Inhoud. Taalregel Etape Bladzijde



Vergelijkbare documenten
Taalregels. Praten, hebben, zijn, gaan, De werkwoorden

Talenquest Frans 2thv: Grammatica

Aantekening Frans les pronoms personnels

Samenvatting Frans Franconville tape 9

VOCABULAIRE FRANCOFAN 1 MODULE 1 5. bonjour goeiedag voilà daarzo. salut hallo voici hierzo. oui ja aussi ook. non nee d accord ok.

4,8. Le Présent (tegenwoordige tijd) Le passé composé. Opdracht door een scholier 744 woorden 7 januari keer beoordeeld

Frans grammatica hoofdstuk 1 en 2

SECTION 7. LES PRONOMS PERSONNELS de persoonlijke voornaamwoorden

werkwoord présent O.T.T. passé composé V.T.T. je parle tu parles il parle nous parlons vous parlez ils parlent

U21 mezelf en anderen voorstellen. Ik heet Ric. / M n naam is Verdonk. Wat is je voornaam? M n voornaam is Luc. Ziehier m n vriend. Hij heet Yvon.

Villangues Carnet de voyage, op reis naar Taalstad

Samenvatting Frans Franconville tape 1

4 nummer 1 nummer 2 nummer 3

UNITE 26 : On a joué, on a nagé, on a chanté!

Aantekening Frans Vervoegingen werkwoorden (avoir, etre, faire, vouloir, pouvoir, aller)

basiszinnen spreekvaardigheid

Samenvatting Frans Stencil Franse tijden

Samenvatting Frans Hoofdstuk 1

Les gebruik je voor zelfstandige naamwoorden in het meervoud. Mannelijk of vrouwelijk maakt niet uit: les frères de broers les soeurs de zussen

Aantekening Frans Werkwoorden Frans

Samenvatting Frans Grammatica

Vocabulaire September - december Vijfde leerjaar klas Birgit

Quel travail font tes parents? Ma mère travaille à la maison et mon père travaille dans une office. Welk

Samenvatting Frans Oefeningen en herhaling

J aimerais savoir. Que je suis content! Pourrais-tu parler plus lentement? Bouger me fait mal.

Le Français des vacances. Niveau

3 L adjectif Het bijvoeglijk naamwoord

LES CHIFFRES DE 1 À 40 (1STE GRAAD BSO)

Chapitre 4, Ensemble!

werkwoord présent O.T.T. passé composé V.T.T. je parle tu parles il parle nous parlons vous parlez ils parlent

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

J' à Amersfoort, Lindenlaan 23.

Bilan 4 «À la recherche»

Vendredi le dix-huit de cembre 2015.

6,6. Begrippenlijst door Jessy 1095 woorden 25 juni keer beoordeeld. Grandes Lignes Phrases Clés. Hoofdstuk 1. Ça va? = Hoe gaat het?

SECTION 3. L ADJECTIF het bijvoeglijk naamwoord

C'est fini les vacances!

SECTION 21. LES VERBES EN -IR de werkwoorden eindigend op -ir

Antwoorden Frans Étape 8 (Franconville)

III. L adjectif. III. L adjectif. 1. Accord de l adjectif 1.1 L adjectif prend s 1.2 L adjectif + E 1.3 L adjectif substantivé

Wie helpt? Weet je het nog? Luister en kies de juiste foto. Datum:... Klas:... Naam:... Voornaam:...

l'argent Donne. L'argent! pris J'ai pris mon suppositoire. Dépêche-toi! sûr - T'es sûr? Je connais quelqu'un qui peut. Merci Merci. Au revoir.

Samenvatting Frans Grammaticatijden

Voudriez-vous me faire savoir si vous pouvez nous recevoir dans votre hôtel le 16 août dans l après-midi?

6,2. Samenvatting door Jens 368 woorden 10 februari keer beoordeeld. 1.-Woorden SO en GP Frans (15/ )

En action 6. Woordtrainer. Salut! Ga naar voor meer informatie.

Opdracht A1/A2 EERSTE RONDE TOP 50 FRANCOPHONE

GRAMMAIRE DE BASE FRANS VOOR DE LAGERE SCHOOL

Unité 3 Diagnose Kopieerblad 1. Bon! Je kunt in het Frans tot en met 39 tellen. 17,

MÉTRO, BOULOT, DODO. Unité 1. Vocabulaire 1 Lees de zinnen en kruis het juiste woord / de juiste uitdrukking aan.

Bonjour, Amicalement. Peter SE PRÉSENTER (2DE GRAAD BSO)

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

Exercice A Vocabulaire F-N I Vertaal de vetgedrukte woorden in het Nederlands. II Noteer het juiste woord en vertaal het in het Nederlands.

Le logement. In deze les leert u

GEZONDHEID (La santé)

pagina 1 van 5 VAN IN

Z I N S O N T L E D I N G

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

15 et qui paie le loyer?

een boek boeken het boek de boeken een boom bomen de boom de bomen een vriendin vriendinnen de vriendin de vriendinnen

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Vous pouvez m'aider, s'il vous plaît?

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie

Q U K G D T P E H B Z L R W C I F J M S X. Maman est allée au supermarché. Elle a acheté beaucoup et elle a tout mis. en plastique.

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

Éventail-junior. woordkaarten

Mogelijke 'vragen' mondelinge examens zesde leerjaar (per 4 contacten):

Iedereen kan Frans leren

Zich voorstellen. Hoofdstuk 1 Chapitre 1. Se présenter OBJECTIFS

Herhalingen over grammatica (voor de examens)

pendant le mieux serait de il vaut mieux

Exercice 18a De Franse schooldagen zijn lang (omdat er meer lesuren zijn dan in andere landen).

Hôtel Eurocatering. 26 oct. Sauna 24, , oct. Petit-déjeuner 14, ,50. Sous-total 3645,25 TVA 21% 765,50.

Ik stel me voor VOCABULAIRE RAPPEL. een huis (het) une maison. een meisje (het) une ville. een huisdier (het) un animal domestique A RETENIR

Comprendre et se faire comprendre commence par s exprimer en néerlandais

Beschrijving van de taalniveaus van A1 tot C1

geen voorzetsel in het NL iemand antwoorden répondre à qn ( = quelqu'un = iemand )

Veilig werken? Da s kinderspel! Travailler en toute sécurité? Un jeu d enfant!

Schrijf de werkwoorden in de juiste vorm in de vakjes. Schrijf ook bij elke persoon de juiste naam

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

Unité 6 Diagnose Kopieerblad 1

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets.

Unité 5 Diagnose Kopieerblad 1

Ben Dijkzeul. Kortom. Franse grammatica. Walvaboek

PRONOMS PERSONNELS <lang> (3 HAVO-VWO) 1. VORMEN : vier rijtjes:

BEGINNERSCURSUS DAG 2

Rollenspellen groenten-, fruit- en bloemenhandel.

Een ideale school. Tijd voor een toets! Luister en vul aan of teken Naam:... Voornaam:... Klas:... Datum:...

k ga naar school e vais à l ecole

GRAMMATICA 1 ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN. 1.1 Eigennamen Geografische benamingen Meervoud van zelfstandige naamwoorden

NOM, Prénom :. Dit is een schrift. Dit is een boek. Dit is een papier Dit is een blad. Dit is een schoen. Dit is een schoe. Dit is een schoon.

Woordsoorten. Nederlands. Aanwijzend voornaamwoord. Onderschikkend voegwoord. Persoonlijk voornaamwoord. Betrekkelijk voornaamwoord

Het taalconflict in België Vlamingen gedropt in Wallonië

Où vont-ils? Unité 1. Je leert iemand ontmoeten en (be)groeten vragen en zeggen waar iemand naartoe gaat afscheid nemen

Woordsoorten. De woorden in een zin kunnen in een bepaalde groep worden ingedeeld. De woordsoort geeft aan tot welke groep een woord behoort.

Unité 7 Diagnose Kopieerblad 1. Je. 1. Bonjour. Je ch une jupe. J ai b. mais je ai pas de chapeaux. 4

Transcriptie:

Franconville 4 Taalregels vmbo Inhoud Taalregel Etape Bladzijde 1 Spellen Parler 2 2 2 Hoofdtelwoorden Lire 2 2 3 Rangtelwoorden Parler 8 2 4 Landen en nationaliteiten Ecrire 1 2 5 Voorzetsels Ecouter 7 3 6 Delend lidwoorden en Parler 4 4 hoeveelheidswoorden 7 Kloktijden Ecouter 8 4 8 Dagen van de week Ecouter 8 5 9 Datums Ecrire 2 5 10 Vragen stellen Parler 1 5 11 Ontkenningen Ecouter 3 6 12 Onregelmatige meervouden Ecrire 6 6 13 Bijvoeglijke naamwoorden Ecrire 7 7 (plaats en vorm) 14 Trappen van vergelijking Ecouter 6 8 15 Bijwoorden Ecouter 5 9 16 Persoonlijk voornaamwoorden Ecouter 4 9 (moi, toi, lui, elle, etc.) 17 Verwijswoorden Lire 4 10 (le, la, les / lui, leur / en, y) 18 Bezittelijk voornaamwoorden Ecrire 5 11 19 Aanwijzend voornaamwoorden Parler 7 11 20 Vragend voornaamwoorden Lire 1 12 21 Betrekkelijk voornaamwoorden Parler 5 13 22 Regelmatige werkwoorden Ecrire 4 13 (op -er, -re en -ir) 23 Wederkerende werkwoorden Parler 3 14 24 Ecouter 1 15 (voltooid tegenwoordige tijd) 25 Imparfait (onvoltooid Ecrire 3 16 verleden tijd) 26 Futur (toekomende tijd) Lire 6 16 27 Futur proche (toekomende tijd) Parler 6 17 Werkwoorden Bladzijde 28 Aller 17 29 Avoir 17 30 Boire 17 31 Choisir 17 32 Connaître 17 33 Croire 18 34 Devoir 18 35 Dire 18 36 Ecrire 18 37 Envoyer 18 38 Etre 18 39 Faire 19 40 Lire 19 41 Mettre 19 42 Ouvrir 19 43 Partir 19 44 Pouvoir 19 45 Préférer 20 46 Prendre 20 47 Se présenter 20 48 Recevoir 20 49 Répondre 21 50 Savoir 21 51 Se sentir 21 52 Sortir 21 53 Venir 22 54 Voir 22 55 Vouloir 22

1 Spellen Parler, Etape 2 Hieronder kun je zien hoe je het Franse spellingsalfabet uitspreekt. a aa j zjie s es b bee k kaa t tee c see l el u uu d dee m em v vee e uh n en w double vee f ef o oo x ieks g zjee p pee y ie krek h asj q kuu z zed i ie r er 102 cent deux 210 deux cent dix 1000 mille jaartallen 1999 mil neuf cent quatre-vingt-dix-neuf 2013 deux mille treize 3 Rangtelwoorden Parler, Etape 8 Van een telwoord kun je meestal een rangtelwoord maken door er ième achter te zetten. Sommige rangtelwoorden zijn onregelmatig of hebben verschillende vormen. Let op: 1 Bij dubbele letters zeg je deux. zee Anna z deux e a deux n a 2 Als je een e-mailadres spelt, spreek je de @ uit als arobase. 3 Als je iemand wilt vragen om zijn naam te spellen, vraag je: Vous pouvez épeler votre nom?. 2 Hoofdtelwoorden Lire, Etape 2 tel- rangtel- onregel- Nederlands woord woord matigheden un premier/ helemaal eerste première onregelmatig deux deuxième second/seconde tweede trois troisième derde quatre quatrième De e valt weg. vierde cinq cinquième Er komt een u bij. vijfde six sixième zesde sept septième zevende huit huitième achtste neuf neuvième De f wordt een v. negende dix dixième tiende 1 un 11 onze 21 vingt et un 2 deux 12 douze 22 vingt-deux 3 trois 13 treize 23 vingt-trois 4 quatre 14 quatorze 30 trente 5 cinq 15 quinze 31 trente et un 6 six 16 seize 35 trente-cinq 7 sept 17 dix-sept 36 trente-six 8 huit 18 dix-huit 40 quarante 9 neuf 19 dix-neuf 41 quarante et un 10 dix 20 vingt 47 quarante-sept 50 cinquante 74 soixante-quatorze 51 cinquante et un 77 soixante-dix-sept 54 cinquante-quatre 78 soixante-dix-huit 60 soixante 80 quatre-vingts 61 soixante et un 81 quatre-vingt-un 69 soixante-neuf 82 quatre-vingt-deux 70 soixante-dix 90 quatre-vingt-dix 71 soixante et onze 91 quatre-vingt-onze 72 soixante-douze 92 quatre-vingt-douze 73 soixante-treize 99 quatre-vingt-dix-neuf 100 cent 4 Landennamen, inwoners en talen Ecrire, Etape 1 1 Landen Landen en streken krijgen in het Frans een lidwoord. Er zijn mannelijke, vrouwelijke en meervouds landen. Marokko is een Noord- Afrikaans land. Frankrijk is een groot land. Le Maroc est un pays nord-africain. La France est un grand pays. Les Pays-Bas sont au nord de la Belgique. Nederland ligt ten noorden van België. Tip! Landennamen en streeknamen die op een -e eindigen, zijn meestal vrouwelijk. Landennamen en streeknamen die niet op een -e eindigen zijn, meestal mannelijk. 2 (deux)

Als je wilt zeggen dat je naar een land gaat, of dat je in een land bent, gebruik je: en bij een vrouwelijke landennaam. au (= à + le) bij een mannelijke landennaam. aux (= à + les) bij meervouds landen. Je vais en France. Ik ga naar Frankrijk. Tu vas en Bretagne? Ga je naar Bretagne? Je suis au Maroc. Ik ben in Marokko. J habite aux Pays-Bas. Ik woon in Nederland. Japans Il est japonais. Il parle japonais. Chinees Il est chinois. Il parle chinois. Nederlands Je suis Je parle hollandais hollandais. (of: néerlandais). Let op: Marokkaans Il est marocain. Il parle arabe. Bij een vrouwelijke inwoner komt er een e achter het woord (behalve als er al een e staat). Nederland les Pays-Bas (m) aux Pays-Bas maar ook: la Hollande en Hollande Frankrijk la France en France België la Belgique en Belgique Duitsland l Allemagne (v) en Allemagne Engeland l Angleterre (v) en Angleterre Zwitserland la Suisse en Suisse Oostenrijk l Autriche (v) en Autriche Denemarken Le Danemark au Danemark Italië l Italie (v) en Italie Spanje l Espagne (v) en Espagne Portugal le Portugal au Portugal Marokko le Maroc au Maroc Turkije la Turquie en Turquie Griekenland la Grèce en Grèce Canada le Canada au Canada China la Chine en Chine Japan le Japon au Japon de V.S. les Etats-Unis aux Etats-Unis Bretagne la Bretagne en Bretagne Normandië la Normandie en Normandie 2 Nationaliteiten en talen In het Frans wordt meestal hetzelfde woord gebruikt voor de inwoner van een land en de taal van dat land: Frans Il est français. Il parle français. Engels Il est anglais. Il parle anglais. Duits Il est allemand. Il parle allemand. Italiaans Il est italien. Il parle italien. Spaans Il est espagnol. Il parle espagnol. Portugees Il est portugais. Il parle portugais. Turks Il est turc. Il parle turc. Grieks Il est grec. Il parle grec. Rob est hollandais. Il est belge. Sandra est hollandaise. Elle est belge. Wanneer je zegt: in het Frans, of in het Engels etc., gebruik je en. Il est italien, mais il chante en français. 5 Voorzetsels Ecouter, Etape 7 Het Frans kent veel voorzetsels. Sommige daarvan kun je in verschillende betekenissen gebruiken. Je suis à Paris. Je vais à Paris. Je suis à l école. Je vais à vélo. Ce stylo est à moi. Je pars à huit heures. Ik ben in Parijs. Ik ga naar Parijs. Ik ben op school. Ik ga met de fiets. Die pen is van mij. Ik vertrek om acht uur. Andere veel voorkomende voorzetsels zijn: à côté de après avec chez contre dans de derrière devant naast na met bij, naar tegen in, over van, uit achter voor Let op. De voorzetsels à en de kunnen worden samengetrokken met een lidwoord. à + le à + les au aux en en face de entre pour sans selon sous sur de + le de + les in, naar tegenover tussen voor, om te zonder volgens onder op du des 3 (trois)

6 Delend lidwoorden (du, de la, de l, des) en hoeveelheidswoorden Parler, Etape 4 Als er in het Nederlands geen lidwoord voor een zelfstandig naamwoord staat, moet je in het Frans du, de la, de l of des gebruiken. Deze woordjes geven aan dat je niet weet om welke hoeveelheid het gaat. Voor een mannelijk woord gebruik je du. Voor een vrouwelijk woord gebruik je de la. Voor een woord dat met een klinker of stomme h begint, gebruik je de l. Voor een woord dat meervoud is, gebruik je des. du jus de pommes (m) de la confiture (v) de l ail (klinker) des tomates (meervoud) appelsap jam knoflook tomaten 1 Na een woord dat een hoeveelheid aangeeft (een beetje, veel, een stukje, een glas, een fles, etc.) gebruik je in het Frans het woordje de (d ). beaucoup de vin un verre d eau un peu de pain un kilo de fromage combien de pommes? veel wijn een glas water een beetje brood een kilo kaas hoeveel appels? 2 Ook ne pas (= geen) en ne plus (= niet meer / geen meer) geven een hoeveelheid aan. Je gebruikt hierna dus ook het woordje de (d ). Tu ne veux pas de salade? Wil je geen salade? Il n y a plus d huile. Er is geen olie meer. 7 Kloktijden Ecouter, Etape 8 Hele uren Il est une heure. Il est deux heures. Let op: twaalf uur Il est midi. Il est minuit. Halve uren et demi(e) Het is één uur. Het is twee uur. Het is twaalf uur (overdag). Het is twaalf uur ( s nachts). Il est une heure et demie. Het is half twee. Il est trois heures et demie. Het is half vier. Il est midi et demi. Het is half één (overdag). Il est minuit et demi. Het is half één ( s nachts). Kwartieren kwart over et quart kwart voor moins le quart Il est une heure et quart. Il est midi et quart. Het is kwart over één. Het is kwart over twaalf (overdag). Il est une heure moins Het is kwart voor één. le quart. Il est minuit moins le quart. Het is kwart voor twaalf ( s nachts). Minuten Van 1 minuut over tot 29 minuten over Il est une heure cinq. Het is vijf over één. Il est minuit vingt. Het is tien voor half één ( s nachts). Il est trois heures Het is vijf voor half vier. vingt-cinq. Vanaf het half uur tot aan het hele uur moins Il est une heure moins cinq. Het is vijf voor één. Il est minuit moins vingt. Het is tien over half twaalf ( s nachts). Il est trois heures moins Het is vijf over half drie. vingt-cinq. 4 (quatre)

Digitale kloktijden Je kunt kloktijden ook digitaal uitspreken. Le journal de vingt heures. Het journaal van acht uur. Le train part à quatorze De trein vertrekt veertien heures trente. uur dertig. Il est treize heures Het is dertien uur vijftig. cinquante. 3 De datum zonder de dag van de week Als de dag van de week er niet bij staat, begint de datum altijd met le. Je gebruikt gewone telwoorden, behalve voor de eerste van de maand. le 15 mai 15 mei le 1er (premier) septembre 1 september Als je wilt zeggen hoe laat je iets doet, gebruik je à. 4 Het woordje op vertaal je niet J arrive au collège à huit Ik kom op school aan om Le 15 mai, je vais à Paris. Op 15 mei ga ik naar Parijs. heures et demie. half negen. Mercredi 2 août, il y a un Op woensdag 2 augustus is match de foot. er een voetbalwedstrijd. 8 Dagen van de week Ecouter, Etape 8 dimanche lundi mardi mercredi jeudi vendredi samedi zondag maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag zaterdag 5 Van tot Les vacances durent du De vakantie duurt van 7 juli 7 juillet au 25 août. tot 25 augustus. 6 Als je een brief schrijft in het Frans, schrijf je eerst de naam van de plaats van waaruit je schrijft met een komma en daarachter de datum. Paris, le 25 février 9 Datums Ecrire, Etape 2 1 Maanden van het jaar janvier januari juillet juli février februari août augustus mars maart septembre september avril april octobre oktober mai mei novembre november juin juni décembre december 2 De datum met de dag van de week: je gebruikt gewone telwoorden, behalve voor de eerste van de maand. dimanche 28 juillet jeudi 1er (premier) mars zondag 28 juli donderdag 1 maart 10 Vragen stellen Parler, Etape 1 In het Frans zijn er drie manieren om een vragende zin te maken: intonatie, est-ce que en inversie. 1 Intonatie Als je in het Frans een vraag stelt, kun je dezelfde volgorde in de zin gebruiken als in een niet-vragende zin. Je laat horen dat het een vraag is door je stem omhoog te laten gaan. C est André. C est André? Il habite à Paris. Il habite à Paris? Dat is André. Is dat André? Hij woont in Parijs. Woont hij in Parijs? 5 (cinq)

2 Est-ce que Door het gebruik van est-ce que aan het begin van een zin kun je aangeven dat er een vraag volgt. Aan de volgorde van de zin verandert verder niets. Est-ce que c est possible? Est-ce qu il est français? Est-ce que tu as vu mon livre? Is dat mogelijk? Is hij Frans? Heb je mijn boek gezien? Bij een vraagwoord (wie, wat, waar, etc.) komt est-ce que achter het vraagwoord. Het vraagwoord staat dan altijd aan het begin van de vraag. Où est-ce qu il est? Comment est-ce que tu t appelles? Pourquoi est-ce que tu dis cela? Waar is hij? Hoe heet jij? Waarom zeg je dat? 3 Inversie (omdraaien) Als je in het Nederlands een vraag stelt, gebruik je bijna altijd inversie. Hij loopt. Loopt hij? Inversie is ook in het Frans mogelijk, maar alleen als het onderwerp één van de volgende persoonlijk voornaamwoorden is; je, tu, il, elle, on, ce, nous, vous, ils of elles. Est-ce possible? Parlez-vous français? As-tu vu mon livre? Où est-il? Pouvez-vous me dire Ont-ils tort ou raison? Is dat mogelijk? Spreekt u Frans? Heb je mijn boek gezien? Waar is hij? Kunt u me zeggen Hebben ze ongelijk of gelijk? Let op: in het Frans schrijf je altijd een koppelteken (-) tussen de persoonsvorm en het onderwerp. 11 Ontkenningen Ecouter, Etape 3 Een ontkenning bestaat uit twee woorden. Het eerste woord is altijd ne. Het tweede woord geeft aan welke ontkenning er wordt gebruikt. Ne staat voor de persoonsvorm (het (hulp)werkwoord) en het ontkenningswoord staat achter de persoonsvorm (het (hulp)werkwoord). Samedi, je ne travaille pas. Zaterdag werk ik niet. Je n ai pas été en Espagne. Ik ben niet in Spanje geweest. On ne veut plus rester. We willen niet meer blijven. Elle ne boit jamais de café. Zij drinkt nooit koffie. Tu ne prends rien? Neem je niets? Il n y a personne. Er is niemand. Je ne parle pas anglais Ik spreek geen Engels en et pas allemand non plus. ook geen Duits. 12 Onregelmatige meervouden Ecrire, Etape 6 1 In het meervoud komt er een -s achter een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord. un homme un grand frère une petite sœur deux hommes deux grands frères deux petites sœurs 2 Als het woord eindigt op een -s, een -x of op een -z, blijft het onveranderd. un bus deux bus een bus twee bussen un prix deux prix een prijs twee prijzen le nez les nez de neus de neuzen le gros nez les gros nez de dikke de dikke neus neuzen le vieux bois les vieux bois het oude de oude bos bossen 6 (six)

3 Bijzondere gevallen van meervoud a Woorden die eindigen op -au en -eu krijgen in het meervoud een -x. un chapeau deux chapeaux een hoed twee hoeden un jeu deux jeux een spel twee spellen le beau cadeau les beaux cadeaux Een uitzondering is: bleu le cheveu bleu les cheveux bleus b Woorden die eindigen op -al, eindigen in het meervoud op -aux. 13 Bijvoeglijk naamwoorden Ecrire, Etape 7 Als je mensen of dingen wilt beschrijven, gebruik je bijvoeglijke naamwoorden. 1 De vorm van het bijvoeglijk naamwoord a Regelmatige bijvoeglijk naamwoorden Bijvoeglijke naamwoorden veranderen als je ze gebruikt om mensen of dingen te beschrijven die vrouwelijk zijn. Ze krijgen dan een -e. Mon frère est petit. Ma sœur est petite. Jean est grand. Lucie est grande. Mijn broer is klein. Mijn zus is klein. Jean is groot. Lucie is groot. un animal deux animaux een dier twee dieren un cheval deux chevaux een paard twee paarden le canal les canaux de gracht de grachten Als een (mannelijk) bijvoeglijk naamwoord al op een -e eindigt, komt er niet nog een -e bij wanneer het bij een vrouwelijk woord staat. c le journal international les journaux internationaux Zelfstandig naamwoorden met een afwijkende vorm in het meervoud. le travail les travaux het werk de werzaamheden un œil deux yeux een oog twee ogen 4 Er zijn ook woorden die alleen in het meervoud voorkomen. les devoirs les vacances les maths het huiswerk de vakantie de wiskunde C est un mot difficile. C est une phrase difficile. Het is een moeilijk woord. Het is een moeilijke zin. In het meervoud krijgt het bijvoeglijk naamwoord een -s. (zie ook taalregel 12) trois grands magasins deux petites terrasses drie grote winkels twee kleine terrassen b Onregelmatige bijvoeglijk naamwoorden De eindletter -f verandert bij vrouwelijk in -ve. De eindletter -x verandert bij vrouwelijk in -se. Yves est un garçon sportif. Yves is een sportieve jongen. Yvette est une fille sportive. Yvette is een sportief meisje. Il est heureux. Elle est heureuse. Hij is gelukkig. Zij is gelukkig. 7 (sept)

c Sommige bijvoeglijke naamwoorden hebben een ander woord voor de vrouwelijke vorm. beau wordt belle mooi nouveau wordt nouvelle nieuw vieux wordt vieille oud fou wordt folle gek gentil wordt gentille aardig blanc wordt blanche wit bon wordt bonne goed, lekker gros wordt grosse dik, groot doux wordt douce zacht Le Louvre est beau. Het Louvre is mooi. La Tour Eiffel est belle. De Eiffeltoren is mooi. Le Louvre est vieux. Het Louvre is oud. La maison est vieille. Het huis is oud. 2 De plaats van het bijvoeglijk naamwoord Het bijvoeglijk naamwoord staat in het Frans meestal direct achter het zelfstandig naamwoord. un monument célèbre un quartier moderne un bâtiment noir une voiture rouge een beroemd monument een moderne wijk een zwart gebouw een rode auto Maar: sommige bijvoeglijke naamwoorden staan vóór het zelfstandig naamwoord. Dit zijn: grand, petit, beau, joli, jeune, vieux, gros, bon, nouveau, haut. un beau monument un grand quartier un vieux bâtiment une petite voiture een mooi monument een grote wijk een oud gebouw een kleine auto Bijvoeglijke naamwoorden kunnen dus zowel voor als achter het zelfstandig naamwoord staan. un beau monument een mooi, beroemd célèbre monument un grand quartier moderne een grote, moderne wijk un vieux bâtiment noir een oud, zwart gebouw une petite voiture rouge een kleine, rode auto 14 Trappen van vergelijking Ecouter, Etape 6 1 De vergrotende trap Je gebruikt een vergrotende trap als je personen of dingen met elkaar vergelijkt met woorden als groter, kleiner, leuker. a Je maakt een vergrotende trap door het woord plus voor het bijvoeglijk naamwoord te zetten. b c La Tour Montparnasse est haute. La Tour Eiffel est plus haute. Mon frère est plus grand que ma sœur. De Tour Montparnasse is hoog. De Eiffeltoren is hoger. Mijn broer is groter dan mijn zus. Je kunt ook zeggen dat iets minder mooi, minder groot, minder leuk is. Dan zet je moins voor het bijvoeglijk naamwoord. Ton dessin est beau. Mon dessin est moins beau. Jouw tekening is mooi. Mijn tekening is minder mooi. Je kunt ook zeggen dat iets even mooi, even groot, even leuk is. Dan zet je aussi voor het bijvoeglijk naamwoord. Ton dessin est beau. Mon dessin est aussi beau. Jouw tekening is mooi. Mijn tekening is even mooi. 2 De overtreffende trap Je gebruikt een overtreffende trap als je personen of dingen vergelijkt en zegt dat iets het grootst, de kleinste, de leukste is. Je maakt een vergrotende trap door het woord le plus voor het bijvoeglijk naamwoord te zetten. Bij vrouwelijk gebruik je la plus en bij meervoud les plus. Marco est le plus grand. Sandra est la plus grande. David et Ahmed sont les plus grands. Sandra et Jasmine sont les plus grandes. Marco is het grootst. Sandra is het grootst. David en Ahmed zijn het grootst. Sandra en Jasmine zijn het grootst. 8 (huit)

Je kunt ook een overtreffende trap maken met (le, la of les) moins. Ce T-shirt est le moins cher. Cette jupe est la moins belle. Ces appartements sont les moins jolis. Dit T-shirt is het minst duur. Die rok is het minst mooi. Die appartementen zijn het minst mooi. Als een bijvoeglijk naamwoord voor of achter het zelfstandig naamwoord staat (dus zonder een vorm van être ertussen), maak je de vergrotende en overtreffende trap zo: 1 Bijwoorden die eindigen op -ment Je maakt een bijwoord, door -ment achter het bijvoeglijk naamwoord te zetten. vrai vraiment (bijvoeglijk naamwoord) (bijwoord) Als het bijvoeglijk naamwoord niet op een klinker eindigt, gebruik je de vrouwelijke vorm van het bijvoeglijk naamwoord. seul seule (bijvoeglijk naamwoord) seulement (bijwoord) Tu as un joli agenda! J ai un plus joli agenda! Sandra a le plus joli agenda! Jij hebt een leuke agenda! Ik heb een leukere agenda! Sandra heeft de leukste agenda! heureux heureuse (bijvoeglijk naamwoord) heureusement (bijwoord) 2 Bijwoorden met een eigen vorm Sommige bijwoorden verschillen van het bijvoeglijk naamwoord. Ça, c est un bâtiment moderne. Dit is een modern gebouw. Voilà un bâtiment plus Dat is een moderner moderne. gebouw. Ici, il y a le bâtiment le plus Hier is het modernste moderne. gebouw. Let op! bon meilleur le meilleur / la meilleure goed beter de / het beste bijvoeglijk naamwoord bijwoord bon goed bien meilleur beter mieux mauvais slecht mal 16 Persoonlijk voornaamwoorden Ecouter, Etape 4 De volgende persoonlijk voornaamwoorden kunnen nadruk aangeven alleenstaand worden gebruikt na een voorzetsel worden gebruikt. 15 Bijwoorden Ecouter, Etape 5 Een bijvoeglijk naamwoord zegt altijd iets over een zelfstandig naamwoord: Ik lees een goed boek. Een bijwoord zegt iets over een ander woord (vaak een werkwoord): moi toi lui elle nous vous eux elles ik, mij jij, jou hij, hem zij, haar wij, ons jullie, u zij, hen (mannelijk) zij, hen (vrouwelijk) Jan werkt goed. In het Nederlands zie je geen verschil tussen een bijvoeglijk naamwoord en een bijwoord, maar in het Frans is er wel verschil. 9 (neuf)

1 Nadruk aangeven a Aan het begin of het eind van een zin om het onderwerp te benadrukken. b Moi, je préfère le rock. Tu aimes le sport, toi? Na c est. IK heb liever rockmuziek. Houd JIJ van sport? lijdend voorwerp meewerkend voorwerp me me me, mij te te je, jou le, la lui hem, haar la lui haar nous nous ons vous vous jullie, u les leur ze, hen C est Paul? Oui, c est lui. Is dat Paul? Ja, HIJ is het. Qui est là? C est moi! Wie is daar? IK ben het! 2 Alleenstaand gebruiken Qui a fait cela? Eux! 3 Na een voorzetsel Cette lettre est pour moi? Il pense à elle et elle pense à lui. Nous jouons contre eux. Tu viens avec nous? Wie heeft dat gedaan? Zij! Is die brief voor mij? Hij denkt aan haar en zij denkt aan hem. We spelen tegen hen. Ga je met ons mee? 17 Verwijswoorden Lire, Etape 4 Persoonlijk voornaamwoorden worden gebruikt als verwijswoord. Je verwijst ermee naar dingen of personen die al eerder zijn genoemd. Ken je Richard? Heeft hij Sandy een zoen gegeven? Weet je het antwoord? Wanneer ben je in Parijs geweest? Ja ik ken hem. Ja hij heeft haar een zoen gegeven. Nee ik weet het niet. Ik ben er vorige week geweest. a Le, la of les Deze verwijswoorden zijn lijdend voorwerp. In de zin Ik zie hem is hem een lijdend voorwerp. J ai un copain. Je le vois souvent. Maxime a une copine. Il la voit souvent. J ai deux cousines. Je les vois souvent. Luc est mon copain. Tu l as vu? Non je ne l ai pas vu. J ai un cadeau. Je vais le donner à Lisa. Ik heb een vriend. Ik zie hem vaak. Maxime heeft een vriendin. Hij ziet haar vaak. Ik heb twee nichtjes. Ik zie ze vaak. Luc is mijn vriend. Heb je hem gezien? Nee, ik heb hem niet gezien. Ik heb een cadeau. Ik ga hem aan Lisa geven. b Lui, leur Deze verwijswoorden zijn meewerkend voorwerp. In de zin Ik geef hem een cadeau is hem een meewerkend voorwerp. Je lui donne un cadeau. Ik geef hem / haar een cadeau. Je lui ai donné un cadeau. Ik heb hem / haar een cadeau gegeven. Tu leur écris une carte Schrijf je hun een postale? ansichtkaart? Je veux leur donner un Ik wil hun een cadeau cadeau. geven. In het Frans zijn er soms verschillen als een verwijswoord lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp is in de zin. Bij hem, haar of ze/hen worden dan aparte verwijswoorden gebruikt. c Y, en Y of en worden gebruikt als vertaling van er. Il y a trois bouteilles de Er zijn drie flessen cola. coca. Nous y allons demain. We gaan er morgen heen. J y vais tout de suite. Ik ga er direct heen. Mon frère en parle tout Mijn broer praat er de hele tijd le temps. over. J en prends deux. Ik neem er twee. 10 (dix)

18 Bezittelijk voornaamwoorden Ecrire, Etape 5 mannelijk enkelvoud vrouwelijk enkelvoud meervoud mijn mon ma mes jouw ton ta tes zijn / haar son sa ses onze notre nos jullie / uw votre vos hun leur leurs Om te bepalen of je de mannelijke of de vrouwelijke vorm nodig hebt, kijk je naar het woord dat erachter staat. mijn mon père ma mère mes parents jouw ton père ta mère tes parents zijn / haar son père sa mère ses parents onze notre père notre mère nos parents jullie / uw votre père votre mère vos parents hun leur père leur mère leurs parents Let op: Als het vrouwelijke zelfstandige naamwoord achter het bezittelijk voornaamwoord met een klinker of een stomme h begint, gebruik je geen ma, ta of sa, maar mon, ton of son. 1 een vriendin une copine une amie mijn vriendin ma copine maar: mon amie 2 een klas/school une classe une école jouw klas / school ta classe maar: ton école 3 een verhaal une histoire zijn/haar (mooie) sa belle maar: son verhaal histoire histoire 19 Aanwijzend voornaamwoorden Parler, Etape 7 1 Voor een zelfstandig naamwoord Dit, dat, deze, die zijn aanwijzend voornaamwoorden. Ze staan voor een zelfstandig naamwoord: ce cet cette ces voor een mannelijk woord voor een mannelijk woord dat met een klinker of stomme h begint voor een vrouwelijk woord voor een woord dat meervoud is mannelijk: ce chien deze hond of die hond cet arbre deze boom of die boom cet hôtel dit hotel of dat hotel vrouwelijk: cette photo deze foto of die foto meervoud: ces chiens deze honden of die honden ces arbres deze bomen of die bomen ces photos deze foto s of die foto s Als je het verschil tussen dit of deze (= hier) en dat of die (= daar) duidelijk wilt maken, zet je -ci of -là achter het zelfstandig naamwoord. Ce garçon-ci ou ce garçon-là? Cet hôtel-ci ou cet hôtel-là? Cette fille-ci ou cette fille-là? Ces photos-ci ou ces photos-là? Deze jongen (hier) of die jongen (daar)? Dit hotel (hier) of dat hotel (daar)? Dit meisje (hier) of dat meisje (daar)? Deze foto s (hier) of die foto s (daar)? 2 Zelfstandig gebruikt Er zijn ook aanwijzend voornaamwoorden waar geen zelfstandig naamwoord achter staat. Ik heb hier het schrift van Lara en dat van Nabila. J ai ici le cahier de Lara et celui de Nabila. mannelijk enkelvoud vrouwelijk enkelvoud mannelijk meervoud vrouwelijk meervoud celui celle ceux celles 11 (onze)

mannelijk enkelvoud: Mon cahier et celui de Véronique. Mijn schrift en dat van Véronique. vrouwelijk enkelvoud: Ta photo et celle de moi. Jouw foto en die van mij. mannelijk meervoud: Mes cahiers et ceux de Véronique. Mijn schriften en die van Véronique. vrouwelijk meervoud: Tes photos et celles de moi. Jouw foto s en die van mij. 20 Vragend voornaamwoorden Lire, Etape 1 Er zijn veel verschillende vraagwoorden. Let op de volgende belangrijke vragend voornaamwoorden. 1 Welk(e) = Quel Het vraagwoord quel staat voor een zelfstandig naamwoord. De vorm past zich aan, als het zelfstandig naamwoord vrouwelijk of meervoud is. Quel garçon? Quels garçons? Quelle fille? Quelles filles? Welke jongen? Welke jongens? Welk meisje? Welke meisjes? Als je het verschil tussen deze (= hier) of die (= daar) duidelijk wilt maken, zet je -ci of -là achter het aanwijzend voornaamwoord. Let op: Als quel wordt gevolgd door être en een zelfstandig naamwoord, vertaal je het niet met welk, maar met wat. Tu veux un livre? Tu préfères celui-ci ou celui-là? Wil je een boek? Heb je liever deze of die? Quel est le problème? Quelle est ton adresse? Wat is het probleem? Wat is jouw adres? Vous prenez une pomme? Vous voulez celle-ci ou celle-là? Neemt u een appel? Wilt u deze of die? Quels sont tes stylos? Ceux-ci ou ceux-là? Wat zijn jouw pennen? Deze of die? Qui sont tes copines? Celles-ci ou celles-là? Wie zijn jouw vriendinnen? Deze of die? 3 Ceci of cela als je iets aanwijst Als je iets aanwijst kun je ceci (dit) of cela (dat) gebruiken. Het maakt dan niet uit of je naar een mannelijk of vrouwelijk voorwerp verwijst. Je voudrais ceci. Je peux avoir cela? Ik wil dit graag. Mag ik dat hebben? 2 Wat Voor het vraagwoord wat zijn er verschillende mogelijkheden in het Frans: qu est-ce qui qu est-ce que quoi (als het vraagwoord onderwerp is in de zin) (als het vraagwoord lijdend voorwerp is in de zin) (alleenstaand, na een vorm van être of na een voorzetsel) Qu est-ce qui se passe? Wat gebeurt er? Qu est-ce que vous dites? Wat zegt u? Quoi? Wat? C est quoi? Wat is dat? Tu penses à quoi? Waaraan denk je? 3 Andere vraagwoorden die veel voorkomen: combien hoeveel pourquoi waarom comment hoe quand wanneer où waar qui wie 12 (douze)

21 Betrekkelijk voornaamwoorden Parler, Etape 5 Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar (heeft betrekking op) een eerder genoemd woord. Je komt ze in leesteksten vaak tegen. Voici l homme qui a inventé la Tour Eiffel. qui verwijst naar l homme C est un style que j aime beaucoup. que verwijst naar un style Comment s appelle le film qu on va voir? qu verwijst naar le film Dit is de man die de Eifeltoren ontworpen heeft. Het is een stijl waar ik erg van houd. Hoe heet de film die we gaan zien? Er bestaan twee betrekkelijk voornaamwoorden want: Qui is onderwerp in de zin. Que is lijdend voorwerp in de zin. Tip: Als er een persoon of je, tu, il, nous etc. achter het betrekkelijk voornaamwoord komt, dan is het bijna altijd que. 22 Regelmatige werkwoorden op -er, -re en -ir Ecrire, Etape 4 1 Regelmatige werkwoorden op -er Er is een heel grote groep werkwoorden die eindigen op -er. Als je deze werkwoorden gaat vervoegen, haal je -er van de infinitief af om de stam te maken. Hieronder zie je de uitgangen. travailler werken Présent O.t.t. je travaille ik werk tu travailles jij werkt il / elle travaille hij / zij werkt nous travaillons wij werken vous travaillez jullie werken / u werkt ils / elles travaillent zij werken Imparfait O.v.t. je travaillais ik werkte Het voltooid deelwoord van Franse werkwoorden die op -er eindigen, maak je zo: travailler travaillé j ai travaillé ik heb gewerkt Futur je travaillerai O.t.t.t. ik zal werken Let op! Er zijn werkwoorden die vanwege de uitspraak een accent grave ( ` ) krijgen als je de lettergreep erachter niet uitspreekt. acheter nous achetons vous achetez j achetais maar: j achète tu achètes il/elle achète ils achètent Kijk ook naar het werkwoord préférer bij taalregel 45. 13 (treize)

2 Regelmatige werkwoorden op -re Bij werkwoorden die eindigen op -re, haal je -re van de infinitief af om de stam te maken. Hieronder zie je de uitgangen. perdre verliezen 23 Wederkerende werkwoorden Parler, Etape 3 Een wederkerend werkwoord is in het Nederlands een werkwoord waar zich voorstaat. In het Frans is een wederkerend werkwoord een werkwoord met se. Présent je perds tu perds il / elle perd nous perdons vous perdez ils / elles perdent Imparfait je perdais j ai perdu Futur je perdrai O.t.t. ik verlies jij verliest hij / zij verliest wij verliezen jullie verliezen / u verliest zij verliezen O.v.t. ik verloor ik heb (ben) verloren O.t.t.t. ik zal verliezen 3 Regelmatige werkwoorden op -ir Bij werkwoorden die eindigen op -ir moet je letten op de stam. De je-, tu- en de il / elle-vorm hebben als stam fin-. Deze korte stam gebruik je ook voor de passé composé. De nous-, vous- en de ils / elles-vorm hebben als stam finiss-. Deze lange stam gebruik je ook voor het maken van de imparfait. finir Présent je finis tu finis il / elle finit nous finissons vous finissez ils / elles finissent Imparfait je finissais j ai fini Futur je finirai eindigen O.t.t. ik eindig jij eindigt hij / zij eindigt wij eindigen jullie eindigen / u eindigt zij eindigen O.v.t. ik eindigde ik heb (ben) geëindigd O.t.t.t. ik zal eindigen se laver se présenter se concentrer s énerver se rappeler se faire mal s inquiéter se sentir zich wassen zich voorstellen zich concentreren zich opwinden zich herinneren zich pijn doen zich ongerust maken zich voelen 1 Bij een wederkerend werkwoord horen altijd twee voornaamwoorden: Je me sens bien. Tu te laves. Ik voel me goed. Jij wast je. 2 me, te, se, nous en vous staan voor het vervoegde werkwoord. se laver zich wassen Présent O.t.t. je me lave ik was me tu te laves jij wast je il se lave hij wast zich elle se lave zij wast zich nous nous lavons wij wassen ons vous vous lavez jullie wassen je / u wast zich ils se lavent zij wassen zich elles se lavent zij wassen zich 3 Alle wederkende werkwoorden worden in het Frans met être vervoegd in de voltooide tijd. je me suis lavé(e) ik heb me gewassen tu t es lavé(e) jij hebt je gewassen il s est lavé hij heeft zich gewassen elle s est lavée zij heeft zich gewassen nous nous sommes lavé(e)s wij hebben ons gewassen vous vous êtes lavé(e)(s) jullie hebben je gewassen / u heeft zich gewassen ils se sont lavés zij hebben zich gewassen elles se sont lavées zij hebben zich gewassen 14 (quatorze)

Let op: Soms is een werkwoord in het Frans wel wederkerend, maar in het Nederlands niet. se promener se lever se coucher se passer se moucher se fouler wandelen opstaan naar bed gaan gebeuren (de neus) snuiten kneuzen, verstuiken 24 (voltooid tegenwoordige tijd) Ecouter, Etape 1 1 Als je iets wilt vertellen wat al gebeurd is, gebruik je vaak de voltooid tegenwoordige tijd. In het Frans heet deze tijd le passé composé. Om een voltooide tijd te maken, gebruik je een hulpwerkwoord (avoir of être) en een voltooid deelwoord. avoir j ai eu être j ai été faire j ai fait hebben ik heb gehad zijn ik ben geweest doen, maken ik heb gedaan, ik heb gemaakt 2 Als je in het Nederlands het hulpwerkwoord zijn gebruikt, kun je in het Frans meestal ook être gebruiken. Je zult merken dat dit niet altijd klopt (bijvoorbeeld j ai été = ik ben geweest), maar voorlopig kun je hier een heel eind mee komen. De être-regel Als het hulpwerkwoord être wordt gebruikt, gebeurt er met het voltooid deelwoord hetzelfde als met een bijvoeglijk naamwoord: Als het onderwerp vrouwelijk is komt er een e achter. Als het onderwerp meervoud is komt een s achter. In het Frans is het hulpwerkwoord meestal avoir (= hebben). Het voltooid deelwoord van Franse werkwoorden: op -er -travailler travaillé op -re -perdre perdu op -ir -finir fini In het Frans staan het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord meestal bij elkaar. In het Nederlands staat er vaak iets tussen. J ai travaillé à la. bibliothèque Elle a perdu son agenda. Nous avons fini nos devoirs. Ik heb in de bibliotheek gewerkt. Zij heeft haar agenda verloren. Wij hebben ons huiswerk afgemaakt. Het voltooid deelwoord van onregelmatige werkwoorden gaat niet volgens een regel. Je moet het dus uit je hoofd leren. Vous êtes parti, monsieur? Bent u weggegaan, meneer? Vous êtes partie, madame? Bent u weggegaan, mevrouw? Vous êtes partis, Yannick Zijn jullie weggegaan, et Didier? Yannick en Didier? Vous êtes parties, Lisa et Zijn jullie weggegaan, Julie? Lisa en Julie? De passé composé van het werkwoord aller: ik ben gegaan je suis allé(e) jij bent gegaan tu es allé(e) hij is gegaan il est allé zij is gegaan elle est allée wij zijn gegaan nous sommes allé(e)s u bent gegaan vous êtes allé(e) jullie zijn gegaan vous êtes allé(e)s zij zijn gegaan ils sont allés zij zijn gegaan elles sont allées Let op: Als je bij een passé composé een ontkenning gebruikt, staan ne en pas voor en achter de persoonsvorm (het (hulp) werkwoord). Je n ai pas travaillé. Ils ne sont pas allés à la plage. 15 (quinze)

25 Imparfait (onvoltooid verleden tijd) Ecrire, Etape 3 Als je wilt zeggen hoe iets vroeger was of dat je iets vaak deed, gebruik je de imparfait. Je maakt de imparfait door een uitgang achter de stam van het werkwoord te plaatsen. 26 Futur (toekomende tijd) Lire, Etape 6 1 De futur (regelmatig) Je maakt de futur door de infinitief (het hele werkwoord) te gebruiken en daar een uitgang (ai, as, a, ons, ez, ont) achter te zetten. De stam van een werkwoord vind je door de ons van de nous-vorm af te halen. Hieronder zie je de uitgangen. Die zet je achter de stam. parler nous stam: regarder kijken je regarderai ik zal kijken tu regarderas jij zult kijken il / elle regardera hij / zij zal kijken nous regarderons wij zullen kijken vous regarderez jullie zullen kijken / u zult kijken ils / elles regarderont zij zullen kijken Let op! In twee gevallen verandert er iets aan de infinitief. parler nous parlons stam: parl- praten parlons parlje parlais ik praatte tu parlais jij praatte il / elle parlait hij / zij praatte nous parlions wij praatten vous parliez jullie praatten, u praatte ils/elles parlaient zij praatten Let op: De nous-vorm van être eindigt niet op -ons. Het is het enige werkwoord waarvan je de stam moet leren. a Als het hele werkwoord eindigt op -re (bijvoorbeeld attendre of descendre), valt de e aan het eind van de infinitief weg. j attendreai j attendrai ik zal wachten nous descendreons nous descendrons wij zullen uitstappen b Als het hele werkwoord eindigt op -evoir (bijvoorbeeld recevoir), valt de oi uit de infinitief weg. je recevoirai je recevrai ik zal ontvangen être zijn nous sommes (!) stam: étj étais ik was 2 De futur (onregelmatig) Bij onregelmatige werkwoorden verandert de infinitief vaak. Er is dan een andere stam waarachter de uitgangen van de futur geplaatst worden. aller j irai ik zal gaan avoir j aurai ik zal hebben devoir je devrai ik zal moeten être je serai ik zal zijn faire je ferai ik zal doen / maken pouvoir je pourrai ik zal kunnen / mogen savoir je saurai ik zal weten / kunnen venir je viendrai ik zal komen voir je verrai ik zal zien envoyer j enverrai ik zal sturen vouloir je voudrai ik zal willen 16 (seize)

27 Futur proche (toekomende tijd) Parler, Etape 6 De toekomende tijd met aller 30 Boire = drinken drinken boire Als je iets wilt zeggen wat nog moet gebeuren, kun je een vorm van het werkwoord aller gebruiken met daarachter een heel werkwoord. Je vais travailler. Lisa va acheter une carte postale. Ik ga werken. Lisa gaat een ansichtkaart kopen. Kijk naar taalregel 28 voor de vervoeging van het werkwoord aller. 28 Aller = gaan ik drink je bois ik zal drinken je boirai jij drinkt tu bois hij / zij drinkt il / elle boit O.v.t. Imparfait wij drinken nous buvons ik dronk je buvais jullie drinken/ vous buvez u drinkt zij drinken ils / elles boivent ik heb gedronken j ai bu gaan aller 31 Choisir = kiezen ik ga je vais ik zal gaan j irai jij gaat tu vas hij / zij gaat il / elle va O.v.t. Imparfait wij gaan nous allons ik ging j allais jullie gaan / u gaat vous allez zij gaan ils / elles vont ik ben gegaan je suis allé(e) kiezen choisir ik kies je choisis ik zal kiezen je choisirai jij kiest tu choisis hij / zij kiest il / elle choisit O.v.t. Imparfait wij kiezen nous choisissons ik koos je choisissais jullie kiezen / vous choisissez u kiest zij kiezen ils / elles choisissent 29 Avoir = hebben ik heb gekozen j ai choisi hebben avoir ik heb j ai ik zal j aurai jij hebt tu as hebben hij / zij heeft il / elle a wij hebben nous avons O.v.t. Imparfait jullie hebben / u heeft vous avez ik had j avais zij hebben ils / elles ont ik heb gehad j ai eu 32 Connaître = kennen kennen connaître ik ken je connais ik zal kennen je connaîtrai jij kent tu connais hij/zij kent il/elle connaît O.v.t. Imparfait wij kennen nous connaissons ik je kende connaissais jullie kennen / vous connaissez u kent zij kennen ils/elles connaissent 17 (dix-sept) ik heb gekend j ai connu

33 Croire = geloven, denken 36 Ecrire = schrijven geloven, denken croire schrijven écrire ik geloof je crois ik zal geloven je croirai jij gelooft tu crois hij / zij gelooft il / elle croit O.v.t. Imparfait wij geloven nous croyons ik geloofde je croyais jullie geloven / vous croyez u gelooft zij geloven ils / elles croient ik schrijf j écris ik zal j écrirai jij schrijft tu écris schrijven hij / zij schrijft il / elle écrit wij schrijven nous écrivons O.v.t. Imparfait jullie schrijven / vous écrivez ik schreef j écrivais u schrijft zij schrijven ils / elles écrivent ik heb geloofd j ai cru ik heb geschreven j ai écrit 34 Devoir = moeten 37 Envoyer = sturen moeten devoir sturen envoyer ik moet je dois ik zal moeten je devrai jij moet tu dois hij / zij moet il / elle doit O.v.t. Imparfait wij moeten nous devons ik moest je devais jullie moeten / vous devez u moet zij moeten ils / elles doivent ik stuur j envoie ik zal sturen j enverrai jij stuurt tu envoies hij / zij stuurt il / elle envoie O.v.t. Imparfait wij sturen nous envoyons ik stuurde j envoyais jullie sturen / vous envoyez u stuurt zij sturen ils / elles envoient ik heb gemoeten j ai dû ik heb gestuurd j ai envoyé 35 Dire = zeggen 38 Être = zijn zeggen dire zijn être ik zeg je dis ik zal zeggen je dirai jij zegt tu dis hij / zij zegt il / elle dit O.v.t. Imparfait wij zeggen nous disons ik zei je disais jullie zeggen / vous dites u zegt zij zeggen ils / elles disent ik heb gezegd j ai dit ik ben je suis ik zal zijn je serai jij bent tu es hij / zij is il / elle est O.v.t. Imparfait wij zijn nous sommes ik was j étais jullie zijn / u bent vous êtes zij zijn ils / elles sont V.t.t ik ben geweest j ai été 18 (dix-huit)

39 Faire = doen, maken 42 Ouvrir = openmaken doen, maken faire openmaken ouvrir ik doe je fais ik zal doen je ferai jij doet tu fais hij / zij doet il / elle fait O.v.t. Imparfait wij doen nous faisons ik deed je faisais jullie doen / vous faites u doet zij doen ils / elles font ik heb gedaan j ai fait 40 Lire = lezen ik maak open j ouvre ik zal j ouvrirai jij maakt open tu ouvres openmaken hij / zij maakt il / elle ouvre O.v.t. Imparfait open ik maakte j ouvrais wij maken open nous ouvrons open jullie maken vous ouvrez open / u maakt open zij maken open ils / elles ouvrent ik heb open gemaakt j ai ouvert lezen lire 43 Partir = vertrekken ik lees je lis ik zal lezen je lirai jij leest tu lis hij / zij leest il / elle lit O.v.t. Imparfait wij lezen nous lisons ik las je lisais jullie lezen / u leest vous lisez zij lezen ils / elles lisent ik heb gelezen j ai lu vertrekken partir ik vertrek je pars ik zal je partirai jij vertrekt tu pars vertrekken hij / zij vertrekt il / elle part wij vertrekken nous partons O.v.t. Imparfait jullie vertrekken / vous partez ik vertrok je partais u vertrekt zij vertrekken ils / elles partent 41 Mettre = aantrekken, (neer) zetten, (neer)leggen ik ben vertrokken je suis parti(e) aantrekken, (neer)zetten, (neer)leggen mettre 44 Pouvoir = kunnen, mogen ik zet je mets ik zal zetten je mettrai jij zet tu mets hij / zij zet il / elle met O.v.t. Imparfait wij zetten nous mettons ik zette je mettais jullie zetten / vous mettez u zet zij zetten ils / elles mettent ik heb gezet 19 (dix-neuf) j ai mis kunnen, mogen pouvoir ik kan je peux ik zal je pourrai jij kunt tu peux kunnen hij / zij kan il / elle peut wij kunnen nous pouvons O.v.t. Imparfait jullie kunnen / vous pouvez ik kon je pouvais u kunt zij kunnen ils / elles peuvent ik heb gekund j ai pu

45 Préférer = liever hebben 47 Se présenter = zich voorstellen liever hebben préférer zich voorstellen se présenter ik heb liever je préfère ik zal je préférerai jij hebt liever tu préfères liever hebben hij / zij heeft il / elle préfère liever O.v.t. Imparfait wij hebben liever nous préférons ik had je préférais jullie hebben / vous préférez liever u heeft liever ils / elles préfèrent zij hebben liever ik heb liever gehad j ai préféré ik stel me voor je me ik zal me je me présente voorstellen présenterai jij stelt je voor tu te présentes hij / zij stelt zich il / elle se O.v.t. Imparfait voor présente wij stellen nous nous ons voor présentons ik stelde me voor je me présentais jullie stellen je / vous vous présentez u stelt zich voor zij stellen zich ils / elles se présentent voor 46 Prendre = nemen ik heb me voorgesteld je me suis présenté(e) nemen prendre ik neem je prends ik zal je prendrai jij neemt tu prends nemen hij / zij neemt il / elle prend wij nemen nous prenons O.v.t. Imparfait jullie nemen / vous prenez ik nam je prenais u neemt zij nemen ils / elles prennent ik heb genomen j ai pris 48 Recevoir = ontvangen ontvangen recevoir ik ontvang je reçois ik zal je recevrai jij ontvangt tu reçois ontvangen hij / zij ontvangt il / elle reçoit O.v.t. Imparfait wij ontvangen nous ik ontving je recevais recevons jullie ontvangen / vous recevez u ontvangt zij ontvangen ils / elles reçoivent ik heb ontvangen j ai reçu 20 (vingt)

49 Répondre = antwoorden 51 Se sentir = zich voelen antwoorden répondre zich voelen se sentir ik antwoord je réponds ik zal je jij antwoordt tu réponds antwoorden répondrai hij / zij antwoordt il / elle répond O.v.t. Imparfait wij antwoorden nous ik antwoordde je répondons répondais jullie antwoorden / vous répondez u antwoordt zij antwoorden ils / elles répondent ik voel me je me sens ik zal me je me jij voelt je tu te sens voelen senterai hij / zij voelt zich il / elle se sent O.v.t. Imparfait wij voelen ons nous nous ik voelde me je me sentons sentais jullie voelen je / vous vous sentez u voelt zich zij voelen zich ils / elles se sentent ik heb geantwoord j ai répondu ik heb me gevoeld je me suis senti(e) 50 Savoir = weten, kunnen weten, kunnen savoir ik weet je sais ik zal weten je saurai jij weet tu sais hij / zij weet il / elle sait O.v.t. Imparfait wij weten nous savons ik wist je savais jullie weten / vous savez u weet zij weten ils / elles savent ik heb geweten j ai su 52 Sortir = uitgaan, met iemand gaan uitgaan, met iemand gaan sortir ik ga uit je sors ik zal uitgaan je sortirai jij gaat uit tu sors hij / zij gaat uit il / elle sort O.v.t. Imparfait wij gaan uit nous sortons ik ging uit je sortais jullie gaan uit / vous sortez u gaat uit zij gaan uit ils / elles sortent ik ben uitgegaan je suis sorti(e) 21 (vingt et un)

53 Venir = komen komen venir ik kom je viens ik zal je viendrai jij komt tu viens komen hij / zij komt il / elle vient wij komen nous venons O.v.t. Imparfait jullie komen / vous venez ik kwam je venais u komt zij komen ils / elles viennent ik ben gekomen je suis venu(e) 54 Voir = zien zien voir ik zie je vois ik zal zien je verrai jij ziet tu vois hij / zij ziet il / elle voit O.v.t. Imparfait wij zien nous voyons ik zag je voyais jullie zien / u ziet vous voyez zij zien ils / elles voient ik heb gezien j ai vu 55 Vouloir = willen willen vouloir ik wil je veux ik zal je voudrai jij wilt tu veux willen hij / zij wil il / elle veut wij willen nous voulons O.v.t. Imparfait jullie willen / vous voulez ik wilde je voulais u wilt zij willen ils / elles veulent ik heb gewild j ai voulu 22 (vingt-deux)