DIENST ZORGINFECTIES. Surveillance van antibioticaresistente bacteriën in Belgische ziekenhuizen: Jaarrapport 2015

Vergelijkbare documenten
DIENST ZORGINFECTIES. Surveillance van antibioticaresistente bacteriën in Belgische ziekenhuizen: Jaarrapport 2014

DIENST ZORGINFECTIES. Surveillance van antibioticaresistente bacteriën In Belgische ziekenhuizen: Jaarrapport 2013

Surveillance van meticilline- resistente Staphylococcus aureus (MRSA) in chronische ziekenhuizen in België:

Surveillance van antibioticaresistente bacteriën in Belgische ziekenhuizen:

Surveillance van meticilline- resistente Staphylococcus aureus (MRSA) in chronische ziekenhuizen in België:

Surveillance van multiresistente kiemen in Belgische ziekenhuizen:

INHOUDSTAFEL INHOUDSTAFEL... 1 LIJST VAN TABELLEN EN FIGUREN... 2

Surveillance van multiresistente kiemen in Belgische ziekenhuizen:

Surveillance van multiresistente kiemen in Belgische ziekenhuizen:

Surveillance van. Meticilline- Resistente Staphylococcus aureus (MRSA) in Belgische acute ziekenhuizen:

Surveillance van. Meticilline- Resistente Staphylococcus aureus (MRSA) in Belgische acute ziekenhuizen:

INHOUDSTAFEL LIJST VAN TABELLEN EN FIGUREN

Surveillance van Meticilline- Resistente Staphylococcus aureus (MRSA) in Belgische chronische ziekenhuizen:

INHOUDSTAFEL. Inhoudstafel - Lijst van tabellen en figuren Deelname Resistentiecijfers Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA 5

INHOUDSTAFEL. Inhoudstafel - Lijst van tabellen en figuren Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA 5

SURVEILLANCE VAN MULTIRESISTENTE ENTEROBACTER AEROGENES (MREA) IN DE BELGISCHE ZIEKENHUIZEN

SURVEILLANCE VAN METICILLINE-RESISTENTE STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) IN ACUTE ZIEKENHUIZEN IN BELGIË SURVEILLANCEFORMULIER

SURVEILLANCE VAN DE METICILLINE-RESISTENTE STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) IN DE BELGISCHE ZIEKENHUIZEN

SEMESTRIEEL REGISTRATIEFORMULIER

Epidemiologie van carbapenemase producerende enterobacteriën in België: 01/01/ /10/2012

SURVEILLANCE VAN DE MULTIRESISTENTE STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) IN DE BELGISCHE ZIEKENHUIZEN

Surveillance Bloedstroominfecties in Belgische ziekenhuizen

Surveillance septicemieën in Belgische ziekenhuizen

Epidemiologische enquête : Acinetobacter baumannii en Pseudomonas aeruginosa in acute ziekenhuizen in België

Surveillance Bloedstroominfecties in Belgische ziekenhuizen

SURVEILLANCEPROTOCOL VAN MRSA IN ACUTE ZIEKENHUIZEN

Epidemiologie van carbapenemase producerende enterobacteriaceae (CPE) en aanbevelingen in België:

Epidemiologie van carbapenemase producerende enterobacteriaceae (CPE) in België:

SURVEILLANCEPROTOCOL VAN MRSA IN ACUTE ZIEKENHUIZEN

Algemene richtlijnen voor de detectie van carbapenemases bij multi-resistente Pseudomonas aeruginosa* en Acinetobacter spp. in Belgische laboratoria

Aanbevelingen voor de aanpak van Carbapenemase Producerende Enterobacteriaceae (CPE)

SURVEILLANCEPROTOCOL VAN MRSA IN ACUTE ZIEKENHUIZEN

SURVEILLANCE VAN DE MULTIRESISTENTE STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) IN DE BELGISCHE ZIEKENHUIZEN. Tweede surveillancerapport : tweede semester 1994

SURVEILLANCE VAN METICILLINE-RESISTENTE STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) IN BELGISCHE ZIEKENHUIZEN

Epidemiologie van Clostridium difficile infecties in België. Rapport 2016 Samenvatting

European Antimicrobial Resistance Surveillance Network. Belgische deelname (EARS Net) M. Goossens IPH/EPI REPORTS D/2011/2505/45

Epidemiologie van Clostridium difficile infecties in België. Rapport 2016 Samenvatting

Resistentieop uwic. Lennie Derde Internist-intensivist UMC Utrecht

Q 1: Vraag 13/01/2012: Antwoord Prof. Y. Glupczynski: Q 2: Vraag 26/01/2012: Antwoord Béa Jans: enterobacteriaceae carbapenemase +

Carbapenemase producerende enterobacteriaceae (CPE)

Zorginfecties en antibioticagebruik bij kwetsbare ouderen

Aminoglycosiden. Gegevens van het Referentielaboratorium. Analysen verricht in het kader van het referentiecentrum. Referentielaboratorium

Persconferentie MRSA in de rusthuizen, WIV, vrijdag 27/5/2005

OVERZICHT BIJZONDER RESISTENTE MICRO-ORGANISMEN (BRMO)

Clostridium difficile-infecties in Belgische ziekenhuizen : resultaten van de nationale surveillance. juli december 2008

De superbacterie verlaat het ziekenhuis en komt naar u toe Wat gaat u doen? Wat kunt u doen?

Het optimaliseren van het (selectief) rapporteren van antibiotica. Van Aelst Sophie Supervisor: Laffut Wim H.-Hartziekenhuis Lier

Overzicht Aanlevering. Onbekende Codes

Innocent NDM? De genetische achtergrond van een NDM positieve, meropenem gevoelige E. coli

Clostridium difficile-infecties in Belgische ziekenhuizen : resultaten van de nationale surveillance. juli december 2009

Cultuur M/12958 was een Klebsiella pneumoniae die resistentie vertoonde tegen verschillende antibioticaklassen (beta-lactams, aminoglycosiden,

Patiënteninformatie. Het opsporen van bacteriën

Haemophilus influenzae

Frapper fort et frapper vite

BRMO - Verpleeg/verzorging/kleinschalig wonen - Openbare gezondheidszorg

Enquête in verband met CPE (1: microbiologisch luik) (2: ziekenhuishygiëneluik

Determinanten van dragerschap van meticilline resistente Staphylococcus aureus (MRSA) in woonzorgcentra

Overzicht Aanlevering

Doorlooptijden voor ontvangst, verzending en reactie lab per bestand

Welke antibiotica horen op de lijst reserve antibiotica? Prof. Dr. Johan W. Mouton MD PhD FIDSA

EPIDEMIOLOGIE VAN AIDS EN HIV-INFECTIE IN BELGIË PATIËNTEN IN MEDISCHE OPVOLGING

Overzicht Aanlevering. Onbekende Codes

Overzicht Aanlevering. Onbekende Codes

Bijzonder Resistente Micro Organismen (BRMO) Wat is het probleem

Aangrijpingspunten van antibiotica in de prokaryoten. - Celwandsynthese - DNA, RNA en eiwitsynthese

Antibiotica voor dummies Annemieke Mes-Rijkeboer infectioloog-intensivist

Doorlooptijden voor ontvangst, verzending en reactie lab per bestand

Antibioticaresistentie (ABR)

Streptococcus pneumoniae

Doorlooptijden voor ontvangst, verzending en reactie lab per bestand

Bijzonder Resistent Micro-Organisme

ampc Wat moet je ermee? Tobias Engel AIOS MMB

Carbapenemase Producerende Enterobacteriaceae. Kristien Van Vaerenbergh GAB 26 maart 2013

Epidemiologische enquête in verband met ESBL-producerende ACINETOBACTER BAUMANNII (type VEB-1) in België

Streptococcus pneumoniae

Hoge Gezondheidsraad APRIL 2019 HGR NR. 9277

Doorlooptijden voor ontvangst, verzending en reactie lab per bestand

Twee jaar na Maasstad - Hoe staan Carbapenemases in Nederland op de kaart? Daan Notermans

Overzicht Aanlevering. Onbekende Codes

BRMO. Bijzonder Resistent Micro-Organisme. dr. M.C.A. Wegdam-Blans, arts-microbioloog, Stichting PAMM. Bedside teaching 18 NOV 2014

Overzicht Aanlevering. Onbekende Codes

Overzicht Aanlevering. Onbekende Codes

Lokalisatie Aantal stalen Lokalisatie Aantal stalen

Gegeven Onbekende waarde Aantal Soort

Contactonderzoek BRMO

Nederlandse Samenvatting

1 1 12E E Escherichia coli Klebsiella pneumoniae

Bijzonder Resistent Micro-Organisme

Beheersen van BRMO in de regio

PUBLICATIE VAN DE HOGE GEZONDHEIDSRAAD nr. 9277

Het netwerk voor surveillance van antibioticaresistentie in Centraal-Azië en Oost-Europa (CAESAR)

Gegeven Onbekende waarde Aantal Soort. ORGANISME =U_encspp? 5 isolaten ORGANISME >agps 4 isolaten ORGANISME mycboa 1 isolaten E

Rapportering voor het jaar 2011 Referentiecentrum voor Listeria monocytogenes. Straat: Wytsmanstraat 14

Aminoglycosiden. Analysen verricht in het kader van het referentiecentrum. Referentielaboratorium

Referentiecijfers : Prevalentieonderzoek verpleeghuizen SNIV versie: oktober 2017 Documentversie: 1.0

Screening BRMO na opname in een buitenlands ziekenhuis

Nationale surveillance van infecties verworven op eenheden voor intensieve zorg Jaarrapport 2011

Nationaal actieplan One Health voor de strijd tegen antibioticaresistentie (AMR) in België

20 e Grande Conférence Istanbul 2014

INLEIDING Agentschap Zorg en Gezondheid 2

Transcriptie:

$$ DIENST ZORGINFECTIES Surveillance van antibioticaresistente bacteriën in Belgische ziekenhuizen: Jaarrapport 215

Surveillance van antibioticaresistente bacteriën In Belgische ziekenhuizen: Jaarrapport 215 2

In samenwerking met: Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu. 3

Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV-ISP) Operationele directie Volksgezondheid en Surveillance Dienst Zorginfecties Juliette Wytsmanstraat 14 15 Brussel België Volksgezondheid en Surveillance augustus 216 Brussel, België Intern referentienummer: 216-21 ISSN-nummer: 2466-7927 Auteurs Béatrice Jans 1, Prof. Dr. Olivier Denis 2, Prof. Dr. Herman Goossens 3, Prof. Dr. Youri Glupczynski 4 1 Dienst zorginfecties, Operationele Directie Volksgezondheid en Surveillance, WIV-ISP, Brussel 2 Nationaal referentiecentrum voor Staphylococcus aureus en geassocieerd nationaal referentiecentrum voor antibioticaresistente Gram negatieve bacteriën, ULB, Erasmusziekenhuis, Brussel. 3 Nationaal referentiecentrum voor resistente enterokokken, UA, Universitair Ziekenhuis Antwerpen, Antwerpen 4 Nationaal referentiecentrum voor antibiotica resistente Gram negatieve bacteriën, UCL, CHU Dinant-Godinne, Mont-Godinne 4

Contact Béatrice Jans Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid O.D. Volksgezondheid en Surveillance Juliette Wytsmanstraat 14 15 Brussel België Tel: +32 2 642 57 36 E-mail: beatrice.jans@wiv-isp.be Dit document is beschikbaar op de website van de dienst zorginfecties van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid: www.nsih.be Dankwoord De dienst zorginfecties van het WIV-ISP dankt alle ziekenhuishygiënisten en microbiologen die bijgedragen hebben tot de aanlevering van deze gegevens. Dank ook aan de experten en NRC-teams voor hun expertise en bijdrage tot de verwezenlijking van dit rapport. Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, Brussel 216 Verantwoordelijke uitgever: Dr. Johan Peeters/ Dr. Myriam Sneyers Intern referentienummer: 216-21 ISSN-nummer: 2466-7927 www.wiv-isp.be 5

Inhoudsopgave LIJST VAN TABELLEN 1 LIJST VAN FIGUREN 12 LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN 14 INLEIDING 15 METHODES 15 ANALYSE VAN DE GEGEVENS 16 DEEL 1: GRAM-POSITIEVE BACTERIËN 17 LUIK 1: METICILLINE-RESISTENTE STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) 18 MRSA IN ACUTE ZIEKENHUIZEN 2 1- STAPHYLOCOCCUS AUREUS 2 2- RESISTENTIECIJFERS VOOR STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) 2 3- MRSA AANWEZIG BIJ OPNAME 22 3.1. Incidentie van patiënten, MRSA-positief bij opname 22 3.2. Proportie patiënten, MRSA-positief bij opname, volgens vroegere contacten met zorginstellingen 23 4- NOSOCOMIAAL VERWORVEN MRSA 24 4.1. Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA 24 4.2. Incidentiedensiteit van nosocomiaal verworven MRSA 26 4.3. Proportie van nosocomiaal verworven MRSA 27 4.4. Proportie nosocomiale MRSA uit bloedkweken 27 5- SCREENING VOOR MRSA 28 5.1. Aantal MRSA-gevallen opgespoord aan de hand van screening 28 5.2. Screeningspraktijken voor MRSA in het ziekenhuis 29 5.3. Frequentie van MRSA-screening bij opname 3 5.4. Frequentie van MRSA-screening tijdens het ziekenhuisverblijf 3 6- EVOLUTIE VAN DE RESISTENTIE- EN INCIDENTIECIJFERS 31 7- BESLUIT: MRSA-SURVEILLANCE IN ACUTE ZIEKENHUIZEN 34 MRSA IN CHRONISCHE ZIEKENHUIZEN 36 1- STAPHYLOCOCCUS AUREUS 36 2- RESISTENTIECIJFER VOOR STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) 36 3- MRSA AANWEZIG BIJ OPNAME 36 4- NOSOCOMIAAL VERWORVEN MRSA 37 4.1. Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA 37 4.2. Incidentiedensiteit van nosocomiaal verworven MRSA 37 4.3. Proportie van nosocomiaal verworven MRSA 38 4.4. Proportie van nosocomiaal verworven MRSA uit bloedkweken 39 5- SCREENING VOOR MRSA 39 5.1. Aantal nosocomiaal verworven MRSA-gevallen opgespoord aan de hand van screening 39 5.2. Screeningspraktijken voor MRSA in het ziekenhuis 39 5.3. Frequentie van MRSA-screening bij opname 4 5.4. Frequentie van MRSA-screening tijdens het ziekenhuisverblijf 4 6- EVOLUTIE VAN RESISTENTIE- EN INCIDENTIECIJFERS 4 7- BESLUIT: MRSA-SURVEILLANCE IN CHRONISCHE ZIEKENHUIZEN 41

LUIK 2: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ ENTEROKOKKEN 42 1- ENTEROCOCCUS FAECALIS 45 1.1.- Vancomycine-resistente Enterococcus faecalis (vanco-r) 45 1.2.- Glycopeptide-resistente Enterococcus faecalis (glyco-r) 46 1.3.- Linezolid-resistente Enterococcus faecalis (linezolid-r) 47 1.4.- Evolutie van de proporties en incidentiecijfers van resistente Enterococcus faecalis 48 2- ENTEROCOCCUS FAECIUM 49 2.1.- Vancomycine-resistente Enterococcus faecium (vanco-r) 49 2.2.- Glycopeptide-resistente Enterococcus faecium (glyco-r) 5 2.3.- Linezolid-resistente Enterococcus faecium (linezolid-r) 51 2.4.- Evolutie van de proporties en incidentiecijfers van resistente Enterococcus faecium 51 BESLUIT 52 DEEL 2: GRAM-NEGATIEVE BACTERIËN 54 LUIK 1: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ ENTEROBACTER CLOACAE 57 1- ESBL-PRODUCERENDE ENTEROBACTER CLOACAE (ESBL) 57 1.1.- Aantal ESBL-producerende Enterobacter cloacae stammen per ziekenhuis 57 1.2.- Proportie ESBL-producerende Enterobacter cloacae stammen 57 1.3.- Proportie ESBL-producerende Enterobacter cloacae stammen uit bloedkweken 57 1.4.- Incidentie van ESBL-producerende Enterobacter cloacae 58 1.5.- Evolutie van ESBL-producerende Enterobacter cloacae: 29-215 59 2- ENTEROBACTER CLOACAE MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR 3 DE EN/OF 4 DE GENERATIE CEFALOSPORINES (C3G/C4G-I/R) 6 2.1.- Aantal C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae stammen per ziekenhuis 6 2.2.- Proportie C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae stammen 6 2.3.- Proportie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae stammen uit bloedkweken 6 2.4.- Incidentie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae 6 2.5.- Evolutie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae: 214 215 61 3- CARBAPENEMASE PRODUCERENDE ENTEROBACTER CLOACAE (CPE) 62 3.1.- Aantal CPE+ Enterobacter cloacae stammen per ziekenhuis 62 3.2.- Proportie van CPE+ Enterobacter cloacae 62 3.3.- Proportie van CPE+ Enterobacter cloacae stammen uit bloedkweken 62 3.4.- Incidentie van CPE+ Enterobacter cloacae 62 3.5.- Evolutie van CPE+ Enterobacter cloacae 63 4- ENTEROBACTER CLOACAE MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR MEROPENEM (MERO-I/R) 64 4.1.- Aantal mero-i/r Enterobacter cloacae stammen per ziekenhuis 64 4.2.- Proportie mero-i/r Enterobacter cloacae stammen 64 4.3.- Proportie mero-i/r Enterobacter cloacae stammen uit bloedkweken 64 4.4.- Incidentie van mero-i/r Enterobacter cloacae 64 4.5.- Evolutie van mero-i/r Enterobacter cloacae: 213-215 65 LUIK 2: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ ESCHERICHIA COLI 66 1- ESBL-PRODUCERENDE ESCHERICHIA COLI (ESBL) 66 1.1.- Aantal ESBL-producerende Escherichia coli stammen per ziekenhuis 66 1.2.- Proportie van ESBL-producerende Escherichia coli 66 1.3.- Proportie ESBL-producerende Escherichia coli uit bloedkweken 66 1.4.- Incidentie van ESBL+ Escherichia coli 67 1.5.- Evolutie van ESBL+ Escherichia coli: 25-215 68 2- ESCHERICHIA COLI MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR 3 DE EN/OF 4 DE GENERATIE CEFALOSPORINES (C3G/C4G-I/R) 7 2.1.- Aantal C3G/C4G-I/R Escherichia coli stammen per ziekenhuis 7 2.2.- Proportie C3G/C4G-I/R Escherichia coli stammen 7 2.3.- Proportie C3G/C4G-I/R Escherichia coli stammen geïsoleerd uit bloedkweken 7 2.4.- Incidentie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli 71 2.5.- Evolutie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli: 214-215 71 7

3- CARBAPENEMASE-PRODUCERENDE ESCHERICHIA COLI (CPE) 72 3.1.- Aantal CPE+ Escherichia coli stammen per ziekenhuis 72 3.2.- Proportie CPE+ Escherichia coli stammen 72 3.3.- Proportie CPE+ Escherichia coli stammen geïsoleerd uit bloedkweken 72 3.4.- Incidentie van CPE+ Escherichia coli 73 3.5.- Evolutie van CPE+ Escherichia coli 73 4- ESCHERICHIA COLI MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR MEROPENEM (MERO-I/R) 74 4.1.- Aantal mero-i/r Escherichia coli stammen per ziekenhuis 74 4.2.- Proportie mero-i/r Escherichia coli stammen 74 4.3.- Proportie mero-i/r Escherichia coli stammen geïsoleerd uit bloedkweken 74 4.4.- Incidentie van mero-i/r Escherichia coli stammen 75 4.5.- Evolutie van mero-i/r Escherichia coli: 213-215 75 LUIK 3: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ KLEBSIELLA PNEUMONIAE 76 1- ESBL-PRODUCERENDE KLEBSIELLA PNEUMONIAE (ESBL) 76 1.1.- Aantal ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae stammen per ziekenhuis 76 1.2.- Proportie ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae stammen 76 1.3.- Proportie ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae stammen uit bloedkweken 76 1.4.- Incidentie van ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae 77 1.5.- Evolutie van ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae: 25-215 78 2- KLEBSIELLA PNEUMONIAE MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR 3 DE EN/OF 4 DE GENERATIE CEFALOSPORINES (C3G/C4G-I/R) 8 2.1.- Aantal C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae stammen per ziekenhuis 8 2.2.- Proportie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae 8 2.3.- Proportie C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae stammen uit bloedkweken 8 2.4.- Incidentie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae 81 2.5.- Evolutie van de C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae cijfers 81 3- CARBAPENEMASE PRODUCERENDE KLEBSIELLA PNEUMONIAE (CPE) 82 3.1.- Aantal CPE+ Klebsiella pneumoniae stammen per ziekenhuis 82 3.2.- Proportie CPE+ Klebsiella pneumoniae stammen 82 3.3.- Proportie CPE+ Klebsiella pneumoniae stammen uit bloedkweken 82 3.4.- Incidentie van CPE+ Klebsiella pneumoniae 83 3.5.- Evolutie van CPE+ Klebsiella pneumoniae 83 4- KLEBSIELLA PNEUMONIAE MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR MEROPENEM (MERO-I/R) 84 4.1.- Aantal mero-i/r Klebsiella pneumoniae stammen per ziekenhuis 84 4.2.- Proportie mero-i/r Klebsiella pneumoniae stammen 84 4.3.- Proportie mero-i/r Klebsiella pneumoniae stammen uit bloedkweken 84 4.4.- Incidentie van mero-i/r Klebsiella pneumoniae 85 4.5.- Evolutie van mero-i/r Klebsiella pneumoniae: 213-215 86 BESLUIT: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ ENTEROBACTERIACEAE 87 LUIK 4: CARBAPENEMASE PRODUCERENDE ENTEROBACTERIACEAE (CPE) 9 1- METHODOLOGIE 9 Inclusiecriteria voor de epidemiologische surveillance 9 2- RESULTATEN 91 2.1. Aantal deelnemende laboratoria, bevestigde CPE-stammen en CPE-positieve patiënten 91 2.2. Klinische CPE-gevallen 92 2.3. Bacteriële species betrokken bij klinische CPE-positieve gevallen 93 2.4. Carbapenemase-type betrokken bij klinische CPE-positieve gevallen 93 2.5. Episodes van onderling gerelateerde CPE-gevallen of epidemie met CPE 95 2.6. Voorgeschiedenis van CPE-positieve patiënten 97 2.7. Klinische stalen: plaats van staalafname 98 3- BESLUIT 99 8

LUIK 5: MULTIRESISTENTE ACINETOBACTER BAUMANNII EN PSEUDOMONAS AERUGINOSA 11 1- ACINETOBACTER BAUMANNII 11 1.1.- Definities van multiresistentie voor Acinetobacter baumannii 11 1.2.- Aantal meropenem-i/r Acinetobacter baumannii stammen per ziekenhuis 11 1.3.- Proportie meropenem-i/r Acinetobacter baumannii 11 1.4.- Incidentie van mero-i/r Acinetobacter baumannii 12 1.5.- Evolutie van mero-i/r Acinetobacter baumannii: 29-215 12 2- PSEUDOMONAS AERUGINOSA 14 2.1.- Definitie van multiresistentie (MDR) voor Pseudomonas aeruginosa 14 2.2.- Aantal MDR Pseudomonas aeruginosa stammen per ziekenhuis 14 2.3.- Proportie MDR Pseudomonas aeruginosa 14 2.4.- Proportie MDR Pseudomonas aeruginosa uit bloedkweken 14 2.5.- Incidentie van MDR Pseudomonas aeruginosa 15 2.6.- Evolutie van MDR Pseudomonas aeruginosa: 29-215 16 3- BESLUIT: MEROPENEM-I/R A. BAUMANNII EN MDR P. AERUGINOSA 17 9

Lijst van tabellen Tabel 1: Proportie deelnemende ziekenhuizen per regio: verdeling volgens instellingsgrootte en categorie van verblijfsduur 19 Tabel 2: Proportie van MRSA in acute ziekenhuizen: verdeling volgens regio, ziekenhuisgrootte en gemiddelde verblijfsduur, jaar 215 2 Tabel 3: Incidentie van MRSA-dragerschap bij opname: verdeling op basis van de voorgeschiedenis en recente contacten met zorgstructuren 22 Tabel 4: Incidentiecijfer van nosocomiaal verworven MRSA: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 24 Tabel 5: De incidentiedensiteit van nosocomiale MRA: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 26 Tabel 6: Proportie nosocomiale MRSA binnen het totaal aantal MRSA-stammen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 27 Tabel 7: Proportie opgenomen patiënten met opnamescreening voor MRSA, jaar 215 3 Tabel 8: Proportie patiënten met MRSA-screening tijdens het ziekenhuisverblijf, jaar 215 3 Tabel 9: Proportie van MRSA in chronische ziekenhuizen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 36 Tabel 1: Incidentiecijfer van nosocomiaal verworven MRSA: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 37 Tabel 11: Incidentiedensiteit van nosocomiaal verworven MRSA: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, 215 38 Tabel 12: Proportie nosocomiale MRSA binnen het totaal aantal MRSA-stammen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 38 Tabel 13: Aantal ziekenhuizen gebruik makend van de EUCAST-criteria versus ziekenhuizen die de CLSI criteria gebruiken: verdeling volgens regio en volgens type ziekenhuis: jaar 215 43 Tabel 14: Aantal laboratoria die routinematig de teicoplanine-gevoeligheid testen bij enterokokken: verdeling volgens regio en volgens type ziekenhuis: jaar 215 43 Tabel 15: Aantal laboratoria die routinematig de linezolid-gevoeligheid testen bij enterokokken: verdeling volgens regio en volgens type ziekenhuis: jaar 215 44 Tabel 16: Proportie en incidentie van vancomycine-resistente Enterococcus faecalis: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 45 Tabel 17: Proportie en incidentie van glycopeptide-resistente Enterococcus faecalis: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 46 Tabel 18: Proportie en incidentie van linezolid-resistente Enterococcus faecalis: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 47 Tabel 19: Proportie en incidentie van vancomycine-resistente Enterococcus faecium: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 49 Tabel 2: Proportie en incidentie van glycopeptide-resistente Enterococcus faecium: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 5 Tabel 21: Aantal enterokokkenstammen ontvangen door het Nationaal Referentiecentrum: 29-215 53 Tabel 22: Regionale verdeling van de proportie deelnemende ziekenhuizen volgens ziekenhuisgrootte en gemiddelde verblijfsduur, jaar 215 55 Tabel 23: Proportie ESBL+ Enterobacter cloacae binnen het totaal aantal Enterobacter cloacae stammen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 57 Tabel 24: Incidentie van ESBL+ Enterobacter cloacae uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 58 Tabel 25: Proportie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae binnen het totaal aantal Enterobacter cloacae stammen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 6 Tabel 26: Incidentie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 61 Tabel 27: Proportie CPE+ Enterobacter cloacae op het totaal aantal Enterobacter cloacae stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 62 Tabel 28: Incidentiecijfer van CPE+ Enterobacter cloacae uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 63 Tabel 29: Proportie mero-i/r Enterobacter cloacae op het totaal aantal Enterobacter cloacae stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 64 1

Tabel 3: Incidentie van mero-i/r Enterobacter cloacae uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 65 Tabel 31: Proportie ESBL+ Escherichia coli uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: 215 66 Tabel 32: Incidentie van ESBL+ E. coli uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 67 Tabel 33: Proportie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli binnen het totaal aantal Escherichia coli: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 7 Tabel 34: Incidentie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli uit klinische stalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 71 Tabel 35: Proportie CPE+ Escherichia coli op het totaal aantal E. coli stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 72 Tabel 36: Incidentie van CPE+ Escherichia coli uit klinische- en screeningstalen (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 73 Tabel 37: Proportie mero-i/r Escherichia coli op het totaal aantal E. coli stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 74 Tabel 38: Incidentie van mero-i/r Escherichia coli uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 75 Tabel 39: Proportie ESBL+ Klebsiella pneumoniae uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 76 Tabel 4: Incidentie van ESBL+ K. pneumoniae uit klinische stalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 77 Tabel 41: Proportie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae binnen het totaal aantal Klebsiella pneumoniae stammen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 8 Tabel 42: Incidentie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae uit klinische stalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 81 Tabel 43: Proportie CPE+ Klebsiella pneumoniae op het totaal aantal K. pneumoniae stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 82 Tabel 44: Incidentie van CPE+ Klebsiella pneumoniae uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 83 Tabel 45: Proportie mero-i/r Klebsiella pneumoniae op het totaal aantal K. pneumoniae stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 84 Tabel 46: Incidentie van mero-i/r Klebsiella pneumoniae uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 85 Tabel 47: Aantal deelnemende laboratoria en nieuwe CPE-positieve patiënten per semester: (212-215) 91 Tabel 48: Jaarlijks aantal deelnemende laboratoria, verdeling volgens regio (212-215). 91 Tabel 49: Totaal aantal CPE-positieve patiënten per jaar, verdeling volgens regio (212-215) 92 Tabel 5: Jaarlijks aantal ziekenhuizen met één of meerdere CPE-clusters per carbapenemase-type: 212-215 96 Tabel 51: Stalen afgenomen in een klinische context: anatomische site van staalafname: 212-215 98 Tabel 52: Stalen afgenomen in een klinische context: site van staalafname, verdeling volgens carbapenemase-type en betrokken bacteriële species: 212-215 99 Tabel 53: Proportie mero-i/r Acinetobacter baumannii uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 11 Tabel 54: Incidentie van mero-i/r Acinetobacter baumannii uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 12 Tabel 55: Proportie MDR Pseudomonas aeruginosa uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 14 Tabel 56: Incidentie van MDR Pseudomonas aeruginosa uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 15 11

Lijst van figuren Figuur 1: Verdeling van de resistentiecijfers (klinische stalen enkel), jaar 215 21 Figuur 2: Evolutie van de incidentie van MRSA aanwezig bij opname: verdeling volgens voorgeschiedenis en vorige contacten met zorginstellingen 23 Figuur 3: MRSA aanwezig bij opname, verdeling op basis van voorafgaande contacten met verzorgingsinstellingen 23 Figuur 4: Verdeling van de incidentiecijfers van nosocomiaal verworven MRSA, klinische stalen enkel, jaar 215 25 Figuur 5: Evolutie van de proportie van n- MRSA gevallen gedetecteerd aan de hand van screening (2-215) 28 Figuur 6: Nosocomiaal verworven MRSA: proportie klinische stalen versus screeningstalen: verdeling volgens regio: 26-215 28 Figuur 7: Frequentie van screening bij opname in acute ziekenhuizen: verdeling volgens regio, jaar 215 29 Figuur 8: Frequentie van screening tijdens het ziekenhuisverblijf in acute ziekenhuizen: verdeling volgens regio, jaar 215 29 Figuur 9: Evolutie van de resistentieproportie en van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (ziekenhuizen met min. 5 deelnames): 1994-215 31 Figuur 1: Evolutie van het gemiddelde resistentiecijfer: min. 5 deelnames: 1994-215 32 Figuur 11: Evolutie van de verdeling van de resistentiecijfers: min. 5 deelnames: 1994-215 32 Figuur 12: Evolutie van de mediaan van de resistentiecijfers: verdeling volgens regio: min. 5 deelnames: 1994-215 32 Figuur 13: Evolutie van de gemiddelde incidentie van n-mrsa: min. 5 deelnames: 1994-215 33 Figuur 14: Evolutie van de verdeling van de incidentiecijfers van n-mrsa (/1 opnames): min. 5 deelnames: 1994-215 33 Figuur 15: Evolutie van de mediaan van de incidentie van n-mrsa (/1 opn.) volgens regio: min. 5 deelnames: 1994-215 33 Figuur 16: Evolutie van de gemiddelde incidentie (per 1 opnames) van S. aureus, van MRSA en van nosocomiaal verworven MRSA (uit klinische stalen) in Belgische ziekenhuizen (1994-215). 34 Figuur 17: Evolutie van de proportie van n-mrsa gevallen gedetecteerd aan de hand van screening (27-215) 39 Figuur 18: Evolutie van de resistentieproportie en van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (ziekenhuizen met min. 5 deelnames): 28-215 4 Figuur 19: De relatieve proportie van de verschillende enterokokkenspecies (jaar 215) 43 Figuur 2: De gemiddelde proportie en incidentie van vanco-r, glyco-r en linezolid-r E. faecalis: 214-215 48 Figuur 21: De gemiddelde proportie en incidentie van vanco-r, glyco-r en linezolid-r E. faecium: 214-215 51 Figuur 22: Enterobacteriaceae: respectievelijk aandeel (%) van de verschillende species (Jaar 215) 56 Figuur 23: Regionale verdeling van de incidentiecijfers van ESBL+ Enterobacter cloacae: jaar 215 58 Figuur 24: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van ESBL+ Enterobacter cloacae: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 29 59 Figuur 25: Verdeling van de incidentiecijfers van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae volgens regio: jaar 215 61 Figuur 26: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van mero-i/r Enterobacter cloacae: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 213 65 Figuur 27: Regionale verdeling van de incidentiecijfers van ESBL+ E. coli: jaar 215 67 Figuur 28: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van ESBL+ Escherichia coli: min. 3 deelnames sinds 25 68 Figuur 29: Evolutie van de mediane proporties van ESBL+ Escherichia coli volgens regio: ziekenhuizen met min. 3 deelnames 68 Figuur 3: Evolutie van de mediane incidentiecijfers van ESBL+ Escherichia coli (/1 opnames) volgens regio: ziekenhuizen met min. 3 deelnames 69 Figuur 31: Incidentiecijfers van CPE+ Escherichia coli (klinische- en screeningstalen), verdeling volgens regio: jaar 215 73 Figuur 32: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van mero-i/r Escherichia coli: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 213 75 Figuur 33: Regionale verdeling van de incidentie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae: jaar 215 77 12

Figuur 34: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae: ziekenhuizen met min. 3 deelnames sinds 25 78 Figuur 35: Evolutie van de mediane proportie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae volgens regio: ziekenhuizen met minstens 3 deelnames 78 Figuur 36: Evolutie van de mediane incidentie van ESBL+ K. pneumoniae (/1 opnames) volgens regio: ziekenhuizen met minstens 3 deelnames 79 Figuur 37: Verdeling van de incidentiecijfers van CPE+ Klebsiella pneumoniae (klinische en screeningstalen) volgens regio: jaar 215 83 Figuur 38: Verdeling van de incidentiecijfers van mero-i/r Klebsiella pneumoniae (klinische en screeningstalen) volgens regio: jaar 215 85 Figuur 39: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van mero-i/r Klebsiella pneumoniae: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 213 86 Figuur 4: Proporties en incidentiecijfers van ESBL-productie bij E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae (jaar 215, gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers, alle deelnemende ziekenhuizen) 87 Figuur 41: Gemiddelde van de incidentiecijfers van ESBL+ E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae: 25-215 87 Figuur 42: Proporties en incidentiecijfers van E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae, resistent voor 3 de en 4 de generatie cefalosporines (jaar 215, gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers, alle deelnemende ziekenhuizen) 88 Figuur 43: Proporties en incidentiecijfers van CPE+ E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae (jaar 215, gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers, alle deelnemende ziekenhuizen) 88 Figuur 44: Proporties en incidentiecijfers van E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae, met verminderde gevoeligheid (I/R) voor meropenem (jaar 215, gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers, alle deelnemende ziekenhuizen) 89 Figuur 45: Jaarlijks aantal CPE-gevallen (%) geïdentificeerd uit klinische stalen: 212-215 92 Figuur 46: Jaarlijks aantal CPE-positieve patiënten (klinische-/andere gevallen) verdeling volgens regio: 212-215 92 Figuur 47:Evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-gevallen, verdeling per betrokken bacterieel species (%): 212-215 93 Figuur 48: Evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-gevallen per regio, verdeling per betrokken bacterieel species (%): 212-215 93 Figuur 49: Evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-gevallen, verdeling volgens betrokken carbapenemase-type (%): 212-215 94 Figuur 5: Evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-gevallen per regio, verdeling volgens betrokken carbapenemase-type (%): 212-215 94 Figuur 51: Geografische verdeling van het aantal klinische CPE-gevallen per ziekenhuis volgens carbapenemase-type: 212-215 95 Figuur 52: Geografische verdeling van het aantal ziekenhuizen met één of meerdere CPE-clusters, verdeling volgens betrokken carbapenemase-type 97 Figuur 53: Jaarlijks aantal CPE-gevallen, verdeling volgens recente contacten met gezondheidzorg in België of in het buitenland: 212-215 98 Figuur 54: Evolutie van de gemiddelde proportie van mero-i/r Acinetobacter baumannii: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 29 12 Figuur 55: Evolutie van de gemiddelde incidentiecijfers van MR- en van mero-i/r Acinetobacter baumannii: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 29 13 Figuur 56: Regionale verdeling van de incidentiecijfers van MDR Pseudomonas aeruginosa volgens regio, 215 15 Figuur 57: Evolutie van de gemiddelde proporties van MR-MDR Pseudomonas aeruginosa: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 29 16 Figuur 58: Evolutie van de gemiddelde incidentie van MR-MDR Pseudomonas aeruginosa: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 29 16 13

Lijst van gebruikte afkortingen CLSI CPE CSV EARS-net ESBL EUCAST GRE LoS LRE MDR Mero-I/R MRSA n-mrsa NRC ns ROB RVT Type D VRE WZC Clinical and Laboratory Standard Institute carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae cerebrospinaal vocht European Antimicrobial Resistance Surveillance Network (ECDC) extended-spectrum beta-lactamases (Breedspectrum bêta-lactamasen) The European Committee on Antimicrobial Susceptibility Testing glycopeptide-resistente Enterokokken length of stay (= verblijfsduur in het ziekenhuis) linezolid resistente Enterokokken multidrug-resistente bacteriën bacterie niet-gevoelig voor meropenem meticilline-resistente Staphylococcus aureus nosocomiaal verworven meticilline-resistente Staphylococcus aureus (geïsoleerd >48u na opname, niet gekend in de voorgeschiedenis) Nationaal Referentiecentrum statistisch niet significant rustoord voor bejaarden rust- en verzorgingstehuis gegevens verzameld met uitsluiting van dubbels: de patiënt wordt slecht éénmaal geteld vancomycine-resistente Enterokokken Woonzorgcentrum 14

Inleiding Dit jaar vieren we de twintigste verjaardag van de surveillance van resistente bacteriën in Belgische ziekenhuizen. Deze surveillance is een van de langstlopende surveillances in Europa. Onder invloed van de evolutie van antibioticaresistentie in de Belgische zorginstellingen nam het aantal nieuw toegevoegde surveillanceluiken in de loop der jaren voortdurend toe. Aanvankelijk was MRSA de grote vijand waarvoor in 1994 een eerste epidemiologische surveillance werd opgestart. MRSA was het schoolvoorbeeld bij uitstek, de multiresistente bacterie waar we heel veel van geleerd hebben. Een vijand die we vandaag hopelijk bestreden hebben. De geschiedenis leerde ons dat er minstens drie verschillende MRSA-types zijn met telkens een zeer specifieke groep risicopersonen: ziekenhuis-mrsa (Healthcare associated MRSA), MRSA in de gemeenschap (Community-associated MRSA) en MRSA gerelateerd aan dieren (Livestockassociated MRSA). Enkele jaren (jaren 9 van vorige eeuw) na de opstart van de MRSA-surveillance deed zich ook een cascade van resistentiemechanismen voor bij Gram-negatieve bacteriën. Multiresistente Enterobacter aerogenes (surveillance gestart in 2), was de eerste uit een reeks van resistent geworden enterobacteriën (E. coli, K. pneumoniae en E. cloacae): de de resistent voor cefalosporines van de 3 en 4 generatie en enkele jaren later, resistent voor carbapenem-antibiotica. Sommige van deze multiresistente bacteriën produceerden ook enzymen van het type breedspectrum betalactamasen (ESBL- surveillance opgestart in 25) of van carbapenemasen (CPE-surveillance opgestart in 212). Ook bij non-fermenters ontwikkelde zich resistentie waardoor de surveillance van MDR Acinetobacter baumannii en Pseudomonas aeruginosa in 29 opgestart werd. In 214 werd uiteindelijk ook een surveillance van resistente (vancomycine, glycopeptiden, linezolid) enterokokken opgestart omdat in deze periode meerdere Belgische ziekenhuizen met VRE-epidemieën te kampen hadden. Deelname aan sommige van deze surveillanceluiken werd verplicht: voor MRSA sinds 26 (KB van 1 november 26) en voor Gram-negatieve bacteriën sinds 215 (KB van 27 januari 215). Momenteel is de deelname aan het VRE-surveillanceluik optioneel. Methodologie De surveillancegegevens worden geleverd door de microbiologische laboratoria van de deelnemende ziekenhuizen. Al de surveillanceluiken hebben enkel betrekking op gehospitaliseerde patiënten. Enkel data ontdaan van dubbels (type D) komen in aanmerking voor analyse. Een dubbel is een stam geïsoleerd bij een patiënt waarvoor reeds een stam van eenzelfde species en zelfde antibiogram (of met eenzelfde resistentiemechanisme vb. een ESBL of een carbapenemase) opgenomen werd in de surveillance, ongeacht het type staal waaruit de stam geïsoleerd werd. Alle surveillanceluiken hebben tot doel de epidemiologie van deze resistente bacteriën op te volgen in de tijd. Enkel voor het MRSA-luik is een indicator toegevoegd om het aspect van nosocomiale verwerving in kaart te brengen. Resistentie wordt als volgt gedefinieerd: o MRSA: Staphylococcus aureus, resistent voor meticilline/oxacilline o Enterobacteriaceae (E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae): ESBL+: productie van breedspectrum beta-lactamasen CPE+: productie van carbapenemasen de de Resistentie voor 3 en/of 4 generatie cefalosporines: verminderde gevoeligheid (I of R) voor cefalosporines: de - van de 3 generatie (cefotaxime, ceftriaxone, ceftazidime) de - en/of van de 4 generatie (cefepim), (conform de EUCAST- of CLSI-criteria). Resistentie voor meropenem: verminderde gevoeligheid (I/R) voor meropenem, conform de EUCAST- of CLSI-criteria. o De non-fermenters: multiresistente Acinetobacter baumannii: A. baumannii resistent (R), of met verminderde gevoeligheid (I) voor meropenem (vertegenwoordiger van de klasse carbapenem-antibiotica). Sinds 212, werd dit eenvoudig criterium gebruikt omdat meropenem-resistentie bij A. baumannii systematisch geassocieerd wordt met multiresistentie voor andere antibioticaklassen. 15

Multiresistente Pseudomonas aeruginosa: verminderde gevoeligheid (I/R) voor minstens 1 antibioticum in 4 van 5 volgende antibioticaklassen: - penicillines: ticarcilline +/- clavulaanzuur, piperacilline +/- tazobactam de de - 3 en 4 generatie cefalosporines: ceftazidime, cefepim - carbapenemantibiotica: meropenem, imipenem - fluoroquinolones: ciprofloxacine, levofloxacine - aminoglycosiden: gentamicine, tobramycine, amikacine. o Enterokokken: Enterococcus faecalis en Enterococcus faecium Glycopeptide-resistente Enterococcus (GLYCO-R): E. faecium of E. faecalis resistent voor vancomycine en voor teicoplanine EUCAST-criteria: Vanco-R: MIC-breekpunt: > 4 mg/l zone diameter: < 12 mm Teico-R: MIC-breekpunt: > 2 mg/l, zone diameter: < 16 mm CLSI-criteria: Vanco-R: MIC-breekpunt: 32 μg/ml, zone diameter: 14 mm Teico-R: MIC-breekpunt: 32 μg/ml, zone diameter: 1 mm Linezolid-resistente Enterococcus (LINEZOLID-R): E. faecium of E. faecalis resistent voor linezolid EUCAST-criteria: Linezolid-R: MIC-breekpunt: > 4 mg/l, zone diameter: < 19 mm CLSI-criteria: Linezolid-R: MIC-breekpunt: 8 μg/ml, zone diameter: 2 mm De definitie van nosocomiaal verworven MRSA: = infectie met of dragerschap van MRSA, verworven in het ziekenhuis, niet aanwezig bij opname of gekend in de voorgeschiedenis (voorbije 12 maanden). De eerste positieve MRSA-kweek werd afgenomen meer dan 48 uur na opname. Analyse van de gegevens De resultaten opgenomen in dit rapport hebben betrekking op het voorbije jaar (215). Het betreft meestal jaargegevens maar deelname aan één enkel surveillancesemester is eveneens toegestaan, behalve voor de surveillance van VRE waarvoor jaargegevens vereist zijn. Dit rapport beschrijft de epidemiologie van de opgevolgde resistente bacteriën. De resistentieproportie (gemiddelde, mediane, min./max. en gemiddelde van de proporties) wordt berekend voor elk bestudeerd resistent bacterieel species, t.t.z. het percentage resistente bacteriën binnen het totaal aantal geïsoleerde stammen (S/I/R) in het ziekenhuis tijdens de surveillanceperiode. Daarnaast wordt voor elk ziekenhuis de incidentie (per 1 opnames) en de incidentiedensiteit (per 1 hospitalisatiedagen) berekend. Om de resistentieproporties en incidentiecijfers te vergelijken volgens regio of ziekenhuisgrootte wordt de KruskalWallis-test gebruikt. Om de evolutie van de cijfers in de tijd te bestuderen worden historische data gebruikt. Een test voor lineaire trend (lineaire regressie) wordt berekend om de jaarlijkse stijging of daling van de proporties of incidentiecijfers te meten (het ziekenhuis wordt dan als cluster in het model ingebracht). Het statistische significantie niveau werd vastgesteld op.5. 16

DEEL 1: GRAM-POSITIEVE BACTERIËN 17

LUIK 1: METICILLINE-RESISTENTE STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) Deelname aan de surveillance In 215 namen 141 Belgische ziekenhuissites (49.546 bedden) deel aan de surveillance van meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA): 123 acute ziekenhuizen (46.683 bedden) en 18 chronische zorginstellingen (2.863 bedden). Onder de 18 chronische zorginstellingen werden ook 3 acute ziekenhuizen met een gemiddelde ziekenhuisverblijfsduur van meer dan 16 dagen gerangschikt. 129 (91.5%) op een totaal van 141 ziekenhuizen leverden jaargegevens voor 215 en 12 (8.5%) ziekenhuizen verzamelden data voor één semester. Acute ziekenhuizen 123 deelnemende ziekenhuizen (46.683 bedden, LoS: 6.8 d) 63 (51.2%) 16 (13.%) 44 (35.8%) Verdeling volgens regio Regio n. ziekenhuizen n. bedden LoS (dagen) Vlaanderen: 63 (51.2%) 27.12 6.7 Wallonië: 44 (35.8%) 13.544 6.7 Brussel: 16 (13.%) 6.37 7.3 Verdeling volgens ziekenhuisgrootte Bedden n. ziekenhuizen n. bedden LoS (dagen) < 2 bedden: 3 (24.4%) 4.546 6.9 2-399 b.: 53 (43.1%) 15.41 6.5 4 bedden+: 4 (32.5%) 26.736 6.9 Verdeling volgens gemiddelde verblijfsduur LoS categorie n. ziekenhuizen n. bedden < 7 dagen: 65 (53.3%) 24.65 7-8 dagen: 41 (33.6%) 18.344 > 9 dagen: 16 (13.1%) 4.39 Chronische zorginstellingen 8 (44.4%) 2 (11.1%) 8 (44.4%) 18 deelnemende ziekenhuizen (2.863 b., LoS: 33.5 d) Verdeling volgens regio Regio n. ziekenhuizen n. bedden LoS (dagen) Vlaanderen: 8 (44.4%) 1.161 39.4 Wallonië: 8 (44.4%) 1.486 27.6 Brussel: 2 (11.1%) 216 62.1 Verdeling volgens ziekenhuisgrootte Bedden n. ziekenhuizen n. bedden LoS (dagen) < 2 b.: 13 (72.2%) 1.695 36.2 2-399 b.: 5 (27.8%) 1.168 29. Verdeling volgens gemiddelde verblijfsduur LoS categorie n. ziekenhuizen n. bedden > 9 dagen: 18 (1%) 2.863 18

1 De gemiddelde verblijfsduur (LoS ) bedroeg 6.8 dagen (gemiddelde van de LoS: 7. dagen) in acute ziekenhuizen en 33.5 dagen (gemiddelde van de LoS: 46.9 dagen) in chronische zorginstellingen. Tabel 1: Proportie deelnemende ziekenhuizen per regio: verdeling volgens instellingsgrootte en categorie van verblijfsduur (n=123 ziekenhuizen) Verdeling van de ziekenhuizen Volgens instellingsgrootte (%) < 2 bedden 2-399 bedden 4 bedden Volgens verblijfsduur (%) < 7 dagen 7-8 dagen 9 dagen Vlaanderen (63 ziekenhuizen) Wallonië (44 ziekenhuizen) Brussel (16 ziekenhuizen) 14.3% 47.6% 38.1% 34.1% 43.2% 23.7% 37.5% 25.% 37.5% 58.7% 31.8% 9.5% 48.8% 37.2% 14.% 43.8% 31.3% 25.% 2 Enkel surveillancegegevens verzameld volgens type D (iedere patiënt wordt slechts één maal geteld), met uitsluiting van dubbels, komen in aanmerking voor analyse. 1 Length of stay (LoS): gemiddelde verblijfsduur in de instelling. Type A: Iedere positieve afname wordt geteld (inclusief screening en dubbels) Type B: Iedere positieve klinische afname wordt geteld (screening uitgesloten, inclusief dubbels) Type C: Iedere infectielokalisatie wordt één maal geteld per hospitalisatieperiode Type D: Iedere patiënt wordt slechts één maal geteld per hospitalisatie periode. 2 19

MRSA IN ACUTE ZIEKENHUIZEN 1- STAPHYLOCOCCUS AUREUS Voor het jaar 215 rapporteerden 123 acute ziekenhuizen in totaal 33.4 S. aureus stammen, gemiddeld 269 stammen per ziekenhuis (min. 3 - max. 1.472 stammen per ziekenhuis). De gemiddelde incidentie van S. aureus (klinische stalen) bedroeg 19.6 gevallen/1 opnames of 2.9 gevallen/ 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers van S. aureus bedroeg 21.1 gevallen/ 1 opnames (range: 2.6-136 gevallen/1). De incidentiecijfers varieerden sterk volgens regio en waren significant lager in ziekenhuizen in Vlaanderen (mediaan: 15.1 gevallen/1 opnames) dan in Wallonië (2.6 gevallen per 1 opnames, p=.6) en dan in regio Brussel (2.6 gevallen/1 opnames, p=.2). 2- RESISTENTIECIJFERS VOOR STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) Rubrieken en formule: Voorwaarden: (1A* 1)/ 1B Enkel type D Gegevens voor beide indicatoren 1A en 1B Voor het jaar 215, rapporteerden 123 ziekenhuizen in totaal 5.84 MRSA-stammen, gemiddeld 41.3 stammen per ziekenhuis (min. en max. 269 stammen). De proportie resistente S. aureus (MRSA) over het totaal aantal gerapporteerde S. aureus stammen (gemiddeld resistentiecijfer 3 ) bedroeg 15.4%. Het gemiddelde van de resistentiecijfers 4 van de deelnemende ziekenhuizen bedroeg 15.7% (mediaan: 13.6%). Her gemiddelde van de resistentiecijfers: - Volgens regio: statistisch significant verschillend in Wallonië versus Vlaanderen (p=.1) en Brussel (p=.1). - Volgens ziekenhuisgrootte: geen statistisch significante verschillen volgens ziekenhuisgrootte. - Volgens gemiddelde verblijfsduur (LoS): geen statistisch significante verschillen volgens verblijfsduur in het ziekenhuis. Tabel 2: Proportie van MRSA (Type D) in acute ziekenhuizen: verdeling volgens regio, ziekenhuisgrootte en gemiddelde verblijfsduur, jaar 215 MRSA/ S. aureus (%) Aantal ziekenhuizen MRSA-proportie, verdeling volgens REGIO Absolute cijfers Gemiddeld resistentiecijfer 2 (%) Gemid. v/d resistentie cijfers 3 Verdeling van de proporties 25% 5% mediaan 75% Min/Max België 123 584/334 15.4 15.7 9.6 13.6 2.6. - 39.6 Vlaanderen 63 254/1696 12.1 12.8 8. 11. 15.9. - 33.6 Wallonië 44 2381/11313 21. 2.8 13.1 2.7 27.9 4.1-39.6 Brussel 16 649/4767 13.6 12.7 1.1 12.5 14.2 7. - 2.2 MRSA-proportie, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden 3 521/3247 16. 16.9 9.6 13.6 27.8. - 38.7 2-399 bedden 53 241/11123 18.3 16.3 11. 15.4 2.3 2.8-39.6 4 bedden 4 2522/1867 13.5 13.9 9.5 11.5 17.3 4. - 31. MRSA-proportie, verdeling volgens GEMIDDELDE VERBLIJFSDUUR (LoS)* < 7 dagen 65 2464/1732 14.2 14.4 9.5 13.1 19.4. - 31.3 7-8 dagen 41 195/1257 16.2 17. 1.6 15.4 21.5 4.1-39.6 9 dagen + 16 652/3528 18.5 17.6 1.1 14.5 24.7 4.1-38.7 * slechts 122 ziekenhuizen leverden gegevens voor het berekenen van de gemiddelde verblijfsduur (aantal opnames en hospitalisatiedagen). 3 4 Het gemiddeld resistentiecijfer = Σ 1A x 1/ Σ 1B Het gemiddelde van de resistentiecijfers = Σ resistentiecijfers/ Σ aantal ziekenhuizen 2

aantal ziekenhuizen aantal ziekenhuizen Figuur 1 geeft de verdeling van de resistentiecijfers volgens regio en ziekenhuisgrootte (enkel type D). Figuur 1:Verdeling van de resistentiecijfers (klinische stalen enkel), jaar 215 Verdeling volgens regio 3 25 2 15 1 5,1-9,9 1-19,9 2-29,9 3-39,9 4-49,9 > = 5 Resistentiecijfers (%) Vlaanderen (n=63) Wallonië (n=44) Brussel (n=16) Verdeling volgens ziekenhuisgrootte 3 25 2 15 1 5,1-9,9 1-19,9 2-29,9 3-39,9 4-49,9 > = 5 4 bedden+ (n=4) 2-399 bedden (n=53) < 2 bedden (n=3) Resistentiecijfers (%) 21

3- MRSA AANWEZIG BIJ OPNAME Rubrieken en formule: (2A+2B)* 1/7A (2C+2D)* 1/7A (2E+ 2F)* 1/7A (2G+2H)* 1/7A (2J) *1/7A (2K+2L)* 1/7A Voorwaarden: Enkel type D Gegevens voor alle indicatoren van rubriek 2 en rubriek 7A ( in de subklassen, indien geen gevallen) 3.1. Incidentie van patiënten, MRSA-positief bij opname Slechts 36 ziekenhuizen leverden gegevens voor al de indicatoren voor rubriek 2 en 7A. Een totaal van 3.174 patiënten waren MRSA-positief bij opname in deze ziekenhuizen (totaal: 527.69 opnames). De gemiddelde incidentie van MRSA-dragerschap bij opname bedroeg 6. gevallen per 1 opnames (min..7 - max. 29 gevallen/1). De gemiddelde incidentie van MRSA aanwezig bij opname en waarvan het dragerschap gekend was in de voorgeschiedenis, bedroeg 2.1 gevallen per 1 opnames (min.., max. 7.5 gevallen/1). Tabel 3: Incidentie van MRSA-dragerschap bij opname (type D): verdeling op basis van de voorgeschiedenis en recente contacten met zorgstructuren Voorgeschiedenis van dragerschap en zorgcontacten Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers MRSA POSITIEF BIJ OPNAME (KLINISCHE- EN SCREENINGSTALEN) Totaal MRSA+ bij opname Gemiddelde incidentie MRSA+ bij opname/1 opn. Gemid. v/d incidentie Verdeling van de incidentiecijfers 25% 5% mediaan 75% Min/Max 36 3174/52769 6. 6.8 2.9 4.2 8.9.7-29. MRSA POSITIEF BIJ OPNAME, DRAGERSCHAP GEKEND IN DE VOORGESCHIEDENIS (KLINISCHE EN SCREENINGSTALEN) Gekend dragerschap (voorgeschiedenis) 36 183/52769 2.1 1.9.3 1.1 3.2. - 7.5 MRSA POSITIEF BIJ OPNAME, DRAGERSCHAP NIET GEKEND IN DE VOORGESCHIEDENIS (KLINISCHE EN SCREENINGSTALEN) Transfer uit acuut ziekenhuis 36 544/52769 1. 1.3.1.7 1.4. - 12.5 Transfer uit WZC* 36 385/52769.7.9.1.6 1.1. - 4.8 Transfer/verblijf ziekenhuis en WZC 36 248/52769.5.6..3.7. - 3. Geen vroegere contacten met 36 471/52769.9 1.1..7 1.4. - 11.7 zorginstellingen Geen informatie i.v.m. contacten met zorginstellingen 36 443/52769.8.9..2 1.1. - 5.3 * WZC: Woonzorgcentrum De incidentie van MRSA aanwezig bij opname daalde van 11 gevallen/1 opnames (27) naar 6. gevallen/1 opnames in 215. Enige voorzichtigheid bij de interpretatie van deze cijfers is echter noodzakelijk vermits slechts een beperkt aantal ziekenhuizen (n=36) in staat waren om deze gegevens te leveren. 22

MRSA+ bij opname/1 opnames Figuur 2: Evolutie van de incidentie van MRSA aanwezig bij opname: verdeling volgens voorgeschiedenis en vorige contacten met zorginstellingen 12 1 8 6 4 2 11 8,8 8,2,9 7,5 7,9 7,2 6,9 6,4 1,1 1,3 1,3 6 5,1 1,1 1,2 1,2 3,2 3 2,6 3,1 1,1,9 2,4 2,4 2,3 2,2 3,5 3,5 3,2 3,1 3 3,2 2,8 2,3 2,1 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Gekende dragers Contacten met gezondheidinstellingen Geen contacten met gezondheidsinstellingen Geen informatie over vorige contacten Incidentie van MRSA bij opname 3.2. Proportie patiënten, MRSA-positief bij opname, volgens vroegere contacten met zorginstellingen Rubrieken en formule: (2A+2B)* 1/noemer (2C+2D)* 1/noemer (2E+2F)* 1/noemer (2G+2H)* 1/noemer (2J)* 1/noemer (2K+2L)* 1/noemer Noemer: Σ alle indicatoren van rubriek 2 Voorwaarden: Enkel type D Gegevens voor alle indicatoren van rubriek 2 (Cf. vorige opmerking) Figuur 3 geeft de verdeling van het aantal patiënten, MRSA-positief bij opname, op basis van voorafgaande contacten met verzorgingsinstellingen (n= 36 ziekenhuizen). Bij 34.1% van al de patiënten, MRSA positief bij opname, was MRSA-dragerschap gekend in de voorgeschiedenis. Daarnaast hadden ook 1.177 patiënten (37.1% van alle patiënten, MRSA-positief bij opname) recent contact (voorbije jaar) gehad met een zorginstelling: met een acuut ziekenhuis (n=544), met een woonzorgcentrum (WZC)(n=385), of met beide types zorginstellingen (n=248). Geen enkel voorafgaand contact met zorginstellingen had plaats gevonden (community-associated MRSA) bij 14.8% van de bij opname MRSA-positieve patiënten. Tenslotte, informatie over vorige contacten met zorginstellingen ontbrak voor 14% van de bij opname, MRSA-positieve patiënten. Deze gegevens tonen het belangrijk aandeel van gekende dragers alsook van dragerschap bij opname, vooral bij patienten opgenomen uit andere zorginstellingen. Deze twee subgroepen vertegenwoordigen samen meer dan 7% van al de patiënten waarbij MRSA werd vastgesteld bij opname. Figuur 3: MRSA aanwezig bij opname, verdeling op basis van voorafgaande contacten met verzorgingsinstellingen (n=36) Gekend dragerschap 34,1% Contact met een ziekenhuis 17,1% Contact met een woonzorgcentrum 12,1% Contacten ongekend 14% Community 14,8% Contact met een ZH en een WZC 7,8% 23

4- NOSOCOMIAAL VERWORVEN MRSA Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 3A * 1/ noemer 7A en/of 7B Gegevens voor 3A en 7A, 7B 4.1. Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA Het incidentiecijfer werd berekend vanuit het aantal nieuwe nosocomiale MRSA-gevallen (rubriek 3A, zonder rekening te houden met MRSA uit screeningstalen) en de corresponderende noemergegevens (7A). Het globaal gemiddelde incidentiecijfer 5 bedroeg.9 nieuwe gevallen per 1 opgenomen patiënten (mediaan:.7 per 1 opnames). Het gemiddelde van de incidentiecijfers van nosocomiaal verworven MRSA: - Volgens regio: Statistisch significant verschil tussen ziekenhuizen: in Vlaanderen versus Wallonië (p=.1), in Wallonië versus Brussel (p=.3). - Volgens ziekenhuisgrootte: Statistisch significant verschil tussen: kleine ziekenhuizen versus middelgrote (p=.1) en grote ziekenhuizen (p=.6). Tabel 4: Incidentiecijfer van nosocomiaal verworven MRSA (klinische stalen enkel): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (klinische stalen) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie 4 Gemid. v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers 25% 5% mediaan 75% Min/Max Per 1 opnames 123 1434/1684799.9 1..4.7 1.3. - 5. Incidentie van n-mrsa, verdeling volgens REGIO Vlaanderen: 63 569/965154.6.7.3.5.9. - 2.5 Wallonië: 44 733/5378 1.5 1.5.7 1.2 2.3.2-5. Brussel: 16 132/215937.6.7.4.6.9.2-1.4 Incidentie van n-mrsa, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden: 3 24/156812 1.3 1.5.7 1. 2.3. - 5. 2-399 bedden: 53 486/579173.8.8.4.7 1.4.1-2.3 4 bedden +: 4 744/948814.8.8.3.5 1..1-3.2 Figuur 4 geeft de verdeling van de incidentiecijfers (per 1 opnames) volgens regio en ziekenhuisgrootte. 5 Het globale gemiddelde incidentiecijfer= Σ 3A x 1/ Σ 7A 24

aantal ziekenhuizen aantal ziekenhuizen Figuur 4: Verdeling van de incidentiecijfers van nosocomiaal verworven MRSA, klinische stalen enkel, jaar 215 Volgens regio 5 45 4 35 3 25 2 15 1 5,1 -,9 1-1,9 2-2,9 3-3,9 4-4,9 > = 5 Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (/1 opnames) Vlaanderen (n=63) Wallonië (n=44) Brussel (n=16) Volgens ziekenhuisgrootte 35 3 25 2 15 1 5,1 -,9 1-1,9 2-2,9 3-3,9 4-4,9 > = 5 Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (/1 opnames) 4 bedden+ (n=4) 2-399 bedden (n=53) < 2 bedden (n=3) 25

4.2. Incidentiedensiteit van nosocomiaal verworven MRSA De incidentiedensiteit van n-mrsa werd berekend uit het aantal nieuwe nosocomiale MRSA-gevallen uit klinische stalen (rubriek 3A) en hun corresponderende noemergegevens (7B). De globaal gemiddelde incidentiedensiteit 6 bedroeg.12 nieuwe gevallen per 1 hospitalisatiedagen (mediaan:.11/1). Het gemiddelde van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (per 1 hospitalisatiedagen): - Volgens regio: Statistisch significant verschil tussen ziekenhuizen: in Wallonië versus Vlaanderen (p=.1) en Brussel (p=.4) - Volgens ziekenhuisgrootte: Statistisch significant verschil tussen: Kleine- en grote ziekenhuizen (p=.4) Kleine- en middelgrote ziekenhuizen (p=.2) Tabel 5: De incidentiedensiteit van nosocomiale MRA (klinische stalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 Incidentiedensiteit van n-mrsa (klinische stalen) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentiedensiteit Verdeling van de incidentiecijfers Gemid. v/d incidentiecijfers 25% 5% mediaan 75% Min/Max Per 1 hospitalisatiedagen 123 1434/1146557.12.14.6.11.17. -.59 Incidentiedensiteit van n-mrsa, verdeling volgens REGIO Vlaanderen: 63 569/6512621.9.1.4.9.13. -.42 Wallonië: 44 733/338173.22.21.12.17.3.2 -.59 Brussel: 16 132/1571156.8.9.6.1.11.3-.13 Incidentiedensiteit van n-mrsa, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden: 3 24/1891.19.2.1.14.24. -.59 2-399 bedden: 53 486/3784459.13.13.5.11.18.1 -.41 4 bedden +: 4 744/6591948.11.11.5.8.12.2 -.48 6 Globaal gemiddelde incidentiedensiteit (/1 hospitalisatiedagen) = Σ 3A x 1/ Σ 7B 26

4.3. Proportie van nosocomiaal verworven MRSA Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 3A*1/ noemer 1A Enkel type D Gegevens voor 3A en 1A In 123 ziekenhuizen werden op een totaal van 5.84 MRSA-stammen (1A: nosocomiale- en niet-nosocomiale, uit klinische stalen), 1.434 MRSA stammen (3A, enkel nosocomiaal verworven, klinische stalen) gevonden bij nieuw gehospitaliseerde patiënten. De gemiddelde proportie nosocomiaal verworven MRSA bedroeg 28.2%. Deze proportie daalde van 77.5% (in 1994) naar 28.2% in 215. De proporties van n-mrsa binnen alle MRSA in het ziekenhuis: - Volgens regio: statistisch significante verschillen: Wallonië versus Brussel (p=.2) - Volgens ziekenhuisgrootte: statistisch significante verschillen: kleine ziekenhuizen versus middelgrote (p=.1) en grote ziekenhuizen (p=.2). Tabel 6: Proportie nosocomiale MRSA binnen het totaal aantal MRSA-stammen (klinische stalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde proportie n-mrsa/ totaal MRSA Gemid. v/d proporties. Verdeling van de proporties 25% 5% mediaan 75% Min/Max België 123 1434/584 28.2 33.8 2.5 3.8 45.5 1.2-1. Proportie van n-mrsa, verdeling volgens REGIO (%) Vlaanderen: 63 569/254 27.7 32.9 2.3 29.7 43.8 2.2-9. Wallonië: 44 733/2381 3.8 37.8 26. 35.7 5. 1.2-1. Brussel: 16 132/649 2.3 26. 19.1 21.8 3.1 1.8-7. Proportie van n-mrsa, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden: 3 24/521 39.2 44.7 28.2 4. 54.5 7.7-1. 2 399 bedden: 53 486/241 23.8 31.5 18.2 28.9 43.8 1.2-9. 4 bedden +: 4 744/2522 29.5 28.9 19.8 28.1 36.9 7.6-61.7 4.4. Proportie nosocomiale MRSA uit bloedkweken Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 5A *1/ noemer 5B *1/ noemer 5A + 5B Gegevens voor 5A en 5B en 3A 5A + 5B = 3A 76 ziekenhuizen leverden valide gegevens door de berekening van de proportie n-mrsa per type klinisch staal. 42 ziekenhuizen (55.3%) gaven aan dat zij tijdens het voorbije jaar geen enkele positieve bloedkweek met nosocomiaal verworven MRSA hadden vastgesteld. De overige 34 ziekenhuizen rapporteerden 763 n-mrsa stammen uit klinische stalen waarvan 5 (6.6%) uit bloedkweken afkomstig waren. Op basis van deze cijfers werd de incidentie van bacteriëmieën met n-mrsa geschat op.4 gevallen/1 opnames of.1 gevallen/1 hospitalisatiedagen 7. 7 Deze indicator mag echter niet gebruikt worden als kwaliteitsindicator (VIP 2 Vlaams indicatorenproject - Kwaliteit in algemene ziekenhuizen) want in de surveillance van MRSA wordt enkel de eerste MRSA-positieve bloedkweek meegeteld (voorwaarden: afname >48 u na opname in het ziekenhuis, geen MRSA-dragerschap in de voorgeschiedenis, de patiënt wordt slechts éénmaal geteld tijdens de hospitalisatieperiode). 27

Y26 Y27 Y28 Y29 Y21 Y211 Y212 Y213 Y214 Y215 Y26 Y27 Y28 Y29 Y21 Y211 Y212 Y213 Y214 Y215 Y26 Y27 Y28 Y29 Y21 Y211 Y212 Y213 Y214 Y215 aantal n-mrsa stalen (%) % MRSA 5- SCREENING VOOR MRSA 5.1. Aantal MRSA-gevallen opgespoord aan de hand van screening In 215, hadden alle ziekenhuizen een screeningsbeleid met afname van screeningstalen bij opname van de patiënt in het ziekenhuis. 116 ziekenhuizen (op een totaal van 123) rapporteerden minstens één nieuw, via screening (3B) gedetecteerd geval (min. 1 - max. 82). In totaal betrof het 1.623 gevallen (gemiddeld 14 gevallen/ziekenhuis met via screening gedetecteerde gevallen). In 7 ziekenhuizen (5.7%) met een screeningsbeleid bij opname, werd geen enkele n-mrsa stam uit screeningstalen gedetecteerd. Indien rekening gehouden wordt met n-mrsa uit screening (3B), stijgt het incidentiecijfer van n-mrsa van.9 naar 1.8 gevallen per 1 opnames. In 215 werd 53.1% van de n-mrsa gevallen aan de hand van screeningstalen gedetecteerd. Figuur 5 geeft de evolutie (2-215) van de proportie van, via screening gedetecteerde gevallen binnen het totaal aantal n-mrsa gevallen. We observeren een constante toename van deze proportie tot in 25, vanaf dan gevolgd door een stabilisering van de proportie (rond 5%). Figuur 5: Evolutie van de proportie van n- MRSA gevallen gedetecteerd aan de hand van screening (2-215) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 % MRSA (screeningstalen) % MRSA (klinische stalen) Figuur 6 geeft de proportie van n-mrsa gedetecteerd aan de hand van screeningstalen (26-215) opgesplitst per regio. In ziekenhuizen in Wallonië werd slechts 4% van alle n-mrsa aan de hand van screeningstalen gedetecteerd terwijl deze proportie 61% bedroeg in ziekenhuizen in Vlaanderen (p<.1) en 65% in Brussel (p<.1). Figuur 6: Nosocomiaal verworven MRSA: proportie klinische stalen versus screeningstalen: verdeling volgens regio: 26-215 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % Vlaanderen 6.6% Wallonië 4% Brussel 65.1% Klinische stalen Screeningstalen 28

5.2. Screeningspraktijken voor MRSA in het ziekenhuis In 215 verklaarden 119 ziekenhuizen dat patiënten bij opname in het ziekenhuis gescreend werden. Niet al de opgenomen patiënten werden gescreend: slechts in 6.7% (n=8) van de instellingen werd elke opgenomen patiënt systematisch gescreend, 5.4% van de ziekenhuizen (n=6) screende patiënten opgenomen uit instellingen in epidemische situatie, 84% (n=1) screende bij opname in bepaalde afdelingen, 9.8% (n=18) screende in functie van de herkomst van de patiënt (WZC, ander ziekenhuis, ) en 64.7% (n=77) hield rekening met het individuele risiconiveau van de patiënt. ziekenhuizen (%) Figuur 7:Frequentie van screening bij opname (gerapporteerd) in acute ziekenhuizen: verdeling volgens regio, jaar 215 1 9 8 7 6 5 4 3 2 1 1 1 93,7 85 79,4 82,5 73 68,8 62,5 55 52,5 42,9 7,9 5 6,3 Systematisch alle patiënten/afdelingen Epidemie in transferafdeling Bij opname in bepaalde Volgens herkomst van Op basis van afdelingen de patiënt (ZH, WZC,..) risiconiveau v/d patiënt Vlaanderen (n=63) Wallonië (n=4) Brussel (n=16) of = een daling of toename met minstens 5% in verhouding tot 214, of = een daling of toename met minstens 1% in verhouding tot 214, Tijdens het ziekenhuisverblijf: 95 (77.9%) van de 122 deelnemende ziekenhuizen rapporteerden dat ze tijdens het ziekenhuisverblijf screeningstalen afnamen in een epidemische context, 82.8% (n=11) screende routinematig in bepaalde afdelingen en 66.4% (n=81) screende in functie van het risiconiveau van de patiënt. ziekenhuizen (%) Figuur 8:Frequentie van screening tijdens het ziekenhuisverblijf (gerapporteerd) in acute ziekenhuizen: verdeling volgens regio, jaar 215 1 1 9 8 81 85,7 81,3 72,1 76,2 72,1 68,8 7 6 51,2 5 4 3 2 1 In epidemische context Routinematig in sommige afdelingen Vlaanderen (n=63) Wallonië (n=43) Op basis van het risiconiveau van de patiënt Brussel (n=16) of = een daling of toename met minstens 5% in verhouding tot 214, of = een daling of toename met minstens 1% in verhouding tot 214, 29

5.3. Frequentie van MRSA-screening bij opname Rubrieken en formule: 6A, 6B 6B *1/ noemer Noemer: 7A Voorwaarden: Gegevens voor 6B en 7A Slechts 35 ziekenhuizen leverden gegevens voor het berekenen van de frequentie van opnamescreening in het ziekenhuis. In 215 werd bij 14.51 patiënten (op 562.192 opgenomen patiënten) een opnamescreening uitgevoerd, t.t.z. 18.5% van de opgenomen patiënten (Tabel 7). Deze cijfers hebben betrekking op een te klein aantal ziekenhuizen en zijn dus zeker niet representatief. Tabel 7: Proportie opgenomen patiënten met opnamescreening voor MRSA, jaar 215 Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde proportie patiënten met screening/ 1 opnames Gemid. v/d proporties. Verdeling van de proporties 25% 5% mediaan 75% Min/Max België 35 1451/562192 18.5 14.6 3.6 7.7 2.8.2-84.4 Bij deze 14.51 patiënten werden in totaal 248.217 stalen (6A) afgenomen: gemiddeld 2.4 stalen per patiënt (min. 1 - max. 4.). 5.4. Frequentie van MRSA-screening tijdens het ziekenhuisverblijf Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 6C, 6D 6D *1/ noemer 7A Gegevens voor 6D en 7A Slechts 34 ziekenhuizen leverden gegevens voor het berekenen van de frequentie van screening tijdens het ziekenhuisverblijf. Van de 554.819 opgenomen patiënten (215) werden 3.36 patiënten tijdens hun ziekenhuisverblijf (> 48 u. na opname) gescreend voor MRSA, t.t.z. 5.5% (Tabel 8). Ook hier hebben de resultaten betrekking op een te klein aantal ziekenhuizen en kunnen dus zeker niet als representatief beschouwd worden. Tabel 8: Proportie patiënten met MRSA-screening tijdens het ziekenhuisverblijf, jaar 215 Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde Proportie patiënten met screening/ 1 opnames Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties 25% 5% mediaan 75% Min/Max België 34 336/554819 5.5 5.3 1.9 4.1 8.4.1 14.6 Bij deze 3.36, tijdens het ziekenhuisverblijf gescreende patiënten, werden in totaal 95.813 screeningstalen (6C) afgenomen: gemiddeld 3.2 stalen per patiënt (min. 1.1 - max. 11.6). 3

1994 1995 1996 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 MRSA/ S. aureus (%) n-mrsa/1 admissions 6- EVOLUTIE VAN DE RESISTENTIE- EN INCIDENTIECIJFERS 8 (Figuren 9 tot 15) Sinds het opstarten van de surveillance in 1994, deed zich een evolutie voor in drie tijden: 1- van 1994 tot 1998: een statistisch significante daling van het resistentiecijfer en van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA, 2- van 1999 tot 23: een snelle, belangrijke en statistisch significante stijging voor beide indicatoren met een verdubbeling van de cijfers, 3- Sinds 23 observeren we een duidelijk keerpunt in de trend met een stabilisering en vervolgens een geleidelijke daling van het resistentiecijfer en een snelle en zeer duidelijke daling van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA. In 215 bereikte de incidentie het laagste niveau sinds de start van de surveillance in 1994. a) Evolutie van de resistentieproportie: Sinds 23 observeren we een stabilisering, gevolgd door een statistisch significante daling van de proportie resistente stammen (test voor lineaire trend 23-215 voor de cohorte van ziekenhuizen die minstens 5 maal aan de surveillance deelnamen: jaarlijkse daling met -1.3%, p<.1). Sinds 23, observeren we een halvering van het resistentiecijfer. b) Evolutie van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA: Sinds 23 observeren we tevens een sterk statistisch significante daling van het incidentiecijfer van nosocomiaal verworven MRSA (test voor lineaire trend 23-215 voor de cohorte van ziekenhuizen met minstens 5 deelnames: jaarlijkse daling met.23 nieuwe gevallen/1 opnames, p<.1). Figuur 9: Evolutie van de resistentieproportie en van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (ziekenhuizen met min. 5 deelnames): 1994-215 MRSA in Belgian acute care hospitals proportion of S.aureus clinical isolates and incidence of nosocomial acquisition 1994-215 35 3 25 2 15 1 5 4,1 24.4 22,9 3,3 2,4 2,8 19,4 19 2,6 16,4 2,2 15,4 2,3 18,4 2,6 2,2 3,8 25,8 4 3 3,3 3,5 28,6 3 26,8 26,6 2,9 2,7 25,5 2,4 24,3 1,9 21,2 1,6 2,5 19,6 1,4 1,4 18,6 16,1 15,9 1,3 1,2 1,1 4,5 4 3,5 3 2,5 2 1,5 1,5 Resistance rate Incidence of n-mrsa Source: National surveillance, B. Jans Mean of rates in cohort of hospitals with min. 5 participations since 1994 8 De cijfers opgenomen in de figuren kunnen minimale verschillen vertonen met deze gepubliceerd in de opeenvolgende rapporten. Sommige ziekenhuizen delen hun resultaten, of de verbeteringen hiervan pas mee na het publiceren van het rapport. Hun gegevens worden in dat geval aan de nationale databank toegevoegd maar maken geen deel uit van de analyse voor de betreffende periode. 31

1994 1995 1996 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 mediaan v/d resistentiecijfers (%) 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 2 4 6 8 1 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Gemiddeld resistentiecijfer (%) Resistentiecijfers Figuur 1: Evolutie van het gemiddelde resistentiecijfer: min. 5 deelnames: 1994-215 3 25 2 15 21,2 2,7 19,2 19,1 2,1 17,6 16,4 15,3 24,6 28,2 26,4 26,5 24,8 25,3 23,7 22,9 2 18,4 16,6 17,2 15,2 15,5 1 5 Surveillanceperiodes Figuur 11:Evolutie van de verdeling van de resistentiecijfers: min. 5 deelnames: 1994-215 Figuur 12: Evolutie van de mediaan van de resistentiecijfers: verdeling volgens regio: min. 5 deelnames: 1994-215 4 35 3 25 2 15 1 5 Vlaanderen Wallonië Brussel België 32

1994 1995 1996 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 mediaan v/d incidentiecijfers/1 opn. 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 1 2 3 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Gemiddelde incidentie /1 opn. Incidentie van nosocomiale MRSA Figuur 13: Evolutie van de gemiddelde incidentie van n-mrsa: min. 5 deelnames: 1994-215 4,5 4 3,5 3 2,5 2 3,9 3,2 2,4 2,8 2,3 2,1 2,1 2,5 3,2 3,3 3,3 2,7 2,6 2,2 2 1,6 1,5 1,5 1 1,2 1,1 1,1,9,9,5 Surveillanceperiodes Figuur 14:Evolutie van de verdeling van de incidentiecijfers van n-mrsa (/1 opnames): min. 5 deelnames: 1994-215 Figuur 15: Evolutie van de mediaan van de incidentie van n-mrsa (/1 opn.) volgens regio: min. 5 deelnames: 1994-215 6 5 4 3 2 1 Vlaanderen Wallonië Brussel België 33

1994 1995 1996 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 S. aureus/1 opnames 7- BESLUIT: MRSA-SURVEILLANCE IN ACUTE ZIEKENHUIZEN - Voor het twaalfde jaar op rij daalt de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (Figuur 9). De incidentie van n- MRSA daalde van 4 gevallen/1 opnames in 23 naar 1.1 gevallen/1 in 215. Deze zeer mooie evolutie deed zich voor in de drie regio s van ons land (Figuur 15): - De meest uitgesproken incidentiedaling deed zich voor in Brusselse ziekenhuizen, van 5.7 gevallen/1 opnames in 24 naar.6 gevallen per 1 opnames in 215 (test voor lineaire trend 23-215, cohorte van ziekenhuizen met min. 5 deelnames: jaarlijkse daling -.38 nieuwe gevallen/1 opnames, p<.1). - In Vlaanderen daalde de incidentie van 2.4 gevallen (24) naar.5 gevallen per 1 opnames in 215 (test voor lineaire trend 23-215, cohorte van ziekenhuizen met min. 5 deelnames sinds 1994: jaarlijkse daling -.19 nieuwe gevallen/1 opnames, p<.1). - In Wallonië, na een piek in 24 (4.1 gevallen/1 opnames) daalde de incidentie tot 1.2 gevallen/1 in 215 (test voor lineaire trend 23-215, cohorte van ziekenhuizen met min. 5 deelnames sinds 1994: jaarlijkse daling -.24 nieuwe gevallen/1 opnames, p<.1). De proportie nosocomiaal verworven MRSA, geïsoleerd uit screeningstalen varieerde sterk volgens regio (Figuur 7). In 215 bedroeg deze proportie 65% in regio Brussel en 61% in Vlaanderen, maar bedroeg amper 4% in Wallonië. De proportie steeg aanzienlijk in regio Brussel (van 4% in 26 naar 65% in 215). In 215 onderging 18.5% van de opgenomen patiënten een opnamescreening en 5.5% werd gescreend tijdens het ziekenhuisverblijf. Deze proportie bleef vrij constant in de tijd maar de gegevens zijn afkomstig van een te klein aantal ziekenhuizen (n=35) om representatief te zijn voor België. - Het resistentiecijfer, t.t.z., de proportie MRSA-stammen uit klinische S. aureus isolaten (Figuur 9) bij gehospitaliseerde patiënten daalde eveneens maar trager: van 3.3% in 24 naar 15.9% in 215 (-14.4% in een tijdspanne van 1 jaar). Ook deze resultaten zijn bemoedigend want in 215 evenaren de gerapporteerde resistentiecijfers de laagste niveaus die geobserveerd werden in 1999 (15.4%) in de Belgische ziekenhuizen. - De incidentie van patiënten, MRSA-positief bij opname daalde van 11 gevallen/1 opnames (27) naar 6 gevallen/1 in 215 (Figuur 2). Deze gegevens dienen echter voorzichtig geïnterpreteerd te worden want ze zijn afkomstig uit een vrij beperkt aantal ziekenhuizen (n=36) en zijn afhankelijk van het screeningsbeleid bij opname. Het externe reservoir gedetecteerd bij opname bestond vooral uit gekende dragers (34.1%) en uit patiënten met recente zorgcontacten (ander ziekenhuis, WZC of beiden) (37.1%), terwijl 14.8% geen recente zorgcontacten had in de voorgeschiedenis. - Globaal genomen kunnen we besluiten dat de surveillanceresultaten met betrekking tot nosocomiaal verworven MRSA in Belgische acute ziekenhuizen uiterst gunstig blijven evolueren. Deze evolutie is toe te schrijven aan de gebundelde inspanningen van de ziekenhuishygiëneteams op het terrein alsook aan het geheel aan acties die uitgewerkt werden in onze ziekenhuizen: een meer doorgedreven toepassing van de nationale aanbevelingen ter preventie van MRSA-overdracht, een meer gericht screeningsbeleid van patiënten bij opname, de nationale handhygiënecampagnes en een rationeler antibioticagebruik dankzij de antibioticabeleidsgroepen. Figuur 16: Evolutie van de gemiddelde incidentie (per 1 opnames) van S. aureus, van MRSA en van nosocomiaal verworven MRSA (uit klinische stalen) in Belgische ziekenhuizen (1994-215). 3 25 2 S. aureus/1 opn MRSA/1 opn n-mrsa/1 opn 15 1 5 Surveillancejaren 34

In 215 werd een nieuwe nationale prevalentiestudie uitgevoerd m.b.t. dragerschap van resistente bacteriën in woonzorgcentra (bij 1.441 bewoners in 29 Belgische WZC). Deze studie toonde aan dat MRSA-dragerschap bij WZCbewoners een gunstige evolutie ondergaat. In 215, werd bij 9% van de bewoners MRSA-dragerschap vastgesteld, 3.2% minder dan in de vorige nationale prevalentiestudie (211) waar 12.2% van de bewoners MRSA-drager was. De prevalentiecijfers van MRSA-dragerschap in WZC evolueren op dezelfde wijze als de incidentiecijfers van MRSA in acute ziekenhuizen. Omwille van de frequente patiëntentransfers tussen beide types zorginstellingen vormen WZC en acute ziekenhuizen communicerende vaten op het vlak van resistente bacteriën. Evolutie van de prevalentie van MRSA-dragerschap (%) in WZC en van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA in acute ziekenhuizen: 1997-215 35

MRSA IN CHRONISCHE ZIEKENHUIZEN 1- STAPHYLOCOCCUS AUREUS In 215 rapporteerden 18 chronische ziekenhuizen in totaal 986 Staphylococcus aureus stammen, t.t.z. gemiddeld 54.8 stammen per ziekenhuis (min. 2 - max. 233). De incidentie van Staphylococcus aureus (uit klinische stalen) bedroeg 46 gevallen/1 opnames of 1.37 gevallen/1 hospitalisatiedagen. 2- RESISTENTIECIJFER VOOR STAPHYLOCOCCUS AUREUS (MRSA) Rubrieken en formule: Voorwaarden: (1A* 1)/ 1B Enkel type D Gegevens voor beide indicatoren 1A en 1B In 215 werden gemiddeld 12.3 MRSA-stammen per ziekenhuis gerapporteerd (min. - max. 76 stammen). De proportie resistente S. aureus (MRSA) over het totaal aantal S. aureus stammen (gemiddeld resistentiecijfer) bedroeg 22.4%. Het gemiddelde van de resistentiecijfers bedroeg 22.5% (mediaan: 15.4%). De resistentiecijfers waren niet significant verschillend volgens regio, noch volgens ziekenhuisgrootte. Tabel 9: Proportie van MRSA (Type D) in chronische ziekenhuizen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 MRSA/ S. aureus (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Resistentieproportie, verdeling volgens REGIO Gemiddeld resistentiecijfer (%) Gemid. v/d resistentiecijfers Verdeling van de proporties 25% 5% mediaan 75% Min/Max België 18 221/986 22.4 22.5 11.8 15.4 32.6. - 68.8 Vlaanderen 8 6/284 21.1 2.7 11.4 14.3 22.6. - 68.8 Wallonië 8 149/588 25.3 27.4 13.4 25. 43.6. - 55.6 Brussel 2 12/114 1.5 1.5 8.9 1.5 12.1 8.9-12.1 Resistentieproportie, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden 13 168/729 23. 19.1 1. 12.8 24.1. - 68.8 2-399 bedden 5 53/257 2.6 31.4 15. 21.1 53.8 11.8-55.6 3- MRSA AANWEZIG BIJ OPNAME Drie ziekenhuizen leverden volledige gegevens voor deze rubrieken (rubriek 2: van A tot L). Zij lieten toe de proporties en incidentiecijfers te berekenen van MRSA aanwezig bij opname. Deze 3 ziekenhuizen rapporteerden 34 patiënten MRSA+ bij opname. De incidentie van MRSA bij opname bedroeg 15.4 gevallen per 1 opnames. Bij 5 van de 34 patiënten, MRSA-positief bij opname (14.7%), was het MRSA-dragerschap gekend in de voorgeschiedenis. Deze resultaten hebben echter betrekking op een te klein aantal ziekenhuizen (n=3) om representatief te zijn voor chronische zorginstellingen. 36

4- NOSOCOMIAAL VERWORVEN MRSA Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 3A * 1/ noemer 7A en/of 7B Gegevens voor 3A en 7A, 7B 4.1. Incidentie van nosocomiaal verworven MRSA Het incidentiecijfer werd berekend vanuit het aantal nieuwe nosocomiale MRSA-gevallen uit klinische stalen (rubriek 3A), en de corresponderende noemergegevens (7A): 18 ziekenhuizen leverden de nodige gegevens. Het gemiddelde incidentiecijfer bedroeg 5 nieuwe gevallen per 1 opgenomen patiënten (mediaan: 4.9 gevallen per 1 opnames). De incidentie van nosocomiaal verworven MRSA was niet statistisch significant verschillend volgens regio, noch volgens ziekenhuisgrootte. Tabel 1: Incidentiecijfer van nosocomiaal verworven MRSA (klinische stalen enkel): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 Nosocomiaal incidentiecijfer van MRSA (klinische stalen) België Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers 25% 5% mediaan 75% Min/Max Per 1 opnames 18 18/2142 5. 5.3 2.1 4.9 8.1. - 15.9 Incidentie van n-mrsa, verdeling volgens REGIO Vlaanderen: 8 28/7222 3.9 4.8 1.9 3.2 6.2. - 15.9 Wallonië: 8 76/132 5.8 5.9 2.4 7.2 9.1. - 9.9 Brussel: 2 4/1178 3.4 5.1 2.1 5.1 8.1 2.1-8.1 Incidentie van n-mrsa, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden: 13 79/1357 5.8 5.4 2.1 5.7 7.8. - 15.9 2-399 bedden: 5 29/7913 3.7 5.2 2.9 4.1 9..7-9.2 4.2. Incidentiedensiteit van nosocomiaal verworven MRSA De incidentiedensiteit van n-mrsa werd berekend uit het aantal nieuwe nosocomiale MRSA-gevallen uit klinische stalen (rubriek 3A) en de corresponderende noemergegevens (7B): 18 ziekenhuizen leverden de nodige data. De gemiddelde incidentiedensiteit bedroeg.15 nieuwe gevallen per 1 hospitalisatiedagen (mediaan:.1 gevallen /1 hospitalisatiedagen). De incidentiedensiteit van n-mrsa was niet statistisch significant verschillend volgens regio, noch volgens ziekenhuisgrootte. 37

Tabel 11: Incidentiedensiteit van nosocomiaal verworven MRSA (klinische stalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 Incidentiedensiteit van n-mrsa (klinische stalen) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentiedensiteit Verdeling van de incidentiecijfers België Gemid. v/d incidentiecijfers 25% 5% mediaan 75% Min/Max Per 1 hospitalisatiedagen 18 18/71742.15.16.5.1.22. -.55 Incidentiedensiteit van n-mrsa, verdeling volgens REGIO Vlaanderen: 8 28/28433.1.13.5.9.19. -.41 Wallonië: 8 76/359937.21.21.7.15.35. -.55 Brussel: 2 4/73135.5.6.5.6.6.5 -.6 Incidentiedensiteit van n-mrsa, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden: 13 79/48838.16.16.5.8.22. -.55 2-399 bedden: 5 29/22994.13.15.11.13.16.3 -.29 4.3. Proportie van nosocomiaal verworven MRSA Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 3A*1/ noemer 1A enkel type D Gegevens voor 3A en 1A In de 18 deelnemende chronische ziekenhuizen werden in totaal 18 nosocomiaal verworven MRSA stammen geïsoleerd (3A, klinische stalen) op een totaal van 221 MRSA-stammen (1A, nosocomiale en niet-nosocomiale, uit klinische stalen). De proportie van in het ziekenhuis verworven MRSA bedroeg dus gemiddeld 48.9%. Tabel 12: Proportie nosocomiale MRSA binnen het totaal aantal MRSA-stammen (klinische stalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte, jaar 215 Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde proportie n-mrsa/ totaal MRSA Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties 25% 5% mediaan 75% Min/Max België 18 18/221 48.9 54.8 35.1 56.3 7.7 18.2-1. Proportie n-mrsa, verdeling volgens REGIO (%) Vlaanderen: 8 28/6 46.7 56.5 33.3 55.6 71.4 18.2-1. Wallonië: 8 76/149 51. 59. 36.8 66.7 71.4 22.2-88.9 Brussel: 2 4/12 33.3 34.3 28.6 34.3 4. 28.6-4. Proportie n-mrsa, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden: 13 79/168 47. 55.4 33.3 55.6 71.4 18.2-1. 2-399 bedden: 5 29/53 54.7 53.5 5. 57.1 66.7 22.2-71.4 38

n-mrsa uit screening/totaal n-mrsa (%) 4.4. Proportie van nosocomiaal verworven MRSA uit bloedkweken Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 5A *1/ noemer 5B *1/ noemer 5A + 5B Gegevens voor 5A en 5B en 3A 5A + 5B = 3A Tien chronische ziekenhuizen leverden valide gegevens voor de berekening van de proportie van n-mrsa (%) uit bloedkweken. Zij totaliseerden 62 nosocomiale MRSA stammen uit klinische stalen waarvan 4 (6.5%) uit een bloedkweek afkomstig waren. 5- SCREENING VOOR MRSA 5.1. Aantal nosocomiaal verworven MRSA-gevallen opgespoord aan de hand van screening In 215, rapporteerden 12 chronische zorginstellingen minstens één nieuwe MRSA-stam gedetecteerd aan de hand van screeningstalen (3B) (min. 1 - max. 15 per ziekenhuis). Het ging in totaal over 8 gevallen (gemiddeld: 6.7 gevallen per ziekenhuis met screeningstalen). In 6 ziekenhuizen (33.3%) waar nochtans gescreend werd, werd in 215 geen enkele MRSA uit screeningstalen gerapporteerd. Indien men rekening houdt met screeningsresultaten (3B) stijgt het gemiddelde incidentiecijfer van nieuwe n-mrsa in 215 naar.26 n-mrsa gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Tijdens de surveillanceperiode, werd 42.6% van de gerapporteerde, nosocomiaal verworven MRSA gevallen aan de hand van screening gedetecteerd. Figuur 17 geeft de evolutie (27-215) van de proportie van n-mrsa gevallen gedetecteerd aan de hand van screeningstalen. Figuur 17: Evolutie van de proportie van n-mrsa gevallen gedetecteerd aan de hand van screening (27-215) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 17,8 28,7 32,7 41,4 39,8 27 28 29 21 211 212 213 214 215 33,3 44,4 % MRSA (screeningstalen) % MRSA (klinische stalen) 35,9 42,6 5.2. Screeningspraktijken voor MRSA in het ziekenhuis In 215 rapporteerden alle 18 deelnemende chronische ziekenhuizen dat patiënten bij opname in het ziekenhuis gescreend werden afhankelijk van de indicaties. Slechts in 6 ziekenhuizen (33.3%) werd elke patiënt bij opname systematisch gescreend, 4 ziekenhuizen (22.2%) voerden screening uit bij patiëntentransfers uit ziekenhuizen in epidemische situatie. In 8 chronische ziekenhuizen (44.4%) screende men patiënten bij opname in bepaalde ziekenhuisafdelingen terwijl 1 chronische ziekenhuizen (55.6%) opnamescreening uitvoerden afhankelijk van de herkomst van de patiënt (transfer uit WZC of uit ander ziekenhuis, ). De helft van de ziekenhuizen (n=9) deed aan screening in functie van het individueel risicoprofiel van de patiënt. Tijdens het ziekenhuisverblijf: in slechts 1 van de 17 deelnemende chronische ziekenhuizen (5.9%) werden tijdens het ziekenhuisverblijf nooit screeningstalen afgenomen. In 11 van de 16 ziekenhuizen (68.8%) die wel screeningstalen afnamen tijdens het ziekenhuisverblijf gebeurde dit in een epidemische context, 7 ziekenhuizen (43.8%) screenden enkel routinematig in bepaalde ziekenhuisafdelingen en 1 ziekenhuizen (62.5%) namen tijdens het ziekenhuisverblijf screeningstalen af rekening houdend met het risicoprofiel van de patiënt. 39

MRSA/ S. aureus (%) n-mrsa/1 hospd 5.3. Frequentie van MRSA-screening bij opname Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 6A, 6B 6B *1/ noemer 7A Gegevens voor 6B en 7A Slechts 4 ziekenhuizen leverden gegevens voor het berekenen van de frequentie van opnamescreening in chronische ziekenhuizen. In 215 werd in deze instellingen bij 1.31 patiënten (op een totaal van 4.249 opgenomen patiënten) een opnamescreening uitgevoerd, t.t.z. 3.6% van al de opgenomen patiënten. Bij de 1.31 patiënten werden 2.1 stalen (6A) afgenomen: gemiddeld 1.6 staalafnames per gescreende patiënt (min. 1 - max. 3.2). 5.4. Frequentie van MRSA-screening tijdens het ziekenhuisverblijf Rubrieken en formule: Noemer: Voorwaarden: 6C, 6D 6D *1/ noemer 7A Gegevens voor 6D en 7A Slechts 4 ziekenhuizen leverden de gegevens voor het berekenen van de frequentie van screening tijdens het verblijf in chronische zorginstellingen. In deze instellingen werd bij 64.9% (2.756 patiënten op een totaal van 4.249 opgenomen patiënten) MRSA-screening uitgevoerd tijdens het ziekenhuisverblijf (> 48u. na opname). Bij deze 2.756 patiënten werden in totaal 7.638 screeningstalen afgenomen (6C): gemiddeld 2.8 staalafnames per gescreende patiënt (min. 1.3 - max. 3.1). 6- EVOLUTIE VAN RESISTENTIE- EN INCIDENTIECIJFERS Figuur 18 geeft de evolutie (28-215) van de resistentieproportie en van de incidentie van n-mrsa in chronische ziekenhuizen (min. 5 deelnames). De cijfers in onderstaande figuur vertonen lichte verschillen met deze uit vorige rapporten omdat deze enkel betrekking hebben op ziekenhuizen welke officieel gerangschikt worden onder chronische zorginstellingen, terwijl figuren in vorige rapporten ook acute ziekenhuizen met een gemiddelde verblijfsduur van meer dan 16 dagen opnamen. Tussen 29 en 211 observeren we een belangrijke en statistisch significante daling van de resistentiecijfers (van 43.8% in 29 naar 19.2% in 212, p=.2) en van de incidentiedensiteit van nosocomiaal verworven MRSA (van.23 gevallen/1 hospitalisatiedagen in 29 naar.12 gevallen/1 in 211, p=.2). Sinds 211 observeren we een lichte, niet significante stijging van de resistentiecijfers (van 19.2% naar 21.6%, p=.6) en een stabilisering van de incidentie (van.12 naar.13 gevallen/1 hospitalisatiedagen). Figuur 18: Evolutie van de resistentieproportie en van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA (ziekenhuizen met min. 5 deelnames): 28-215 5 45 4 35 3 25 2 15 41,22 MRSA in Belgian chronic care hospitals proportion of S.aureus clinical isolates and incidence of nosocomial acquisition 28-215 43,8,23 33,3,18 19,2,12 24,3 24,8 24,4,13,11,12 21,6,13,3,25,2,15,1 1 5,5 28 29 21 211 212 213 214 215 Resistance rate Incidence of n-mrsa Source: National surveillance, B. Jans Mean of rates in cohort of hospitals with min. 5 participations 4

7- BESLUIT: MRSA-SURVEILLANCE IN CHRONISCHE ZIEKENHUIZEN De resultaten opgenomen in dit gedeelte van het rapport hebben betrekking op alle chronische ziekenhuizen met 15 bedden en op acute ziekenhuizen met een gemiddelde verblijfsduur van 16 dagen. Het betreft een klein aantal instellingen, daarom moeten de resultaten voorzichtig geïnterpreteerd worden, o.a. omdat de patiëntenpopulatie in deze chronische zorginstellingen zeer heterogeen is (sommige centra hebben een psychogeriatrische achtergrond, andere waren in het verleden neurologische centra voor de behandeling van multiple sclerose of nog voor de meer intensieve revalidatie van patiënten met congenitale aandoeningen). In 215 waren de resistentieproporties (MRSA/S. aureus) hoger in chronische zorginstellingen (ruwe proportie: 22.4%, gemiddelde van de proporties: 22.5%) dan in acute ziekenhuizen (ruwe proportie: 15.4%, gemiddelde van de proporties: 15.7%). De incidentie van n-mrsa was amper hoger in chronische ziekenhuizen (gemiddelde incidentiedensiteit:.15 gevallen/1 hospitalisatiedagen, gemiddelde van de incidentiedensiteit:.16/1) dan in acute ziekenhuizen (gemiddelde incidentiedensiteit:.12 gevallen/1 hospitalisatiedagen, gemiddelde van de incidentiedensiteit:.14/1). Nochtans was de proportie nosocomiale MRSA binnen het totaal aantal MRSA-stammen in chronische ziekenhuizen hoger (48.9%) dan in acute zorginstellingen (28.2%). In chronische ziekenhuizen werd 42.6% van de n-mrsa stammen gedetecteerd uit screeningstalen terwijl deze proportie in acute ziekenhuizen iets groter was (53.1%). De screeningspraktijken en indicaties voor screening vertoonden verschillen: een groter aantal (33.3%) chronische ziekenhuizen voerde een systematische opnamescreening uit (versus 6.7% in acute ziekenhuizen). In acute ziekenhuizen was de herkomst van de patiënten (recente contacten met zorginstellingen, o.a. woonzorgcentra, ziekenhuizen) een belangrijke determinant voor opnamescreening (9.8% screende in deze context). In slechts 55.6% van de deelnemende chronische ziekenhuizen werd in deze context gescreend. Terwijl we de laatste jaren in acute ziekenhuizen een trage maar continue daling van de incidentie van nosocomiaal verworven MRSA observeren, lijkt deze indicator zich in chronische zorginstellingen sinds 211 eerder te stabiliseren. We gissen momenteel naar de betekenis hiervan. Mogelijks hebben we een drempel bereikt waaronder we niet meer kunnen dalen? 41

LUIK 2: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ ENTEROKOKKEN Deelname aan de surveillance In 215 namen 82 Belgische ziekenhuizen (29.93 bedden) deel aan de optionele surveillance van resistente enterokokken. 81 deelnemende ziekenhuizen verzamelden gegevens voor een volledig jaar terwijl 1 ziekenhuis data leverde voor 1 semester. De deelnemende ziekenhuizen 82 deelnemende ziekenhuizen (29.93 bedden, LoS: 7 d.) 39 (47.6%) 12 (14.6%) 31 (37.8%) Verdeling volgens regio Regio n. ziekenhuizen n. bedden gemiddelde LoS (d.) Vlaanderen: 39 (47.6%) 16.315 6.9 Wallonië: 31 (37.8%) 1.59 7. Brussel: 12 (14.6%) 3.528 7.3 Verdeling volgens ziekenhuisgrootte Bedden n. ziekenhuizen n. bedden LoS (d.) < 2 bedden: 21 (25.6%) 2.712 8.1 2-399 b.: 35 (42.7%) 1.36 6.8 4 bedden: 26 (31.7%) 16.885 7. Verdeling volgens gemiddelde verblijfsduur LoS categorie n. ziekenhuizen n. bedden < 7 dagen: 38 (46.9%) 14.197 7-8 dagen: 29 (35.8%) 12.517 9 dagen: 14 (17.3%) 2.819 Twintig van de 82 deelnemende ziekenhuizen (24.4%) waren universitaire ziekenhuizen of ziekenhuizen met een universitair karakter. 42

Proporties van de bestudeerde enterokokken species Teneinde het relatief aandeel van de verschillende enterokokken species te berekenen, werd gebruik gemaakt van de gegevens van een subgroep van 75 ziekenhuizen met volledige data. In deze 75 ziekenhuizen vertegenwoordigde Enterococcus faecalis en Enterococcus faecium respectievelijk 67.2% (n=15.378) en 16.6% (n=3.797) van al de enterokokken (n=22.871) die geïsoleerd werden in 215 (Figuur 19) Figuur 19: De relatieve proportie van de verschillende enterokokkenspecies (jaar 215, n= 75 ziekenhuizen) Andere Enterococcus species 16.2% Enterocccus faecium 16.6% Enterocccus faecalis 67.2% Methodes en criteria gebruikt in de laboratoria van deelnemende ziekenhuizen Gebruikte criteria voor bepaling van de breekpunten voor minimale inhiberende concentratie (MIC): 73.2% van de deelnemende ziekenhuizen (6/82) maken gebruik van de EUCAST-criteria 9 en 26.8% (22/82) gebruikt de CLSI-criteria 1 om de breekpunten voor de MIC-waarden voor enterokokken te bepalen. Ongeveer driekwart van de deelnemende ziekenhuizen gebruikt dus de EUCAST-criteria. CLSI. Het gebruik van EUCAST-criteria was niet significant hoger in universitaire ziekenhuizen (75%) dan in niet-universitaire ziekenhuizen (72.6%, p=.8). Tabel 13: Aantal ziekenhuizen (%) gebruik makend van de EUCAST-criteria versus ziekenhuizen die de CLSI criteria gebruiken: verdeling volgens regio en volgens type ziekenhuis: jaar 215, n= 82 ziekenhuizen EUCAST-criteria CLSI-criteria Totaal Aantal % Aantal % Aantal % ziekenhuizen ziekenhuizen ziekenhuizen België 6 73.2% 22 26.8% 82 1% Verdeling volgens regio Vlaanderen 29 74.4 1 25.6 39 1 Wallonië 25 8.7 6 19.4 31 1 Brussel 6 5. 6 5. 12 1 Verdeling volgens type ziekenhuis Universitaire ziekenhuizen/geaffilieerd 15 75. 5 25. 2 1 Niet-universitaire ziekenhuizen 45 72.6 17 27.4 62 1 Routinematig testen van de gevoeligheid voor teicoplanine in het laboratorium: In 54 van de 81 deelnemende laboratoria (66.7%) werd de gevoeligheid voor teicoplanine routinematig getest (Tabel 14): minder vaak in laboratoria in Vlaanderen (44.7%) dan in Wallonië (83.9%) en dan in regio Brussel (91.7%). Tabel 14: Aantal laboratoria (%) die routinematig de teicoplanine-gevoeligheid testen bij enterokokken: verdeling volgens regio en volgens type ziekenhuis: jaar 215, n= 81 ziekenhuizen Teicoplanine-gevoeligheid Totaal routinematig getest in het laboratorium JA NEEN Aantal % Aantal % Aantal % ziekenhuizen ziekenhuizen ziekenhuizen België 54 66.7% 27 33.3% 81 1% Verdeling volgens regio Vlaanderen 17 44.7 21 55.3 38 1 Wallonië 26 83.9 5 16.1 31 1 Brussel 11 91.7 1 8.3 12 1 Verdeling volgens type ziekenhuis Universitaire ziekenhuizen/geaffilieerd 12 6. 8 4. 2 1 Niet-universitaire ziekenhuizen 42 68.9 19 31.2 61 1 9 EUCAST: The European Committee on Antimicrobial Susceptibility Testing 1 CLSI: Clinical and Laboratory Standard Institute 43

Routinematig testen van de gevoeligheid voor linezolid in het laboratorium: In 54 van de 81 deelnemende laboratoria (66.7%) werd de gevoeligheid voor linezolid routinematig getest (Tabel 15): minder vaak in laboratoria in Vlaanderen (51.3%) dan in Wallonië (8.7%) en dan in regio Brussel (81.8%). Tabel 15: Aantal laboratoria (%) die routinematig de linezolid-gevoeligheid testen bij enterokokken: verdeling volgens regio en volgens type ziekenhuis: jaar 215, n= 81 ziekenhuizen Linezolid-gevoeligheid Totaal routinematig getest in het laboratorium JA NEEN Aantal % Aantal % Aantal % ziekenhuizen ziekenhuizen ziekenhuizen België 54 66.7% 27 33.3% 81 1% Verdeling volgens regio Vlaanderen 2 51.3 19 48.7 39 1 Wallonië 25 8.7 6 19.4 31 1 Brussel 9 81.8 2 18.2 11 1 Verdeling volgens type ziekenhuis Universitaire ziekenhuizen/geaffilieerd 11 57.9 8 42.1 19 1 Niet-universitaire ziekenhuizen 43 69.4 19 3.7 62 1 Epidemieën/clusters met resistente enterokokken (VRE, GRE of LRE) in 215 Acht van de 82 deelnemende instellingen (9.8%) verklaarden dat zij in 215 te kampen hadden met één of meerdere epidemieën/clusters 11 (samen 12 uitbraken) waarbij resistente enterokokken betrokken waren. Van de 12 epidemieën/clusters deden er zich 7 voor in Vlaanderen, 4 in Wallonië en 1 in regio Brussel. Bij deze uitbraken waren in totaal 144 patiënten betrokken (min. 2, max. 86 gevallen/epidemie) waarvan 21 geïnfecteerde- en 115 gekoloniseerde patiënten. Voor 8 patiënten was de status niet gespecificeerd. 11 Epidemie/cluster: Een epidemie/cluster wordt gedefinieerd als het zich voordoen van minstens een nieuw secundair geval (met epidemiologische link) van infectie of kolonisatie met resistente enterokokken (zelfde antibiogram, in een tijdspanne van één maand, in een zelfde ziekenhuisafdeling). 44

1- ENTEROCOCCUS FAECALIS In 215 rapporteerden 79 deelnemende ziekenhuizen in totaal 15.881 Enterococcus faecalis stammen uit klinische- en uit screeningstalen (min. - max. 76 stammen per ziekenhuis). 1.1.- Vancomycine-resistente Enterococcus faecalis (vanco-r) Definitie: Enterococcus faecalis stam: Resistent voor vancomycine en gevoelig voor teicoplanine (of gevoeligheid voor teicoplanine niet getest): EUCAST-criteria vanco-r: MIC-breekpunt: > 4 mg/l - diameter inhibitiezone: < 12 mm CLSI-criteria vanco-r: MIC-breekpunt: 32 μg/ml - diameter inhibitiezone: 14 mm 72 ziekenhuizen op een totaal van 81 (88.9%) verklaarden dat ze geen enkele vanco-r E. faecalis stam isoleerden in 215, terwijl de overige 9 ziekenhuizen samen 16 vanco-r E. faecalis stammen afkomstig uit klinische stalen rapporteerden. Drie ziekenhuizen isoleerden in totaal 5 E. faecalis stammen afkomstig uit screeningstalen. Proportie en incidentie van vanco-r E. faecalis Gemiddeld was.1% (n=16/15.881) van de E. faecalis stammen afkomstig uit klinische stalen resistent voor vancomycine (min. % - max. 2.6%). De gemiddelde incidentie van vanco-r E. faecalis bedroeg.15 gevallen per 1 opnames of.2 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Slechts een enkele vanco-r E. faecalis stam werd uit een bloedkweek geïsoleerd. Tabel 16: Proportie en incidentie van vancomycine-resistente Enterococcus faecalis (klinische stalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 vanco-r E. faecalis/ E. faecalis (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van vanco-r E. faecalis, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 79 16/15881.1.1.. - 2.6 Vlaanderen 37 9/9425.1.6.. -.8 Wallonië 3 5/4655.11.1.. - 1.39 Brussel 12 2/181.11.22.. - 2.6 Proportie van vanco-r E. faecalis, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 21 2/176.19.12.. - 2.6 2-399 bedden 33 4/4644.9.6.. - 1.32 4 bedden + 25 1/1161.1.4.. - 2.6 vanco-r E. faecalis / 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Verdeling van de incidentiecijfers Incidentie van vanco-r E. faecalis, verdeling volgens REGIO Gemiddelde v/d incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 8 16/172829.15.15.. -.491 België (1 hosp-dagen) 8 16/7519581.2.2.. -.47 Vlaanderen 38 9/57716.16.1.. -.96 Wallonië 3 5/369755.14.19.. -.491 Brussel 12 2/12658.16.19.. -.23 Incidentie van vanco-r E. faecalis, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden 21 2/9649.22.11.. -.23 2-399 bedden 34 4/38234.1.17.. -.491 4 bedden + 25 1/599876.17.14.. -.94 45

1.2.- Glycopeptide-resistente Enterococcus faecalis (glyco-r) Definitie: Enterococcus faecalis stam: Resistent voor vancomycine, en resistent voor teicoplanine EUCAST-criteria vanco-r: MIC-breekpunt: > 4 mg/l - diameter inhibitiezone: < 12 mm teico-r: MIC-breekpunt: > 2 mg/l - diameter inhibitiezone: < 16 mm CLSI-criteria vanco-r: MIC-breekpunt: 32 μg/ml - diameter inhibitiezone: 14 mm teico-r: MIC-breekpunt: 32 μg/ml - diameter inhibitiezone: 1 mm Zoals hoger al beschreven wordt de gevoeligheid voor teicoplanine niet routinematig in al de deelnemende laboratoria getest. Zevenenveertig (87%) van de 54 laboratoria die routinematig de gevoeligheid voor teicoplanine testen rapporteerden dat ze in 215 geen enkele glyco-r E. faecalis stam hadden geïsoleerd. De overige ziekenhuizen (n=7) rapporteerden samen 1 glyco-r E. faecalis stammen uit klinische stalen (min. - max. 3 stammen/ziekenhuis). Er werd geen enkele glyco-r E. faecalis stam uit screeningstalen geïsoleerd. Proportie en incidentie van glyco-r E. faecalis Gemiddeld was.1% (n=1/1.38) van de E. faecalis stammen afkomstig uit klinische stalen resistent voor glycopeptiden (min. % - max. 1.4%). De gemiddelde incidentie van glyco-r E. faecalis bedroeg.15 gevallen per 1 opnames of.2 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Twee klinische glyco-r E. faecalis isolaten werden uit bloedkweken geïsoleerd. Tabel 17: Proportie en incidentie van glycopeptide-resistente Enterococcus faecalis (klinische stalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Glyco-R E. faecalis / E faecalis (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van glyco-r E. faecalis, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 54 1/138.1.9.. - 1.39 Vlaanderen 17 5/518.1.5.. -.53 Wallonië 26 5/38.13.15.. - 1.39 Brussel 11 /113. Proportie van glyco-r E. faecalis, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 12 /54. 2-399 bedden 27 3/3449.9.8.. - 1.1 4 bedden + 15 7/649.12.16.. - 1.39 Glyco-R E. faecalis/ 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Verdeling van de incidentiecijfers Incidentie van glyco-r E. faecalis (per 1 opnames), verdeling volgens REGIO Gemid. v/d incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 54 1/674685.15.8.. -.123 België (1 hosp-dagen) 54 1/4774184.2.1.. -.17 Vlaanderen 17 5/256422.19.1.. -.94 Wallonië 26 5/3226.16.1.. -.123 Brussel 11 /9623. Incidentie van glyco-r E. faecalis (per 1 opnames), verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden 12 /56253. 2-399 bedden 27 3/283821.11.7.. -.123 4 bedden + 15 7/334611.21.17.. -.94 46

1.3.- Linezolid-resistente Enterococcus faecalis (linezolid-r) Definitie: Enterococcus faecalis stam: Resistent voor linezolid EUCAST-criteria MIC-breekpunt: > 4 mg/l - diameter inhibitiezone: < 19 mm CLSI-criteria MIC-breekpunt: 8 μg/ml - diameter inhibitiezone: 2 mm In 54 van de 81 deelnemende ziekenhuizen (66.7%) wordt de gevoeligheid van enterokokken voor linezolid routinematig in het labo getest. Zesenveertig laboratoria die routinematig de gevoeligheid voor linezolid testen rapporteerden dat ze in 215 geen enkele linezolid-r E. faecalis stam uit klinische stalen isoleerden. De overige ziekenhuizen (n=8) rapporteerden samen 16 linezolid-r E. faecalis stammen. Geen enkel ziekenhuis rapporteerde linezolid-r E. faecalis stammen uit screeningstalen. Proportie en incidentie van linezolid-r E. faecalis Gemiddeld was.14% (n=16/11356) van de E. faecalis stammen afkomstig uit klinische stalen resistent voor linezolid (min. % - max. 5.2%). Het gemiddelde van de resistentiecijfers bedroeg.22%. De gemiddelde incidentie van linezolid-r E. faecalis (klinische stalen) bedroeg.21 gevallen per 1 opnames of.3 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Drie klinische linezolid-r E. faecalis stammen waren afkomstig uit bloedkweken. Tabel 18: Proportie en incidentie van linezolid-resistente Enterococcus faecalis (klinische stalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Linezolid-R E. faecalis / E faecalis (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van linezolid-r E. faecalis, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 54 16/11356.14.22.. - 5.19 Vlaanderen 2 3/5822.5.3.. -.5 Wallonië 25 7/4182.17.14.. - 1.64 Brussel 9 6/1352.44.85.. - 5.19 Proportie van linezolid-r E. faecalis, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 1 4/436.92.52.. - 5.19 2-399 bedden 27 6/3449.17.21.. - 2.44 4 bedden + 17 6/7471.8.7.. -.59 Linezolid-R E. faecalis/ 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Verdeling van de incidentiecijfers Incidentie van linezolid-r E. faecalis (per 1 opnames), verdeling volgens REGIO Gemid. v/d incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 54 16/75992.21.22.. -.459 België (1 hosp-dagen) 54 16/516533.3.4.. -.86 Vlaanderen 2 3/325942.9.1.. -.136 Wallonië 25 7/318699.22.15.. -.126 Brussel 9 6/16351.56.69.. -.459 Incidentie van linezolid-r E. faecalis (per 1 opnames), verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden 1 4/5244.76.46.. -.459 2-399 bedden 27 6/28266.21.17.. -.16 4 bedden + 17 6/415892.14.16.. -.136 47

Resistente E. faecalis (%) Resistente E. faecalis /1 opn. 1.4.- Evolutie van de proporties en incidentiecijfers van resistente Enterococcus faecalis Tussen 214 en 215, oberveren we een toename van de proporties en incidentiecijfers van E. faecalis resistent voor vancomycine en voor linezolid (Figuur 2). Het is echter te vroeg om trends te interpreteren omdat de surveillance pas in 214 van start ging en ook omwille van het toch nog beperkt aantal deelnemende ziekenhuizen. Figuur 2: De gemiddelde proportie en incidentie van vanco-r, glyco-r en linezolid-r E. faecalis: 214-215,16,14,12,1,8,6,11%,6%,6%,14%,1%,1%,25,2,15,1,14,9,8,21,15,15,4,2,5 214 215 214 215 Vanco-R Glyco-R Linezolid-R Vanco-R Glyco-R Linezolid-R 48

2- ENTEROCOCCUS FAECIUM In 215 rapporteerden 79 deelnemende ziekenhuizen in totaal 3.849 Enterococcus faecium stammen (min. - max. 32 stammen per ziekenhuis). 2.1.- Vancomycine-resistente Enterococcus faecium (vanco-r) Definitie: Enterococcus faecium stam: Resistent voor vancomycine, en gevoelig voor teicoplanine (of gevoeligheid voor teicoplanine niet getest) EUCAST-criteria vanco-r: MIC-breekpunt: > 4 mg/l - diameter inhibitiezone: < 12 mm CLSI-criteria vanco-r: MIC breekpunt: 32 μg/ml - diameter inhibitiezone: 14 mm Achtenvijftig van de 81 deelnemende ziekenhuizen (71.6%) verklaarden dat ze in 215 geen enkele vanco-r E. faecium stam isoleerden, terwijl 23 ziekenhuizen samen 77 vanco-r E. faecium stammen uit klinische stalen rapporteerden. Elf ziekenhuizen rapporteerden ook in totaal 116 vanco-r E. faecium stammen uit screeningstalen. Meer dan de helft (6.1%) van al de, in 215 gerapporteerde vanco-r E. faecium stammen (n=193) werden dus gedetecteerd aan de hand van screeningstalen. Echter, 96 van de 116 isolaten uit screeningstalen waren afkomstig van 5 ziekenhuizen die in 215 met een VRE-epidemie te kampen hadden. Proportie en incidentie van vanco-r E. faecium Gemiddeld was 2.% (n=77/3.849) van de E. faecium stammen afkomstig uit klinische stalen resistent voor vancomycine (min. % - max. 18.9%). De gemiddelde incidentie van vanco-r E. faecium bedroeg.72 gevallen per 1 opnames of.1 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg.56 gevallen/1 opnames. Zes (7.8%) van de 77 klinische vanco-r E. faecium stammen werden geïsoleerd uit bloedkweken. De incidentie van bacteriëmieën met vanco-r E. faecium bedroeg.6 gevallen/1 opnames. Tabel 19: Proportie en incidentie van vancomycine-resistente Enterococcus faecium (klinische stalen): verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 Vanco-R E. faecium/ E faecium (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van vanco-r E. faecium, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 79 77/3849 2. 1.26.. - 18.85 Vlaanderen 37 46/2232 2.6 1... - 18.85 Wallonië 3 21/1118 1.88 1.4.. - 13.95 Brussel 12 1/499 2. 1.71.. - 6.25 Proportie van vanco-r E. faecium, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 21 3/257 1.17.7.. - 6.25 2-399 bedden 33 16/122 1.57 1.8.. - 13.95 4 bedden + 25 58/257 2.26 1.97.66. - 18.85 Vanco-R E. faecium/ 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Verdeling van de incidentiecijfers Incidentie van vanco-r E. faecium (per 1 opnames), verdeling volgens REGIO Gemid. v/d incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 8 77/172829.72.56.. -.981 België (1 hosp-dagen) 8 77/7519581.1.7.. -.11 Vlaanderen 38 46/57716.8.4.. -.724 Wallonië 3 21/369755.57.68.. -.981 Brussel 12 1/12658.79.74.. -.28 Incidentie van vanco-r E. faecium, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden 21 3/9649.33.27.. -.28 2-399 bedden 34 16/38234.42.55.. -.981 4 bedden + 25 58/599876.97.81.32. -.724 49

2.2.- Glycopeptide-resistente Enterococcus faecium (glyco-r) Definitie: Enterococcus faecium stam: resistent voor vancomycine, en resistent voor teicoplanine EUCAST-criteria vanco-r: MIC-breekpunt: > 4 mg/l - diameter inhibitiezone: < 12 mm teico-r: MIC-breekpunt: > 2 mg/l - diameter inhibitiezone: < 16 mm CLSI-criteria vanco-r: MIC-breekpunt: 32 μg/ml - diameter inhibitiezone: 14 mm teico-r: MIC-breekpunt: 32 μg/ml - diameter inhibitiezone: 1 mm 55 ziekenhuizen (waarvan 3 de gevoeligheid voor teicoplanine niet routinematig testen in het labo) leverden gegevens voor deze rubriek: 34 ziekenhuizen (61.8%) hadden in 215 geen enkele glyco-r E. faecium stam geïsoleerd, terwijl de overige ziekenhuizen (n=21) in totaal 52 glyco-r E. faecium stammen uit klinische stalen rapporteerden. Dertien ziekenhuizen isoleerden ook 66 glyco-r E. faecium stammen uit screeningstalen (min. 1 - max. 16 stammen). 55.9% van de in 215 gerapporteerde glyco-r E. faecium stammen werden dus geïsoleerd uit screeningstalen. Proportie en incidentie van glyco-r E. faecium Gemiddeld was 2.8% van de E. faecium stammen afkomstig uit klinische stalen resistent voor glycopeptiden (min. % - max. 13.2%). Het gemiddelde van de resistentieproporties bedroeg 1.66%. De gemiddelde incidentie van glyco-r E. faecium (klinische stalen) bedroeg.71 gevallen per 1 opnames of.1 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg.69 gevallen/1 opnames. Zeven (13.5%) van de 52 klinische glyco-r E. faecium stammen werden geïsoleerd uit bloedkweken. De incidentie van bacteriëmieën met glyco-r E. faecium bedroeg.1 gevallen/1 opnames. Tabel 2: Proportie en incidentie van glycopeptide-resistente Enterococcus faecium (klinische stalen): verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 Glyco-R E. faecium/ E faecium (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van glyco-r E. faecium, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 55 52/253 2.8 1.66.. - 13.21 Vlaanderen 19 16/1171 1.37.65.. - 4.92 Wallonië 25 24/112 2.37 2.1.. - 13.21 Brussel 11 12/32 3.75 2.62.. - 1.53 Proportie van glyco-r E. faecium, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 12 3/143 2.1 1.23.. - 6.25 2-399 bedden 25 23/737 3.12 2.3.. - 13.21 4 bedden + 18 26/1623 1.6 1.44.71. - 4.92 Glyco-R E. faecium/ 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Verdeling van de incidentiecijfers Incidentie van glyco-r E. faecium (per 1 opnames), verdeling volgens REGIO Gemid. v/d incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 55 52/73186.71.69.. -.681 België (1 hosp-dagen) 55 52/5133645.1.9.. -.85 Vlaanderen 19 16/35241.52.33.. -.216 Wallonië 25 24/328742.73.7.12. -.61 Brussel 11 12/9623.125.131.. -.681 Incidentie van glyco-r E. faecium (per 1 opnames), verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE < 2 bedden 12 3/56253.53.47.. -.28 2-399 bedden 25 23/269638.85.85.. -.681 4 bedden + 18 26/44295.64.63.28. -.216 5

Resistente E. faecium (%) Resistente E. faecium /1 opn. 2.3.- Linezolid-resistente Enterococcus faecium (linezolid-r) Definitie: Enterococcus faecium stam: resistent voor linezolid EUCAST-criteria MIC-breekpunt: > 4 mg/l - diameter inhibitiezone: < 19 mm CLSI-criteria MIC-breekpunt: 8 μg/ml - diameter inhibitiezone: 2 mm 51 ziekenhuizen leverden gegevens voor deze rubriek: 48 ziekenhuizen (94.1%) hadden in 215 geen linezolid-r E. faecium stammen geïsoleerd, terwijl de 3 overige ziekenhuizen samen 3 linezolid-r E. faecium stammen afkomstig uit klinische stalen rapporteerden. Geen enkel deelnemend ziekenhuis isoleerde linezolid-r E. faecium uit screeningstalen. Proportie en incidentie van linezolid-r E. faecium Gemiddeld was.11% (n=3/2.665) van de E. faecium stammen afkomstig uit klinische stalen, resistent voor linezolid. De gemiddelde incidentie van linezolid-r E. faecium (uit klinische stalen) bedroeg.4 gevallen per 1 opnames. Geen enkele linezolid-r E. faecium stam werd uit bloedkweken geïsoleerd. 2.4.- Evolutie van de proporties en incidentiecijfers van resistente Enterococcus faecium Tussen 214 en 215 observeren we een lichte toename van de proporties en incidentiecijfers van E. faecium resistent voor vancomycine en voor linezolid. Het gaat echter om zeer lage cijfers en de surveillance ging pas van start in 214. Het is dus zeker te vroeg om eventuele trends te interpreteren. Figuur 21: De gemiddelde proportie en incidentie van vanco-r, glyco-r en linezolid-r E. faecium: 214-215 3,5 3 2,5 2 1,5 1,5 2,97% 2,8% 2% 1,78%,4%,11% 214 215,1,9,8,7,6,5,4,3,2,1,92,72,71,6,2,4 214 215 Vanco-R Glyco-R Linezolid-R Vanco-R Glyco-R Linezolid-R 51

BESLUIT Het aantal deelnemende ziekenhuizen is flink toegenomen: van 46 ziekenhuizen in 214 naar 82 in 215. In Wallonië en in Brussel is het aantal deelnemende ziekenhuizen zelfs verdubbeld. Enterococcus faecalis was de meest frequent gerapporteerde species in 215: 67.2% van al de geïsoleerde enterokokken in ziekenhuizen, 4 maal meer dan Enterococcus faecium (16.6%). Resistentie kwam echter vaker voor bij E. faecium: 2% van al de E. faecium isolaten was resistent voor vancomycine alleen en 2.1% combineerde een resistentie voor vancomycine en teicoplanine (glyco-r). Niettegenstaande dat de deelname aan de surveillance in 215 sterk is toegenomen moeten deze resultaten toch met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Zelfs als de twee belangrijkste gegevensbronnen i.v.m. resistente enterokokken samen gebracht worden: de epidemiologische surveillanceresultaten (WIV-ISP) en de microbiologische data (NRC), dan krijgen we nog geen volledig epidemiologisch beeld, elke bron belicht slechts een deel van de realiteit. In 215, hebben 8 deelnemende ziekenhuizen (op een totaal van 82) een of meerdere uitbraken/clusters gerapporteerd: met vanco-r E. faecium (5 ziekenhuizen), met glyco-r E. faecium (3 ziekenhuizen). Bij de 12 epidemische episodes waren 144 patiënten betrokken (min. 2, max. 86 gevallen/ziekenhuis) waaronder 21 met een infectie. Ziekenhuizen Aantal gevallen Regio Species Resistentiegenen Resistentie PFGE-type MLST-type ZH A 86 Vlaanderen E. faecium vana Vanco-R 62, 114, 115 23, 17, 8 ZH B 9 Vlaanderen E. faecium vana Vanco-R 62 23 ZH C 15 Vlaanderen E. faecium vana Vanco-R 11 8 ZH D 4 Vlaanderen E. faecium vanb Vanco-R 196 23 ZH E 2 Brussel E. faecium vana Vanco-R 123 8 ZH F 7 Wallonië E. faecium vana Glyco-R 62 23 ZH G 11 Wallonië E. faecium vana Glyco-R 62 23 ZH H 1 Wallonië E. faecium - Glyco-R Stammen niet naar het NRC verzonden In 215 ontving het NRC echter stammen afkomstig uit minstens 22 uitbraakepisodes, wat aantoont dat de epidemiologische surveillance zeker nog grijze zones bevat. De NRC-data toonden eveneens aan dat in 215 een Enterococcus faecium stam, vana, PFGE-type 62/62-like in minstens 14 ziekenhuizen (148 gevallen) is opgedoken. Waarschijnlijk vertonen de NRC-data ook grijze zones want niet alle ziekenhuizen, zelfs in epidemische situatie, sturen hun stammen naar het NRC, of melden een epidemische context (vb: ziekenhuis H in bovenstaande tabel). Het is dan ook zeer moeilijk om de omvang van het resistentieprobleem bij enterokokken in Belgische ziekenhuizen correct in te schatten. Dat een vrij belangrijk aantal Belgische zorginstellingen een probleem heeft met resistente enterokokken lijdt geen twijfel. Sinds januari 211, krijgt het NRC een toenemend aantal enterokokkenstammen aangereikt ter bevestiging van het resistentiemechanisme (tabel 21) 12. 12 G. Ieven et al. Surveillance of Enterococci in Belgium, mondelinge voordracht, Seminaire 'Diagnose en surveillance van infectieziekten', WIV-ISP en BVICM, 19 mei 216. 52

Tabel 21: Aantal enterokokkenstammen ontvangen door het Nationaal Referentiecentrum: 29-215 (bron: Enterokokkensurveillance van het NRC) 29 21 211 212 213 214 215 Ontvangen isolaten (n) 32 27 81 131 178 3 578 Species niet gekend 4 2 E. faecium 18 19 47 14 95 215 447 E. faecalis 12 3 18 15 67 68 111 E. cass/gall 2 1 13 9 12 12 14 Andere Enterococcus spp 1 3 4 4 4 Aantal VRE (%) 18 (56.3) 21 (77.8) 61 (75.3) 13 (77.4) 85 (47.8) 198 (65.8) 444 (76.1) vana (%) 5 (27.8) 8 (38.1) 24 (39.3) 84 (81.6) 61 (71.8) 163 (82.3) 42 (9.5) vanb (%) 11 (61.1) 12 (57.1) 24 (39.3) 11 (1.7) 12 (14.1) 2 (1.1) 24 (5.4) vanc (%) 2 (11.1) 1 (4.8) 13 (21.3) 8 (7.7) 12 (14.1) 11 (5.6) 13 (2.9) Andere (%) 3 (1.5) 5 (1.1) Aantal epidemieën, episodes van gegroepeerde gevallen* 1 (n=6) 1 (n=3) 3 (n=4, 12, 16) 4 (n=3, 4, 6, 39) 1 (n=36) 1 (n=2, 3, 3, 3, 6, 6, 8, 14, 35, 46) 22** (n=2, 5x3, 4, 4, 5, 5, 6, 6, 9, 11, 12, 12, 15, 18, 2, 37, 54, 76) *Op 1 na, zijn alle uitbraken met E. faecium, **eenzelfde kloon in meerdere ziekenhuizen in eenzelfde regio: epidemie/episode van gegroepeerde gevallen indien als dusdanig door het lokaal laboratorium aangegeven en bevestigd aan de hand van typering door het NRC. Onze boodschap voor de Belgische ziekenhuizen is dubbel: o Neem massaal deel aan de epidemiologische surveillance, ongeacht de omvang van het probleem in uw ziekenhuis, o Stuur uw resistente enterokokkenstammen naar het NRC, documenteer deze stammen voldoende en geef steeds duidelijk aan of de stalen in een epidemische context afgenomen werden zodat de stammen kunnen getypeerd worden om de epidemie al dan niet te bevestigen. Studieresultaten m.b.t. VRE-dragerschap in woonzorgcentra in 215: In 215, werd een nationale prevalentiestudie uitgevoerd m.b.t. dragerschap van resistente bacteriën in 29 WZC (1.441 bewoners) in België. Uit deze studie blijkt dat VRE-dragerschap in WZC zelden voorkomt. Tijdens de vorige prevalentiestudie in 211 werd geen enkele VRE-drager geïdentificeerd en in de recente studie (215), werd slechts bij 1 bewoner een vanco-r Enterococcus faecium stam (VanA) geïsoleerd. Toch is in dit type zorginstellingen een zekere waakzaamheid geboden en is het zeker nuttig om dergelijke prevalentiestudies regelmatig te herhalen. 53

DEEL 2: GRAM-NEGATIEVE BACTERIËN 54

Deelname aan de surveillance In 215, namen 131 ziekenhuizen deel aan de surveillance van multiresistente Gram-negatieve bacteriën. Deze surveillance had tot doel verschillende resistentiemechanismen voor Enterobacteriaceae in kaart te brengen: - productie van breedspectrum bêta-lactamasen (ESBL+) en van carbapenemasen (CPE+), - resistentie voor 3 de en 4 de generatie cefalosporines en voor carbapenem-antibiotica. 121 ziekenhuizen op een totaal van 131 (92.4%) rapporteerden jaargegevens (215), terwijl 1 ziekenhuizen (7.6%) data voor één enkel semester leverden. 131 deelnemende ziekenhuizen (47.114 ziekenhuisbedden) 67 (51.2%) 16 (12.2%) 48 (36.6%) Verdeling volgens regio Vlaanderen: 67 ziekenhuizen (51.2%, 28.749 bedden) Wallonië: 48 ziekenhuizen (36.6%, 13.58 bedden) Brussel: 16 ziekenhuizen (12.2%, 4.857 bedden) Verdeling volgens ziekenhuisgrootte < 2 bedden: 4 ziekenhuizen (3.5%, 5.75 bedden) 2-399 b.: 52 ziekenhuizen (39.7%, 14.528 bedden) 4 bedden+: 39 ziekenhuizen (29.8%, 26.836 bedden) Verdeling volgens gemiddelde verblijfsduur (n=13*) < 7 dagen: 63 ziekenhuizen (48.5%, 24.289 bedden) 7-8 dagen: 37 ziekenhuizen (28.5%, 16.517 bedden) 9 dagen: 3 ziekenhuizen (23.1%, 6.143 bedden) * data i.v.m. aantal ziekenhuisopnames en hospitalisatiedagen waren niet beschikbaar voor 1 ziekenhuis. Tabel 22 illustreert de regionale verdeling van deelnemende ziekenhuizen volgens ziekenhuisgrootte en volgens gemiddelde verblijfsduur. In Wallonië en in Brussel was de proportie ziekenhuizen met een gemiddelde verblijfsduur van 9 dagen of meer (respectievelijk 29% en 31% van het totaal), hoger dan in Vlaanderen waar slechts 17% van de ziekenhuizen tot deze categorie behoorde. Tabel 22: Regionale verdeling van de proportie deelnemende ziekenhuizen volgens ziekenhuisgrootte en gemiddelde verblijfsduur, jaar 215 Verdeling van de ziekenhuizen Vlaanderen Wallonië Brussel Volgens ziekenhuisgrootte (%) n=67 n=48 n=16 < 2 bedden 21% 37% 5% 2-399 bedden 42% 44% 19% 4 bedden + 37% 19% 31% Volgens gemiddelde verblijfsduur (%) n=66 n=48 n=16 < 7 dagen 53% 46% 38% 7-8 dagen 3% 25% 31% 9 dagen + 17% 29% 31% De gemiddelde verblijfsduur was langer in kleine ziekenhuizen (2.4 dagen) dan in middelgrote- (9.3 dagen, p=.97) en in grote ziekenhuizen (7.1 dagen, p=.38). De lange gemiddelde verblijfsduur geobserveerd in kleinere ziekenhuizen is toe te schrijven aan het feit dat deze ziekenhuizen vaak chronische zorginstellingen zijn (1 van de 39 kleine ziekenhuizen zijn chronische instellingen). Kwaliteit en homogeniteit van de gegevens De kwaliteit van de verzamelde gegevens was uitstekend, 128 van de 131 deelnemende ziekenhuizen (97.7%) leverden gegevens verzameld volgens type D (iedere patiënt wordt slechte éénmaal geteld) 13. Enkel type-d gegevens, zonder dubbels, kwamen in aanmerking voor analyse. 13 Type A: Ieder positief staal wordt geteld Type B: Ieder positief klinisch staal wordt geteld Type C: Iedere infectielokalisatie wordt slechts één maal geteld per hospitalisatieperiode Type D: Iedere patiënt wordt slechts één maal geteld per hospitalisatieperiode. 55

Proporties van de bestudeerde species binnen de familie van Enterobacteriaceae Om het aandeel van de verschillende species binnen het totaal aantal Enterobacteriaceae te berekenen werden de gegevens van een subgroep van 69 ziekenhuizen met volledige gegevens gebruikt (Figuur 22). Escherichia coli vertegenwoordigde 57.7% van alle Enterobacteriaceae, gevolgd door Klebsiella pneumoniae (11.2%) en Enterobacter cloacae (5.3%). Figuur 22: Enterobacteriaceae: respectievelijk aandeel (%) van de verschillende species (Jaar 215, n= 69 ziekenhuizen) Other enterobacteriaceae 25.8% Enterobacter cloacae 5.3% Klebsiella pneumoniae 11.2% Escherichia coli 57.7% 56

LUIK 1: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ ENTEROBACTER CLOACAE In 215 vormde Enterobacter cloacae 63.3% van alle Enterobacter species. 128 ziekenhuizen leverden type-d gegevens voor één of meerdere indicatoren voor het luik m.b.t. resistentiemechanismen bij Enterobacter cloacae. 1- ESBL-PRODUCERENDE ENTEROBACTER CLOACAE (ESBL) 1.1.- Aantal ESBL-producerende Enterobacter cloacae stammen per ziekenhuis 98 van de 19 deelnemende ziekenhuizen (type-d data enkel) rapporteerden samen 759 ESBL+ E. cloacae stammen (max. 6 stammen/ziekenhuis) uit klinische- en screeningstalen (gemiddeld 7.7 stammen per ziekenhuis met ESBL+ stammen). 1.2.- Proportie ESBL-producerende Enterobacter cloacae stammen In 215 produceerde 1.1% van alle E. cloacae stammen breedspectrum ß-lactamasen. De mediane proporties van ESBL+ E. cloacae waren significant lager in grote ziekenhuizen (mediaan: 6%) dan in middelgrote- (12.5%, p=.7) en in kleine ziekenhuizen (13%, p=.5). De proporties waren eveneens lager in ziekenhuizen in Vlaanderen (mediaan: 6.1%) dan in ziekenhuizen in Wallonië (mediaan: 11.4%, p=.4) en in regio Brussel (14%, p=.2). Zij waren echter niet statistisch significant hoger in chronische ziekenhuizen (n=13, mediaan: 12.5%) dan in acute ziekenhuizen (n=94, mediaan: 1.6%). Tabel 23: Proportie ESBL+ Enterobacter cloacae binnen het totaal aantal Enterobacter cloacae stammen (%) (klinische en screeningstalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 ESBL+ E. cloacae/ E. cloacae (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie ESBL+ Enterobacter cloacae, verdeling volgens REGIO (%) Ruwe proportie Gemiddelde v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 19 759/7487 1.1 13.3 1.6. - 1. Vlaanderen 5 27/3599 7.5 1.3 6.1. - 37.5 Wallonië 43 354/2852 12.4 16.2 11.4. - 1. Brussel 16 135/136 13. 15.1 14. 5.9-36. Proportie ESBL+ Enterobacter cloacae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 35 152/122 14.9 14.7 13.. - 37.5 2-399 bedden 45 241/1863 12.9 15.9 12.5. - 1. 4 bedden + 29 366/462 8. 7.7 6.. - 35.4 1.3.- Proportie ESBL-producerende Enterobacter cloacae stammen uit bloedkweken 34 (4.6%) van de 737 gerapporteerde klinische ESBL+ E. cloacae stammen werden geïsoleerd uit bloedkweken. De incidentie van bacteriëmieën met ESBL+ E. cloacae BLSE bedroeg.3 gevallen/1 opnames. 57

aantal ziekenhuizen 1.4.- Incidentie van ESBL-producerende Enterobacter cloacae De gemiddelde incidentie van ESBL+ E. cloacae uit klinische- en screeningstalen bedroeg.58 gevallen per 1 opnames of.8 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg 1.7 gevallen/1 opnames. De incidentie van ESBL+ E. cloacae was statistisch significant hoger in kleine ziekenhuizen (mediaan: 1.3 gevallen/ 1 opnames) dan in middelgrote- (.44 gevallen/1 opnames, p=.2) of in grote ziekenhuizen (.29 gevallen/ 1 opnames, p=.18). De incidentie was statistisch significant lager in ziekenhuizen in Vlaanderen (mediaan:.23 gevallen/1 opnames) vergeleken met ziekenhuizen in Wallonië (.6 gevallen/1 opnames, p=.3) of in regio Brussel (.91 gevallen/1 opnames, p=.2). De incidentiedensiteit was niet significant verschillend in acute ziekenhuizen (n=94, mediaan:.7 gevallen/1 hospitalisatiedagen) vergeleken met chronische ziekenhuizen (n=14, mediaan:.3/1, p=.6). Tabel 24: Incidentie van ESBL+ Enterobacter cloacae (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen) uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 ESBL+ E. cloacae/ 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemiddelde v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max Incidentie van ESBL+ Enterobacter cloacae, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) België (1 opnames) 19 759/139492.58 1.7.47. - 19.93 België (1 hosp-dagen) 19 759/9213654.8.9.6. -.55 Vlaanderen 5 27/68715.39 1.9.23. - 19.93 Wallonië 43 354/453279.78.97.6. - 3.55 Brussel 16 135/16918.8 1.26.91.15-4.3 Incidentie van ESBL+ Enterobacter cloacae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 35 152/145899 1.4 2.11 1.3. - 19.93 2-399 bedden 45 241/482734.5.61.44. - 2.45 4 bedden + 29 366/68859.54.56.29. - 3.18 In 14 van de 19 deelnemende ziekenhuizen (12.8%) werden hogere incidentiecijfers ( 2 gevallen/1 opnames) van ESBL+ E. cloacae geregistreerd. Dit fenomeen deed zich voor in de drie regio s en liet het bestaan vermoeden van epidemieën in deze ziekenhuizen (Figuur 23). Figuur 23: Regionale verdeling van de incidentiecijfers van ESBL+ Enterobacter cloacae: jaar 215 35 3 25 2 15 1 5 5 2 1 2,1-,99 1,-1,99 2,-2,99 3, en + 4 Vlaanderen (n=5) Wallonië (n=43) Brussel (n=16) Incidentie van ESBL+ E. cloacae (per 1 opnames) 58

Gemid. van ESBL+ E. cloacae /E.cloacae (%) Gemid. van ESBL+ E cloacae/1 opn. 1.5.- Evolutie van ESBL-producerende Enterobacter cloacae: 29-215 Figuur 24 toont de evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van ESBL+ E. cloacae (type D) voor alle ziekenhuizen die sinds 29 aan de surveillance deelnamen. In 212 observeren we een piek voor de proportie (15.2%) en voor de incidentie (1.2 gevallen/1 opnames) van ESBL+ E. cloacae. Vanaf 213 blijven beide indicatoren eerder stabiel. Figuur 24: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van ESBL+ Enterobacter cloacae: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 29 18 16 14 12 1 14,94 9,9 11,7 1,2 15,2 12,3 1,2 1,4 11,4 1,7 13,3 1,4 1,2 1,8 8 6 4 2,79,73 Gemiddelde v/d proporties van ESBL+ E. cloacae Gemiddelde v/d incidentiecijfers van ESBL+ E. cloacae 29 21 211 212 213 214 215 Surveillanceperiodes,6,4,2 59

2- ENTEROBACTER CLOACAE MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR 3 DE EN/OF 4 DE GENERATIE CEFALOSPORINES (C3G/C4G-I/R) 2.1.- Aantal C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae stammen per ziekenhuis 9 ziekenhuizen leverden data (type D) voor deze indicator. Hiervan rapporteerden 82 ziekenhuizen samen 1.832 C3G/C4G-I/R E. cloacae stammen (max. 17 stammen/ziekenhuis) uit klinische- en uit screeningstalen (gemiddeld 22.3 stammen per ziekenhuis met C3G/C4G-I/R E. cloacae stammen). 2.2.- Proportie C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae stammen Gemiddeld was 29.3% van de E. cloacae stammen niet-gevoelig voor 3 de en/of 4 de generatie cefalosporines. De proporties van C3G/C4G-I/R E. cloacae waren niet significant verschillend volgens ziekenhuisgrootte, maar waren wel significant groter in ziekenhuizen van regio Brussel (mediaan: 44.1%) vergeleken met Vlaanderen (27%, p=.3) en met Wallonië (mediaan: 28.4%, p=.6). De proporties waren niet significant verschillend in acute ziekenhuizen (n=8, mediaan: 29.3%) vergeleken met chronische ziekenhuizen (n=8, 6.3%). Tabel 25: Proportie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae binnen het totaal aantal Enterobacter cloacae stammen (klinische- en screeningstalen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 C3G/C4G-I/R E. cloacae/ E cloacae (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde proportie Proportie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae, verdeling volgens REGIO (%) Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 9 1832/6244 29.3 29.9 29.1. - 1. Vlaanderen 48 992/3771 26.3 25.8 27.. - 1. Wallonië 27 43/1535 28. 27.2 28.4. - 75. Brussel 15 41/938 43.7 47.3 44.1. - 96.9 Proportie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 24 24/577 35.4 32.3 3.8. - 96.9 2-399 bedden 37 445/1543 28.8 27.3 28.9. - 88.2 4 bedden + 29 1183/4124 28.7 31.1 28.6 1.4-1. 2.3.- Proportie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae stammen uit bloedkweken 97 (5.6%) van de 1.725 gerapporteerde C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae stammen werden geïsoleerd uit bloedkweken. De incidentie van bacteriëmieën met C3G/C4G-I/R E. cloacae BLSE bedroeg.8 gevallen/1 opnames. 2.4.- Incidentie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae De gemiddelde incidentie van C3G/C4G-I/R E. cloacae (klinische- en screeningstalen) bedroeg 1.48 gevallen per 1 opnames of.21 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg 1.82 gevallen/1 opnames. De incidentie van C3G/C4G-I/R E. cloacae was lager in middelgrote ziekenhuizen (mediaan:.77 gevallen/1 opnames) dan in grote- (1.39 gevallen/1 opnames, p=.6) of in kleine ziekenhuizen (1.25 gevallen/1 opnames, ns). De incidentie was ook hoger in ziekenhuizen in regio Brussel (mediaan: 1.99 gevallen/1 opnames) dan in Vlaanderen (.91 gevallen/1 opnames, p=.2) of in Wallonië (1.16 gevallen/1 opnames, p=.1). 6

aantal ziekenhuizen De incidentiedensiteit was hoger in acute ziekenhuizen (n=8, mediaan:.18 gevallen/1 hospitalisatiedagen) dan in chronische ziekenhuizen (n=9, mediaan: gevallen/1, p=.2). Tabel 26: Incidentie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen) uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 C3G/C4G-I/R E. cloacae/ 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max Incidentie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) België (1 opnames) 9 1832/123676 1.48 1.82 1.16. - 24.29 België (1 hosp-dagen) 9 1832/85551.21.2.17. -.91 Vlaanderen 48 992/791356 1.25 1.39.91. - 12.7 Wallonië 27 43/291157 1.48 1.37 1.16. - 6.19 Brussel 15 41/153563 2.67 3.95 1.99. - 24.29 Incidentie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 24 24/12418 1.99 3.31 1.25. - 24.29 2-399 bedden 37 445/425492 1.5 1.1.77. - 3.48 4 bedden + 29 1183/78166 1.67 1.66 1.39.5-4.72 Negentien van de 9 deelnemende ziekenhuizen (21.1%) rapporteerden hoge incidentiecijfers van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae ( 2 gevallen/1 opnames). Dit fenomeen deed zich in voor in de drie regio s. Ongeveer de helft van de Brusselse ziekenhuizen (7/15) behoorden tot deze categorie (Figuur 25). Figuur 25:Verdeling van de incidentiecijfers van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae volgens regio: jaar 215 25 2 15 6 1 5 3 1 5 2 2,1-,99 1,-1,99 2,-2,99 3, et + Incidentie van C3G/C4G-I/R E. cloacae (per 1 opnames) Vlaanderen (n=48) Wallonië (n=27) Brussel (n=15) 2.5.- Evolutie van C3G/C4G-I/R Enterobacter cloacae: 214 215 Tussen 214 en 215, observeren we een stijging van de gemiddelde proporties en incidentiecijfers van C3G/C4G-I/R E. cloacae. De proporties stegen van 27.3% in 214 naar 29.9% in 215, de incidentiecijfers evolueerden van 1.74 gevallen/1 opnames naar 1.82 gevallen/1 in dezelfde tijdspanne. 61

3- CARBAPENEMASE PRODUCERENDE ENTEROBACTER CLOACAE (CPE) 3.1.- Aantal CPE+ Enterobacter cloacae stammen per ziekenhuis Eind 215 werd de in 212, in samenwerking met het NRC opgestarte CPE-surveillance stopgezet (zie luik 4: carbapenemase producerende enterobacteriën). Teneinde verder te gaan met de dataverzameling m.b.t. CPE werd een indicator productie van carbapenemasen aan de epidemiologische surveillance van Gram-negatieve bacteriën (WIV-ISP) toegevoegd. Uitzonderlijk leveren in 215, twee verschillende surveillances (de NRC-surveillance en de surveillance van het WIV- ISP) gegevens i.v.m. de productie van carbapenemasen bij Enterobacteriaceae. Van de 92 ziekenhuizen met volgens type-d verzamelde gegevens, rapporteerden 17 ziekenhuizen in totaal 76 CPE+ E. cloacae stammen (max. 15 stammen/ziekenhuis) uit klinische en uit screeningstalen (gemiddeld 4.5 stammen in ziekenhuizen met CPE+ stammen). 3.2.- Proportie van CPE+ Enterobacter cloacae Gemiddeld produceerde 1.1% van de E. cloacae stammen carbapenemasen. Tabel 27: Proportie CPE+ Enterobacter cloacae op het totaal aantal Enterobacter cloacae stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 CPE+ E. cloacae / E cloacae (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie CPE+ Enterobacter cloacae, verdeling volgens REGIO (%) Ruwe proportie Gemiddelde v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 92 76/7169 1.1 1.1.. - 27.8 Vlaanderen 48 29/436.7.6.. - 7.7 Wallonië 32 8/2259.4.2.. - 5.4 Brussel 12 39/874 4.5 5.4 3.. - 27.8 Proportie CPE+ Enterobacter cloacae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 28 23/779 3. 2... - 27.8 2-399 bedden 37 1/1687.6.8.. - 13.5 4 bedden + 27 43/473.9.5.. - 3.4 3.3.- Proportie van CPE+ Enterobacter cloacae stammen uit bloedkweken In 215 werd geen enkele CPE+ Enterobacter cloacae (op een totaal van 76 klinische stalen) geïsoleerd uit bloedkweken. 3.4.- Incidentie van CPE+ Enterobacter cloacae De gemiddelde incidentie van CPE+ E. cloacae (klinische- en screeningstalen) bedroeg.6 gevallen per 1 opnames of.1 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg.1 gevallen/1 opnames. 62

Tabel 28: Incidentiecijfer (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen) van CPE+ Enterobacter cloacae uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 CPE+ E. cloacae/ 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemiddelde v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max Incidentie van CPE+ Enterobacter cloacae, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) België (1 opnames) 92 76/1219194.6.1.. - 3.17 België (1 hospitalisatiedagen) 92 76/848325.1.1.. -.26 Vlaanderen 48 29/731253.4.9.. - 3.17 Wallonië 32 8/339479.2.2.. -.48 Brussel 12 39/148462.26.33.14. - 2.17 Incidentie van CPE+ Enterobacter cloacae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTE (per 1 opnames) < 2 bedden 28 23/118483.19.24.. - 3.17 2-399 bedden 37 1/435684.2.3.. -.45 4 bedden + 27 43/66527.6.5.. -.44 3.5.- Evolutie van CPE+ Enterobacter cloacae Deze indicator (in zijn huidige vorm) werd pas in januari 215 aan deze surveillance toegevoegd. We zullen dus nog even moeten wachten om de evolutie van CPE+ E. cloacae toe te lichten. 63

4- ENTEROBACTER CLOACAE MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR MEROPENEM (MERO-I/R) 4.1.- Aantal mero-i/r Enterobacter cloacae stammen per ziekenhuis 124 ziekenhuizen leverden gegevens voor deze indicator. Zesenveertig ziekenhuizen rapporteerden samen 218 mero- I/R E. cloacae stammen 14 uit klinische- en uit screeningstalen (max. 38 stammen per ziekenhuis, gemiddeld 4.7 stammen per ziekenhuis met mero-i/r E. cloacae stammen). 4.2.- Proportie mero-i/r Enterobacter cloacae stammen Gemiddeld vertoonde 2.4% van de E. cloacae stammen een verminderde gevoeligheid (I/R) voor meropenem. Tabel 29: Proportie mero-i/r Enterobacter cloacae op het totaal aantal Enterobacter cloacae stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 mero-i/r E. cloacae / E cloacae (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie mero-i/r Enterobacter cloacae, verdeling volgens REGIO (%) Ruwe proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 124 218/921 2.4 2.2.. - 38.9 Vlaanderen 63 12/5216 2.3 2... - 2.7 Wallonië 47 31/376 1..9.. - 15. Brussel 14 67/918 7.3 7.4 4.5. - 38.9 Proportie mero-i/r Enterobacter cloacae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 38 48/176 4.5 3.4.. - 38.9 2-399 bedden 5 37/2168 1.7 1.7.. - 14.3 4 bedden + 36 133/5966 2.2 1.7.. - 12.8 4.3.- Proportie mero-i/r Enterobacter cloacae stammen uit bloedkweken 3 (2.2%) van de 134 gerapporteerde mero-i/r E. cloacae stammen (116 ziekenhuizen) waren afkomstig uit bloedkweken. De incidentie van bacteriëmieën met mero-i/r E. cloacae bedroeg.2 gevallen/1 opnames. 4.4.- Incidentie van mero-i/r Enterobacter cloacae De gemiddelde incidentie van mero-i/r E. cloacae geïsoleerd uit klinische- en screeningstalen bedroeg.13 gevallen per 1 opnames of.2 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg.18 gevallen/1 opnames. 14 EUCAST of CLSI (geen onderscheid volgens de toegepaste criteria). 64

mero-i/r E. cloacae/e.cloacae (%) mero-i/r E cloacae /1 opn. Tabel 3: Incidentie van mero-i/r Enterobacter cloacae uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 mero-i/r E. cloacae / 1 opnames Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Verdeling van de incidentiecijfers Gemid. v/d incidentiecijfers Mediaan Min/Max Incidentie van mero- I/R Enterobacter cloacae, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) België (1 opnames) 124 218/1637317.13.18.. - 4.5 België (1 hosp-dagen) 124 218/113.2.2.. -.36 Vlaanderen 63 12/989945.12.14.. - 3.17 Wallonië 47 31/49474.6.8.. - 1.24 Brussel 14 67/152632.44.76.25. - 4.5 Incidentie van mero- I/R Enterobacter cloacae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 38 48/165978.29.41.. - 4.5 2-399 bedden 5 37/55394.7.6.. -.63 4 bedden + 36 133/917399.14.12.. - 1.11 4.5.- Evolutie van mero-i/r Enterobacter cloacae: 213-215 Figuur 26 toont de evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van mero-i/r E. cloacae (enkel type D) voor al de ziekenhuizen die sinds 213 aan de surveillance deelnamen. De proportie mero-i/r E. cloacae steeg van.8% in 213 naar 2.2% in 215. De incidentie van mero-i/r E. cloacae evolueerde van.7 gevallen/1 opnames (213) naar.18 gevallen/1 opnames in 215. Figuur 26: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van mero-i/r Enterobacter cloacae: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 213 2,5 2 Gemiddelde v/d proporties van mero-i/r E. cloacae Gemiddelde v/d incidentiecijfers van mero-i/r E. cloacae,18 2,2,2,18,16,14 1,5,9,12,1 1,7 1,2,8,5,8,6,4,2 213 (n=99) 214 (n=122) 215 (n=124) Surveillanceperiodes 65

LUIK 2: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ ESCHERICHIA COLI In 215 was Escherichia coli de meest frequent geïsoleerde species (57.7%) binnen de familie van Enterobacteriaceae. 128 ziekenhuizen leverden type-d gegevens voor één of meerdere indicatoren m.b.t. het surveillanceluik van resistente Escherichia coli-stammen. 1- ESBL-PRODUCERENDE ESCHERICHIA COLI (ESBL) 1.1.- Aantal ESBL-producerende Escherichia coli stammen per ziekenhuis 19 op een totaal van 11 ziekenhuizen die data leverden voor deze indicator, rapporteerden samen 6.139 ESBL+ E. coli stammen uit klinische stalen: max. 35 stammen per ziekenhuis, gemiddeld 56.3 stammen per ziekenhuis. Daarnaast isoleerden 53 ziekenhuizen samen ook 2.127 ESBL+ E. coli stammen uit screeningstalen: max. 31 per ziekenhuis, gemiddeld 4.1 stammen per ziekenhuis met ESBL+ screeningstalen. In 215 werd 25.7% van alle ESBL+ E. coli stammen (n=8.266) aan de hand van screeningstalen geïdentificeerd. 1.2.- Proportie van ESBL-producerende Escherichia coli 15 In 215 produceerde 7.9% van de E. coli stammen geïsoleerd uit klinische stalen, breedspectrum ß-lactamasen. De proporties ESBL+ E. coli waren niet significant verschillend volgens regio, noch volgens ziekenhuisgrootte. Deze proportie was wel significant hoger in chronische ziekenhuizen (n=14, mediaan: 1.2%) dan in acute ziekenhuizen (n=96, 7.4%, p=.2). Tabel 31: Proportie ESBL+ Escherichia coli uit klinische stalen (%): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 ESBL+ E. coli/e. coli (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde proportie Verdeling van de proporties Gemid. v/d proporties Mediaan Min/Max Proportie van ESBL+ Escherichia coli, verdeling volgens REGIO (%) België 11 6139/77897 7.9 8.8 7.7. - 73.6 Vlaanderen 5 3266/4964 8. 8.3 7.9 2.1-17.2 Wallonië 44 214/27638 7.7 9.6 7.1. - 73.6 Brussel 16 733/9295 7.9 8.6 8.2 3.8-14.3 Proportie van ESBL+ Escherichia coli, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 35 85/11465 7.4 8.1 7.1. - 17.2 2-399 bedden 45 215/2528 8.6 1.3 8..8-73.6 4 bedden 3 3139/4144 7.6 7.5 7.2 4.6-13.3 1.3.- Proportie ESBL-producerende Escherichia coli uit bloedkweken 464 (7.8%) van de 5.944 gerapporteerde ESBL+ E. coli stammen (18 ziekenhuizen) waren afkomstig uit bloedkweken. Dit percentage varieerde van min. % tot max. 25% per ziekenhuis. De incidentie van bacteriëmieën met ESBL+ E. coli bedroeg.36 gevallen/1 opnames of.5 gevallen/1 hospitalisatiedagen. 71.4% van de ESBL+ Escherichia coli stammen werd uit urinekweken geïsoleerd. 15 Ruwe proportie van ESBL+ E. coli = Σ ESBL+ E. coli * 1 / Σ E. coli 66

aantal ziekenhuizen 1.4.- Incidentie van ESBL+ Escherichia coli De gemiddelde incidentie van ESBL+ E. coli 16 uit klinische stalen bedroeg 4.62 gevallen per 1 opnames of.66 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg 7.14 gevallen/1 opnames en was niet significant verschillend volgens regio, maar was wel significant hoger in kleine ziekenhuizen (mediaan: 5.64 gevallen/1) dan in grote- (3.76/1, p=.1) en in middelgrote ziekenhuizen (4.45/1, p=.6). De incidentiedensiteit was significant hoger in acute ziekenhuizen (n=96, mediaan:.67 gevallen/1 hospitalisatiedagen) dan in chronische ziekenhuizen (n=14, mediaan:.37 gevallen/1, p=.2). Tabel 32: Incidentie van ESBL+ E. coli uit klinische stalen (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Incidentie van ESBL+ E. coli Incidentie van ESBL+ Escherichia coli, België Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 11 6139/1327775 4.62 7.14 4.5. - 79.37 België (1 hosp-dagen) 11 6139/9319915.66.67.65. - 2.77 Incidentie van ESBL+ Escherichia coli, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) Vlaanderen 5 3266/698712 4.67 7.96 3.97 1.23-79.37 Wallonië 44 214/459955 4.65 6.25 4.95. - 23.93 Brussel 16 733/16918 4.33 7.3 4.15 2. - 36.44 Incidentie van ESBL+ Escherichia coli, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 35 85/152575 5.57 11.56 5.64. - 79.37 2-399 bedden 45 215/462574 4.65 5.56 4.45.72-19.8 4 bedden + 3 3139/712626 4.4 4.36 3.76 2.56-8.59 Figuur 27 toont 34 ziekenhuizen (op een totaal van 11, 3.9%) met hoge incidentiecijfers voor ESBL+ E. coli (> 6 gevallen/1 opnames). Dit fenomeen deed zich voor in alle regio s. Figuur 27: Regionale verdeling van de incidentiecijfers van ESBL+ E. coli: jaar 215 25 2 15 15 15 1 5,1-1,99 2,-3,99 4,-5,99 6, en + Incidentie van ESBL+ E. coli (per 1 opnames) 4 Vlaanderen (n=5) Wallonië (n=44) Brussel (n=16) 16 Gemiddelde incidentie van ESBL+ E. coli, = Σ ESBL+ E. coli * 1 / Σ opnames 67

Mediaan v/d proporties v. ESBL+ E.coli Gemid. v. ESBL+ E.coli/E.coli (%) Gemid. v. ESBL+ E coli/1 opn. 1.5.- Evolutie van ESBL+ Escherichia coli: 25-215 Figuur 28 toont de evolutie van het gemiddelde van de proporties (%) en incidentiecijfers (/1 opn.) van ESBL+ E. coli, (klinische stalen en type-d data enkel) voor ziekenhuizen die sinds 25 minstens drie maal aan de surveillance deelnamen. Op tien jaar tijd is de incidentie van ESBL+ E. coli meer dan verdrievoudigd, zij steeg van 2.2 gevallen/1 opnames in 25 naar 7.1 gevallen/1 opnames in 215. Deze stijging was statistisch significant: test voor lineaire trend 25-215 voor de cohorte van ziekenhuizen met minstens drie deelnames: jaarlijkse toename met.51 gevallen/1 opnames, p<.1. De proportie van ESBL+ E. coli nam eveneens significant toe van 4.1% in 25 naar 8.7% in 215. De test voor lineaire trend 25-215 (ziekenhuizen met min. 3 deelnames) toonde een jaarlijkse toename van +.41%, p<.1. Figuur 28: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van ESBL+ Escherichia coli: min. 3 deelnames sinds 25 4,1 4,8 4,7 5,6 6,1 5,8 Surveillanceperiodes Figuur 29 toont de evolutie van de mediane proporties van ESBL+ E. coli verdeeld volgens regio (ziekenhuizen met min. 3 deelnames). In Vlaanderen steeg de mediaan van de proporties van ESBL+ E. coli van 3.1% in 25 naar 7.7% in 215. De test voor lineaire trend 25-215 toonde een jaarlijkse toename met.4% (p<.1). In Wallonië nam de mediaan van de ESBL+ E. coli toe van 2.4% in 25 naar 6.8% in 215 (jaarlijkse toename met.55%, p=.2), maar sinds 212 zijn de proporties van ESBL+ E. coli vrij stabiel in Wallonië. Ook in regio Brussel steeg de mediaan van de proporties van 4.8% (in 25) naar 8.8% in 211 (lineaire trend 25-211: jaarlijkse toename met.66%, p<.1). Maar vanaf 212 observeren we lagere proporties (ns). Vermoedelijk zijn deze schommelingen toe te schrijven aan het klein aantal deelnemende ziekenhuizen in regio Brussel, o.a. ook tengevolge van de uitval van ziekenhuizen die minder dan drie keer aan deze surveillance hadden deelgenomen. Figuur 29: Evolutie van de mediane proporties van ESBL+ Escherichia coli volgens regio: ziekenhuizen met min. 3 deelnames 1 9 8 7 6 5 4 3 2 1 9 8 7 6 5 4 3 2 1 2,21 2,47 2,47 3,23 3,45 7,2 4,22 4,22 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 7 5,7 7,3 6,16 7,5 5,9 Gemiddelde v/d proporties v. ESBL+ E.coli Gemiddelde v/d incidenties v. ESBL+ E. coli 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Surveillanceperiodes België 8,7 7,5 Vlaanderen Wallonië Brussel 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1,, 68

Mediane incidentie van ESBL+ E.coli/1 opn. Figuur 3 toont de evolutie van de mediaan van de incidentiecijfers van ESBL+ E. coli verdeeld volgens regio (ziekenhuizen met min. 3 deelnames). In Vlaanderen steeg de mediane incidentie van ESBL+ E. coli van 1.11 gevallen/1 opnames (25) naar 3.78 gevallen/1 in 215. De test voor lineaire trend 25-215 toonde een jaarlijkse stijging met.48 gevallen/1 opnames, p=.1. In Wallonië, steeg de mediane incidentie van 1.5 gevallen/1 opnames (25) naar 4.48 gevallen/1 in 215 (jaarlijkse toename met.54 gevallen/1, p<.1). Maar sinds 212 observeren we een stabilisering van de incidentie in ziekenhuizen in deze regio. Ook in regio Brussel steeg de mediane incidentie van ESBL+ E. coli van 2.39 gevallen/1 in 25 naar 5.33 gevallen/1 in 212 (lineaire trend 25-212: +.83 gevallen/1 opnames en per jaar, ns). In 213 werd een lagere incidentie opgemeten (3.19 gevallen/1 opnames) gevolgd door een toename en vervolgens een stabilisering rond cijfers die meer te verwachten zijn voor deze regio (4.67 gevallen/1 opnames in 214 en 4.65 gevallen/1 in 215). Mogelijks heeft er zich in 213 een artefact voorgedaan. Vermits regio Brussel slechts een klein aantal ziekenhuizen telt kunnen artefacten zwaar doorwegen op de incidentiecijfers voor deze regio. Figuur 3:Evolutie van de mediane incidentiecijfers van ESBL+ Escherichia coli (/1 opnames) volgens regio: ziekenhuizen met min. 3 deelnames 6 5 4 3 2 1 België Vlaanderen Wallonië Brussel 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Surveillanceperiodes 69

2- ESCHERICHIA COLI MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR 3 DE EN/OF 4 DE GENERATIE CEFALOSPORINES (C3G/C4G-I/R) 2.1.- Aantal C3G/C4G-I/R Escherichia coli stammen per ziekenhuis 82 van de 83 deelnemende ziekenhuizen, rapporteerden samen 5.376 C3G/C4G-I/R E. coli stammen (max. 287 stammen/ziekenhuis) uit klinische stalen (gemiddeld 65.6 stammen per ziekenhuis met dit type stammen). Vijfendertig ziekenhuizen rapporteerden tevens in totaal 952 C3G/C4G-I/R E. coli stammen uit screeningstalen (max. 147 stalen per ziekenhuis), gemiddeld 27.2 stammen per ziekenhuis met screeningstalen. 15% van al de in 215 gerapporteerde C3G/C4G-I/R E. coli stammen (n=6.328) werd aan de hand van screeningstalen gedetecteerd. 2.2.- Proportie C3G/C4G-I/R Escherichia coli stammen In 215 vertoonde 8.6% van alle E. coli stammen een verminderde gevoeligheid voor 3 de en/of 4 de generatie cefalosporines. De proportie van C3G/C4G-I/R E. coli was niet significant verschillend volgens regio of volgens ziekenhuisgrootte. De proportie was ook niet significant verschillend in acute ziekenhuizen (n=74, mediaan: 8.5%) vergeleken met chronische zorginstellingen (n=9, mediaan: 8.2%). Tabel 33: Proportie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli binnen het totaal aantal Escherichia coli (klinische stalen): verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 C3G/C4G-I/R E. coli / E. coli (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proporties van C3G/C4G-I/R Escherichia coli, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 83 5376/6225 8.6 8.6 8.5. - 17.5 Vlaanderen 45 3351/3752 8.9 8.7 8.3 4.1-16.6 Wallonië 24 1263/1694 7.8 7.7 8.3. - 14.8 Brussel 14 762/869 8.9 9.8 9.4 3.1-17.5 Proporties van C3G/C4G-I/R Escherichia coli, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 21 419/5639 7.4 7.8 7.4. - 17.5 2-399 bedden 35 1866/21838 8.5 8.8 8.5.6-16.6 4 bedden + 27 391/34728 8.9 8.9 9. 6.8-13.4 2.3.- Proportie C3G/C4G-I/R Escherichia coli stammen geïsoleerd uit bloedkweken In 82 deelnemende ziekenhuizen waren 429 (8.1%) van de 5.269 gerapporteerde C3G/C4G-I/R E. coli klinische stammen afkomstig uit bloedkweken. Dit percentage varieerde van min. % tot max. 25% per ziekenhuis. De incidentie van bacteriëmieën met C3G/C4G-I/R E. coli bedroeg.39 gevallen/1 opnames of.6 gevallen/1 hospitalisatiedagen. Verder werd 69.2% van de C3G/C4G-I/R E. coli stammen uit urinekweken geïsoleerd. 7

2.4.- Incidentie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli De gemiddelde incidentie van C3G/C4G-I/R E. coli uit klinische stalen bedroeg 4.86 gevallen per 1 opnames of.7 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg 6.43 gevallen/1 opnames en was niet significant verschillend volgens regio of volgens ziekenhuisgrootte. De incidentiedensiteit was wel significant hoger in acute ziekenhuizen (n=74, mediaan:.7 gevallen/1 hospitalisatiedagen) vergeleken met chronische zorginstellingen (n=8, mediaan:.37/1 hospitalisatiedagen, p=.5). Tabel 34: Incidentie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen) uit klinische stalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 C3G/C4G-I/R E. coli / 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max Incidentie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) België (1 opnames) 83 5376/115929 4.86 6.43 4.51. - 44.53 België (1 hosp-dagen 83 5376/7649843.7.68.67. - 1.79 Vlaanderen 45 3351/688716 4.87 6.4 4.7 1.88-38.1 Wallonië 24 1263/264581 4.77 5.76 4.23. - 17.92 Brussel 14 762/152632 4.99 7.65 4.62 1.38-44.53 Incidentie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 21 419/81988 5.11 1.13 4.71. - 44.53 2-399 bedden 35 1866/46931 4.59 5.31 4.12.77-17.92 4 bedden + 27 391/6171 5.1 5.12 4.57 2.71-1.32 2.5.- Evolutie van C3G/C4G-I/R Escherichia coli: 214-215 Sinds 214 observeren we een lichte stijging van de proporties en incidentiecijfers van C3G/C4G-I/R E. coli. De gemiddelde proportie steeg van 8.4% in 214 naar 8.6% in 215. Het incidentiecijfer evolueerde van 5.98 gevallen/1 opnames naar 6.43 gevallen/1 in dezelfde tijdspanne. 71

3- CARBAPENEMASE-PRODUCERENDE ESCHERICHIA COLI (CPE) 3.1.- Aantal CPE+ Escherichia coli stammen per ziekenhuis In 215 rapporteerden 88 ziekenhuizen gegevens m.b.t. CPE+ E. coli. Deelname aan dit surveillanceluik was optioneel omdat vermoedelijk niet alle ziekenhuizen momenteel in staat zijn om carbapenemase-productie op te sporen. In totaal werden in 26 van de 88 deelnemende ziekenhuizen, 137 CPE+ E. coli stammen (klinische en screening) gerapporteerd. Klinische stalen Veertien ziekenhuizen rapporteerden in totaal 24 CPE+ E. coli stammen uit klinische stalen (gemiddeld 1.7 en maximum 4 stammen/ziekenhuis). Screeningstalen Een groter aantal ziekenhuizen (n=2) rapporteerden eveneens CPE+ E. coli stammen uit screeningstalen: in totaal 112, gemiddeld 5.6 en maximum 51 stammen per ziekenhuis). In 215, was 82.4% van al de gerapporteerde CPE+ E. coli stammen (n=136) afkomstig uit screeningstalen. 3.2.- Proportie CPE+ Escherichia coli stammen Gemiddeld produceerde.19% van de E. coli stammen uit klinische- en screeningstalen carbapenemasen 17. Het gemiddelde van de proporties CPE+ E. coli bedroeg.15%. Tabel 35: Proportie CPE+ Escherichia coli op het totaal aantal E. coli stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 CPE+ E. coli /E. coli (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van CPE+ Escherichia coli, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 88 137/72386.19.15.. - 3.16 Vlaanderen 47 93/43733.21.15.. - 3.16 Wallonië 3 8/21122.4.5.. -.91 Brussel 11 36/7531.48.4.47. - 1.5 Proportie van CPE+ Escherichia coli, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 24 11/838.14.12.. - 1.27 2-399 bedden 37 2/2447.8.12.. - 1.5 4 bedden + 27 16/39878.27.21.. - 3.16 3.3.- Proportie CPE+ Escherichia coli stammen geïsoleerd uit bloedkweken Slechts 1 van de in totaal 24 klinische CPE+ E. coli stammen, gerapporteerd in 87 ziekenhuizen, werd geïsoleerd uit een bloedkweek. 17 Ruwe proportie CPE+ E. coli = Σ CPE+ E. coli * 1 / Σ E. coli 72

aantal ziekenhuizen 3.4.- Incidentie van CPE+ Escherichia coli De gemiddelde incidentie van CPE+ Escherichia coli 18 uit klinische- en screeningstalen bedroeg.11 gevallen per 1 opnames of.2 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers 19 bedroeg.14 gevallen/1 opnames. De incidentie van CPE+ E. coli uit klinische stalen bedroeg.2 gevallen/1 opnames of.3 gevallen/ 1 hospitalisatiedagen. Tabel 36: Incidentie van CPE+ Escherichia coli uit klinische- en screeningstalen (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Incidentie van CPE+ E. coli Aantal ziekenhuizen Incidentie van CPE+ Escherichia coli (BELGIE) België (1 opnames) Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max 88 137/125115.11.14.. - 3.88 België (1 hosp-dagen) 88 137/8268299.2.1.. -.34 Incidentie van CPE+ Escherichia coli, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) Vlaanderen 47 93/727231.13.19.. - 3.88 Wallonië 3 8/335224.2.2.. -.16 Brussel 11 36/14266.25.25.16. -.86 Incidentie van CPE+ Escherichia coli, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 24 11/17136.1.27.. - 3.88 2-399 bedden 37 2/432952.5.5.. -.69 4 bedden + 27 16/66527.16.14.. - 2.3 Figuur 31 toont 4 ziekenhuizen (op een totaal van 88, 4.5%), met zeer hoge incidentiecijfers van CPE+ E. coli ( 1 gevallen/1 opnames). Deze trend is enkel aanwezig in Vlaanderen. Figuur 31: Incidentiecijfers van CPE+ Escherichia coli (klinische- en screeningstalen), verdeling volgens regio: jaar 215 35 3 25 2 15 1 5,1-,49,5-,74,75-,99 1, et plus Incidentie van CPE+ E. coli CPE+ (per 1 opnames) 4 Flandre (n=47) Wallonie (n=3) Bruxelles (n=11) 3.5.- Evolutie van CPE+ Escherichia coli Deze indicator (in de huidige vorm) werd pas sinds januari 215 aan deze surveillance toegevoegd. Het zal dus nog even duren alvorens we meer kunnen zeggen over de evolutie van CPE+ E. coli. 18 Gemiddelde incidentie van CPE+ E. coli = Σ CPE+ E. coli * 1 / Σ opnames 19 Gemiddelde van de incidentiecijfers = Σ van de incidentiecijfers van CPE+ E. coli/1 opnames per ziekenhuis / aantal ziekenhuizen met data. 73

4- ESCHERICHIA COLI MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR MEROPENEM (MERO-I/R) 4.1.- Aantal mero-i/r Escherichia coli stammen per ziekenhuis Achtendertig van de 125 deelnemende ziekenhuizen (3.4%) rapporteerden in totaal 131 mero-i/r E. coli stammen (max. 34 stammen per ziekenhuis) uit klinische- en screeningstalen: gemiddeld 3.4 stammen per ziekenhuis met mero- I/R E. coli stammen. Klinische stalen Vijfentwintig ziekenhuizen rapporteerden samen 52 mero-i/r E. coli stammen uit klinische stalen, gemiddeld 2.1 stammen per ziekenhuis met klinische isolaten (max. 9 stammen/ziekenhuis). Screeningstalen Zeventien ziekenhuizen rapporteerden ook mero-i/r E. coli uit screeningstalen: in totaal 64 isolaten, gemiddeld 3.8 per ziekenhuis met screeningstalen (max. 25 per ziekenhuis). In 215 werd 55.2% van al de gerapporteerde mero-i/r stammen (n=116) gedetecteerd aan de hand van screeningstalen. Vijf ziekenhuizen rapporteerden tevens 15 mero-i/r E. coli stammen zonder onderscheid te kunnen maken volgens type van staalafname (screening of klinisch). 4.2.- Proportie mero-i/r Escherichia coli stammen Gemiddeld vertoonde.13% van de E. coli stammen uit klinische- en screeningstalen een verminderde gevoeligheid (I/R) voor meropenem. Het gemiddelde van de proporties mero-i/r E. coli bedroeg.1%. Tabel 37: Proportie mero-i/r Escherichia coli op het totaal aantal E. coli stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Mero-I/R E. coli /E. coli (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van mero-i/r Escherichia coli, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 125 131/9753.13.1.. - 1.9 Vlaanderen 64 89/58826.15.9.. - 1.9 Wallonië 46 13/29533.4.6.. -.91 Brussel 15 29/9144.32.29.24. -.93 Proportie van mero-i/r Escherichia coli, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 37 15/12164.12.1.. -.84 2-399 bedden 51 19/3378.6.8.. -.91 4 bedden + 37 97/54961.18.15.7. - 1.9 4.3.- Proportie mero-i/r Escherichia coli stammen geïsoleerd uit bloedkweken Van de 43 door 119 ziekenhuizen gerapporteerde klinische mero-i/r E. coli stammen werd slechts één enkele stam uit bloedkweken geïsoleerd. 74

mero-i/r E. coli/e.cloli (%) mero-i/r E. coli/1 opn. 4.4.- Incidentie van mero-i/r Escherichia coli stammen De gemiddelde incidentie van mero-i/r Escherichia coli uit klinische- en screeningstalen bedroeg.8 gevallen per 1 opnames of.1 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg.7 gevallen/1 opnames. Tabel 38: Incidentie van mero-i/r Escherichia coli uit klinische- en screeningstalen (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Incidentie van mero-i/r E. coli Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Verdeling van de incidentiecijfers Incidentie van mero-i/r Escherichia coli, verdeling volgens REGIO Gemid. v/d incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 125 131/1657411.8.7.. - 1.13 België (1 hosp-dagen) 125 131/115.1.1.. -.16 Vlaanderen 64 89/994828.9.8.. - 1.13 Wallonië 46 13/49446.3.3.. -.41 Brussel 15 29/168177.17.17.16. - 1.3 Incidentie van mero-i/r Escherichia coli, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 37 15/165644.9.11.. - 1.13 2-399 bedden 51 19/558823.3.3.. -.3 4 bedden + 37 97/932944.1.9.3. -.96 4.5.- Evolutie van mero-i/r Escherichia coli: 213-215 Figuur 32 toont de evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van mero-i/r E. coli (Enkel type D) voor al de ziekenhuizen die sinds 213 deelnamen aan de surveillance. Dit surveillanceluik werd pas in 213 toegevoegd. Het is dan ook voorbarig om trends voor deze indicator te bespreken. Figuur 32: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van mero-i/r Escherichia coli: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 213,3 Gemiddelde v/d proporties van mero-i/r E. coli,3,25 Gemiddelde v/d incidenties v. mero-i/r E. coli /R,25,2,2,2,15,15,15,1,1,1,7,1,5,3,5 213 (n=97) 214 (n=12) 215 (n=125) Surveillanceperiodes 75

LUIK 3: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ KLEBSIELLA PNEUMONIAE In 215 vormde Klebsiella pneumoniae 11.2% van al de Enterobacteriaceae en 72.1% van alle Klebsiella species. 128 ziekenhuizen leverden type-d gegevens voor één of meerdere indicatoren m.b.t. het surveillanceluik van resistente Klebsiella pneumoniae stammen. 1- ESBL-PRODUCERENDE KLEBSIELLA PNEUMONIAE (ESBL) 1.1.- Aantal ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae stammen per ziekenhuis In 215 rapporteerden 19 van de 11 deelnemende ziekenhuizen (99.1%) gegevens voor deze indicator: in totaal 2.972 ESBL+ K. pneumoniae stammen uit klinische stalen (max. 119 stammen per ziekenhuis): gemiddeld 27.3 stammen per ziekenhuis met ESBL+ K. pneumoniae stammen. Vijftig ziekenhuizen rapporteerden samen ook 79 ESBL+ K. pneumoniae stammen uit screeningstalen: gemiddeld 15.8 stammen per ziekenhuis (max. 115 per ziekenhuis). Tijdens de surveillanceperiode werd 21% van alle ESBL+ K. pneumoniae stammen (n=3.762) aan de hand van screeningstalen geïdentificeerd. 1.2.- Proportie ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae stammen In 215 was breedspectrum ß-lactamase-productie aanwezig bij 18.7% 2 van al de K. pneumoniae stammen. De proportie ESBL+ K. pneumoniae was significant hoger in ziekenhuizen in Wallonië (mediaan: 25.3%) vergeleken met ziekenhuizen in Vlaanderen (14%, p<.1) en in regio Brussel (14.2%, p=.1). De porportie was ook significant hoger in kleine ziekenhuizen (mediaan: 22.1%) dan in grote ziekenhuizen (14.9%, p=.8). De proportie was echter niet significant verschillend in acute ziekenhuizen (n=96, mediaan: 17.3%) vergeleken met chronische ziekenhuizen (n=14, mediaan: 21.5%, p=.7). Tabel 39: Proportie ESBL+ Klebsiella pneumoniae uit klinische stalen (%): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 ESBL+ K. pneumoniae / K. pneumoniae (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 11 2972/15894 18.7 19.2 17.8. - 71.4 Vlaanderen 51 13/7327 13.7 14.7 14. 2.1-36.4 Wallonië 43 1627/6612 24.6 25.3 25.3. - 71.4 Brussel 16 342/1955 17.5 17.4 14.2 9.2-38.3 Proportie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 35 616/258 23.9 22.1 22.1. - 42.9 2-399 bedden 45 152/531 2.9 19.5 18.1 1.2-71.4 4 bedden + 3 134/8283 15.7 15.4 14.9 5.9-27.5 1.3.- Proportie ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae stammen uit bloedkweken In 17 deelnemende ziekenhuizen waren 171 (6.1%) van de 2.88 gerapporteerde ESBL+ K. pneumoniae stammen afkomstig uit bloedkweken (min. % - max. 5% per ziekenhuis). De incidentie van ESBL+ K. pneumoniae bacteriëmieën bedroeg.13 gevallen/1 opnames of.2 gevallen/1 hospitalisatiedagen. 2 Ruwe proportie van ESBL+ K. pneumoniae = Σ ESBL+ K. pneumoniae * 1 / Σ K. pneumoniae 76

aanta ziekenhuizen 1.4.- Incidentie van ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae De gemiddelde incidentie van ESBL+ K. pneumoniae 21 uit klinische stalen bedroeg 2.2 gevallen per 1 opnames of.31 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg 3.82 gevallen/1 opnames. De incidentie was significant hoger in kleine ziekenhuizen (mediaan: 3.75 gevallen/1) dan in grote- (1.62 gevallen/1 opn., p=.4) of in middelgrote ziekenhuizen (1.76 gevallen/1 opn., p=.2). De incidentie was ook significant hoger in ziekenhuizen in Wallonië (mediaan: 3.75 gevallen /1 opnames) dan in Vlaanderen (1.35 gevallen/1 opn., p=.1) en dan in regio Brussel (2.18/1, ns). De incidentiedensiteit was niet significant verschillend in acute ziekenhuizen (n=96, mediaan:.26 gevallen/1 hospitalisatiedagen) dan in chronische zorginstellingen (n=14,.18 gevallen/1 hospitalisatiedagen). Tabel 4: Incidentie van ESBL+ K. pneumoniae (per 1 opnames, per 1 hospitalisatiedagen) uit klinische stalen: verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 ESBL+ K. pneumoniae/ 1 opn Aantal of 1 hospitalisatiedagen ziekenhuizen Incidentie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae (BELGIE) Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Verdeling van de incidentiecijfers Gemid. v/d incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 11 2972/135322 2.2 3.82 2.13. - 33.74 België (1 hosp-dagen 11 2972/9494664.31.36.25. - 1.73 Incidentie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) Vlaanderen 51 13/73254 1.37 2.42 1.35.13-19.5 Wallonië 43 1627/45384 3.58 5.68 3.75. - 33.74 Brussel 16 342/16918 2.2 3.28 2.18.56-15.4 Incidentie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 35 616/152575 4.4 6.9 3.75. - 19.5 2-399 bedden 45 152/4881 2.16 3.36 1.76.13-33.74 4 bedden + 3 134/712626 1.83 1.88 1.62.34-5.94 Figuur 33 toont zeer hoge ESBL+ K. pneumoniae incidentiecijfers (>6 gevallen/1 opnames) in 19 van de 11 deelnemende ziekenhuizen verdeeld over de 3 regio. Figuur 33: Regionale verdeling van de incidentie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae: jaar 215 35 3 25 2 15 1 5,1-1,99 2,-3,99 4,-5,99 6, en + Incidentie van ESBL+ K. pneumoniae BLSE+ (per 1 opnames) 6 1 Vlaanderen (n=51) Wallonië (n=43) 3 Brussel (n=16) 21 Gemiddelde incidentie van ESBL+ K. pneumoniae = Σ ESBL+ K. pneumoniae * 1 / Σ opnames 77

Mediaan v. ESBL+ K. pneumoniae (%) Gemid. v. ESBL+ K. pneumoniae/k. pneumoniae Gemid. v ESBL+ K. pneumoniae/1 opn. 1.5.- Evolutie van ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae: 25-215 Figuur 34 toont de evolutie van de proporties (%) en incidentiecijfers (/1 opnames) van ESBL+ K. pneumoniae, (enkel klinische stalen en type D data) voor ziekenhuizen die sinds 25 minstens 3 maal aan de surveillance deelnamen. De proportie van ESBL+ K. pneumoniae daalde van 8.9% in 26 naar 7.2% in 28 (ns) maar nam daarna gestaag toe tot 17.4% in 215. De test voor lineaire trend 28-215 (ziekenhuizen met min. 3 deelnames) toonde een jaarlijkse stijging van de proportie van ESBL+ K. pneumoniae met +1.47 % (p<.1). De incidentiecijfers kenden een gelijkaardige evolutie: een daling van.89 gevallen/1 opnames (26) naar.66 gevallen/1 in 28 (ns), later gevolgd door een continue toename van de incidentie tot 3.21 gevallen/1 opnames in 215 (test voor lineaire trend 28-215: significante jaarlijkse stijging met +.38 gevallen/1 opnames, p<.1). Figuur 34: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van ESBL-producerende Klebsiella pneumoniae: ziekenhuizen met min. 3 deelnames sinds 25 18 16 14 12 1 8 6 4 6,8,65 Gemiddelde v/d proporties van ESBL+ K. pneumoniae Gemiddelde v/d incidentiecijfers van ESBL+ K. pneumoniae 11,8 11,1 8,9 8,4 8,6 8,8 1,77 7,2 1,38 1,12,89,9,66,66 14 2,35 16 2,9 17,4 3,21 3,5 3, 2,5 2, 1,5 1, 2,5 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Surveillanceperiodes, Figuur 35 toont de evolutie van de mediaan van de proporties van ESBL+ K. pneumoniae verdeeld volgens regio voor ziekenhuizen met minstens 3 deelnames. De mediaan van de proporties van ESBL+ K. pneumoniae steeg significant in ziekenhuizen in Vlaanderen (van 5.1% in 25 naar 14% in 215), test voor lineaire trend 25-215: +.85%/jaar, p<.1) en in Wallonië: (van 2.8% in 25 naar 22.4% in 215), test voor lineaire trend: +1.4%/jaar, p<.1. In ziekenhuizen van de Brusselse regio steeg de proportie van ESBL+ K. pneumoniae van 3.7% in 25 naar 2.2% in 211 om vervolgens een lager niveau te bereiken (12.6% in 215), test voor lineaire trend: +1.2%/jaar, p<.1. Deze schommelingen zijn waarschijnlijk deels toe te schrijven aan het kleine aantal ziekenhuizen in deze regio. Het aantal deelnemende ziekenhuizen wordt ook bijkomend beperkt omdat enkel ziekenhuizen met minstens 3 deelnames worden ingesloten voor analyse. Figuur 35: Evolutie van de mediane proportie van ESBL+ Klebsiella pneumoniae volgens regio: ziekenhuizen met minstens 3 deelnames 25 2 15 België Vlaanderen Wallonië Brussel 1 5 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Surveillanceperiodes 78

Mediaan v/d incidenties v.esbl+ K. pneumoniae /1 opn. Figuur 36 toont de evolutie van de mediane incidentiecijfers van ESBL+ K. pneumoniae volgens regio voor ziekenhuizen met minstens 3 deelnames. De mediane incidentie van ESBL+ K. pneumoniae nam significant toe in Vlaanderen (van.21 gevallen/1 opnames in 28 naar 1.32 gevallen/1 in 215, test voor lineaire trend 28-15: +.28 gevallen/1 opnames per jaar, p<.1) en in Wallonië (van.11 gevallen/1 opnames in 21 naar 3.65 gevallen/1 in 215, test voor lineaire trend: +.76 gevallen/1 opnames per jaar, p<.1). Tussen 25 en 215 steeg de incidentie in Brusselse ziekenhuizen van.39 gevallen/1 opnames naar 1.66 gevallen/1 (test voor lineaire trend 25-215: +.25 gevallen/1 opnames per jaar, p=.5. De geobserveerde schommelingen zijn waarschijnlijk deels toe te schrijven aan het kleine aantal ziekenhuizen in deze regio, temeer door de uitschakeling van de resultaten van ziekenhuizen die niet minstens drie maal aan de surveillance hebben deelgenomen. Figuur 36: Evolutie van de mediane incidentie van ESBL+ K. pneumoniae (/1 opnames) volgens regio: ziekenhuizen met minstens 3 deelnames 4 3,5 3 2,5 België Vlaanderen Wallonië Brussel 2 1,5 1,5 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Surveillanceperiodes 79

2- KLEBSIELLA PNEUMONIAE MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR 3 DE EN/OF 4 DE GENERATIE CEFALOSPORINES (C3G/C4G-I/R) 2.1.- Aantal C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae stammen per ziekenhuis 82 ziekenhuizen rapporteerden in totaal 2.321 C3G/C4G-I/R K. pneumoniae stammen (max. 14 stammen/ziekenhuis) uit klinische stalen (gemiddeld, 28.3 stammen per ziekenhuis). Zesendertig ziekenhuizen isoleerden samen ook 382 C3G/C4G-I/R K. pneumoniae stammen uit screeningstalen, t.t.z. gemiddeld 1.6 stammen per ziekenhuis met screeningstalen (max. 64 per ziekenhuis). Tijdens deze surveillanceperiode werd 14.1% van al de gerapporteerde C3G/C4G-I/R K. pneumoniae stammen (n=2.73) geïdentificeerd aan de hand van screeningstalen. 2.2.- Proportie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae Resistentie voor 3 de en/of 4 de generatie cefalosporines kwam voor bij 2.8% van alle K. pneumoniae stammen uit klinische stalen. Deze proportie was niet significant verschillend volgens ziekenhuisgrootte, maar was wel significant hoger in ziekenhuizen in Wallonië (mediaan: 23.7%) dan in Vlaanderen (16.5%, p=.8). De proportie was niet significant verschillend in chronische ziekenhuizen (n=9, mediaan: 22.2%) vergeleken met acute ziekenhuizen (n=75, mediaan: 18.6%). Tabel 41: Proportie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae binnen het totaal aantal Klebsiella pneumoniae stammen (klinische stalen): verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 C3G/C4G-I/R K. pneumoniae/ K. pneumoniae (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde proportie Proportie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens REGIO (%) Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 84 2321/11171 2.8 19.7 18.6. - 51.4 Vlaanderen 45 196/699 18. 17.1 16.5. - 47.8 Wallonië 25 876/33 26.5 24.6 23.7. - 51.4 Brussel 14 349/1772 19.7 19.4 17.3 1.5-35. Proportie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 22 35/1225 24.9 22. 22.3. - 51.4 2-399 bedden 35 825/3892 21.2 19.3 18.5 1.5-48.3 4 bedden + 27 1191/654 19.7 18.4 19.6 6.8-34. 2.3.- Proportie C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae stammen uit bloedkweken 157 stammen (6.9%) van de 2.286 gerapporteerde C3G/C4G-I/R K. pneumoniae stammen (83 ziekenhuizen) waren afkomstig uit bloedkweken (min. % - max. 38.5% per ziekenhuis). De incidentie van bacteriëmieën met C3G/C4G-I/R K. pneumoniae stammen bedroeg.14 gevallen/1 opnames of.2 gevallen/1 hospitalisatiedagen. 8

2.4.- Incidentie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae De gemiddelde incidentie van C3G/C4G-I/R K. pneumoniae uit klinische stalen bedroeg 2.9 gevallen per 1 opnames of.3 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg 3.23 gevallen/1 opnames. Dit gemiddelde was significant lager in ziekenhuizen in Vlaanderen (mediaan: 1.29 gevallen/1 opnames) dan in Wallonië (3.25 gevallen/1, p=.2) of in Brussel (2.47 gevallen/1, p=.4). In kleine ziekenhuizen was het gemiddelde van de incidentiecijfers significant hoger (mediaan: 3.15 gevallen/1 opnames) dan in grote- (1.34 gevallen/1, p=.1) of in middelgrote ziekenhuizen (1.63 gevallen/1, p=.2). De incidentiedensiteit was niet significant verschillend in acute ziekenhuizen (n=75, mediaan:.25 gevallen/1 hospitalisatiedagen) vergeleken met chronische ziekenhuizen (n=8, mediaan:.16 gevallen/1 hospitalisatiedagen). Tabel 42: Incidentie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae uit klinische stalen (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen): verdeling volgens regio en volgens ziekenhuisgrootte: jaar 215 C3G/C4G-I/R K. pneumoniae / 1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Incidentie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 84 2321/111265 2.9 3.23 1.9. - 31.75 België (1 hosp-dagen) 84 2321/7695571.3.33.24. - 1.92 Vlaanderen 45 196/688716 1.59 2.6 1.29.13-31.75 Wallonië 25 876/271257 3.23 4.57 3.25. - 23.11 Brussel 14 349/152632 2.29 2.8 2.47.91-8.1 Incidentie van C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 22 35/88664 3.44 5.79 3.15. - 31.75 2-399 bedden 35 825/46931 2.3 2.66 1.63.13-17.92 4 bedden + 27 1191/6171 1.93 1.96 1.34.63-5.42 2.5.- Evolutie van de C3G/C4G-I/R Klebsiella pneumoniae cijfers Tussen 214 en 215 steeg de proportie van C3G/C4G-I/R K. pneumoniae van 18.4% naar 19.7% en de incidentie van C3G/C4G-I/R K. pneumoniae van 2.93 gevallen/1 opnames naar 3.23 gevallen/1. Deze evolutie deed zich voor in de 3 regio s. 81

3- CARBAPENEMASE PRODUCERENDE KLEBSIELLA PNEUMONIAE (CPE) 3.1.- Aantal CPE+ Klebsiella pneumoniae stammen per ziekenhuis In 215 hebben 88 ziekenhuizen data gerapporteerd voor een of meerdere indicatoren m.b.t. CPE+ K. pneumoniae. Deelname aan dit surveillanceluik is optioneel omdat vermoedelijk niet alle ziekenhuizen actief de productie van carbapenemasen opsporen. Tijdens dit surveillancejaar rapporteerden 48 ziekenhuizen (van de 88 deelnemende ziekenhuizen) in totaal 388 CPE+ K. pneumoniae stammen (uit klinische en uit screeningstalen). Klinische stalen Veertig ziekenhuizen rapporteerden in totaal 187 CPE+ K. pneumoniae stammen geïsoleerd uit klinische stalen: gemiddeld 4.7 stammen per ziekenhuis met isolaten uit klinische stalen (max. 39 stammen/ziekenhuis). Screeningstalen Eenendertig ziekenhuizen rapporteerden ook 197 CPE+ K. pneumoniae stammen geïsoleerd uit screeningstalen (gemiddeld 6.4 stammen per ziekenhuis met isolaten uit screeningstalen (max. 55/ ziekenhuis). Tijdens deze surveillanceperiode werd 51.3% van al de gerapporteerde CPE+ K. pneumoniae stammen (n=384) geïdentificeerd aan de hand van screeningstalen. 3.2.- Proportie CPE+ Klebsiella pneumoniae stammen In 215 produceerde gemiddelde 2.8% 22 van de K. pneumoniae stammen uit klinische- en screeningstalen een carbapenemase (CPE). Het gemiddelde van de proporties van CPE+ K. pneumoniae bedroeg 2.6% en was niet significant verschillend volgens ziekenhuisgrootte. Deze proportie was echter wel significant lager in ziekenhuizen in Vlaanderen (mediaan %) dan in Wallonië (1.3%, p=.2) en dan in Brussel (2.3%, p=.1). Tabel 43: Proportie CPE+ Klebsiella pneumoniae op het totaal aantal K. pneumoniae stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 CPE+ K. pneumoniae / K. pneumoniae (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proporties van CPE+ Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens REGIO (%) Ruwe proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 88 388/13868 2.8 2.6.9. - 77.1 Vlaanderen 48 147/7629 1.9 1.7.. - 17.6 Wallonië 3 188/4874 3.9 4.2 1.3. - 77.1 Brussel 1 53/1365 3.9 2.5 2.3. - 7.8 Proporties van CPE+ Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 24 2/1654 1.2 1.6.3. - 13. 2-399 bedden 38 15/4568 3.3 3.6.9. - 77.1 4 bedden + 26 218/7646 2.9 2.1 1.3. - 17.6 3.3.- Proportie CPE+ Klebsiella pneumoniae stammen uit bloedkweken Vijftien (8%) van de 187 CPE+ K. pneumoniae stammen geïsoleerd uit klinische stalen (87 ziekenhuizen) waren afkomstig uit bloedkweken. Deze proportie varieerde van min. % tot max. 1% per ziekenhuis. De incidentie van bacteriëmieën met CPE+ K. pneumoniae bedroeg.1 gevallen/1 opnames of.2 gevallen/1 hospitalisatiedagen. 22 Ruwe proportie CPE+ K. pneumoniae = Σ CPE+ K. pneumoniae * 1 / Σ K. pneumoniae 82

aantal ziekenhuizen 3.4.- Incidentie van CPE+ Klebsiella pneumoniae De gemiddelde incidentie van CPE+ K. pneumoniae CPE+ 23 geïsoleerd uit klinische en uit screeningstalen bedroeg.32 gevallen per 1 opnames of.5 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers 24 bedroeg.43 gevallen/1 opnames. De incidentie was niet significant verschillend volgens ziekenhuisgrootte maar was wel significant lager in ziekenhuizen in Vlaanderen (mediaan: gevallen/1 opnames) dan in Wallonië (.21 gevallen/1, p=.4) en dan in Brussel (.25 gevallen/1, p=.3). De gemiddelde incidentie van CPE+ K. pneumoniae uit klinische stalen enkel bedroeg.16 gevallen/1 opnames of.2 gevallen/ 1 hospitalisatiedagen. Tabel 44: Incidentie van CPE+ Klebsiella pneumoniae uit klinische- en screeningstalen (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 CPE+ K. pneumoniae per 1 opn. en per 1 hosp-dagen Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Incidentie van CPE+ Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) Gemid. v/d incidentiecijfers Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 88 388/1197735.32.43.11. - 1.47 België (1 hosp-dagen) 88 388/8246733.5.4.2. - 1. Vlaanderen 48 147/737255.2.35.. - 5.83 Wallonië 3 188/333365.56.62.21. - 1.47 Brussel 1 53/127115.42.3.25. - 1.7 Incidentie van CPE+ Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 24 2/17136.19.53.13. - 5.83 2-399 bedden 38 15/441117.34.47.1. - 1.47 4 bedden + 26 218/649482.34.3.13. - 2.29 Figuur 37, 9 ziekenhuizen op een totaal van 88 (1.2%), rapporteerden zeer hoge incidentiecijfers van CPE+ K. pneumoniae ( 1 geval/1 opnames). Dit fenomeen deed zich voor in alle regio s. Figuur 37: Verdeling van de incidentiecijfers van CPE+ Klebsiella pneumoniae (klinische en screeningstalen) volgens regio: jaar 215 3 25 2 15 1 5 3 1,1-,49,5-,99 1, en + Incidentie van CPE+ K. pneumoniae (per 1 opnames) 5 Wallonië (n=3) Brussel (n=1) Vlaanderen (n=48) 3.5.- Evolutie van CPE+ Klebsiella pneumoniae Deze indicator (in zijn huidige vorm) werd in januari 215 aan deze surveillance toegevoegd. Het is dus nog te vroeg om iets over een trend of evolutie i.v.m. CPE+ K. pneumoniae te zeggen. 23 Gemiddelde incidentie van CPE+ K. pneumoniae = Σ CPE+ K. pneumoniae * 1 / Σ opnames 24 Gemiddelde van de incidentiecijfers = Σ incidentiecijfers van CPE+ K. pneumoniae /1 opnames/ Aantal ziekenhuizen met CPE data. 83

4- KLEBSIELLA PNEUMONIAE MET VERMINDERDE GEVOELIGHEID VOOR MEROPENEM (MERO-I/R) 4.1.- Aantal mero-i/r Klebsiella pneumoniae stammen per ziekenhuis Drieënzeventig van de 12 deelnemende ziekenhuizen rapporteerden samen 733 mero-i/r K. pneumoniae stammen (max. 14 stammen/ziekenhuis) uit klinische- en screeningstalen: gemiddeld 1 stammen per ziekenhuis met mero-i/r K. pneumoniae stammen. Klinische stalen Negenenvijftig ziekenhuizen rapporteerden samen 44 mero-i/r K. pneumoniae stammen uit klinische stalen, gemiddeld 6.8 stammen per ziekenhuis met klinische stalen (max. 79 stammen/ziekenhuis). Screeningstalen Tweeëndertig ziekenhuizen rapporteerden eveneens 226 mero-i/r K. pneumoniae stammen uit screeningstalen, gemiddeld 7.1 stammen per ziekenhuis met screeningstalen (max. 66 per ziekenhuis). In 215, werd 35.9% van al de gerapporteerde mero-i/r K. pneumoniae stammen (n=63) gedetecteerd aan de hand van screening. Verder rapporteerden de 1 overige ziekenhuizen 13 mero-i/r K. pneumoniae stammen zonder onderscheid te kunnen maken volgens type staalafname (screening versus klinisch). 4.2.- Proportie mero-i/r Klebsiella pneumoniae stammen Gemiddeld vertoonde 4.1% van de K. pneumoniae stammen uit klinische- en screeningstalen een verminderde gevoeligheid (I/R) voor meropenem. Het gemiddelde van de proporties van mero-i/r K. pneumoniae bedroeg 3.9% en was niet significant verschillend volgens regio, noch volgens ziekenhuisgrootte. Tabel 45: Proportie mero-i/r Klebsiella pneumoniae op het totaal aantal K. pneumoniae stammen uit klinische- en screeningstalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Mero-I/R K. pneumoniae / K. pneumoniae (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proporties van mero-i/r Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens REGIO (%) Ruwe proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 12 733/1827 4.1 3.9 1.2. - 9.4 Vlaanderen 64 422/122 4.1 3.9.5. - 7.9 Wallonië 41 231/5918 3.9 4. 1.4. - 9.4 Brussel 15 8/197 4.2 3.5 2.9. - 15.8 Proporties van mero-i/r Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 34 8/2241 3.6 5. 1.. - 7.9 2-399 bedden 5 181/5598 3.2 3.3.9. - 9.4 4 bedden + 36 472/1188 4.6 3.8 1.5. - 31.5 4.3.- Proportie mero-i/r Klebsiella pneumoniae stammen uit bloedkweken Van de 33 klinische mero-i/r K. pneumoniae stammen gerapporteerd in 14 deelnemende ziekenhuizen werden 15 stammen (4.5%) geïsoleerd uit bloedkweken. Dit percentage varieerde van min. % tot max. 1% per ziekenhuis. De incidentie van bacteriëmieën met mero-i/r K. pneumoniae bedroeg.1 gevallen/1 opnames of.2 gevallen/1 hospitalisatiedagen. 84

aantal ziekenhuizen 4.4.- Incidentie van mero-i/r Klebsiella pneumoniae De gemiddelde incidentie van mero-i/r K. pneumoniae uit klinische- en uit screeningstalen bedroeg.46 gevallen per 1 opnames of.7 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg 1.17 gevallen/1 opnames. De incidentiecijfers waren niet significant verschillend volgens ziekenhuisgrootte maar waren wel significant lager in ziekenhuizen in Vlaanderen (mediaan:.4 gevallen/1 opnames) dan in Wallonië (mediaan:.19 gevallen/1, p=.4). De gemiddelde incidentie van mero-i/r K. pneumoniae enkel geïsoleerd uit klinische stalen bedroeg.28 gevallen/1 opnames of.4 gevallen/ 1 hospitalisatiedagen. Tabel 46: Incidentie van mero-i/r Klebsiella pneumoniae uit klinische- en screeningstalen (per 1 opnames en per 1 hospitalisatiedagen): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 mero-i/r K. pneumoniae per 1 opn. en per 1 hosp-dagen Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Incidentie van mero-i/r Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (1 opnames) 12 733/159481.46 1.17.13. - 44.22 België (1 hosp-dagen) 12 733/111.7.6.2. - 1.18 Vlaanderen 64 422/994828.42 1.53.4. - 44.22 Wallonië 41 231/43185.53.64.19. - 12.26 Brussel 15 8/168177.48 1.11.16. -12.15 Incidentie van mero-i/r Klebsiella pneumoniae, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 34 8/14449.55 3.3.14. - 44.22 2-399 bedden 5 181/536319.34.46.9. - 12.26 4 bedden + 36 472/91482.52.47.16. - 3.84 Figuur 38 toont dat in 2 van de 12 deelnemende ziekenhuizen (16.7%) hoge incidentiecijfers van mero-i/r K. pneumoniae werden vastgesteld ( 1 geval/1 opnames). Dit fenomeen deed zich voor in alle regio s. Figuur 38: Verdeling van de incidentiecijfers van mero-i/r Klebsiella pneumoniae (klinische en screeningstalen) volgens regio: jaar 215 3 25 2 15 1 5,1-,49,5-,99,75-,99 1 en + 2 3 5 3 7 Vlaanderen (n=64) Wallonië (n=41) Brussel (n=15) Incidentie van mero-i/r K. pneumoniae (per 1 opnames) 85

mero-i/r K. pneumoniae/k. pneumoniae (%) mero-i/r K. pneumoniae/1 opn. 4.5.- Evolutie van mero-i/r Klebsiella pneumoniae: 213-215 Figuur 39 toont de evolutie van de gemiddelden van de proporties en van de incidentiecijfers van mero-i/r K. pneumoniae (enkel type D) voor al de ziekenhuizen die sinds 213 aan de surveillance deelnamen. De proportie van mero-i/r K. pneumoniae steeg van 1.4% in 213 naar 3.9% in 215 terwijl de incidentie van mero-i/r K. pneumoniae in dezelfde tijdspanne evolueerde van.19 gevallen/1 opnames naar 1.17 gevallen/1 opnames. Deze stijging is waarschijnlijk deels toe te schrijven aan het groter aantal ziekenhuizen dat screeningstalen afneemt in het kader van epidemieën met CPE+ of met ESBL+ K. pneumoniae. Figuur 39: Evolutie van het gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers van mero-i/r Klebsiella pneumoniae: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 213 4,5 4 3,5 3 Gemiddelde v/d proporties v. mero-i/r K.pneumoniae Gemiddelde v/d incidenties v. mero-i/r K. pneumoniae 3,9 1,17 1,4 1,2 1, 2,5 2 1,5 1,5 1,9 1,4,36,19 213 (n=98) 214 (n=119) 215 (n=12) Surveillanceperiodes,8,6,4,2, 86

Gemiddelde v/d incidenties v. ESBL-E/1 opn. gemiddelde v/d proporties ESBL+ (%) gemiddelde v/d incidentie v. ESBL+ /1 opn. BESLUIT: RESISTENTIEMECHANISMEN BIJ ENTEROBACTERIACEAE In 215 nam een groot aantal ziekenhuizen (n=131) deel aan de surveillance van Gram-negatieve bacteriën. De kwaliteit van de verzamelde gegevens was uitstekend want 128 deelnemende instellingen leverden data zonder dubbels. Momenteel heeft deze surveillance betrekking op de volgende indicatoren: de productie van breedspectrum beta-lactamasen (ESBL), en/of de verminderde gevoeligheid (I/R) voor cefalosporines van de 3 de en/of 4 de generatie, de productie van carbapenemasen (CPE), (optionele indicator) de verminderde gevoeligheid (I/R) voor meropenem ESBL-producerende enterobacteriaceae In 215 bedroeg het gemiddelde van de proporties van ESBL-productie 13.3% voor Enterobacter cloacae, 8.8% voor E. coli en 19.2% voor K. pneumoniae. Het gemiddelde van de incidentiecijfers van ESBL-producerende enterobacteriaceae bedroeg 1.7 gevallen/1 opnames voor Enterobacter cloacae, 7.14 gevallen/1 opnames voor E. coli en 3.82 gevallen/1 voor K. pneumoniae. Figuur 4: Proporties en incidentiecijfers van ESBL-productie bij E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae (jaar 215, gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers, alle deelnemende ziekenhuizen) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 13,3 8,8 19,2 E. cloacae E. coli K. pneumoniae ESBL+ ESBL- 8 7 6 5 4 3 2 1 7,14 3,82 1,7 E. cloacae E. coli K. pneumoniae Evolutie van de incidentiecijfers van ESBL-E (ziekenhuizen met min. 3 deelnames: 25-215): De incidentie van ESBL+ E. coli is de laatste 1 jaar verdrievoudigd van 2.2 gevallen/1 opnames in 25 tot 7.1 gevalles/1 in 215. De evolutie van ESBL+ K. pneumoniae is nog meer uitgesproken: van.65 gevallen/1 opnames in 25 naar 3.21 gevallen/1. Voor E. cloacae is de trend minder duidelijk want sinds 213 lijkt de incidentie van ESBL-productie zich voor deze kiem te stabiliseren rond 1 geval/1 opnames. Figuur 41: Gemiddelde van de incidentiecijfers van ESBL+ E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae: 25-215 8 7 6 ESBL+ E. cloacae (alle ziekenhuizen, screening + klinisch) ESBL+ E. coli (ziekenhuizen met min. 3deelnames, klinische enkel) ESBL+ K. pneumoniae (ziekenhuizen met min. 3 deelnames, klinische enkel) 5 4 3 2 1 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 215 Surveillanceperiodes 87

gemiddelde v/d proporties v. CPE+ enterobacteriaceae (%) gemiddelde v/d incidenties v. CPE+ enterobacteriaceae/1 opn. gemiddelde v/d proporties C3G/C4G- I/R enterobacteriaceae (%) gemiddelde v/d incidenties v. C3G/C4G-I/R enterobacteriaceae/1 opn. Enterobacteriaceae resistent voor 3 de en/of 4 de generatie cefalosporines In 215 bedroeg het gemiddelde van de proporties van E. cloacae, E. coli, en K. pneumoniae resistent voor 3 de en/of 4 de generatie cefalosporines respectievelijk 29.9%, 8.6% en 19.7%. Het gemiddelde van de incidentiecijfers bedroeg 1.82 gevallen/1 opnames voor E. cloacae, 6.43 gevallen/1 voor E. coli en 3.23 gevallen/1 voor K. pneumoniae. Figuur 42: Proporties en incidentiecijfers van E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae, resistent voor 3 de en 4 de generatie cefalosporines (jaar 215, gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers, alle deelnemende ziekenhuizen) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 29,9 8,6 19,7 E. cloacae E. coli K. pneumoniae C3G/C4G-I/R C3G/C4G-S Evolutie van de incidentiecijfers van Enterobacteriaceae met verminderde gevoeligheid voor cefalosporines van de 3 de - 4 de generatie (alle deelnemende ziekenhuizen: 214-215): De surveillance van Enterobacteriaceae met verminderde gevoeligheid voor cefalosporines van de 3 de en/of 4 de generatie is nog te recent opgestart (sinds 214). Toch observeren we voor de 3 species een stijging van de incidentie: voor E. cloacae: evolutie van 1.74 gevallen/1 opnames naar 1.82 gevallen/1, voor E. coli: van 5.98 gevallen/1 opnames naar 6.43 gevallen/1, voor K. pneumoniae: van 2.93 gevallen/1 naar 3.23 gevallen/1 opnames). Carbapenemase producerende Enterobacteriaceae In 215 bedroeg het gemiddelde van de proporties van CPE+ E. cloacae, E. coli, en K. pneumoniae respectievelijk 1.1%,.15% en 2.6%. Het gemiddelde van de incidentie van CPE+ E. cloacae, E. coli, en K. pneumoniae bedroeg respectievelijk.1 gevallen/1 opnames,.14 gevallen/1 en.43 gevallen/1. Figuur 43: Proporties en incidentiecijfers van CPE+ E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae (jaar 215, gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers, alle deelnemende ziekenhuizen) 7 6 5 4 3 2 1 1,82 6,43 3,23 E. cloacae E. coli K. pneumoniae 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 1,1,15 2,6 E. cloacae E. coli K. pneumoniae CPE+ CPE-,5,4,3,2,1,43,14,1 E. cloacae E. coli K. pneumoniae Deze indicator werd recent (januari 215) aan de surveillance toegevoegd. De volgende surveillanceperiodes zullen uitwijzen hoe deze indicatoren evolueren in de tijd. Enterobacteriaceae met verminderde gevoeligheid voor meropenem In 215 bedroeg de gemiddelde proportie van E. cloacae, E. coli, en K. pneumoniae met verminderde gevoeligheid voor meropenem respectievelijk 2.2%,.1% en 3.9%. Het gemiddelde van de incidentie van mero-i/r E. cloacae, E. coli, en K. pneumoniae bedroeg respectievelijk.18 gevallen/1 opnames,.7 gevallen/1 en 1.17 gevallen/1. 88

gemiddelde v/d proporties v. mero-i/r enterobacteriaceae (%) gemiddelde v/d incidentie v. mero- I/R enterobacteriaceae/1 opn. Figuur 44: Proporties en incidentiecijfers van E. cloacae, E. coli en K. pneumoniae, met verminderde gevoeligheid (I/R) voor meropenem (jaar 215, gemiddelde van de proporties en incidentiecijfers, alle deelnemende ziekenhuizen) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 2,2,1 3,9 E. cloacae E. coli K. pneumoniae 1,2 1,8,6,4,2 1,17,18,7 E. cloacae E. coli K. pneumoniae mero-i/r mero-s Evolutie van de incidentiecijfers van Enterobacteriaceae met verminderde gevoeligheid voor meropenem (alle deelnemende ziekenhuizen: 213-215): Tussen 213 en 215, steeg de incidentie van Enterobacteriaceae met verminderde gevoeligheid voor meropenem: bij E. cloacae (van.7 gevallen/1 opnames naar.18 gevallen/1), bij E. coli (van.3 gevallen/1 naar.7/1) alsook bij K. pneumoniae (van.19 gevallen/1 naar 1.17/1). Men kan dus stellen dat de twee resistentiemechanismen ESBL + en C3/C4-I/R in feite vrij gelijklopend en vergelijkbaar zijn voor E. coli en voor K. pneumoniae omdat bij beide species meer dan 9% van de C3/C4-I/R isolaten ook ESBL-positief zijn. Maar voor Enterobacter spp. is de meerderheid van de C3(C4)-I/R stammen vooral resistent omwille van cefalosporinase AmpC chromosomale hyperproducers, en is de aanwezigheid van ESBL bij Enterobacter spp. duidelijk minder frequent aanwezig. Terwijl de hoogste incidentiecijfers van ESBL-productie en resistentie voor 3 de en/of 4 de generatie cefalosporines geobserveerd werden voor E. coli, werden de hoogste incidentie van meropenem-resistentie (I/R) en carbapenemaseproductie waargenomen voor Klebsiella pneumoniae. Bij K. pneumoniae is de incidentie van mero-i/r stammen hoger (1.17 gevallen/1) dan van CPE+ stammen (.43 gevallen/1), terwijl bij E. coli de CPE+ incidentie hoger is (.14 gevallen/1) dan de incidentie van mero-i/r E. coli (.7 gevallen/1). De surveillance toont duidelijk de ongunstige evolutie van de bestudeerde resistentiemechanismen bij Enterobacteriaceae in acute ziekenhuizen in België, voornamelijk voor Klebsiella pneumoniae. Het probleem bij E. coli doet zich vooral voor in de gemeenschap (niet zozeer in het ziekenhuis), vooral in woonzorgcentra waar de evolutie onrustwekkend is. In 215 werd een nationale prevalentiestudie uitgevoerd i.v.m. dragerschap van resistente bacteriën in 29 woonzorgcentra in België. Deze studie toonde een duidelijke toename van het aantal bewoners, dragers van ESBL-producerende Enterobacteriaceae (11.8% in 215 versus 6.2% in 211). In 215 was de prevalentie van ESBL-dragerschap hoger dan van MRSA-dragerschap in WZC. Escherichia coli was het meest frequent geïsoleerde ESBL+ species (82.7%), gevolgd door K. pneumoniae (14.9%). Verder droeg 2.4% van de bewoners zowel een ESBL+ E. coli als een ESBL+ K. pneumoniae. Her relatieve aandeel van K. pneumoniae nam significant toe in 215 (17%), vergeleken met 211 (5%; p<.1). In 2 deelnemende WZC (met vermoeden van clusters) waren meer dan de helft van alle ESBL-positieve stammen K. pneumoniae (CTX-M-15 like). Slechts één bewoner was drager van een carbapenemase-producerende Klebsiella pneumoniae, van het type OXA-48. De prevalentie van CPE-dragerschap bij rusthuisbewoners was dus zeer laag (<.1%). Woonzorgcentra vormen een ecosysteem met verhoogd risico voor deze resistente bacteriën. Het aantal incontinente bewoners in deze instellingen is zeer hoog (>6%) wat aanleiding geeft tot een frequente manipulatie van excreta en lichaamsvloeistoffen (belangrijk inoculum voor deze bacteriën) met verhoogd risico voor kruisoverdracht en besmetting van de omgeving met deze MDRO s. Wat blootstelling aan antimicrobiële middelen in WZC betreft: bewoners zijn minder intensief blootgesteld en het type voorgeschreven AB-moleculen is sterk verschillend van het type voorgeschreven in acute ziekenhuizen. Toch zijn extra inspanningen vereist om het antibioticabeleid in deze instellingen te rationaliseren, m.n. in het kader van multipele of chronische antibioticavoorschriften voor de behandeling/profylaxe van recurrente urinewegeninfecties (en asymptomatische bacteriurie) bij rusthuisbewoners. In dit type instellingen is een grote waakzaamheid vereist en dient de prevalentie van MDRO aan de hand van regelmatige prevalentiestudies opgevolgd te worden. 89

LUIK 4: CARBAPENEMASE PRODUCERENDE ENTEROBACTERIACEAE (CPE) 1- METHODOLOGIE In januari 212 werd het surveillanceprogramma voor de opvolging van carbapenemase producerende enterobacteriën (CPE) in Belgische zorginstellingen opgestart. Deze surveillance werd uitgewerkt onder het toezicht van-, en in nauwe samenwerking met het Nationaal Referentiecentrum voor resistente enterobacteriën (NRC, CHU Dinant- Godinne, UCL). Deze surveillance werd stopgezet op 31 december 215. De bacteriologische laboratoria (zowel ziekenhuis- als privélaboratoria) werden uitgenodigd om hun, voor CPE verdachte stammen, naar het NRC te versturen ter identificatie van het resistentiemechanisme en ter bevestiging van carbapenemaseproductie. Voor elke verdachte stam werd een meldingsformulier ingevuld met microbiologische- (antibiogram) et epidemiologische (patiënt-) gegevens. Al deze gegevens werden in de nationale CPE-databank opgeslagen. Dit rapport heeft betrekking op de surveillancegegevens verzameld tussen 1 januari 212 en 31 december 215 (48 maanden). Inclusiecriteria voor de epidemiologische surveillance De CPE-surveillance heeft betrekking op: o Bacteriële species van de Enterobacteriaceae familie: voornamelijk: Klebsiella pneumoniae en Escherichia coli + andere Enterobacteriaceae species (in de beginfase van een epidemie): welke aan de onderstaande resistentiecriteria voldoen, o niet gevoelig (I/R) voor minstens 1 carbapenem-antibioticum: meropenem, imipenem, ertapenem o de productie van een carbapenemase werd bevestigd door het NRC. De epidemiologische surveillance (WIV-ISP) heeft betrekking op: - gegevens i.v.m. alle isolaten met bevestigde carbapenemaseproductie (NRC), - gegevens m.b.t. isolaten die niet ter bevestiging naar het NRC werden verzonden: o scenario 1: gevallen gerapporteerd door ziekenhuizen in een bevestigde en voldoende gedocumenteerde o epidemische situatie, deze stammen worden niet langer systematisch door het NRC bevestigd, scenario 2: gevallen van laboratoria die een eigen expertise (in house) hebben ontwikkeld om carbapenemasen te identificeren. Deze twee subgroepen vertegenwoordigen samen 892 stammen op een totaal van 2.473 (36%) gerapporteerde CPEstammen (januari 212 - december 215). De proportie stammen die niet ter bevestiging naar het NRC verzonden werden bedroeg 47% in 212 (vooral scenario 1), 39% in 213, 16% in 214 en 43% in 215 (meer frequent scenario 2). Exclusie van dubbels Voor de analyse van de gegevens verder in dit rapport beschreven, werden dubbels uitgesloten; t.t.z. wanneer eenzelfde CPE-positieve patiënt meermaals met eenzelfde type carbapenemase in de databank voorkwam, werd enkel de eerste stam van deze patiënt opgenomen voor analyse. 9

2- RESULTATEN 2.1. Aantal deelnemende laboratoria, bevestigde CPE-stammen en CPE-positieve patiënten In de loop van de 4 surveillancejaren rapporteerde een toenemend aantal laboratoria minstens 1 nieuwe CPEpositieve+ patiënt per semester. Deze laboratoria identificeerden in totaal 2.473 CPE-positieve patiënten 25. Tabel 47: Aantal deelnemende laboratoria en nieuwe CPE-positieve patiënten per semester: (1/1/212-31/12/215) 212 213 214 215 Totaal aantal: Sem. 1 Sem. 2 Sem. 1 Sem. 2 Sem. 1 Sem. 2 Sem.1 Sem 2. Laboratoria met 1 bevestigd CPE-positief geval per semester: - ziekenhuislaboratoria - private laboratoria 33 29 4 53 47 6 52 46 6 49 43 6 51 43 8 69 59 1 75 62 13 79 66 13 CPE-positieve patiënten (dubbels uitgesloten) 216 244 197 23 257 343 526 46 46 patiënten 427 patiënten 6 patiënten 986 patiënten In 215, nam het aantal deelnemende laboratoria toe in Wallonië (37 laboratoria in 215 versus 14 in 212) en in regio Brussel (17 laboratoria in 215 versus 1 in 212). Ook in Vlaanderen steeg het aantal deelnemende laboratoria in 215 (47 laboratoria), maar het aantal deelnemende laboratoria in Vlaanderen was voorheen ook al vrij hoog (tussen 36 en 4 deelnemende laboratoria per jaar)(tabel 48). Tabel 48: Jaarlijks aantal deelnemende laboratoria, verdeling volgens regio (1/1/212-31/12/215). Regio s 212 213 214 215 Vlaanderen 39 4 36 47 Ziekenhuislaboratoria Private laboratoria 31 8 34 6 28 8 38 1 Wallonië 14 17 3 37 Ziekenhuislaboratoria Private laboratoria 14 16 1 27 3 32 5 Brussel 1 13 15 17 Ziekenhuislaboratoria Private laboratoria 9 1 11 2 13 2 14 3 Het jaarlijks aantal CPE-positieve patiënten varieerde van minimum 427 gevallen in 213, tot maximum 986 gevallen in 215. Sinds 212 nam het aantal gerapporteerde CPE-positieve patiënten toe in Wallonië en in Brussel. In Vlaanderen was het aantal gevallen in 212 zeer hoog, nam vervolgens af in 213 (uitdoving van een epidemische situatie in enkele ziekenhuizen) maar nam opnieuw toe vanaf 214. Het aantal gerapporteerde nieuwe CPE-positieve patiënten varieerde sterk volgens provincie. Deze variaties zijn waarschijnlijk toe te schrijven aan verschillen in densiteit van zorgnetwerken in de provincie, aan het voorkomen van CPEuitbraken/epidemieën in één of meerdere ziekenhuizen alsook aan de verhoogde waakzaamheid en de intensifiëring van opnamescreening (patiëntentransfer) in ziekenhuizen gelegen in de nabijheid van deze epidemische ziekenhuizen. Ook verschillen in intensiteit van melding spelen waarschijnlijk een rol: sommige laboratoria melden systematisch al hun isolaten, andere laboratoria sturen hun isolaten niet/niet meer op ter bevestiging. 25 Dubbels uitgesloten: de patiënt wordt slechts éénmaal geteld (de eerste CPE+ stam met eenzelfde carbapenemase-type). 91

Aantal nieuwe CPE+ patiënten Aantal nieuwe CPE+ patiënten Tabel 49: Regionale verdeling van het totaal aantal gerapporteerde CPE-positieve patiënten (klinische en screening) tussen 1/1/212 en 31/12/215 Regio s 212 213 214 215 Vlaanderen 335 235 281 377 Wallonië 61 83 118 354 Brussel 64 19 21 255 BELGIË 46 427 6 986 2.2. Klinische CPE-gevallen In de 4 surveillancejaren werden in totaal 2.473 nieuwe CPE-positieve patiënten gerapporteerd waarvan 1.38 patiënten (42%) met een klinisch CPE-staal (Figuur 45). De relatieve proportie jaarlijkse CPE-gevallen geïdentificeerd uit klinische stalen daalde significant van 52% in 213 naar 34% in 215 (p<.1). Figuur 45: Jaarlijks aantal CPE-gevallen (%) geïdentificeerd uit klinische stalen: 1/1/212-31/12/215 1 8 6 4 2 651 339 24 25 22 48% 222 52% 261 44% 335 34% 212 (n=46) 213 (n=427) 214 (n=6) 215 (n=986) Klinische gevallen Andere gevallen (screening/niet gespecificeerd) Figuur 46: Jaarlijks aantal CPE-positieve patiënten (klinische-/andere gevallen) verdeling volgens regio: 1/1/212-31/12/215 4 35 3 25 2 15 1 5 39% 29% 33% 212 213 214 215 212 213 214 215 212 213 214 215 Vlaanderen Wallonië Brussel Klinische gevallen Andere gevallen (screening/niet gespecificeerd) 92

CPE-gevallen (%) CPE-gevallen (%) CPE-gevallen (%) CPE-gevallen (%) 2.3. Bacteriële species betrokken bij klinische CPE-positieve gevallen In 215 was Klebsiella pneumoniae veruit het meest frequente species betrokken bij CPE uit klinische stalen: 67.2% (n=225 van de 335 gerapporteerde klinische CPE-stammen), gevolgd door E. coli (8.4%, n=28 gevallen), E. cloacae (8.4%, n= 28 gevallen), K. oxytoca (5.1%, n=17 gevallen) en C. freundii (4.62%, n=14 gevallen). Bij 9 gevallen (2.7%) waren andere Enterobacteriaceae species betrokken: C. koseri (n=2), E. aerogenes (n=2), E. kobei (n=2), P. mirabilis (n=2), S. marcescens (n=1). Voor 14 gevallen (4.2%) waren er meerdere species betrokken: K. pneumoniae werd geïsoleerd bij 8 van de 14 multi-species gevallen. Sinds de start van de surveillance bleven de relatieve proporties van de verschillende species betrokken bij CPE vrij stabiel (Figuur 47). Figuur 47: Evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-gevallen, verdeling per betrokken bacterieel species (%) (138 gevallen): 1/1/212-31/12/215 1% 8% 6% 8,2% 8,2% 1,4% 8,8% 8,4% 7,2% 7,3% 8,4% 4% 71,8% 67,1 68,6% 67,2% 2% % 212 (n=22) 213 (n=222) 214 (n=261) 215 (n=335) K. pneumoniae E. cloacae E. coli C. freundii K. oxytoca Andere species Multi-species Figuur 48: Evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-gevallen per regio, verdeling per betrokken bacterieel species (%) (138 gevallen): 1/1/212-31/12/215 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % Vlaanderen (n=528) 212 213 214 215 (n=129) (n=122) (n=131) (n=146) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 212 (n=5) Wallonië (n=262) 213 (n=51) 214 (n=57) 215 (n=14) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 212 (n=41) Brussel (n=248) 213 (n=49) 214 (n=73) 215 (n=85) K. pneumoniae E. cloacae E. coli C. freundii K. oxytoca Andere species Multi-species 2.4. Carbapenemase-type betrokken bij klinische CPE-positieve gevallen In 215 waren CPE-gevallen van het type OXA-48 veruit het meest frequent: 74.3% van alle klinische CPE-gevallen, (n=249/335), gevolgd door carbapenemasen van het type KPC (11.9%, n=4), type NDM (8.1%, n=27 gevallen) en type VIM (4.5%, n=15). Bij 3 CPE-positieve patiënten (.9%) waren meerdere carbapenemase-types betrokken (telkens een combinatie van carbapenemasen van het type OXA-48 en het type NDM). Figuur 49 illustreert de evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-positieve gevallen per betrokken carbapenemasetype. Sinds de aanvang van de surveillance observeren we een zekere stabilisering van de relatieve proporties van de verschillende carbapenemasen betrokken bij CPE. Enkel de relatieve proportie NDM-positieve CPE nam continu en 93

CPE-gevallen (%) CPE-gevallen (%) CPE-gevallen (%) CPE-gevallen (%) significant toe: in 212 vertegenwoordigde dit type slechts.5% van alle CPE-gevallen maar in 215 bedroeg deze proportie al 8.1% (p<.1). Figuur 49: Evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-gevallen, verdeling volgens betrokken carbapenemase-type (%) (138 gevallen): 1/1/212-31/12/215 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% % 5,9% 3,2% 16,4% 18,5% 5,8% 8,1% 6,1% 4,5% 14,2% 11,9% 77,3% 75,2% 72,8% 74,3% 212 (n=22) 213 (n=222) 214 (n=261) 215 (n=335) OXA-48 KPC VIM NDM Meerdere Andere Het carbapenemase-type betrokken bij klinische CPE-gevallen varieerde volgens regio: In ziekenhuizen in Vlaanderen behoorden de gerapporteerde CPE-gevallen vooral tot het type OXA-48 (92.6% van alle gevallen) terwijl in Wallonië twee verschillende carbapenemase-types concurreerden: KPC (42.4%) en OXA-48 (44.3%). Een grotere diversiteit aan carbapenemasen werd waargenomen in ziekenhuizen van regio Brussel: OXA-48 (69%), KPC (14.1%), NDM (1.9%) en VIM (3.6%). Al sinds de start van de surveillance in 212, werden in Brusselse ziekenhuizen klinische CPE-gevallen van het type NDM gerapporteerd. De relatieve proportie van dit carbapenemase-type steeg er van 2.4% in 212 naar 12.9% in 215 (ns). Sinds 214 werden ook klinische NDM-positieve gevallen gesignaleerd in Wallonië (7% in 214 en 5.8% in 215, ns) en in Vlaanderen (1.5% in 214 en 6.9% in 215, p=.3). Figuur 5: Evolutie van het jaarlijks aantal klinische CPE-gevallen per regio, verdeling volgens betrokken carbapenemase-type (%) (138 gevallen): 1/1/212-31/12/215 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% Vlaanderen (n=528) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% Wallonië (n=262) 1% 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% Brussel (n=248) 1% 1% 1% % 212 (n=129) 213 (n=122) 214 (n=131) 215 (n=146) % 212 (n=5) 213 (n=51) 214 (n=57) 215 (n=14) % 212 (n=41) 213 (n=49) 214 (n=73) 215 (n=85) OXA-48 KPC VIM NDM Meerdere Andere K. pneumoniae van het type OXA-48 of van het type KPC vertegenwoordigde 65.9% (684/138) van al de gerapporteerde klinische CPE-gevallen in België. Deze proportie leek kleiner te worden tijdens de opeenvolgende surveillanceperiodes (71.8% in 212 naar 63% in 215, p=.3). Figuur 51 toont de geografische verdeling van het aantal klinische CPE-gevallen per ziekenhuis 26 volgens betrokken carbapenemase-type. 26 Enkele ziekenhuislaboratoria gaven niet aan in welke ziekenhuissite de CPE-positieve patiënt verbleef. In dit geval heeft de bullet betrekking op een fusiegeheel (meerdere sites) en niet op één enkele ziekenhuissite. 94

Figuur 51: Geografische verdeling van het aantal klinische CPE-gevallen per ziekenhuis volgens carbapenemase-type: 1/1/212 31/12/215 Omwille van confidentialiteitsredenen komt de lokalisatie van de bullets die een individueel ziekenhuis voorstellen op deze landkaart, niet overeen met de reële geografische ligging van het ziekenhuis binnen de provincie. Sinds 212, observeren we een groot aantal klinische CPE-gevallen in 5 provincies (Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Luik, Henegouwen, en regio Brussel) terwijl in de overige provincies de grens van 1 CPE-gevallen per jaar niet overschreden werd. 2.5. Episodes van onderling gerelateerde CPE-gevallen of epidemie met CPE 2.5.1. Definitie van een episode van onderling gerelateerde CPE-gevallen of epidemie met CPE Een episode van onderling gerelateerde CPE-gevallen (cluster) werd gedefinieerd als het zich voordoen van 2 gerelateerde gevallen (epidemiologisch verband) van patiënten geïnfecteerd of gekoloniseerd met CPE (zelfde carbapenemase), binnen een interval van één maand in eenzelfde zorginstelling. 2.5.2. Methodologisch probleem Het aantal CPE-clusters gerapporteerd voor deze rubriek heeft betrekking op de antwoorden op de vraag verdenking van epidemie? (meldingsformulier epidemiologische surveillance). Vermits de melding in deze surveillance prospectief gebeurt en vertrekt vanuit het microbiologisch laboratorium, wordt het aantal CPE-gevallen die deel uitmaken van een cluster zonder twijfel onderschat. Tijdens de verschillende surveillanceperiodes nam het percentage ontbrekende gegevens i.v.m. het bestaan van een epidemische situatie geleidelijk toe: in 212 (9.4% ontbrekende data), 213 (14.8%), 214 (3.7%) en in 215 (42%). Daarom wordt het steeds moeilijker om het totaal aantal ziekenhuizen met uitbraak, gegroepeerde gevallen correct in te schatten. De hierna gerapporteerde resultaten vormen dus slechts het topje van de ijsberg. 95

2.5.3. Aantal ziekenhuizen met 1 CPE-clusterepisode(s) Niettegenstaande de methodologische beperkingen en zwaktes van deze surveillance kan men stellen dat in 215 minstens 2 ziekenhuizen met CPE-clusters te kampen hadden. In 214 waren het 18 ziekenhuizen en in 212 en in 213 rapporteerden telkens 16 ziekenhuizen één of meerdere clusters met CPE (Tabel 5). De bij deze episodes meest frequent betrokken carbapenemasen behoorden tot het type OXA-48 of het type KPC, maar de laatste jaren deden zich ook epidemieën en clusters met carbapenemasen van het type NDM voor. Tabel 5: Jaarlijks aantal ziekenhuizen met één of meerdere CPE-clusters, verdeling volgens type carbapenemase: 212-215 Aantal ziekenhuizen met: 212 213 214 215 CPE-clusters met één enkel type carbapenemase: 15 15 15 16 OXA-48 11 11 9 11 KPC 3 3 3 2 NDM 1 1 2 3 VIM 1 CPE-clusters met meerdere types carbapenemasen 1 1 3 4 KPC + VIM 1 NDM + VIM 1 1 OXA + VIM 1 1 OXA + KPC 1 1 OXA + NDM 1 OXA + KPC + NDM 1 Totaal aantal ziekenhuizen in epidemische situatie tijdens het surveillancejaar 16 16 18 2 Figuur 52 toont (per surveillancejaar) de geografische verdeling van ziekenhuizen met één of meerdere CPE-cluster(s) per betrokken carbapenemase-type. Meerdere van deze epidemieën bestreken opeenvolgende surveillanceperiodes. Zoals blijkt uit de beschikbare surveillanceresultaten (sinds januari 212) bleven 5 Belgische provincies (West- Vlaanderen, Limburg, Vlaams- en Waals Brabant en Namen) gespaard van CPE-clusters. Aanvankelijk (212-213) waren de epidemieën in de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen enkel gerelateerd aan carbapenemasen van het type OXA-48, maar vanaf 214 werden er ook clusters/epidemieën met andere carbapenemase-types (VIM, NDM) gerapporteerd in deze provincies. Al de CPE-clusters/epidemieën die in de provincie Luik in 212 gerapporteerd werden waren allen geassocieerd met carbapenemasen van het type KPC, maar sinds 213 werden ook uitbraken met andere types van carbapenemasen (OXA-48, VIM) gerapporteerd. Vanaf 214, had ook de provincie Luxemburg te kampen met KPC+ uitbraken, toe te schrijven aan transfers van patiënten tussen ziekenhuizen van de provincies Luik en Luxemburg. In 213 werden in de provincie Henegouwen de eerste CPE-epidemieën/clusters gerapporteerd (type KPC, type OXA- 48). Na 214 hadden 2 ziekenhuizen uit deze provincie met een CPE, NDM+ uitbraak te kampen. Patiëntentransfers tussen deze zorginstellingen van eenzelfde provincie lagen aan de basis van de overdracht. In 215, observeerden we ook epidemieën met OXA-48+ CPE in verschillende ziekenhuizen van de provincie Henegouwen alsook één enkele uitbraak met VIM+ CPE. Sinds de aanvang van de surveillance rapporteerden ziekenhuizen uit regio Brussel CPE-uitbraken met verschillende types van carbapenemasen: meestal type OXA-48 of type NDM, minder frequent van het type KPC of VIM. Deze diversiteit aan betrokken carbapenemasen is waarschijnlijk toe te schrijven aan het feit dat Brusselse ziekenhuizen meestal zeer grote- en vaak universitaire ziekenhuisentiteiten zijn welke vaker gerepatrieerde patiënten uit het buitenland opvangen (specifieke case-mix), maar ook over meer middelen beschikken om deze verschillende soorten van carbapenemasen te identificeren in het labo. 96

Figuur 52: Geografische verdeling van het aantal ziekenhuizen met één of meerdere CPE-clusters, verdeling volgens betrokken carbapenemase-type 2.6. Voorgeschiedenis van CPE-positieve patiënten 2.6.1. Recente contacten met gezondheidszorg in België of in het buitenland 2.6.1.1. Methodologisch probleem Anamnesegegevens m.b.t. recente gezondheidszorg in een ziekenhuis/wzc in België of in het buitenland ontbraken voor 37.1% (n=917/2.473) van de CPE-positieve patiënten. Omwille van dit hoge percentage aan ontbrekende gegevens moeten de hierna gerapporteerde resultaten met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Van de 1.556 gedocumenteerde gevallen (1/1/212-31/12/215) waren 165 gevallen (1.6%) gerelateerd aan een verblijf/hospitalisatie in het buitenland, 944 gevallen (6.7%) hadden recent (het voorbije jaar) in een Belgisch ziekenhuis of WZC verbleven, terwijl 447 gevallen (28.7%) geen voorgeschiedenis van recente gezondheidszorgcontacten hadden. 2.6.1.2. Evolutie in de tijd Figuur 53 toont de evolutie (sinds 1 januari 212) van het jaarlijks aantal CPE-positieve gevallen met recente gezondheidszorgcontacten in België of in het buitenland. Uit de beschikbare surveillancedata blijkt dat de relatieve proportie CPE-gevallen met recent contact met een zorginstelling in België (ziekenhuis, WZC) toeneemt (van 52.3% in 212 naar 68.4% in 215), terwijl de proportie CPEgevallen met een recent verblijf/hospitalisatie in het buitenland en de proportie CPE-gevallen zonder recente zorgcontacten daalt: respectievelijk van 14.1% in 212 naar 8% in 215 en van 33.6% naar 23.6% in dezelfde tijdspanne. 97

aantal CPE-gevallen Figuur 53: Jaarlijks aantal CPE-gevallen, verdeling volgens recente contacten met gezondheidzorg in België of in het buitenland (1556 gedocumenteerde gevallen): 1/1/212-31/12/215 6 5 4 3 2 1 14.1% 33.6% 1.2% 32.5% 52.3% 57.4% 12.3% 3.% 57.6% 8.% 23.6% 68.4% 212 (n=262) 213 (n=35) 214 (n=413) 215 (n=576) Recente gezondheidszorgcontacten in België Recent verblijf of hospitalisatie in het buitenland Geen recente gezondheidszorgcontacten 2.6.1.3. CPE-positieve patiënten met een voorgeschiedenis van recent verblijf/hospitalisatie in het buitenland Van de 165 CPE-positieve patiënten met recent verblijf en/of gezondheidszorgcontacten in het buitenland hadden: - 68 patiënten (41.2%) in een land van het Afrikaans continent verbleven, o.a. Marokko (36 gevallen), Egypte (14 gevallen) en Tunesië (8 gevallen), - 4 patiënten (24.2%) verbleven in een Aziatisch land, voornamelijk Turkije (14 gevallen) en India (9 gevallen). - 5 patiënten (3.3%) verbleven in een Europees land, vooral Griekenland (19 gevallen), Italië (5 gevallen) en Spanje (9 gevallen). - het land van verblijf was ongekend voor 7 gevallen. Van de 165 CPE-positieve patiënten met recent verblijf en/of gezondheidszorgcontacten in het buitenland waren: - 12 gevallen (61.8%) geassocieerd aan carbapenemasen van het type OXA-48: t.t.z. 79.4% van de gevallen gerelateerd aan Afrika (vooral Marokko en Tunesië), 57.5% van de gevallen gerelateerd aan Azië (vooral Turkije) en 38% van de gevallen uit Europa. - 27 gevallen (16.4%) behoorden tot het type NDM: t.t.z. 11.8% van de gevallen gerelateerd aan Afrika, 27.5% van de gevallen uit Azië en 14% van alle gevallen uit Europese landen. - 18 gevallen (1.9%) waren van het type KPC: t.t.z. 1.5% van de gevallen uit Afrika, 2.5% van de gevallen uit Azië en 32% van de gevallen uit Europa (voornamelijk uit Griekenland). 2.7. Klinische stalen: plaats van staalafname De urinewegen (n=597, 58%), de luchtwegen (n=185, 18%) en wonden of wondvocht (n=128, 12.4%) waren de anatomische sites die het meest frequent bemonsterd waren in een klinische context (n=129 gedocumenteerde gevallen) (Tabel 51). De proportie CPE uit bloedkweken of uit vasculaire katheters (7%, n=72 gevallen) varieerde niet significant in de tijd (min. 4.6% in 213 - max. 8.4% in 214-215). Tabel 51: Stalen afgenomen in een klinische context: anatomische site van staalafname (n=129): 1/1/212-31/12/215 Anatomische sites: 212 213 214 215 TOTAAL n=217 n=218 n=261 n=333 n=129 Urine 59.9% 61.% 51.3% 6.1% 58.% Respiratoir 19.4% 19.3% 22.2% 12.9% 18.% Wonden, wondvocht 9.7% 12.4% 13.8% 13.2% 12.4% Bloedkweken, katheters (enkel of samen met andere sites) 5.5% 4.6% 8.4% 8.4% 7.% Andere sites (alleen of samen met andere sites) 5.5% 2.8% 4.2% 5.4% 4.6% 98

Tabel 52: Stalen afgenomen in een klinische context: site van staalafname, verdeling volgens carbapenemase-type en betrokken bacteriële species (n=129): 1/1/212-31/12/215 Type staal: Per carbapenemase-type Per bacteriële species OXA-48 KPC NDM VIM K. pneumoniae E. coli E. cloacae n=768 n=153 n=49 n=51 n=74 n=91 n=8 Urine 59.8% 56.2% 46.9% 51.% 59.2% 64.8% 5.% Respiratoir 17.3% 22.9% 1.2% 17.6% 18.6% 14.3% 2.% Wonden, wondvocht 11.8% 9.2% 26.5% 15.7% 11.4% 14.3% 15.% Bloedkweek (alleen/in associatie) 7.2% 5.9% 8.2% 7.8% 6.7% 1.1% 12.5% Andere sites (alleen/ in associatie) 3.9% 5.9% 8.2% 7.8% 4.1% 5.5% 2.5% 3- BESLUIT In tegenstelling tot de beginperiode (212), beschikken nu heel wat ziekenhuizen over de capaciteit en expertise om zelf de betrokken carbapenemase-types te identificeren en doen daarom steeds minder vaak beroep op het NRC. Dit is zeker een gunstige evolutie. Maar hierdoor zijn de gevallenmeldingen aan het WIV-ISP ook steeds minder volledig. Het wordt bijgevolg steeds moeilijker om nog betrouwbare conclusies te trekken i.v.m. de evolutie van de CPE-epidemiologie in onze ziekenhuizen: toename van het aantal ontbrekende data, onderrapportering van epidemische gevallen, ontoereikende informatie i.v.m. de voorgeschiedenis van de patiënt,... Daarom wordt de surveillance in haar huidige vorm op 1 januari 216 stopgezet. Een laatste terugrapportering via dit rapport heeft betrekking op de resultaten i.v.m. de datacollectie van 215. Niettegenstaande een groot aantal ontbrekende/onvolledige epidemiologische data werden in 215 in totaal 986 CPEpositieve patiënten gerapporteerd waarvan 571 (57.9%) bevestigd door het NRC en 415 gevallen enkel bevestigd door het lokaal ziekenhuislaboratorium (voldoende gedocumenteerde epidemische gevallen, gevallen gerapporteerd door laboratoria met voldoende in house expertise, ). De stijging in het aantal gerapporteerde gevallen voor 215 deed zich voor in de drie regio s maar was het meest uitgesproken in ziekenhuizen in Wallonië waar het aantal gevallen sinds 214 verdrievoudigd was. In 215 was K. pneumoniae veruit het meest frequent voorkomend species binnen alle klinische CPE-positieve Enterobacteriaceae (67.2% van het totaal), gevolgd door E. coli en door E. cloacae (8.4% elk). Sinds de aanvang van de surveillance bleef de relatieve proportie van de verschillende species betrokken bij klinische CPE vrij stabiel. In 215 waren de klinische CPE-positieve gevallen het meest frequent geassocieerd met een carbapenemase van het type OXA-48 of varianten (74.3%), gevolgd door carbapenemasen van het type KPC (11.9%), type NDM (8.1%) of type VIM (4.5%). Gedurende de 4 surveillancejaren bleven de relatieve proporties van de verschillende carbapenemasen betrokken bij klinische CPE-gevallen vrij stabiel, zonder significante verschillen te vertonen. Enkel de relatieve proportie van NDM- CPE steeg lineair en significant van.5% in 212 naar 8.1% in 215 (p<.1). De betrokken carbapenemasen (klinische gevallen) varieerden echter sterk volgens regio. In ziekenhuizen in Vlaanderen vormden carbapenemasen van het type OXA-48 meer dan 9% van al de klinische CPE+ gevallen gerapporteerd tijdens het surveillancejaar. In Wallonië waren carbapenemasen van het type OXA-48 et KPC concurrent. Tussen 212 en 214 kwam KPC+ CPE het meest voor, maar vanaf 215 veroverde CPE van het type OXA-48 de eerste plaats en vertegenwoordigde meer dan de helft van alle CPE gerapporteerd in ziekenhuizen in Wallonië. Sinds het begin van de surveillance was CPE van het type OXA-48 predominant (>6%) in de ziekenhuizen van regio Brussel. De andere carbapenemase-types (KPC, NDM en VIM) kwamen veel minder frequent voor. Terwijl NDM-positieve CPE gevallen in Brusselse ziekenhuizen al sinds de aanvang van de surveillance (212) gerapporteerd werden, dook deze carbapenemase in de andere regio pas op vanaf 214. Ook al moeten de onvolledige data m.b.t. CPE-clusters/epidemieën (42% ontbrekende data in 215) voorzichtig geïnterpreteerd worden, kan men toch stellen dat sinds de aanvang van de surveillance een stijgend aantal ziekenhuizen te kampen had met CPE-epidemieën: 16 ziekenhuizen in 212 en in 213, 18 ziekenhuizen in 214 en 2 ziekenhuizen in 215. Bij deze clusters/epidemieën waren voornamelijk carbapenemasen van het type OXA-48 betrokken (vooral in Vlaanderen) of van het type KPC (vooral in Wallonië). Maar vanaf 214 observeerden we in de 3 regio s ook epidemieën met andere carbapenemase-types, vooral met NDM-positieve CPE en minder vaak met CPE van het type VIM. 99

Data i.v.m. een voorgeschiedenis van recente gezondheidszorgcontacten in België of in het buitenland ontbraken zeer dikwijls (37%) in de geleverde surveillancegegevens. Daarom dienen ook deze data met enige voorzichtig geïnterpreteerd te worden. Tussen 212 en 215, toonden de beschikbare data een toename van de relatieve proportie van het aantal gevallen gerelateerd aan een recent contact met een ziekenhuis/wzc in België (van 52.3% naar 68.4%) en een daling van de relatieve proportie gevallen gerelateerd aan een verblijf/hospitalisatie in het buitenland (van 14.1% naar 8%). Momenteel worden CPE-gevallen meer frequent in verband gebracht met autochtone verwerving en circuleren nu eerder inen tussen Belgische zorginstellingen. 1

LUIK 5: MULTIRESISTENTE ACINETOBACTER BAUMANNII 1- ACINETOBACTER BAUMANNII EN PSEUDOMONAS AERUGINOSA In 215, rapporteerden 95 ziekenhuizen in totaal 2.472 Acinetobacter spp stammen waarvan 1.34 (41.8%) tot het Acinetobacter baumannii species (of complex) behoorden 27. 1.1.- Definities van multiresistentie voor Acinetobacter baumannii In het kader van deze epidemiologische surveillance werd een Acinetobacter baumannii stam als multiresistent beschouwd als de stam een verminderde gevoeligheid vertoonde (intermediair of resistent) voor meropenem (vertegenwoordiger van de klasse van de carbapenem-antibiotica). Dit vereenvoudigd criterium werd sinds 212 gebruikt omdat meropenem-resistentie bij A. baumannii systematisch geassocieerd wordt met multiresistentie voor andere antibioticaklassen. Enkel gegevens verzameld volgens type D (dubbels uitgesloten) werden voor analyse weerhouden. 1.2.- Aantal meropenem-i/r Acinetobacter baumannii stammen per ziekenhuis Zesentwintig van de 126 deelnemende ziekenhuizen (2.6%) rapporteerden samen 58 mero-i/r A. baumannii stammen (max. 9 per ziekenhuis) uit klinische stalen, gemiddeld 2.2 stammen per ziekenhuis met klinische stammen. Negen ziekenhuizen rapporteerden samen ook 2 mero-i/r A. baumannii stammen geïsoleerd uit screeningstalen (gemiddeld 2.2/ziekenhuis, max. 7 stammen/ziekenhuis). In 215 werd 25.6% van al de gerapporteerde mero-i/r A. baumannii stammen (n=78) aan de hand van screening gedetecteerd. 1.3.- Proportie meropenem-i/r Acinetobacter baumannii Van al de A. baumannii isolaten uit klinische stalen was 4.8% resistent (I/R) voor meropenem 28. Het gemiddelde van de proporties mero-i/r A. baumannii bedroeg 4.2%. Tabel 53: Proportie mero-i/r Acinetobacter baumannii uit klinische stalen (%): verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Mero-I/R A.baumannii / A. baumannii (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde proportie Proportie van mero-i/r Acinetobacter baumannii, verdeling volgens REGIO (%) Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 126 58/124 4.8 4.2.. - 1. Vlaanderen 62 23/78 3.2 2.1.. - 5. Wallonië 48 27/42 6.4 5.8.. - 1. Brussel 16 8/76 1.5 7.5.. - 5. Proportie van mero-i/r Acinetobacter baumannii, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 38 3/81 3.7 1.8.. - 33.3 2-399 bedden 52 12/36 3.3 4.7.. - 1. 4 bedden + 36 43/763 5.6 5.9.. - 5. Vier (6.9%) van de 58 klinische mero-i/r A. baumannii stalen waren afkomstig uit bloedkweken. 27 De identificatie op het niveau van het species blijft moeilijk. 28 Gemiddelde proportie van mero-i/r A. baumannii = Σ mero-i/r A. baumannii * 1 / Σ Acinetobacter baumannii 11

MR of mero-i/r A. baumannii (%) 1.4.- Incidentie van mero-i/r Acinetobacter baumannii De gemiddelde incidentie van mero-i/r A. baumannii 29 uit klinische stalen bedroeg.4 gevallen per 1 opnames of.5 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers van mero-i/r A. baumannii bedroeg.3 gevallen/1 opnames (min. max..38 gevallen/1). Tabel 54: Incidentie van mero-i/r Acinetobacter baumannii uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 Mero-I/R A.baumannii /1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Incidentie van mero-i/r Acinetobacter baumannii, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (/1 opnames) 126 58/158393.4.3.. -.38 België (/1 hosp-dagen) 126 58/111.5.4.. -.69 Vlaanderen 62 23/91739.3.2.. -.38 Wallonië 48 27/496676.5.4.. -.35 Brussel 16 8/16918.5.3.. -.13 Incidentie van mero-i/r Acinetobacter baumannii, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 38 3/159528.2.1.. -.21 2-399 bedden 52 12/56759.2.2.. -.38 4 bedden + 36 43/86286.5.4.. -.22 1.5.- Evolutie van mero-i/r Acinetobacter baumannii: 29-215 De proportie van MR A. baumannii steeg van 4.4% in 29 naar 8.9% in 211 (ns). Nadat de definitie van resistentie voor A. baumannii aangepast werd (212), observeren we een niet significante daling van de proportie van 6% in 213 naar 4.2% in 215. Figuur 54: Evolutie van de gemiddelde proportie van mero-i/r Acinetobacter baumannii: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 29 1 9 8 7 6 5 4 3 2 1 8,9 7 6 5,7 4,4 4,2 29 21 211 212* 213 214 215 * Wijziging van de definitie van multiresistente A. baumannii in 212 Surveillanceperiodes 29 GemiddeIde incidentie van mero-i/r A. baumannii = Σ mero-i/r A. baumannii * 1 / Σ opnames 12

MR of mero-i/r A. baumannii/1 opn. Tussen 29 en 211 observeren we een niet significante daling van het gemiddelde van de incidentiecijfers van MR A. baumannii, van.15 gevallen/1 opnames naar.9 gevallen/1. Na de aanpassing van de definitie van MR A. baumannii in 212, daalde het gemiddelde van de incidentiecijfers van.15 gevallen/1 opnames in 213 naar.3 gevallen/1 in 215. Deze daling was echter niet statistisch significant. Figuur 55: Evolutie van de gemiddelde incidentiecijfers van MR- en van mero-i/r Acinetobacter baumannii: alle deelnemende ziekenhuizen sinds 29,16,14,12,15,15,1,11,8,9,6,7,4,2 29 21 211 212* 213 214 215 Surveillanceperiodes,3 *Verandering van de definitie van MR A. baumannii in 212 13

2- PSEUDOMONAS AERUGINOSA In 215, rapporteerden 77 ziekenhuizen samen 13.97 Pseudomonas spp. stammen waarvan 11.823 (9.3%) tot het Pseudomonas aeruginosa species behoorden. 2.1.- Definitie van multiresistentie (MDR) voor Pseudomonas aeruginosa Volgens de nieuwe definitie ingevoerd in 212, werd een Pseudomonas aeruginosa stam als multiresistent beschouwd bij verminderde gevoeligheid (intermediair of resistent) voor minstens één antibioticum in 4 van de 5 volgende antibioticaklassen: - penicillines: ticarcilline +/- clavulanaat, piperacilline +/- tazobactam - 3 de en 4 de generatie cefalosporines: ceftazidime, cefepime - carbapenems: meropenem, imipenem - fluoroquinolonen: ciprofloxacine, levofloxacine - aminoglycosiden: gentamycine, tobramycine, amikacine Enkel gegevens verzameld volgens type D (dubbels uitgesloten) werden voor analyse weerhouden. 2.2.- Aantal MDR Pseudomonas aeruginosa stammen per ziekenhuis Klinische stalen In 215 rapporteerden 16 van de 125 deelnemende ziekenhuizen (84.8%) samen 1.26 klinische MR P. aeruginosa stammen (max. 158/ziekenhuis, gemiddeld 11.9 stammen per ziekenhuis met klinische stammen). Screeningstalen Achtentwintig ziekenhuizen rapporteerden ook in totaal 154 MR P. aeruginosa stammen uit screeningstalen (max. 19 per ziekenhuis). Van al de in 215 gerapporteerde MR P. aeruginosa stammen (n=1.414) werd 1.9% gedetecteerd aan de hand van screeningstalen. 2.3.- Proportie MDR Pseudomonas aeruginosa 6.4% van al de gerapporteerde P. aeruginosa stammen uit klinische stalen waren multiresistent (MDR) 3. Het gemiddelde van de proporties van MDR P. aeruginosa bedroeg 6.1%. Deze proporties waren niet significant verschillend volgens regio. Ze waren echter wel significant hoger in middelgrote ziekenhuizen (mediaan: 5.1%) dan in kleine ziekenhuizen (2.9%, p=.4). Tabel 55: Proportie MDR Pseudomonas aeruginosa uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 MDR- P.a./ P.a. (%) Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Proportie van MDR Pseudomonas aeruginosa, verdeling volgens REGIO (%) Gemiddelde proportie Gemid. v/d proporties Verdeling van de proporties Mediaan Min/Max België 125 126/19639 6.4 6.1 4.1. - 32.8 Vlaanderen 62 627/1611 5.9 5.7 3.. - 32.8 Wallonië 47 54/777 7.1 7.2 4.6. - 25. Brussel 16 129/1951 6.6 4.8 4.1. - 13.9 Proportie van MDR Pseudomonas aeruginosa, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (%) < 2 bedden 39 17/284 6. 4.9 2.9. - 23.3 2-399 bedden 5 48/5717 7.1 7.1 5.1. - 25. 4 bedden + 36 682/1182 6.2 6.1 4.3. - 32.8 2.4.- Proportie MDR Pseudomonas aeruginosa uit bloedkweken Vijftig (4.2%) van de in totaal 1.23 gerapporteerde klinische MDR P. aeruginosa stammen (n=122 ziekenhuizen) werden uit bloedkweken geïsoleerd (min. % - max. 33.3% per ziekenhuis). De incidentie van bacteriëmieën met MDR P. aeruginosa bedroeg.3 gevallen/1 opnames of.5 gevallen/1 hospitalisatiedagen. 3 Gemiddelde proportie van MDR Pseudomonas aeruginosa= Σ MDR P. aeruginosa * 1 / Σ P. aeruginosa 14

aantal ziekenhuizen 2.5.- Incidentie van MDR Pseudomonas aeruginosa De gemiddelde incidentie van MDR P. aeruginosa 31 uit klinische stalen bedroeg.8 gevallen per 1 opnames of.11 gevallen per 1 hospitalisatiedagen. Het gemiddelde van de incidentiecijfers van MDR P. aeruginosa bedroeg 1.2 gevallen/1 opnames (min. - max. 7.35 gevallen /1). De incidentiecijfers waren niet significant verschillend volgens regio noch volgens ziekenhuisgrootte. Tabel 56: Incidentie van MDR Pseudomonas aeruginosa uit klinische stalen: verdeling volgens regio en ziekenhuisgrootte: jaar 215 MDR P. aeruginosa /1 opn. Aantal ziekenhuizen Absolute cijfers Gemiddelde incidentie Gemid. v/d incidentiecijfers Incidentie van MDR Pseudomonas aeruginosa, verdeling volgens REGIO (per 1 opnames) Verdeling van de incidentiecijfers Mediaan Min/Max België (/1 opnames) 125 126/1574581.8 1.2.44. - 7.35 België (/1 hosp-dagen) 125 126/111.11.12.6. - 1.15 Vlaanderen 62 627/91694.68.8.32. - 6.77 Wallonië 47 54/488569 1.3 1.46.63. - 7.35 Brussel 16 129/16918.76.55.47. - 1.98 Incidentie van MDR Pseudomonas aeruginosa, verdeling volgens ZIEKENHUISGROOTTE (per 1 opnames) < 2 bedden 39 17/16699 1.2 1.28.46. - 7.1 2-399 bedden 5 48/544866.75.99.48. - 7.35 4 bedden + 36 682/86286.79.79.42. - 5.68 In 18 van de 125 deelnemende ziekenhuizen (14.4%) werden hoge incidentiecijfers voor MDR P. aeruginosa ( 2 gevallen/1 opnames) waargenomen. Dit fenomeen deed zich voor in ziekenhuizen in Vlaanderen en in Wallonië en wees op de aanwezigheid van epidemische situaties in deze ziekenhuizen (Figuur 56). Figuur 56: Regionale verdeling van de incidentiecijfers van MDR Pseudomonas aeruginosa volgens regio, 215 4 35 3 25 2 15 1 5 3 2 8,1-,99 1,-1,99 2,-2,99 3, en + 5 Vlaanderen (n=62) Wallonië (n=47) Brussel (n=16) Incidentie van MDR P. aeruginosa (per 1 opnames) 31 Gemiddelde incidentie van MDR Pseudomonas aeruginosa = Σ MDR Pseudomonas aeruginosa * 1 / Σ opnames 15