VISCOSITEIT VAN VLOEISTOFFEN



Vergelijkbare documenten
Vallen Wat houdt je tegen?

De olie uit opgave 1 komt terecht in een tank met een inhoud van liter. Hoe lang duurt het voordat de tank volledig met olie is gevuld?

Wiskundige vaardigheden

Foutenberekeningen Allround-laboranten

De massadichtheid, dichtheid of soortelijke massa van een stof is de massa die aanwezig is in een bepaald

Het drie-reservoirs probleem

10 Materie en warmte. Onderwerpen. 3.2 Temperatuur en warmte.

Tentamen Planning 2de semester Wetenschappelijk verslag Lenzen en Hydrodynamica. 17 februari 2006 Meten en experimenteren 1

Bloedsomloop. 1 Inleiding. 2 Meetopstelling. VWO Bovenbouwpracticum Natuurkunde Practicumhandleiding

Verzameling oud-examenvragen

vwo: Het maken van een natuurkunde-verslag vs

Examen HAVO. wiskunde B (pilot) tijdvak 2 woensdag 20 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Foutenberekeningen. Inhoudsopgave

Phydrostatisch = gh (6)

Glas persen door een mal

Viscositeit. par. 1 Inleiding

tentamen stromingsleer (wb1225), Faculteit 3mE, TU Delft, 28 juni 2011, u

In het internationale eenhedenstelsel, ook wel SI, staan er negen basisgrootheden met bijbehorende grondeenheden. Dit is BINAS tabel 3A.

Samenvatting snelheden en

Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 1

Differentiaalvergelijkingen I : separabele en lineaire 1ste orde DV

Exact periode 2: Dichtheid

Een vloeistof bevat te veel deeltjes om er het massamiddelpunt van te bepalen. Oplossing: we definiëren een stromingsveld: (,p,v) aan.

7 College 01/12: Electrische velden, Wet van Gauss

Figuur 3 Totale druk bij aanvalshoek 4 Figuur 4 Totale druk bij aanvalshoek 4

3. Beschouw een zeer goede thermische geleider ( k ) in de vorm van een cilinder met lengte L en straal a

de weerstandscoëfficiënt van de bochten is nagenoeg onafhankelijk van het slangtype.

Spanningscoëfficiënt water. 1 Doel 1. 2 Theorie 1

Exact periode 2: Dichtheid

NATUURKUNDE OLYMPIADE EINDRONDE 2013 PRAKTIKUMTOETS

Practicum algemeen. 1 Diagrammen maken 2 Lineair verband en evenredig verband 3 Het schrijven van een verslag

Eindexamen havo wiskunde B pilot II

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2013 TOETS APRIL :00 12:45 uur

Viscositeit. par. 1 Inleiding

Oefeningen Smering : toepassing van de Navier-Stokes vergelijkingen

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2019 TOETS APRIL 2019 Tijdsduur: 1h45

1. Langere vraag over de theorie

IJkingstoets Industrieel ingenieur

Titel: De titel moet kort zijn en toch aangeven waar het onderzoek over gaat. Een subtitel kan uitkomst bieden. Een bijpassend plaatje is leuk.

Werkblad 3 Bewegen antwoorden- Thema 14 (NIVEAU BETA)

schematische doorsnede van de wand van een oven Filmlaagjes zijn dunne (laminaire) laagjes lucht voor, direct tegen de wand

Apparaat voor de wet van Boyle VOS-11002

Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5

Deel 5: Druk. 5.1 Het begrip druk Druk in het dagelijks leven. We kennen druk uit het dagelijks leven:

v gem v rms f(v) v (m/s) v α v β f(v) v (m/s)

Gassnelheid en volume metingen. Deze code van goede meetpraktijk beschrijft de toegepaste. werkwijze bij de meting voor gassnelheid en volume

Havo 4 - Practicumwedstrijd Versnelling van een karretje

Examen Januari OEF 1 Hydrostatica (4 pt, apart dubbelblad) Scharniert rond C, er heerst atmosfeerdruk.

Significante cijfers en meetonzekerheid

Het tentamen levert maximaal 30 punten op, waarvan de verdeling hieronder is aangegeven.

Als l groter wordt zal T. Als A groter wordt zal T

Aventuri met Bernoulli De wet van Bernoulli toegepast

Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Reader Periode 3 Leerjaar 3. J. Kuiper. Transfer Database

NATUURKUNDE KLAS 5. PROEFWERK H8 JUNI 2010 Gebruik eigen rekenmachine en BINAS toegestaan. Totaal 29 p

Fysica. Een voorwerp wordt op de hoofdas van een dunne bolle lens geplaatst op 30 cm van de lens. De brandpuntsafstand f van de lens is 10 cm.

Wiskundige taal. Symbolen om mee te rekenen + optelling - aftrekking. vermenigvuldiging : deling

Exact periode Youdenplot Krachten Druk

Hoofdstuk 5: Gaswetten

aluminium 2,7 0, ,024 ijzer 7,9 0, ,012

Module Aerodynamica ADY03 Reader aerodynamica, Bijlage symbolenlijst

IJkingstoets Wiskunde-Informatica-Fysica 29 juni Nummer vragenreeks: 1

TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN Faculteit Biomedische Technologie, groep Cardiovasculaire Biomechanica

Ar(C) = 12,0 u / 1 u = 12,0 Voor berekeningen ronden we de atoommassa s meestal eerst af tot op 1 decimaal. Voorbeelden. H 1,0 u 1,0.

Deel 4: Krachten. 4.1 De grootheid kracht Soorten krachten

- III.53 - Johan Baeten

Convectiecoëfficiënten en ladingsverliezen bij éénfasige

6.0 Voorkennis AD BC. Kruislings vermenigvuldigen: Voorbeeld: 50 10x ( x 1) Willem-Jan van der Zanden

DRUKVERLIES GELAMINEERDE FLEXIBELE SLANGEN

Examen mechanica: oefeningen

WATERWERKBLAD. BEREKENINGSGRONDSLAGEN en tabellen voor het bepalen van drukverliezen in buizen

wiskunde B havo 2015-II

de weerstandscoëfficiënt van de bochten is nagenoeg onafhankelijk van het slangtype.

4. Wanneer zal de woningbehoefte even hard groeien als de woningvoorraad? Antwoord. Na 6 jaar.

p V T Een ruimte van 24 ºC heeft een dauwpuntstemperatuur van 19 ºC. Bereken de absolute vochtigheid.

Hoofdstuk 2: Kenmerken van reacties

toelatingsexamen-geneeskunde.be

Examen HAVO. Wiskunde B (oude stijl)

Wisnet-HBO. update maart. 2010

Kleurencode van weerstanden.

Basics flowmetingen. De basis informatie over: Thermal Mass / Positive Displacement / Turbine / Verschildruk en VA Flowmeters

Examen Algemene natuurkunde 1, oplossing

I. Oefenvragen met het omrekenen van drukken. 1. Reken om van Pa naar hpa/kpa (rond af op één decimaal).

Op een veer van 10 N/m wordt een kracht van 0,55 N uitgeoefend. Hoeveel is de veer langer geworden hierdoor?

1. Weten wat potentiaal en potentiaalverschil is 2. Weten wat capaciteit en condensator is 3. Kunnen berekenen van een vervangingscapaciteit

Temperatuur. Verklaring voor het verschijnsel. Bij de verbranding van het aardgas ontstaat waterdamp. Deze condenseert bij het koude glas.

Exact periode 2.1. Q-test. Dichtheid vaste stoffen Dichtheid vloeistoffen; interpoleren

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2014 TOETS APRIL uur

Examen HAVO. Wiskunde B1,2 (nieuwe stijl)

Practicum Torsiebalans

NMi EuroLoop KROHNE Academy Procesverbetering door kennisoptimalisatie

Formule blad College Stromingsleer Wb1220

V Kegelsneden en Kwadratische Vormen in R. IV.0 Inleiding

Transcriptie:

VISCOSITEIT VAN VLOEISTOFFEN 1) Inleiding Viscositeit is een eigenschap van vloeistoffen (en gassen) die belang heeft voor de stromingseigenschappen van de vloeistof. Dit speelt een rol in allerlei domeinen. Zo hangt de smering van een motor sterk af van de juiste viscositeitseigenschappen van de smeerolie. Maar ook stroming door pijpleidingen of bloedvaten wordt hierdoor bepaald. Het begrip viscositeit geldt in principe zowel voor gassen als vloeistoffen. 2) De viscositeitscoëfficiënt η Beschouw een vloeistof die zich tussen twee uitgestrekte evenwijdige platen bevindt. Wanneer men de eerste plaat tracht te verschuiven met een constante snelheid t.o.v. de andere dan zal de vloeistof tegenwerken. Hoe visceuser de vloeistof hoe meer ze zal tegenwerken. De kracht F die nodig is om de plaat met een snelheid v te bewegen zal ons een Figuur 1. maat geven voor de viscositeit van de vloeistof. Om tot een formule te komen gaan we als volgt te werk. Vloeistofmoleculen vlak tegen de bovenste plaat zullen als het ware aan de plaat plakken en dus met dezelfde snelheid v meebewegen. De moleculen aan de onderste plaat hebben om dezelfde reden een snelheid nul. We kunnen ons de vloeistof voorstellen als zijnde opgebouwd uit verschillende evenwijdige laagjes met elk een snelheid die geleidelijk afneemt van boven naar beneden. Aangezien de kracht F evenredig is met de oppervlakte A en de snelheid v en omgekeerd evenredig met de plaatafstand y volgt : v F = η.a. (1) y Hierin is η de viscositeitscoëfficiënt van de vloeistof. Bepaal zelf uit de formule de eenheid van deze coëfficiënt. Eigenlijk is deze formule enkel geldig in het speciale geval dat de snelheid lineair toeneemt met de afstand tot de plaat. Dit is echter niet steeds het geval en daarom luidt de meer algemene formule : dv F = η.a. (2) dy In Tabel 1 vind je de viscositeitscoëfficiënt van enkele stoffen, en dit bij verschillende temperaturen. Wanneer je de gegevens nader bekijkt stel je vast dat de η voor vloeistoffen meestal daalt met stijgende T, terwijl bij gassen net het omgekeerde het geval is. 1

In praktische omstandigheden wordt de kinematische wrijvingscoëfficiënt ν gebruikt. De definitie hiervan is : η ν = ρ Hierin is ρ de massadichtheid van de vloeistof. Bepaal opnieuw zelf de eenheid van ν. In oudere literatuur vindt men nog vaak CGS-eenheden : η werd uitgedrukt in poise wat gelijk is aan g.cm -1.s -1 Voor ν gebruikte men stokes waarbij 1 stokes = 1 cm².s -1 (3) 3) Laminaire stroming Beschouwen we figuur 1. Zoals op de tekening te zien valt de vloeistof op te delen in laagjes met lineair toenemende snelheid naar boven toe. Wanneer de stroming op een dergelijke manier gebeurt spreken we van laminaire stroming. Deze situatie doet zich voor zolang de snelheid van de plaat voldoende klein is. Experimenteel kan men deze situatie zichtbaar maken door kleurstoffen toe te voegen aan de vloeistof. Wanneer de snelheid hoger wordt zal op een gegeven moment de stroming chaotisch worden en zullen de stroomlijnen niet meer evenwijdig lopen aan elkaar, maar zullen de verschillende laagjes in elkaar opmengen. Dit noemt men turbulent stromingsregime. In turbulente stroming wordt meer mechanische energie gedissipeerd dan bij laminaire. Meestal is dit ongewenst. Figuur 2. 2

De overgang van laminair naar turbulent regime gebeurt bij een bepaalde snelheid v. Meestal wordt dit beschreven voor stroming in een lange cilindrische buis met straal R. Het stromingskarakter van de vloeistof wordt gegeven door de volgende dimensieloze grootheid : 2Rρ v Re = () η Deze grootheid noemt men het getal van Reynolds. Aangezien v in de teller staat wordt Re groter met toenemende snelheid wat betekent dat een grote Re duidt op een meer turbulente stroming. Voor Re < 2000 is de stroming laminair, voor Re > 3000 is ze turbulent. Voor 2000 < Re < 3000 is de situatie onstabiel en zullen uitwendige invloeden de uiteindelijke stroming bepalen. De laminaire stroming door cilindrische buizen werd bestudeerd door Poiseuille om de doorbloeding van bloedvaten beter te begrijpen. Stel dat over de uiteinden van een cilindrische buis met lengte L en straal R (R<<L) een drukverschil p wordt aangelegd. Dan zal voor een vloeistof met viscositeitscoëfficiënt η een debiet Q door de buis stromen dat gegeven wordt door : πr p Q = 8η L Dit is de wet van Poisseuille. Figuur 3 toont een experimentele meting van het debiet voor verschillende waarden van p/l voor resp. water en bloed. Volgens (5) zou dit een lineair verloop moeten geven. Maar voor bloed is dit duidelijk niet het geval. Vermits alle voorfactoren in (5) constanten zijn kan het niet anders dan dat η voor bloed niet constant is. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat bloed geen zuivere vloeistof is. Zuivere vloeistoffen en oplossingen van kleine moleculen hebben een constante η en worden newtoniaanse vloeistoffen genoemd. Suspensies (deeltjes > 0.1 µm) en dispersies (< 0.001 µm) en andere vormen van oplossingen waarvoor deze lineariteit niet geldt zijn niet-newtoniaanse vloeistoffen. Figuur 3. ) Experimentele bepaling van η Viscosimeters bestaan in allerlei uitvoeringen, al naargelang de aard van de vloeistof en de toepassing. Zo is er de viscosimeter van Hagen-Poiseuille die steunt op formule (5) die zonder referentievloeistof toelaat absolute viscositeiten te meten. Problemen hierbij zijn echter de duur en de omslachtigheid van de metingen. Bovendien is het moeilijk een constante temperatuur aan te houden in het volledige vloeistofvolume. Relatieve metingen die gebruik maken van een referentievloeistof zijn veel gemakkelijker en vaak voldoende nauwkeurig. Zuiver water is de meest gebruikte referentievloeistof omdat hiervan η nauwkeurig gekend is voor een groot temperatuursbereik. In het practicum wordt gebruik gemaakt van een dergelijke viscosimeter nl. die van Ostwald. (5) 3

De viscosimeter van Ostwald staat rechtop en met een pipet wordt reservoir B gevuld met een welbepaald volume vloeistof (vulvolume 3 cm³). Door middel van een rubberdarm en een perspeertje P wordt de vloeistof uit het reservoir B via de nauwe doorgang (capillair genoemd) in reservoir A geperst tot het niveau net boven de merkstreep M1 stijgt. Wanneer men loslaat zal de vloeistof een bepaalde doorvloeitijd t nodig hebben om te zakken van niveau M 1 tot M 2. Hierbij fungeert het capillair als cilindrische buis.voor een visceuzere vloeistof zal dit moelijker zijn en zal t dus groter zijn. Het volume tussen de merkstrepen is het doorvloeivolume V en is eigen aan het apparaat. Hier bedraagt V = 0.5 cm³. Andere apparaatconstanten zijn de lengte l en de inwendige straal r van het capillair. En omdat het vulvolume ook steeds hetzelfde genomen wordt kan het gemiddeld niveauverschil h tussen de vloeistofniveaus in reservoirs A en B ook als een apparaatconstante beschouwd worden. Dan kan het gemiddeld drukverschil p geschreven worden als p=hρg. Met de wet van Poiseuille geeft dit voor het doorvloeivolume V : πr hρ g V = Q t = t (6) 8η l Als we nu alle constanten groeperen tot de viscosimeterconstante K : πr hg K = 8lV dan wordt de viscositeitscoëfficiënt : (7) η = Kρ t (8)

5) Werkopdracht De opdracht bestaat uit drie delen : Eerst dient de viscosimeter van Ostwald gekalibreerd te worden. Hiertoe wordt de viscositeitsconstante K bepaald met als ijkvloeistof zuiver water. Let op : de viscosimeters zijn afgesloten met een stop om verontreiniging tegen te gaan. Vergeet deze niet te verwijderen voor de meting, en terug te plaatsen erna. Vervolgens wordt de viscositeitscoëfficiënt η van een zuivere vloeistof of oplossing bepaald bij kamertemperatuur. Tot slot wordt een grafiek gemaakt en worden conclusies getrokken. a) Kalibratie : Om K te bepalen wordt gedestilleerd water gebruikt als ijkvloeistof. Noteer de temperatuur T van het bad tot op 0.05 C nauwkeurig en meet zes maal de doorvloeitijd t w voor het water. Doe dit zo snel mogelijk na elkaar (waarom?). Voor de tijdsbepaling geldt dat er wordt afgelezen tot op 0.2s nauwkeurig. Bereken de gemiddelde waarde t w en de gemiddelde fout en de bijhorende relatieve fout. De massadichtheid van gedistilleerd water is ρ w = 1.000x10³ kg.m -3 ± 0.002x10 3 kg.m -3 De viscositeit η w bij de gemeten temperatuur lees je af in Tabel 2. Nu kan je met formule 7 K bepalen. b) Meting η : Nu het toestel gekalibreerd is kunnen we de viscositeit η van een andere oplossing meten. Meet opnieuw de temperatuur van het bad en meet zes maal de doorvloeitijd t opl. Bereken t opl en de gemiddelde AF en RF. De massadichtheid ρ opl wordt tijdens het practicum zelf gegeven. c) Verwerk de gegevens in Tabel 2 tot een grafiek die conform is aan de richtlijnen voor grafieken. Gebruik hiervoor de waarden voor 15, 16,..., 22 graden. 5

6

Naam : Richting : Volgnummer : Datum : VISCOSITEIT VAN VLOEISTOFFEN 1) Kalibratie : T bad = ± t w AF berekening K : K = 2) Viscositeitsmeting : T bad = ± t opl AF berekening η : η = Grafiek op de achterzijde van dit blad!! 7