Aanvulling Vuistregels NT2



Vergelijkbare documenten
Taallijn aanvulling NT2. Werken met beginnende tweedetaalverwervers

SchakelKlas voor Kleuters

Aanvulling Woordenschat NT2

Schakelklas Kleuters Lelystad

Aanvulling Voorlezen NT2

Tijdens de video- hometraining worden verschillende begrippen gebruikt. In de bijlage geven we een korte omschrijving van deze begrippen.

TAAL IS LEUK. Adviezen om de taalontwikkeling te stimuleren

Achtergrondinformatie over NT2

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen

Leesboekje de school

Hoe gaat het in groep 1/2 b

ER KOMT EEN VRIENDJE BIJ AAPJE PIPPO

Je bent nu al bijna vier jaar en dan mag je naar school. Eerst mag je een paar ochtenden komen kijken.

Verklarende woordenlijst bij de strategieën uit Praten doe je met z n tweeën voor ouders

Vaardighedenlijst Taal stimuleren

Basiswerkboek Gebaren 0-3 jaar, aanvulling

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

PEUTERS MET TOS. Vroeg, 23 mei 2019, Utrecht. Marthe Wijs - van Lonkhuijzen

Joepie!! Ik mag naar OBS Ekenrooi

Thema Kinderen en school. Lesbrief 18. Voor het eerst naar school

Het is goed om een dagelijks ritueel te hebben, bv. even lezen en zingen voor het naar bed gaan.

Gesprekjes voeren Waar sta ik nu?

Tips voor Taal Hoe stimuleer je de taalontwikkeling van je kind?

Er zijn enkele dingen waar u als ouder al op kunt letten in de uitspraak van uw kind:

Welkom op de St. Willibrordschool!

2 Ik en autisme VOORBEELDPAGINA S

Spreekopdrachten thema 2 Geld

Taal leren in de rekenles 1

Naam: Welkom op De Leer!

Taalontwikkeling bij baby s, peuters en kleuters

Plaats: bij de oud papier doos in de dolfijnen groep. Nodig: oud papier doos.

MAMA MIA! FLYNN IS AL GROOT. * 1. Flynn en zijn broers Gil en Kato Dit is Flynn. Hij is vier jaar.

schooltijden 8.30u-12.00u (woensdag tot 12.30u) 13.00u-15.00u

Observatielijst Puk & Ko

Voor het eerst naar school

Welkom op de St. Willibrordschool

Cursistenboek Taalklas.nl Hoofdstuk 11 In de winkel

Je spreekt thuis verschillende talen? Dat is goed voor je kind!

Wat kies ik? PO groep 3 / 4 expositie Waanzien MOTI Breda Voorbereidende les HANDOUT voor leerkrachten behorende bij de powerpoint 1

Introductie in effectief en bewust communiceren. Communicatie; wat is dat eigenlijk?

Tussendoelen Taal: Spraak- Taalontwikkeling

Ontwikkelingslijnen 0-4 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam kind. Taal Beginnende geletterdheid. Beginnende geletterdheid-fase 5

De sociaal emotionele ontwikkeling van het jonge kind

Joepie!! Ik mag naar de basisschool. Welkom op basisschool De Mussenberg

Waarom ga je schrijven: het Jeugdjournaalfilmpje bekijken

Structuur bieden aan je kinderen (10 tips)

Gespreksstructuur bij het uitdragen van beleid: jij- ik-wij

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Wegwijzertje. Website: Mail: 15 januari 2016 Nieuwsbrief nummer 9.

Taalstimulering voor kinderen en volwassenen. Taal en taalbeleid 3 februari 2014

Leesboekje eten en drinken

CHECKLIST LEIDSTERVAARDIGHEDEN DE TAALLIJN

De instroomgroep: Wij proberen onze kinderen zo goed mogelijk te laten instromen op de basisschool. Dit door vast te houden aan dagelijkse rituelen.

Benadering 6: Positieve instelling, rekening houden met anderen

januari 2015 vanaf 4 jaar tekst: Marian van Gog muziek: Ton Kerkhof Ik huppel - BVP Hint Music 2015

Informatieboekje groep 1/2

Wat het effect van een vraag is, hangt sterk af van het soort vraag. Hieronder volgen enkele soorten vragen, geïllustreerd met voorbeelden.

A. Creëer een positief, veilig en rijk leerklimaat door

Spreekopdrachten thema 5 Gemeente

Benadering 6: Positieve instelling, rekening houden met anderen

VOORZETSEL. A) Vul in met een voorzetsel aan in met naast onder op uit. B) De klas : vul het juiste voorzetsel in. 1. Het boek ligt de tafel.

U kunt zich voorstellen dat plotseling wakker worden in Frankrijk iets minder grote problemen veroorzaakt voor het

juni 2015 vanaf 4 jaar tekst: Marian van Gog muziek: Ton Kerkhof Naar de camping

Activiteit 1. Waarnemen Ik kijk en ik knuffel. Doelen. Materiaal. Voortaak

Lesdoelen De kinderen leren dat er woorden zijn die de (soort)naam voor mensen en dieren aanduiden en maken kennis met de term zelfstandig naamwoord.

Positief klimaat creëren: Prijzen en belonen

Waarom ga je schrijven: het Jeugdjournaalfilmpje bekijken

Spreekopdrachten thema 1 Nederland

1.1. Het creëren van een veilige en vertrouwde omgeving

Hotel Hallo - Thema 2 Hallo TELEVISIE KIJKEN

Leer- en ontwikkelingslijnen 2-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Uitprobeerpakket. Toetsboek 4 groep 4 blok 6

Hoe help je meertalige kinderen bij het leren van een tweede taal? Tips voor leerkrachten

Thema Kinderen en school. Lesbrief 20. Op het schoolplein

*Tijdens dit thema leren de kinderen verschillende plaatsen te benoemen bijv. op de kast, in het bedje, onder de tafel enz.

s Speel- & Leerbrief

Rick de Leeuw. Hou me stevig vast

Joepie!! Ik mag naar de basisschool. Welkom op basisschool De Mussenberg

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen

Auditieve oefeningen begin schooljaar. Hakken en plakken

Hoofdstuk 10. Trijntje de Wit. LwjkC10: Titelpagina

Thema Kinderen en school. Les 18. Voor het eerst naar school

kalender 2012 Kant-en-klare tips voor klare taal

Cursistenboek Taalklas.nl Hoofdstuk 1 Het huis

Waar gaan we het over hebben?

Aanvullende informatie ter voorbereiding op de TGN A1. Inleiding. Hoe maakt u de TGN?

Checklist Gesprek voeren 2F - handleiding

Start met voorlezen van het verhaal. De kinderen kunnen lekker luisteren en griezelen, of lachen.

Feedback geven. Feedback kan positief en negatief zijn. Negatieve feedback geven is moeilijk

STEENSOEP OMA VERTELT EEN VERHAAL

Terwijl uw kind niet kijkt, pakt u één van deze dingen op en maakt u er geluid mee. Uw kind zegt wat het hoort.

Leerlijnen peuters en jonge kind (MET extra doelen) versie juli Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Nieuwsboekje voor nieuwe kinderen van de voorschool van IKC Buikslotermeer

APPORTEREN MIJN PERFECTE PUPPY

Handleiding basiswoordenschat.

Checklist Duidelijk Nederlands spreken

Transcriptie:

Aanvulling Vuistregels NT2

Vuistregels Een kind kan pas leren als het zich veilig voelt en over een gezonde dosis zelfvertrouwen beschikt. Het verdient dus prioriteit om dit te realiseren. Leiders/leerkrachten kunnen NT2-beginners hierbij helpen door zo snel mogelijk woorden aan te bieden waarmee de kinderen hun gevoelens en behoeften kunnen uiten. Aangezien deze kinderen nog geen Nederlands kennen, moet de leidster/leerkracht hiervoor andere manieren aanreiken. Zo kan zij bijvoorbeeld plaatjes maken van een kind dat naar de wc gaat, dorst heeft of gevallen is. Met behulp van deze emo-kaarten kan zij nagaan wat er is of wat het kind nodig heeft en kan het kind aangeven wat het wil (Ramoult, 2002). Vuistregels Taalaanbod Veel anderstalige kinderen horen het Nederlands vooral in de peuterspeelzaal of op school. De kinderen leren veel taal door de manier waarop de leerkracht of leidster Nederlands praat. Het is daarom belangrijk dat leidsters en leerkrachten zich bewust zijn van hun taalaanbod (Appel, 2004). Waar moeten zij op letten? Spreektempo en articulatie: praat langzaam en duidelijk. Zinsbouw: praat in korte zinnen. Dus niet: Pak maar even je jasje, dat daar aan de kapstok hangt. Maar wel: Pak je jas. Je jas hangt aan de kapstok. Daar. Accentuering: benadruk belangrijke woorden in een zin. Hierdoor wordt de aandacht van het kind op een bepaald woord gericht en zal het de boodschap beter begrijpen. Bijvoorbeeld: Wil je melk of limonade? Of : Je jas hangt aan de kapstok. Woordkeuze: kies voor makkelijke woorden. Praat liever over het bed in plaats van het poppenbed of over de tas in plaats van de boodschappentas. Ondersteuning met mimiek, gebaren, handelingen en materialen: wijs dingen aan, laat plaatjes zien en doe veel voor. De leidster/leerkracht geeft zo extra hints, waardoor het kind een woord of boodschap beter begrijpt. Hoe meer hints, hoe beter. Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 2

Herhalen en anders verwoorden: herhaal een zin als het kind je niet begrijpt of formuleer de zin anders. Bijvoorbeeld: Leidster/leerkracht: Wat ben je aan het tekenen? Kind: Wat? Leidster/leerkracht: Hier, wat teken je? Handelingen verwoorden: benoem wat er gebeurt. Dit levert een duidelijk en begrijpelijk taalaanbod op. Wanneer de leidster/leerkracht tijdens het inschenken van een glas limonade zegt: Ik schenk een glas limonade in, leert het kind allerlei woorden door te kijken wat er gebeurt. Zeker wanneer handelingen veel worden herhaald, is de kans groot dat het kind zo veel woorden spontaan oppikt. Voorbeelden van regelmatig terugkomende handelingen zijn: de jas aantrekken, veters strikken en fruit eten. Bij het fruit eten kan de leidster/leerkracht bijvoorbeeld het volgende gesprekje voeren: Leidster/leerkracht: Wil je een appel (aanwijzen) of een mandarijn (aanwijzen)? Kind: - wijst de appel aan Leidster/leerkracht: Een appel, jij wilt een appel. Jij vindt een appel lekker. Door telkens nadruk te leggen op appel, pikt de NT2-beginner dit woord makkelijker op. Vervolgens kan de leidster/leerkracht de woordkennis van het kind uitbreiden door het woord stukje te benadrukken. Zo leert het kind dat je een appel in stukjes kunt snijden. Door bovendien de nadruk te leggen op het woord mes, leert het kind dat je een appel met een mes in stukjes kunt snijden: Ik snijd de appel in stukjes. Met een mes, ik snijd met een mes, zie je? En nu krijg jij een stukje appel. Praat altijd in correcte Nederlandse zinnen. Dus niet: Jij limonade hebben? Maar: Wil je limonade? Het is belangrijk dat de leidster/leerkracht zich realiseert dat zij het grote voorbeeld is, waarvan de NT2-beginner Nederlands leert. Wanneer zij in gebrekkig Nederlands tegen een anderstalig kind praat, bestaat het risico dat het kind dit taalgebruik overneemt. Tot slot: in de Taallijn ligt de nadruk op het uitlokken van taalproductie, maar bij NT2-beginners is dit niet het geval. Bij deze kinderen brengt de leidster/leerkracht in het begin juist zelf veel taal in. De taalproductie van het Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 3

kind bestaat dan uit het reageren op dat taalaanbod. In de aanvulling interactief voorlezen en in de aanvulling gesprekken (onder het kopje ontdekactiviteiten ) vindt u hiervan voorbeelden. Vuistregels Interactie Interactie is in de Taallijn een belangrijk punt. Als een kind nog niet zoveel Nederlands spreekt, is interactie niet altijd even makkelijk, omdat het kind dan nog niet veel Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 4

terugzegt. We geven een aantal tips die kunnen helpen om de interactie met beginnende tweedetaalverwervers te verbeteren (Appel, 2004, Stoep, 2005). Topicalisatie: de spreker zet het belangrijkste onderwerp van een zin als het ware apart van de rest van de zin. Dit is fijn voor de NT2-beginner, omdat hierdoor het belangrijkste onderwerp van het gesprek wordt benadrukt. De leidster/leerkracht kan een woord benadrukken aan het begin of aan het eind van een zin: Pindakaas, vind je pindakaas lekker? of Waar hangt hij dan, je jas? Begripscontrole: controleer of je het kind goed hebt begrepen. Dit kan door te herhalen wat het kind heeft gezegd of door verder te vragen. Als blijkt dat de leidster/leerkracht het kind niet goed heeft begrepen, dat het kind iets anders bedoelde, biedt zij alsnog de woorden aan die het kind nodig heeft (en misschien niet zelf kon vinden of kende). Bijvoorbeeld: Leerkracht: Göksul, heb jij met de bal gespeeld? Kind: Ja, ik vier winnen! Leerkracht: O, je hebt met de knikkers gespeeld? Kind: Ja! Leerkracht: En je hebt vier knikkers gewonnen? Kind: Ja, ik vier gewonnen! Een ander voorbeeld: Leidster: Haalt je broer je op? Kind: Ja, broer. Vervolgens komt er een man binnen, waarvan de leidster weet dat hij geen broer kan zijn. Kind: Juf kijk, broer! Leidster/leerkracht: Is dat je broer? Kind: (onzeker geworden, want door de reactie van de leidster voelt hij dat er iets niet klopt). De leidster kent de naam van de oudere broer van het kind, dus zij vraagt door: Leidster: Haalt Ismaïl je op? Kind: Nee. Bij navraag blijkt de man een oom te zijn. Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 5

Leidster: Je oom haalt je op. Dat is je oom. Verschillende soorten vragen stellen: open vragen (wie, wat, waar, hoe) leveren weliswaar veel interactie op, maar zijn nog moeilijk voor NT2-beginners. Een kind moet nogal wat taal kennen om een open vraag te kunnen beantwoorden. Begin daarom met meer gesloten vragen, zoals: - Ja/nee vragen: Wil jij een koekje? - Aanwijsvragen: De fiets. Zie je de fiets? Wijs maar aan, de fiets. - Of/of vragen: Is dit een trui of een jas? - Tegendeelvragen: terwijl de leidster/leerkracht een plaatje van een leeuw aanwijst, vraagt zij: Is dit een aap? Dit kan alleen als beide woorden in dit geval leeuw en aap eerder zijn aangeboden en de beginner het juiste antwoord ook echt kan weten (Stoep, 2005). Ook kan de leidster/leerkracht juist beginnen met een open vraag en deze later aanpassen. Bijvoorbeeld: Leerkracht: Hoe is het weer vandaag? Kind: Leerkracht: Is het warm of koud? Kind: Warm. Leerkracht: Ja, het is warm weer vandaag. Geef het kind de tijd om te reageren en bepaal niet altijd zelf het onderwerp van gesprek. Volg de interesses van het kind. Omdat een NT2-beginner moeilijk met woorden kan uitleggen wat hij leuk vindt, kijkt de leidster/leerkracht goed naar het gedrag van het kind. Dit betekent dat zij wat meer tijd moet nemen om een kind te observeren. Is er een bepaalde hoek waar hij graag speelt? Speelt hij vaak met bepaald materiaal? Welke (plaatjes)boeken pakt hij regelmatig? Waar gaan die boeken over? Wat voor tekeningen maakt hij? Wat kan ik te weten komen bij de ouders? Houd er rekening mee dat een NT2-beginner meer begrijpt dan hij kan zeggen. Soms kun je uit een reactie van het kind opmaken dat hij iets heeft begrepen. Hij kijkt bijvoorbeeld naar de paraplu als dat woord net is genoemd. Let op: er is niet alleen sprake van interactie als de gesprekspartners verbaal op elkaar reageren, maar ook als het kind non-verbaal reageert, bijvoorbeeld door te wijzen of te knikken. Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 6

Vuistregels Feedback NT2-beginners moeten niet alleen veel Nederlands horen, het is ook van belang dat zij worden verbeterd als ze fouten maken. De leidster/leerkracht verbetert de kinderen altijd spelenderwijs (Appel, 2002), (Elsäcker, 2006). Modelleren en uitbreiden: als een NT2-beginner iets niet goed zegt, herhaalt de leidster/leerkracht de uitspraak in verbeterde vorm. Bijvoorbeeld: Kind: Ik pop. Leidster: Ja, jij pakt de pop. Of: Kind: Ik spel bij kast. Leerkracht: Goed zo! Jij legt het spel in de kast. Verbeter de uitspraak van kinderen door een uitspraak correct te herhalen. Door feedback te geven op de taaluitingen van de NT2-beginner, kan de leidster of leerkracht laten merken dat zij het kind begrijpt en volgt. Dit motiveert het kind om meer te praten. De leidster/leerkracht: herhaalt wat het kind zegt; geeft luisterresponsen, zoals mmm, ja, o ; spreekt waardering uit voor wat het kind zegt. Zeg niet alleen Goed zo!, maar benoem ook wát er goed is. Bijvoorbeeld: De juf vraagt aan Habibullah of het mooi weer is vandaag. Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 7

Habibullah: Regen. Leerkracht: Heel goed, Habibullah, het regent. Dat heb je goed gezien. Vuistregel Total Physical Response (TPR) Jonge kinderen leren taal door te doen. Terwijl ze met andere dingen bezig zijn, horen en leren ze taal; tijdens het buitenspelen, het knutselen of tijdens het eten en drinken. Total Physical Response, ofwel de TPR-methode, is een manier van taalleren die aansluit bij dit gegeven. Het leren van taal is hierbij verbonden aan een fysieke activiteit; het kind voert bijvoorbeeld een opdracht uit of doet iets met een voorwerp (Oskam, 2002). Omdat onderzoek heeft uitgewezen dat het werkt als aan taalleren een actieve component wordt verbonden (Verhelst, 2003), nemen we de TPR-methode hier als vuistregel op. Een belangrijk principe van de TPR-methode is dat kinderen taal leren door eerst te luisteren en dan iets te doen. Als een kind de opdracht krijgt om iets te doen, kan de leidster/leerkracht meteen zien of het kind de opdracht goed uitvoert. Is dat niet het geval, dan is direct duidelijk dat de boodschap niet is overgekomen. Hier kan de leidster/leerkracht vervolgens op inspringen. Een groot voordeel van de TPR-methode is dat deze manier van taalleren voor NT2-beginners weinig stress oplevert: ze worden op geen enkele manier gedwongen om te praten. Hoe werkt de TPR-methode? In het speellokaal kan Total Physical Response worden uitgevoerd in drie stappen. Het voordeel van een speellokaal is dat hier alle ruimte is om de kinderen opdrachten te laten uitvoeren. De leidster /leerkracht verwoordt de opdracht en doet het voor. De groep doet het na. Een kind voert de opdracht alleen uit. Bijvoorbeeld: Stap 1: De leidster/leerkracht zegt: Kijk, ik loop naar de deur en loopt naar de deur. Ze kan de kinderen mee laten lopen, terwijl ze de opdracht nog een keer verwoordt: Ik loop naar de deur. Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 8

Stap 2: De leidster/leerkracht zegt: Nu jullie, jullie lopen naar de deur. Ze doet het zelf niet meer voor en de kinderen voeren nu samen de opdracht uit. De leidster/leerkracht controleert of de kinderen de opdracht goed uitvoeren en stuurt eventueel bij. Stap 3: De leidster/leerkracht laat een kind de opdracht alleen uitvoeren: Ammar, loop naar de deur. Heel goed, jij loopt naar de deur. Ook kunnen leidsters/leerkrachten de TPR-methode toepassen in de peuterspeelzaal of in de klas. Probeer dit in te bedden in andere activiteiten. Bijvoorbeeld: De juf wil drie NT2-beginners leren wat je jas aan de kapstok hangen betekent. Na het buitenspelen s ochtends verzamelt ze de drie kinderen bij de kapstok. Kijk, dit is de kapstok (ze wijst naar de kapstok). Zie je, de kapstok. Ik ga mijn jas ophangen aan de kapstok. Zo, ik hang mijn jas aan de kapstok. Kunnen jullie je jas ook aan de kapstok hangen? Goed zo! Jullie hangen je jas aan de kapstok. Na het buitenspelen s middags herhaalt zij dit nog eens en geeft ze de opdracht ook aan individuele kinderen: Ik hang mijn jas aan de kapstok. Shaxy, hang jij ook je jas aan de kapstok? Als de kinderen wat meer woorden kennen, kan de leidster/leerkracht er een spelletje van maken: Manuel, hang jij je schaar aan de kapstok? (nee!) Hang jij je jas aan de kapstok? (Ja!) Heel goed, hang jij je jas maar aan de kapstok. Leidsters/leerkrachten kunnen de TPR-methode gebruiken om nieuwe woorden uit te leggen, maar ook om te controleren of de kinderen bepaalde woorden en zinnen begrijpen. Bijvoorbeeld: Controle Leidster: Aishe, leg de schaar maar op tafel. Aishe legt de schaar op haar stoel, dus de leidster weet nu dat zij het woord schaar wel begrijpt, maar het woord tafel nog niet. Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 9

Uitleggen Leerkracht: Kijk, ik heb een schep. Ik ga scheppen in het zand. Zie je, ik ben aan het scheppen. Kun jij ook scheppen? Zullen we samen scheppen? Laat maar zien. Goed zo! Jij schept in het zand. Met een schep. Jij kunt goed scheppen zeg! In dit voorbeeld wil de leerkracht het woord scheppen uitleggen. Telkens als het woord scheppen voorkomt, legt ze daar extra nadruk op. Zij benoemt steeds de handelingen van het kind en geeft complimentjes. De leidster/leerkracht kan een TPR-oefening moeilijker en makkelijker maken. Zo kan zij haar spreeksnelheid variëren als ze de opdracht geeft. Een opdracht die langzaam wordt uitgesproken, is makkelijker te volgen dan een snel uitgesproken opdracht. Verder kan de leidster/leerkracht een TPR-oefening moeilijker maken door meerdere opdrachten in één keer te geven. Bijvoorbeeld: Liam, Loop naar de tafel en pak de lijm uit de kast. Of: Loop naar de tafel, pak de lijm uit de kast en geef de lijm aan Bernice. De leidster/leerkracht kan TPR niet alleen inzetten om het taalbegrip van kinderen te bevorderen, maar ook om taalproductie uit te lokken. Zo kan zij na een TPR-oefening bijvoorbeeld een vraag stellen: De juf zegt tegen Mimoen: Geef Mara een hand. Vervolgens vraagt ze aan Mara: Wat doet Mimoen? Ze kan ook aan Mimoen zelf vragen: Mimoen, wat doe je? of, iets moeilijker: Mimoen, wat heb je gedaan? De leidster/leerkracht kan ook taalproductie uitlokken door aan de kinderen te vragen of ze elkaar een opdracht kunnen geven, maar dit is erg moeilijk. Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 10

De TPR-methode heeft raakvlakken met het verwoorden van handelingen, waarbij handelingen (van de leidster/leerkracht of van het kind) worden verwoord. Bij TPR gaat het erom dat een opdracht precies wordt verwoord en benoemd. Bij de speerpunten komt aan de orde op welke wijze leidsters/leerkrachten de TPRmethode kunnen inzetten binnen de Taallijn. Sardes, Taallijn aanvulling NT2, 2008 11