vanstate /1. Datum uitspraak: 19 maart 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Vergelijkbare documenten
vanstate /1/V3. Datum uitspraak: 29 augustus 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

vanstate /1. Datum uitspraak: 8 februari 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1014

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Raad vanstate /1. Datum uitspraak: 20 mei 2008

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Raad van State /1/V1. Datum uitspraak: 2 november 2009

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

vanstate /1/V1. Datum uitspraak: 18 juli 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Raad vanstate /1. Datum uitspraak: 17 maart 2008

vanstate /1. Datum uitspraak: 1 november 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste (id, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

* vanstate /1/V1. Datum uitspraak: 13 juli 2012

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

vanstate /1/V6. Datum uitspraak: 28 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

ECLI:NL:RBDHA:2016:16922

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Raad vanstatc /1/V1. Datum uitspraak: 28 augustus 2012

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2855

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

Uitspraak /1/A2 en /1/A2

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Raad vanstate /1/V1. Datum uitspraak: 31 mei 2010

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

vanstate /1/V3. Datum uitspraak: 28 juni 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9709

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RBDHA:2014:10175

ECLI:NL:RBDHA:2014:10326

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht) van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RVS:2010:BM8422

Transcriptie:

Raad vanstate 200707871/1. Datum uitspraak: 19 maart 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: mede voor haar minderjarig kind, appellante, tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/28044 en 07/28043 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 12 oktober 2007 in de gedingen tussen: en, mede voor haar minderjarig kind de staatssecretaris van Justitie.

200707871/1 2 19 maart 2008 1. Procesverloop Bij besluit van 10 juli 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van mede voor haar minderjarig kind (hierna: de vreemdeling), om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 12 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Hetgeen in het hoger-beroepschrift is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan. 2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

200707871/1 3 19 maart 2008 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat. w.g. Roemers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Kolk ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008 347-550 Verzonden: 19 maart 2008 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze. directeur Bestuursrechtspraak

Q9-NQv-e007(URIJ).U:H.' RDV. KfiNT SPIJKSTR.fi (FRX)Q5l 583077 P 005/007 - RECHTBANK/s-GRAVENHAGE /vi^eveozhtiripsplaats Zwolle > 'sectorbestuürsrecht : voorzien ing en re enter *' regnr.:-''^ Awb 07/28044 (voorlopige voorziening) Awb 07/28043 (beroep) inzake: v : - UITSPRAAK geboren op mede ten behoeve van haar minderjarige kind, geboren op van Mongolische nationaliteit. IND dossiernummer 0703,27.0163, gemachtigde: mr. W. Spijkstra, advocaat te Drachten, verzoekster; tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE. (Immigratie-en Naturalisatiedienst), te 's-gravenhage, vertegenwoordigd door mr. M. Veld. ambtenaar ten de parte mente, verweerder. 1 Procesverloop 1.1 Op 27 maart 2007'heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 10 juli 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. 1.2 Bijbrief van 10 juli 2007 is daartegen beroep ingesteld. Verzoekster mag de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 10 juli 2007 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. 1.3 Het verzoek is ter zitting van 2 oktober 2007 behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. 2 Overwegingen 2.1 De voorzienïngenrechter stelt vast dat voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoekster In afwachting "van de beslissing op beroep moet worden verboden. 2.2 Op 17 maart 2003 is de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003) in werking getreden. Vo 343/2003 is van toepassing op asielverzoeken die zijn ingediend vanaf 1 september 2003.

09-HOy-eOO7(yRIJ) U=U RD'J KANT SPIJKSÏRR (FRX)0512 583077 P 006/007 regnn Awb 07/28044 (voorlopige voorziening) -2- ', Awb 07/2B043 (beroep) 2.3 Ingevolge artikel 30. aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. 2.4 Oostenrijk heeft op 5 juli 2007 het terugnameverzoek opgrond van artikel 16. eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 15 Vo 343/2003 aanvaard. 2.5 Ter zitting heeft verzoekster aangegeven haar standpunt te laten vallen omtrent de mogelijkheid van haar "dochter "om in Nederland een zelfstandige asielaanvraag te doen omdat zij hier te lande geboren is. 2.6 Artikel 3, tweede lid, Vo 343/2003 geeft verweerder het recht om, in afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, juncto de artikelen 5 tot én met 14, Vo 343/2003 het asielverzoek te behandelen.. 2.7 Verzoekster'voert aan dat haar dochter prematuur is" geboren". Voorts heeft zij. net als verzoekster, syfilis, waarvoor zij minstens een Jaar behandeld moet worden. Verzoekster is van mening'dat verweerder op grond van deze medische problemen het asielverzoek onverplicht aan zich moet trekken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verzoekster in beroep enkele medische stukken overgelegd. 2.8 Verweerder heeft er in het verweerschrift op gewezen dat in de gevallen, waarin een vreemdeling medische omstandigheden ten grondslag legt aan zijn stelling dat Nederland het asielverzoek op grond van artikel 3. tweede lid, Vo 343/2003 dient te behandelen, het gevoerde beleid ertoe strekt dat moet blijken dat de vreemdeling onder specialistische behandeling staat, dan wel déze behoeft, en dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen, dan wel dat medische behandeling niet, dan wel niet afdoende, in het verantwoordelijke Dublinland zal kunnen plaatsvinden. 2.9 De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat verzoekster en haar dochter specialistische behandeling behoeven en dat zij deze momenteel krijgen. Verzoekster heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hun medische toestand een overdracht aan Oostenrijk in de weg staat. Uit de overgelegde medische documenten - welke enkel zien op verzoeksters dochter en niet op haarzelf -: volgt niet dat voldaan wordt aan het onder rechtsoverweging 2.8 voormelde beleid. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat Oostenrijk dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland, zodat de medische problematiek van verzoekster en haar dochter ook aldaar behandeld kan worden. 2.10 Ten aanzien van verzoeksters stelling dat zij in Oostenrijk' mishandeld is door haar echtgenoot en zij daarom niet terug wil keren, overweegt de voorzieningenrechter als volgl In zijn algemeenheid'mag ervan worden uitgegaan dat de lidstaten de verdragsverplichtingen niet eerbiedigen. Het is aan de vreemdeling om op grond, van concrete, op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat dit in dit geva! wat betreft Oostenrijk anders is. Verzoekster is hierin niet geslaagd, nu zij - afgezien van het feit dat bovengenoemd standpunt niet eerder dan in beroep naar voren is gebracht - niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Oostenrijkse autoriteiten de op dat land rustende verdragsverplichtingen jegens haar niet naleven. Verzoekster kan bij voorkomende problemen de bescherming van de (hogere) Oostenrijkse autoriteiten inroepen. Niet is gebleken dat de2e autoriteiten haar niet willen of kunnen beschermen.

Q9-NQV-ZQ07(vRIJ) M:15 ADV KflNÎ SPIJKSÏRfl (FHXÏ0512 583077 P 007/007 regnr: Awb 07/28044 (voorlopige voorziening) -3- Awb 07/28043 (beroep) 2.11 Verzoeksters beroep op Richtlijn 2004/83/EG (hierna: de Definitierichtlön) kan naar het oordeel van de voorzienlngenrechter niet slagen. Immers, de Definitierichtlijn geeft minimumnormen voor de inhoudelijke behandeling van een asielverzoek, terwijl het în de onderhavige procedure (slechts) gaat om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. 2.12 Gelet op het voorgaande dient het verzoek afgewezen te worden. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uilkomst zal leiden, verklaart de voorzienïngenrechter, met toepassing van artikel 8:B6 Awb, tevens het beroep ongegrond. 2.13 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. 3 BESLJSSJNG'. De voorzieriingerirechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; verklaart het beroep, geregistreerd onder Awb 07/28043 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.AA. ter Meèr-Siebers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.S. Smits als griffier op j 2 QJ([ pflfl? ( C^r Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de noord2aak is beslist, kunnen partl]en binnen vier weken na de datum van - verzending van deze uitspraak hogor beroep Instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stale, onoer - 't vermelding vim "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113.2500 BC 's-grgvenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt In dat verband dat het boroepschrift eon of meer grievon tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 Awb (herstel verzuim) Is niet van toepassing. Afschrift verzondon: J "} ni/j onni

09-M0V-2007(VRIJ). U:U. ADV KANT SPIJKSTRA.. (FRXJ05J2 5830.77 P.002/007 RAAD VAN STATE INGEKOMEN ZAAKNfl. A.9 NOV 2007 SPIJRSTRA advocatenkantoor PAR; Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State Zaaknummer: ;.- ;; Appelschrift Inzake: Geboren op, van Mongolische nationaliteit; Appellantw Wonende te aan de, te dezer zake uitdrukkelijk woonplaats kiezende te 9201 GR Drachten aan de Stationsweg 94, ten kantore van Mr. W. Spijkstra, advocaat en procureur ; Advocaat, Mr. W. Spijkstra, kantoorhoudende te (9201 GR) Drachten aan de Stationsweg 94, die hierbij verklaart door appellante bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot indiening van dit appelschrift. Contra: De Staatssecretaris vari Justitie Verweerder. Gemachtigde: Mr. M.Veld, ambtenaar ten departemente. Achtergronden 1. Appellante komt hierbij in hoger beroep van de uitspraak van de rechtbank te Den Haag (zittinghoudende te Zwolle ) van 12 oktober 2007, verzonden op 12 oktober 2007 (prod.1) ontvangen op 13 oktober 2007, in welke zaak de Rechtbank de door haar op 10 juli 2007 ingesteld beroep tegen de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie d.d 10 juli 2007, kenmerk IND 0703.27.0163, ongegrond heeft verklaard. Procedure 2. Appellante heeft op 27 maart 2007 aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel gedaan. Bij beschikking van 10ju!i2007 heeft verweerder

Û9-N0V- 007(VRIJ) 14:14 ADV. KfiNT SPIJKSTRR (FRXÏ0512 583077 P 003/007 SPIJKSTRA advocatenkantoor de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij brief van 10 juli 2007 heeft appellante tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is behandeld ter zitting van 2 oktober 2007. Bij uitspraak van 12 oktober 2007 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 3. Grief : Ten onrechte heeft de Rechtbank Den Haag, zittinghoüdende te Zwolle, op pagina 2, onder,punt 2.7 tot en met 2.9 in haar uitspraak d.d 12 oktober 2007, het volgende overwogen : 2-7 Verzoekster voert aan dat haar dochter prematuur is geboren. Voorts heeft zij, net als verzoekster syfillis,. waarvoor zijn minstens eenjaar behandeld moet worden. Verzoekster is van mening dat verweerder op grond van deze medische problemen het asielverzoek onverplicht aan zich moet trekken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verzoekster in beroep enkele medische stukken overgelegd. 2.8.'l."" Verweerder heeft in het verweerschrift op gewezen dat in de 'gevallen, waarin een vreemdeling medische omstandigheden ten grondslag legt aan zijn stelling dat Nederland het asielverzoek op grond van artikel 3, tweede lid, Vo 343/2003 dient te behandelen, het gevoerde beleid ertoe strekt dat moet blijken dat de vreemdeling onder specialistische behandeling staat, dan wel deze behoeft, en dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen, dan wel de medische behandeling niet, dan wel niet afdoende, in verantwoordelijke Dublinland zal kunnen plaatsvinden. 2.9 De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat verzoekster en haar dochter specialistische behandeling behoeven en dat zij deze momenteel verkrijgen. Verzoekster heeft echter onvoldoende.onderbouwd dat hun medische toestand eén overdracht aan Oostenrijk in de we^ staat Uit de.overgelegde medische documenten-welke enkel, zien op verzoeksters dochter en niet op haarzelfvolgt niet dat voldaan wordt aan het onder rechtsoverweging 2.8 voormelde beleid: De yoorzieningrechter achtjiierbïj van belang dat Oostenrijk dezelfde medische ve rzo rg in gs moge lijkheden heeft als Nederland, zodat de medische problematiek van verzoekster en haar dochter ook aldaar behandeld kan worden." Toelichting. Appellante is van. oordeel dat dé bovengenoemde uitspraak in strijd is met het recht en in het bijzonder met artikel 3, tweede lid, Vo 343/2003. Immers uit de overgelegde stukken blijkt dat de dochter een jaar onder behandeling van de artsen moet blijven. Verweerder en de'.rechtbank.hebben verder niet onderbouwt dat Oostenrijk dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft, met name de

09-NQV-2007(URIJ) H: 14 HD 1 ). KRNT SPIJKSTRfl (FflX)0512 583077 P 00Û/007 SFIJKSTRA advocatenkantoor behandeling van een ex prematuur met congenitale lues. Appellante is dan ook van mening dat haar dochter onder het onder punt 2.8 van de uitspraak genoemde beleid valt en dat appellante ook niet naar Oostenrijk kan worden uitgezet op grond van het beleid dat gezinnen niet gescheiden worden uitgezet Appellante verzoekt Uw afdeling, op grond van bovenstaande grief, de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Zwolle, d.d. 12 oktober 2007 te vernietigen en het beroep van appellante van 10 juli 2007 tegen de beschikking van verweerder d.d 10 juli 2007 alsnog gegrond te verklaren, met veroordeling van verweerder in de kosten in beide instanties. Conclusie Appellante concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Zwolle d.d. 12 oktober 2007, registratienummer AWB 07/2.8043 en gegrond verklaring van de door appellant op 10 juli 2007 ingestelde beroep tegen het beschikking, van de Staatssecretaris van Justitie van 10 juli 2007 strekkende tot.afwijzing van hétverzoeken van appellante d.d. 27 maart 2007 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Drachten, 9 novemb Mr. Vft/fspijkstra