De oplossingsgerichte flowchart Inleiding De oplossingsgerichte flowchart is een hulpmiddel om de werkrelatie te beschrijven tussen cliënt en hulpverlener. Het instrument kan bij elke client-hulpverlener contact, op elk moment gebruikt worden. Het gaat daarbij niet om een oordeel over de kwaliteit van de relatie of om persoonlijkheidseigenschappen van de cliënt. Het is eerder een ʻtopografischeʼ aanduiding die de hulpverlener helpt om voor ogen te houden welke de meest efficiënte interventies zijn voor de situatie op dat moment. Er worden vier cliëntposities onderscheiden: Bezoeker Klager Klant Co-expert Er zijn vier vragen van belang om de positie op de flowchart te bepalen. In het navolgend schema worden deze vragen en de verschillende posities in een schema gezet. Vervolgens worden de vier vragen toegelicht. 1
Vraag 1: is er een oplossing denkbaar? Een probleem laat zich definieren door zijn oplossing, en niet door de oorzaak, zoals bij probleemgeoriënteerde modellen. Is er geen oplossing denkbaar, zoals bij voldongen feiten en chronische handicaps, dan is er ook geen probleem, maar een beperking. Als eerste moet dit onderscheid tussen probleem en beperking duidelijk worden. Als de cliënt accepteert dat beperkingen zijn wat ze nu eenmaal zijn, kan de aandacht toegespitst worden op de gevolgen van de beperking en het leren omgaan daarmee. En dat zijn dan weer problemen; er is immers een oplossing denkbaar. Vraag 2: Is er een hulpvraag? Wanneer er geen hulpvraag is, kan de cliënt getypeerd worden als bezoeker. Er is dan sprake van een vrijblijvende relatie. Bied dan geen hulp aan zonder dat de cliënt hier mandaat voor geeft. Maak gebruik van interventies die er op gericht zijn de samenwerkingsrelatie uit te bouwen, waardoor er een context ontstaat waarin het formuleren van een hulpvraag wel mogelijk wordt. In het geval van een cliënt die aangeeft enkel gestuurd te zijn door een ander ( ik heb geen probleem, maar de verwijzer vindt dat ik een probleem heb ); zoek naar competenties waar de cliënt mee gecomplimenteerd kan worden. In elk geval kan het bezoek positief bekrachtigd worden ( ik ben onder de indruk dat je toch gekomen bent, kennelijk vind je je contact met die ander belangrijk ). Stel vragen die de mogelijkheid van een hulpvraag creëeren. Vraag 3: Is deze hulpvraag werkbaar? Als de hulpvraag niet werkbaar is, kan de cliënt getypeerd worden als klager. Er is dan sprake van een zoekende relatie. De hulpvraag is bijvoorbeeld vaag omschreven ( ik wil gelukkig worden ), een onontwarbare kluwen van (deel-)problemen of auto-annulerend ( ik wil wel stoppen met drinken, maar het zal me niet lukken omdat ik niet zonder kan ). De volgende interventies kunnen helpen om tot een werkbare hulpvraag te komen: Bekrachtig het zoekgedrag positief en wek hoop dat verandering mogelijk is. Bedenk dat elk probleem verwijst naar een doel en vertaal dit van algemene naar concrete termen. Zoek naar uitzonderingen op het probleem in het (liefst nabije) verleden of geprojecteerd in de (liefst nabije) toekomst. Differentieer door middel van schaalvragen en verklein tot haalbare stappen. Stel context en relatievragen ( wat zou je partner aan je merken wanneer het wat beter zou gaan ). Vraag 4: Gebruikt de cliënt zijn resources? Bij een consulterende relatie heeft de cliënt een werkbare hulpvraag met één of meer werkbare doelen, maar weet hij nog niet hoe hij deze moet bereiken en welke resources (competenties, hulpbronnen) hij daarvoor moet aanwensen. De cliënt kan dan getypeerd worden als klant. De cliënt ziet zichzelf als deel van de oplossing en werkt mee, maar met wisselend succes. In dit geval zijn cliënt en hulpverlener bezig om de verschillende strategieën en hulpbronnen in beeld te brengen en uit te proberen. Ga na wat er al geprobeerd is (wie, wat, waar, wanneer en hoe). Herhaal niet wat niet werkte, wat wel (enig) resultaat had zou weer bruikbaar kunnen zijn. Complimenteer alles wat ten dienste kan staan van het beoogde doel. Creëer een context van keuze, zodat de cliënt overzicht krijgt op wat kan bijdragen om het doel te bereiken. Veranker wat werkt door herhaling ervan voor te stellen en uitbreiding van de context waarin het wordt 2
toegepast. Benoem competenties waarin de cliënt zich verder kan ontwikkelen of waarin hij getraind kan worden en stel voor om dit aan te gaan pakken. Als de cliënt weet langs welke weg hij zijn doelen kan bereiken en gebruik weet te maken van zijn resources, dan is er sprake van een werkrelatie waarin de cliënt co-expert is. De hulpverlener heeft dan vooral een coachende en aanmoedigende rol. Vragen voor verschillende cliëntposities Hieronder worden voor verschillende posities een aantal voorbeeldvragen gegeven. De bezoeker Van wie was het een idee dat je hier moest komen? Wat is jouw idee over deze situatie? Je moet wel een goede reden hebben, om er zo over te denken. Vertel eens? Wat maakt dat je verwijzer vindt dat je hier zou moeten komen? Ben je het eens met de zorgen die je verwijzer over je maakt? Wat zou er moeten gebeuren om hier niet meer terug te hoeven komen? Wat ben je bereid om minimaal te doen om de verwijzer tevreden te stellen? Hoe zou je jezelf er toe kunnen motiveren om dit toch te gaan doen? Wanneer was de laatste keer dat je dat deed? Wat was er toen anders in je leven? Stel dat je zou besluiten om dat aan te pakken, wat zou dat dan kunnen uitmaken in je leven? Waar zouden we het over moeten hebben om in ieder geval te kunnen zeggen: daar heb ik wat aan? Wat gebeurt er als je niets doet Op wat voor manier zou je dingen veranderen, als je het wel zelf voor het zeggen zou hebben? De klager Hoe hou je het vol? Ik kan de ander/de wereld niet veranderen. Hoe kan ik jou wel helpen? Stel dat de ander verandert zoals je wilt, wat zou jij dan anders gaan doen? Stel dat de ander niet verandert in de richting die je wilt, wat ga je dan doen? Wat wil je zo houden en hoeft niet te veranderen? Wanneer is het probleem er even niet of minder? War zou iets kleins kunnen zijn dat je wel zelf zou kunnen veranderen? Wat hoopte je te bereiken met alles wat je al geprobeerd hebt? Wat heeft je er tot nu toe door heen geholpen? Wat heb je gedaan om te zorgen dat alles in ieder geval niet nog slechter werd? Hoe kan ik (professional) het beste met je samenwerken? Hoe schat je kans in om een oplossing te vinden? (schaal van 0 tot 10) Wat heb je wel eens overwogen, maar nog niet uitgeprobeerd? De klant Vragen om de doelformulering aan te scherpen 3 Wat wil je minimaal bereiken? Wat wil je maximaal bereiken?
Wat zou er beter gaan als het probleem is opgelost? Wat zou er dan anders in je leven zijn? Waaraan zou je merken dat je je doel bereikt hebt? Waaraan zou de ander merken dat je je doel bereikt hebt? Wat zou dit gesprek de moeite waard maken? Wat wil je voor dit probleem in de plaats? (positieve ipv negatieve doelformulering) Stel dat er een wonder gebeurt, en het probleem zou opgelost zijn, waaraan zou je dat dan als eerste merken/wat zou je dan als eerste doen? (Bij een irreëel wonder) Dat zou inderdaad een heel groot wonder zijn. Als we het nou eens wat kleiner zouden maken, wat zou het er dan uit kunnen zien? Welk deel van de wonder is het makkelijkst om mee te beginnen? Wat doe je nu niet wat je dan wel zou gaan doen? En wat nog meer? Hoe is dat anders dan nu? Wat zie ik je dan anders doen dan nu? Wanneer ben je op je best, hoe ziet dat er dan uit? Wat zou het eerste signaal zijn dat je op de goede weg bent? Vragen naar uitzonderingen: Wat is er veranderd/verbeterd sinds ons vorige gesprek Wat heb je al geprobeerd, en hoe hielp dat? Wat hielp het meest van wat je toen deed? Op welke momenten is (de gewenste uitkomst) al even aanwezig? Wat is er anders aan die momenten? Hoe kreeg je dat voor elkaar? Wat deed je toen anders? Wat zouden (belangrijke anderen) zeggen wat je dan anders doet? Stel dat die ander hier nu zou zijn, wat zou hij er nog meer over zeggen? Stel dat er wel een uitzondering zou zijn, hoe zou dat er dan uit kunnen zien? Vragen naar huidige (of beginnende) competenties: Hoe lukt het je om...? Hoe is het eerder gelukt om...? Hoe denk je dat je dat gedaan hebt? Wat gaf je de moed om...? Wat denk je dat jij deed om dit te bereiken? Stel dat je jezelf een compliment zou geven voor je inzet, wat zou je dan zeggen? Je hebt veel goede ideeën, hoe kom je daar aan? Als je terugkijkt: wanneer werd je je er van bewust da je die kwaliteit had? Wat doe je beter dan anderen? Welke activiteiten van vroeger zou je weer willen oppakken? Hoe heb je je ouders zulke situaties zien aanpakken? Wat heb je bereikt waar je trots op bent? Welk effect had dat op je? Wat waren de afgelopen week je beste momenten? Welke adviezen krijg je van anderen? Hoe vindt verandering meestal plaats in je leven? Wat hebben de vorige hulpverleners gedaan en wat hielp daarvan? Wat heb je wel eens overwogen, maar tot nu toe nog niet geprobeerd? 4
Vragen aan cliënten in crisissituaties: Hoe is het gelukt om hier naar toe te komen? Hoe red je het? hoe hou je het vol? Wanneer heb je deze gedachten minder? Wat doe je in deze situatie om toch een beetje voor jezelf te zorgen? Wie (en wat) denk je dat je in deze situatie het meest zou kunnen helpen? Wat van die persoon helpt dan zo goed? Wat zou er nodig zijn om die persoon je weer te laten helpen? Hoe is het gelukt om nog zolang geen beroep op hulpverlening te doen? Waaraan zou je merken dat de crisis overwonnen is? Voor dit artikel is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: Erik van den Brink. Zoek geen problemen maar oplossingen. een model voor een oplossingsgerichte GGz. in: Sociale Psychiatrie juli 2007 Fredrike Bannink. Oplossingsgerichte vragen. Handboek oplossingsgerichte gespreksvoering. Hoofdstuk 10: 1001 oplossingsgerichte vragen. Isbn 978 90 265 1780 8. Harcourt 2006 Frank Meeuwsen 5