: ankerpunt per CDO (Bron: eigen survey) Ankerpunt voor de jongeren? Er is geen document dat zwart op wit zegt welke jongeren naar welk traject moet doorstromen. Dit is regionaal bepaald en er is een gebrek aan een gemeenschappelijke visie. Dit is een knelpunt voor de promotoren die het wel zwart of wit willen zien. Maar de scholen verschuilen zich achter hun pedagogische vrijheid. Dit moet veranderen! E. Vanwoensel 20% Groepsbegeleiding 50% Trajectbegeleider per traject en LLNbegeleider 30% Trajectbegeleider per opleiding en LLNbegeleider

39 32 Dit geldt vooral voor de scholen in de grote steden. Voor de kleinere scholen ligt de verdeling anders. 30% van de centra hebben een trajectbegeleider en een leerlingenbegeleider die de jongeren individueel opvolgen om voor een optimale begeleiding te zorgen. 20% koos voor een trajectbegeleider afhankelijk van de opleiding van de jongeren (onderscheidt zachte en harde beroepen). Indien de jongere verandert van opleiding krijgt deze een nieuwe trajectbegeleider. Alle centra zijn tevreden over de manier van opvolging. Natuurlijk is het in de kleinere centra gemakkelijker om een vertrouwensband op te bouwen met de jongeren en hen gedurende het volledige traject te begeleiden. Hierbij moeten de begeleiders zich wel inwerken in alle trajecten. In grote centra is dit vrijwel onmogelijk waardoor ze kiezen voor groepsbegeleiding. Ieder systeem heeft voor- en nadelen, maar op dit moment zijn alle centra tevreden met de manier waarop zij het hebben opgelost Regionaal Overlegplatform Het Regionaal Overlegplatform is een duidelijke organisatorische meerwaarde voor de centra deeltijds onderwijs. Maar er werd duidelijk meegegeven dat dit geen inhoudelijke meerwaarde biedt. Het ROP staat voor interne kwaliteitszorg en er wordt gezocht naar verbetering. Deze verbetering omvat de verdeling van de uren, die vanuit het ROP gebeurt. Het ROP werd gezien als een meerwaarde voor het merendeel van de ondervraagden, maar niet voor iedereen. Maar ook het ROP kent een aantal werkpunten. Het zijn vooral de coördinatoren die hierin zetelen maar er is de vraag om het werkveld meer te betrekken. Daarnaast vinden 33% van de ondervraagden dat het ROP structurele veranderingen teweeg zou kunnen brengen maar dit gebeurt op dit moment niet. Voorbeelden hiervan zijn de gekende problematiek van de financiering en het aanbod aan urenaantal. Het ROP zou hierin tegemoet kunnen komen en oplossingen formuleren. Een ander knelpunt behelst de centra deeltijds onderwijs in de kleinere steden. Deze centra zijn vaak gebonden aan één voortraject, waardoor ze een apart groepje vormen. Waarbij de grote steden vaak de keuze hebben uit verschillende promotoren en het ROP vaker lobbyt voor de grote steden dan voor de kleine steden. In de kleine steden is het aantal plaatsen in de voortrajecten beperkt. Hier zou het ROP een rol kunnen spelen in de herverdeling van de uren Communicatie De communicatie tussen de centra deeltijds onderwijs en de voortrajecten is reeds eerder besproken. Grafiek 7 geeft een overzicht van de communicatie die volgens de centra bestaat. Ook hieruit blijkt dat er contacten zijn bij alterneringsgesprekken en de communicatie omtrent afwezigheden. Dit komt overeen met het hoofdstuk communicatie. Maar slechts in vijf centra (de helft van het totale aantal) zijn de promotoren bij het intakegesprek aanwezig. Normaliter moet de intake voor het voortraject gebeuren in aanwezigheid van de promotor. Daarnaast zetelen er slechts twee promotoren mee in de klassenraad. Dit is in verhouding met het totale aantal een laag cijfer. Hieruit blijkt dat de promotoren duidelijk meer nood hebben aan inspraak in de trajecten van de jongeren. De centra zijn niet akkoord met deze mening en vinden de samenwerking goed.

40 33 Grafiek 7: communicatie promotor en CDO (Bron: eigen survey) Communicatie promotor en CDO Ondanks dat er slechts één voortraject op de school zelf is, bezoeken toch zeven van de negen overige promotoren geregeld de school om een aantal zaken in orde te brengen. De school bezoekt het voortraject niet, tenzij er afspraken gemaakt zijn om de intake- of de alterneringsgesprekken op het voortraject te doen. Eén centrum is niet tevreden over het contact met het voortraject. Zij gaven als reden dat door het personeelsverloop (voortraject is geen job die mensen vele jaren doen) er steeds nieuwe contacten moeten worden gelegd. De communicatie zou beter verlopen mocht er een vaste coördinator in de organisatie zijn De grootste knelpunten volgens de CDO s Het is algemeen geweten dat de leer en werkcomponenten in het deeltijds onderwijs niet goed op elkaar aansluiten. Bij brugprojecten wordt er niet alternerend gewerkt. In een brugproject gebeurt de eerste kennismaking met de arbeidsmarkt en worden arbeidsattitudes bijgeschaafd. Reguliere tewerkstelling is wel altijd alternerend tenzij de leerling zelf een job heeft gevonden in een andere richting dan zijn opleiding. Dit wordt geaccepteerd omdat de leerling zelf op zoek is gegaan naar werk en het waarschijnlijk een job is die aansluit bij zijn of haar interesses. Een aantal knelpunten zijn reeds vermeld en worden hier slechts kort aangehaald. Er zijn op dit moment bij 70% van de ondervraagden wachtlijsten hierdoor is er een urgente vraag naar een groter aantal beschikbare uren in de voortrajecten. Het urenaantal moet meegroeien met het groeiende leerlingenaantal. Daarnaast zijn ook 80% van de ondervraagden voorstander van een hernieuwde invoering van de jobclub. In Genk en Laken is er een mini jobclub (zowel voor de min 18-jarigen als de plus 18-jarigen) op school of wordt die door een externe promotor georganiseerd, maar ook hier zouden er uren voor moeten worden vrijgemaakt. Als laatste knelpunt kwam de vraag vanuit de scholen om de voortrajecten meer arbeidsgericht te maken en ervoor te zorgen dat ze

41 34 een echte werkervaring simuleren. Dit knelpunt werd reeds opgenomen in het vorige hoofdstuk. Daarnaast rijst vanuit de centra de vraag naar een betere omkadering en infrastructuur voor de voortrajecten. Alle CDO s zijn zich ervan bewust dat op dit moment de financiering van de voortrajecten het niet toelaat maar vooraleer een voortraject kan worden opgestart moeten er reeds voldoende didactische middelen aanwezig zijn. De overheid kan niet verwachten dat zowel het loon van de begeleider, als de huur van het lokaal, als de didactische middelen gefinancierd kunnen worden met de toegekende middelen. Anderzijds zijn de CDO s het erover eens dat er door hen nog meer bemiddeld moet worden. Er zijn op dit moment te weinig werkgevers om de jongeren voldoende werkervaring te bieden. De werkgevers denken vaak dat ze risico s nemen door jongeren uit het deeltijds onderwijs aan te nemen. Jobcoaching met een bijhorende begeleiding gedurende het hele proces is een must om werkgevers warm te maken voor de doelgroep en het verlagen van de drempel om deze jongeren aan te nemen. Jobcoaching moet niet eerst beginnen als de jongere een contract heeft, maar bij de start van het traject Het aftoetsen van stellingen Ook bij de trajectbegeleiders en coördinatoren toetste ik de stellingen van mijn belangrijkste bronnen. Sierens gaf in zijn rapport de volgende conclusie: de regionale inbedding zou een oplossing kunnen zijn, namelijk dat de voortrajecten zich op één aspect of module zouden inwerken en de jongeren worden doorgestuurd naar het voortraject (lees: module) waar zij het meeste nood aan hebben. (Sierens, 2013). Hier waren de meningen verdeeld. De argumenten pro waren dat jobclub zich zou kunnen afscheiden van het voortraject, wat een duidelijke vraag is van alle partijen. Daarnaast zou het in de grootsteden een haalbare context moeten zijn waardoor je de jongeren zou kunnen doorschuiven in stapjes: beginnen bij zelfbeeld, dan naar attitudes en dan naar intensieve sollicitatietraining (doorstroom sterkere groepen). De knelpunten bij deze stelling zijn de onrealistische verwachtingen rond jongeren en de mobiliteit in de kleinere steden. Voor de jongeren is dit niet haalbaar. Daarnaast zagen ze het wel zitten om het voortraject op te splitsen in een beginnende groep en een sterke groep met een mogelijke doorstroom, maar alles opdelen in hokjes was geen optie voor de meeste centra. Daarnaast is het voortraject nog altijd een totaalpakket. Het HIVA haalde in 2008 aan dat de voortrajecten te weinig inspelen op de hedendaagse arbeidsmarkt en teveel ontspanning geven. Daarom opteerden zij voor meer werkervaringsplaatsen en een aangepaste begeleiding op de werkvloer waar de jongeren zijn arbeidsattitudes bijspijkert in plaats van het volgen van een voortraject. Ook hier zijn de meningen verdeeld. Deze stelling is correct vermits geen enkele jongere zich inschrijft in het deeltijds onderwijs om een voortraject te volgen. Er moeten meer brugplaatsen komen, zodat jongeren eerder kunnen doorstromen. Al doende leert een jongere veel meer. Het voortraject kan geen realistische arbeidssituatie simuleren. De jongeren zijn wel maatschappelijk kwetsbaar en daarom is er nood aan een individuele begeleiding. Op dit moment is er niet voldoende begeleiding in het brugproject. Daarnaast zou men ook plaatsen kunnen creëren waar een begeleider van het voortraject

42 35 en een aantal jongeren geregeld kunnen gaan werken, hierdoor heb je een ideale tussenstap tussen een voortraject en een brugtraject. Het knelpunt hierbij is dat het voortraject een heel specifiek traject is om jongeren door te laten stromen naar de arbeidsmarkt. Sommige jongeren hebben dit nodig en kunnen dit niet zomaar overslaan. Daarnaast is er in het voortraject de ruimte om herhaaldelijk fouten te maken zoals te laat komen, niet verwittigen, enz. Er is geen enkele werkgever die dit kan toelaten, terwijl dit wel een van de werkpunten van de doelgroep is. Hierdoor kan je niet werken met duurzame werkgevers, want voortdurend fouten maken en de boel ophouden, is wat een werkgever van de doelgroep mag verwachten. En geen enkele werkgever heeft het geduld om dit op te vangen. Een trajectbegeleidster verklaard: Daarnaast is met vallen en opstaan leren, pedagogisch onverantwoord. We streven positieve resultaten na. Sommige jongeren moet je in de dieperik gooien en die leren zichzelf zwemmen, andere hebben die tussenstap nodig Is het voortraject zinvol volgens de CDO s De meningen of het voortraject een meerwaarde vormt binnen het deeltijds onderwijs zijn verdeeld. In grafiek 8 zien we dat 50% vindt dat het voortraject op dit moment een meerwaarde biedt omdat het een invulling geeft aan een heel specifieke doelgroep. Ze begeleiden jongeren naar de arbeidsmarkt, een stap die essentieel is voor sommige jongeren. Werken aan attitudes is een noodzaak voor sommigen en mocht het worden afgeschaft, hebben een heel aantal leerlingen geen invulling meer en kunnen ook nergens anders instromen. Het voortraject gaat door binnen een niet-schoolse omgeving waardoor de jongeren heel informeel zichzelf leren ontdekken en werken aan een toekomstperspectief. Daarnaast is het voortraject een essentiële stap omdat, sinds het decreet, de positieve doorstroom nog nooit zo hoog is geweest. Grafiek 8: Meerwaarde van het voortraject (Bron: eigen survey) Voortraject een meerwaarde? Meerwaarde op dit moment Geen meerwaarde Meerwaarde mits verbetering De andere 50% van de ondervraagden vindt het voortraject een voltijdse invulling, maar zien het niet als een meerwaarde. Het zou een grotere meerwaarde kunnen worden, als de knelpunten hier rond zouden worden opgelost. Meer didactische middelen is een noodzaak, net als meer bedrijfsbezoeken en ervaringsdagen in reguliere bedrijven. De

Departement Onderwijs & Vorming

Departement Onderwijs & Vorming Leren en werken Departement Onderwijs & Vorming Inhoud Huidig stelsel leren en werken Stand van zaken: Duaal Leren. Een volwaardig kwalificerende leerweg. Stelsel leren en werken Deeltijds leerplichtige

Nadere informatie

Richtlijnen betreffende ALTERNEREND LEREN voor deeltijds leerplichtigen in de Centra Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs en de meewerkende bedrijven

Richtlijnen betreffende ALTERNEREND LEREN voor deeltijds leerplichtigen in de Centra Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs en de meewerkende bedrijven Dienst Beroepsopleiding ALTERNEREND LEREN DBSO 01.09.2010 31.08.2011 Richtlijnen betreffende ALTERNEREND LEREN voor deeltijds leerplichtigen in de Centra Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs en de meewerkende

Nadere informatie

Warme overdracht tussen leren en werken en de VDAB: visietekst

Warme overdracht tussen leren en werken en de VDAB: visietekst Raad Secundair Onderwijs 2 april 2015 RSO-RSO-END-1415-001 Warme overdracht tussen leren en werken en de VDAB: visietekst Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus 6 BE-1210 Brussel T +32 2 219 42 99 F +32

Nadere informatie

Richtlijnen betreffende ALTERNEREND LEREN voor deeltijds leerplichtigen in de Centra Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs en de meewerkende bedrijven

Richtlijnen betreffende ALTERNEREND LEREN voor deeltijds leerplichtigen in de Centra Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs en de meewerkende bedrijven Dienst Beroepsopleiding ALTERNEREND LEREN DBSO 01.09.2013 31.08.2014 Richtlijnen betreffende ALTERNEREND LEREN voor deeltijds leerplichtigen in de Centra Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs en de meewerkende

Nadere informatie

VLOR Studiedag spijbelen 23 oktober 2015

VLOR Studiedag spijbelen 23 oktober 2015 VLOR Studiedag spijbelen 23 oktober 2015 Programma 1. Voorstelling CDO Kortrijk: 2. Preventie schooluitval / aanpak spijbelproblematiek 2. Spijbelactieplan 4. Partnerschappen spijbelbeleid Persoonlijk

Nadere informatie

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.8 - Mei 2008-179-

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.8 - Mei 2008-179- Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.8 - Mei 2008-179- VLAAMS PARLEMENT SCHRIFTELIJKE VRAGEN FRANK VANDENBROUCKE VICEMINISTER-PRESIDENT VAN DE VLAAMSE REGERING, VLAAMS MINISTER VAN WERK, ONDERWIJS

Nadere informatie

Advies over de decreetwijziging betreffende de Regionale Technologische Centra (RTC)

Advies over de decreetwijziging betreffende de Regionale Technologische Centra (RTC) ALGEMENE RAAD 25 november 2010 AR-AR-KST-ADV-005 Advies over de decreetwijziging betreffende de Regionale Technologische Centra (RTC) Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus 6 BE-1210 Brussel T +32 2 219

Nadere informatie

Leren. w e rken. Perfect te combineren

Leren. w e rken. Perfect te combineren Leren & w e rken Perfect te combineren Alles over leren & werken Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen tel. 02 227 63 93 www.syntravlaanderen.be Alles over leertijd www.leertijd.be

Nadere informatie

AFKORTINGEN EN BEGRIPPENKADER Ervaringsbewijs begeleider buitenschoolse kinderopvang

AFKORTINGEN EN BEGRIPPENKADER Ervaringsbewijs begeleider buitenschoolse kinderopvang AFKORTINGEN EN BEGRIPPENKADER Ervaringsbewijs begeleider buitenschoolse kinderopvang BKO BSO CVO CVS ERSV ESF EVC EVK IBO K&G PLOT POP RESOC SERR SERV VBJK VCOK VDAB VDKO VLOR VSPW VZW Buitenschoolse Kinderopvang

Nadere informatie

> VAN LEREN EN WERKEN NAAR DUAAL LEREN? EEN REALITY CHECK!

> VAN LEREN EN WERKEN NAAR DUAAL LEREN? EEN REALITY CHECK! > VAN LEREN EN WERKEN NAAR DUAAL LEREN? EEN REALITY CHECK! Advies van scholieren over leren en werken in de toekomst Juni 2015 < verwijder geen elementen boven deze lijn; ze bevatten sjabloon -instellingen

Nadere informatie

LEERRECHT in het SBSO

LEERRECHT in het SBSO LEERRECHT in het SBSO Alle jongeren vanaf 13 jaar tot 21 jaar kunnen als regelmatige leerling in het buitengewoon secundair onderwijs worden toegelaten op basis van een inschrijvingsverslag. streeft ernaar

Nadere informatie

Het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het decreet leren en werken

Het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het decreet leren en werken Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel MEDEDELING referentienr. : M-VVKSO-2009-015 datum : 2009-03-30 gewijzigd : contact : Dienst Leerlingen en schoolorganisatie,

Nadere informatie

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.1 - Oktober 2009-465-

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.1 - Oktober 2009-465- Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.1 - Oktober 2009-465- VLAAMS PARLEMENT SCHRIFTELIJKE VRAGEN PASCAL SMET VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS, JEUGD, GELIJKE KANSEN EN BRUSSEL Vraag nr. 6 van 19 augustus

Nadere informatie

Actieplan deeltijds leren & deeltijds werken in de ouderenzorg. Mevrouw Betsy Jansen, Coördinator CDO Provil

Actieplan deeltijds leren & deeltijds werken in de ouderenzorg. Mevrouw Betsy Jansen, Coördinator CDO Provil Actieplan deeltijds leren & deeltijds werken in de ouderenzorg Mevrouw Betsy Jansen, Coördinator CDO Provil Campus Provil Duinenstraat 1 3920 Lommel DEELTIJDS BEROEPSSECUNDAIR ONDERWIJS Welkom in het deeltijds

Nadere informatie

Werkplekleren: de Vlaamse casus. Koen Stassen Stafmedewerker Vlor

Werkplekleren: de Vlaamse casus. Koen Stassen Stafmedewerker Vlor Werkplekleren: de Vlaamse casus Koen Stassen Stafmedewerker Vlor I. Huidige situatie Arbeidsmarktgericht secundair onderwijs Gesitueerd op EQF 2 t/m 4 Voltijds onderwijs: Beroepssecundair onderwijs (BSO):

Nadere informatie

Infobrochure CLW VTI Beringen Centrum voor Leren en Werken (Deeltijds onderwijs)

Infobrochure CLW VTI Beringen Centrum voor Leren en Werken (Deeltijds onderwijs) Infobrochure CLW VTI Beringen Centrum voor Leren en Werken (Deeltijds onderwijs) Geachte ouders, Beste jongere, Aan alle andere geïnteresseerden, Deze informatiebrochure heeft als bedoeling een kort inzicht

Nadere informatie

Onderwijs en vorming. 1 73.609 leerlingen. Streekpact 2013-2018 Cijferanalyse

Onderwijs en vorming. 1 73.609 leerlingen. Streekpact 2013-2018 Cijferanalyse Streekpact 2013-2018 Cijferanalyse Publicatiedatum: 30 september 2013 Contactpersoon: Kim Nevelsteen Onderwijs en vorming Samenvatting 73.609 leerlingen (2012) 16.981 kleuters 26.537 kinderen in het lager

Nadere informatie

Naam van de schoolexterne interventie: ipot Groep INTRO Brussel

Naam van de schoolexterne interventie: ipot Groep INTRO Brussel Naam van de schoolexterne : ipot Groep INTRO Brussel 1. Inhoud vd schoolexterne Algemeen kader 1 : Ontstaansgeschiedenis 2 Visie Belangrijke uitgangspunten Doelstelling(en) Doelgroep(en) 3 Duur van het

Nadere informatie

ONDERWIJSWOORDENLIJST VOOR SCHOOLRADERS ALS JE NIET HELEMAAL MEE BENT

ONDERWIJSWOORDENLIJST VOOR SCHOOLRADERS ALS JE NIET HELEMAAL MEE BENT ONDERWIJSWOORDENLIJST VOOR SCHOOLRADERS ALS JE NIET HELEMAAL MEE BENT < verwijder geen elementen boven deze lijn; ze bevatten sjabloon-instellingen - deze lijn wordt niet afgedrukt > Deze woordenlijst

Nadere informatie

Een voor ondernemingen en jongeren aantrekkelijk systeem van Duaal Leren in Vlaanderen. aanpak en proefprojecten

Een voor ondernemingen en jongeren aantrekkelijk systeem van Duaal Leren in Vlaanderen. aanpak en proefprojecten Een voor ondernemingen en jongeren aantrekkelijk systeem van Duaal Leren in Vlaanderen Voka aanpak en proefprojecten Ondernemers willen jongeren kansen geven en zetten duaal leren op de politieke agenda

Nadere informatie

Visietekst Trajectbegeleiding in de systemen van Leren en Werken

Visietekst Trajectbegeleiding in de systemen van Leren en Werken Raad Secundair Onderwijs 9 juni 2011 RSO-RSO-KST-END-001 Visietekst Trajectbegeleiding in de systemen van Leren en Werken Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus 6 BE-1210 Brussel T +32 2 219 42 99 F +32

Nadere informatie

Advies over de implementatie van ISCED 2011 in Vlaanderen

Advies over de implementatie van ISCED 2011 in Vlaanderen Algemene Raad PCA / 26 januari 2012 AR-AR-ADV-007 Advies over de implementatie van ISCED 2011 in Vlaanderen Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus 6 BE-1210 Brussel T +32 2 219 42 99 F +32 2 219 81 18 www.vlor.be

Nadere informatie

SPECIFIEKE LERARENOPLEIDING

SPECIFIEKE LERARENOPLEIDING SPECIFIEKE LERARENOPLEIDING NIEUW STRUCTUURSCHEMA schooljaar 2014-2015 1.Traject Specifieke Lerarenopleiding 1ste 2de 3de 4de diploma Hoger secundair onderwijs of Hoger onderwijs Algemene didactiek (80lt

Nadere informatie

Brussel, 21 januari 2004 210104_Advies_deontologische_code. Advies. deontologische code voor loopbaandienstverlening

Brussel, 21 januari 2004 210104_Advies_deontologische_code. Advies. deontologische code voor loopbaandienstverlening Brussel, 21 januari 2004 210104_Advies_deontologische_code Advies deontologische code voor loopbaandienstverlening Inhoud Op 2 december 2003 vroeg de Vlaamse Minister van Werkgelegenheid en Toerisme R.

Nadere informatie

Op-Stap Een oriëntatie- en activeringsmodule voor personen met een psychische kwetsbaarheid

Op-Stap Een oriëntatie- en activeringsmodule voor personen met een psychische kwetsbaarheid Op-Stap Een oriëntatie- en activeringsmodule voor personen met een psychische kwetsbaarheid Ontstaan Doorheen de jaren een stijging van het aantal aanmeldingen van personen met een psychische kwetsbaarheid.

Nadere informatie

Werkplekleren: leren doen doet leren 6 februari 2012

Werkplekleren: leren doen doet leren 6 februari 2012 Werkplekleren: leren doen doet leren 6 februari 2012 Workshop werkplekleren: opbouw Wat is werkplekleren? Uitgangspunt Waarom werkplekleren? Getuigenissen Wedstrijd Toekomst werkplekleren? Advies SERV

Nadere informatie

INFO-BROCHURE CENTRUM DEELTIJDS ONDERWIJS T.I. SINT-LODEWIJK

INFO-BROCHURE CENTRUM DEELTIJDS ONDERWIJS T.I. SINT-LODEWIJK INFO-BROCHURE CENTRUM DEELTIJDS ONDERWIJS T.I. SINT-LODEWIJK Halmstraat 6 A - 3600 Genk Tel: 089 38 58 12-089 84 30 58 Fax: 089 38 58 12 E-mail: dbso.tisl.genk@skynet. Verbonden aan : INFO-BRUCHURE Technisch

Nadere informatie

A D V I E S Nr. 1.747 ----------------------------- Zitting van woensdag 13 oktober 2010 -------------------------------------------------

A D V I E S Nr. 1.747 ----------------------------- Zitting van woensdag 13 oktober 2010 ------------------------------------------------- A D V I E S Nr. 1.747 ----------------------------- Zitting van woensdag 13 oktober 2010 ------------------------------------------------- Outplacement - werknemers van beschutte en sociale werkplaatsen

Nadere informatie

nr. 183 van EMMILY TALPE datum: 22 december 2015 aan PHILIPPE MUYTERS WIJ!-trajecten - Resultaten eerste oproep

nr. 183 van EMMILY TALPE datum: 22 december 2015 aan PHILIPPE MUYTERS WIJ!-trajecten - Resultaten eerste oproep SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 183 van EMMILY TALPE datum: 22 december 2015 aan PHILIPPE MUYTERS VLAAMS MINISTER VAN WERK, ECONOMIE, INNOVATIE EN SPORT WIJ!-trajecten - Resultaten eerste oproep De werkinlevingsovereenkomsten

Nadere informatie

De toelaatbaarheidsvoorwaarden voor inschakelingsuitkeringen

De toelaatbaarheidsvoorwaarden voor inschakelingsuitkeringen Bewijs van studies - De toelaatbaarheidsvoorwaarden voor inschakelingsuitkeringen Om recht te hebben op uitkeringen, moet u: - jonger dan 25 jaar oud zijn op het moment dat u inschakelingsuitkeringen aanvraagt;

Nadere informatie

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid» 1 Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid» SCSZG/15/116 ADVIES NR. 08/05 VAN 8 APRIL 2008, GEWIJZIGD OP 6 MEI 2008, OP 4 MAART 2014 EN OP 7 JULI 2015,

Nadere informatie

Opleiding en werkervaring aanvullende thuiszorg vzw Aksent

Opleiding en werkervaring aanvullende thuiszorg vzw Aksent BIJLAGE Bijlage nr. 1 Fiches Titel initiatief: Initiatiefnemer: Opleiding en werkervaring aanvullende thuiszorg vzw Aksent Projectomschrijving Het project wordt opgenomen binnen volgende strategische en

Nadere informatie

Hiermee willen we de belangrijkste regels omtrent het inschrijven als leerling bij de Provinciale Kunsthumaniora Hasselt (= PIKOH) bundelen.

Hiermee willen we de belangrijkste regels omtrent het inschrijven als leerling bij de Provinciale Kunsthumaniora Hasselt (= PIKOH) bundelen. Inschrijvingen Hiermee willen we de belangrijkste regels omtrent het inschrijven als leerling bij de Provinciale Kunsthumaniora Hasselt (= PIKOH) bundelen. Het is raadzaam dit overzicht door te lezen.

Nadere informatie

Invoegbedrijven. Maatregel. De begunstigden en bestedingen

Invoegbedrijven. Maatregel. De begunstigden en bestedingen Invoegbedrijven Maatregel Het programma invoegbedrijven beoogt de creatie van duurzame tewerkstelling voor kansengroepen binnen de reguliere economie. Aan ondernemingen die de principes van Maatschappelijk

Nadere informatie

Arbeid biedt een maatschappelijke meerwaarde ten opzichte van inactiviteit. 3

Arbeid biedt een maatschappelijke meerwaarde ten opzichte van inactiviteit. 3 17 SOCIALE ECONOMIE 18 Sociale economie Iedereen heeft recht op een job, ook de mensen die steeds weer door de mazen van het net vallen. De groep werkzoekenden die vaak om persoonlijke en/of maatschappelijke

Nadere informatie

Advies over het voorstel van nieuwe opleidingen en opleidingenstructuren in het dbso vanaf 1 september 2015

Advies over het voorstel van nieuwe opleidingen en opleidingenstructuren in het dbso vanaf 1 september 2015 Raad Secundair Onderwijs 7 mei 2015 RSO-RSO-ADV-1415-006 Advies over het voorstel van nieuwe opleidingen en opleidingenstructuren in het dbso vanaf 1 september 2015 Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus

Nadere informatie

TIME OUT PROJECTEN. Samen. Aan Toekomst. Werken VZW ELEGAST

TIME OUT PROJECTEN. Samen. Aan Toekomst. Werken VZW ELEGAST TIME OUT PROJECTEN Samen Werken Aan Toekomst Wat is SWAT? SWAT staat voor Samen Werken Aan Toekomst. Het is een intensief begeleidingstraject voor jongeren die dreigen uit te vallen binnen het onderwijs.

Nadere informatie

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.4 - Januari 2009-193-

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.4 - Januari 2009-193- Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.4 - Januari 2009-193- VLAAMS PARLEMENT SCHRIFTELIJKE VRAGEN FRANK VANDENBROUCKE VICEMINISTER-PRESIDENT VAN DE VLAAMSE REGERING, VLAAMS MINISTER VAN WERK, ONDERWIJS

Nadere informatie

DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op dd mm yyyy;

DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op dd mm yyyy; Informatief 2009/043 - bijlage Ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering houdende de wijze van subsidiëring door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap van de opvang van personen met een handicap

Nadere informatie

Voortgangsrapport Regionale overlegplatformen Vlaanderen Schooljaar 2009-2010

Voortgangsrapport Regionale overlegplatformen Vlaanderen Schooljaar 2009-2010 Voortgangsrapport Regionale overlegplatformen Vlaanderen Schooljaar 2009-2010 VOORTGANGSRAPPORT REGIONALE OVERLEGPLATFORMEN VLAANDEREN 2009-2010 Inhoud Voorwoord... 3 A. Situering... 4 1 Regelgeving 2

Nadere informatie

Hoe ziet je schooljaar eruit?

Hoe ziet je schooljaar eruit? Wat is het? Hoe ziet je schooljaar eruit? Soorten overeenkomsten Bij duaal leren leer je vaardigheden in je school, Centrum voor Deeltijds Onderwijs of in je Syntra-lesplaats en op de werkvloer. Wil je

Nadere informatie

Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen

Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de bijzondere wet van

Nadere informatie

Visietekst. Trajectbegeleiding in DBSO

Visietekst. Trajectbegeleiding in DBSO Vlaamse Onderwijsraad Raad Secundair Onderwijs Leuvenseplein 4 23 november 2004 1000 Brussel RSO/GCO/DOC/018 Visietekst Trajectbegeleiding in DBSO 1 Inleiding In het Vlor-advies van 20 januari 2004 stelt

Nadere informatie

Studieaanbod in de eerste graad B-stroom. Screening van de beroepenvelden in de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs

Studieaanbod in de eerste graad B-stroom. Screening van de beroepenvelden in de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs Studieaanbod in de eerste graad B-stroom Screening van de beroepenvelden in de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs juli 2015 Inhoud Inhoud... 2 1 Inleiding... 4 2 Situering... 5 3 Leerlingenaantallen

Nadere informatie

Doelen. 1. Het onderzoek 2/09/2015. M-decreet: motiveren tot kwaliteitsvolle leertrajecten

Doelen. 1. Het onderzoek 2/09/2015. M-decreet: motiveren tot kwaliteitsvolle leertrajecten M-decreet: motiveren tot kwaliteitsvolle leertrajecten Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek 2014-2015 Projectteam: Mieke Meirsschaut, Frank Monsecour, Sarah Verslijcke Cofinanciering: scholengemeenschap

Nadere informatie

3. Wat is de specifieke aanpak voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest?

3. Wat is de specifieke aanpak voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest? SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 177 van MIRANDA VAN EETVELDE datum: 11 december 2015 aan PHILIPPE MUYTERS VLAAMS MINISTER VAN WERK, ECONOMIE, INNOVATIE EN SPORT NEET-jongeren - Initiatieven NEET-jongeren (not

Nadere informatie

10/05/2012. Project evalueren studenten in het UZA. Hoe is dit gegroeid?? Wat is de achtergrond en het doel van evalueren

10/05/2012. Project evalueren studenten in het UZA. Hoe is dit gegroeid?? Wat is de achtergrond en het doel van evalueren Project evalueren studenten in het UZA Nancy Van Genechten Katrien Van den Sande Yvonne Gilissen Werkgroep mentoren en Hogescholen Hoe is dit gegroeid?? Mentorendag 2010 Hoe verder na vraag Mentoren hadden

Nadere informatie

ANTWOORD. Vraag nr. 572 van 1 september 2011 van KATHLEEN DECKX

ANTWOORD. Vraag nr. 572 van 1 september 2011 van KATHLEEN DECKX VLAAMS PARLEMENT SCHRIFTELIJKE VRAGEN PASCAL SMET VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS, JEUGD, GELIJKE KANSEN EN BRUSSEL Vraag nr. 572 van 1 september 2011 van KATHLEEN DECKX Leerlingen BSO Slaagkansen hoger

Nadere informatie

Nieuw loopbaanakkoord zet de stap naar maatwerk

Nieuw loopbaanakkoord zet de stap naar maatwerk PERSBERICHT VLAAMS MINISTER-PRESIDENT KRIS PEETERS VLAAMS VICE-MINISTER-PRESIDENT INGRID LIETEN VLAAMS MINISTER VAN WERK PHILIPPE MUYTERS SERV-voorzitter KAREL VAN EETVELT SERV-ondervoorzitter ANN VERMORGEN

Nadere informatie

Werkervaring voor leerlingen uit de deeltijdse leersystemen: motieven en ervaringen van de werkgevers

Werkervaring voor leerlingen uit de deeltijdse leersystemen: motieven en ervaringen van de werkgevers Werkervaring voor leerlingen uit de deeltijdse leersystemen: motieven en ervaringen van de werkgevers Auteur(s): Katleen De Rick 1 Abstract De aanleiding voor dit onderzoek was een ervaren tekort aan werkervaringsplaatsen

Nadere informatie

Advies over het voorstel van onderwijskwalificatie graduaat in het winkelmanagement

Advies over het voorstel van onderwijskwalificatie graduaat in het winkelmanagement Algemene Raad 20 december 2012 AR-AR-ADV-010 Advies over het voorstel van onderwijskwalificatie graduaat in het winkelmanagement Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus 6 BE-1210 Brussel T +32 2 219 42 99

Nadere informatie

Resultaten enquête jongerenambassadeurs voor sociale inclusie

Resultaten enquête jongerenambassadeurs voor sociale inclusie Resultaten enquête jongerenambassadeurs voor sociale inclusie Datum: 12 november 2013 1 Deelnemers Belangrijk om op te merken in elke communicatie is dat deze enquête peilde bij een 500-tal jongeren over

Nadere informatie

een initiatief van GSIW Actiegroep Leren-Werken

een initiatief van GSIW Actiegroep Leren-Werken Word Wijs!? een initiatief van GSIW Actiegroep Leren-Werken promotor: de Stap - Studieadviespunt Gent duur project: 1/10/2012 tot 30/9/2013, verlengd met 1 schooljaar 1/10/2013 tot 30/9/2014 1,2 fulltime

Nadere informatie

Advies over de voorstellen van nieuwe kwalificatiebenamingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008

Advies over de voorstellen van nieuwe kwalificatiebenamingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008 ADVIES Raad Secundair Onderwijs 23 januari 2007 RSO/GCO/ADV/003 Advies over de voorstellen van nieuwe kwalificatiebenamingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008 VLAAMSE

Nadere informatie

Hoger onderwijs, lager onderwijs, schoolloopbaan, schoolse vertraging, secundair onderwijs, universitair onderwijs, watervalsysteem, zittenblijven

Hoger onderwijs, lager onderwijs, schoolloopbaan, schoolse vertraging, secundair onderwijs, universitair onderwijs, watervalsysteem, zittenblijven 1. Referentie Referentie Duqué, H. (1998). Zittenblijven en schoolse vertraging in het Vlaams onderwijs. Een kwantitatieve analyse 1996-1997. Onuitgegeven onderzoeksrapport, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,

Nadere informatie

DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid;

DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid; Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de kadervormingstrajecten, vermeld in artikel 17/1 van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid DE VLAAMSE REGERING,

Nadere informatie

TIME OUT PROJECTEN HERGO

TIME OUT PROJECTEN HERGO TIME OUT PROJECTEN HERGO op school Schoolinterne Korte Time Out Schoolexterne Korte Time Out Schoolextern Op Maat Klasbegeleiding op maat SWAT Laten we ons even voorstellen... Elegast Time Out Projecten

Nadere informatie

c) Wie was of waren de uitvoerder(s), met aanduiding of het gaat om een profit- of non-profitorganisatie?

c) Wie was of waren de uitvoerder(s), met aanduiding of het gaat om een profit- of non-profitorganisatie? SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 13 van EMMILY TALPE datum: 2 oktober 2015 aan PHILIPPE MUYTERS VLAAMS MINISTER VAN WERK, ECONOMIE, INNOVATIE EN SPORT WIJ-trajecten - Tendering De werkinlevingsovereenkomsten voor

Nadere informatie

Geef een jongere een kans met een instapstage, omdat instappen werkt, 1

Geef een jongere een kans met een instapstage, omdat instappen werkt, 1 Geef een jongere een kans met een instapstage, omdat instappen werkt, 1 infodocument werkgever 2015 Wil je een schoolverlater zonder diploma secundair onderwijs kansen bieden om onze sector te leren kennen

Nadere informatie

Uni-form historiek visie doelstellingen. Over Uni-form

Uni-form historiek visie doelstellingen. Over Uni-form Over Uni-form Ontstaan Vanuit de sector ouderenzorg kwam de vraag om uniformiteit te brengen in stagedocumenten voor de begeleiding van leerlingen verzorging. Voorzieningen werkten met evenveel verschillende

Nadere informatie

Leren. w e rken. Perfect te combineren

Leren. w e rken. Perfect te combineren Leren & w e rken Perfect te combineren Alles over leertijd en deeltijds leren & werken Leren Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen tel. 02 227 63 93 www.syntravlaanderen.be Alles

Nadere informatie

Leren. w e rken. Perfect te combineren

Leren. w e rken. Perfect te combineren Leren & w e rken Perfect te combineren Alles over leertijd en deeltijds leren & werken Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen tel. 02 227 63 93 www.syntravlaanderen.be Alles over leertijd

Nadere informatie

Werkzoekende schoolverlaters in Vlaanderen 2015. Kiezen voor TSO, it makes Se-n-Se Provincie Antwerpen

Werkzoekende schoolverlaters in Vlaanderen 2015. Kiezen voor TSO, it makes Se-n-Se Provincie Antwerpen Kiezen voor TSO, it makes Se-n-Se Provincie Antwerpen Onderzoek naar de aansluiting onderwijs - arbeidsmarkt Alle schoolverlaters van 2013 worden 1 jaar lang gevolgd (tot en met juni 2014) Succes wordt

Nadere informatie

Informatiebrochure. Verkorte opleiding: Professionele Bachelor in de Verpleegkunde (Brugopleiding)

Informatiebrochure. Verkorte opleiding: Professionele Bachelor in de Verpleegkunde (Brugopleiding) Informatiebrochure Verkorte opleiding: Professionele Bachelor in de Verpleegkunde (Brugopleiding) ACADEMIEJAAR 2012-2013 Inhoud Doel van de opleiding Situering van de opleiding Onderwijsvormen Onderwijsorganisatie

Nadere informatie

De staatshervorming in vogelvlucht: stand van zaken. (West4work 3/11/2015)

De staatshervorming in vogelvlucht: stand van zaken. (West4work 3/11/2015) De staatshervorming in vogelvlucht: stand van zaken (West4work 3/11/2015) Controle en sanctionering Visie activeringsbeleid en inkanteling controle Bemiddelen(*) = dé centrale opdracht voor VDAB (en partners)

Nadere informatie

Programma. Voorstelling project Waarom? Wat? Ambassadeurs gezocht! De Making of Ambassadeurs Dursun aan het woord Speeddating Invullen fiches

Programma. Voorstelling project Waarom? Wat? Ambassadeurs gezocht! De Making of Ambassadeurs Dursun aan het woord Speeddating Invullen fiches Latent Talent Programma Voorstelling project Waarom? Wat? Ambassadeurs gezocht! De Making of Ambassadeurs Dursun aan het woord Speeddating Invullen fiches Rachid Boumalek aan het woord Voorstelling project

Nadere informatie

Visie- en afsprakennota bij de samenwerkingsovereenkomst tussen de Vlaamse VI (via het NIC), het RIZIV, GTB en de VDAB

Visie- en afsprakennota bij de samenwerkingsovereenkomst tussen de Vlaamse VI (via het NIC), het RIZIV, GTB en de VDAB Samen werken aan werk Visie- en afsprakennota bij de samenwerkingsovereenkomst tussen de Vlaamse VI (via het NIC), het RIZIV, GTB en de VDAB Deze nota bevat de operationele visie en concrete afspraken

Nadere informatie

Informatiebrochure. Verkorte opleiding: Professionele Bachelor in de Verpleegkunde (Brugopleiding)

Informatiebrochure. Verkorte opleiding: Professionele Bachelor in de Verpleegkunde (Brugopleiding) Rijselstraat 5 8200 Brugge T 050 38 12 77 F 050 38 11 71 www.howest.be Informatiebrochure Verkorte opleiding: Professionele Bachelor in de Verpleegkunde (Brugopleiding) ACADEMIEJAAR 2013-2014 Inhoud Doel

Nadere informatie

Publicatie KB omtrent zorgkundige

Publicatie KB omtrent zorgkundige Publicatie KB omtrent zorgkundige Op 3 februari 2006 verscheen in het Staatsblad het KB van 12 januari 2006 omtrent de verpleegkundige activiteiten die zorgkundigen mogen uitvoeren en de voorwaarden waaronder

Nadere informatie

JAARACTIEPLAN Sept 2015 Aug 2016 RTC Vlaams-Brabant VZW

JAARACTIEPLAN Sept 2015 Aug 2016 RTC Vlaams-Brabant VZW JAARACTIEPLAN Sept 2015 Aug 2016 RTC Vlaams-Brabant VZW Periode 1 september 2015-31 augustus 2016 Goedgekeurd door de Raad van Bestuur op 17/06/2015 1 Inleiding RTC Vlaams-Brabant vzw wil, net als zijn

Nadere informatie

1. Op welke manier wordt deze samenwerking tussen steden/gemeenten, de VDAB en de bouwsector concreet ingevuld?

1. Op welke manier wordt deze samenwerking tussen steden/gemeenten, de VDAB en de bouwsector concreet ingevuld? SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 420 van JAN HOFKENS datum: 6 maart 2015 aan PHILIPPE MUYTERS VLAAMS MINISTER VAN WERK, ECONOMIE, INNOVATIE EN SPORT VDAB - Samenwerkingsverband BouwKan met bouwsector De bestaande

Nadere informatie

Werkplekleren P r o v i n ciale N e t werkdag 2 oktober 2 0 1 4

Werkplekleren P r o v i n ciale N e t werkdag 2 oktober 2 0 1 4 Werkplekleren P r o v i n ciale N e t werkdag 2 oktober 2 0 1 4 1. Wat is werkplekleren? 2 Werkplekleren Organiseren van leeractiviteiten die gericht zijn op het aanleren en toepassen van algemene, arbeids-

Nadere informatie

Uw ervaringen na 1 jaar M-decreet

Uw ervaringen na 1 jaar M-decreet Uw ervaringen na 1 jaar M-decreet Heeft u leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften door de invoering van het M-decreet in uw klas of school? Is uw rol als ondersteuner gewijzigd omwille van de invoering

Nadere informatie

1997 kwaliteitsdecreet:

1997 kwaliteitsdecreet: POP Oude wijn in nieuwe zakken? 1997 kwaliteitsdecreet: Trajectbegeleidingsplan op basis van een gesprek met werknemer en elementen uit de evaluatie Doelstelling: concreet plan om welzijn te optimaliseren

Nadere informatie

Allochtone ex-biculturele leerlingen, zelfs kansarmen, slagen te Brussel op school even goed als de leerlingen in Vlaanderen!

Allochtone ex-biculturele leerlingen, zelfs kansarmen, slagen te Brussel op school even goed als de leerlingen in Vlaanderen! Allochtone ex-biculturele leerlingen, zelfs kansarmen, slagen te Brussel op school even goed als de leerlingen in Vlaanderen! Wat we hier schrijven is gebaseerd op heel goed cijfermateriaal; niet op theorieën

Nadere informatie

Betreft : Maatregelen ten voordele van de vorming en opleiding van risicogroepen in 2015-2016.

Betreft : Maatregelen ten voordele van de vorming en opleiding van risicogroepen in 2015-2016. AAN ALLE LEDEN VAN HET SOCIAAL FONDS LOMPEN MVB/G/WINW/CIRCULAIRES FONDS//SOCIALES 2016/ CHIFFONS/CHIFFONS 001 NL RISICOGROEPEN Brussel, 20 januari 2016 Mijne heren, Betreft : Maatregelen ten voordele

Nadere informatie

VLAAMSERAA D VOORSTEL VAN DECREET

VLAAMSERAA D VOORSTEL VAN DECREET Stuk 199 (19881989) - Nr. 1 ARCHIEF VLAAMSE RAAD TERUGBEZORGEN VLAAMSERAA D ZITTING 1988-1989 20 APRIL 1989 VOORSTEL VAN DECREET - van mevrouw M. De Meyer - houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse

Nadere informatie

Naam van de schoolexterne interventie: Arktos HERGO

Naam van de schoolexterne interventie: Arktos HERGO Naam van de schoolexterne : Arktos HERGO 1. Inhoud vd schoolexterne Algemeen kader 1 : Ontstaansgeschiedenis 2 Visie Een HERGO is een groepsoverleg waarin alle partijen betrokken bij een incident, samen

Nadere informatie

Infobrochure SLO SPECIFIEKE LERARENOPLEIDING

Infobrochure SLO SPECIFIEKE LERARENOPLEIDING Infobrochure SLO SPECIFIEKE LERARENOPLEIDING INHOUD Voor wie? Waar staan wij voor? Opleidingsstructuur en diploma Inhoud van de modules Studiepunten Studieduur en modeltraject Flexibiliteit Waar en wanneer

Nadere informatie

www.besafe.be Eeklo Scholen voor Jongeren Jongeren voor Scholen (JoJo-project)

www.besafe.be Eeklo Scholen voor Jongeren Jongeren voor Scholen (JoJo-project) www.besafe.be Eeklo Scholen voor Jongeren Jongeren voor Scholen (JoJo-project) Eeklo Scholen voor Jongeren Jongeren voor Scholen (JoJo-project) FOD Binnenlandse Zaken Algemene Directie Veiligheid en Preventie

Nadere informatie

I B O. Een werknemer op maat gemaakt. 1. IBO = training-on-the-job. IBO = 'werkplekleren' IBO = 'een werknemer op maat'

I B O. Een werknemer op maat gemaakt. 1. IBO = training-on-the-job. IBO = 'werkplekleren' IBO = 'een werknemer op maat' I B O Een werknemer op maat gemaakt Eén van de kernopdrachten van de VDAB bestaat uit het verstrekken van opleiding. Het tekort aan specifiek geschoold personeel en de versnelde veranderingen in de werkomgeving

Nadere informatie

De (her)waardering van het diploma lassen.

De (her)waardering van het diploma lassen. De (her)waardering van het diploma lassen. 1 Het beroep van lasser is nog steeds een kwalitatief knelpuntberoep in Limburg. 1.1 Toekomstige onderwijskwalificaties Het voldoen aan de (toekomstige) onderwijskwalificaties

Nadere informatie

'TRY OUT' Tewerkstelling (ex-)gedetineerden Leuven Centraal en Leuven Hulp via jobcoaching 01/12/2006-31/05/2008

'TRY OUT' Tewerkstelling (ex-)gedetineerden Leuven Centraal en Leuven Hulp via jobcoaching 01/12/2006-31/05/2008 'TRY OUT' Tewerkstelling (ex-)gedetineerden Leuven Centraal en Leuven Hulp via jobcoaching 01/12/2006-31/05/2008 Lisa Coppin, RESOC Leuven Kristien Sinnaeve, VDAB Leuven KBS, 6 mei 2009 er was eens...

Nadere informatie

ONDERWIJS, OPLEIDING ENVORMING

ONDERWIJS, OPLEIDING ENVORMING 23 ONDERWIJS, OPLEIDING ENVORMING 24 Onderwijs, opleiding en vorming In een economie die in toenemende mate gebaseerd is op kennis en waarin onderzoek, ontwikkeling en innovatie een steeds grotere rol

Nadere informatie

CRITERIA VOOR HET TOEKENNEN VAN ATTESTEN AAN JEUGDWERKERS

CRITERIA VOOR HET TOEKENNEN VAN ATTESTEN AAN JEUGDWERKERS Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen Afdeling Jeugd Arenbergstraat 9 1000 Brussel Contactpersoon: Hilde Van Dyck T 02 553 41 42 F 02 553 41 17 E-mail: hilde.vandyck@cjsm.vlaanderen.be

Nadere informatie

Inschrijvingsbeleid KBA Een mix van nationale en internationale leerlingen Volgende beleidsnota s vormen één geheel:

Inschrijvingsbeleid KBA Een mix van nationale en internationale leerlingen Volgende beleidsnota s vormen één geheel: Inschrijvingsbeleid KBA Een mix van nationale en internationale leerlingen Volgende beleidsnota s vormen één geheel: Auditiebeleid Inschrijvingsbeleid Criteria om te slagen in de geschiktheidsproef Inleiding

Nadere informatie

Reflectievragen voor het ontwerpen van een traject met werkplekleren

Reflectievragen voor het ontwerpen van een traject met werkplekleren voor het ontwerpen van een traject met werkplekleren Doelstelling Dit instrument is bedoeld voor het management van een opleiding en opleidingsteams. Het reikt reflectievragen aan voor het ontwerpen van

Nadere informatie

Doelstelling Partners Projectinhoud en opbouw opleiding Instapvoorwaarden Wat bieden wij? Na de opleiding Contactgegevens

Doelstelling Partners Projectinhoud en opbouw opleiding Instapvoorwaarden Wat bieden wij? Na de opleiding Contactgegevens 10 VOOR KOKEN Doelstelling Partners Projectinhoud en opbouw opleiding Instapvoorwaarden Wat bieden wij? Na de opleiding Contactgegevens Clienten van het OCMW via een korte intensieve opleiding en stage

Nadere informatie

DE VLAAMSE REGERING,

DE VLAAMSE REGERING, Opschrift Datum Gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de kadervormingstrajecten, vermeld in artikel 17/1 van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid

Nadere informatie

Huisonderwijs Communicatie aan de CLB s

Huisonderwijs Communicatie aan de CLB s Huisonderwijs Communicatie aan de CLB s In het decreet betreffende het onderwijs XXIII werden een aantal nieuwe maatregelen doorgevoerd met betrekking tot huisonderwijs. Daarin werd ook een rol voorzien

Nadere informatie

Detectie instrument arbeidshandicap

Detectie instrument arbeidshandicap P a g i n a 1 Detectie instrument Doelstelling: Gevangenen die recht hebben op een specifiek aanbod m.b.t. arbeidstoeleiding detecteren in de gevangenis populatie. Deze detectie gebeurt in functie van

Nadere informatie

Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO. Advies. Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling

Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO. Advies. Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO Advies Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling 1. Inleiding Op 8 juni 2009 werd de SERV om advies gevraagd over de fiches ter invulling

Nadere informatie

INFOPAKKET SECUNDAIR ONDERWIJS ASO KSO TSO BSO

INFOPAKKET SECUNDAIR ONDERWIJS ASO KSO TSO BSO INFOPAKKET SECUNDAIR ONDERWIJS ASO KSO TSO BSO INFOPAKKET SECUNDAIR ONDERWIJS ASO KSO TSO BSO STRUCTUUR VAN HET SECUNDAIR ONDERWIJS +18 JAAR verder studeren werk 12-17 JAAR 2,5-11 JAAR SECUNDAIR ONDERWIJS

Nadere informatie

COMMISSIE ZORGVULDIG BESTUUR. BETREFT: Secundair onderwijs: Teruggave boekengeld en bijdrage voor schoolreizen.

COMMISSIE ZORGVULDIG BESTUUR. BETREFT: Secundair onderwijs: Teruggave boekengeld en bijdrage voor schoolreizen. COMMISSIE ZORGVULDIG BESTUUR CZB/V/KSO/2007/180 BETREFT: Secundair onderwijs: Teruggave boekengeld en bijdrage voor schoolreizen. 1. PROCEDURE 1.1 Ontvangst: 18.10.2007 1.2 Verzoeker Ouders van een leerling.

Nadere informatie

Sport en tewerkstelling van jongeren. Marc Theeboom / Joris Philips

Sport en tewerkstelling van jongeren. Marc Theeboom / Joris Philips Sport en tewerkstelling van jongeren Marc Theeboom / Joris Philips studie Kan sport bijdragen tot competentie-ontwikkeling voor kortgeschoolde jongeren, waardoor hun tewerkstellingskansen toenemen? initiatieven

Nadere informatie

COLLOQUIUM GENT, 23 OKTOBER 2014

COLLOQUIUM GENT, 23 OKTOBER 2014 COLLOQUIUM GENT, 23 OKTOBER 2014 1. Cijfers en jongerengarantie 2 September 2014: enkele cijfers Cijfers en jongerengarantie 3 57.374 NWWZ jonger dan 25 jaar op een totaal van 242.084 (23,7%) Cijfers en

Nadere informatie

1. Kan de minister een overzicht geven van alle organisatoren van time-outbegeleiding per arrondissement?

1. Kan de minister een overzicht geven van alle organisatoren van time-outbegeleiding per arrondissement? VLAAMS PARLEMENT SCHRIFTELIJKE VRAGEN PASCAL SMET VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS, JEUGD, GELIJKE KANSEN EN BRUSSEL Vraag nr. 184 van 29 november 2011 van KATHLEEN HELSEN Time-outprojecten - Stand van zaken

Nadere informatie