Module Infectieziekten De CO 2 -voetafdruk van dit drukwerk is berekend met ClimateCalc en gecompenseerd bij: treesforall.nl www.climatecalc.eu Cert. no. CC-000057/NL
Colofon Auteur Esther van Schuur Henriëtte van Grinsven Redactie tekstbureau Vakmaten, Amersfoort Beeld Ontwikkelcentrum Het Ontwikkelcentrum heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Bent u desondanks van mening dat we u hebben benadeeld, dan kunt u contact met ons opnemen. Eerste druk, 2016 2016 Ontwikkelcentrum, Wageningen, Nederland Email: info@ontwikkelcentrum.nl Internet: www.ontwikkelcentrum.nl Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opname of op enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Ontwikkelcentrum.
Inhoudsopgave Inleiding 5 1 Micro-organismen 7 1.1 Oriëntatie 7 1.2 Systematiek en begrippen 7 1.3 Groei van micro-organismen 11 1.4 Bacteriën 14 1.5 Soorten bacteriën 16 1.6 Schimmels en gisten 22 1.7 Protozoën 25 1.8 Opdracht 30 2 Virussen en prionen 31 2.1 Oriëntatie 31 2.2 Virussen 31 2.3 Soorten virussen - hond 32 2.4 Soorten virussen - kat 35 2.5 Soorten virussen konijn 38 2.6 Soorten virussen paard 39 2.7 Soorten virussen rund 40 2.8 Soorten virussen vogels 42 2.9 Prionen 44 2.10 Opdracht 45 3 Parasieten 47 3.1 Oriëntatie 47 3.2 Parasieten 47 3.3 Ectoparasieten 48 3.4 Endoparasieten 53 3.5 Opdracht 57 4 Zoönosen 59 4.1 Oriëntatie 59 4.2 Besmetting 59 4.3 Belangrijke zoönosen van de hond en kat 60 4.4 Zoönosen van vogels 65 4.5 Zoönosen van herkauwers en paarden 66 4.6 Opdracht 68 5 Preventie van infectie 69 5.1 Oriëntatie 69 5.2 Reinigen 69 5.3 Desinfecteren 73 5.4 Steriliseren 78 5.5 Persoonlijke hygiëne 80 3
5.6 Hygiëne bij materialen 83 5.7 Hygiëne in verschillende ruimtes 84 5.8 Opdracht 88 Begrippenlijst 89 4
Inleiding Kwalificatiedossier Dierverzorging De module Infectieziekten is onderdeel van een serie modulen van het Ontwikkelcentrum voor het kwalificatiedossier Dierverzorging. De inhoud van deze module sluit aan bij het Basisdeel Kerntaak 1 Zorgdragen voor dieren van dit kwalificatiedossier. Infectieziekten Om dieren professioneel te kunnen verzorgen, is het noodzakelijk kennis te hebben van infectieziekten van dieren. De module Infectieziekten gaat over kleine organismen die ziekten kunnen veroorzaken bij mensen en dieren. Van de kleinste ziekteverwekker, het prion, tot aan ectoparasieten zoals de lintworm, die wel meer dan een meter lang kan worden. Ook bespreken we wat je kunt doen om besmetting door ziekteverwekkers te voorkomen. Hoofdstuk 1 tot en met 3 De module Infectieziekten bestaat uit vijf hoofdstukken. In de eerste drie hoofdstukken worden de verschillende ziekteverwekkers behandeld. Hoofdstuk 1, Micro-organismen, gaat over organismen, levende wezens, die zo klein zijn dat je ze met het blote oog niet kunt zien. Hiertoe behoren de bacteriën, schimmels, gisten en protozoën. Omdat virussen en prionen geen organellen hebben, kunnen ze niet zelfstandig leven. Deze twee groepen ziekteverwekkers worden daarom apart behandeld in hoofdstuk 2, Virussen en prionen. In hoofdstuk 3 worden de parasieten behandeld. Deze ziekteverwekkers worden onderverdeeld in ectoparasieten, die leven op het lichaam van een ander organisme, en endoparasieten die leven in het lichaam van hun gastheer. Velen zijn zo groot dat je ze zonder hulpmiddelen kunt zien. Hoofdstuk 4 en 5 Infectieziekten zijn niet alleen gevaarlijk voor dieren, ook mensen kunnen hiermee besmet worden. Hoofdstuk 4, Zoönosen, vertelt met welke dierziektes mensen besmet kunnen worden en hoe deze besmettingen plaatsvinden. Ook leer je wat voor verschijnselen deze zoönosen bij mensen veroorzaken. In het laatste hoofdstuk, Preventie van infectie, leer je hoe je kunt voorkomen dat ziekteverwekkers zich verspreiden. Met een goede hygiëne kunnen veel infectieziekten worden voorkomen. Verdiepingsstof Sommige onderdelen in deze module hebben een oranje kopje en zijn voorzien van een plusteken. Is dat het geval, dan is er sprake van plusstof voor leerlingen die onderwijs volgen op niveau 4. Deze lesstof is in principe alleen voor deze leerlingen bedoeld. Wij wensen je veel leerplezier en succes bij het verwerken van de inhoud van deze module. De auteurs De digitale opdrachten, bronnen en hulpmiddelen, die herkenbaar zijn aan het computersymbool, kun je vinden op http://ontwikkelcentrum.nl/kenniskiem 5
6
1 Micro-organismen 1.1 Oriëntatie Overal om ons heen en zelfs op en in ons lichaam zijn micro-organismen aanwezig. Micro-organismen zijn levende organismen die zo klein zijn, dat je ze met het blote oog niet kunt zien. Ook bij dieren en in voedsel komen micro-organismen in grote aantallen voor. Rondom de wortels van planten bijvoorbeeld leven miljoenen bacteriën, die de plant helpen om stikstof uit de grond op te nemen. In elke druppel water leven vele soorten protozoën en bacteriën, in grote hoeveelheden. In elke uitademing tref je enkele micro-organismen aan en onze huid is bezaaid met bacteriën. Zet maar eens een vingerafdruk op een voedingsbodem voor bacteriën. Na 48 uur zie je dan al enkele kolonies ontstaan. Een zo n kolonie bestaat uit meer bacteriën dan er mensen in Nederland wonen. Afb. 1.1 1.2 Systematiek en begrippen Microbiologie Micro-organismen zijn levende wezens, organismen, die zo klein (micro) zijn, dat ze niet of nauwelijks met het blote oog te zien zijn. Bijvoorbeeld bacteriën, gisten en schimmels. Virussen en prionen hebben geen cellen en worden daarom niet als levend gezien. Het zijn dus geen micro-organismen. Het bestuderen van micro-organismen, virussen en prionen noemen we microbiologie. In de microbiologie wordt er onder andere gekeken naar de indeling in groepen, systematiek, het uiterlijk, morfologie, de manier van vermenigvuldigen en de manier van besmetten. Indeling in groepen In onderstaande afbeelding is een overzicht gegeven van de groepen levende wezens die op aarde voorkomen, systematiek. Er bestaan zoveel verschillendlevende wezzens.e soorten levende wezens, organismen, dat het niet mogelijk ze allemaal in een schema te zetten. Let bij het bekijken van dit schema vooral op de plaats die de micro-organismen innemen tussen de overige organismen. Micro-organismen 7
Afb. 1.2 Indeling van levende wezens. Naamgeving In de systematiek worden organismen met twee namen aangeduid. De eerste naam wordt met een hoofdletter geschreven en is de naam van de groep waartoe het organisme behoort. De tweede naam is de eigennaam, die alleen voor deze specifieke variant gebruikt wordt. Ter illustratie: De wetenschappelijke naam van een belangrijke bacterie bij het paard is Streptococcus equi. 8 Micro-organismen
Ziekteverwekkend Gezonde mensen en dieren komen voortdurend in contact met allerlei soorten micro-organismen. Gelukkig worden we daardoor niet altijd ziek. Sommige micro-organismen kunnen zelfs nuttig zijn. Denk maar aan yoghurtdrankjes waar nuttige melkzuurbacteriën in zitten. Micro-organismen worden ingedeeld op basis van hun mate van schadelijkheid. Met schade bedoelen we dat de micro-organismen bij het dier kunnen binnendringen, dat ze zich in het dier vermenigvuldigen en ziekte veroorzaken, infecteren. Dat kan op verschillende manieren gebeuren, zoals via de lucht (ademhaling), via de huid (een wondje, een beet van een dier), via de spijsvertering (voedsel en water) of door seksueel contact. De veroorzaakte ziekte heet infectieziekte. Of we ziek worden na contact met een bepaalde bacterie, hangt ervan af hoe goed de bacterie in staat is om je ziek te maken. Symbionten of samenlevers: nuttig voor het dier of de mens waarop ze leven, hun gastheer. Bijvoorbeeld bacteriën in de pens van het rund of de darmen van een konijn. Deze bacteriën helpen om het voedsel te verteren. Apathogeen of niet-ziekteverwekkend: niet schadelijk voor hun gastheer. Voorwaardelijk pathogeen of voorwaardelijk ziekteverwekkend: micro-organismen die alleen onder bepaalde omstandigheden ziekte veroorzaken. Bijvoorbeeld bacteriën die normaal op de huid aanwezig zijn, gaan zich ineens vermeerderen als de huid beschadigd is. Dan veroorzaken ze een secundaire bacteriële infectie. Pathogeen of ziekteverwekkend: veroorzaken altijd ziekte bij hun gastheer. Bijvoorbeeld het rabiësvirus dat hondsdolheid veroorzaakt. Als een hond met dat virus in aanraking komt, krijgt hij altijd hondsdolheid. Hoe schadelijk is een micro-orangisme? Van de (voorwaardelijk) pathogene micro-organismen is de ene veel gevaarlijker dan de andere. Hoe schadelijk een micro-organisme is voor zijn gastheer, geef je aan met het begrip virulentie. Een hoogvirulent micro-organisme heeft een hele grote aanvalskracht en is heel gevaarlijk. Als er in het nieuws gesproken wordt over een hoogvirulente variant van het vogelgriepvirus, dan wordt er bedoeld dat het virus waarmee de vogels zijn besmet zich makkelijk en snel vermeerdert in de vogels en snel ziekte zal veroorzaken. Een laagvirulente variant is veel minder gevaarlijk. Over een laagvirulent micro-organisme hoef je je meestal weinig zorgen te maken. Micro-organismen 9
Besmettingsroute Afb. 1.3 Bij verkoudheid kunnen mensen en dieren anderen in hun omgeving direct besmetten Besmetting kan op twee manieren plaatsvinden: direct of indirect. Niesziekte en verkoudheid zijn voorbeelden van directe besmetting. Wanneer een kat die aan niesziekte lijdt, een andere kat in het gezicht niest, verspreidt hij druppeltjes neusuitvloeiing die niesziektevirussen bevatten. De andere kat ademt die druppeltjes met de virussen in en is besmet. Sommige ziekteverwekkers kunnen andere dieren ook over een langere afstand direct besmetten. Dieren hoeven dus niet per se vlak naast elkaar te staan, om elkaar te besmetten. Bij indirecte besmetting wordt de ziekteverwekker overgebracht naar een ander mens of dier via bijvoorbeeld voeding, water of omgeving. Als een hond met een giardia-infectie op straat heeft gepoept, komt de giardia in de omgeving. Een hond of kat die bijvoorbeeld aan besmet gras likt, kan op deze manier indirect met giardia geïnfecteerd worden. Soms is er een tussengastheer nodig om een infectie van de ene gastheer naar de andere over te brengen. De bacterie die de ziekte van Lyme veroorzaakt, is daar een voorbeeld van. Deze wordt via teken (de tussengastheer) van het ene zoogdier naar het andere overgedragen. Ook dit is een vorm van indirecte besmetting. Parasiet of parasiet? Bij biologie leer je dat alle organismen die leven ten koste van andere organismen parasieten zijn. Ze parasiteren op andere organismen. In de diergeneeskunde worden alleen meercellige ziekteverwekkende organismen parasieten genoemd. Andere pathogene micro-organismen, zoals gisten, schimmels en bacteriën, parasiteren ook op andere organismen, maar worden in de diergeneeskunde niet tot de parasieten gerekend. In de diergeneeskunde worden bij microbiologie (mogelijk) ziekteverwekkende micro-organismen, virussen, prionen en parasieten behandeld. Samenlevers, symbionten, zijn niet van belang bij infectieziekten. 1. Zet de volgende begrippen in de juiste volgorde, van minst (1) schadelijk naar meest schadelijk (4). 1. Pathogeen / Symbiont / Voorwaardelijk pathogeen / Apathogeen 2. Pathogeen / Symbiont / Voorwaardelijk pathogeen / Apathogeen 3. Pathogeen / Symbiont / Voorwaardelijk pathogeen / Apathogeen 4. Pathogeen / Symbiont / Voorwaardelijk pathogeen / Apathogeen 2. Wat wordt ermee bedoeld als we zeggen dat een micro-organisme zeer schadelijk is? 10 Micro-organismen