IMMI Montjoie Montjoielaan, 93-95 1180 Ukkel Vakantietaak Nederlands Opgelet: Voor de grammatica: Herhaal de theorie in je leerboek en doeboek Denk goed na bij iedere oefening Voor het schrijven Denk aan je grammatica! Varieer je woordenschat Geef steeds zo veel mogelijk informatie In het algemeen: Neem eerst een beetje vakantie Werk hier vooral in augustus aan (ter voorbereiding van het nieuwe schooljaar) Verspreid je werk over 2 weken! 1
De zinsbouw Grammatica Maak zinnen en begin met het onderlijnde deel. Fais des phrases commençant avec le(s) mot(s) souligné(s) 1) gaan vanavond de bioscoop met We naar vrienden. We gaan vanavond met vrienden naar de bioscoop. 2) samen - s Avonds ze naar - kijken de televisie. s Avonds kijken ze samen naar de televisie. 3) Piet computer kopen een wil nieuwe Volgend jaar. Volgend jaar wil Piet een nieuwe computer kopen. 4) volgend seizoen een Hij spelen club in gaat andere. Hij gaat volgend seizoen in een andere club spelen. 5) De kinderen elke dag school gaan - met naar de fiets. De kinderen gaan elke dag met de fiets naar school. 6) moeder geschenk me Voor mijn verjaardag koopt mooi een altijd. Voor mijn verjaardag koopt moeder me altijd een mooi geschenk. 7) Jan aan de universiteit rechten van Namen studeerde. Jan studeerde rechten aan de universiteit van Namen. 8) Thuis een drie we en katten hebben hond. Thuis hebben we een hond en drie katten. 9) vader Nu nieuwe voor onderneming werkt een. Nu werkt vader voor een nieuwe onderneming. 10) deze maand een Anita rapport krijgen goed moet. Anita moet deze maand een goed rapport krijgen.! 2
! Verander de tekst d.m.v. de woorden tussen ( ). Transforme le texte en ajoutant les mots entre ( ). Plusieurs réponses possibles! De leerlingen van het atheneum gaan elk jaar een paar dagen in Nederland doorbrengen. Eerst willen ze het wereldberoemde Amsterdam bezoeken. Amsterdam is inderdaad een heelgrote en mooie stad. Op de Dam zien ze het Koninklijk Paleis en het Monument voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Tijdens hun wandeling zien ze het Anne Frankhuis. Jammergenoeg vinden ze dat de ingangsprijs te duur is voor het bezoek. Je mag de zolder zelf niet binnen! Wat later bezoeken ze het Rijksmuseum waar ze de prachtige schilderijen van Rembrandt, Hals, Vermeer, enz. kunnen bewonderen. Plots ontdekken ze één van de mooiste huizen van Amsterdam, het Huis met de Hoofden waar Anna, het dienstmeisje, alleen thuisgebleven, zes dievenhoofden had afgesneden. s Avonds maken ze een boottocht op de grachten. Kortom, het is een schitterend reisbegin.! 3
Herschrijf volgende zinnen met de tussen ( ) gegeven elementen. Transforme les phrases suivantes au moyen des éléments donnés entre ( ). 1. Ik houd van cola. (graag drinken) Ik drink graag cola. 2. We houden van frietjes. (graag eten) We eten graag frietjes. 3. Hij houdt van Engels. (graag spreken) Hij spreekt graag Engels. 4. Ze houdt van griezelfilms. (graag kijken naar) Ze kijkt graag naar griezelfilms. 5. Houdt u van jazz? (graag luisteren naar) Luistert u graag naar jazz? 1. Ik houd meer van stripverhalen dan van romans. (liever lezen) Ik lees liever stripverhalen dan romans. 2. Van voetbal houd ik het meest. (liefst spelen) Voetbal speel ik het liefst. 3. Mijn ouders houden meer van Nederland dan van Engeland. (liever gaan naar) Mijn ouders gaan liever naar Nederland dan naar Engeland. 4. We houden het meest van judo. (het liefst doen aan) We doen het liefst aan judo. 5. Mijn zus houdt meer van jeans dan van rokken. (liever dragen) Mijn zus draag liever jeans dan rokken.! 4
Zet de bijwoorden tussen ( ) in de volgende zinnen. Introduis les adverbes entre ( ) dans les phrases suivantes. 1. We hebben een drukke dag. (vandaag) Vandaag hebben we een drukke dag./we hebben vandaag een drukke dag. 2. We gaan boodschappen doen. (eerst) Eerst gaan we boodschappen doen./we gaan eerst boodschappen doen. 3. We brengen tante Hilda een bezoek. (daarna) Daarna brengen we tante Hilda een bezoek./we brengen daarna tante Hilde een bezoek. 4. We moeten grootvader naar het ziekenhuis brengen. (dan) Dan moeten we grootvader naar het ziekenhuis brengen./we moeten dan grootvader naar het ziekenhuis brengen. 5. We moeten onze neefjes aan het station afhalen. (vervolgens) Vervolgens moeten we onze neefjes aan het station afhalen./we moeten vervolgens onze neefjes aan het station afhalen. 6. We moeten in de tuin werken. (vanmiddag) Vanmiddag moeten we in de tuin werken./we moeten vanmiddag in de tuin werken. 7. De buurman zal ons een handje helpen. (misschien) Misschien zal de buurman ons een handje helpen./de buurman zal ons misschien een handje helpen. 8. We moeten een paar flessen fruitsap in de koelkast zetten. (daarom) Daarom moeten we een paar flessen fruitsap in de koelkast zetten./we moeten daarom een paar flessen fruitsap in de koelkast zetten. 9. Mijn vriendin Truus komt bij ons eten. (vanavond) Vanavond komt mijn vriendin Truus bij ons eten./mijn vriendin Truus komt vanavond bij ons eten. 10. Het is negen uur en we hebben nog niets gedaan. (nu) Het is nu negen uur en we hebben nog niets gedaan./het is negen uur nu en we hebben nog niets gedaan.! 5
De lidwoorden Vul in met een lidwoord (indien nodig). Kies uit een, het of de Complète avec un déterminant (si nécessaire). Choisis entre een, het ou de. 1) Hij is een/de professor. 2) Ze drinkt /het water. = pas de déterminant 3) Gisteren hebben we een bezoek gebracht aan tante Lies. 4) Wat een lawaai! 5) Mr Zoetemelk is een/de/ Nederlander. 6) Hij viel als /een held. 7) Neem je zout op je frietjes? 8) Ze moet nieuwe schoenen kopen. 9) De leerlingen komen vroeger van school terug. 10) Ze moet een voorbeeld nemen aan haar broer. Het adjectief Maak de vormen van de adjectieven (indien nodig). Fais les accords de l adjectifs (si nécessaire) 1. mooi Je tekent mooi. 2. mooi Wat een mooi schilderij. 3. hard Mijn vader is een harde werker. 4. hard Het gips wordt al hard. 5. moeilijk Oma ziet moeilijk zonder haar bril. 6. moeilijk Ik vond het een moeilijk boek. 7. grappig Hij is best wel grappig. 8. grappig Dit was een heel grappige film. 9. grijs Er zijn alleen grijze wolken in de lucht. 10. grijs Waarom teken je alles grijs?! 6
Het meervoud Schrijf deze woorden in het meervoud. Écris ce mots dans le pluriel. Huis huizen Panda panda s Geit geiten Auto auto s Goudvis goudvissen Jongen jongens Eend eenden Brief brieven Paard paarden Schildpad schildpadden Tafel tafels Meisje meisjes Zet deze zinnen in het meervoud. Mets les phrases dans le pluriel. 1. s Morgens zingt de vogel in de boom. s Morgens zingen de vogels in de bomen. 2. Die man vertelt een leuk verhaal aan het kind. Die mannen vertellen leuke verhalen aan de kinderen. 3. De dame heeft een gele paraplu meegenomen. De dames hebben gele paraplu s meegenomen. 4. Neem je potlood en schrift mee! Neem jullie potloden en schriften mee! 5. Hij zal die reis met zijn vrouw nooit vergeten. Zij zullen die reizen met hun vrouwen nooit vergeten.! 7
OTT, OVT, VTT Vervoeg de werkwoorden in de OTT. Conjugue les verbes dans le présent. 1. Ik (drinken) drink een glas cola. 2. François (komen) komt uit Bordaux. 3. (lachen) Lacht de kapitein? 4. David (schrijven) schrijft een brief. 5. Waar (wonen) woon je? 6. Je (beginnen) begint met je huiswerk. 7. Mijn moeder (kijken) kijkt naar de plannen van ons nieuwe huis. 8. (houden) Houdt de hond van katten? 9. Wij (zingen) zingen. wat luider. 10.Ik (eten) eet graag chocolade. 11. Hij (geloven) gelooft niet meer in Sinterklaas. 12.Mia (opbellen) belt haar vriendin op. 13.(gaan) Ga je te voet naar school? 14.Hij (zijn) is al 21 jaar oud. 15.Dat meisje (hebben) heeft net haar diploma. 16.Mijn zus (dragen) draagt een bril. 17.(tennissen) Tennis je vaak? 18.Je (reizen) reist veel naar Amerika, nietwaar? 19.Ze (lezen) leest meestal een boek in haar bed. 20.Ik (studeren) studeer dikwijls in de zetel.! 8
Doe hetzelfde, maar nu met scheidbare werkwoorden. Fais la même chose, mais avec des verbes à particule séparable. 1. Hij (schoonmaken) de keuken. Hij maakt de keuken schoon. 2. Ze (oplossen) het probleem zelf. Ze lossen het probleem zelf op. 3. (invullen) jij het formulier? Vul jij het formulier in? 4. Ze (oprollen) de kabels. Ze rolt/zollen de kabels op. 5. Thomas (neerleggen) de boeken op tafel. Thomas legt de boeken op tafel neer. 6. Suzanne (openknippen) de pakjes. Suzanne knipt de pakjes open. 7. Ik (uitnodigen) Jules ook. Ik nodig Jules ook uit. 8. De leerlingen (aanschakelen) de computers. De leerlingen schakelen de computers aan. 9. Ze (uitpraten) hun ruzie. Ze praten hun ruzie uit. 10.(opbellen) je de dokter? Bel je de dokter op?! 9
Zet de werkwoorden in de OVT en schrijf ze rechts op. Mets les verbes dans l imparfait et écris les à droit. 1. De film duurt honderd minuten. duurde 2. Dat dient tot niets. diende 3. Ze hoeven geen antwoord te geven. hoefden 4. Ik zorg voor mijn oude tante. zorgde 5. U draait een verkeerd nummer. draaide 6. Tineke reist elke jaar naar Spanje. reisde 7. Ze zet haar tas op de bank. zette 8. Jullie missen de trein van 7 uur. misten 9. De mensen beven van de kou. beefden 10.Het regent de hele dag. regende 11. Ze fietsen door het platteland. fietsten 12.Het gebeurt in een paar seconden. 13.Ik rook 10 sigaretten per dag. 14.In de lente niest ze de hele dag. 15.Hij volgt avondlessen. 16.Ze gebruikt haar woordenboek niet. 17.Daarna verven ze de muren in groen. 18.Hij slaat hard op de deur. 19.We halen s zondags broodjes bij de bakker. 20.Werk je als informaticus? gebeurde rookte niesde volgde gebruikte verfden sloeg haalden werkte! 10
Kies tussen hebben en zijn en vervoeg. Choisis entre hebben et zijn et conjugue. 1. Delphine heeft een uur gezwommen. 2. Ze is naar de andere kant van de rivier gezwommen. 3. Waarom bent u in dat koude water gesprongen? 4. Wat is er toen gebeurd? 5. Hij is zijn boeken vergeten? 6. Het vliegtuig heeft veel te laag gevlogen. 7. Diezelfde dag is ze naar New York gevlogen. 8. De temperatuur is deze week helemaal niet gestegen. 9. Leen is naar Gent gereden. 10.De drie vrienden hebben samen gereden. 11. Ik ben moe; ik heb zeker een uur gefietst. 12.Waarom ben je niet naar het zwembad gefietst? 13.Lies is vanmorgen te laat opgestaan.! 11
Schrijf de zinnen over in de VTT. Copies les phrases dans le passé composé. 1. Ik luister naar het nieuws van 7 uur. Ik heb naar het nieuws van 7 uur geluisterd. 2. Leg je 100 euro op tafel? Heb je 100 euro op tafel gelegd? 3. Hij bedankt me niet! Hij heeft me niet bedankt. 4. Ze wandelen de hele namiddag in het bos. Ze hebben de hele namiddag in het bos gewandeld. 5. Verhuizen ze naar Amerika? Zijn ze naar Amerika verhuisd? 6. Hij werkt tot 65 jaar in hetzelfde bedrijf. Hij heeft tot 65 jaar in hetzelfde bedrijf gewerkt. 7. Het sneeuwt hard! Het heeft hard gesneeuwd! 8. Hij stelt ons moeilijke vragen. Hij heeft ons moeilijke vragen gesteld. 9. We stappen naar het station. We zijn naar het station gestapt. 10.Ze parkeert haar auto voor de deur. Ze heeft haar auto voor de deur geparkeerd.! 12
Doe hetzelfde, maar nu met scheidbare werkwoorden. Fais la même chose, mais avec des verbes à particule séparable. 1. Hij (schoonmaken) de keuken. Hij heeft de keuken schoongemaakt. 2. Ze (oplossen) het probleem zelf. Ze hebben het probleem zelf opgelost. 3. (invullen) jij het formulier? Heb jij het formulier ingevuld? 4. Ze (oprollen) de kabels. Ze heeft/hebben de kabels opgerold. 5. Thomas (neerleggen) de boeken op tafel. Thomas heeft de boeken op tafel neergelegd. 6. Suzanne (openknippen) de pakjes. Suzanne heeft de pakjes opengeknipt. 7. Ik (uitnodigen) Jules ook. Ik heb Jules ook uitgenodigd. 8. De leerlingen (aanschakelen) de computers. De leerlingen hebben de computers aangeschakeld. 9. Ze (uitpraten) hun ruzie. Ze hebben hun ruzie uitgepraat. 10.(opbellen) je de dokter? Heb je de dokter opgebeld?! 13
Vervoeg de werkwoorden beginnende met be-, ge-, her-, ont-, ver-, er- in de VTT. Conjugue les verbes qui commencent avec be-, ge-, her-, ont-, ver- et er- dans le passé composé. 1. Waarom bedankt hij haar niet? Waarom heeft hij haar niet bedankt? 2. Waarom verwarmt u deze kamer niet? Waarom heeft/hebt u deze kamer niet verwarmt? 3. Wat bedoelt ze daarmee? Wat heeft ze daarmee bedoeld? 4. Hoeveel verdienen jullie per maand? Hoeveel hebben jullie per maand verdiend? 5. Waarmee herstellen ze hun fiets? Waarmee hebben ze hun fiets hersteld? 6. Wanneer ontmoeten we zijn ouders? Wanneer hebben we zijn ouders ontmoet? 7. Wie verwittigt er jullie? Wie heeft er jullie verwittigd? 8. Waarom verhogen ze die muur in de tuin? Waarom hebben ze die muur in de tuin verhoogd? 9. Waar gebeurt het ongeval? Waar is het ongeval gebeurd? 10.Hoeveel erven ze van hun grootouders? Hoeveel hebben ze van hun grootouders geërfd? sources: http://oncyclopedia.net/wiki/stripverhaal http://www.lectrr.be/nl! 14