Concept kadernotitie Grondstoffenplan
Op 12 januari jl. heeft er een thema-avond voor het nieuw te vormen grondstoffenplan plaatsgevonden. Bij een grondstoffenplan ligt de nadruk meer op de inzameling van herbruikbare grondstoffen in plaats van restafval. Dit uit zich in beloning voor goed scheidingsgedrag, een hoogwaardige dienstverlening voor de aangeboden waardevolle grondstoffen, en laagwaardige dienstverlening op restafval, om daarmee een goed scheidingsgedrag te stimuleren. Dit is een totaal andere insteek dan de huidige algemeen gangbare tweewekelijkse huisvuil-gft afvalinzameling. Deze andere insteek wordt ook wel Omgekeerd Inzamelen genoemd. Insteek op 12 januari was om middels een discussie de principiële keuzes die aan het beleidsplan ten grondslag zullen liggen en de kaders van het omgekeerd inzamelen te bepalen. Dit is gedaan door in een interactieve bijeenkomst aan de hand van een zestal stellingen te discussiëren en te stemmen over de kaders. De stellingen behelsden de volgende onderwerpen: 1. Doelstelling: zo goed als afvalloos (5 kg/inwoner) in 2030 of voldoen aan taakstelling (100 kg/inwoner) in 2020? 2. Laagste kosten of hoogste opbrengst? 3. Wel of geen diftar bij hoogbouw? 4. Mag duurzaamheid iets meer kosten? 5. Hoe Plastic-, Metaal- en Drankverpakkingen (PMD) vorm te geven? 6. Compilatie van voorgaande stellingen. Op 10 mei as. zal een verdiepende beeldvormende sessie plaatsvinden. De eerder genoemde zes stellingen zullen verder uitgediept en aangescherpt worden. In dit stuk vindt u de uitkomsten van discussie en stemrondes. Ook is er per stelling uitgewerkt waar binnen deze kaders voor gekozen is, en dus ook waar juist niet voor gekozen is. 2
Uitkomsten stemming stelling 1: A 0 B 7 C 12 De nadruk ligt duidelijk op C, dit duidt op omgekeerd inzamelen. Het resultaat van 5 kilogram restafval per inwoner in 2030 is een richting en geen hard getal en kan bijna niet behaald worden met standaard methodieken om afvalscheiding en afvalpreventie te bevorderen. Dit vergt een rigoureuze switch in de afvalinzamelingsmethodiek. Quick win zou kunnen zijn om alvast de inzameling van restafval in de gehele gemeente terug te brengen naar eenmaal per 4 weken. Dit past ook mooi bij het gemiddelde aanbiedpercentage (13 maal per jaar). Overig te nemen maatregel zou het invoeren van omgekeerd inzamelen in een nog nader te bepalen pilotgebied van ca. 1500-2000 inwoners kunnen zijn. En dit in te vullen met speerpunten als: - Optimalisering van de oud papierinzameling; - Optimalisering van de inzameling van BEST- goederen (Boeken, Elektrische apparaten, Speelgoed en Textiel), evt. in samenwerking met de kringloopbedrijven in de gemeente en de WSD; - Huis-aan-huis inzameling van metalen en klein wit en bruingoed (elektrische tandenborstel, scheerapparaten, elektrisch gereedschap, etc.) in samenwerkingen met verenigingen; - Inrichten van brengvoorzieningen voor huishoudelijk restafval; - Gescheiden inzameling van tuinafval aan de ene zijde en groente- en fruitafval aan de andere zijde. Deze laatste eventueel gecombineerd met luiers en incontinentie-afval, mits dit niet ten koste gaat van de marktwaarde van de gf-fractie. 3
Deze lijst is nog verder uit te breiden, maar het heeft de voorkeur om dit samen met de bewoners uit het pilotgebied te doen. Immers, zij weten als geen ander welke mogelijkheden zij nog zien om de hoeveelheid restafval te laten afnemen en wat zij van de gemeente nodig hebben om hier uitvoering aan te geven. Bewonersparticipatie zal daarom een belangrijk onderdeel van het pilotproject moeten zijn. De vragen die hierbij gesteld kunnen worden zijn: hoever kan er gegaan worden met het optimaliseren van de afvalscheiding in huis? Niet iedere inwoner zit te wachten op een persoonlijke milieustraat in huis. Wat zijn nu op voorhand al voor de hand liggende afvalstromen om gescheiden in te zamelen? Waar ligt de ondergrens van de dienstverlening? Welke inzamelfrequentie voor restafval is nog wenselijk? Zijn brengpunten voor restafval een optie? En wat is dan de maximale afstand die een burger met zijn restafval nog zou mogen afleggen naar een brengpunt? 4
Uitkomsten stelling 2: A 0 B 17 2 maal geen stem uitgebracht. De uitkomst van deze stelling duidt op de invoering van diftar bij de hoogbouw. Meest voor de hand liggende optie is dan het realiseren van ondergrondse containers bij stapel- en hoogbouwcomplexen met aanbiedregistratie. Dit vergt echter een fikse investering. De kosten per ondergrondse container bedragen ca. 5.000 tot 8.000 euro per stuk (inclusief plaatsing en afhankelijk uitvoering en van het te plaatsen aantal per locatie). Bij de plaatsing van 50 containers zou dit neerkomen op een investering van 250.000 tot 400.000 euro. Hier staat tegenover dat de invoering van diftar in de laagbouw ervoor gezorgd heeft dat de hoeveelheid restafval met 30% gedaald is. De verwachting is dat er bij stapel- en hoogbouw een soortgelijke besparing te behalen valt. Dit zou in 10 jaar tijd een besparing van ca. 500.000 euro op de stortkosten opleveren waardoor de invoering van ondergrondse containers voor de hoogbouw minimaal kostenneutraal kan worden ingevoerd en mogelijk zelfs een besparing kan opleveren van enkele tienduizenden euro op jaarbasis. Indien de plaatsing van de ondergrondse containers slim gekozen wordt, kan dit evt. gecombineerd worden met brengvoorzieningen voor het omgekeerd inzamelen systeem waardoor een verdere optimalisatie mogelijk is. 5
Uitkomsten stelling 3: A 8 B 3 C 8 De ja heeft een lichte voorkeur. Deze stelling raakt een principieel punt. Dienen huishoudens die bovenmatig veel afval aanleveren extra aangeslagen te worden (dus een toeslag op de kosten per lediging) of is het de bedoeling dat deze kosten na rato door de Boxtelse bevolking gedragen worden middels een lineaire kostenopbouw? En zijn er nog andere mogelijkheden om de veel-aanbieders te bereiken? En is dit wenselijk? Het blijkt dat er in de gemeente Boxtel ca. 400 huishoudens zijn die een 240 liter restafvalcontainer 26 maal per jaar aanbieden. Onderzocht kan worden wat maakt dat deze huishoudens hun container nog steeds tweewekelijks aanbieden. Vragen die daarbij gesteld kunnen worden zijn: Is dit uit gewoonte en wordt de container bijvoorbeeld zo goed als leeg aangeboden, of hebben zij echt bovenmatig veel afval? En zijn er dan barrières die door de gemeente weggenomen kunnen worden waardoor de afvalscheiding beter lukt? Eventueel kan dit gecombineerd worden met de pilot van het Omgekeerd Inzamelen. 6
Uitkomsten stelling 4: A 1 B 9 C 4 4 maal geen stem uitgebracht De uitslag laat duidelijk zien dat men van mening is dat de afvalstoffenheffing vooral bedoeld is voor de afvalinzameling en dat de extra werkgelegenheid die hierdoor voor de gemeenschap kan ontstaan alleen maar aanvullend kan zijn, en niet als hoofddoel op zich gezien wordt. Uitgangspunt zou daarom moeten zijn dat er win-win situaties gecreëerd worden. Boxtel kent een actief en uitgebreid bedrijfsleven waar ook op gebied van het sorteren en verwerken van afval mogelijkheden voor werkgelegenheid zijn. Is het wenselijk om te proberen om deze vraag te koppelen aan het aanbod uit de Boxtelse kaartenbakken en zo naast werkplekken ook stageplaatsen en werkervaringsplekken te creëren? Het antwoord op deze vraag lijkt vanzelfsprekend alleen maar ja te kunnen zijn. Vraag is hierbij wel hoe er dan omgegaan moet worden met vermeden kosten voor de algemene middelen. Wie betaalt hiervoor de rekening? Mag er dan gegaan worden voor de maatschappelijk laagste kosten, of is de laagst mogelijk afvalstoffenheffing het uiteindelijk doel? 7
Uitkomsten stelling 5: A 13 B 3 3 maal geen stem uitgebracht Invoering van de inzameling van PMD (Plastic, Metalen (verpakkingen, lees blikjes) en Drankverpakkingen) in de gehele gemeente. Om dit goed te kunnen doen is het van groot belang om dit te combineren met een uitgebreide communicatiecampagne. Vraag hierbij is dan: hoe wordt de burger het best bereikt? Een veelgehoorde klacht is namelijk vaak dat ondanks alle inzet (publicaties, website, afvalkalender, afvalapp, sociale media, ludieke acties) de boodschap de burger vaak niet bereikt. Welke aanvullende bronnen zouden er aangeboord kunnen worden om een groter gedeelte van de doelgroep te bereiken? 8
Uitkomst stelling 6: A 1 B 0 C 7 D 11 Deze stelling was een controle stelling en de uitslag sluit goed aan bij de uitslagen van stelling 1 en 4. De vragen die bij deze beide stellingen gesteld zijn, waren: Stelling 1: Hoever kan er gegaan worden met het optimaliseren van de afvalscheiding in huis? Niet iedere inwoner zit te wachten op een persoonlijke milieustraat in huis. Wat zijn nu op voorhand al voor de hand liggende afvalstromen om gescheiden in te zamelen? Waar ligt de ondergrens van de dienstverlening? Welke inzamelfrequentie voor restafval is nog wenselijk? Zijn brengpunten voor restafval een optie? En wat is dan de maximale afstand die een burger met zijn restafval nog zou mogen afleggen naar een brengpunt? Stelling 4: Hoe moet er omgegaan moet worden met vermeden kosten voor de algemene middelen. Wie betaalt hiervoor de rekening? Mag er dan gegaan worden voor de maatschappelijk laagste kosten, of is de laagst mogelijk afvalstoffenheffing het uiteindelijk doel? Gezocht zal moeten worden naar de wijze waarop voor zowel bronscheiding en werkgelegenheid het meest optimale in de gemeenschap bereikt wordt tegen de laagst mogelijk kosten. 9