Lesbrief Levensloop 1 e druk

Vergelijkbare documenten
Lesbrief Levensloop 2 e druk

Lesbrief Jong en Oud 3 e druk

Eindexamen economie pilot havo I

Hoofdstuk 4 Inkomensongelijkheid 4.1. a/b/c.

4.1 Klaar met de opleiding

Samenvatting Economie Hoofdstuk 4

Oefentoets Klas: havo 4

Begrippenlijst Economie Jong en Oud

Eindexamen economie 1-2 vwo 2004-I

Samenvatting Economie Hoofdstuk 19 en 20: Inkomensverdeling en conjuntuur

Samenvatting Economie Levensloop

Begrippenlijst Economie Levensloop H1,H2,H3

Dé arbeidsmarkt bestaat niet. Het bestaat uit een groot aantal deelmarkten die min of meer met elkaar in verbinding staan.

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.

Samenvatting Economie Jong & Oud

Te weinig verschil Verschil tussen de hoogte van uitkeringen en loon is belangrijk. Het moet de moeite waard zijn om te gaan werken.

Inkomstenbelasting. Module 7 hoofdstuk 2

Samenvatting Economie Levensloop Hst. 2/3/4

Het primaire inkomen is de beloning voor het ter beschikking stellen van productiefactoren.

9,6. Samenvatting door N woorden 15 oktober keer beoordeeld. Hoofdstuk 1. Begrippen

1) Wat krijgt een werknemer, een ambtenaar, huisarts, boekenschrijvers, makelaars en soldaten?

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan euro.

Eindexamen economie havo I

Grootverdiener zwaarder belast

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.

4,2. Samenvatting door een scholier 1704 woorden 18 juli keer beoordeeld. Hoofdstuk 1

5.1 Het speelkwartier

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten?

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

De overheid. Uitgaven: uitkeringen en subsidies. De overheid. Ontvangsten: belasting en premies. De grote herverdeler van inkomens

Eindexamen vwo economie I

UIT inkomstenbelasting

Economie Pincode klas 4 VMBO-GT 5 e editie Samenvatting Hoofdstuk 7 De overheid en ons inkomen Exameneenheid: Overheid en bestuur

In de economie is een goed schaars als er een offer of inspanning geleverd moet worden om het te krijgen -> relatieve schaarste

Iedereen betaalt btw. Daarnaast betaalt iedereen die werkt ook loon- of inkomstenbelasting.

Koopkracht in perspectief. In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl

Als je allemaal iets in de pot moet doen, voor bijvoorbeeld een uitje, heb je verschillende manieren om vast te stellen wie wat moet betalen:

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Samenvatting door een scholier 1202 woorden 10 januari keer beoordeeld. Hoofdstuk 4.3 t/m & 4.4 begrippen;

3,3. Opdracht door een scholier 3194 woorden 23 januari keer beoordeeld. Lesbrief Inkomen Economie 1,2. Oefenopgave H1

economie havo 2018-II

Samenvatting Economie Werk hoofstuk 1 t/m 3

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie 1 havo 2005-I

Eindexamen havo economie oud programma I

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

Eindexamen economie vwo II

Vraag Antwoord Scores. indien drie juist 2 indien twee juist 1 indien één of geen juist 0

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd

MODULE A VWO KLAS 3 - Montessori

Vraag Antwoord Scores

Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009

Opgave koppeling ambtenaren particuliere sector

Eindexamen economie 1 vwo I

Eindexamen economie 1-2 vwo I

Mag ik dan nooit meer stoppen met werken?

Jong & Oud ECONOMIE HAVO 4

Eindexamen economie 1 havo 2001-I

Eindexamen economie pilot havo II

1.6 Meer naar rechtsonder. Hoe meer naar rechtsonder, hoe meer vrije tijd.

Vraag Antwoord Scores

6,7. Samenvatting door een scholier 1150 woorden 10 oktober keer beoordeeld. De productiefactoren noemen en hun beloningen onderscheiden.

Eindexamen economie havo I

6,9. Samenvatting door Larissa 659 woorden 18 januari keer beoordeeld. Samenvatting Economie Werk & Inkomen H1. Actieven en inactieven:

6,1. Samenvatting door een scholier 2162 woorden 3 juni keer beoordeeld. De collectieve sector blauwe boekje H1 + H2

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I

Eindexamen economie havo I

Samenvatting Economie Hoofdstuk 23 en 24

Eindexamen economie vwo I

Vraag Antwoord Scores

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Meso-economie De totale productie van een bedrijfskolom kun je vinden door de toegevoegde waarde van afzonderlijke

Vraag Antwoord Scores

Examencursus. economie. Voorbereidende opgaven VWO. Korte redeneervragen BBP. Schoenenwinkels. Participatie

Belasting betalen en Hypotheekrente aftrek. Ontwerp power point; Henk Douna

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

ONDERWERP PRESENTATIE IS EEN STELSELWIJZIGING IN BELANG VAN U ALS DEELNEMER? GENOEMDE ONTWIKKELINGEN / PROBLEMEN OM ONS PENSIOEN STELSEL TE WIJZIGEN

6,6. Samenvatting door een scholier 768 woorden 3 maart keer beoordeeld. Economie in context. Hoofdstuk Bruto- en nettoloon

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II

Netto toegevoegde waarde: loon + huur + rente + winst Bruto toegevoegde waarde: waarde van verkopen waarde van productiebenodigdheden

Eindexamen economie pilot havo II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen havo economie 2013-I

Transcriptie:

Hoofdstuk 1. Kiezen 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 B C D D C B 1.29 a. Mannen werken gemiddeld 26,9 uur. In procenten is dat (26,9/39,6) 100% = 67,9%. Vrouwen werken gemiddeld 12,3 van de 38,9 uur, dat is 12,3/38,9 100% = 31,6%. b. Hier spelen nog tradities mee. Traditioneel doen vrouwen de zorgtaken en huishoudelijk werk. Mannen streven een carrière na en hebben dan minder tijd voor de huishouding en zorg. c. Wie betaalde arbeid verricht, heeft koopkracht en is daarmee minder afhankelijk van anderen. 1.30 a. 20A + 25B = 1.000 b. 20A + 20 25 = 1.000 A = 500/20 = 25 stuks. c. 21A + 24B = 1.040 1.31 a. b. Marieke zal 8 uur werken, omdat ze het meest verdient per uur. Ze verdient dan 8 25 = 200. Tom zal dan 130/20 = 6,5 uur werken. c. Als Marieke X uur per week werkt, gaat Tom 14 X uur werken. De vergelijking luidt: 25X + (14 X) 20 = 330 25X + 280 20X = 330 5X = 50 X = 10. Marieke moet dan 10 uur per dag gaan werken en Tom 14 10 = 4 uur.

1.32 a. Selma Lara bekent ontkent bekent 4;4 6;3 ontkent 3;6 5;5 b. Het evenwicht in dominante strategieën is dat beiden bekennen: de cel (4;4) linksboven. c. Samuel heeft een dominante strategie: bekennen. Dat levert steeds het hoogste cijfer op: 4 > 3 en 6 > 5. Lars heeft geen dominante strategie. Als Samuel bekent is bekennen dominant (4 > 3), maar als Samuel ontkent zal Lars ook ontkennen (6 > 3). Omdat Lars weet dat Samuel zal bekennen, kiest Lars ook voor bekennen, want dan krijgt hij een 4. Als hij zou ontkennen zou hij een 3 krijgen.

Hoofdstuk 2 Jeugd 2.30 2.31 2.32 2.33 2.34 A C D A C 2.35 1. onjuist; 2. juist; 3. onjuist; 4. juist; 5. onjuist; 6. juist; 7. onjuist; 8. juist; 9. juist. 2.36 a. Appie is hoger opgeleid. Appie is productiever. Appie doet zwaarder werk. b. Alternatief 2: dat iedereen een even hoog inkomen heeft. c. De minst verdienende helft krijgt 25% van het totale inkomen. De meest verdienende helft krijgt dan 100 25 = 75%. d. Een willekeurige lorenzcurve tussen de gegeven lorenzcurve A en de diagonaal. e. Curve A. Deze ligt verder van de diagonaal af omdat de inkomensverschillen in verhouding groter zijn geworden.

2.37 a. personen van laag in % van cumulatief naar hoog inkomen de groep % personen inkomen in % van het cumulatief totale inkomen % inkomen Mieke 20% 20% 150 10% 10% Maike 20% 40% 225 15% 25% Elke 20% 60% 300 20% 45% Fleur 20% 80% 375 25% 70% Mariël 20% 100% 450 30% 100% totalen 100% 1.500 100% b. Uitspraak 1 onjuist: de Lorenzcurve zegt niets over de absolute hoogte van de inkomens. Uitspraak 2 juist: hoe verder de kromme verwijderd is van de diagonaal, des te schever de verdeling. Uitspraak 3 onjuist: in de economie spreken we geen waardeoordeel (over rechtvaardigheid) uit. 2.38 a. Een hogere premie. Het morele risico verhoogt het aantal schadegevallen waardoor de premie omhoog moet. b. 1. Beide. Averechtse selectie: goede risico's betalen een lagere premie voor hun gedrag en hebben geen last van het eigen risico. Goede risico's hebben minder aanleiding over te stappen naar een goedkopere verzekeraar. Moreel risico: slechte risico's zullen hun gedrag veranderen omdat ze zich niet ongestraft roekeloos kunnen gedragen. 2. Averechtse selectie. Het zijn goede risico's. Om te voorkomen dat ze overstappen krijgen ze korting.

3. Beide. Averechtse selectie: goede risico's zien hun goede gedrag beloond en zullen minder snel overstappen naar en andere verzekering. Moreel risico: slechte risico's zullen voorzichtiger worden omdat ze anders de no-claim mislopen. 4. Moreel risico: slechte risico's zullen wellicht hun gedrag veranderen, omdat ze anders niets uitgekeerd krijgen.

Hoofdstuk 3 Werk 3.29. 1 en 3 zijn juist. 3.30 3.31 3.32 3.33 3.34 A C C C A 3.35 Geen enkele. 3.36 3.37 D D 3.38 a. (102/104) 100 = 98,08 de koopkracht neemt met 1,92% af. b. (100/103) 100 = 97,09 de koopkracht neemt met 2,91% af. c. (98/95) 100 = 103,16 de koopkracht neemt met 3,16% toe. 3.39 a. bruto inkomen 50.000 aftrekpost: 6% van 200.000 12.000 belastbaar inkomen 38.000 in schijf 1+2 = 14.363 + 10.087 24.450 totale heffing 8.442 in schijf 3 = 38.000 24.450 13.550 heffing = 0,42 13.450 5.691 totaal 14.133 heffingskortingen 1.507 697 2.204 te betalen inkomensheffing 11.929 b. Gemiddelde belastingdruk = (11.929/50.000) 100% = 23,9%. c. Over de bonus betaalt hij het marginale tarief van 42% belasting want de hoogste schijf waarin hij valt, blijft de derde schijf. Het belastbaar inkomen stijgt met 1.000. De heffing stijgt met 0,42 1.000 = 420 en wordt 11.929 + 420 = 12.349. De belastingdruk wordt (12.349/51.000) 100% = 24,2%. d. Progressief. Naarmate het inkomen toeneemt, stijgt de gemiddelde belastingdruk. e. Het is een combinatie. Tot een inkomen van 24.450 is het stelsel proportioneel omdat de gemiddelde premiedruk steeds 17,9% is. Boven 24.550 is het systeem degressief. Het heffingsbedrag neemt niet meer toe terwijl het belastbaar inkomen wel toeneemt. De gemiddelde premiedruk boven een inkomen van 24.550 daalt, dus is er degressie. 3.40 a. Het bruto jaarloon is gestegen met (435/29.000) 100% = 1,5% en dat is een even grote stijging als die van het prijspeil. b. Van het aanbod van arbeid. De werkenden houden netto meer over en er zullen meer huisvrouwen en studenten zich aanbieden op de arbeidsmarkt. c. AOW, AKW, AWBZ, Anw. d. belastbaar inkomen: 29.435 te betalen belasting en premies: schijf 1 16.265 5.433 schijf 2 13.170 (40,35% van 13.170) 5.314 te betalen belastingen en premie volksverzekeringen 10.747 (rij 2) heffingskortingen 5.215 te betalen 5.532 het netto jaarinkomen in jaar 2: 29.435 5.532 = 23.903 (rij 4) e. De stijging van het netto jaarinkomen 23.903 23.623 = 280. De stijging in procenten = 280/23.623 100% = 1,19%. Dit is minder dan de stijging van de prijzen van 1,5%. Dus de koopkracht daalt. f. Door de stijging van het inkomen is het gemiddelde belastingdruk zo sterk toegenomen dat het effect van de hogere heffingskorting meer dan volledig ongedaan is gemaakt.

3.41 a. Gelijk zijn aan de gemiddelde belastingdruk. Bij een volledig proportionele heffing zonder aftrekposten en zonder heffingskortingen is het gemiddelde belastingtarief gelijk aan het tarief over de laatst verdiende euro (in dit geval 35%). b. De angst voor minder belastinginkomsten is onterecht, want bij het huidige Schijvenstelsel krijgt de overheid al veel minder omdat er heffingskorting en aftrekposten zijn. Vooral de hogere inkomens maken bij het Schijventarief gebruik van de aftrekposten (zie de figuur) en profiteren extra vanwege hun hoge marginale tarief. c. Voor het Schijvenstelsel. Met de progressieve tarieven van het schijvenstelsel en de heffingskortingen kan bereikt worden dat de hogere inkomens relatief meer afdragen dan de lagere, hetgeen nivellerend werkt. d. Deciel 4: belastbaar inkomen = 0,86 17.000 = 14.620. Belastingheffing = 0,325 14.620 = 4.751. Gemiddeld belastingtarief = 4.751/17.000 100% = 27,9%. Deciel 10: belastbaar inkomen = 0,75 60.000 = 45.000. belasting = 10.500 + 0,42 (45.000 30.000) = 16.800. Gemiddeld belastingtarief = 16.800/60.000 100% = 28,0%. e. Nivellerend. De vaste heffingskorting van 2.000 is voor de lagere inkomens een relatief groter belastingvoordeel dan voor de hogere inkomens, hetgeen de procentuele inkomensverschillen na belastingheffing verkleint.

Hoofdstuk 4 Gezin 4.19 1. juist; 2. onjuist; 3. onjuist; 4. onjuist; 5. juist; 6. juist; 7. juist; 8. juist. 4.20 a. Afnemen. Dat blijkt uit de zin: 'Het rentepercentage van de lening ligt meestal een aantal jaren vast terwijl het inkomen veelal meestijgt met het gemiddelde prijsniveau.' b. Het nominale rentebedrag blijft gelijk. Bij een toename van het inkomen kan een hoger marginaal belastingpercentage van toepassing worden en daarmee een groter deel van het rentebedrag worden terugontvangen. c. De nominale rente is lager dan de inflatie. d. De waarde van het huis op 1 januari 2011 is 200.000 1,024 3 = 214.748,36. e. Inflatie heeft geen invloed op de hypotheekschuld zodat het verschil tussen de waarde van het huis en de hypotheekschuld (= het vermogen) zal toenemen. 4.21 a. Er worden te weinig nieuwe huizen gebouwd. Tegelijkertijd willen steeds meer mensen een eigen huis kopen. b. Als de hypothecaire financiering goedkoper wordt, kunnen huizenkopers meer lenen bij een zelfde inkomen en dus kunnen ze meer betalen voor een huis. Dat stimuleert de vraag naar (duurdere) huizen, waardoor de gemiddelde prijzen zullen stijgen. c. bedrag van de lening: 1,08 615.000 50.000 = 614.200. rentevoordeel bij uitstel: (0,053 0,044) 614.200 = 5.527,80. d. een half jaar later kan dit specifieke huis al verkocht zijn. een half jaar later is de trend van stijgende huizenprijzen ook van invloed is geweest op de vraagprijs voor dit huis (en deze dus door de makelaar is verhoogd). de wereldreis is duurder uitgevallen dan ze hadden gedacht en daarvoor moeten ze een deel van hun spaargeld aanspreken, waardoor het te lenen bedrag is gestegen. 4.22 a. Nee. Ilse is zowel bij tuin onderhouden als bij schoonmaken meer uren kwijt dan Jeroen. b. opofferingskosten van Ilse Jeroen tuin onderhouden kost 2 schoonmaken kost 2 schoonmaken schoonmaken kost ½ tuin onderhouden kost ½ tuin onderhouden c. Nee, de opofferingskosten van tuin onderhouden zijn voor Ilse en Jeroen gelijk. Dat geldt ook voor schoonmaken. d. Ilse Jeroen totaal tuin onderhouden 2 uur 3 uur 5 uur schoonmaken 2 uur 1 uur 3 uur totaal 4 uur 4 uur 8 uur 4.23 a. Ja. Ahmad is bij alle opgaven/onderwerpen minder tijd kwijt. b. De tijd die Ahmad nodig heeft ten opzichte van Ben is: opdracht 1. 0,75; opdracht 2. 0,95; opdracht 3. 0,8; opdracht 4. 0,67. Ahmads comparatief voordeel is het grootst bij opdracht 4, daarna bij 1 en 3. Maar deze laatste krijgt hij niet af. Voor Ben geldt het omgekeerde. Hij heeft het kleinste comparatieve nadeel dus het grootste comparatieve voordeel bij opgave 2. Hij begint met 2 en gaat verder met 3; deze krijgt hij niet af binnen 50 minuten. Dus 1, 2 en 4 zijn af. c. Voor opgave 2 heeft Ben 42 minuten nodig, dus hij heeft nog 8 minuten aan opgave 3 gewerkt. Voor opgave 3 blijven 25 8 = 17 minuten over. Ahmad kan dit in 17 (20/25) = 13,6 minuten afkrijgen. Hij gebruikte in de les 50 10 30 = 10 minuten. Hij heeft nog 13,6 10 = 3,6 minuten nodig om opgave 3 af te maken.

Hoofdstuk 5 De oude dag 5.11 5.12 5.13 5.14 5.15 5.16 D B D C C C 5.17 a. de mensen jonger dan 65 betalen premie om de 65-plussers een uitkering (AOW) te geven. mensen sparen zelf van hun inkomen en gebruiken de opbrengst vanaf hun 65 e. b. thuiszorg door bejaardenhulpen. gezondheidszorg door artsen en verpleegkundigen in ziekenhuizen. c. geld op een spaarrekening zetten. een eigen huis kopen en dat verkopen als dat financieel nodig is. een beroep doen op zorg door kinderen. 5.18 a. 0,225 (30.000 9.566) = 4.597,65. b. AOW= 18.714 10.706 = 8.008. over 2006 het volgende jaaroverzicht van PGGM: je stopt met werken bedrag flexpensioen ouderdomspensioen inkomen vanaf 65 jaar = pensioen + AOW (2006) op leeftijd tot 65 jaar vanaf 65 jaar 60 jaar 10.706 10.706 18.714 61 jaar 13.707 10.894 10.894 + 8.008 = 18.902 62 jaar 18.720 11.459 11.459 + 8.008 = 19.467 63 jaar 24.658 12.535 12.535 + 8.008 = 20.543 64 jaar 24.658 15.063 15.063 + 8.008 = 23.071 65 jaar geen 17.488 25.496 c. 26.979 1,04 = 28.058. d. Marijke's afweging is: met vervroegd pensioen gaan of doorgaan met werken. Als ze vervroegd met pensioen gaat, krijgt ze meer vrije tijd maar een lager pensioen. Als ze blijft doorwerken, krijgt ze minder vrije tijd en een hoger pensioen. e. Als je eerder met pensioen gaat, moet hetzelfde opgebouwde totaalbedrag over meer jaren worden uitgesmeerd en is het bedrag per jaar dus lager. Als je eerder met pensioen gaat, betaal je minder lang premies waardoor minder pensioen is opgebouwd. 5.19 a. 19 miljard/0,6 10.850.000 = 19 miljard/6.510.000 = 2.918,59. b. (26.000 8.636,36)/ 8.636,36 100% = 201,1%. c. (26.000 3.400.000)/(0,6 11.550.000) = 12.756,13. In 2040 is de uitkering (12.756,13 2.918,59)/ 2.918,59 100% = 337,1% hoger dan in 2000. d. Hoger; bij een welvaartvaste uitkering zouden de AOW- uitkeringen hoger zijn uitgevallen, omdat welvaartsvast hier een stijging van de koopkracht betekent. Een welvaartvaste uitkering ligt dus hoger dan een waardevaste uitkering.

Hoofdstuk 6 6.15 6.16 6.17 6.18 D D C D 6.19 a. omvang in miljoenen personen Ruilen tussen de generaties bevolkingsgroep in % van het totaal cumulatief aandeel bevolkingsgroep primair inkomen in euro's primair inkomen in % primair inkomen cumulatief % jong 4 25 25 0 0 0 oud 3 18,75 43,75 0 0 0 werkgeschikt 9 56,25 100 270 miljard 100 100 totaal 16 100 270 miljard 100 b. bevolkingsgroep in % van het totaal cumulatief aandeel bevolkingsgroep inkomen na herverdeling in euro's inkomen na herverdeling in % inkomen na herverdeling cumulatief % oud 18,75 18,75 36 miljard 1) 13,3 13,3 jong 25,00 43,75 60 miljard 2) 22,2 35,5 werkgeschikt 56,25 100 174 miljard 3) 64,5 100 totaal 100 270 miljard 100 1) 3 miljoen 12.000 = 36 miljard. 2) 4 miljoen 15.000 = 60 miljard. 3) 270 miljard 60 miljard 36 miljard = 174 miljard. c. Na herverdeling is er sprake van inkomensnivellering tussen de generaties. 6.20 a. Door (individuele) premiebetaling is vermogen gevormd voor de financiering van (individuele) uitkeringen in de toekomst. b. Grijze druk in Nederland: 2.154 In 2000: 100% = 21,9%. In 2050: 9.831 3.822 100% = 39,8%. 9.603 De toename in Nederland is 39,8 21,9 = 17,9 procentpunt en dat is lager dan in België (19,9 procentpunt) en Duitsland (25,6 procentpunt). c. De uitkeringen in België kunnen lager zijn waardoor een lager premiepercentage kan volstaan om de benodigde uitkeringen op te brengen. Het inkomen waarover premie wordt betaald (de premiegrondslag of het premie-inkomen) kan in België groter zijn, waardoor een lager premiepercentage kan volstaan om de benodigde uitkeringen op te brengen. 6.21 a. 1/9 = 11,1%. b. 4/9 = 44,4%. c. 0,5 45/70 14 50.000 = 225 miljard.

d/f. (1) (2) (3) 1960 2000 bevolking (x 1 miljoen) 14 16 aantal jongeren (x 1 miljoen) 4 4 ontvangen overdrachten door jongeren (x 1 miljard) 40 40 aantal ouderen (x 1 miljoen) 1 3 ontvangen overdrachten door ouderen (x 1 miljard) 15 45 aantal actieven (x 1 miljoen) 4,5 4,5 totale lasten (x 1 miljard) 55 85 gemiddelde lastendruk voor de actieven 24.4% 37,8% e. 3/9 = 33,3%. g. Toename grijze druk betekent toename lastendruk. h. 9/9 100% = 100% i/k/l. (1) (2) (3) (4) (5) 1960 1970 1990 2030 bevolking (x 1 miljoen) 14 19 19 19 aantal jongeren (x 1 miljoen) 4 9 4 4 inkomensoverdracht naar jongeren (x 1 miljard) 40 90 40 40 aantal ouderen (x 1 miljoen) 1 1 1 6 inkomensoverdracht naar ouderen (x 1 miljard) 15 15 15 90 aantal actieven (x 1 miljoen) 4,5 4,5 7 4,5 nationaal inkomen (x 1 miljard) 225 225 350 225 totale lasten (x 1 miljard) 55 105 55 130 lastendruk actieven 24,4% 46,7% 15,7% 57,8% j. 4/14 100% = 28,6%. m. In dit model profiteren degenen die deel uitmaken van de geboortegolf. In de werkgeschikte leeftijd hebben ze lage lasten omdat er dan relatief weinig jongeren en ouderen zijn. Degenen die de geboortegolf teweegbrengen hebben een aantal jaren hogere lasten omdat er veel jongeren zijn. De generatie na de geboortegolf draagt extra lasten omdat ze een groot aantal ouderen moet onderhouden. n. Het aantal actieven is nu 70% van 9 miljoen = 6,3 miljoen. Het nationaal inkomen stijgt naar 6,3 miljoen 50.000 = 315 miljard. De lasten blijven 130 miljard. De lastendruk daalt naar (130/315) 100% = 41,3%.