Handleiding. Dit is de handleiding voor het remediërende programma voor de leeszwakke leerling bij het vak Engels. De hulpmiddelen zijn ontwikkeld voor leerlingen die bij de toetsen technisch lezen uitvallen met een D of E score. De volgende onderdelen komen in deze handleiding naar voren: - De ontwikkelde materialen per unit. - De opdrachten. - De voorbereiding voor de leerkracht. - Thematafel. - Werkbladen. Daarna zijn alle ontwikkelde materialen terug te vinden. Bij elke unit worden de spelletjes nog weer kort weergegeven, zodat dit voor de leerkracht handiger is.
De ontwikkelde materialen per unit. De volgende materialen zijn voor de leeszwakke leerlingen ontworpen: - De leeszwakke leerlingen zoeken voor de Engelse les samen de woorden die bij de eerste les van de volgende unit horen. De leerkracht geeft hierbij ondersteuning (preteaching). De eerste 10 woorden die bij één les horen worden voor op het bord gehangen. Na de eerste les worden de woorden van die week daarna al voor op het bord gehangen. De woorden van de vorige les worden achterin de klas opgehangen. De leeszwakke leerlingen moet na elke Engelse les, de dag daarna, de volgende woorden op het bord hangen. Vlak daarvoor hebben zij die woorden gecombineerd. De andere woorden die al geweest zijn bij de unit komen achterin de klas te hangen. De leerkracht zelf zoekt hier een plek voor. - Per week maken de leeszwakke leerlingen 3 spelletjes van de volgende les op de computer. Als lesson 1 gegeven is die week, maken de kinderen op de computer de spelletjes van lesson 2. Alle drie de spelletjes die bij de volgende les horen, maken zij. Dit duurt ongeveer 10 minuten. De kinderen zijn bezig met het voorbereiden op de stof. Bij de opdrachten wordt hier verdere uitleg gegeven. - Per week maken de kinderen een spelletje dat samen gemaakt moet worden. Per les, maken ze één spelletje. Dit wordt ook in de weektaak opgenomen. Voor groep 5/6 gaat het hier om spelletjes met betrekking tot de woorden. Bij groep 7/8 gaat het niet om spelletjes met betrekking tot de woorden, maar over de taalregel die bij de gegeven unit hoort. Al deze spelletjes worden door kinderen in tweetallen gemaakt. De spelletjes die er gekozen zijn, worden verder uitgelegd bij de opdrachten. Ook wordt er extra materiaal ontwikkeld dat eventueel gebruikt kan worden in de klas. Deze onderdelen zijn niet verplicht, maar worden wel ontwikkeld. Zo kun je als leerkracht zelf een keuze maken of jij daar gebruik van gaat maken. Het gaat om de volgende middelen. - De leeszwakke leerlingen die extra moeite hebben met Engels ten opzichte van de andere leeszwakke leerlingen krijgen een mapje met de woorden. Deze kunnen zij op tafel houden en moeten dit regelmatig doorlezen, bijvoorbeeld tijdens het zelfstandig werken. De leerlingen schrijven één keer in de week de woorden van de les over. Dit zijn dus tien woorden. Zij schrijven daarbij het Engelse woord op en de Nederlandse vertaling daarachter. Dit komt in de weektaak en leveren ze in als dat gedaan is. Bij de kinderen van groep 5/6 gaat het om het schrijven van de woorden. Bij groep 7/8 gaat het om het schrijven van de woorden en de zinnetjes. Voor groep 5/6 wordt ook het zinnetjes gedeelte ontwikkeld als extra ondersteuning. Dit wordt alleen ingezet bij de leerlingen die extra moeite hebben met Engels ten opzichte van de andere leeszwakke leerlingen. - Een thematafel. Deze wordt op papier ontwikkeld waarbij duidelijk wordt wat de bedoeling is bij de thematafel. Er is een voorbeeldfoto van een thematafel te vinden. Zo kan de leerkracht nagaan hoe een thematafel ontwikkeld kan worden. Dit wordt ontwikkeld, zodat de leerkracht wat bewegingsruimte heeft mocht hij of zij wat extra s willen doen met Engels.
Belangrijk! Voordat er met een nieuwe unit wordt begonnen, hebben de leeszwakke leerlingen de eerste tien woorden bij elkaar gezocht en op het bord gehangen. Alle leeszwakke leerlingen maken die gezamenlijk en de leerkracht controleert en geeft hulp waar nodig. Daarnaast hebben de leerlingen die week ervoor de drie spelletjes van de vorige les gemaakt. Dit kan gedaan worden tijdens het zelfstandig werken. Opdrachten. De opdrachten die de leeszwakke leerlingen bij het vak Engels moeten maken, zijn er een aantal. Deze heeft u al kort kunnen lezen op de vorige pagina. Hieronder worden de opdrachten weergegeven die bij elke unit naar voren komen. Er is concreet te vinden wat de opdracht voor de leeszwakke leerlingen is. Opdracht 1: het combineren van woordjes met plaatjes. De leeszwakke leerlingen krijgen 10 plaatjes en 10 woorden. Deze liggen door elkaar. De leeszwakke leerlingen zoeken het juiste woord bij het plaatje. Zijn de leerlingen klaar? Dan laten zij dit controleren door de leerkracht. Loopt het niet, of vinden kinderen het te moeilijk? Dan geeft de leerkracht hulp waar dat nodig is. Wanneer: Het maken van deze woorden wordt gedaan de dag nadat de Engelse les is gegeven. Dit kan zijn tijdens de inloop, het zelfstandig werken of om 10 uur. Bij het eerste hoofdstuk om dit uit te proberen kan dat in dit geval niet bij de allereerste les, dus worden de eerste woorden de maandag tijdens de inloop gedaan, als diezelfde dag de eerste les wordt gegeven. Het gevolg daarvan is wel dat de woorden dus maar twee dagen op het bord hangen, omdat de leerlingen de volgende dag 10 woorden gaan opzoeken. Bij de volgende unit is dit geen probleem, aangezien er dan het normale tijdspad kan worden gevolgd. Dan kunnen de woorden van de volgende week opgehangen worden. Wat te doen met de andere woorden?: De andere woorden die nu niet meer voor op het bord hangen, worden achterin de klas opgehangen. Opdracht 2: computeropdracht. In de weektaak is verwerkt dat de leeszwakke leerlingen één keer per week een spelletje moeten doen achter de computer. Bij elke les horen 3 spelletjes. Al deze drie spelletjes worden gedaan. Ze maken dus drie spelletjes per les. Dit betreft de spelletjes van de volgende les. Als de leerlingen dus lesson 1 hebben gehad maken zij vervolgens die week de spelletjes van lesson 2. Dit valt onder pre-teaching. Wanneer: Eén keer in de week op computer. Dit duurt ongeveer 10 minuten. Tip: Zorg voor een vast moment in de weektaak dat de leerlingen deze spelletjes doen. Het klaarzetten van de spelletjes vergt nogal wat tijd. Hieronder een korte instructie voor het klaarzetten van de spelletjes. De instructie om de spelletjes klaar te zetten op de computer: Allereerst om bij de software te komen moet er nogal een omslachtige route gevolgd worden, waarbij er moet worden ingelogd op de leerkracht/account. Hierdoor zouden leerlingen bij informatie over andere leerlingen kunnen komen als ze een verkeerde route nemen. Het is dan ook slim om het scherm al op de juiste pagina voor de leerling neer te zetten. Als leerkracht volgt u het volgende pad. U gaat naar www.takeiteasy.nu, kiest voor
leerkracht en logt in op de software. Vervolgens kiest u het pad van leerling en selecteert u de juiste unit en les voor de leerling. Hierna kan de leerling de juiste spelletjes opstarten na een eenmalige instructie. Onder aan staan een aantal controllertjes. Het aantal verschilt per les. De leerling heeft ongeveer 10 minuten om de spelletjes op de computer te spelen. Het is dan ook verstandig om met een kookwekkertje of een time timer te werken. Omdat dit voor de leerkracht wat tijd kost om klaar te zetten is het verstandig om met de leerlingen een vast moment af te spreken wanneer zij hieraan gaan werken. Dit heeft als positieve bijzaak dat de leerlingen ook nog steun aan elkaar hebben mochten ze ergens niet uit komen. Opdracht 3: gezamenlijke spelletjes. De leerlingen oefenen de geleerde stof van de les nogmaals aan de hand van een spelletje. Per les wordt er één spelletje ontwikkeld. Dit spelen de leerlingen in tweetallen. Per unit wordt er voor groepen 5 en 6 ontwikkeld: flitsen, memory en galgje. Voor de groepen 7 en 8 worden er vier spelletjes ontwikkeld, omdat één unit daarbij vier weken duurt. Deze werkvormen worden eerst uitgelegd. 1. Memory. Neem één set met woordkaartjes en één set met de woorden van de plaatjes. Speel er memory mee. Telkens als je een kaartje omdraait, noem je het Engelse woord. Daarna zoek je het plaatje of het juiste woord daarbij. Ook hierbij zeg je het Engelse woord daarbij. Spreek van te voren even de spelregels af. Mag je wel of niet twee keer als je een paar hebt? Wie heeft de meeste paren? 2. Flitsen! De één neemt de woordkaartjes. Hij houdt een kaartje kort omhoog. Dat heet flitsen. De ander zegt welk woord het is. In English, of course! Alle kaartjes gehad? Draai de rollen om. 3. Galgje! De één neemt de woordkaartjes van de gegeven week. De één kiest een woord uit en zet het aantal stippen op het galgje blad. De ander moet nu raden welk woord er gekozen is. Heb je een letter goed, dan wordt die neergezet op de stipjes. Komt de letter niet voor in het woord, dan wordt hij daarboven op een streepje gezet. Ook streept de ander dan het eerste getal door van het poppetje aan de linkerkant van het vel. Zo ga je door, totdat het woord geraden is of het poppetje hangt. Allebei kiezen jullie 2 woorden. Er wordt dus vier keer galgje gespeeld. 4. Zoek de valse! (voor groep 7 en 8) Zoek de valse. Neem één set met kaartjes waar de zinnetjes op staan. Ieder kaartje heeft een eigen nummer. Op dat kaartje staan de drie zinnetjes. Eén zin is fout. Zoek uit welke de valse is en schrijf dit op het papier die je daarbij hebt gepakt. Als je de zinnetjes leest, doe je dat hardop. Ook vertaal je samen de zin. Op het papier geef je ook aan waarom die zin fout is. Ga zo alle verschillende kaartjes langs en schrijf de valse op. Klaar? Lever het papier in met jullie namen. Er is voor gekozen om vier spelletjes te ontwikkelen. Welke kunt u hier boven lezen. Er wordt per les één spelletje ontwikkeld. Om structuur te creëren zal er voor elke unit een zelfde opbouw zijn in spelletjes. Dit houdt concreet in: - Bij les 1 zal het spelletje flitsen worden ontwikkeld.
- Bij les 2 zal het spelletje memory worden ontwikkeld. - Bij les 3 zal het spelletje galgje worden ontwikkeld. - Bij les 4 zal het spelletje zoek de valse worden ontwikkeld. Deze werkvorm is niet relevant voor groep 5/6 aangezien deze groep maar 3 lessen per unit heeft. Wanneer: Ook hierbij is het slim om samen met de leerlingen een vast moment af te spreken waarbij zij de spelletjes maken. Doordat er elke unit dezelfde spelletjes worden gespeeld is er maar één keer instructie nodig van de leerkracht. Hierna kunnen de leerlingen de spelletjes zonder begeleiding spelen. Zij krijgen ook de opdracht nog kort op een kaartje uitgelegd. Tip: Het is slim om vaste tweetallen te maken. En voor elk tweetal een vaste dag af te spreken dat zij dit spelletje doen. Het liefst verspreid over de week. Zodat de tweetallen elkaar niet storen. Nogmaals: Belangrijk! Voordat er met een nieuwe unit wordt begonnen, hebben de leeszwakke leerlingen de eerste tien woorden bij elkaar gezocht en op het bord gehangen. Alle leeszwakke leerlingen maken die gezamenlijk en de leerkracht controleert en geeft hulp waar nodig. Daarnaast hebben de leerlingen die week ervoor de drie spelletjes van de eerste les gemaakt. Dit kan gedaan worden tijdens het zelfstandig werken.
De voorbereiding voor de leerkracht. Voor de leerkracht zijn er enkele dingen die voorbereid moeten worden, voordat je met dit lesprogramma begint. De leeszwakke leerlingen krijgen enkele oefeningen die op de weektaak van deze kinderen moet komen te staan. Eerst is hieronder te vinden wat er in de weektaak moet worden gezet. Hierboven zijn er al enkele oefeningen gegeven die in de weektaak passen, maar om het duidelijker te maken, volgen hieronder de punten die bij in de weektaak moeten worden gezet: - Een vast moment in de week waarin de leeszwakke leerlingen het spelletje achter de computer maken. Dit kunnen alle leeszwakke leerlingen tegelijk en als er meerdere leerlingen zijn kun je het in twee groepen verdelen. - Een vast moment in de week waarbij de leeszwakke leerlingen in tweetallen een spelletje maken. Elke dag is een ander tweetal aan de beurt. Dit moet dus ook bij op de weektaak komen van de kinderen. De tweetallen worden door de leerkracht bepaald. - De dag nadat de Engelse les is geweest (op dinsdag waarschijnlijk) moeten de kinderen tijdens de inloop, om 10 uur of een ander moment de woorden bij elkaar zoeken. Dit doen alle leeszwakke leerlingen samen. De leerkracht geeft een vast moment aan en kan bij de kinderen in de weektaak staan. Voor de spelletjes galgje en zoek de valse zijn kopieerbladen nodig. Deze kopieerbladen zijn te vinden achter de algemene handleiding. Voor de extra opdrachten, het overschrijven van de woorden, is ook een kopieerblad bijgevoegd.
Thematafel. Bovenaan bij de algemene handleiding, stond weergegeven dat er voor een thematafel gekozen kan worden in de klas. Om een beeld te krijgen hoe een thematafel in zijn werking gaat, is hieronder kort weergegeven wat er met een thematafel gedaan kan worden. Als er voor een thematafel gekozen wordt, is het belangrijk dit voor de eerste les van de volgende unit klaar te maken. De kinderen zien zo de thematafel een langere tijd staan en weten wat het onderwerp zal zijn. Daarnaast komen kinderen al in aanraking met de verschillende Engelse woorden die in de unit naar voren komen. Er is een vrije keuze wat betreft het maken van de thematafel. Dit kan door de leerkracht gedaan worden, maar ook door de leerkracht en leerlingen samen. Als er voor gekozen is de thematafel samen met de leerlingen te maken, is er een optie leerlingen enkele voorwerpen van huis mee te nemen en bij de thematafel te laten leggen. Er zou gekozen kunnen worden om alle voorwerpen te bespreken en het Engelse woord erbij te vinden. Het voordeel hiervan is dat kinderen zelf het voorwerp hebben gekozen thuis. Zij kiezen zelf een voorwerp wat bij het thema past, dus blijft het dichtbij de belevingswereld van de kinderen. Als er voor gekozen is de thematafel als leerkracht zelf te maken, kan er nagedacht worden over de voorwerpen die op de thematafel moeten komen. Dit bedenkt de leerkracht zelf bij de unit. Om na te gaan hoe een thematafel eruit kan komen te zien, is een voorbeeld gemaakt van een thematafel. Hieronder is hij weergeven. Het thema is food. Er zijn voorwerpen en plaatjes te zien met daarbij het Engelse woord op een kaartje.
Werkbladen. Op de volgende pagina s zijn de verschillende werkbladen te vinden. Het eerste werkblad dat te vinden is, is het werkblad voor het spel galgje. Dit werkblad hebben de leerlingen nodig bij het spel. Het tweede werkblad is voor het spel zoek de valse. De leeszwakke leerlingen hebben per spel maar één helft van dit werkblad nodig. Het derde werkblad, valt onder het extra materiaal. Dit blad is nodig voor de leeszwakke leerlingen als zij nog extra moeite hebben. Bij dit werkblad hebben de leerlingen maar één derde nodig van het blad. Het vierde werkblad bevat instructiekaartjes voor de leerlingen. Hiermee kunnen de leerlingen de spelletjes zonder begeleiding spelen. Na de algemene handleiding en de werkbladen, is de unit handleiding weergegeven. Voor elke unit is er een handleiding gemaakt. Bij elke unit handleiding zijn de spelletjes en opdrachten nog weer weergegeven. Daarnaast is er een blad te vinden met de woorden voor het extra materiaal. Deze woorden hebben de leeszwakke leerlingen nodig als zij in vergelijking met de andere leeszwakke leerlingen zwak zijn. Voor het spel zoek de valse is er bij iedere unit handleiding van groep 7/8 een blad gemaakt met de zinnetjes daarop. Dit blad hebben de leeszwakke leerlingen tijdens het spel nodig. Dit is alleen voor groep 7/8 ontwikkeld, omdat zij een week langer doen over één unit.