Rollenspel Groep 1-2 Het Verhaal van Dronten
Les 1 De leerlingen maken kennis met verschillende emoties en hoe deze in het gezicht en in het lichaam zichtbaar kunnen worden gemaakt. Ze ervaren hoe je iets kunt laten zien wat er niet is. De leerlingen ontdekken het creëren van personages door middel van fysieke transformatie. Les 2 De leerlingen leren dat je door middel van uiterlijke kenmerken en bepaalde handelingen in een ander persoon kunt veranderen. Ze ervaren dat beweging heel veel kan betekenen in een verhaal, en dat je daarmee iets kan vertellen. De leerlingen maken een begin met het vormgeven van de personages uit het verhaal. Les 3 De klas oefent de houdingen en fotoposes met de groepsleerkracht in een tableau vivant. De leerlingen maken kennis met portretfotografie. Beleven Creëren Reflecteren Presenteren 54 De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren. 55 De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren..
De leerlingen maken kennis met verschillende emoties en hoe deze in het gezicht en in het lichaam zichtbaar kunnen worden gemaakt. Ze ervaren hoe je iets kunt laten zien wat er niet is. De leerlingen ontdekken het creëren van personages door middel van fysieke transformatie. Wie: Tijd: Locatie: Groepsleerkracht 45 minuten speellokaal Opdracht 1: Het gezicht In deze opdracht ga je eerst laten zien dat je met het gezicht dingen kan laten zien die er niet zijn: doen alsof. Zo kan je laten zien hoe jij je voelt of wat je ergens van vindt zonder dat het echt zo is. Geef een voorbeeld door het lokaal uit te lopen (of in het klaslokaal even te verdwijnen) en weer binnen te komen met één van de vier emoties. Kies uit boos, blij, bang of verdrietig. Doe dit zo geloofwaardig mogelijk. Ga vervolgens met de leerlingen in een kring staan en vraag ze om jouw gezichtsuitdrukking na te doen. Ga alle vier de emoties even langs. Vraag vervolgens aan de leerlingen of ze een gezichtsuitdrukking kunnen laten zien bij deze situaties: wanneer je het eten niet lekker vindt wanneer iets pijn doet. wanneer je verrast wordt met een heel mooi cadeau. KERN Opdracht 2: De emotiebus Kies een vrijwilliger uit. Dit is de buschauffeur. De buschauffeur rijdt (loopt) rondjes om de groep en elke keer wanneer hij een rondje gereden heeft stapt er een nieuwe reiziger in die met de buschauffeur mee loopt.
Elke keer wanneer de buschauffeur stopt bij de halte vraagt hij: hoe voel jij je? Elk kind krijgt van de leerkracht een emotie toegewezen en moet met die emotie antwoord geven aan de buschauffeur. Als leerlingen iets kunnen bedenken mogen ze ook vertellen waarom zij zich zo voelen. Vervolgens lopen ze beide met deze emotie in hun gezicht een rondje. Elke keer als er een volgende leerling aansluit bij de groep nemen alle reizigers deze emotie over. Probeer halverwege de oefening ook te coachen op lichaamshouding. Een blij persoon zou kunnen huppelen. Een boos persoon heeft misschien zijn armen over elkaar. Een bang persoon maakt kleine stapjes en kijkt veel om zich heen en een verdrietig persoon kijkt een beetje naar beneden en loopt heel langzaam. Opdracht 3: Loopjes en bewegingen Laat de groep leerlingen dwars door elkaar heen lopen. Wanneer er geklapt wordt, moeten de leerlingen stoppen of juist weer bewegen. Zo kun je makkelijk nieuwe dingen uitleggen. Hier kan je ook een spel van maken om mee te beginnen. Elke keer moeten de leerlingen op een andere manier lopen. Koppel dit aan de verschillende emoties die bij de vorige oefeningen aan de orde gekomen zijn (boos, blij, bang, verdrietig). Hoe loop je als je heel blij bent, of heel boos? Hoe houd je je hoofd, als je heel bang bent? Leg de nadruk op de verschillende onderdelen van het lichaam. Geef hierbij bijvoorbeeld de volgende variaties: Knieën omhoog trekken Hakken tegen de billen Zwaaiende armen Benen wijd uit elkaar Als een vaatdoek Krom lopen Met de armen heel wijd lopen Lopen als een robot Hele kleine stapjes zetten Hele grote stappen zetten Schouders omhoog trekken Neus in de lucht steken Met de vingers heen en weer bewegen Licht fladderend met de armen Heel erg stijf lopen zonder de armen of benen te buigen Etc. Je kunt de groep eventueel in tweeën splitsen, zodat de ene helft emoties kan verbeelden in beweging, en de andere helft kan kijken hoe ze dit doen. Daarna wissel je.
Leg in de nabespreking de nadruk op het verschil tussen echt en niet echt. En dat je dingen kan laten zien die niet echt zijn. Dat je op die manier iemand anders kan worden. Door alle dingen die vandaag gedaan zijn. Kunnen de leerlingen voorbeelden noemen/navertellen hoe ze alsof gedaan hebben? Laat als afsluiting een voorbeeld zien van een bijzonder lopend personage met een bepaalde emotie die even de klas in komt, om bijvoorbeeld de plantjes water te geven. Voeg hier ook nog een andere stem aan toe. Schakel tussen het personage en jezelf om te laten zien dat het niet echt is, maar dat het wel heel echt kan lijken. Kunnen de leerlingen benoemen wat er verandert in je houding, stem en gedrag?
De leerlingen leren dat je door middel van uiterlijke kenmerken en bepaalde handelingen in een ander persoon kunt veranderen. Ze ervaren dat beweging heel veel kan betekenen in een verhaal, en dat je daarmee iets kan vertellen. De leerlingen maken een begin met het vormgeven van de personages uit het verhaal. Wie: Tijd: Benodigdheden: Locatie: Vakdocent theater 45 minuten verhaal dat door groep 5/6 geschreven is verkleedkleren uit de leskist (en/of van school) speellokaal Opdracht 1: Zoek de verschillen Om kort terug te komen op de vorige les en om in een zelfde vorm de draad weer op te pakken, ga je als theaterdocent nu niet transformeren aan de hand van een emotie, maar aan de hand van uiterlijke kenmerken. Geef de leerlingen de opdracht om jou goed te bekijken. Vooral je kleding. Verdwijn na 30 seconden even naar de gang en trek een ander kledingstuk aan. Eventueel kan deze transformatie ook in het klaslokaal plaatsvinden. Wanneer je weer in het lokaal verschijnt, pas je je houding aan aan het kledingstuk wat je draagt. Denk bijvoorbeeld aan een stoere loop met een boze blik wanneer je een leren jasje of een stoere zonnebril hebt uitgekozen. De leerlingen moeten raden wat er aan het uiterlijk veranderd is. Misschien is er ook nog wel iemand die heeft gezien wat er nog meer is veranderd dan alleen het uiterlijk. Ga voor een tweede en een derde keer naar de gang, maar maak de wijzigingen in het uiterlijk steeds wat subtieler en moeilijker vindbaar. Zo kan je in plaats van een nieuw kledingstuk een verandering doen aan de kleding die je ter plekke draagt: één mouw oprollen bijvoorbeeld. Vraag na de drie voorbeelden een vrijwilliger uit de groep en help deze leerling met het omkleden op de gang.
KERN Opdracht 2: De kledingwinkel Kies vijf verschillende kledingstukken uit en laat deze aan de leerlingen zien. Alle vijf de kledingstukken moeten verschillende kenmerken hebben die aan een bepaald stereotype personage gelinkt kunnen worden: een tuinbroek, een prinsessenjurk, een kroon, een leren jas en een sportshirt, bijvoorbeeld. Hang de kledingstukken goed zichtbaar op een rijtje op. Vraag een vrijwilliger om in de winkel plaats te nemen en kom vervolgens binnen door het personage te spelen wat bij één van de kledingstukken hoort. Zo kun je bijvoorbeeld met een voetbal binnen komen en op een fluitje blazen. Aan de winkelmedewerker de taak om het juiste kledingstuk te adviseren voor deze specifieke klant. Herhaal deze spelvorm een aantal keren, met steeds een andere leerling. Opdracht 3: Het verhaal en de bewegingen Lees het verhaal voor dat door groep 5/6 gemaakt is. Benoem de personages die voorbij gekomen zijn, en benoem een aantal voorbeelden van wat deze personages doen in het verhaal. Bijvoorbeeld: de bakker zwaait naar de kinderen in de straat, of de kinderen juichen van blijdschap. De groepsleerkracht lees het verhaal nu nog een keer voor. Ondertussen doe jij de bewegingen voor, op het moment dat ze voorbij komen in het verhaal. Nu gaan de kinderen meedoen. Alle kinderen gaan aan één kant van het speellokaal staan. Ga voor de groep staan. De groepsleerkracht leest het verhaal nóg een keer voor. Je voert de bewegingen uit, op het moment dat ze voorbij komen in het verhaal. De kinderen doen de beweging na. Opdracht 4: Standbeelden maken Leg uit dat in de volgende les foto s gemaakt gaan worden. Foto s van de kinderen als een persoon uit het verhaal, die een bepaalde beweging maakt. Net zoals we net geoefend hebben. Alleen op de foto sta je stil! Om dit te illustreren, kun je midden in je uitleg stilvallen en voor een aantal seconden bevriezen. Je bent ineens een standbeeld! We gaan aan de slag met het oefenen van bewegen en stilstaan. Alle kinderen gaan weer aan één kant van het speellokaal staan.
Roep de naam van een personage én een bepaalde beweging (bijvoorbeeld brandweerman, vegen ). De leerlingen lopen naar de andere kant van het lokaal terwijl ze deze beweging maken. Oefen vervolgens met de commando s Lopen! en Klik!. Bij Klik! bevriezen de kinderen op hun plek. Bijvoorbeeld nog met hun armen in hun zij, of met hun hoofd omhoog. Maak zogenaamd een foto. Roep daarna weer lopen!, enzovoorts. Bespreek met de leerlingen wat jullie vandaag gedaan hebben met kleding. Welk kledingstuk vonden ze mooi en waarom? Wat gebeurde er toen ze andere kleren aantrokken? Werden ze daardoor iemand anders? Wat vonden de kinderen grappig of leuk om te spelen? En wat was moeilijk? Bespreek wat jullie gedaan hebben met het verhaal, personages en bewegingen. Wat vonden de leerlingen van het verhaal? Welk personage vonden ze het leukst of grappigst? Wat doet hij? Wat voor kleren draagt hij? NB: dit zijn wellicht lastige vragen, afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van het geschreven verhaal. Benoem nogmaals dat er binnenkort een fotograaf langskomt om de kinderen te fotograferen, in een bepaalde rol en houding. Kunnen de kinderen vertellen wat je moet doen als je op de foto gaat? Lastige vraag: Hoe kun je op een foto laten zien wie je bent en wat je doet? Voorbereiding op les 3 Maak na deze les een rolverdeling : bekijk het overzicht van rollen en houdingen dat aangeleverd is door de theaterdocent, en noteer welke kinderen als wat en hoe op de foto gaan.
De klas oefent de houdingen en fotoposes met de groepsleerkracht in een tableau vivant. De leerlingen maken kennis met portretfotografie. Wie: Tijd: Benodigdheden: Locatie: groepsleerkracht en fotograaf 45-60 minuten verkleedkleren uit de leskist en/of van school overzicht rollen, houdingen en rolverdeling speellokaal Let op: de groepsleerkracht voert de introductie-opdracht uit vóór de start van de fotografiesessie, zodat er voldoende tijd overblijft voor het maken van de foto s door de fotograaf. Opdracht 1: standbeelden maken (herhaling van elementen uit vorige les) Kies de kledingstukken uit die straks op de foto s gaan worden gebruikt. Laat de kinderen zich, aan de hand van de gemaakte rolverdeling, omkleden. Oefen een aantal van de foto s. Wijs een fotograaf aan. Laat kinderen, aan de hand van de rolverdeling, naar voren komen. Dat kunnen individuele kinderen zijn, of groepjes, afhankelijk van je groepsgrootte. Vraag of de kinderen nog weten welke beweging bij de personages horen. Zo ja; laat ze die verbeelden. Je kunt de beweging ook even voordoen. Op het moment dat de fotograaf Klik! roept, staat de leerling of de groep stil in de gevraagde houding: een tableau vivant. Foto gelukt? Dan gaan we naar de volgende. Probeer alle kinderen een keer aan bod te laten komen.
KERN Opdracht 2: Op de foto De fotograaf heeft een mini-studio opgebouwd. Aan de hand van het opgestelde schema met rollen en poses zal zij de foto s maken. Het is meest gemakkelijk om met de hele klas aanwezig te zijn bij de fotoshoot. De leerkracht roept de leerlingen die aan de beurt zijn bij zich, en bewaakt de voortgang. Mocht de leerling het moeilijk vinden om de houding vanuit het niets te presenteren, vraag de leerling dan de beweging te doen en te stoppen wanneer er klik! geroepen wordt. Hij of zij bevriest dan, net zoals er geoefend is. Bespreek met de kinderen in de kring hoe het fotograferen verliep. Wat vonden ze leuk? Wat ging er goed? Wat vonden ze moeilijk? Denken ze dat de foto s goed gelukt zijn?