INTERLINE NEUROLOGIE 2012 mei 2012 Inleiding Dit is het 41 e Zwolse Interlineprogramma, en het tweede Interline programma Neurologie. Het eerste uit 1998 ging alleen over Hoofdpijn en was het allereerste Interlineprogramma. In 2004 is er een Interplus presentatie geweest ondermeer over TIA/CVA met alle neurologen van de Isala Klinieken. In 2011 is er een WDH cursus gepresenteerd over Parkinson met neurologe Mirjam van Kesteren. Dit nieuwe programma gaat over een aantal neurologische werkafspraken die deels ook herzien zijn: Hoofdpijn, TIA/CVA, Parkinson, en de multidisciplinaire werkafspraak Perifere aangezichtsverlamming (was Bellse parese) Deze Interlinecasus is eerder in het KNO programma van 2005 gepresenteerd. De huidige werkgroep bestaat uit: Neurologen: Gosse de Jong Mirjam van Kesteren Huisartsen: Henk van Dijk Tiele Jansen Dirk Branbergen
Casusschets 1 Mw C. Duizend, 76 jaar. Voorgeschiedenis: blanco, geen medicatie. Haar vriendin onderging recent een succesvolle trombolyse na een CVA. Zij maakt zich mede daarom zorgen in alle onderstaande situaties! Situatie 1: Zij belt om 13.30 uur omdat zij sinds vanmorgen 10 uur ineens dubbel ziet. Het was niet aanwezig bij het opstaan. Er zijn geen andere klachten. Vraag 1: Acht u een indicatie voor een spoedverwijzing voor trombolyse aanwezig? 1. Ja 2. Nee Situatie 2: Zij komt maandag op uw spreekuur omdat zij zaterdag haar linker hand niet goed kon bewegen. Het was in de loop van de ochtend ontstaan, heeft een paar uur geduurd, en was s avonds weer weg. Zij is bang een TIA gehad te hebben. Vraag 2: Vindt u dit verdacht voor een TIA? 1. Ja 2. Nee Situatie 3: Mevrouw is onwel geworden in de supermarkt en ineengezakt. De ambulance is erbij geroepen. Bij aankomst is zij inmiddels weer goed aanspreekbaar, T 100/60, verder geen bijzonderheden. De ambulanceverpleegkundige belt u voor overleg. Vraag 3: Welke diagnose acht u het minst waarschijnlijk? 1. TIA 2. Longembolie 3. Syncope 4. Myocard infarct 5. Aneurysma aortae
Situatie 4: Bijna een week geleden kon zij ineens haar rechter arm niet meer bewegen. Na een uurtje was het over. Eerst maakte zij zich daar geen zorgen over, maar haar vriendin wees er gister op dat dit wel een TIA geweest kan zijn. U bent het daar mee eens. Vraag 4: Wat doet u? 1. U verwijst via een fax. 2. U belt de neuroloog voor een afspraak voor haar. 3. Anders. Vraag 5: Schrijft u iets voor? 1. Nee. 2. Ja, acetylsalicyl. Dosis? 3. Ja, iets anders.
Casusschets 2 Heer K, makelaar, 45 jaar is altijd gezond, in de weer, en sportief. Hij heeft wel sinds jaren hoofdpijn in aanvallen, de laatste weken toenemend in ernst en frequentie, nu meerdere dagen per week. Soms wazig zien met name s middags. De laatste weken toont hij geen enkel initiatief meer, hij denkt ook depressief te zijn. Hij is vroeg wakker door de hoofdpijn, heeft weinig eetlust, duizelig en vaak misselijk. Familie: moeder altijd hoofdpijn, echtgenote heeft altijd buikpijn. Vraag 1:Wat denkt u? 1. Waar moet ik beginnen?? 2. Snel jumpen to a conclusion. 3. Een mooie diagnostische puzzel. 4. Duidelijke klant voor de hoofdpijnpoli. 5. Weer zo n stresshaan met een slechte relatie. Vraag 2: Hoeveel alarmbellen herkent u? 1. 1 2. 2. 3. 3. 4. 4. 5. 5. Vraag 3: Doet u lichamelijk onderzoek? 1. Nee. 2. Ja, alleen de tensie. 3. Ja Vraag 4: Wat is uw diagnostische hypothese? Open vraag
Zelfde patiënt, hij meldt nu daarbij schitteringen in het rechter gezichtsveld die zich uitbreiden in 15 minuten en na een uur verdwenen zijn, en daarbij tintelingen en krachtsverlies aan de rechterhand gedurende een paar uur, meestal overdag. Vraag 5: Wat is uw vermoeden? 1. Hemiplegische migraine. 2. Migraine met aura 3. Migraine 4. Anders. Zelfde patiënt als vraag 1, hij belt nu echter huilend om 4 uur s nachts de huisartsenpost vanwege de heftige hoofdpijn. Vraag 6: Wilt u patiënt zien? 1. Ja, hoe is uw verdere hypothese en beleid? 2. Nee, hoe is uw verdere hypothese en beleid?
Casusschets 3 Dhr. Zeldenrust, 80 jaar, heeft 2 jaar terug zijn heup gebroken bij een val in zijn tuin. Na de operatie kreeg hij een delier; de geconsulteerde psychiater dacht dat een al premorbide afgenomen cognitieve flexibiliteit daarbij een rol speelde. Nu ziet u hem omdat hij trager loopt en stijver in zijn spieren is. Hij valt wel eens vaker. Daarnaast heeft hij de laatste tijd obstipatie en klaagt hij over verminderde reuk. U overweegt de ziekte van Parkinson. Vraag 1: Welke klachten passen niet bij de ziekte van Parkinson? 1. Cognitieve dysfunctie 2. Heesheid/veranderde stem, slikproblemen en reukstoornis 3. Slaapproblemen en restless legs 4. Urine-incontinentie en obstipatie 5. Afasie Vraag 2: Wat is uw beleid? 1. U verwijst hem naar de neuroloog 2. Op grond van zijn leeftijd verwijst u niet en start met medicatie 3. Op grond van zijn leeftijd verwijst u niet, maar wacht u nog met medicatie omdat te vroeg starten de werkzaamheid kan doen verminderen na langer gebruik 4. Anders Vraag 3: Hoe kan de diagnose vastgesteld worden? 1. Met een MRI-scan 2. Met lab.onderzoek 3. Op basis van klachten en verschijnselen 4. Anders Een bijzonder verschijnsel dat bij 7% van de Parkinsonpatiënten optreedt is de impulscontrolestoornis.
Uitingen daarvan zijn o.a. hyperseksualiteit, compulsief kopen, vreetbuien of compulsief internetgebruik. Vraag 4: Impulscontrolestoornissen zijn: 1. Een niet-motorisch symptoom bij de ziekte van Parkinson 2. Een gevolg van de dopaminerge medicatie
Casusschets 4 Op spreekuur verschijnt de heer Bosman, 35 jaar, jachtopziener. Hedenochtend bij het in de spiegel kijken om zich te scheren valt hem een scheve mond rechts op. Vraag 1: Wat vraagt u hem? Vraag 2: Waar let u op bij onderzoek? Vraag 3: Verricht u aanvullend onderzoek? Vraag 4: Wat legt u uit? Hoe behandelt u hem? Wat adviseert u?