Jeugd Verkeerskrant 4 Wat kies je? Een uitgave van Veilig Verkeer Nederland, schooljaar 2016-2017 groep 7/8 Wat kies je? a. Welke keuzes maak jij voordat je gaat deelnemen aan het verkeer? Bedenk er samen zoveel mogelijk en schrijf ze op het bord op. Voorbeelden: Welke kleren je aantrekt / Welk vervoermiddel je gebruikt / Welke route je neemt / Of je je fietsverlichting aandoet / Of je je mobieltje meeneemt in je hand of in je tas / Waar je je bagage laat / Hoe laat je weg moet gaan om op tijd te komen b. Welke risico s loop je als je de verkeerde keuzes maakt? Als je de verkeerde keuzes maakt, kun je bijvoorbeeld vallen, in botsing komen met andere verkeersdeelnemers of te laat op school komen.
Les 1 Wat kies jij? Dit ontdek je: Dat je je fietsgedrag aan de (weers-) omstandigheden kunt en moet aanpassen. Welke veilige keuzes je kunt maken bij verschillende (weers)- omstandigheden. Om kritisch te kijken naar je eigen gedrag om de risico s voor jezelf en die van anderen zoveel mogelijk te beperken. Wat je doet als je een whatsappje krijgt op de fiets. 1 Tekeningen kijken 1 2 a. Kijk naar tekening 1. Noem twee dingen die Daan en Anne kunnen doen om beter op te vallen. Lichte kleren dragen, reflectie op de fiets plaatsen en fietsverlichting aan doen. b. Wat kan er gebeuren als Daan en Anne zo blijven fietsen? Andere verkeersdeelnemers kunnen de kinderen niet zien. Zij zouden met de kinderen in botsing kunnen komen. c. Kijk naar tekening 2. Doen Daan en Anne iets fout? d. Waarom wel of niet? Ze moeten hun fietsverlichting aandoen (en ze kunnen beter lichte kleren dragen). Zo zit dat met je mobieltje op de fiets Bel of whatsapp niet tijdens het fietsen. Stop op een veilige plek en voer daar je telefoongesprek of bekijk je apps. 2 Wat kies je?
Zo zit dat met opvallen Zo zit dat met verlichting op de fiets Opvallen is belangrijk, want als een bestuurder jou niet goed kan zien, kan hij ook niet op tijd voor je stilstaan. Opvallen op de fiets kan met je licht en met reflectie. Opvallen kan ook door kleding. - Felgekleurde kleren vallen goed op. - Lichte kleren vallen in het donker goed op. - Bij mist overdag vallen donkere kleren beter op. Onopvallende kleren kun je opvallend maken door er felgekleurde of reflecterende strepen op te plakken. Ook met een felgekleurde rugtas of een rugtas met reflecterende strepen val je beter op. Doe je verlichting altijd aan: als er mist is; als het regent; als het schemerig is; als het donker is; als de straatverlichting aangaat; als je vermoedt dat anderen je niet goed kunnen zien. 2 Met je mobieltje d. Bel, game of whatsapp jij weleens tijdens het fietsen? e. Waarom wel of niet? a. Wat vind je ervan dat Arvid op de foto aan het whatsappen is? 3 Proefje a. Je klasgenoot gooit een prop papier naar je toe. Lukt het om het te vangen? Eigen antwoord, maar waarschijnlijk ja. b. Waarom vind je dat? b. Tik nu een berichtje op je mobieltje. Je klasgenoot gooit tegelijkertijd weer een prop papier naar je toe. Lukt het nu nog om het te vangen? Eigen antwoord, maar waarschijnlijk nee. c. Waarom kan hij dat beter niet doen? Als hij op zijn mobieltje kijkt terwijl hij fietst, kan hij niet goed op de weg en het verkeer letten. Hierdoor brengt hij zichzelf en anderen in gevaar. c. Hoe komt dit? Doordat je een berichtje aan het typen bent, kun je je minder goed concentreren op iets anders. Je wordt afgeleid. Dat is precies wat er gebeurt als je whatsappt tijdens het fietsen. Wat kies je? 3
4 Wat een weertje 1. Wat doe je als je gaat fietsen terwijl het regent? * Weerbericht Ik trek opvallende kleren aan, zodat iedereen mij goed ziet. Ik doe mijn licht aan op de fiets. Ik ga niet met de fiets, maar gebruik een ander vervoermiddel. Anders, namelijk 2. Het is mistig en jij moet op de fiets naar school. Wat doe je? * Ik ga langzamer fietsen. Ik kijk extra goed uit. Ik neem een andere route. Ik ga eerder weg van huis. Anders, namelijk 4. Hier zie je het weerbericht voor morgen. Welke maatregelen tref je voordat je s ochtends op je fiets stapt? 3. Je hebt net ruzie gehad met je moeder en bent hartstikke boos. Je moet ook nog door de regen naar school fietsen. a. Gedraag je je nu anders in het verkeer dan wanneer je vrolijk zou zijn? Mogelijke antwoorden: fietsverlichting aandoen, opvallende kleren dragen, eerder uit bed gaan (en van huis gaan), een andere route kiezen, kiezen voor een ander vervoermiddel. b. Zo ja, wat doe je anders? Mogelijk antwoord: je denkt nog aan de ruzie en let daardoor minder goed op in het verkeer. c. Welke gevolgen kan dit hebben? Mogelijk antwoord: je bent boos en fietst daardoor sneller. 5 Posterpret Maak op een A4 tje een poster over goed zichtbaar zijn in het verkeer. Maak bijvoorbeeld een tekening, een strip of een collage van knipsels uit tijdschriften. Je mag ook tekst toevoegen. * meerdere antwoorden mogelijk 4 Wat kies je?
6 Campagne voeren Jij weet nu dat het belangrijk is om goed zichtbaar te zijn in het verkeer. Maar nu moet je elke leerling van groep 7 en 8 in Nederland hier nog van overtuigen. Dit kan door campagne te voeren. b. Waarom kies je hiervoor? a. Campagne voeren kan op verschillende manieren. Waar zou jij voor kiezen? Een te gek filmpje op YouTube of Facebook zetten. Een reclamespotje laten zien op televisie. Een reclamespotje laten horen op de radio. Een poster maken om op te hangen in de klas. Een nieuwsbrief versturen per e-mail. Anders, namelijk c. Wat zou je vertellen en/of laten zien in je campagne? d. Waarom zou je dat vertellen en/of laten zien?, daag. Die is van twee jaar geleden! Ik doe die écht niet aan! Je moet opvallen in het verkeer, Yusuf! Het is donker weer, Yusuf. Hier, je stoere regenjack! Mijn imago bij de meiden, mam! hoor, ik houd deze jas aan. Hihi, Yusuf moet ook altijd opvallen., zelfs als hij niet opvalt, haha! Evaluatie les 1 Werk in tweetallen. Vertel de ander in je eigen woorden wat je in deze les hebt geleerd. Vertel er ook bij waarom het belangrijk is dat je dat hebt geleerd. Je hebt een minuut de tijd. De ander luistert goed. Klopt het? Waarom wel/niet? Wat kies je? 5
Les 2 Welk vervoermiddel kies jij? Dit ontdek je: Dat je voorafgaand aan en tijdens deelname aan het verkeer veilige en verantwoorde vervoerskeuzes kunt en moet maken. Welke argumenten er zijn om voor een bepaald vervoermiddel te kiezen. 1 Filmpje kijken Bekijk met z n allen het filmpje en beantwoord klassikaal de vragen: Welk vervoermiddel is het snelst? En welk vervoermiddel is het veiligst? Weetje! Het ziet er misschien grappig uit, maar je fiets versieren met kerstlichtjes of knipperlichtjes mag niet. Een fiets moet een witte voorlamp en een rood achterlicht hebben. 2 Argumenten bedenken Hieronder zie je twee stellingen. De ene helft van de klas gaat werken met de eerste stelling. De andere helft van de klas werkt met de tweede stelling. Beantwoord zelf de vragen hierover. Stelling 1 Je kunt beter lopend naar school gaan dan met de fiets. Stelling 2 Je kunt beter met de fiets naar school gaan dan met de auto. a. Bedenk drie argumenten voor de stelling. Voorbeelden stelling 1: 1 je hebt geen gedoe met fiets stallen, je hebt geen fiets nodig, je kunt geen lekke band krijgen 2 b. Welk argument vind je het belangrijkst? En waarom vind je dat? 3 Voorbeelden stelling 2: er is geen onveilige verkeerschaos door auto s bij school, het is beter voor het milieu, het is gezond, je kunt samen met vriendjes fietsen, je kunt binnendoor-weggetjes nemen, je bent niet afhankelijk van degene die de auto bestuurt 6 Wat kies je?
c. Bedenk drie argumenten tegen de stelling. Voorbeelden stelling 1: d. Welk argument vind je het belangrijkst? En waarom vind je dat? 1 lopend doe je je er (meestal) langer over, lopend moet je je bagage zelf dragen lopend heb je niet standaard verlichting bij je 2 3 Voorbeelden stelling 2: op de fiets zit je niet droog en warm, op de fiets doe je er (meestal) langer, op de fiets gaan kost energie op de fiets doe je er (meestal) langer over, 3 Samen bespreken a. Werk in tweetallen en vertel aan elkaar welke argumenten jullie hebben bedacht. Begin steeds met de zin: Ik ben voor / tegen deze stelling, omdat b. Zijn de argumenten duidelijk voor de ander en voldoen ze aan de eisen? Zo nee, pas ze dan samen aan. Goede argumenten En argument moet aan twee eisen voldoen: Het argument moet kloppen. Het moet dus waar zijn wat je zegt. Het argument moet gaan over het onderwerp van de stelling. c. Kies samen een argument uit. Probeer dit argument minder sterk te maken. Bijvoorbeeld: Je kunt het beste met het vliegtuig naar school gaan. Argument: Als je met het vliegtuig naar school gaat, heb je geen last van files. Minder sterk maken: Maar je moet wel naar het vliegveld rijden, dus je bent alsnog extra tijd kwijt. Voorbeelden Stelling Je kunt het beste met het vliegtuig naar school gaan. Fout argument Met het vliegtuig naar school gaan, kost weinig brandstof. Uitleg Dit argument is niet waar. Het kost juist veel brandstof (kerosine). Fout argument Als je het hier niet mee eens bent, ben je dom. Uitleg Dit argument gaat niet over de stelling, maar over de persoon die het er niet mee eens is. Goed argument Als je met het vliegtuig naar school gaat, heb je geen last van ander verkeer. Wat kies je? 7
4 Debatteren Jullie gaan vervolgens met de hele klas debatteren over de twee stellingen. Hiervoor gebruik je de argumenten uit de vorige opdrachten. Je leerkracht verdeelt de klas in zes groepjes. Hij vertelt of jullie voor of tegen de stelling, of jury zijn. Tips: Luister goed naar de ander. Breng je argumenten duidelijk en overtuigend over. Probeer de argumenten van anderen minder sterk te maken. Voor de jury Ben je jurylid, dan let je goed op hoe het debat gaat: Als het debat is afgelopen vertel je aan de anderen wat je ervan vond. Wat ging er goed en wat ging er minder goed? Welke argumenten vond je goed en welke vond je minder goed? Jullie overleggen samen welk groepje het debat wint. Voor! Tegen! Thuisopdracht Praat met een van je ouders over wat je vandaag hebt geleerd tijdens de verkeersles. Hoe gaat je vader of moeder naar het werk? Vind je dit een goede keuze? En gebruiken ze onderweg whatsapp? Wat vind je daarvan? Discussieer hier samen over. Evaluatie les 2 Schrijf drie dingen op die je deze les hebt geleerd. Welke van de drie vind je het belangrijkste? En waarom? Vertel ook welke keuze je ouder(s) hebben gemaakt en waarom?