De eigen winkel MODULE 7: HET BEDRIJFSPLAN Inhoud: Omzet Kosten - Huisvesting - Personeel - Voorraad - Afschrijving - Verkoopkosten - Rentekosten - Belastingen - Niet fiscale kosten Gewaardeerd loon Gewaardeerd interest Balans Break-even analyse Fiscale winst Opleiding Naam Klas Inleiding 1
Je zit op een ondernemersschool. Ongeacht het product dat je verkoopt, of de dienst die je levert moet je na de opleiding in staat zijn om een eigen winkel of bedrijfje te runnen. Een leerling Modestyling zou zijn/haar eigen kledingzaak kunnen en een leerling Interieuradviseur zijn/haar eigen adviesbureau. Het maakt niet uit. Het bedrijfsplan gaat over jouw bedrijfsvoering. Dus: Hoeveel omzet je maakt, wat de kosten zijn, wat de nettowinst is enz. Omzet is aantal verkochte artikelen x de verkoopprijs. Maar hoe weet je nou wat je normaal gesproken voor omzet haalt in een jaar dat nog moet komen? Je moet hierbij uitgaan van twee dingen de kosten die je terug moet verdienen het loon dat jij minimaal moet verdienen Stel dat je per jaar voor 20.000 bedrijfskosten hebt en 24.000 nodig hebt voor je levensonderhoud, dan moet je een netto-omzet hebben van 44.000 Dat heet Break-even: de omzet die je moet halen om alle uitgaven de dekken. We met de omzet, welke omzet denk jij te kunnen maken. Vervolgens behandelen we de kosten, dan de break-even en dan de winst, want uiteraard draait daar alles om. Met welke kosten krijg je te maken: huisvesting (huur, vaste lasten, hypotheek enz.) personeel (loon, vakantiegeld, sociale premies, reiskosten enz.) vervoer (auto, transport) rente (over geleend geld) afschrijvingen verkoopkosten overige kosten De opdrachten LET OP! ELKE STAP DIENT AFGETEKEND EN/OF BEOORDEELD TE WORDEN DOOR DE DOCENT! DAT KAN D.M.V. EEN CIJFER OF D.M.V. ONVOLDOENDE/GOED 2
Prestatie 1 Potentiële omzet voor een eigen winkel LET OP, ALS JE GEEN WINKEL HEBT EN ALLEEN OMZET HAALT UIT OPDRACHTEN DOE JE PRESTATIE 1.1 ALS JE NAAST EEN ADVIESBUREAU OOK EEN WINKELGEDEELTE HEBT DOE JE BEIDE. Een potentiële omzet is een moeilijk woord voor de omzet die je denkt te halen. Zowel in de woonbranche als in de modebranche hebben ze dat al voor je uitgezocht. Op basis van cijfers die de woon- en modeketens aanleveren, kunnen knappe koppen uitrekenen hoeveel omzet een gemiddelde woonwinkel en modewinkel de komende jaren zullen halen. Dat publiceren ze elk jaar d.m.v. zogenaamde kengetallen. Een kengetal is een omrekengetal. De potentiële omzet wordt berekend middels twee kengetallen: Omzet per m2 verkoopvloeroppervlakte en omzet per FTE Ga naar www.mitex.nl - kies "cijfers en rapporten" - kies " modebranche in detailhandel" of "woonbranche in detailhandel" Je opent nu een rapport. Sla dat rapport op in jouw documenten of op een USB-stick (je hebt het vaker nodig) Scroll in het rapport naar beneden, naar "Omzetkengetallen" en je ziet de omzet per verkoopkracht en per m2 Stel dat elke m2 VVO elk jaar 900,- aan omzet oplevert en jouw winkel heeft een VVO van 100m2, dan is jouw potentiële omzet 900 x 100 = 90.000,- per jaar Een FTE is een volledige baan van 36, 38 of 40 uur (afhankelijk van de CAO in de branche) Stel dat er 4 mensen in jouw winkel/adviesbureau werken (inclusief jezelf) en is als volgt verdeeld: Naam ma di wo do do-av vr za uren FTE (40) A 8 8 4 4 4 4 8 40 1 B 4 8 8 8 4 8 40 1 C 4 4 8 4 4 24 0,6 D 4 8 12 0,3 Totaal 116 2,9 Stel dan dat de omzet per FTE is volgens de branche: 30.000,- (dus elke volledige baan verkoopt voor 30.000,- per jaar) Dan is jouw potentiële omzet: 2,9 x 30.000 = 87.000,- Vervolgens tel je beide bedragen op en deel je ze door 2 (90.000 + 87.000) : 2 = 89.500,- Dat bedrag vul je op jouw exploitatiebegroting in bij "Omzet" 3
Prestatie 2 Huisvestingskosten Bij module 1 "Winkelformule" heb je een pand gevonden. Daarvoor betaal je huur of hypotheek. We gaan ervan uit dat je huur betaalt. Verder zijn er de vaste lasten: gas, licht, water, telefoon/internet, gemeentebelastingen enz. Het kan zijn dat je een deel van een pand gebruikt. Dan moet je een deel van de kosten betalen. Opdracht 1 Onderzoek welke kosten je maakt voor huisvesting. Raadpleeg daarvoor de informatie van de gemeente waar je gevestigd bent, de aanbieders van gas/licht/water en telefoon/internet Verder natuurlijk de huur en eventuele servicekosten. Dan ben je er nog niet. Elk pand heeft onderhoud nodig, ook als je huurt! Als het je eigen pand is moet je geld reserveren voor onderhoud. Denk aan schilderwerk buiten en binnen, loodgieterwerk enz. Als je huurt ben je aansprakelijk voor alle schade die ontstaat door veronachtzaming. Je moet er zelf voor zorgen dat er geen lekkages optreden, of kortsluiting of verlies van waarde van het pand door verwaarlozing. Opdracht 2 Beschrijf gemotiveerd welke kosten je voor onderhoud van het pand moet rekenen. 4
Prestatie 3 Personeelskosten Als je personeel in dienst hebt moet je ze betalen. Niet wat ze in handje krijgen, maar het brutoloon! En hoeveel het is vind je in de CAO voor mode en wonen op de site van Mitex. Kijk goed in welke functieschaal jouw personeel zit. Lekker jong en goedkoop? Is ook minder kennis en service. Wil je dat? Bedenk dat ook jij wel eens ziek kan worden, of op vakantie wil. Zorg er dus voor dat er iemand is die jouw taken kan overnemen! Is dus ook een andere schaal en dus duurder! Geen personeel als je een eigen zaak hebt? Onverantwoord! Je mag geen dag, geen uur en geen minuut uitvallen! Houdt niemand vol. Met brutoloon ben je er nog niet. Je moet ook 8% over het brutoloon aan vakantiegeld betalen. En zo'n 17% over het brutoloon aan sociale premies. Personeel is duur! Verder moet je ze opleiden. Het minste is wel ervoor zorgen dat er iemand met een modewinkel een DETEX-diploma heeft. Zoek bij Detex.nl uit wat de kosten zijn. Voor de woonwinkel: raadpleeg "Woonwerk.nl" Oh ja, in elk bedrijf moet er wettelijk iemand een BHV-certificaat hebben. Wie? en wat kost het? Zoek het uit! Nog een cursus diefstalpreventie? of hoe om te gaan met lastige klanten? of hoe te handelen bij een overval? Misschien zelf een cursus management? En nog ben je er niet. Vergoed je reiskosten? Dragen ze kleding van de zaak? Al deze kosten zijn bedrijfskosten en drukken de winst. Maar niet alle kosten die je voor je personeel maakt zijn bedrijfskosten. Wat denk je van kadootjes, uit eten met het team, een bloemetje of fruitmand. Dat zijn wel kosten, maar niet noodzakelijk om je bedrijf te runnen. Die kosten heten "Niet-fiscale kosten" Want, je mag ze niet voor de belasting opvoeren. Even uitleggen: Je betaalt belasting over de winst. Hoe meer kosten, hoe minder winst en dus hoe minder belasting. Daarom willen ondernemers overal bonnetjes van! Om kosten op te voeren. Maar je mag van de belastingdienst niet de kosten van taart en bloemen opvoeren om zo de winst te drukken. Daarom: niet-fiscale kosten. Fiscus betekent belasting. Opdracht 1 Bepaal voor jouw winkel de brutolonen en tel ze op 2 Bereken het totaal aan vakantiegeld 3 Bereken het totaal aan sociale premies 4 Bereken de kosten voor studie/cursussen en reizen enz. 5 Bereken de niet-fiscale kosten Vul de gevonden cijfers in het exploitatieoverzicht en controleer of ze goed zijn. 5
Prestatie 4 De Balans Voordat we met de kosten van voorraad, van rente of afschrijvingen bezig gaan moeten we eerst weten wat we aanschaffen en hoeveel geld we daarvoor moeten lenen. Daar is een balans een goed hulpmiddeltje voor. Wat is een balans. Een balans is een schemaatje waarop je kan zien hoe je jouw bezittingen betaalt (financiert) Een balans moet in evenwicht zijn. Daarom heet het ook een balans. Aan de ene kant (links) staan jouw bezittingen en aan de andere kant (rechts) jouw schulden. Stel je wil een bedrijfsautootje -kosten 10.000, dan komt links van de balans dit bedrag te staan als de waarde van dat ding, en links het bedrag van de lening. Simpel. Voorbeeld openingsbalans BEZITTINGEN (ACTIVA) SCHULDEN (PASSIVA) Vaste activa Eigen vermogen Pand 300.000 Spaargeld 50.000 Vreemd vermogen lang Hypotheek 250.000 Inventaris 20.000 Lening 20.000 Auto 10.000 Lening 10.000 Vlottende activa Vreemd vermogen kort Voorraad 15.000 Rekening courant 15.000 Te ontvangen BTW 0 Te betalen BTW 0 Banksaldo 5000 Rekening courant 5000 Totale activa 350.000 Totale passiva 350.000 Uitleg: Vaste activa gaat langer dan een jaar mee. Vlottende activa minder dan een jaar Vreemd vermogen is geld dat je leent van een ander. Vreemd vermogen lang is een lening voor meerdere jaren. De rente is vaak niet zo hoog. Vreemd vermogen kort is een lening die je snel kunt aflossen. Een rekening courant bijvoorbeeld is een lopende rekening waar je kortlopende schulden mee betaalt. De rekening van de leverancier van je voorraad bijvoorbeeld. De rente is vaak hoog. Eigen vermogen is geld van jezelf. Toch hoort dat bij schulden, want jouw bedrijfje heeft jouw privé-geld geleend. Opdracht: vul je eigen openingsbalans in. Gebruik daarvoor het Excel -bestandje dat je van de docent hebt gekregen. 6
Prestatie 5 Voorraadkosten De kosten van de voorraad kun je als volgt onderverdelen: R-uimtekosten R-isicokosten R-entekosten Ruimtekosten zijn kosten die je maakt voor de opslag van je goederen. Kosten dus die je in je magazijn maakt. Voor een kledingwinkel en woonwinkel zijn die niet hoog. Je mag uitgaan van 30% van de gas/lichtkosten van wat de verkoopruimte verbruikt. Risico-kosten is derving Derving is verlies van waarde door beschadiging, slijtage, verkleuring of demodage (uit de mode) Je zal een kledingstuk of bank moeten afprijzen, en dat zijn kosten. Er is altijd een bepaald percentage dat onderhevig is aan derving. Dat moet je dus als kosten opvoeren. Rentekosten. Als je voor 20.000,- aan goederen hebt ingekocht, zul je de rekening moeten betalen. Dat doe je via je lopende rekening van de bank. Dat heet een rekening-courant. Als je verkoopt pint de klant het verkoopbedrag weer terug naar je rekening courant. In het begin heb je dus een schuld van 20.000 en aan het eind is de schuld 0. Dus moet je rente berekenen over de helft: 10.000 Met andere woorden: rente over de voorraad bereken je over de gemiddelde voorraad Opdracht 1 Bereken de kosten van gas/licht die je maakt voor je magazijn 2 Maak een schatting van de derving in euro's 3 Berekend de rentekosten over je voorraad. Onderzoek de huidige rente voor een rekening courant. 4 Noteer alle kosten in je exploitatieoverzicht. 7
Prestatie 6 Afschrijvingen Als je een auto koopt voor 10.000,- zul je merken dat hij elk jaar minder waard wordt. Na 5 jaar is je auto nog maar 1000,- waard en wil je een nieuwe kopen. Maar je hebt maar 1000,- van de verkoop van je oude auto. Als je elk jaar 1800,- gespaard had zou je nu weer een auto van 10.000,- kunnen kopen: 5 jaar x 1800 = 9000 + 1000 = 10.000 Dat sparen heet afschrijven. Je spaart als het ware. Elk jaar leg je een bedrag opzij om iets te kunnen vervangen. Hoe bereken je de afschrijving: gewoon, de aanschafprijs - de restwaarde en dat delen door het aantal jaren dat je iets gebruikt. Zoals bij de auto: 10.000-1000 = 9000 en dat delen door 5 = 1800 Elk jaar schrijf je 1800,- af Waar schrijf je op af: - inventaris, - auto - computers - machines Dit zijn "duurzame bedrijfsmiddelen" duurzaam omdat ze langer dan een jaar meegaan. Al deze middelen worden elk jaar minder waard. De "boekwaarde" wordt elk jaar lager. Boekwaarde omdat ze in de boeken elk jaar voor minder geld gewaardeerd worden. Op de balans wordt de waarde dus elk jaar minder. Aan de rechterkant van je balans worden de bedragen achter de duurzame bedrijfsmiddelen dus lager. Maar omdat je spaart en het geld op je bank komt te staan wordt het bedrag aan de rechterkant bij kas/bank hoger. Zo is de balans weer in balans. Opdracht: 1 Bepaal de aanschafwaarden van al jouw duurzame bedrijfsmiddelen en vul die in op je openingsbalans. 2 Bereken de afschrijvingen van elk van je bedrijfsmiddel 3 Teken een eindbalans na 1 jaar na de waardeverminderingen. 4 Vul de bedragen van de afschrijvingen in op je exploitatiebudget. 8
Prestatie 7 Rentekosten Al het geld dat je geleend hebt staat op de balans onder schulden. Over dat geld betaal je rente, omdat je nou eenmaal rente aan een bank moet betalen als je geld leent. Een lening heet ook wel een krediet. Een bank geeft je krediet als je kredietwaardig bent. Je bent kredietwaardig als je alle leningen kunt terug betalen. Mensen die slecht hun lening aflossen of de rente niet betalen heten dubieuze crediteuren. Als je niks meer kunt aflossen en ook je rente niet betaalt kan de bank jou failliet laten verklaren. Dan moet je de zaak sluiten en worden al je spullen door de bank opgeëist en verkocht. Zo kan de bank een deel van zijn geld terug krijgen. Je hebt twee soorten leningen: Een "lange" lening en een "korte lening" Een lange lening is een lening die je voor meerdere jaren aangaat en gebruikt voor de aanschaf van spullen die langer dan een jaar mee gaan. Denk maar aan een auto, je inventaris, computers enz. De rente is laag omdat de bank die spullen in onderpand neemt. Immers; als je de lening van je auto niet aflost of de rente niet betaalt kan de bank jouw autootje vorderen en verkopen. Een korte lening is een lening voor minder dan een jaar. Deze gebruik je voor het betalen van de lopende rekeningen. Het is een soort "rood staan" voor bedrijven. Het is een zakelijke rekening. Deze lening heet "rekening courant" Omdat er geen onderpand tegenover staat is de rente veel hoger dan een lange lening. De rekening van de leverancier wordt hiermee betaalt. Op deze rekeningen komen ook de betalingen die klanten doen via het pinnen. Het geld dat je verdient aan het eind van een dag stort je ook hier op. Zo begin je met een schuld (negatief saldo), en kan je met een tegoed eindigen (positief saldo) De rente wordt dan ook berekend over het gemiddeld kredietbedrag. Stel je staat aan het begin van de maand 20.000,- rood en aan het eind van de maand is alles afgelost. Dan is het gemiddeld krediet 20.000 + 0 = 20.000 gedeeld door twee = 10.000. En omdat dit ongeveer voor elke maand zo is sta je gemiddeld het hele jaar voor 10.000 rood. Als de rente 10% per jaar is, dat betaal je per maand 10% van 10.000 = 1000 gedeeld door 12 = 83,- per maand. Hoe zit het met aflossen. Als je aflost wordt het bedrag van de lening minder. Jouw schuld wordt dus lager. Eigenlijk is het een soort sparen. Als je aflost wordt op de balans de schuld lager maar het bedrag van het eigen vermogen hoger. Kijk maar: stel je hebt een auto gekocht voor 10.000,- De bank heeft jou hiervoor 10.000 geleend. Afgesproken is dat je rente betaalt van 6% per jaar en dat je maandelijks 500,- aflost. Elke maand betaal je aan de bank 6% rente = 10.000 x 0,06 = 600 gedeeld door 12 = 50,- Elke maand los je 500 af. Aan het eind van het jaar heb je nog maar een schuld van 4000,- maar de auto is zeker nog 8000,- waard. Dus neemt je eigen vermogen toe. Aflossingen zijn geen kosten. Ze komen dus niet op jouw exploitatiebegroting voor. 9
Voorbeeld balans begin van het jaar Bezittingen (activa) Schulden (passiva) pand eigen vermogen 0 inventaris 20.000 banklening inventaris 20.000 auto 10.000 banklening auto 10.000 voorraad 10.000 rekening courant voorraad 10.000 rekening courant kas/bank 3.000 kas/bank 3000 totaal activa 43.000 totaal passiva 43.000 Balans eind van het jaar Bezittingen (activa) Schulden (passiva) pand eigen vermogen (aflossing + afschrijving) 8.000 inventaris 20.000 banklening inventaris 20.000 auto (waarde na afschrijving) 8000 banklening auto na aflossing 4.000 voorraad 10.000 rekening courant voorraad 10.000 kas/bank + afschrijving) 5.000 totaal activa 43.000 totaal passiva 43.000 Opdracht 1 bereken de rentekosten over jouw lange bankleningen 2 bereken de rentekosten over jouw korte bankleningen (rekening courant) 3 transponeer deze kosten naar jouw exploitatieoverzicht 4 bepaal hoeveel je wilt aflossen over jouw lange bankleningen 5 teken de balans na een jaar met daarin de veranderingen na aflossingen en afschrijvingen 10
Prestatie 8 Niet-fiscale kosten Over de nettowinst dat een bedrijf maakt moet belasting worden betaald. Als eenmanszaak waarvan jezelf eigenaar bent is dat gewoon inkomstenbelasting. Ook als je een vennootschap bent met een partner betaalt ieder over zijn/haar gedeelte van de uitgekeerde winst inkomstenbelasting. Alleen een BV of NV betalen vennootschapsbelasting. Elke ondernemer wil het liefst zo weinig mogelijk belasting betalen. Wie niet trouwens... Dus moet hij ervoor zorgen dat op papier de winst zo laag mogelijk is. Want de belastinginspecteur heft belasting over de winst. Hoe lager de winst, hoe lager de belasting. Je kan de winst verlagen door de kosten op te voeren. Een ondernemer probeert dat ook alle mogelijke kosten op te voeren. Maar de belastinginspecteur pikt niet alles... Wat is niet aftrekbaar: - geldboetes - dingen voor prive-gebruik - kleding (behalve werkkleding als een overall voor machinisten) - prive-gebruik computer Wat is voor 90% aftrekbaar: - eten en drinken van de bedrijfskantine, zakenlunch, koffie en thee op de zaak - recepties, festiviteiten op de zaak - excursies, studiereizen, bezoek beurzen (ook de reiskosten) Er zijn kosten die het bedrijf maakt voor de zaak, maar die je toch niet mag aftrekken. Dat zijn niet-fiscale kosten Voorbeelden: - bloemetje voor een werknemer of klant - kadootjes - 's avonds met z'n allen uit gaan eten op kosten van de zaak - relatiegeschenken In sommige gevallen kun je de betaalde btw over relatiegeschenken en prive-gebruik van de bedrijfsauto (gedeeltelijk) terug krijgen. Daar gaan we verder niet op in. Regel is dat kosten die eigenlijk niks te maken hebben met je bedrijf niet aftrekbaar zijn. Toch vindt de ondernemer dat wel. Hij gaat echt relatiegeschenken niet uit eigen zak betalen! Dan komen die kosten wel in zijn exploitatie-overzicht (niet fiscale personeelskosten bijv) Dan wordt de winst dus lager. In een apart fiscaal overzicht moet hij alle niet-fiscale kosten weer bij de nettowinst optellen. Daar wordt dan belasting over geheven. 11
De opdracht: 1 Ga na welke niet-fiscale kosten jij denkt te maken voor jouw bedrijf. 2 Zet die kosten in jouw exploitatieoverzicht bij de juiste post. 3 Bepaal de winst voordat er over belasting over geheven kan worden 4 Bepaal de winst nadat er belasting over geheven is 5 Maak een fiscaal overzicht 12
Prestatie 9 Gewaardeerd loon en gewaardeerd interest Bij de post personeelskosten mag je niet jouw eigen loon bijtellen. Jouw loon is immers de winst (of verlies!!!) Zo kan het voorkomen dat jouw medewerker meer verdient dan jij in een bepaalde maand, omdat zij of hij wettelijk recht heeft op -in ieder geval, het minimumloon en jij door een slechte omzet geen cent overhoudt. De meeste ondernemers willen toch graag op hun exploitatieoverzicht hun eigen loon invullen, zodat ze toch een soort vast inkomen hebben. Maar welk loon? Een miljoen? Daarom is het handig jouw baan te vergelijken met mensen die ongeveer hetzelfde doen. Een manager van een bedrijf bijvoorbeeld. Je gaat dan jou eigen baan waarderen Je geeft het een waarde. Het loon dat dan bij je past heet gewaardeerd loon In het exploitatieoverzicht gaat dit van de winst af. Wat die je met de rest van de winst? Voor jou zelf kan er nog iets af: gewaardeerde interest. Interest is een ander woord voor rente. Gewaardeerde interest is een vergoeding voor het geld dat jezelf in de zaak hebt gestoken. De bank die jou geld heeft geleend krijgt daarvoor rente van jou Waarom zou jij geen rente hoeven te krijgen als jij persoonlijk je eigen geld aan het bedrijf hebt geleend? Je eigen geld is op de balans het eigen vermogen. Je mag daar dezelfde rente over bereken die de bank ook vraagt. Dat bedrag is je gewaardeerde interest. Ook dat bedrag gaat van de winst af Wat gebeurt er met de rest van de winst? Dat mag je in je eigen zak steken als vergoeding voor bedrijfsrisico, maar meestal wordt dit opzij gelegd voor nieuwe investeringen. Het geld wordt gereserveerd Opdracht: 1 Bepaal je gewaardeerd loon en vul dit bedrag in op je exploitatieoverzicht 2 Bereken je gewaardeerde interest en vul ook dit bedrag in op je exploitatieoverzicht. 3 Noteer de uiteindelijke winst en beargumenteer wat je er mee gaat doen 4 Bereken uiteindelijk jouw ondernemersinkomen (dus alles wat jij persoonlijk ontvangt) Ontwerpschets 13
Prestatie 10 Verkoopkosten Verkoopkosten zijn kosten die je maakt om de verkoop te bevorderen. Je kunt denken aan: - reklame - promotiekosten - sponsoring - advertenties - website - folders en brochures - beursdeelname - enz. Opdracht: 1 Bepaal je hoeveel geld je kwijt bent aan verkoopkosten en vul dit in op je exploitatieoverzicht. Ontwerpschets 14
Prestatie 11 De break-even analyse Even betekent gelijk. Als de winst gelijk is aan de kosten speel je gelijk. Geen winst, maar ook geen verlies. Meestal begin je als startende ondernemer met een verlies, waarna er een punt komt dat je geen verlies meer hebt, maar ook geen winst (je break-even) om dan verder winst te maken. Het gaat om alle kosten, dus alle exploitatiekosten en de inkoopwaarde. Voorbeeld: Break-even omzet 247.000 Inkoopwaarde - 138.000 Brutowinst = 109.000 Exploitatiekosten - 109.000 Nettowinst = 0 Maar hoe bereken je nou je break-even omzet? Simpel, met de formule: Expoitatiekosten Break-even omzet = X 100 brutowinstpercentage Stel je hebt een omzet van 350.000 De inkoopwaarde is 160.000 en jouw exploitatiekosten zijn 60.000 Dus jouw brutowinst is dan 350.000-160.000 = 190.000 De brutowinstpercentage is dan 190.000 van 350.000 = 54% 64.000 Break-even omzet = X 100 = 118.519 54 Controle: Break-even omzet 118.519 Inkoopwaarde - 54.519 Brutowinst = 64.000 ( 54% van 118.519) Exploitatiekosten - 64.000 Nettowinst = 0 15
Opdracht: 1 Bereken je break-even omzet per jaar 2 Bereken je break-evenomzet per maand, per week en per dag 3 Bepaal de gemiddelde prijs van een van je hoofdartikelen 4 Bereken hoeveel je er per jaar, per maand, per week en per dag van moet verkopen (break-even afzet) 16