Blok Pagina Blok 1 2 tot 10 Blok 2 11 tot 20 Blok 3 21 tot 31 Blok 4 32 tot 40 Blok 5 41 tot 49 Blok 6 50 tot 57 Blok 7 58 tot 65 leerjaar 6 doelenkatern
Voorafgaande toelichting bij doelenkatern, leerjaar 6 leerjaar 6 Beste leerkracht, Voor je ligt de doelenkatern van zwiso voor leerjaar 6. Je vindt in deze bundel een overzicht van alle lesdoelen geordend per blok en per les. Er staat tevens bij of het om een hoofddoel (H) of een nevendoel (N) gaat. In de vier kolommen die volgen staan de verwijzingen naar de respectieve eindtermen, GO-doelen, OVSG-doelen en VVKBaO-doelen. De doelen die cursief staan zijn differentiële doelstellingen. Je vindt deze doelenkatern ook online op www.zwiso.be. Veel succes en plezier met zwiso! Het auteursteam 1
Blok 1 1 1 H Het gemiddelde berekenen (ook met negatieve getallen). 1.17 + 2.4 3.1.02 1.18.13 + 1.18.3 H Het ontbrekende getal zoeken wanneer het gemiddelde, het aantal getallen en op één na alle getallen gegeven zijn. 1.17 + 2.4 3.1.02 1.18.13 + 1.18.3 H De mediaan bepalen (niet voor OVSG en GO). B57b H Gegevens van een staafdiagram lezen. 1.8 WO 1.18.17 G40a H Een staafdiagram tekenen. 1.8 WO 1.18.18 G40b B57a B57a 1 2 H Kommagetallen tot 3 decimalen lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 H Kommagetallen in het positieschema noteren. 1.5 2.1.20 1.3.6 G21 H In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 G21 H Kommagetallen op de getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 1 3 H Op een getallenlijn steunpunten noteren om een gegeven kommagetal te plaatsen. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 H Kommagetallen aanvullen tot het volgende gehele getal. 1.15 2.1.20 + 2.1.23 1.8.4 G24 H Tellen met sprongen van 0,1; 0,01 en 0,001. 1.1 2.1.20 1.1.3 G6 H Kommagetallen rangschikken. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 H Kommagetallen vergelijken en de symbolen >, < en = gebruiken. 1.5 + 1.6 1.1.07 + 2.1.22 1.4.6 + 1.4.7 G22 1 4 H Het resultaat van een optelling en een aftrekking schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36a H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend uitvoeren. H Het resultaat van een bewerking controleren door de uitkomst te vergelijken met de schatting. 1.24 3.1.32 1.20.2 + 1.21.2 + 1.22.2 + 1.23.1 1.16 3.1.29 1.19.4 B36a N Gegevens van een tabel aflezen. 1.8 WO 1.18.13 G40a N Het resultaat van een bewerking controleren door de uitkomst te berekenen met de zakrekenmachine. 1.27 3.1.29 + 3.1.36 1.24.2 B46c B38b + B39b 2
Blok 1 1 5 H Een breuk nemen van een getal tot 10 miljoen. 1.13 1.1.19 1.14.3 B25 H Het geheel bepalen als de gematerialiseerde breuk gegeven is. 1.23 2.1.17 1.14.3 B25 N Het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken toepassen. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO1 1 6 H Het gemiddelde berekenen. 1.17 + 2.4 3.1.02 1.18.13 + 1.18.3 H De mediaan bepalen (niet voor OVSG en GO). B57b H Kommagetallen tot 3 decimalen lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 H Kommagetallen rangschikken. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 H Op een getallenlijn steunpunten noteren om een gegeven kommagetal te plaatsen. B57a 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 H Kommagetallen aanvullen tot het volgende gehele getal. 1.15 2.1.20 + 2.1.23 1.8.4 G24 H Tellen met sprongen van 0,1; 0,01; 0,001; 0,5 en 0,05. 1.1 2.1.20 1.1.3 G6 H Kommagetallen vergelijken en de symbolen >, < en = gebruiken. 1.5 + 1.6 1.1.07 + 2.1.22 1.4.6 + 1.4.7 G22 H Een breuk nemen van een getal tot 10 miljoen. 1.13 1.1.19 1.14.3 B25 H Het geheel bepalen als de gematerialiseerde breuk gegeven is. 1.23 2.1.17 1.14.3 B25 H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.32 1.20.2 + 1.21.2 B38b + B39b 1 7 H Betekenis geven aan getallen tot 10 miljoen. 1.2 2.1.04 + 3.1.05 1.5.5 G21e H Tellen met sprongen van 1, 10, 100, 1000, 10 000 en 100 000. 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 H Getallen tot 10 miljoen lezen en noteren. 1.5 3.1.05 1.2.2 G21e H Getallen tot 10 miljoen in het positieschema noteren. 1.5 2.1.04 1.3.6 G21e H Getallen tot 10 miljoen rangschikken. 1.5 3.1.06 1.4.6 G21e H Getallen tot 10 miljoen splitsen en ontbinden. 1.13 3.1.03 1.11.1 G21e H Ronde getallen groter dan 100 000 noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 2.1.20 1.2.2 G20 H Het symbool ± gebruiken en lezen als ongeveer. 1.15 1.8.5 3
Blok 1 1 8 H Het resultaat van een vermenigvuldiging schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36a H Natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend vermenigvuldigen met een natuurlijk getal < 1000. 1.24 3.1.33 1.22.2 B41b H Het resultaat van een vermenigvuldiging controleren door: - het product te vergelijken met de schatting; 1.16 3.1.29 1.19.4 B46a - de negenproef te maken; 1.27 3.1.29 1.24.2 - het product te berekenen met de zakrekenmachine. 1.27 3.1.29 + 3.1.36 1.24.2 B46c N Rekentaal i.v.m. vermenigvuldigen gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 1 9 H Optellingen en aftrekkingen met kommagetallen tot 1000 maken. 1.23 3.1.32 1.11.1 + 1.12.1 B30 + B31 H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen tot 10 miljoen maken. 1.23 3.1.32 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Rekentaal i.v.m. optellen en aftrekken gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 1 10 H Eigenschappen van vierhoeken onderzoeken en verwoorden. 3.4 2.3.09 + 2.3.10 + 2.3.15 + 2.3.16 + 2.3.19 + 2.3.23 + 2.3.24 + 3.3.06 3.2.2 MK16 H De symbolen en // gebruiken. 3.3 2.3.22 + 2.3.07 3.1.10 MK31 + MK35 H De geodriehoek gebruiken. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK30 + MK34 H Vierhoeken benoemen als trapezium, parallellogram, rechthoek, ruit of vierkant. 3.4 2.3.09 + 2.3.10 + 2.3.15 + 2.3.16 + 2.3.23 + 2.3.24 3.2.2 MK16 + MK19 1 11 H Het resultaat van een deling schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36a H Natuurlijke getallen en kommagetallen (tot 10 miljoen) cijferend delen door een natuurlijk getal < 1000 tot op een t of h nauwkeurig. 1.24 3.1.34 1.23.1 B43b H De waarde van de rest bepalen. 1.24 1.23.3 B44 4
Blok 1 1 12 H Getallen tot 10 miljoen lezen en noteren. 1.5 3.1.05 1.2.2 G21e H Getallen tot 10 miljoen op de getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.04 1.4.6 G21e H Getallen tot 10 miljoen splitsen en ontbinden. 1.13 3.1.03 1.11.1 G21e H Ronde getallen groter dan 100 000 noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 2.1.20 1.2.2 G6 H Tellen met sprongen van 10 000, 100 000 en 1 000 000. 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 H Optellingen en aftrekkingen met kommagetallen tot 1000 maken. 1.23 3.1.32 1.11.1 + 1.12.1 B30 + B31 H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen tot 10 miljoen maken. 1.23 3.1.32 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Het resultaat van een vermenigvuldiging schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36a H Natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend vermenigvuldigen met een natuurlijk getal < 1000. 1.24 3.1.33 1.22.2 B41b H Het resultaat van een vermenigvuldiging controleren door: - het product te vergelijken met de schatting; 1.16 3.1.29 1.19.4 B46a - de negenproef te maken; 1.27 3.1.29 1.24.2 B46b - het product te berekenen met de zakrekenmachine. 1.27 3.1.29 + 3.1.36 1.24.2 B46c H Natuurlijke getallen en kommagetallen (tot 10 miljoen) cijferend delen door een natuurlijk getal < 1000 tot op een t, h of d nauwkeurig. 1.24 3.1.34 1.23.1 B43b H Eigenschappen van vierhoeken onderzoeken en verwoorden. 3.4 3.1.34 3.2.2 MK16 H Vierhoeken benoemen als trapezium, parallellogram, rechthoek, ruit of vierkant. 3.4 2.3.09 + 2.3.10 + 2.3.15 + 2.3.16 + 2.3.23 + 2.3.24 3.2.2 MK16 + MK19 1 13 en 14 H Meetopdrachten i.v.m. lengte, inhoud en gewicht uitvoeren. 2.1 2.2.01 + 2.2.10 + 2.2.14 H Een passend meetinstrument kiezen. 2.1 2.2.01 + 2.2.10 + 2.2.14 2.2.3.1 + 2.2.3.2 MR19 2.2.3.3 MR23 H Het resultaat van een meting op verschillende manieren noteren. 2.1 2.2.01 + 2.2.10 + 2.2.14 2.2.3.3 MR28 H Vraagstukken i.v.m. geld oplossen. 2.11 3.4.02 2.8.8 MR88 H Een strategie gebruiken om meetproblemen op te lossen. 2.1 3.4.03 2.2.3.3 DO1 5
Blok 1 1 15 H Bij lengte, inhoud en gewicht de verschillende maateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 2.2.01 + 2.2.10 + 3.2.10 H Bij lengte, inhoud en gewicht herleidingen uitvoeren. 2.6 + 2.7 3.2.01 + 3.2.09 + 3.2.11 2.2.3.1 MR17 2.2.3.21 MR28 H Vraagstukken oplossen. 2.1 3.4.02 + 3.4.03 2.2.3.1 MR88 1 16 H Ronde getallen tot 10 miljoen vermenigvuldigen, een van de getallen is kleiner dan 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B18 H Een natuurlijk getal vermenigvuldigen met 100 en met 1000. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.4 B19c H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10, het quotiënt is een natuurlijk getal. H Een natuurlijk getal delen door 10, 100 en 1000, het quotiënt is een natuurlijk getal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B22 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B23a + B23c 1 17 H Een kommagetal vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 3.1.33 1.14.1 B32a H Een kommagetal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B33a H Een kommagetal vermenigvuldigen met 10, 100 en 1000. 1.13 3.1.34 1.14.6 B32a H Een kommagetal delen door 10 en 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B33a H Een natuurlijk getal delen door 10, 100 en 1000, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34a H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34a 6
Blok 1 1 18 H Ronde getallen tot 10 miljoen vermenigvuldigen, een van de getallen is kleiner dan 100. H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10, het quotiënt is een natuurlijk getal. H Een natuurlijk getal delen door 10, 100 en 1000, het quotiënt is een natuurlijk getal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B18 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B22 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B23a + B23c H Een kommagetal vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 3.1.33 1.14.1 B32a H Een kommagetal vermenigvuldigen met 10, 100 en 1000. 1.13 2.136 + 3.1.31 1.14.6 B32a H Een kommagetal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 3.1.34 1.15.1 B33a H Een kommagetal delen door 10 en 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B33a H Een natuurlijk getal delen door 10, 100 en 1000, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34a H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34a H Het quotiënt afhankelijk van de context zinvol afronden. 1.13 3.1.31 1.15.1 + 1.23.3 G36 H Bij lengte, inhoud en gewicht de verschillende maateenheden kennen en gebruiken. 1.13 2.1.01 + 2.2.10 + 3.2.10 H Bij lengte, inhoud en gewicht herleidingen uitvoeren. 2.6 + 2.7 3.2.01 + 3.2.09 + 3.2.10 2.2.01 + 2.2.10 + 3.2.10 H Vraagstukken oplossen. 1.29 + 2.1 3.4.02 + 3.4.03 SV 1.1 + 2.2.3.1 MR17 2.2.3.21 MR28 MR88 1 19 H Loodlijnen en evenwijdige rechten tekenen met behulp van een geodriehoek. 3.4 2.3.21 + 2.3.08 3.1.8 MK30 + MK34 H De symbolen en // gebruiken. 3.3 2.3.22 + 2.3.07 3.1.10 MK31 + MK35 H Hoeken meten en tekenen. 2.2 3.2.31 2.7.7 + 2.2.8 MR77 H De eigenschappen van de zijden en de hoeken van vierhoeken kennen. 3.4 3.3.04 3.2.2 MK16 H Vierhoeken tekenen volgens voorschrift. 3.4 3.3.04 3.3.7 MK17 N Vierhoeken de passendste naam geven. 3.4 2.3.09 + 2.3.10 + 2.3.15 + 2.3.16 + 2.3.23 + 2.3.24 3.2.2 MK16 7
Blok 1 1 20 en 21 H Het gemiddelde berekenen. 1.17 + 2.4 3.1.02 1.18.13 + 1.18.3 H De mediaan bepalen (niet voor OVSG en GO). B57b H Het ontbrekende getal zoeken wanneer het gemiddelde, het aantal getallen en op één na alle getallen gegeven zijn. 1.17 + 2.4 3.1.02 1.18.13 + 1.18.3 H In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 1.3.4 G21 H Op een getallenlijn steunpunten noteren om een gegeven kommagetal te plaatsen. B57a B57a 1.5 2.1.20 + 2.1.23 1.4.6 G22 H Kommagetallen aanvullen tot het volgende gehele getal. 1.15 2.1.20 1.8.4 G24 H Kommagetallen rangschikken. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 H Getallen tot 10 miljoen rangschikken. 1.5 3.1.06 1.4.6 G21e H Getallen tot 10 miljoen splitsen en ontbinden. 1.13 3.1.03 1.11.1 G21e H Een breuk nemen van een getal tot 10 miljoen. 1.13 1.1.19 1.14.3 B25 H Het geheel bepalen als de gematerialiseerde breuk gegeven is. 1.23 2.1.17 1.14.3 B25 H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen tot 10 miljoen maken. 1.23 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Ronde getallen tot 10 miljoen vermenigvuldigen, een van de factoren is kleiner dan 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B22 H Een natuurlijk getal vermenigvuldigen met 100 en met 1000. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.4 B19c H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10, het quotiënt is een natuurlijk getal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34a H Een natuurlijk getal delen door 100, het quotiënt is een natuurlijk getal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B23a H Een natuurlijk getal delen door 100 en 1000, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B23a + B23c H Optellingen en aftrekkingen met kommagetallen tot 1000 maken. 1.23 3.1.32 1.11.1 + 1.12.1 B30 + B31 H Een kommagetal vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 3.1.33 1.14.1 B32a H Een kommagetal vermenigvuldigen met 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.4 B32a H Een kommagetal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 3.1.34 1.15.1 B33a H Een kommagetal delen door 10. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B33a H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.32 1.20.2 + 1.21.2 B38b + B39b H Het resultaat van een vermenigvuldiging schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36a H Een kommagetal cijferend vermenigvuldigen met een natuurlijk getal < 1000. 1.24 3.1.33 1.22.2 B25 H Het resultaat van een vermenigvuldiging controleren door de negenproef te maken. 1.27 3.1.29 1.24.2 H Het resultaat van een deling schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36a 8
Blok 1 1 20 en 21 H Kommagetallen cijferend delen door een natuurlijk getal < 1000 tot op een h nauwkeurig. 1.24 3.1.34 1.23.1 B43b H De waarde van de rest bepalen. 1.24 1.23.3 B44 H Bij lengte, inhoud en gewicht de verschillende maateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 2.2.01 + 2.2.10 + 3.2.10 H Bij lengte, inhoud en gewicht herleidingen uitvoeren. 2.6 + 2.7 3.2.01 + 3.2.09 + 3.2.11 H Vraagstukken oplossen. 1.29 + 2.1 3.4.02 + 3.4.03 SV 1.1 + 2.2.3.1 2.2.3.1 MR17 2.2.3.21 MR28 H Eigenschappen van vierhoeken onderzoeken. 3.4 3.3.04 3.2.2 MK16 H Vierhoeken de passendste naam geven. 3.4 2.3.09 + 2.3.10 + 2.3.15 + 2.3.16 + 2.3.23 + 2.3.24 MR88 3.2.2 MK16 H Vierhoeken tekenen volgens voorschrift. 3.4 3.3.04 3.3.7 MK17 1 22 H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen tot 10 miljoen maken. 1.23 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Optellingen en aftrekkingen met kommagetallen tot 1000 maken. 1.23 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B30 + B31 H Rekentaal i.v.m. optellen en aftrekken gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 H Ronde getallen tot 10 miljoen vermenigvuldigen, een van de factoren is kleiner dan 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B22 H Een natuurlijk getal vermenigvuldigen met 100 en met 1000. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.4 B19c H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10, het quotiënt is een natuurlijk getal. H Een natuurlijk getal delen door 10, 100 en 1000, het quotiënt is een natuurlijk getal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34a 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B23a + B23c H Een kommagetal vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B32a H Kommagetallen delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B33a H Een kommagetal vermenigvuldigen met 10, 100 en 1000. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.4 B32a H Een kommagetal delen door 10 en 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B33a H Een natuurlijk getal delen door 10, 100 en 1000, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34a 9
Blok 1 1 23 H Bij lengte, inhoud en gewicht de verschillende maateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 2.2.01 + 2.2.10 + 3.2.10 H Bij lengte, inhoud en gewicht herleidingen uitvoeren. 2.6 + 2.7 3.2.01 + 3.2.09 + 3.2.11 H Vraagstukken oplossen. 1.29 + 2.1 3.4.02 + 3.4.03 SV 1.1 + 2.2.3.1 2.2.3.1 MR17 2.2.3.21 MR28 MR88 1 24 H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen tot 10 miljoen maken. 1.23 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Ronde getallen tot 10 miljoen vermenigvuldigen, een van de factoren is kleiner dan 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B33a H Een natuurlijk getal vermenigvuldigen met 100 en met 1000. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.4 B19c H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10, het quotiënt is een natuurlijk getal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34a H Een natuurlijk getal delen door 100, het quotiënt is een natuurlijk getal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B23a H Een natuurlijk getal delen door 100 en 1000, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B23a + B23c H Optellingen en aftrekkingen met kommagetallen tot 1000 maken. 1.23 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B30 + B31 H Een kommagetal vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B32a H Een kommagetal vermenigvuldigen met 100. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.4 B32a H Een kommagetal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B33a H Een kommagetal delen door 10. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B33a H Bij lengte, inhoud en gewicht de verschillende maateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 2.2.01 + 2.2.10 + 3.2.10 H Bij lengte, inhoud en gewicht herleidingen uitvoeren. 2.6 + 2.7 3.2.01 + 3.2.09 + 3.2.11 H Vraagstukken oplossen. 1.29 + 2.1 3.4.02 + 3.4.03 SV 1.1 + 2.2.3.1 2.2.3.1 MR17 2.2.3.21 MR28 MR88 10
Blok 2 2 1 H Het begrip procent hanteren en het symbool % lezen en noteren. 1.6 3.1.27 1.2.9 G26 H De gelijkwaardigheid tussen percentages en breuken vaststellen. 1.18 3.1.23 + 3.1.24 1.4.14 G27 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen gebruiken. 1.18 3.1.23 + 3.1.24 1.4.14 G27 2 2 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn m.b.v. de procentstrook. H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn m.b.v. de procentstrook. H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn m.b.v. de procentstrook. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO1 2 3 H De oppervlaktemaateenheden cm², dm², m² en km² kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.13 2.2.3.1 MR37 H Bij herleidingen de relatie tussen maatgetal en maateenheid verwoorden. 2.6 + 2.7 3.2.14 2.2.3.21 MR27 H Herleidingen maken. 2.6 + 2.7 3.2.14 2.2.3.21 MR28 H Betekenis geven aan een oppervlaktemaat waarvan het maatgetal een kommagetal is. 2.1 + 2.2 3.2.14 2.2.3.1 MR28 H Een maat uitgedrukt in verschillende maateenheden noteren als kommagetal. 2.6 + 2.7 3.2.14 2.2.3.21 MR28 N De referentiematen voor oppervlaktematen gebruiken. 2.3 3.2.13 2.2.3.18 MR18 2 4 H Gelijknamige breuken vergelijken. 1.5 3.1.18 1.4.10 G16 H Breuken met gelijke tellers vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.10 G16 H Ongelijknamige breuken vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.10 G16 H Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16 H Breuken herstructureren. 1.22 1.4.13 G18 11
Blok 2 2 5 H Driehoeken volgens de soorten hoeken indelen en benoemen. 3.4 2.3.30 3.2.1 MK22 H Driehoeken volgens de eigenschappen van de zijden indelen en benoemen. 3.4 2.3.25 + 2.3.26 + 2.3.28 3.2.1 MK22 H Vaststellen dat een gelijkzijdige driehoek steeds scherphoekig is. 3.4 3.3.07 3.2.1 MK20 H Vaststellen dat een gelijkbenige driehoek recht-, scherp- of stomphoekig kan zijn. 3.4 3.3.07 3.2.1 MK20 H Vaststellen dat een ongelijkbenige/ongelijkzijdige driehoek recht-, scherp- of stomphoekig kan zijn. 3.4 3.3.07 3.2.1 MK20 H Vaststellen dat de som van de hoeken van een driehoek altijd gelijk is aan 180. 3.4 3.3.02 3.2.1 MK20 N Hoeken meten met een geodriehoek. 2.2 3.2.31 2.7.7 MR77 2 6 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen gebruiken. 1.18 3.1.23 + 3.1.24 1.4.14 G27 H Gelijknamige breuken vergelijken. 1.5 3.1.18 1.4.10 G16 H Breuken met gelijke tellers vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.10 G16 H Ongelijknamige breuken vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.10 G16 H Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16c H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn m.b.v. de procentstrook. H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn m.b.v. de procentstrook. H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn m.b.v. de procentstrook. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Met gekende maateenheden herleidingen maken. 2.1 + 2.2 3.2.14 2.2.3.1 MR28 H De oppervlaktemaateenheden cm², dm², m² en km² gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.13 2.2.3.1 MR37 H Hoeken meten met een geodriehoek. 2.2 3.2.31 2.7.7 MR77 H Driehoeken volgens de soorten hoeken benoemen. 3.4 2.3.30 3.2.1 MK20 t.e.m. MK22 H Driehoeken volgens de eigenschappen van de zijden benoemen. 3.4 2.3.25. + 2.3.26 + 2.3.28 3.2.1 MK20 H Weten dat de som van de hoeken van een driehoek altijd gelijk is aan 180. 3.4 3.3.02 3.2.1 MK20 12
Blok 2 2 7 H Betekenis geven aan getallen tot 1 miljard. 1.2 3.1.05 1.5.5 G11f H Getallen tot 1 miljard lezen en noteren. 1.5 3.1.05 1.2.2 G11f H Getallen tot 1 miljard op de getallenlijn plaatsen. 1.5 3.1.06 1.4.6 G12 H Getallen tot 1 miljard rangschikken. 1.5 3.1.06 1.4.6 G12 H Ronde getallen tot 1 miljard noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 2.1.04 + 3.1.05 1.2.2 G20 H De waarde van elk cijfer in getallen tot 1 miljard bepalen. 1.5 2.1.04 1.3.4 G10 2 8 en 9 H Vraagstukken over lengte, inhoud, gewicht en geld oplossen. 1.29 3.4.02 + 3.4.03 SV 1.1 MR88 2 10 H Weten dat een seconde in tien delen wordt verdeeld. 2.12 2.4.18 MR68d H Tijdsduur tot op een duizendste van een seconde nauwkeurig lezen. 2.3 2.4.17 MR69 H Tijdsduur op verschillende manieren noteren. 2.2 3.2.28 2.4.16 MR69 H Tijdsduur berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70 2 11 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn m.b.v. de verhoudingstabel. H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn m.b.v. de verhoudingstabel. H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn m.b.v. de verhoudingstabel. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO1 N De gelijkwaardigheid tussen breuken en percentages gebruiken. 1.18 3.1.23 + 3.1.24 1.4.14 G27 13
Blok 2 2 12 H Getallen tot 1 miljard lezen en noteren. 1.5 3.1.05 1.2.2 G11f H Getallen tot 1 miljard op de getallenlijn plaatsen. 1.5 3.1.06 1.4.6 G12 H Getallen tot 1 miljard rangschikken. 1.5 3.1.06 1.4.6 G12 H Ronde getallen tot 1 miljard noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 2.1.04 + 3.1.05 1.2.2 G20 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Vraagstukken over geld oplossen. 2.11 3.4.02 + 3.4.03 2.8.8 MR88 H Een tijdstip weergeven op een analoge klok of op een digitale klok. 2.2 3.2.28 2.4.12 + 2.4.13 MR69 H Tijdsduur tot op een honderdste van een seconde nauwkeurig lezen. 2.3 2.4.17 MR69 H Tijdsduur op verschillende manieren noteren. 2.2 3.2.28 2.4.16 MR69 H Tijdsduur berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70 2 13 H Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 1 miljard maken. 1.13 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan een van de factoren kleiner is dan 10 maken. H Delingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan de deler bestaat uit één cijfer maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B18 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B22 N Rekentaal i.v.m. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 2 14 H In een driehoek bij een basis de bijbehorende hoogte tekenen. 3.4 3.3.03 3.1.8 MK11a + MK34c H Vaststellen dat de drie hoogten van een driehoek elkaar snijden in één punt. 3.2 3.2.1 H Driehoeken construeren die aan gegeven voorwaarden voldoen. 3.4 3.3.09 3.3.7 MK21 N Driehoeken de passendste naam geven. 3.4 2.3.30 3.2.1 MK20 14
Blok 2 2 15 H Van staafdiagrammen, lijngrafieken, cirkeldiagrammen en beelddiagrammen gegevens aflezen en daarmee eenvoudige bewerkingen uitvoeren. 1.8 WO 1.18.6 + 1.18.17 + 1.18.22 + 1.18.27 H Grafieken interpreteren. 1.8 WO 1.18.9 + 1.18.25 H Gegevens van een tabel omzetten in een grafiek of diagram en omgekeerd. 1.8 WO 1.18.17 + 1.18.23 + 1.18.28 H Een legende lezen. 1.8 WO 1.18.6 + 1.18.17 + 1.18.22 + 1.18.27 N Het gemiddelde berekenen. 1.17 + 2.4 3.1.02 1.18.13 + 1.18.3 MR22 + G40 G40 MR82 + MR83 MR28 B57a 2 16 H De oppervlakte van een rechthoek, parallellogram en driehoek bepalen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 H In parallellogrammen en driehoeken een basis en de corresponderende hoogte aangeven. N Ervaren en inzien dat figuren met dezelfde oppervlakte een verschillende vorm kunnen hebben. 2.2.3.9 + 2.2.3.10 2.9 3.2.18 + 3.3.03 2.2.3.9 + 2.2.3.10 MR12 + MR43 + MR44 MK11a 2.6 2.2.16 2.2.3.23 MR39 2 17 H Bij vermenigvuldigen vaststellen en toepassen dat het product gelijk blijft als een van de factoren vermenigvuldigd wordt met en de andere gedeeld wordt door hetzelfde getal. H Bij vermenigvuldigen vaststellen en toepassen dat als één of beide factoren met een getal vermenigvuldigd of door een getal gedeeld word(t)(en), het product evenredig verandert. H Bij delingen vaststellen en toepassen dat het quotiënt gelijk blijft als deeltal en deler met hetzelfde getal vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. H Bij delingen vaststellen en toepassen dat als de deler gelijk blijft en het deeltal met een getal vermenigvuldigd of door een getal gedeeld wordt, het quotiënt evenredig verandert. 1.14 3.1.28 1.14.7 B7c 1.14 3.1.28 1.14.7 B7c 1.24 2.1.35 1.23.2 B7d 1.24 2.1.35 1.23.2 B7d 15
Blok 2 2 18 H Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 1 miljard maken. 1.13 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan een van de factoren kleiner is dan 10 maken. H Delingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan de deler bestaat uit één cijfer maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B18 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B22 H Rekentaal i.v.m. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 H De oppervlakte van een rechthoek, parallellogram, trapezium en driehoek bepalen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.9 + 2.2.3.10 H Lengten waarvan de maatgetallen breuken of kommagetallen zijn, samenstellen. 1.4 + 2.1 3.1.22 MR86 H Veelhoeken de passendste naam geven. 3.2 1.3.15 3.1.11 MK24 MR12 + MR43 t.e.m. MR45 H In een driehoek de drie verschillende hoogten tekenen. 3.4 3.3.03 3.1.8 MK11a + MK34c H Driehoeken construeren die aan gegeven voorwaarden voldoen. 3.4 3.3.09 3.3.7 MK21 2 19 H Breuken gelijknamig maken. 1.22 3.1.20 1.4.13 G17 H Breuken optellen en aftrekken. 1.23 3.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B26 + B27 H Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16c H Een breuk en een kommagetal optellen/aftrekken en omgekeerd. 1.23 3.1.40 1.11.1 + 1.12.1 G23 N Van een breuk gelijkwaardige breuken noteren. 1.22 3.1.18 1.4.13 G16d N Breuken herstructureren. 1.22 1.4.13 G18 2 20 H Het verband onderzoeken tussen de (horizontaal) afgelegde weg van het rijdend voorwerp en het materiaal van de ondergrond (de baan). H Het verband onderzoeken tussen de afgelegde weg van het rijdend voorwerp en de helling (grootte van de hoek) van de baan. 2.1 2.2.3.1 MR89c 2.1 2.2.3.1 MR89c H De resultaten van metingen voorstellen in een staafdiagram. 1.8 WO 1.18.18 MR83 H Lengtemetingen en -berekeningen uitvoeren tot op 1 cm nauwkeurig. 2.1 2.2.01 2.2.3.1 MR23 H Tijdsduur tot op 0,01 seconde nauwkeurig bepalen. 2.12 2.4.21 MR70 H De snelheid berekenen in m/sec. en omzetten naar km/uur. 2.3 3.2.35 2.5.9 MR28 16
Blok 2 2 21 H Een natuurlijk getal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34b H Een kommagetal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B33b H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34b H Een kommagetal vermenigvuldigen met een kommagetal. 1.13 3.1.33 1.14.1 B32b H Vaststellen dat vermenigvuldigen met 0,1/0,01 hetzelfde is als delen door 10/100. 1.23 1.14.1 B8b N Operaties op factoren uitvoeren bij delen en vermenigvuldigen. 1.24 3.4.02 1.14.7 + 1.23.2 B7c + B7d 2 22 H De oppervlakte van een ruit bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.9 + 2.2.3.10 H De omtrek en de oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 2.2.08 2.2.3.4 + 2.2.3.10 MR45a MR33 + MR45 2 23 H Een breuk vermenigvuldigen met een natuurlijk getal. 1.13 3.1.41 1.14.1 B28a H Een natuurlijk getal vermenigvuldigen met een breuk. 1.13 3.1.41 1.14.1 B28a H Een breuk delen door een natuurlijk getal. 1.13 3.1.43 1.15.1 B29a 2 24 H Breuken gelijknamig maken. 1.22 3.1.20 1.4.13 G17 H Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16c H Een kommagetal vermenigvuldigen met een kommagetal. 1.13 3.1.33 1.14.1 B32b H Een natuurlijk getal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34b H Een kommagetal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B33b H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34b H Operaties op factoren uitvoeren bij delen en vermenigvuldigen. 1.24 3.4.01 1.14.7 + 1.23.2 B7c + B7d H Breuken optellen en aftrekken. 1.23 3.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B26 + B27 H Een breuk vermenigvuldigen met een natuurlijk getal. 1.13 3.1.41 1.14.1 B28a H Een natuurlijk getal vermenigvuldigen met een breuk. 1.13 3.1.41 1.14.1 B28a H Een breuk delen door een natuurlijk getal. 1.13 3.1.43 1.15.1 B29a H De omtrek en de oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 2.2.08 2.2.3.4 + 2.2.3.10 MR33 + MR45 17
Blok 2 2 25 H Het resultaat van een vermenigvuldiging schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36a H Vermenigvuldigingen waarin beide factoren kommagetallen zijn cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.33 1.22.2 B41 H De komma zetten door het product te vergelijken met de schatting. 1.24 3.1.29 1.22.3 B36 H Vaststellen dat het aantal decimalen in het product gelijk is aan de som van het aantal decimalen van de factoren. 1.24 1.22.3 2 26 en 27 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen gebruiken. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.14 G27 H Percentages voorstellen op een procentstrook. 1.25 1.17.4 G40 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Breuken vergelijken en rangschikken. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 H Breuken gelijknamig maken. 1.22 3.1.20 1.4.13 G17 H Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16c H Ronde getallen tot 1 miljard noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 3.1.05 1.2.2 G20 H Getallen tot 1 miljard samenstellen en ontbinden. 1.5 3.1.03 1.4.6 G13 H Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 1 miljard maken. 1.13 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan een van de factoren kleiner is dan 10 maken. H Delingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan de deler bestaat uit één cijfer maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B18 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B22 H Rekentaal i.v.m. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 H Operaties op factoren uitvoeren bij delen en vermenigvuldigen. 1.24 3.4.02 1.14.7 + 1.23.2 B7c + B7d H Vermenigvuldigingen en delingen met grote getallen maken. 1.13 3.1.33 1.14.1 + 1.15.1 B18 + B22 H Een kommagetal vermenigvuldigen met een kommagetal. 1.13 3.1.33 1.14.1 B32b H Een natuurlijk getal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34b H Een kommagetal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B33b H Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34b H Breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 + 3.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B26 + B27 18
Blok 2 2 26 en H Een breuk vermenigvuldigen met een natuurlijk getal. 1.13 3.1.41 1.14.1 B28a 27 H Een natuurlijk getal vermenigvuldigen met een breuk. 1.13 3.1.41 1.14.1 B28a H Een breuk delen door een natuurlijk getal. 1.13 3.1.43 1.15.1 B29a H De oppervlaktemaateenheden cm², dm², m² en km² gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.13 2.2.3.1 MR37 H Herleidingen maken. 2.6 + 2.7 3.2.14 2.2.3.21 MR28 H Tijdsduur berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70 H De oppervlakte van een rechthoek, parallellogram, ruit en driehoek bepalen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.9 + 2.2.3.10 H Driehoeken construeren die aan gegeven voorwaarden voldoen. 3.4 3.3.09 3.3.7 MK21 H Driehoeken volgens de soorten hoeken en volgens de eigenschappen van de zijden benoemen. 3.4 2.3.30 + 2.3.25 + 2.3.26 + 2.3.28 + 2.3.31 MR12 + MR43 t.e.m. MR45 3.2.1 MK20 + MK22 H In een driehoek bij een basis de bijbehorende hoogte tekenen. 3.4 3.3.03 3.1.8 MK11a + MK34c 2 28 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen gebruiken. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 + 3.1.23 + 3.1.24 1.4.14 G27 H Percentages voorstellen op een procentstrook. 1.25 1.17.4 G40 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 19
Blok 2 2 29 H Ronde getallen tot 1 miljard noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 3.1.05 1.2.2 G20 H Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 1 miljard maken. 1.13 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan een van de factoren kleiner is dan 10 maken. H Delingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan de deler bestaat uit één cijfer maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B18 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B22 H Rekentaal i.v.m. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 H Operaties op factoren uitvoeren bij delen en vermenigvuldigen. 1.24 3.4.02 1.14.7 + 1.23.2 B7c + B7d H Vermenigvuldigingen en delingen met grote getallen maken. 1.13 3.1.33 + 3.1.34 1.14.1 + 1.15.1 B18 + B22 H Een kommagetal vermenigvuldigen met een kommagetal. 1.13 3.1.33 1.14.1 B32b H Een natuurlijk getal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34b H Een kommagetal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B33b 2 30 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen gebruiken. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.14 G27 H Percentages voorstellen op een procentstrook. 1.25 1.17.4 G40 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Ronde getallen tot 1 miljard noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 3.1.05 1.2.2 G20 H Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 1 miljard maken. 1.13 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 B11e + B14e H Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan een van de factoren kleiner is dan 10 maken. H Delingen met ronde getallen tot 1 miljard waarvan de deler bestaat uit één cijfer maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 B18 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B22 H Rekentaal i.v.m. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 H Operaties op factoren uitvoeren bij delen en vermenigvuldigen. 1.24 3.4.02 1.14.7 + 1.23.2 B7c + B7d H Vermenigvuldigingen en delingen met grote getallen maken. 1.13 3.1.33 + 3.1.34 1.14.1 + 1.15.1 B18 + B22 H Een kommagetal vermenigvuldigen met een kommagetal. 1.13 3.1.33 1.14.1 B32b H Een natuurlijk getal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B34b H Een kommagetal delen door een kommagetal. 1.13 3.1.34 1.15.1 B33b 20
Blok 3 3 1 H Het resultaat van een deling schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 H Delingen waarbij deeltal en deler (De deler telt maximaal 3 cijfers.) kommagetallen kunnen zijn, cijferend uitvoeren. N Ervaren dat verschillende schattingen dezelfde informatie geven over de orde van grootte van het quotiënt. 1.24 3.1.34 1.23.1 B43c 1.16 + 1.24 3.1.29 1.19.1 + 1.23.3 B46a 3 2 H Betekenis geven aan getallen tot 100 miljard. 1.2 3.1.04 1.5.5 G11f H Getallen tot 100 miljard lezen en schrijven. 1.5 3.1.05 1.2.2 G11f H Getallen tot 100 miljard in het positieschema noteren. 1.5 3.1.06 1.3.6 G11f H Getallen tot 100 miljard rangschikken. 1.5 3.1.06 1.4.6 G12 H Getallen tot 100 miljard splitsen en ontbinden. 1.13 2.1.04 1.11.1 G13 H Getallen tot 100 miljard afronden tot op een gegeven rang. 1.15 2.1.04 1.18.3 G36 H Ronde getallen tot 100 miljard noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 3.1.03 + 2.1.04 1.2.2 G20 3 3 H De wisseleigenschap toepassen bij optellen/vermenigvuldigen. 1.13 + 1.14 1.1.27 1.11.2 + 1.14.7 B4a + B4c H De schakeleigenschap toepassen bij optellen/vermenigvuldigen. 1.13 + 1.14 1.1.27 1.11.2 + 1.14.7 B5a + B5c H Bij het aftrekken van verschillende termen vaststellen en toepassen dat de aftrekkers van plaats mogen veranderen. H Bij het delen door verschillende factoren vaststellen en toepassen dat de delers van plaats mogen veranderen. 1.13 + 1.14 2.1.29 1.12.2 B4b 1.13 + 1.14 2.1.29 1.15.4 B4d H Als er verschillende bewerkingen moeten worden uitgevoerd, toepassen dat: - eerst de bewerkingen tussen de haakjes gemaakt moeten worden; 1.6 2.1.30 1.16.5 B3 - vermenigvuldigen/delen voor optellen/aftrekken gaat. 1.6 2.1.30 1.16.5 B3 21
Blok 3 3 4 H Bij vermenigvuldigingen vaststellen dat het product gelijk blijft als een van de factoren vermenigvuldigd wordt met en de andere gedeeld wordt door hetzelfde getal. H Bij vermenigvuldigingen vaststellen dat als één van de factoren met een getal vermenigvuldigd of door een getal gedeeld wordt, het product in dezelfde mate verandert. H Bij vermenigvuldigingen met kommagetallen de vastgestelde eigenschappen toepassen. 1.14 2.1.35 1.14.7 B7c 1.14 3.1.28 1.14.7 B7c 1.14 2.1.35 + 3.1.28 1.14.7 B7c 3 5 H Bij vraagstukken over inhoud, gewicht en geld: MR89a - de eenheidsprijs bepalen; 2.11 + 1.21 3.2.36 2.8.8 + 1.17.5 MR89a - de prijs voor een gegeven hoeveelheid bepalen; 2.11 + 1.21 3.2.36 2.8.8 + 1.17.5 MR89a - de hoeveelheid voor een gegeven prijs bepalen. 2.11 + 1.21 3.2.36 2.8.8 + 1.17.5 MR89a H Vraagstukken over korting oplossen. 1.25 3.2.36 + 3.4.02 1.17.4 MR89e 3 6 H Getallen tot 100 miljard lezen en schrijven. 1.5 3.1.05 1.2.2 G11f H Ronde getallen tot 100 miljard noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 3.1.03 + 2.1.04 1.2.2 G20 H De wisseleigenschap toepassen bij optellen/vermenigvuldigen. 1.13 + 1.14 2.1.29 1.11.2 + 1.14.7 B4a + B4c H De schakeleigenschap toepassen bij optellen/vermenigvuldigen. 1.13 + 1.14 2.1.29 1.11.2 + 1.14.7 B5a + B5c H Bij het aftrekken van verschillende termen toepassen dat de aftrekkers van plaats mogen veranderen. H Bij het delen door verschillende factoren toepassen dat de delers van plaats mogen veranderen. 1.13 + 1.14 2.1.29 1.12.2 B4b 1.13 + 1.14 2.1.29 1.15.4 B4d H Als er verschillende bewerkingen moeten worden uitgevoerd, toepassen dat: - eerst de bewerkingen tussen de haakjes gemaakt moeten worden; 1.6 2.1.30 1.16.5 B3 - vermenigvuldigen/delen voor optellen/aftrekken gaat. 1.6 2.1.30 1.16.5 B3 H Bij vermenigvuldigingen weten dat het product gelijk blijft als een van de factoren vermenigvuldigd wordt met en de andere gedeeld wordt door hetzelfde getal. 1.14 2.1.35 1.14.7 B7c 22
Blok 3 3 6 H Bij vermenigvuldigingen weten dat als één van de factoren met een getal vermenigvuldigd of door een getal gedeeld wordt, het product in dezelfde mate verandert. H Bij vermenigvuldigingen met kommagetallen de vastgestelde eigenschappen toepassen. 1.14 3.1.28 1.14.7 B7c 1.14 2.1.35 + 3.1.28 1.14.7 B7c H Het resultaat van een deling schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 H Delingen waarbij deeltal en deler (De deler telt maximaal 3 cijfers.) kommagetallen kunnen zijn, cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.34 1.23.1 B43c H Vraagstukken over inhoud, gewicht en geld oplossen. 2.11 + 1.21 3.2.08 + 3.2.10 + 3.4.02 2.2.3.1 + 2.8.8 + 1.17.5 MR88 3 7 H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 5, 50 en 0,5. 1.11 2.1.36 + 3.1.31 1.14.8 B32 H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 15 en 1,5. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 B32 H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 4. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 B32 H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 25. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 B32 N Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 0,1 en 0,01. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 B32 3 8 H Ruimtefiguren/lichamen indelen in veelvlakken en niet-veelvlakken en deze begrippen gebruiken. 3.2 3.3.20 3.1.9 + 3.1.11 MK27 H Bij veelvlakken de kubus, de balk en de piramide herkennen en benoemen. 3.2 3.3.24 + 3.3.26 3.1.9 + 3.1.11 + 3.2.8 H Bij veelvlakken de ribben, de hoekpunten en de zijvlakken (waaronder grondvlak en bovenvlak) herkennen en benoemen. 3.2 3.3.21 3.1.9 + 3.1.11 + 3.2.8 H Bij niet-veelvlakken de cilinder, de bol en de kegel herkennen en benoemen. 3.2 3.3.26 3.1.9 + 3.1.11 + 3.2.8 MK27 MK27 MK27 23
Blok 3 3 9 H Van een kubus een ontvouwing (ontwikkeling, uitslag) tekenen. 3.3.25 3.3.9 MK44 H Van ontvouwingen nagaan welke een kubus opleveren. 3.3.25 3.3.9 MK44 H Van een balk een ontvouwing (ontwikkeling, uitslag) tekenen. 3.3.25 3.3.9 MK44 H Van ontvouwingen nagaan welke een balk opleveren. 3.3.25 3.3.9 MK44 H Van een ruimtelijke situatie een voorstelling maken in twee dimensies en omgekeerd. 3.7 3.5.5 MK44 N Tekenen op schaal. 2.4 3.2.03 2.3.6 MK44 3 10 H Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 5, 50 en 0,5. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 H Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 25. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 H Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 4. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 N Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 10, 100 en 1000. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 3 11 H Het aantal combinaties voorstellen m.b.v. een boomdiagram of een rooster. 1.29 SV 1.1 G40b H Het aantal combinaties bepalen als er 2 of 3 variabelen gegeven zijn. 1.29 SV 1.1 G41 H De kans bepalen dat een gegeven combinatie voorkomt. 1.4 3.1.19 1.5.6 G41 3 12 H Het aantal combinaties voorstellen m.b.v. een boomdiagram of een rooster. 1.29 SV 1.1 G40b H Het aantal combinaties bepalen als er 2 of 3 variabelen gegeven zijn. 1.29 SV 1.1 G41 H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 5, 50 en 0,5. 1.11 2.1.36 + 3.1.31 1.14.8 B32 H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 15 en 1,5. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 B32 H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 4. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 B32 H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 25. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 B32 H Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 10, 100 en 1000. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 H Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 5, 50 en 0,5. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 H Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 25. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 H Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 4. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 24
Blok 3 3 12 H Bij niet-veelvlakken de cilinder en de bol herkennen en benoemen. 3.2 3.3.26 3.1.9 + 3.1.11 + 3.2.8 H Bij veelvlakken de kubus en de balk herkennen en benoemen. 3.2 3.3.24 3.1.9 + 3.1.11 + 3.2.8 H Van ontvouwingen nagaan welke een kubus opleveren. 3.3.25 3.3.9 MK44 H Van ontvouwingen nagaan welke een balk opleveren. 3.3.25 3.3.9 MK44 MK27 MK27 3 13 H Verwoorden wanneer een getal deelbaar is door 2, 3, 4, 5, 9, 10, 25 en 100. 1.12 2.1.16 + 3.1.14 + 3.1.15 H Vaststellen dat als een getal deelbaar is door 10, het ook deelbaar is door 2 en 5 maar niet omgekeerd. H Vaststellen dat als een getal deelbaar is door 100, het ook deelbaar is door 4 en 25 maar niet omgekeerd. H Vaststellen dat als een getal deelbaar is door 9, het ook deelbaar is door 3 maar niet omgekeerd. H De rest bepalen bij delingen door 2, 3, 4, 5, 9, 10 en 100 door gebruik te maken van de kenmerken van deelbaarheid. 1.6.8 G31 1.12 2.1.16 1.6.8 G31 1.12 3.1.14 1.6.8 G31 1.12 3.1.15 1.6.8 G31 1.12 1.6.8 G31 3 14 H Op basis van de getallen bij de vier bewerkingen een doelmatige oplossingswijze kiezen (vooral compenseren). 1.14 3.1.31 1.11.2 + 1.12.2 + 1.14.7 + 1.15.4 B7 3 15 H De grootste gemeenschappelijke deler van twee of meer natuurlijke getallen bepalen. H Het kleinste gemeenschappelijk veelvoud van twee of meer natuurlijke getallen bepalen. 1.3 + 1.19 3.1.12 1.6.6 G30 1.3 3.1.13 1.6.7 G32 25
Blok 3 3 16 H Een natuurlijk getal of een kommagetal cijferend vermenigvuldigen met een natuurlijk getal of een kommagetal (Eén van de factoren bestaat uit hoogstens 3 cijfers.). 1.24 3.1.33 1.22.2 B32 H Het resultaat van een vermenigvuldiging schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 H Bij een vermenigvuldiging de negenproef maken. 1.27 3.1.29 1.24.2 3 17 H De verkoopprijs berekenen als de inkoopprijs en de winst of het verlies t.o.v. de inkoopprijs procentueel gegeven zijn. 1.25 2.2.25 1.17.4 + 2.8.2 MR89b H De winst of het verlies procentueel bepalen t.o.v. de inkoopprijs. 1.25 2.2.25 1.17.4 + 2.8.2 MR89b H De inkoopprijs berekenen als de verkoopprijs gegeven is en de winst procentueel is uitgedrukt t.o.v. de inkoopprijs. 1.25 2.2.25 1.17.4 + 2.8.2 MR89b N Het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken toepassen. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO1 3 18 H De grootste gemeenschappelijke deler van twee of meer natuurlijke getallen bepalen. H Het kleinste gemeenschappelijk veelvoud van twee of meer natuurlijke getallen bepalen. 1.3 + 1.19 3.1.12 1.6.6 G30 1.3 3.1.13 1.6.7 G32 H Weten wanneer een getal deelbaar is door 2, 3, 4, 5, 9, 10, 25 en 100. 1.12 2.1.16 + 3.1.14 + 3.1.15 H Weten dat als een getal deelbaar is door 10, het ook deelbaar is door 2 en 5 maar niet omgekeerd. H Weten dat als een getal deelbaar is door 100, het ook deelbaar is door 4 en 25 maar niet omgekeerd. H Weten dat als een getal deelbaar is door 9, het ook deelbaar is door 3 maar niet omgekeerd. H De rest bepalen bij delingen door 2, 3, 4, 5, 9, 10 en 100 door gebruik te maken van de kenmerken van deelbaarheid. H Op basis van de getallen bij de vier bewerkingen een doelmatige oplossingswijze kiezen (vooral compenseren). H Een natuurlijk getal of een kommagetal cijferend vermenigvuldigen met een natuurlijk getal of een kommagetal (Eén van de factoren bestaat uit hoogstens 3 cijfers.). 1.6.8 G31 1.12 2.1.16 1.6.8 G31 1.12 3.1.14 1.6.8 G31 1.12 3.1.15 1.6.8 G31 1.12 1.6.8 G31 1.14 3.1.31 1.11.2 + 1.12.2 + 1.14.7 + 1.15.4 1.24 3.1.33 1.22.2 B32 B7 26
Blok 3 3 18 H Het resultaat van een vermenigvuldiging schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 H Bij een vermenigvuldiging de negenproef maken. 1.27 3.1.29 1.24.2 H De verkoopprijs berekenen als de inkoopprijs en de winst of het verlies t.o.v. de inkoopprijs procentueel gegeven zijn. 1.25 2.2.25 1.17.4 + 2.8.2 MR89b H De winst of het verlies procentueel bepalen t.o.v. de inkoopprijs. 1.25 2.2.25 1.17.4 + 2.8.2 MR89b H De inkoopprijs berekenen als de verkoopprijs gegeven is en de winst t.o.v. de inkoopprijs procentueel uitgedrukt is. 1.25 2.2.25 1.17.4 + 2.8.2 MR89b 3 19 H De gelijkheid tussen breuk, kommagetal en percentage vaststellen (eventueel na het afkappen van het kommagetal) en toepassen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G27 H Een breuk en een kommagetal optellen en aftrekken. 1.23 3.1.40 1.11.1 + 1.12.1 G23 3 20 H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.4.03 + 3.2.35 2.5.9 MR89c 3 21 H Ervaren dat het in bepaalde situaties voldoende is om met benaderende waarden te rekenen. 1.16 3.1.29 1.19.7 + 1.19.8 B52 H Een schatprocedure toepassen. 1.16 3.1.29 1.19.2 B37 H Ervaren dat schattend rekenen tot verschillende oplossingen kan leiden. 1.16 3.1.29 1.19.6 B37 3 22 H De omtrek en de diameter van een cirkel meten. 2.9 3.2.06 + 3.2.07 2.2.3.5 MR34 H De waarde van pi ontdekken als verhouding tussen de omtrek en de diameter. 3.2a 3.2.06 + 3.2.07 2.2.3.6 MR34 H Het symbool voor straal (r), diameter/middellijn (d) en pi (π) kennen en gebruiken. 3.2a 3.2.06 + 3.2.07 3.1.7 MK11c + MK11d H De formule om de omtrek van de cirkel te bepalen gebruiken. 2.9 3.2.06 + 3.2.07 2.2.3.5 MR34 N De straal, de diameter/middellijn en het middelpunt van een cirkel benoemen en tekenen. 3.2a + 3.5 3.3.17 3.1.7 + 3.3.8 MK11c + MK11d 27
Blok 3 3 23 H Breuken interpreteren, verwoorden en gebruiken als verhouding. 1.4 3.1.17 1.5.6 G14c H De verhoudingen vaststellen tussen de delen onderling en tussen een deel en het geheel. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c + G41 H De delen bepalen als de verhouding tussen de delen en het geheel gegeven is. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c N Een breuk noteren als percentage. 1.4 3.1.23 1.5.7 G27 N De verhoudingstabel gebruiken. 1.21 1.17.5 G40 3 24 H De gelijkheid tussen breuk, kommagetal en percentage vaststellen (eventueel na het afkappen van het kommagetal) en toepassen. H Ervaren dat het in bepaalde situaties voldoende is om met benaderende waarden te rekenen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G23 1.16 3.1.29 1.19.7 + 1.19.8 B52 H Breuken interpreteren, verwoorden en gebruiken als verhouding. 1.4 3.1.17 1.5.6 G14c H De verhoudingen vaststellen tussen de delen onderling en tussen een deel en het geheel. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c + G41 H De delen bepalen als de verhouding tussen de delen en het geheel gegeven is. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c H Een breuk en een kommagetal optellen en aftrekken. 1.23 3.1.40 1.11.1 + 1.12.1 G23 H Een schatprocedure toepassen. 1.16 3.1.29 1.19.2 B37 H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.2.35 2.5.9 MR89c H De formule om de omtrek van de cirkel te bepalen gebruiken. 2.9 3.2.07 2.2.3.5 MR34 H Een cirkel met een gegeven straal tekenen. 3.2a + 3.5 3.3.18 3.1.7 + 3.3.8 MK23 3 25 H De oppervlakte van een rechthoek, vierkant en parallellogram bepalen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.9 + 2.2.3.10 H De oppervlakte van een driehoek bepalen. 2.9 3.2.19 2.2.3.10 MR44 H De oppervlakte van veelhoeken bepalen door de figuren om te structureren. 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR45 MR42 + MR43 28
Blok 3 3 26 en 27 H Getallen tot 100 miljard lezen en schrijven. 1.5 3.1.05 1.2.2 G11f H Getallen tot 100 miljard splitsen en ontbinden. 1.13 3.1.03 + 2.1.04 1.11.1 G13 H Ronde getallen tot 100 miljard noteren als kommagetal en omgekeerd. 1.5 2.1.20 1.2.2 G20 H Het aantal combinaties voorstellen m.b.v. een boomdiagram. 1.29 SV 1.1 G40b H Het aantal combinaties bepalen als er 2 of 3 variabelen gegeven zijn. 1.29 SV 1.1 G41 H Weten wanneer een getal deelbaar is door 2, 3, 4, 5, 9, 10, 25 en 100. 1.12 2.1.16 + 3.1.14 + 3.1.15 1.6.8 G31 H De grootste gemeenschappelijke deler van twee natuurlijke getallen bepalen. 1.3 + 1.19 3.1.12 1.6.6 G23 H Het kleinste gemeenschappelijk veelvoud van twee natuurlijke getallen bepalen. 1.3 3.1.13 1.6.7 G40b H Breuken, kommagetallen en percentages vergelijken. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G27 H Breuken interpreteren, verwoorden en gebruiken als verhouding. 1.4 3.1.17 1.5.6 G14c H De verhoudingen vaststellen tussen de delen onderling en tussen een deel en het geheel. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c + G41 H De delen bepalen als de verhouding tussen de delen en het geheel gegeven is. 1.21 3.1.17 1.17.2 G14c H Een breuk en een kommagetal optellen en aftrekken. 1.23 3.1.40 1.11.1 + 1.12.1 G23 H De wisseleigenschap toepassen bij optellen/vermenigvuldigen. 1.13 + 1.14 1.1.27 1.11.2 + 1.14.7 B4a + B4c H De schakeleigenschap toepassen bij optellen/vermenigvuldigen. 1.13 + 1.14 1.1.27 1.11.2 + 1.14.7 B5a + B5c H Bij het aftrekken van verschillende termen toepassen dat de aftrekkers van plaats mogen veranderen. H Bij het delen door verschillende factoren toepassen dat de delers van plaats mogen veranderen. 1.13 + 1.14 2.1.29 1.12.2 B4b 1.13 + 1.14 2.1.29 1.15.4 B4d H Als er verschillende bewerkingen moeten worden uitgevoerd, toepassen dat: - eerst de bewerkingen tussen de haakjes gemaakt moeten worden; 1.6 2.1.30 1.16.5 B3 - vermenigvuldigen/delen voor optellen/aftrekken gaat. 1.6 2.1.30 1.16.5 B3 H Vermenigvuldigingen met kommagetallen en natuurlijke getallen oplossen door operaties op factoren uit te voeren. H Natuurlijke getallen en kommagetallen vermenigvuldigen met 5, 50, 0,5, 15, 1,5 en 25. 1.14 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 B7 1.11 2.1.36 + 3.1.31 1.14.8 B32 H Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 5, 50, 0,5, 25 en 4. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 B34 H Op basis van de getallen bij de vier bewerkingen een doelmatige oplossingswijze kiezen (vooral compenseren). 1.14 3.1.31 1.11.2 + 1.12.2 + 1.14.7 + 1.15.4 B7 29
Blok 3 3 26 en 27 H Delingen waarbij deeltal en deler (De deler telt maximaal 3 cijfers.) kommagetallen kunnen zijn, cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.34 1.23.1 B43c H Het resultaat van een deling schatten. 1.16 3.1.29 + 2.1.36 1.19.2 B36 H Een natuurlijk getal of een kommagetal cijferend vermenigvuldigen met een natuurlijk getal of een kommagetal (Eén van de factoren bestaat uit hoogstens 3 cijfers.). 1.24 3.1.33 1.22.2 B32 H Het resultaat van een vermenigvuldiging schatten. 1.16 3.1.39 + 2.1.36 1.19.2 B36 H Bij een vermenigvuldiging de negenproef maken. 1.27 3.1.29 1.24.2 H Vraagstukken over gewicht en geld oplossen. 1.21 + 2.11 3.2.36 1.17.5 + 2.8.8 B50 H De verkoopprijs berekenen als de inkoopprijs en de winst t.o.v. de inkoopprijs procentueel gegeven zijn. 1.25 2.2.25 1.17.4 + 2.8.2 MR89b H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.2.35 + 3.4.02 2.5.9 MR89c 3 28 H Vraagstukken oplossen m.b.v. de verhoudingstabel. 1.21 3.4.02 1.17.5 DO2f H Bij vraagstukken over inhoud, gewicht en geld: MR89a - de eenheidsprijs bepalen; 2.11 + 1.21 3.2.36 + 3.4.02 2.8.8 + 1.17.5 MR89a - de prijs voor een gegeven hoeveelheid bepalen; 2.11 + 1.21 3.2.36 + 3.4.02 2.8.8 + 1.17.5 MR89a - de hoeveelheid voor een gegeven prijs bepalen. 2.11 + 1.21 3.2.36 + 3.4.02 2.8.8 + 1.17.5 MR89a H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.2.35 + 3.4.02 2.5.9 MR89c 3 29 H De gelijkheid tussen breuk, kommagetal en percentage vaststellen (eventueel na het afkappen van het kommagetal) en toepassen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 MR34 H Breuken interpreteren, verwoorden en gebruiken als verhouding. 1.4 3.1.17 1.5.6 G14c H De verhoudingen vaststellen tussen de delen onderling en tussen een deel en het geheel. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c + G41 H De delen bepalen als de verhouding tussen de delen en het geheel gegeven is. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c H Een breuk en een kommagetal optellen en aftrekken. 1.23 3.1.40 1.11.1 + 1.12.1 G23 30
Blok 3 3 30 H Breuken, kommagetallen en percentages vergelijken. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G27 H Breuken interpreteren, verwoorden en gebruiken als verhouding. 1.4 3.1.17 1.5.6 G14c H De verhoudingen vaststellen tussen de delen onderling en tussen een deel en het geheel. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c + G41 H De delen bepalen als de verhouding tussen de delen en het geheel gegeven is. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c H Een breuk en een kommagetal optellen en aftrekken. 1.23 3.1.40 1.11.1 + 1.12.1 G23 H Vraagstukken oplossen m.b.v. de verhoudingstabel. 1.21 3.2.08 + 3.2.10 + 3.4.02 H Vraagstukken over inhoud, gewicht, geld en snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.2.08 + 3.2.10 + 3.2.35 + 3.4.02 1.17.5 DO2f 2.2.3.1 + 2.5.9 + 2.8.8 + 1.17.5 MR88 31
Blok 4 4 1 H Kommagetallen tot 3 decimalen lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 H Natuurlijke getallen tot 10 miljoen lezen en noteren. 1.5 3.1.05 1.2.2 G11 H Kommagetallen op de getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 H Kommagetallen rangschikken. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 H Ronde getallen > 100 000 noteren als kommagetal. 1.5 2.1.20 1.2.2 G20 H Tellen met sprongen van 100, 1000, 10 000 en 100 000 (natuurlijke getallen). 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 H Tellen met sprongen van 0,1; 0,01 en 0,05 (kommagetallen). 1.1 2.1.20 1.1.3 G6 4 2 H De tijd op een digitale klok lezen. 2.2 1.2.21 2.4.13 MR69b H Een tijdstip op verschillende manieren noteren. 2.2 1.2.21 2.4.16 MR69b H Een tijdsduur in uren en minuten berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c H Verschillende soorten dienstregelingen van trein en bus lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 4 3 H De lengte van de zijden en de grootte van de hoeken van veelhoeken onderzoeken en verwoorden. 3.4 3.2.31 + 3.3.10 t.e.m. 3.3.13 3.2.5 MK24 H Regelmatige veelhoeken herkennen en benoemen. 3.4 3.3.12 3.2.5 MK24b H Vaststellen dat een regelmatige n-hoek (bv. vijfhoek) verdeeld kan worden in n (5) gelijke driehoeken. 3.4 3.2.5 MK24b 4 4 H Vraagstukken i.v.m. prijsberekening oplossen: 2.9 3.2.36 + 3.4.02 2.2.3.10 MR89a - de totale prijs van een mengsel bepalen; 1.21 + 2.6 3.2.36 + 3.4.02 1.17.5 + 2.2.3.21 - de prijs per... van een mengsel bepalen. 1.21 + 2.6 3.2.36 + 3.4.02 1.17.5 + 2.2.3.21 MR89a MR89a 4 5 H De oppervlakte van veelhoeken (o.a. regelmatige veelhoeken) bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR45 32
Blok 4 4 6 H Kommagetallen tot 3 decimalen lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 H Natuurlijke getallen tot 10 miljoen lezen en noteren. 1.5 3.1.05 1.2.2 G11 H Kommagetallen op de getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 H Kommagetallen rangschikken. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 H Ronde getallen > 100 000 noteren als kommagetal. 1.5 2.1.20 1.2.2 G20 H Tellen met sprongen van 100, 1000, 10 000 en 100 000 (natuurlijke getallen). 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 H Tellen met sprongen van 0,1; 0,01; 0,001 en 0,5 (kommagetallen). 1.1 2.1.20 1.1.3 G6 H Vraagstukken i.v.m. prijsberekening bij mengsels oplossen. 1.21 + 2.6 3.2.36 + 3.4.02 1.17.5 + 2.2.3.21 H De oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR45 H Regelmatige veelhoeken herkennen. 3.4 3.3.12 3.2.5 MK24b MR89a 4 7 H Natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend delen door een natuurlijk getal kleiner dan 1000. H Een opgaande deling controleren door de omgekeerde bewerking te maken (deeltal = deler x quotiënt). H Een niet opgaande deling controleren door de gelijkheid deeltal = deler x quotiënt + rest te onderzoeken. 1.24 3.1.34 1.23.1 B42 t.e.m. B44 1.27 3.1.29 + 2.1.33 1.24.2 B8b 1.27 3.1.29 + 2.1.33 1.24.2 B8b 4 8 H De behoefte aan standaardmaateenheden om het volume te bepalen ervaren. 2.1 3.2.21 2.2.7 MR16 H De begrippen kubieke meter, kubieke decimeter en kubieke centimeter omschrijven. 2.1 3.2.22 2.2.3.1 MR54 H De symbolen cm³, dm³ en m³ gebruiken. 2.2 3.2.23 2.2.3.1 MR54 H De verbanden tussen dm³ en cm³ en tussen m³ en dm³ afleiden. 2.1 3.2.23 2.2.3.19 MR54 H Eenvoudige herleidingen met volumematen maken. 2.6 3.2.23 2.2.3.21 MR28 33
Blok 4 4 9 H De begrippen bruto, netto en tarra in concrete situaties gebruiken. 4.2 3.2.12 SV 1.5 B59 H Vraagstukken over bruto, netto en tarra oplossen. 4.2 3.2.12 + 3.4.02 SV 1.5 B59 H Het begrip laadvermogen verklaren en gebruiken. 4.2 SV 1.5 B59 N Het verband 1 ton = 1000 kg gebruiken. 2.7 3.2.11 2.2.3.21 MR62 + MR28 4 10 H De standaardprocedure of handig rekenen toepassen bij: - optellen en aftrekken van natuurlijke getallen en kommagetallen; 1.13 + 1.23 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.12.1 + 1.12.2 B11 + B14 +B30 + B31 - vermenigvuldigen en delen van natuurlijke getallen en kommagetallen. 1.13 + 1.14 3.2.26 1.14.1 + 1.14.7 + 1.15.1 + 1.15.4 B18 + B19 + B22 + B23 + B32 + B33 + B34 4 11 H Het volume van een balk (kubus) bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 MR58 H Ervaren dat balken met een verschillende vorm toch hetzelfde volume kunnen hebben. 2.10 2.2.3.14 MR56 34
Blok 4 4 12 H De standaardprocedure of handig rekenen toepassen bij: - optellen en aftrekken van natuurlijke getallen en kommagetallen; 1.13 + 1.23 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.12.1 + 1.12.2 - vermenigvuldigen en delen van natuurlijke getallen en kommagetallen. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 + 1.14.7 + 1.15.1 + 1.15.4 H Natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend delen door een natuurlijk getal kleiner dan 1000. H Een deling controleren door de gelijkheid deeltal = deler x quotiënt + rest te onderzoeken. B11 + B14 + B30 + B31 B18 + B19 + B22 + B23 + B32 + B33 + B34 1.24 3.1.34 1.23.1 B42 t.e.m. B44 1.27 3.1.29 1.24.2 B8 H Cijferend optellen, aftrekken en vermenigvuldigen. 1.24 3.1.32 t.e.m. 3.1.34 1.20.3 + 1.21.3 + 1.22.3 H De begrippen bruto, netto en tarra gebruiken. 4.2 3.2.12 SV 1.5 B59 H Vraagstukken over bruto, netto en tarra oplossen. 4.2 3.2.12 + 3.4.02 SV 1.5 B59 H Het begrip laadvermogen gebruiken. 4.2 SV 1.5 B59 H Het volume van een balk (kubus) bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 MR58 B38 t.e.m. B44 4 13 H Een ongelijke verdeling (2 delen) maken als het totaal en het verschil tussen de delen gegeven zijn. H Een ongelijke verdeling (2 delen) maken als het totaal en de verhouding tussen de delen gegeven zijn. 4.2 2.1.28 1.17.3 B58a 1.21 2.1.28 1.17.3 B58b 4 14 H Een lijnschaal en een breukschaal lezen en gebruiken. 2.4 3.2.04 2.3.2 MR85 H Een breukschaal noteren als lijnschaal en omgekeerd. 2.4 3.2.04 2.3.2 MR85 H De werkelijke lengte berekenen als de lengte op de tekening en de schaal gegeven zijn. H De lengte op de tekening berekenen als de werkelijke lengte en de schaal gegeven zijn. H De schaal bepalen als de werkelijke lengte en de lengte op de tekening gegeven zijn. 2.4 3.2.05 2.3.3 MR85 2.4 2.3.3 MR85 2.4 3.2.04 2.3.1 MR85 35
Blok 4 4 15 H Het ontbrekende getal berekenen bij recht evenredigheden m.b.v. een verhoudingstabel. H Een puzzelprobleem oplossen door informatie te interpreteren, te combineren en in een tabel weer te geven. 1.21 1.17.5 B54 + B55 1.29 SV 1.1 DO2 4 16 H Een ongelijke verdeling (2 of 3 delen) maken als het totaal en het verschil tussen de delen gegeven zijn. H Een ongelijke verdeling (2 of 3 delen) maken als het totaal en de verhouding tussen de delen gegeven zijn. 4.2 2.1.28 1.17.3 B58a 1.21 2.1.28 1.17.3 B58b 4 17 H Vraagstukken i.v.m. schaal oplossen. 2.4 3.2.05 + 3.4.02 2.3.1 + 2.3.3 MR85 H De relatie tussen de werkelijke oppervlakte van een figuur en de oppervlakte van deze figuur op schaal vaststellen. 2.4 3.2.05 2.4.4 MR84 + MR87 4 18 H Het ontbrekende getal berekenen bij recht evenredigheden m.b.v. een verhoudingstabel. H Een ongelijke verdeling maken als het totaal en het verschil tussen de delen gegeven zijn. H Een ongelijke verdeling maken als het totaal en de verhouding tussen de delen gegeven zijn. 1.21 1.17.5 B54 + B55 4.2 2.1.28 1.17.3 B58a 1.21 2.1.28 1.17.3 B58b H Vraagstukken i.v.m. schaal oplossen. 2.4 3.2.05 + 3.4.02 2.3.1 + 2.3.3 MR85 H De relatie tussen de werkelijke oppervlakte van een figuur en de oppervlakte van deze figuur op schaal uitdrukken. 2.4 3.2.05 2.4.4 MR84 36
Blok 4 4 19 H Driehoeken construeren m.b.v. een passer. 3.4 3.3.09 3.3.7 MK21 + MK48 H Regelmatige veelhoeken tekenen m.b.v. een graadboog en een passer. 3.4 3.3.19 3.3.7 MK48 H Figuren natekenen. 3.4 3.3.7 MK44 N Nauwkeurig en correct werken met een graadboog en een passer. 3.5 3.3.18 + 3.2.31 3.3.8 MK48 N De eigenschappen van driehoeken kennen en gebruiken. 3.4 2.3.25 t.e.m. 2.3.29 3.2.1 MK22 N De eigenschappen van regelmatige veelhoeken kennen en gebruiken. 3.4 3.3.13 3.2.5 MK24b 4 20 H De formule om de oppervlakte van een cirkel te bepalen afleiden. 2.9 3.2.19 2.2.3.13 MR46 N De formule om de omtrek van een cirkel te bepalen gebruiken. 2.9 3.2.07 2.2.3.6 MR34 4 21 H Bewerkingen met breuken maken. 1.23 3.1.20 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 H Toepassingen waarin breuken voorkomen oplossen. 1.23 3.1.20 + 1.1.19 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 B48b B49 + B50 4 22 H Vraagstukken i.v.m. afstand, tijd en snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.2.35 2.5.9 MR89c 4 23 H Van een bouwsel het vooraanzicht, de zijaanzichten en het bovenaanzicht tekenen en het grondplan met hoogtegetallen maken. 3.1 2.3.01 3.3.2 + 3.3.5 MK7 H Een bouwsel met een opgegeven aantal blokken en gegeven aanzichten maken. 3.1 2.3.01 3.3.2 + 3.3.5 MK7 + MK44 H Een gegeven bouwsel met zo weinig mogelijk blokken aanvullen tot een balk of kubus. 3.1 3.3.2 + 3.3.5 MK7 + MK44 37
Blok 4 4 24 H Bewerkingen met breuken maken. 1.23 3.1.20 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 H Toepassingen waarin breuken voorkomen oplossen. 1.23 3.1.20 + 1.1.19 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 B48b B49 + B50 H Vraagstukken i.v.m. afstand, tijd en snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.2.35 2.5.9 MR89c H De oppervlakte van een cirkel berekenen. 2.9 3.2.19 2.2.3.13 MR46 H Driehoeken construeren m.b.v. een passer. 3.4 3.3.09 3.3.7 MK21 + MK48 H Regelmatige veelhoeken tekenen m.b.v. een graadboog en een passer. 3.4 3.3.19 3.3.7 MK48 H Figuren natekenen. 3.4 3.3.7 MK44 H Van een bouwsel het linkerzijaanzicht tekenen en het grondplan met hoogtegetallen maken. 3.1 2.3.01 3.3.2 + 3.3.5 MK7 H Een gegeven bouwsel met zo weinig mogelijk blokken aanvullen tot een kubus. 3.1 3.3.2 + 3.3.5 MK7 + MK44 4 25 H Kennismaken met andere talstelsels. 1.8 3.1.10 1.3.2 G34 H Getallen kleiner dan of gelijk aan 15 noteren in het binair talstelsel. 1.8 3.1.10 1.3.2 G34 H Romeinse cijfers omzetten in Arabische cijfers en omgekeerd. 1.7 3.1.07 + 3.1.08 1.2.5 G33 4 26 en 27 H Kommagetallen tot 3 decimalen lezen en noteren. 1.5 2.1.20 1.2.2 G21 H Natuurlijke getallen tot 10 miljoen lezen en noteren. 1.5 3.1.05 1.2.2 G11 H Ronde getallen > 100 000 noteren als kommagetal. 1.5 2.1.04 1.2.2 G20 H Kommagetallen vergelijken. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 H De standaardprocedure of handig rekenen toepassen bij: - optellen en aftrekken van natuurlijke getallen en kommagetallen; 1.13 + 1.23 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.12.1 + 1.12.2 - vermenigvuldigen en delen van natuurlijke getallen en kommagetallen. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 + 1.14.7 + 1.15.1 + 1.15.4 B11 + B14 + B30 + B31 B18 + B19 + B22 + B23 + B32 + B33 + B34 38
Blok 4 4 26 en 27 H Een ongelijke verdeling (2 of 3 delen) maken als het totaal en het verschil tussen de delen gegeven zijn. H Een ongelijke verdeling (2 of 3 delen) maken als het totaal en de verhouding tussen de delen gegeven zijn. H Het ontbrekende getal berekenen bij recht evenredigheden m.b.v. een verhoudingstabel. 4.2 2.1.28 1.17.3 B58a 1.21 2.1.28 1.17.3 B58b 1.21 1.17.5 B54 + B55 H Toepassingen waarin breuken voorkomen oplossen. 1.23 3.1.20 + 1.1.19 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 H Vraagstukken i.v.m. prijsberekening oplossen. 2.9 3.2.36 + 3.4.02 2.2.3.10 MR89a H Een tijdsduur in uren en minuten berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c H Verschillende soorten dienstregelingen van trein en bus lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 H Vraagstukken i.v.m. afstand, tijd en snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.2.36 + 3.4.02 2.5.9 MR89c H De maateenheden cm³, dm³ en m³ gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.22 2.2.3.1 MR54 H Het volume van een balk bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 MR58 H De oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR45 H De formule voor het berekenen van de oppervlakte van een cirkel kennen en toepassen. B49 + B50 2.9 3.2.19 2.2.3.13 MR46 H Vraagstukken over bruto, netto en tarra oplossen. 4.2 3.2.12 + 3.4.02 SV 1.5 B59 H Een lijnschaal en een breukschaal lezen en gebruiken. 2.4 3.2.04 2.3.2 MR85 H De werkelijke lengte berekenen als de lengte op de tekening en de schaal gegeven zijn. H De lengte op de tekening berekenen als de werkelijke lengte en de schaal gegeven zijn. 2.4 3.2.05 2.3.3 MR85 2.4 2.3.3 MR85 H Regelmatige veelhoeken benoemen. 3.4 3.3.12 3.2.5 MK24b H Driehoeken construeren m.b.v. een passer. 3.4 3.3.09 3.3.7 MK21 + MK48 H Van een bouwsel het vooraanzicht en de zijaanzichten tekenen. 3.1 2.3.01 3.3.2 + 3.3.5 MK7 H Een gegeven bouwsel met zo weinig mogelijk blokken aanvullen tot een balk. 3.1 3.3.2 + 3.3.5 MK7 + MK44 39
Blok 4 4 28 H De standaardprocedure of handig rekenen toepassen bij: - optellen en aftrekken van natuurlijke getallen en kommagetallen; 1.13 + 1.23 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.12.1 + 1.12.2 B11 + B14 + B30 + B31 - vermenigvuldigen en delen van natuurlijke getallen en kommagetallen. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 + 1.14.7 + 1.15.1 + 1.15.4 B18 + B19 + B22 + B23 + B32 + B33 + B34 4 29 H Een ongelijke verdeling (2 of 3 delen) maken als het totaal en het verschil tussen de delen gegeven zijn. H Een ongelijke verdeling (2 of 3 delen) maken als het totaal en de verhouding tussen de delen gegeven zijn. 4.2 2.1.28 1.17.3 B58a 1.21 2.1.28 1.17.3 B58b 4 30 H De standaardprocedure of handig rekenen toepassen bij: - optellen en aftrekken van natuurlijke getallen en kommagetallen; 1.13 + 1.23 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.12.1 + 1.12.2 - vermenigvuldigen en delen van natuurlijke getallen en kommagetallen. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 + 1.14.7 + 1.15.1 + 1.15.4 H Een ongelijke verdeling (2 of 3 delen) maken als het totaal en het verschil tussen de delen gegeven zijn. H Een ongelijke verdeling (2 of 3 delen) maken als het totaal en de verhouding tussen de delen gegeven zijn. 4.2 2.1.28 1.17.3 B58a 1.21 2.1.28 1.17.3 B58b B11 + B14 + B30 + B31 B18 + B19 + B22 + B23 + B32 + B33 + B34 40
Blok 5 5 1 H Vraagstukken met ongelijke verdelingen maken. 1.21 + 4.2 2.1.28 1.17.3 B58 H Vraagstukken met recht evenredige grootheden maken. 1.21 3.4.02 1.17.5 B50b N Het quotiënt afhankelijk van de context zinvol afronden. 1.13 3.1.31 1.15.1 + 1.23.3 G36 5 2 H Vraagstukken oplossen waarin een toename of een vermindering procentueel uitgedrukt wordt. 1.21 3.4.02 + 3.1.25 1.17.4 B56 N Het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO1 5 3 H Bij spiegelingen de begrippen spiegelbeeld, spiegeling en spiegelas gebruiken. 3.6 3.3.27 3.4.6 MK36 H Een figuur en het spiegelbeeld van die figuur vergelijken en de eigenschappen bij spiegelingen verwoorden. 3.6 3.3.31 3.4.6 MK36 H Het spiegelbeeld van een vlakke figuur tekenen. 3.6 3.3.32 3.4.7 MK38 H Symmetrieassen/spiegelassen in figuren tekenen. 3.6 3.3.33 3.4.5 MK37 5 4 H Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 1 miljard maken. 1.13 + 1.14 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.1.12.1 + 1.12.3 B11 + B14 H Vermenigvuldigingen met getallen tot 1 miljard maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 + 1.14.5 B18 + B19 + B22 + B23 H Delingen met getallen tot 1 miljard maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.4 B18 + B19 + B22 + B23 H Handig vermenigvuldigen (15 x, 9 x, ) en delen (: 5, : 50, : 4, : 25, ). 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 + 1.14.8 + 1.15.1 + 1.15.4 H Rekentaal gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.3 + 1.9.5 B3c B18 + B22 5 5 H Een breuk vermenigvuldigen met een breuk. 1.23 3.1.42 1.14.1 B28b N Bewerkingen met breuken maken. 1.23 3.1.42 + 3.1.39 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 B28b 41
Blok 5 5 6 H Vraagstukken oplossen waarin een toename of een vermindering procentueel uitgedrukt wordt. 1.21 3.4.02 + 3.1.25 1.17.4 B56 H Het geheel bepalen als de breuk gegeven is. 1.5 2.1.17 1.14.3 B25 H Vraagstukken met ongelijke verdelingen maken. 1.21 + 4.2 2.1.28 1.17.3 B58 H Vraagstukken met recht evenredige grootheden maken. 1.21 3.4.02 1.17.5 B58 H Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 1 miljard maken. 1.13 + 1.14 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.1.12.1 + 1.12.3 B11 + B14 H Vermenigvuldigingen met getallen tot 1 miljard maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 + 1.14.5 B18 + B19 H Delingen met getallen tot 1 miljard maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 + 1.15.4 B22 + B23 H Handig vermenigvuldigen (15 x, 9 x, ) en delen (: 5, : 50, : 4, : 25, ) 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.7 + 1.14.8 + 1.15.1 + 1.15.4 H Rekentaal gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.3 + 1.9.5 B3c H Een breuk vermenigvuldigen met een breuk. 1.23 3.1.42 1.14.1 B28b H Bewerkingen met breuken maken. 1.23 3.1.42 + 3.1.39 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 H Het spiegelbeeld van een vlakke figuur tekenen. 3.6 3.3.32 3.4.7 MK38 H Symmetrieassen/spiegelassen in figuren tekenen. 3.6 3.3.33 3.4.5 MK37 B18 + B22 B28b 5 7 H Vaststellen dat 1 dm³ gelijk is aan 1 liter. 2.6 3.2.22 2.2.3.22 MR55 H Het verband inzien tussen volumematen en inhoudsmaten (1 m³ = 1000 l en 1 cm³ = 1 ml). 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Inhoudsmaten omzetten in volumematen en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Weten dat 1 cc gelijk is aan 1 cm³. 2.2 2.2.3.1 + 2.2.3.19 MR55 5 8 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn (o.a. percentages als 17 %, 22 %, ). 1.25 3.1.25 1.17.4 B35 H Percentages berekenen met de zakrekenmachine. 1.25 + 1.26 3.1.36 + 3.1.38 1.25.8 B47 + B48 N Het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO1 42
Blok 5 5 9 H Schaduwvorming met de zon als lichtbron en een lamp als lichtbron onderzoeken en verwoorden. 1.29 WO 3.7.1 MK46 H Met de zon als lichtbron vaststellen en toepassen dat: MK46 - op hetzelfde tijdstip de schaduwen van personen/voorwerpen evenwijdig zijn; 1.29 WO 3.7.3 MK46 - de persoon/het voorwerp zich tussen zijn schaduw en de zon bevindt; 1.29 WO 3.7.3 MK46 - op hetzelfde tijdstip de lengte van de schaduw evenredig is met de lengte van het voorwerp. 1.29 WO 3.7.3 MK46 H Met een lamp als lichtbron vaststellen en toepassen dat: MK46 - het voorwerp zich tussen zijn schaduw en de lamp bevindt; 1.29 WO 3.7.3 MK46 - de lengte van de schaduw afhankelijk is van de afstand tot de lamp; 1.29 WO 3.7.3 MK46 - de vorm van de schaduw afhankelijk is van de positie van de lamp. 1.29 WO 3.7.3 MK46 N Een windroos gebruiken. 3.1 WO 3.6.2 MR 81 5 10 en 11 H De oppervlakte van vlakke figuren berekenen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR42 + MR45c + MR46 H De omtrek van vlakke figuren berekenen. 2.9 2.2.08 + 3.2.07 2.2.3.4 MR33 H Een oppervlakte uitdrukken in landmaten. 2.1 + 2.2 3.2.13 2.2.3.1 MR37c H Evenwijdige rechten, loodlijnen en symmetrieassen/spiegelassen herkennen en tekenen. 3.4 + 3.6 2.3.21 + 2.3.08 + 3.3.33 3.1.8 + 3.4.5 MK30 + MK34 + MK37 H Constructies maken volgens voorschriften. 3.4 3.3.7 MK44 N Schaal gebruiken. 2.4 3.2.05 2.3.3 MR85 N Een ontwerp maken. 2.4 3.4.03 2.3.6 DO2f + DO2g 43
Blok 5 5 12 H Vraagstukken i.v.m. procent oplossen. 1.21 3.4.02 + 3.1.25 1.17.4 B50b H Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 1 miljard maken. 1.13 + 1.14 1.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.1.12.1 + 1.12.3 B11 + B14 H Vermenigvuldigingen met getallen tot 1 miljard maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.14.1 + 1.14.5 B18 + B19 H Delingen met getallen tot 1 miljard maken. 1.13 2.1.36 + 3.1.31 1.15.1 + 1.15.4 B18 + B19 + B22 + B23 H Het verband inzien tussen volumematen en inhoudsmaten. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Inhoudsmaten omzetten in volumematen en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H De oppervlakte van vlakke figuren berekenen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR42 + MR45c + MR46 H De omtrek van vlakke figuren berekenen. 2.9 2.2.09 2.2.3.4 MR47 H De eigenschap 'de lengte van de schaduw is evenredig met de lengte van het voorwerp' toepassen. 1.21 WO 3.7.5 MK46 5 13 H Een natuurlijk getal delen door een stambreuk. 1.13 1.15.1 B29b H In situaties de bewerkingen met breuken herkennen en oplossen. 1.23 3.1.44 + 1.1.19 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 B2 5 14 H Informatie aflezen, interpreteren en er eenvoudige bewerkingen mee uitvoeren. 1.29 3.1.44 SV 1.1 MR82 H Gemiddelde snelheid berekenen. 2.12 + 4.2 3.2.35 2.5.9 MR89c H Tijdsduur berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR89c 44
Blok 5 5 15 H Het resultaat van een optelling, een aftrekking en een vermenigvuldiging schatten. H Optellingen, aftrekkingen en vermenigvuldigingen met natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend uitvoeren. H Het resultaat van een bewerking controleren door de uitkomst te vergelijken met de schatting. H Het resultaat van een aftrekking controleren door de omgekeerde bewerking te maken. H Het resultaat van een vermenigvuldiging controleren door de negenproef te maken. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 1.24 3.1.32 + 3.1.33 1.20.2 + 1.21.1 + 1.21.3 + 1.22.3 1.16 3.1.29 1.19.4 + 1.19.5 B46a 1.27 3.1.29 1.24.2 B46b 1.27 3.1.29 1.24.2 B38 t.e.m. B44 5 16 H De enkelvoudige intrest berekenen van een kapitaal dat gedurende een bepaalde tijd uitgezet wordt tegen een bepaalde rentevoet. 1.25 3.2.35 1.17.4 + 2.8.2 MR89f N De begrippen kapitaal, intrest en rentevoet gebruiken. 2.11 3.2.35 2.8.2 MR89f 5 17 H Vraagstukken als toepassing op bewerkingen (+, -, x en :) met natuurlijke getallen oplossen. 1.24 3.4.02 + 1.1.30 + 2.1.39 + 3.1.31 1.20.1 + 1.21.1 + 1.22.1 + 1.23.1 B49 t.e.m. B51 N Het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO1 45
Blok 5 5 18 H In situaties de bewerkingen met breuken herkennen en oplossen. 1.23 3.1.44 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 H Het resultaat van een optelling, een aftrekking en een vermenigvuldiging schatten. H Optellingen, aftrekkingen en vermenigvuldigingen met natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend uitvoeren. H Het resultaat van een bewerking controleren door de uitkomst te vergelijken met de schatting. H Het resultaat van een aftrekking controleren door de omgekeerde bewerking te maken. H Het resultaat van een vermenigvuldiging controleren door de negenproef te maken. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 1.24 3.1.32 + 3.1.33 1.20.2 + 1.21.1 + 1.21.3 + 1.22.3 1.16 3.1.29 1.19.4 + 1.19.5 B46a 1.27 3.1.29 1.24.2 B46b 1.27 3.1.29 1.24.2 H Een dienstregeling lezen. 2.3 WO 2.4.17 MR82 H Tijdsduur berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR89c H De enkelvoudige intrest berekenen van een kapitaal dat gedurende een bepaalde tijd uitgezet wordt tegen een bepaalde rentevoet. 1.25 3.2.35 1.17.4 + 2.8.2 MR89f B2 B38 t.e.m. B44 5 19 H De zijvlakken van een kubus, een balk en een cilinder onderzoeken. 3.4 3.3.21 3.2.2 MR47 H De oppervlakte van een kubus, een balk en een cilinder bepalen. 2.9 2.2.3.9 + 2.2.3.11 MR47 5 20 H Het resultaat van een deling schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 H Delingen cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.34 1.23.1 B43 H De gelijkheid D = d x q + r gebruiken. 1.24 3.1.29 1.24.2 B8b H De waarde van de rest bepalen bij delen door een natuurlijk getal. 1.24 1.23.3 B44 46
Blok 5 5 21 H Lengten lezen en noteren in verschillende maateenheden (kilometer, meter, mijl en zeemijl). H Vreemde maateenheden omzetten in conventionele maateenheden en omgekeerd. 2.3 WO 2.2.3.20 MR86 2.1 WO 2.2.3.20 + 2.5.9 H Snelheid uitdrukken in km per uur, mijl per uur en in knopen. 1.21 + 2.1 3.2.35 + WO 1.17.5 + 2.2.3.20 H Windkracht uitdrukken in beaufort (Bft) en in km per uur. 2.1 WO 2.5.6 MR90 H De temperatuur lezen in graden Celsius ( C) en graden Fahrenheit ( F). 1.7 1.2.25 + WO 2.6.8 MR74 MR86 MR86 5 22 H Onderzoeken hoe het volume verandert als je een of meer afmetingen in dezelfde mate verandert. 2.6 2.2.3.23 MR87 5 23 H Bewerkingen met kommagetallen maken. 1.13 + 1.23 1.1.30 + 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 B30 t.e.m. B34 5 24 H Bewerkingen met kommagetallen maken. 1.13 + 1.23 1.1.30 + 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 B30 t.e.m. B34 H Het resultaat van een deling schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 H Delingen cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.34 1.23.1 B42 + B43 H De gelijkheid D = d x q + r gebruiken. 1.24 3.1.29 1.23.3 B42 t.e.m. B45 H De waarde van de rest bepalen bij delen door een natuurlijk getal. 1.24 1.23.3 B44 H De oppervlakte van een kubus, een balk en een cilinder bepalen. 2.9 2.2.3.9 + 2.2.3.11 H Lengten lezen en noteren in verschillende maateenheden (kilometer, meter, mijl en zeemijl). MR47 2.3 2.2.3.20 MR86 H Snelheid uitdrukken in km per uur, mijl per uur en in knopen. 2.2 3.2.35 + WO 2.2.3.20 + 2.5.9 H Het verband onderzoeken tussen het volume en de ribben van een balk. 2.6 2.2.3.23 MR87 MR86 47
Blok 5 5 25 H Kijklijnen ervaren in de werkelijkheid. 1.29 3.7.2 MK47 H Kijklijnen aangeven op een tekening. 1.29 3.7.4 MK47 H Kijklijnen gebruiken om te bepalen wat in het gezichtsveld ligt. 1.29 3.7.4 MK47 5 26 en 27 H Vraagstukken oplossen waarin een toename of een vermindering procentueel uitgedrukt wordt. 1.21 3.4.02 + 3.1.25 1.17.4 B56 H Toepassingen waarin breuken voorkomen oplossen. 1.23 3.1.44 1.14.3 B49 t.e.m. B51 H Bewerkingen met breuken maken. 1.23 3.1.42 + 3.1.39 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 H Bewerkingen met natuurlijke getallen tot 1 miljard maken. 1.13 + 1.23 1.1.30 + 2.1.36 + 3.1.31 H Bewerkingen met kommagetallen maken. 1.13 + 1.23 1.1.30 + 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 H Rekentaal gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.3 + 1.9.5 B3c H Het resultaat van een optelling, een aftrekking, een vermenigvuldiging en een deling schatten. H Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen met natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend uitvoeren. B28b 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 1.24 3.1.32 + 3.1.33 + 3.1.34 1.20.2 + 1.21.1 + 1.21.3 + 1.22.3 H Het verband kennen tussen volumematen en inhoudsmaten. 2.1 3.2.25 2.2.3.19 MR55 H Inhoudsmaten omzetten in volumematen en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Het volume van een balk bepalen. 2.1 3.2.26 2.2.3.14 MR58 H De oppervlakte van vlakke figuren berekenen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.9 + 2.2.3.11 H De oppervlakte van een balk en een cilinder bepalen. 2.9 2.2.3.9 + 2.2.3.11 H De enkelvoudige intrest berekenen van een kapitaal dat gedurende een bepaalde tijd uitgezet wordt tegen een bepaalde rentevoet. B11 + B14 + B18 + B19 + B22 + B23 B30 t.e.m. B34 B38 t.e.m. B44 MR42 + MR45c + MR46 MR47 1.25 3.2.35 1.17.4 + 2.8.2 MR89f H Symmetrieassen/spiegelassen in figuren tekenen. 3.4 3.3.33 3.4.5 MK37 H Weten dat het voorwerp zich tussen zijn schaduw en de zon bevindt. 1.29 WO 3.7.1 MK46 H Weten hoe het volume verandert als je een of meer afmetingen in dezelfde mate verandert. 2.6 WO 2.2.3.23 MR87 H Kijklijnen gebruiken om te bepalen wat in het gezichtsveld ligt. 1.29 3.7.4 MK47 48
Blok 5 5 28 H Vaststellen dat 1 dm³ gelijk is aan 1 liter. 2.6 3.2.25 2.2.3.22 MR55 H Het verband inzien tussen volumematen en inhoudsmaten (1 m³ = 1000 l en 1 cm³ = 1 ml). 2.1 3.2.25 2.2.3.19 MR55 H Inhoudsmaten omzetten in volumematen en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Weten dat 1 cc gelijk is aan 1 cm³. 2.2 2.2.3.1 + 2.2.3.19 H Het volume van een balk bepalen. 2.1 3.2.26 2.2.3.14 MR58 MR55 5 29 H De oppervlakte van een kubus, een balk en een cilinder bepalen. 2.9 2.2.3.9 + 2.2.3.11 H Weten hoe het volume verandert als je een of meer afmetingen in dezelfde mate verandert. MR47 2.6 2.2.3.23 MR87 5 30 H Het verband kennen tussen volumematen en inhoudsmaten. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Inhoudsmaten omzetten in volumematen en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Het volume van een balk bepalen. 2.1 3.2.26 2.2.3.14 MR58 H De oppervlakte van een balk en een cilinder bepalen. 2.9 2.2.3.9 + 2.2.3.11 H Weten hoe het volume verandert als je een of meer afmetingen in dezelfde mate verandert. MR47 2.6 2.2.3.23 MR87 49
Blok 6 6 1 H De betekenis van hellingspercentages onderzoeken en toepassen. 1.21 3.6.7 MR90 N Hoeken meten. 2.2 3.2.31 2.7.7 + 2.2.8 MR77 N Een tekening op schaal maken. 2.4 3.2.03 2.3.4 MR85 + MR87 6 2 H De oppervlakte van niet-veelhoeken bij benadering bepalen. 2.9 2.2.19 2.2.3.11 MR48 H De oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR45 6 3 H Vraagstukken i.v.m. prijsberekening oplossen: MR89a - de totale prijs van een mengsel bepalen; 1.21 + 2.6 3.4.02 1.17.5 + 2.2.3.21 - de prijs per... van een mengsel bepalen. 1.21 + 2.6 3.4.02 1.17.5 + 2.2.3.21 MR89 MR89 6 4 H Coördinaten gebruiken om een plaats in een rooster aan te geven of om een plaats terug te vinden. 3.7 2.3.02 3.5.6 MK7 H Aan de hand van een wegbeschrijving een route op een plattegrond aangeven. 3.7 WO 3.6.5 MK7 H Een route ontwerpen en beschrijven (o.a. op een plattegrond/kaart). 3.7 WO 3.6.5 MK7 6 5 H Het volume van een lichaam met een grillige vorm bij benadering bepalen. 2.10 2.2.3.16 MR60 H De inhouds- en volumemaateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.22 + 3.2.08 2.2.3.1 MR54 + MR55 H Eenvoudige herleidingen maken. 2.6 + 2.7 3.2.09 + 3.2.23 2.2.3.21 MR28 H Een maat uitgedrukt in verschillende maateenheden noteren als een kommagetal en omgekeerd. 2.6 + 2.7 3.2.09 + 3.2.23 2.2.3.21 MR28 50
Blok 6 6 6 H Een stijging of een daling in procent weergeven. 1.21 1.17.4 MR90 H De oppervlakte van niet-veelhoeken bij benadering bepalen. 2.9 2.2.19 2.2.3.11 MR48 H De oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR45 H Vraagstukken i.v.m. prijsberekening oplossen: MR89a - de totale prijs van een mengsel bepalen; 1.21 + 2.6 3.4.02 1.17.5 + 2.2.3.21 - de prijs per... van een mengsel bepalen. 1.21 + 2.6 3.4.02 1.17.5 + 2.2.3.21 H Het volume van een lichaam met een grillige vorm bij benadering bepalen. 2.10 2.2.3.16 MR60 H De inhouds- en volumemaateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.22 + 3.2.08 2.2.3.1 MR54 + MR55 H Eenvoudige herleidingen maken. 2.6 + 2.7 3.2.09 2.2.3.21 MR28 H Een maat uitgedrukt in verschillende maateenheden noteren als een kommagetal en omgekeerd. MR89 MR89 2.6 + 2.7 3.2.09 2.2.3.21 MR28 6 7 H Het volume van een cilinder bepalen. 2.10 2.2.3.17 MR59 H Een inhoudsmaat omzetten in een volumemaat en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 N Het volume van een balk bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 MR58 6 8 H Weten wanneer een geschatte of een exacte berekening aangewezen is. 1.16 3.1.29 1.19.7 B52 H De meest geschikte rekenwijze kiezen (cijferen, hoofdrekenen of zakrekenmachine). 1.29 3.1.30 SV 1.1.2 B52 6 9 H In vierhoeken diagonalen tekenen. 3.2a 3.3.05 3.1.7 + 3.1.8 MK18 H De eigenschappen van de diagonalen in vierhoeken onderzoeken en verwoorden. 3.4 3.3.06 3.2.4 MK18 H Vaststellen dat bepaalde eigenschappen gelden voor alle vierhoeken van een bepaalde soort. 3.4 3.3.06 3.2.4 MK18 H Figuren tekenen volgens voorschriften. 3.4 3.3.06 3.3.7 MK17 + MK18 51
Blok 6 6 10 H De omtrek van een cirkel bepalen. 2.9 3.2.07 2.2.3.5 MR34 H De oppervlakte van een cirkel bepalen. 2.9 3.2.19 2.2.3.13 MR46 6 11 H De vier bewerkingen met kommagetallen tot 1000 maken. 1.23 2.1.36 + 3.1.31 + 1.1.30 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 B30 t.e.m. B34 H Rekentaal i.v.m. bewerkingen gebruiken. 1.9 2.1.27 1.9.3 + 1.9.5 B3 6 12 H Weten wanneer een geschatte of een exacte berekening aangewezen is. 1.16 3.1.29 1.19.7 B52 H De meest geschikte rekenwijze kiezen (cijferen, hoofdrekenen of zakrekenmachine). 1.29 3.1.30 SV 1.1.2 B52 H De vier bewerkingen met kommagetallen tot 1000 maken. 1.23 2.1.36 + 3.1.31 + 1.1.30 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 H Het volume van een cilinder bepalen. 2.10 2.2.3.17 MR59 H De omtrek van een cirkel bepalen. 2.9 3.2.07 2.2.3.5 MR34 H De oppervlakte van een cirkel bepalen. 2.9 3.2.19 2.2.3.13 MR46 H In vierhoeken diagonalen tekenen. 3.2a 3.3.05 3.1.7 + 3.1.8 MK18 H De eigenschappen van de diagonalen in vierhoeken onderzoeken en verwoorden. 3.4 3.3.06 3.2.4 MK18 H Weten dat bepaalde eigenschappen i.v.m. diagonalen gelden voor alle vierhoeken van een bepaalde soort. 3.4 3.3.06 3.2.4 MK18 B30 t.e.m. B34 6 13 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen toepassen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G27 52
Blok 6 6 14 H Het verband tussen de neerslag uitgedrukt in liter per vierkante meter en in mm onderzoeken en vaststellen. 2.6 2.2.3.22 + 2.2.3.23 H Het volume van balken en cilinders bepalen en uitdrukken in m³, dm³ of cm³. 2.10 3.2.23 + 3.2.26 2.2.3.14 + 2.2.3.17 MR90 MR58 + MR59 H Inhoud uitdrukken in l, dl, cl of ml. 2.1 3.2.08 2.2.3.1 MR51 H Eenvoudige herleidingen maken tussen: 2.6 + 2.7 2.2.3.21 MR28 - volumematen; 2.6 + 2.7 3.2.23 2.2.3.21 MR28 + MR54 - inhoudsmaten; 2.6 + 2.7 3.2.09 2.2.3.21 MR28 + MR51 - volumematen en inhoudsmaten. 2.6 + 2.7 3.2.25 2.2.3.21 MR28 + MR55 6 15 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven. 1.25 3.2.25 1.17.4 B35 H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn. 1.25 3.2.25 1.17.4 B35 H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn. 1.25 3.2.25 1.17.4 B35 6 16 H Mentaal een standpunt innemen. 3.7 WO 3.5.4 MK6 6 17 H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.2.35 2.5.9 MR89c 6 18 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen toepassen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G27 H Vraagstukken i.v.m. procent oplossen. 1.21 3.4.02 + 3.1.25 1.17.4 B35 H Toepassingen op volume en inhoud maken. 2.10 3.2.36 2.2.3.14 + 2.2.3.17 H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.2.35 2.5.9 MR89c MR58 + MR59 6 19 H Ervaren en verwoorden dat een bepaald volume van elk materiaal een eigen gewicht heeft. 2.6 1.2.12 2.2.3.22 MR65 53
Blok 6 6 20 H Breuken en percentages interpreteren en gebruiken als verhouding. 1.4 3.1.17 1.5.6 + 1.5.7 G14c + G25b H De verhouding tussen de delen onderling en tussen een deel en het geheel uitdrukken. H De delen bepalen als de verhouding tussen de delen onderling of tussen de delen en het geheel gegeven is. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c + G25b 1.21 3.1.17 1.17.2 G14c + G25b 6 21 H De oppervlakte van een vierkant, een rechthoek, een parallellogram, een driehoek en een cirkel bepalen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.8 + 2.2.3.10 + 2.2.3.11 H Het volume van een kubus, een balk en een cilinder bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 + 2.2.3.17 H Een ontbrekende afmeting berekenen als de oppervlakte/het volume gegeven is. 2.10 2.2.3.14 + 2.2.3.17 MR42 t.e.m. MR46 MR58 + MR59 MR42 + MR58 6 22 H Doordenken over een wiskundige situatie. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO2 H Handig rekenen. 1.14 3.1.31 1.11.2 + 1.12.2 + 1.14.7 + 1.15.4 H De zakrekenmachine zinvol gebruiken. 1.26 3.1.36 t.e.m. 3.1.38 B7 1.25.3 B47 + B48 6 23 H Toepassingen op ontvouwingen van kubussen, balken en cilinders maken. 3.2 3.3.25 3.3.9 MK44 54
Blok 6 6 24 H Breuken en percentages interpreteren en gebruiken als verhouding. 1.4 3.1.17 1.5.6 + 1.5.7 G14c + G25b H De verhouding tussen de delen onderling en tussen een deel en het geheel uitdrukken. 1.21 3.1.17 1.17.1 G14c + G25b H Doordenken over een wiskundige situatie. 1.29 3.4.03 SV 1.1 DO2 H De oppervlakte van een vierkant, een rechthoek, een parallellogram, een driehoek en een cirkel bepalen. 2.9 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.8 + 2.2.3.10 + 2.2.3.11 H Het volume van een kubus, een balk en een cilinder bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 + 2.2.3.17 MR42 t.e.m. MR46 MR58 + MR59 H Toepassingen op ontvouwingen van kubussen, balken en cilinders maken. 3.2 3.3.25 3.3.9 MR58 + MR59 6 25 H Een rechthoek/vlakke figuur vormen met gegeven pentominovormen. 3.4 3.3.3 MK25 + MK45 H Oplossingen voor een ruimtelijk probleem (puzzel) bedenken. 3.4 3.3.3 DO2 H Symmetrieassen/spiegelassen in pentominovormen herkennen en tekenen. 3.6 3.3.33 3.4.5 MK36 + MK37 6 26 en 27 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen toepassen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G27 H Vraagstukken i.v.m. procent oplossen. 1.21 3.4.02 + 3.1.25 1.17.4 B35 H Breuken en percentages gebruiken als verhouding. 1.4 3.1.17 1.5.6 + 1.5.7 G14c + G25b H De vier bewerkingen met kommagetallen tot 1000 maken. 1.23 2.1.36 + 3.1.31 + 1.1.30 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 H De betekenis van hellingspercentages toepassen. 1.21 3.6.7 MR90 H De oppervlakte van niet-veelhoeken bij benadering bepalen. 2.9 2.2.19 2.2.3.11 MR48 H De oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR45 H Vraagstukken i.v.m. prijsberekening oplossen. 1.21 + 2.6 3.3.02 1.17.5 + 2.2.3.21 B30 t.e.m. B34 H Het volume van een lichaam met een grillige vorm bij benadering bepalen. 2.10 2.2.3.16 MR60 H Het volume van een cilinder bepalen. 2.10 2.2.3.14 MR59 H Het volume van een balk bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 MR58 H De inhouds- en volumemaateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.22 + 3.2.08 2.2.3.1 MR54 + MR55 MR89a 55
Blok 6 6 26 en H Een inhoudsmaat omzetten in een volumemaat en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 27 H De omtrek van een cirkel bepalen. 2.9 3.2.07 2.2.3.5 MR34 H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.2.35 2.5.9 MR89c H De eigenschappen van de diagonalen in vierhoeken kennen. 3.4 3.3.06 3.2.4 MK18 H Figuren tekenen volgens voorschriften. 3.4 3.3.06 3.3.7 MK17 + MK18 H Mentaal een standpunt innemen. 3.7 WO 3.5.4 MK6 H Toepassingen op ontvouwingen van kubussen, balken en cilinders maken. 3.2 3.3.25 3.3.9 MR58 + MR59 H Symmetrieassen/spiegelassen in pentominovormen herkennen en tekenen. 3.6 3.3.33 3.4.5 MK36 + MK37 6 28 H De omtrek van een cirkel bepalen. 2.9 3.2.07 2.2.3.6 MR34 H De oppervlakte van niet-veelhoeken bij benadering bepalen. 2.9 2.2.19 2.2.3.11 MR48 H De oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR45 H De inhouds- en volumemaateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.22 + 3.2.08 2.2.3.1 MR54 + MR55 H Een inhoudsmaat omzetten in een volumemaat en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Het volume van een cilinder bepalen. 2.10 2.2.3.17 MR59 H Het volume van een balk bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 MR58 H Het volume van een lichaam met een grillige vorm bij benadering bepalen. 2.10 2.2.3.16 MR60 H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.2.35 2.5.9 MR89c 6 29 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen toepassen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G27 H Vraagstukken i.v.m. procent oplossen. 1.21 3.4.02 + 3.1.25 1.17.4 B35 56
Blok 6 6 30 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen toepassen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 t.e.m. 3.1.24 1.4.15 G27 H Vraagstukken i.v.m. procent oplossen. 1.21 3.4.02 + 3.1.25 1.17.4 MR89c H De omtrek van een cirkel bepalen. 2.9 3.2.07 2.2.3.5 MR34 H De oppervlakte van niet-veelhoeken bij benadering bepalen. 2.9 2.2.19 2.2.3.11 MR48 H De oppervlakte van veelhoeken bepalen. 2.9 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.10 MR45 H De inhouds- en volumemaateenheden kennen en gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.22 + 3.2.08 2.2.3.1 MR54 + MR55 H Een inhoudsmaat omzetten in een volumemaat en omgekeerd. 2.6 3.2.25 2.2.3.21 MR55 H Het volume van een cilinder bepalen. 2.10 2.2.3.17 MR59 H Het volume van een balk bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 MR58 H Het volume van een lichaam met een grillige vorm bij benadering bepalen. 2.10 2.2.3.16 MR60 H Vraagstukken i.v.m. snelheid oplossen. 2.12 + 4.2 3.4.02 + 3.2.35 2.5.9 MR89c 57
Blok 7 7 1 H Van staafdiagrammen gegevens aflezen. 1.8 WO 1.18.17 MR82 H Grafieken interpreteren. 1.8 WO 1.18.19 MR82 H Gegevens van een tabel omzetten in een grafiek. 1.8 WO 1.18.18 MR82 H Een legende aanvullen. 1.8 WO 1.18.16 MR82 7 2 en 3 H Een schets maken om problemen i.v.m. omtrek, oppervlakte en volume op te lossen. 1.29 3.2.36 SV 1.1.2 DO2a H Problemen i.v.m. omtrek en oppervlakte van vlakke figuren oplossen. 2.9 3.2.36 2.2.3.4 + 2.2.3.10 H Problemen i.v.m. oppervlakte en volume van ruimtefiguren oplossen. 2.9 3.2.36 2.2.3.4 + 2.2.3.10 N Ervaren en inzien dat ruimtefiguren met een zelfde oppervlakte een verschillend volume kunnen hebben en omgekeerd. MR88 MR88 2.6 2.2.3.23 MR57 7 4 H Het gewicht berekenen als het volume (of de afmetingen) en het gewicht van 1 dm³ van het materiaal gegeven zijn. H Het volume berekenen als het totale gewicht en het gewicht van 1 dm³ van het materiaal gegeven zijn. 2.6 2.2.3.22 MR89g 2.6 2.2.3.22 MR89g 7 5 H Veelhoeken en ruimtefiguren herkennen en benoemen. 3.4 3.3.04 + 3.3.08 + 3.3.20 + 3.3.22 + 3.3.24 + 3.3.26 H De eigenschappen van vlakke figuren en ruimtefiguren benoemen. 3.4 3.3.04 + 3.3.08 + 3.3.20 + 3.3.22 + 3.3.24 + 3.3.26 3.2.1 + 3.2.2 + 3.2.8 3.2.1 + 3.2.2 + 3.2.8 MK24 t.e.m. MK27 MK24 t.e.m. MK27 58
Blok 7 7 6 H Cijferend optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. 1.24 3.1.32 t.e.m. 3.1.34 H Een schets maken om problemen i.v.m. omtrek, oppervlakte en volume op te lossen. 1.20.2 + 1.21.1 + 1.21.3 + 1.22.3 1.29 3.2.36 SV 1.1.2 DO2a H Problemen i.v.m. omtrek en oppervlakte van vlakke figuren oplossen. 2.9 3.2.36 2.2.3.4 + 2.2.3.10 H Problemen i.v.m. oppervlakte en volume van ruimtefiguren oplossen. 2.9 3.2.36 2.2.3.4 + 2.2.3.10 H Het gewicht berekenen als het volume (of de afmetingen) en het gewicht van 1 dm³ van het materiaal gegeven zijn. H Het volume berekenen als het totale gewicht en het gewicht van 1 dm³ van het materiaal gegeven zijn. B38 t.e.m. B44 MR88 MR88 2.6 2.2.3.22 MR89g 2.6 2.2.3.22 MR89g H Veelhoeken en ruimtefiguren herkennen en benoemen. 3.4 3.3.04 + 3.3.08 + 3.3.20 + 3.3.22 + 3.3.24 + 3.3.26 H De eigenschappen van vlakke figuren benoemen. 3.4 3.3.04 + 3.3.08 + 3.3.20 + 3.3.22 + 3.3.24 + 3.3.26 3.2.1 + 3.2.2 + 3.2.8 3.2.1 + 3.2.2 MK24 MK24 t.e.m. MK27 7 7 en 8 H Bij ruimtefiguren veelvlakken (kubus, balk en piramide) en niet-veelvlakken (cilinder, bol en kegel) herkennen en benoemen. H Bij veelvlakken de ribben, de hoekpunten en de zijvlakken (grond- en bovenvlak) herkennen en benoemen. 3.4 3.3.24 + 3.3.26 3.2.8 MK27 3.2a 3.3.21 3.1.7 MK27 H Van een veelvlak de ontvouwing herkennen en tekenen. 3.2 3.3.25 3.3.9 MK44 H Bij een ontvouwing het corresponderende veelvlak aanduiden. 3.2 3.3.25 3.3.9 MK7 + MK44 H Van een ruimtelijke situatie een voorstelling maken in twee dimensies en omgekeerd. 3.7 1.3.06 3.5.5 MK7 + DO2 H Constructies volgens voorschriften maken. 3.4 3.2.36 3.3.7 MK44 59
Blok 7 7 9 H De betekenis van bevolkingsdichtheid verwoorden en toepassen. 1.29 SV 1.1 MR90 H Tabellen i.v.m. het weer en wisselkoersen aflezen en interpreteren. 1.8 WO 1.18.13 + 1.18.14 N Oppervlakte van grillige vormen bepalen. 2.9 3.2.16 2.2.3.10 + 2.2.3.11 MR82 MR48 7 10 H De standaardprocedure of handig rekenen toepassen bij alle bewerkingen met natuurlijke getallen en kommagetallen. 1.13 + 1.23 3.1.30 + 3.1.31 1.11.1 + 1.11.2 + 1.12.1 + 1.12.2 H Andere symbolen voor de vermenigvuldiging kennen en hanteren (. en *). 1.9 3.1.27 1.9.5 B3 B9 + B34 7 11 H Omrekeningstabellen lezen en hanteren. 1.8 1.18.13 + 1.18.14 H Gegevens van diagrammen en grafieken aflezen. 1.8 WO 1.18.13 + 1.18.17 H Gegevens voorstellen in een grafiek. 1.8 WO 1.18.18 MR82 H De mediaan berekenen. B57b H Verhoudingen uitdrukken in breuken en percentages. 1.4 3.1.17 1.5.6 + 1.5.7 G25b + G14c MR82 MR82 7 12 H De betekenis van bevolkingsdichtheid toepassen. 1.29 SV 1.1 MR90 H Breuken gelijknamig maken. 1.22 3.1.20 1.4.13 G17 H Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16 H Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen maken met getallen tot 10 miljoen. 1.13 1.1.30 + 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 H Breuken optellen. 1.13 2.1.44 + 3.1.39 1.11.1 B26 H Cijferend aftrekken, vermenigvuldigen en delen. 1.24 2.1.40 + 3.1.33 + 3.1.34 1.21.1 + 1.21.3 + 1.22.3 H Oppervlakte van niet-veelhoeken bij benadering bepalen. 2.9 2.2.19 2.2.3.11 MR48 H Bedragen in euro omzetten in vreemde valuta. 2.11 + 4.3 3.2.27 2.8.7 MR88 H Mentaal een standpunt innemen. 3.7 WO 3.5.4 B11e + B14e + B18 + B19 + B23 B39 t.e.m. B44 60
Blok 7 7 13 H Schatten door gebruik te maken van referentiematen/-punten. 2.8 3.3.01 2.2.3.18 MR18 H Volume en oppervlakte van ruimtefiguren berekenen. 2.9 + 2.10 3.2.26 2.2.3.9 + 2.2.3.14 H Lengten meten. 2.1 2.2.01 2.2.3.2 + 2.2.3.3 N Hoeveelheden schatten. 1.17 3.1.29 1.8.2 B37 N Verhoudingen bepalen. 1.21 3.1.17 1.17.1 B53 MR88 MR31 7 14 H Het begrip promille verwoorden en hanteren. 1.6 1.2.10 + 1.17.5 H Het symbool benoemen en noteren. 1.6 1.2.10 H Gegevens van een tabel omzetten in een diagram of een grafiek en omgekeerd. 1.8 WO 1.18.18 + 1.18.20 + 1.18.23 H Grafieken en diagrammen interpreteren. 1.8 WO 1.18.19 + 1.18.25 H Een legende lezen. 1.8 WO 1.18.17 + 1.18.21 MR83 MR83 MR83 7 15 H Toepassingen op het gebruik van passer en graadboog (geodriehoek) bij het tekenen van cirkels en veelhoeken maken. 3.4 3.3.18 + 3.3.19 3.3.7 + 3.3.8 + 3.3.10 H Een eigen ontwerp maken. 3.4 3.3.7 + 3.3.8 + 3.3.10 MK48 7 16 H Vraagstukken over inhoud, gewicht en geld oplossen. 1.21 + 1.25 3.4.02 + 3.2.36 1.17.4 + 1.17.5 MR89g 61
Blok 7 7 17 H Gegevens van diagrammen en grafieken aflezen. 1.8 WO 1.18.17 + 1.18.22 H Gegevens voorstellen in een grafiek. 1.8 WO 1.18.18 + 1.18.23 H Het gemiddelde berekenen. 1.17 3.1.02 1.18.13 B57a H Verhoudingen uitdrukken in breuken en percentages. 1.4 3.1.17 1.5.6 + 1.5.7 G25b + G14c MR83 MR83 7 18 H Het begrip promille hanteren. 1.6 1.2.10 + 1.17.5 H Gegevens van een tabel omzetten in een lijngrafiek. 1.18 WO 1.18.23 MR83 H Grafieken en diagrammen interpreteren. 1.18 WO 1.18.19 + 1.18.25 H Eenvoudige bewerkingen maken met de gegevens van een tabel. 1.18 1.1.30 + 2.1.36 1.18.17 + 1.18.22 H Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen met natuurlijke getallen en kommagetallen maken. H Toepassingen op het gebruik van passer en graadboog (geodriehoek) bij het tekenen van cirkels en veelhoeken maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.36 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 3.4 3.3.18 + 3.3.19 3.3.7 + 3.3.8 + 3.3.10 MR83 MR83 B11 + B14 + B18 + B19 + B22 + B23 MK48 7 19 H Een overzicht maken van gegevens en meetresultaten van de leerlingen van de klas. 1.8 1.18.12 + 1.18.18 + 1.18.23 MR83 62
Blok 7 7 20 t.e.m. 23 H Het gemiddelde berekenen. 1.17 3.1.02 1.18.13 B57a H De mediaan bepalen (niet voor OVSG en GO). B57b H Het ontbrekende getal zoeken wanneer het gemiddelde, het aantal getallen en op één na alle getallen gegeven zijn. H Op een getallenlijn steunpunten noteren om een gegeven kommagetal te plaatsen. 1.17 3.1.02 1.18.13 B57 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 H De gelijkwaardigheid tussen percentages, breuken en kommagetallen toepassen. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 + 3.1.23 + 3.1.24 1.4.15 G27 H Kommagetallen aanvullen tot een geheel getal. 1.23 2.1.20 + 1.1.30 1.11.1 G36 H Getallen tot 100 miljard splitsen en ontbinden. 1.13 2.1.04 1,11,1 G13 H Een breuk nemen van een getal tot 10 miljoen. 1.23 1.1.19 1.14.3 B25 H Het geheel bepalen als de gematerialiseerde breuk gegeven is. 1.5 2.1.17 1.14.3 B25 H Breuken, kommagetallen en percentages vergelijken. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 + 3.1.23 + 3.1.24 1.4.15 G27 H Het deel berekenen als het percentage en het totaal gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 G25 H Het totaal berekenen als het percentage en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 G25 H Het percentage berekenen als het totaal en het deel gegeven zijn. 1.25 3.1.25 1.17.4 G25 H Vraagstukken oplossen waarin een toename of een vermindering procentueel uitgedrukt wordt. 1.21 3.4.01 + 1.1.19 1.17.4 B56 H Weten wanneer een getal deelbaar is door 4, 9 en 25. 1.12 3.1.14 + 3.1.15 1.6.8 G31 H De grootste gemeenschappelijke deler van twee natuurlijke getallen bepalen. 1.3 3.1.12 1.6.6 G30 H Het kleinste gemeenschappelijk veelvoud van twee natuurlijke getallen bepalen. 1.3 3.1.13 1.6.9 G32 H De verhoudingen vaststellen tussen de delen onderling en tussen een deel en het geheel. 1.21 3.1.17 1.17.1 G41 H De delen bepalen als de verhouding tussen de delen en het geheel gegeven zijn. 1.21 3.1.17 1.17.2 G41 H Gegevens van een tabel omzetten in een grafiek. 1.18 WO 1.18.18 + 1.18.23 H Van staafdiagrammen gegevens aflezen. 1.8 WO 1.18.17 G40 H Een legende aanvullen. 1.8 WO 1.18.16 G40 H Breuken optellen en aftrekken. 1.23 3.1.39 + 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26 + B27 G40 63
Blok 7 7 20 H Een breuk vermenigvuldigen met een natuurlijk getal. 1.23 3.1.41 1.14.1 B28a t.e.m. H Een natuurlijk getal vermenigvuldigen met een breuk. 1.23 3.1.41 1.14.1 B28a 23 H Een breuk delen door een natuurlijk getal. 1.13 3.1.43 1.15.1 B29a H Een breuk en een kommagetal optellen en aftrekken. 1.13 3.1.40 1.11.1 + 1.12.1 G23 + B28 + B29 H Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen met natuurlijke getallen maken. H Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen met kommagetallen maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.36 + 3.1.31 1.13 1.1.30 + 2.1.36 + 3.1.31 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 H Als er verschillende bewerkingen moeten worden uitgevoerd, toepassen dat: - eerst de bewerkingen tussen de haakjes gemaakt moeten worden; 1.6 2.1.30 1.16.5 B3 - vermenigvuldigen/delen voor optellen/aftrekken gaat. 1.6 2.1.30 1.16.5 B3 H Een ongelijke verdeling maken als het totaal en het verschil tussen de delen gegeven zijn. H Een ongelijke verdeling maken als het totaal en de verhouding tussen de delen gegeven zijn. 4.2 2.1.28 1.17.3 B58a 1.21 2.1.28 1.17.3 B58b B11 + B14 + B18 + B19 + B22 + B23 B30 t.e.m. B34 H Het resultaat van een vermenigvuldiging en een deling schatten. 1.16 3.1.29 1.19.2 B36 + B46 H Optellingen en aftrekkingen met natuurlijke getallen en kommagetallen cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.32 + 2.1.40 1.20.3 + 1.21.3 B38 + B39 H Een kommagetal cijferend vermenigvuldigen met een natuurlijk getal. 1.24 3.1.33 1.22.2 B41 H Het resultaat van een vermenigvuldiging controleren door de negenproef te maken. 1.27 2.1.36 + 3.1.29 1.24.2 H Een kommagetal cijferend delen door een natuurlijk getal < 1000. 1.24 3.1.34 1.23.1 B43 H De waarde van de rest bepalen. 1.24 1.23.3 B44 H Bij lengte, inhoud, gewicht, oppervlakte en volume de verschillende maateenheden kennen en gebruiken. H Bij lengte, inhoud, gewicht, oppervlakte en volume eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.1 + 2.2 2.2.01 + 3.2.08 + 2.2.19 + 3.2.22 2.6 + 2.7 3.2.01 + 3.2.09 + 3.2.14 + 3.2.23 2.2.3.1 MR28 2.2.3.21 MR28 H Tijdsduur berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70 64
Blok 7 7 20 t.e.m. 23 H De omtrek en de oppervlakte van vlakke figuren bepalen. 2.9 2.2.08 + 2.2.23 + 3.2.16 + 3.2.19 2.2.3.4 + 2.2.3.10 MR45 H Toepassingen op schaal maken. 2.4 3.2.04 + 3.2.05 2.3.3 + 2.3.6 MK53 H Vraagstukken over gewicht en geld oplossen. 1.21 3.2.36 1.17.5 MR88 H Vraagstukken over snelheid oplossen. 2.2 3.2.25 2.5.9 MR89c H De oppervlakte van een balk en een cilinder bepalen. 2.3 2.5.9 MR47 H Het volume van een balk bepalen. 2.10 3.2.26 2.2.3.14 MR58 H Driehoeken en vierhoeken tekenen volgens voorschrift. 3.4 3.3.09 + 3.3.04 3.3.7 MK21 H Vierhoeken de passendste naam geven. 3.4 3.3.04 3.2.2 MK18 H Driehoeken volgens de soorten hoeken en volgens de eigenschappen van de zijden benoemen. 3.4 2.3.30 + 2.3.28 + 2.3.26 + 2.3.25 3.2.1 MK22 H Regelmatige veelhoeken herkennen. 3.4 1.3.15 3.2.5 MK24b H De eigenschappen van vierhoeken kennen. 3.4 3.3.04 3.2.2 MK16 + MK18 H Van een bouwsel het vooraanzicht en de zijaanzichten tekenen. 3.1 1.3.06 3.3.2 + 3.3.5 MK7 H Een gegeven bouwsel met zo weinig mogelijk blokken aanvullen tot een balk. 3.1 3.3.2 + 3.3.5 MK7 H Symmetrieassen/spiegelassen in figuren tekenen. 3.6 3.3.33 3.4.6 MK36 + MK37 H Kijklijnen gebruiken om te bepalen wat in het gezichtsveld ligt. 1.29 3.7.4 MK47c H Een ontvouwing van een balk herkennen. 3.2 3.3.25 3.3.9 MK44 65