Gebruikershandleiding
|
|
|
- Gerrit Vermeiren
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 IBM DB2 Connect IBM DB2 Connect Gebruikershandleiding Versie 8.2 SC
2
3 IBM DB2 Connect IBM DB2 Connect Gebruikershandleiding Versie 8.2 SC
4 Lees eerst Kennisgeingen. Deze publicatie is een ertaling an IBM DB2 Connect User s Guide, bestelnummer SC Deze publicatie heeft betrekking op de programma s DB2 Uniersal Database Personal Edition, programmanummer 5724-B55, DB2 Connect Personal Edition, programmanummer 5724-B56, DB2 Connect Unlimited Edition, programmanummer 5724-B62, DB2 Connect Web Starter Kit, programmanummer 5724-B57, DB2 Personal Deeloper s Kit, programmanummer 5724-B58, DB2 Uniersal Database Workgroup Serer Edition, programmanummer 5765-F35, DB2 Uniersal Database Workgroup Serer - Unlimited Edition, programmanummer 5765-F43, DB2 Uniersal Database Enterprise Serer Edition, programmanummer 5765-F41, DB2 Connect Enterprise Edition, programmanummer 5765-F30, DB2 Relational Connect, programmanummer 5765-F39, DB2 Life Sciences Data Connect, programmanummer 5765-F37, DB2 Uniersal Deeloper s Edition, programmanummer 5765-F34, DB2 Data Links Manager, programmanummer 5765-F31, DB2 Warehouse Manager, programmanummer 5765-F42, DB2 Net Search Extender, programmanummer 5765-F38, DB2 Spatial Extender, programmanummer 5765-F40, DB2 Intelligent Miner Scoring, programmanummer 5765-F36, DB2 Intelligent Miner Modeling, programmanummer 5765-F32, DB2 Intelligent Miner Visualization, programmanummer 5765-F32, DB2 Intelligent Miner Visualization, programmanummer 5765-F33, DB2 Uniersal Database Express Edition, programmanummer 5724-E49, en op alle olgende ersies en modificaties daaran, tenzij anders ermeld in een olgende uitgae. Controleer of de uitgae die u gebruikt, oereenkomt met de ersie an het programma. De informatie in deze producten is onderheig aan wijzigingen. Wijzigingen zullen in nieuwe uitgaen an deze publicatie worden opgenomen. Voor technische informatie en het aanragen an publicaties kunt u zich wenden tot uw IBM-leerancier of IBM Nederland N.V. Copyright IBM Corp Copyright IBM Nederland N.V
5 Inhoudsopgae Informatie oer deze publicatie..... Voor wie is dit boek bestemd Deel 1. DB2 Connect - Concepten.. 1 Hoofdstuk 1. DB2 Connect - Concepten 3 DB2 Connect DB2 Connect-programma s Functies in Versie 8.2 en eerdere releases Hostdatabases DB2 Connect en SQL-instructies DB2 Connect - Hulpprogramma s oor beheer...8 IBM DB2 Information Integrator en DB2 Connect..9 Hoofdstuk 2. DRDA (Distributed Relational Database Architecture) DRDA (Distributed Relational Database Architecture) DRDA en gegeenstoegang DB2 Connect en DRDA Werkeenheid op afstand Gedistribueerde opdrachten Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s 17 DB2 Connect - Scenario s Scenario s Directe toegang tot hostdatabases DB2 Connect Enterprise Edition als erbindingsserer DB2 Connect en webtoepassingen DB2 Connect en IBM WebSphere DB2 Connect en Net.Data DB2 Connect als Jaa-toepassingenserer...24 DB2 Connect op een webserer DB2 Connect en toepassingenserers DB2 Connect en TP-monitors Deel 2. Taken en procedures Hoofdstuk 4. Databasedirectory s bijwerken Databasedirectory s bijwerken Waarden oor systeemdatabasedirectory Waarden oor knooppuntdirectory Waarden oor DCS-directory Werkblad oor aanpassing an directory s Meerdere gegeens definiëren oor dezelfde database BiDi-gegeens erwerken Hoofdstuk 5. Beeiliging DB2 Connect - Oerwegingen bij geldigheidscontrole Kerberos-ondersteuning DB2 Connect - Oerwegingen bij de beeiliging an DB2 oor OS/390 en z/os Extra aanwijzingen en tips oor OS/390- en z/os-beeiliging Beeiligingstypen die worden ondersteund met DB2 Connect Hoofdstuk 6. Bind uitoeren op toepassingen en hulpprogramma s.. 55 Bind uitoeren op toepassingen en hulpprogramma s (DB2 Connect) Hoofdstuk 7. Updates op meerdere locaties Update op meerdere locaties Updates op meerdere locaties uitoeren met het Besturingscentrum Update op meerdere locaties testen met het Besturingscentrum Update op meerdere locaties en Syncpointbeheer..61 DB2 Connect configureren met een oor XA geschikte TM DB2 Connect-ondersteuning oor los gekoppelde transacties Hoofdstuk 8. SQLCODE-toewijzing SQLCODE-toewijzing SQLCODE-toewijzing uitschakelen SQLCODE-toewijzing aanpassen Hoofdstuk 9. Databasesysteemmonitor 71 Verbindingen bewaken oor clients op afstand..71 Performance bewaken met Windows Performance Monitor GET SNAPSHOT-opdrachten gebruiken Status DCS-toepassing Hoofdstuk 10. Performance DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance.79 ODBC-toegang optimaliseren Toepassingsontwerp Verbindingsbeheer Pooling an erbindingen Verbindingsconcentrator Pooling an erbindingen en erbindingsconcentrator DB2 Connect - Tuning DB2 Connect - Tuning Hostdatabase - Tuning Oerwegingen bij netwerktuning Conflicten tussen systeemresources DB2 Connect - Oplossing an performanceproblemen Copyright IBM Corp iii
6 Tuning an DB2 Connect-erbindingen met NCP Tuning an DB2 oor OS/390 en z/os Aanullende tuning an de SNA-performance Aanwijzingen en tips oor erbetering an de SNA-performance Selectie en tuning an de netwerkerbinding 105 OSA-2-uitbreidingen Snelheid an gegeensoerdracht in DB2 Connect erhogen Extra queryblokken Window Scaling op basis an RFC Hoge beschikbaarheid en belastingserdeling oor hostdatabaseconnectiiteit Gegeensconersie op de host Gegeenstypen oor alfanumerieke gegeens MPC-ondersteuning (Multi Path Channel) oor SNA ia ESCON Netwerkhardware Hoofdstuk 11. Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA CLI/ODBC Extra aanwijzingen en tips oor sleutelwoord CLISCHEMA Het sleutelwoord CLISCHEMA De catalogusoptimizer db2ocat De hulpprogramma s db2cli en bldschem Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA Hoofdstuk 12. DB2 Connect Custom Adisor DB2 Connect Custom Adisor - Concepten DB2 Connect Custom Adisor installeren DB2 Connect Custom Adisor configureren DB2 Connect Custom Adisor instellen DB2 Connect Custom Adisor actieren Problemen met DB2 Connect Custom Adisor oplossen Voorbeeld an opstartscriptbestand oor Dispatcher Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 135 Probleembepaling Probleembepaling - Concepten Releante informatie erzamelen Hulpprogramma s oor diagnose De eerste erbinding komt niet tot stand Problemen die optreden na een eerste erbinding Traceerfunctie Gegeens traceerfunctie Uitoer an tracering Analyse an uitoerbestand met traceergegeens Voorbeelden an traceerbestanden Opeenolgende buffergegeens oor DRDA-traceringen CS AIX CPIC APPC API-gegeens traceren De meestoorkomende problemen bij DB2 Connect 148 Deel 3. Bijlagen Bijlage A. Gegeens erplaatsen met DB2 Connect Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database Oerzicht technische informatie oor DB2 Uniersal Database FixPaks oor DB2-documentatie Categorieën an technische informatie oer DB2 161 DB2-boeken afdrukken anuit PDF-bestanden Gedrukte handleidingen bestellen Online Help-informatie bekijken anuit een DB2 GUI-tool Help bij berichten bekijken anaf de opdrachtregel 170 Help bij opdrachten bekijken anaf de opdrachtregel Help bij SQL-instructies bekijken anaf de opdrachtregel (Windows) DB2 Informatiecentrum openen Updates an lokaal geïnstalleerd DB2 Informatiecentrum DB2-problemen oplossen Toegankelijkheid Inoer en naigatie ia het toetsenbord Toegankelijkheid beeldscherm Compatibiliteit met hulptechnologieën Toegankelijkheid documentatie DB2-documenten oor zelfstudie DB2 Informatiecentrum DB2 Informatiecentrum installeren (UNIX) DB2 Informatiecentrum installeren (Windows) Browser configureren oor afbeelding topics in oorkeurstaal Syntaxisdiagrammen met decimale notatie met scheidingspunten Common Criteria-certificaten an DB2 Uniersal Database-producten Bijlage C. Kennisgeingen Merken Trefwoordenregister Contact opnemen met IBM Productinformatie i Gebruikershandleiding
7 Informatie oer deze publicatie Deze publicatie beat algemene informatie oer het gebruik an de olgende IBM DB2 Connect-producten: DB2 Connect Personal Edition oor Linux en Windows. DB2 Connect Enterprise Edition (EE) oor AIX, HP-UX, Linux, Solaris Operating Enironment en Windows. DB2 Connect Unlimited Edition, oor AIX, HP-UX, Linux, Solaris Operating Enironment, en Windows en toegang tot DB2 oor OS/390, DB2 oor z/os, en DB2 oor VSE en VM. DB2 Connect Application Serer Edition oor AIX, HP-UX, Linux, Solaris Operating Enironment en Windows. Voor wie is dit boek bestemd Deze publicatie is bestemd oor programmeurs en beheerders die erantwoordelijk zijn oor het configureren en onderhouden an DB2 Connect-erbindingen. Deze erbindingen kunnen oorkomen tussen DB2-clients en een an de olgende databasebeheersystemen (DBMS) oor toepassingenserers: DB2 Uniersal Database (UDB) oor OS/390 Versie 6, DB2 UDB oor OS/390 en z/os Versir 7, en DB2 UDB oor z/os Versie 8 of hoger DB2 Serer for VSE & VM Versie 7 of hoger DB2 UDB oor iseries Versie 5 Release 1 of hoger Andere relationele databasebeheersystemen (RDBMS) waarbij gebruik wordt gemaakt an de functies an DRDA-toepassingenserers. Opmerkingen: 1. Met DB2 UDB kunnen host- en iseries-toepassingen toegang krijgen tot DB2 UDB-gegeens zonder dat hierbij DB2 Connect ereist is. De meest actuele informatie oer DB2 Connect indt u online in het DB2 Informatiecentrum. Zie oor informatie oer het iseries Informatiecentrum de website Copyright IBM Corp
8 i Gebruikershandleiding
9 Deel 1. DB2 Connect - Concepten Copyright IBM Corp
10 2 Gebruikershandleiding
11 Hoofdstuk 1. DB2 Connect - Concepten DB2 Connect DB2 Connect biedt snelle en krachtige koppelingsmogelijkheden met IBM -mainframedatabases oor e-business en andere toepassingen die op de besturingssystemen UNIX - en Windows worden uitgeoerd. DB2 Connect Personal Edition biedt rechtstreekse connectiiteit met host- en iseries DB2-serers, terwijl DB2 Connect Enterprise Edition niet-rechtstreekse connectiiteit biedt waarmee clients toegang tot host- en iseries DB2-serers kunnen erkrijgen ia de DB2 Connect-serer. DB2 Connect Unlimited Edition en DB2 Connect Application Serer Edition bieden unieke pakketoplossingen oor een oerzichtelijk productselectie- en licentieproces. Verwante concepten: DB2 Connect-programma s DB2 Connect en DRDA op pagina 12 DB2 Connect - Scenario s op pagina 17 DB2 Connect beschikt oer dierse connectiiteitsoplossingen. DB2 Connect Enterprise Edition DB2 Connect Enterprise Edition is een erbindingsserer waar erbindingen an meerdere desktopclients en webtoepassingen met DB2-serers op host- of iseries-systemen samenkomen en worden beheerd. Grote organisaties oeral ter wereld kiezen oor het beheer an hun belangrijkste gegeens oneranderd oor IBM s DB2 UDB (Uniersal Database) oor iseries, DB2 oor OS/390 en Z/OS en DB2 oor VSE en VM. De gegeens worden beheerd met behulp an host- en iseries-databases, maar er ontstaat ook steeds meer behoefte om deze gegeens te integreren met toepassingen die worden gebruikt op Windowsen UNIX-werkstations. Met behulp an DB2 Connect Enterprise Edition kunt u met lokale clients en clients op afstand DB2-databases en hosts maken, bijwerken, besturen en beheren. Daarbij kunt u gebruikmaken an SQL (Structured Query Language), DB2 API s (Application Programming Interfaces), ODBC (Open Database Connectiity), JDBC (Jaa Database Connectiity), SQLJ (Embedded SQLJ oor Jaa) en DB2 CLI (Call Leel Interface). DB2 Connect ondersteunt boendien gegeensinterfaces an Microsoft Windows, zoals ADO (ActieX Data Objects), RDO (Remote Data Objects) en OLE (Object Linking and Embedding) DB. DB2 Connect Enterprise Edition is momenteel beschikbaar oor de besturingssystemen AIX, HP-UX, Linux, Solaris Operating Eniromment en Windows. Deze serers bieden ondersteuning oor toepassingen op werkstations die werken onder UNIX (AIX, HP-UX, Linux en Solaris Operating Eniromment) en Windows. DB2 Connect Enterprise Edition wordt aak geïnstalleerd op een tussenliggende serer om DB2-clients te erbinden met een host- of Copyright IBM Corp
12 iseries-database. U kunt DB2 Connect Enterprise Edition ook installeren op computers waar meerdere lokale gebruikers rechtstreeks toegang hebben tot de host- of iseries-serers. Zo kunt u DB2 Connect Enterprise Edition installeren op een grote computer met eel lokale gebruikers. Het programma kan echter ook worden geïnstalleerd op een webserer, een systeem waarop een TP-monitor (transactieprocessormonitor) draait, of op een andere computer die in een drielaagsarchitectuur als toepassingenserer fungeert en die is oorzien an een groot aantal lokale SQL-toepassingen en -threads. Als u het eenoudig wilt houden, kunt u DB2 Connect Enterprise Edition op dezelfde computer installeren. U kunt er echter ook oor kiezen het programma op een aparte computer te installeren om de CPU-belasting te beperken. DB2 Connect Enterprise Edition is ooral geschikt oor omgeingen waarin: Serers geen eigen TCP/IP-erbindingsmogelijkheden ondersteunen en directe SNA-erbindingsmogelijkheden an werkstations niet gewenst zijn. Webserers met webtoepassingen worden gebruikt. Webserers met webtoepassingen die gebruikmaken an Jaa-toepassingen die gegeens kunnen herkennen, worden gebruikt. Een toepassingenserer als middenlaag wordt gebruikt. Programmatuur oor transactiebewaking wordt gebruikt, bijoorbeeld CICS, Encina, MTS (Microsoft Transaction Serer), Tuxedo, Component Broker of MQSeries. DB2 Connect Personal Edition DB2 Connect Personal Edition biedt toegang anaf één werkstation tot DB2-databases die zijn geïnstalleerd op serers zoals OS/390, z/os, OS/400, VM en VSE, eenals tot DB2 Uniersal Database-serers op de besturingssystemen UNIX en Windows. In DB2 Connect Personal Edition is dezelfde uitgebreide set API s opgenomen als in DB2 Connect Enterprise Edition. Dit product is momenteel beschikbaar oor de besturingssystemen Linux en Windows. DB2 Connect Personal Edition wordt gebruikt om een erbinding tot stand te brengen tussen één Windows-besturingssysteem of Linux-werkstation en een host- of iseries-database. DB2 Connect Personal Edition is bij uitstek geschikt oor omgeingen waarin TCP/IP-ondersteuning standaard is ingebouwd in de DB2-serers en de gebruikte toepassing een traditionele tweelagige client/serer-toepassing is. DB2 Connect Personal Edition is bijoorbeeld een goede keuze bij de traditionele tweelaagstoepassingen VisualBasic en Microsoft Access. Bij toepassingen waaroor een toepassingenserer als middenlaag ereist is, gebruikt u DB2 Connect Enterprise Edition. DB2 Connect Unlimited Edition DB2 Connect Unlimited Edition is een uniek pakket met flexibele distributiemogelijkheden oor DB2 Connect en eenoudige selectie en licentiëring an producten. Dit product beat DB2 Connect Personal Edition en DB2 Connect Enterprise Edition met licentiebepalingen en -oorwaarden waarmee elk DB2 Connect-product onbeperkt kan worden 4 Gebruikershandleiding
13 gedistribueerd. De licentiekosten zijn gebaseerd op de grootte an de OS/390- of zseries-serer waarmee gebruikers an DB2 Connect gaan werken. Dit pakket is alleen beschikbaar oor OS/390- en z/os-systemen, met licenties die alleen geldig zijn oor DB2 oor OS/390- en z/os-gegeensbronnen. DB2 Connect Application Serer Edition DB2 Connect Application Serer Edition is wat betreft toegepaste technologie identiek aan DB2 Connect Enterprise Serer. Dit product is bedoeld oor grootschalige omgeingen waarin hoge eisen worden gesteld aan de performance. De licentieoorwaarden en -bepalingen zijn echter afgestemd op de specifieke behoeften an meerlaags client/serertoepassingen en toepassingen die gebruikmaken an webtechnologieën. Verwante taken: DB2 Connect Personal Edition installeren (Windows) in de publicatie Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition DB2 Connect Personal Edition installeren (Linux) in de publicatie Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition Installing DB2 Connect Enterprise Edition (Windows) in de publicatie Quick Beginnings for DB2 Connect Enterprise Edition Installing DB2 Connect Enterprise Edition (Solaris Operating Enironment) in de publicatie Quick Beginnings for DB2 Connect Enterprise Edition Installing DB2 Connect Enterprise Edition (Linux) in de publicatie Quick Beginnings for DB2 Connect Enterprise Edition Installing DB2 Connect Enterprise Edition (HP-UX) in de publicatie Quick Beginnings for DB2 Connect Enterprise Edition Installing DB2 Connect Enterprise Edition (AIX) in de publicatie Quick Beginnings for DB2 Connect Enterprise Edition Functies in Versie 8.2 en eerdere releases Dit gedeelte geeft een oerzicht an de uitbreidingen die in de erschillende ersies en releases geïntroduceerd zijn. Functies in DB2 Connect Versie 8 Release 2 DB2 Connect Versie 8.2 beschikt oer de olgende uitbreidingen: Automatische client-reroute Als een TCP/IP-erbinding naar een serer of een DB2 Connect-serer wordt erbroken, probeert de client deze automatisch te herstellen indien er een alternatiee serer is gedefinieerd. U geeft de alternatiee serer op op het serersubsysteem en de locatie eran wordt doorgegeen aan de client op het moment dat de erbinding tot stand wordt gebracht. Versleuteling an gegeens De gegeens die bij client/serer-communicatie worden uitgewisseld, kunnen nu ersleuteld oer het netwerk worden erzonden. Functies in in DB2 Connect Versie 8 Release 1 (inclusief alle FixPaks en wijzigingsnieaus) DB2 Connect Versie 8.1 beschikt oer de olgende uitbreidingen: Ondersteuning oor lange SQL-instructies (tot 2 MB) Hoofdstuk 1. DB2 Connect - Concepten 5
14 SQL-instructies tot maximaal 2 MB kunnen door de CLI- en JDBC-toepassingen worden erwerkt. Voor de ingesloten interface blijft echter de limiet an 64 kb gelden. Diagnostische informatie oer de herkomst an een SQL-instructie Deze functie biedt de mogelijkheid om te bepalen an welk toepassingsprogramma een bepaalde instructies naar de cache an DB2 oor z/os oor dynamische SQL-instructies is erzonden. Kolomsgewijze inoer Hiermee kunnen toepassingen meerdere sets parameters per SQL-instructie erzenden. Bewaking netwerktijd Met behulp an nieuwe bewakingselementen wordt een beter inzicht erkregen in de databaseactiiteit en het netwerkerkeer op het nieau an de database of de toepassing. Ondersteuning in DB2 CLI oor dynamische cursors met bladermogelijkheid In DB2 CLI is nu ondersteuning beschikbaar oor dynamische cursors met bladermogelijkheid bij de toegang tot serers met DB2 UDB oor z/os Versie 8.1 of hoger. ewlm-ondersteuning Hiermee is de bewaking an end-to-end werkeenheden ia middlewaregroepen mogelijk oor het opsporen an knelpunten. Uitbreidingen an de DB2 ping-opdracht In de opdracht ping in DB2 kunt u nu een opdracht en de grootte an het responspakket opgeen. Functies in DB2 Connect Versie 7 Release 2 DB2 Connect Versie 7.2 beschikte oer de olgende uitbreidingen: Verbeterde ondersteuning oor MTS (Microsoft Transaction Serer) en COM+ technologieën DB2 Connect Web Starter Kit DB2 Connect oor Linux op S/390 Functies in DB2 Connect Versie 7 Release 1 DB2 Connect Versie 7.1 beschikte oer de olgende uitbreidingen: XA Concentrator Verbetering an updates op meerdere locaties Ondersteuning an DCL SNA-product Verwante concepten: DB2 Connect op pagina 3 Verwante informatie: Hostdatabases op pagina 6 Hostdatabases De term database wordt oeral in dit document gebruikt om een relationeel databasebeheersysteem (RDBMS) te beschrijen. In andere systemen waarmee DB2 Connect communiceert, kan de term database een iets andere betekenis hebben. In de context an DB2 Connect kan de term database ook het olgende betekenen: 6 Gebruikershandleiding
15 OS/390 of z/os DB2 UDB oor OS/390 (Versie 6 en hoger), DB2 UDB oor OS/390 en z/os (Versie 7 en hoger). Een DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390-subsysteem met de LOCATION NAME als identificatie. U kunt de LOCATION NAME bepalen door u aan te melden bij TSO en de olgende SQL-query uit te oeren met een an de beschikbare queryprogramma s: select current serer from sysibm.sysdummy1 VSE VM OS/400 De LOCATION NAME wordt ook gedefinieerd in de BSDS (Boot Strap Data Set) en wordt teens ermeld in het bericht DSNL004I (LOCATION=locatie) als DDF (Distributed Data Facility) wordt gestart. LOCATION NAME kan maximaal 8 namen an aliaslocaties beatten, waardoor in toepassingen meerdere dbalias-namen kunnen worden gebruikt oor de toegang tot een Versie 8 z/os-serer. Met de z/os-opdracht -display ddf kunt u locatie, domein, IP-adres en poort an de DB2-serer bepalen. DB2 for VSE uitgeoerd in een partitie met de databasenaam (DBNAME) als identificatie. DB2 for VM uitgeoerd op een CMS VM-systeem (Conersational Monitor System Virtual Machine) met de databasenaam (DBNAME) als identificatie. DB2 oor iseries, een integraal deel an het besturingssysteem OS/400. Een iseries-serer kan slechts één database beatten, tenzij het systeem is geconfigureerd oor het gebruik an hulpgeheugenpools. Verwante concepten: DB2 Connect op pagina 3 DB2 Connect en SQL-instructies op pagina 7 Verwante informatie: DB2 Connect - Hulpprogramma s oor beheer op pagina 8 DB2 Connect en SQL-instructies Host and iseries support for DB2 Connect in de publicatie Quick Beginnings for DB2 Connect Enterprise Edition DB2 Connect zendt SQL-instructies die afkomstig zijn an toepassingsprogramma s door naar host- of iseries -databaseserers. DB2 Connect kan bijna elke geldige SQL-instructie doorzenden en biedt daarnaast ondersteuning oor DB2 API s (Application Programming Interfaces), ODBC (Open Database Connectiity), JDBC (Jaa Database Connectiity), SQLJ (Embedded SQLJ oor Jaa) of DB2 CLI (Call Leel Interface). Ondersteuning oor ingesloten SQL-instructies: Er bestaan twee typen ingesloten SQL-instructies: statische SQL en dynamische SQL. Bij statische SQL wordt de tijd die nodig is om een SQL-instructie uit te oeren tot een minimum beperkt doordat de instructie oortijdig wordt erwerkt. Dynamische SQL-instructies worden erwerkt wanneer de SQL-instructie bij de host- of iseries-databaseserer wordt aangeboden. Hierdoor zijn dynamische SQL-instructies flexibeler, maar kunnen ze ook langzamer zijn. De toepassingsprogrammeur beslist of er statische of dynamische SQL-instructies worden gebruikt. Beide typen worden ondersteund door DB2 Connect. Hoofdstuk 1. DB2 Connect - Concepten 7
16 Verschillende host- of iseries-databaseserers implementeren SQL op erschillende manieren. DB2 Connect biedt olledige ondersteuning oor algemene IBM SQL-instructies en oor SQL-toepassingen in DB2 oor OS/390 en z/os, DB2 Serer for VSE & VM (oorheen SQL/DS) en DB2 oor iseries. IBM SQL wordt sterk aanbeolen wanneer u niet afhankelijk wilt zijn an een bepaalde database. Verwante concepten: DB2 Connect op pagina 3 Verwante informatie: DB2 Connect-programma s op pagina 3 Hostdatabases op pagina 6 DB2 Connect - Hulpprogramma s oor beheer op pagina 8 DB2 Connect - Hulpprogramma s oor beheer De olgende hulpprogramma s staan ter beschikking an de DB2 Connect-beheerder: Met de Opdrachtregelinterface kunt u SQL-instructies erzenden naar een database an een host- of iseries-databaseserer. De SQL-instructies worden naar de door u opgegeen database oergebracht. Het Opdrachtcentrum an DB2 biedt een grafische interface an de Opdrachtregelinterface. Met import- en exportprogramma s kunt u gegeens laden, importeren uit en exporteren naar een bestand op een werkstation en een database an een hostof iseries-databaseserer. Deze bestanden kunnen daarna worden gebruikt om gegeens te importeren in databases, spreadsheets en andere toepassingen op uw werkstation. Gebruikers an DB2 Connect Enterprise Edition in Windows NT en Windows 2000 kunnen gebruikmaken an Logboekinzage en de Performance Monitor. Met Logboekinzage kunt u uitzonderingsgebeurtenissen bekijken die zijn astgelegd door DB2 Connect. Met de Performance Monitor kunt u, lokaal of op afstand, de prestaties an DB2 Connect-serers bewaken en beheren. Met het DB2 Besturingscentrum kunt u alle aspecten an DB2 Connect-serers beheren en bewaken. Beheerders kunnen anuit het Besturingscentrum ook werken met DB2 oor OS/390- of z/os-databaseobjecten, zoals tabellen, iews, bufferpools en threads. De systeembeheerder kan met het hulpprogramma systeemmonitor oor databases systeemerbindingen bewaken. Deze functie is alleen beschikbaar als DB2 Connect als serer dient. Teens kan de systeembeheerder hiermee de oorzaak an een fout proberen te achterhalen. De systeembeheerder kan aststellen welke toepassingen op clients horen bij de corresponderende taken die worden uitgeoerd op de host- of iseries-databaseserer. Verwante concepten: Database system monitor in de publicatie System Monitor Guide and Reference DB2 Connect op pagina 3 DB2 Connect en SQL-instructies op pagina 7 Bind uitoeren op toepassingen en hulpprogramma s (DB2 Connect) op pagina 55 Performance bewaken met Windows Performance Monitor op pagina 71 8 Gebruikershandleiding
17 IBM DB2 Information Integrator en DB2 Connect IBM DB2 Information Integrator is een afzonderlijk product waarmee u toegang kunt erkrijgen tot en integratie kunt bewerkstelligen met gegeensbronnen an erschillende leeranciers, waarbij u met behulp an DB2 Connect optimaal gebruik kunt maken an grote hoeeelheden gegeens op bestaande mainframes. DB2 Information Integrator draagt bij aan de integratie an gegeens doordat een erzameling an gegeensbronnen kan worden bekeken en gemanipuleerd alsof het een enkele gegeensbron is. Het programma maakt de toegang tot gegeensbronnen olledig transparant oor de informatie ragende toepassing. DB2 Information Integrator werkt in combinatie met DB2 Uniersal Database Enterprise Serer Edition en DB2 Uniersal Database Workgroup Edition. Met DB2 Information Integrator kunt zowel informatie lezen uit als schrijen naar databases an de DB2-productgroep, Informix, Oracle, Sybase, Teradata en Microsoft SQL Serer. DB2 Information Integrator biedt daarnaast toegang oor het lezen an informatie uit niet-relationele en biowetenschappelijke gegeensbronnen zoals BLAST, Documentum, Entrez, IBM Lotus Extended Search, als tabel gestructureerde bestanden en XML. U kunt er query s mee opstellen an gegeens in een federatief systeem, of u kunt het programma gebruiken in combinatie met het Data Warehouse-centrum. Verwante concepten: DB2 Connect op pagina 3 DRDA (Distributed Relational Database Architecture) op pagina 11 Hoofdstuk 1. DB2 Connect - Concepten 9
18 10 Gebruikershandleiding
19 Hoofdstuk 2. DRDA (Distributed Relational Database Architecture) DRDA (Distributed Relational Database Architecture) DRDA (Distributed Relational Database Architecture ) bestaat uit een set protocollen waarmee meerdere databasesystemen, zowel IBM als niet-ibm, en toepassingsprogramma s kunnen samenwerken. Er is een erbinding mogelijk tussen elke combinatie an producten oor het beheer an relationele databases die gebruikmaken an DRDA om een gedistribueerd relationeel databasebeheersysteem (RDBMS) te ormen. DRDA coördineert de communicatie tussen systemen door te definiëren wat er moet worden uitgewisseld en hoe deze uitwisseling moet plaatsinden. Werkeenheid Een werkeenheid (UOW) is één logische bewerking. Deze bestaat uit een reeks SQL-instructies waarin alle bewerkingen correct zijn uitgeoerd of waarin de reeks in zijn geheel als niet correct wordt beschouwd. Gedistribueerde werkeenheid Bij een gedistribueerde werkeenheid (DUOW), ook wel update op meerdere locaties genoemd, zijn meerdere databaseserers binnen een werkeenheid betrokken. Een DUOW heeft de olgende kenmerken: Meer dan een databasebeheerserer wordt bijgewerkt per werkeenheid. Het werk wordt gedistribueerd en de COMMIT wordt gestart door de toepassing. Er kunnen meerdere opdrachten per werkeenheid worden uitgeoerd. Er is één databasebeheerserer bij elke opdracht betrokken. Een COMMIT wordt uitgeoerd op meerdere databaseserers. Verwante concepten: DB2 Connect en DRDA op pagina 12 Werkeenheid op afstand op pagina 13 Gedistribueerde opdrachten op pagina 15 Update op meerdere locaties op pagina 59 DRDA en gegeenstoegang op pagina 11 Verwante taken: DRDA en gegeenstoegang Updates op meerdere locaties uitoeren met het Besturingscentrum op pagina 60 DRDA definieert weliswaar de communicatieprotocollen oor databases, maar niet de programmeringsinterfaces of API s die moeten worden gebruikt door toepassingsprogrammeurs. In het algemeen kan een toepassingsprogramma met behulp an DRDA alle aanragen die kunnen worden uitgeoerd door een DRDA-doelserer doorgeen. Alle op dit moment beschikbare DRDA-serers kunnen SQL-opdrachten uitoeren die door een toepassingsprogramma zijn doorgezonden ia DB2 Connect. Copyright IBM Corp
20 IBM biedt hulpprogramma s waarmee toepassingsprogrammeurs SQL-aanragen oor Windows en erschillende UNIX -platforms kunnen genereren. Deze hulpprogramma s zijn opgenomen in de DB2 Application Deelopment Client. De DB2 Application Deelopment Client ondersteunt dierse typen API s: ingesloten SQL, JDBC, SQLJ en de DB2 Call Leel Interface (DB2 CLI). Deze API s kunnen door programmeurs worden gebruikt om toepassingen in erschillende programmeertalen te ontwikkelen. Toepassingsontwikkelaars kunnen ook gebruikmaken an API s die door andere bedrijen worden geleerd. Microsoft ODBC en ADO worden bijoorbeeld door programmeurs an Windows -toepassingen gebruikt om databasetoepassingen te ontwikkelen. DB2 Connect biedt een ODBC-stuurprogramma en een OLE DB-oorziening waarmee toepassingen worden ondersteund die zijn ontwikkeld met de ODBC- en ADO-API s. IBM biedt geen hulpprogramma s oor de ontwikkeling an ODBC-toepassingen. Deze hulpprogramma s worden geleerd door Microsoft. Verwante concepten: DB2 Connect en DRDA DRDA (Distributed Relational Database Architecture) op pagina 11 DB2 Connect en DRDA op pagina 12 Applications in Host or iseries Enironments in de publicatie Application Deelopment Guide: Programming Client Applications DB2 Connect past de DRDA -architectuur toe om de kosten en de complexiteit te erminderen bij de toegang tot gegeens die zijn opgeslagen in DB2 UDB oor iseries, DB2 UDB oor OS/390 en z/os, DB2 Serer for VSE & VM en andere oor DRDA geschikte databaseserers. Door de DRDA-architectuur olledig te benutten, biedt DB2 Connect een goed functionerende en oordelige oplossing die oldoet aan de eisen an klanten op het gebied an systeembeheer. Binnen de terminologie an DRDA is een toepassingenrequester de code waarmee het toepassingsdeel an een gedistribueerde erbinding wordt afgehandeld. Gegeens worden opgeraagd door de toepassing. Een toepassingenserer is de code waarmee het databasedeel an de erbinding wordt afgehandeld. In de DB2 Connect-omgeing kan het DB2 Connect-werkstation uitsluitend functioneren als toepassingenrequester oor toepassingsprogramma s. DRDA ondersteunt ook het gebruik an meerdere erbindingslagen tussen een toepassingenrequester en een serer. In een dergelijke topologie is de serer waarmee een toepassingenrequester erbinding maakt, een toepassingenserer, maar alle andere serers op lagere nieaus worden databaseserers (DS) genoemd omdat deze niet rechtstreeks gegeens uitwisselen met de toepassingenrequester. Om te benadrukken dat de functie eran noch die is an het systeem dat een databaseopdracht genereert, noch die an het systeem dat de databasefunctie uitoert, wordt elke toepassingenserer of databaseserer tussen een toepassingenrequester en de uiteindelijke databaseserer een intermediaire ofwel tussenliggende serer genoemd. Het gebruik an databaseserers en intermediaire serers wordt door DB2 Connect ondersteund. Figuur 1 op pagina 13 toont de stroom an gegeens tussen de DB2 Connect-serer en de host- of iseries -serer in een situatie met uitsluitend lokale clients. 12 Gebruikershandleiding
21 Toepassing Databasebeheersysteem DRDAprotocol DB2 Connectwerkstation DRDA-toepassingenrequester DRDA-toepassingenserer DRDA gebruikt de olgende architecturen oor de erbindingen tussen databasebeheersystemen (DBMS en) an DRDA-serers en database clients: CDRA (Character Data Representation Architecture) DDM (Distributed Data Management) Formatted Data Object Content Architecture (FD:OCA) SNA (Systems Network Architecture) MSA (SNA Management Serices Architecture) TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol). Deze architecturen worden als bouwsteen gebruikt. De gegeensstromen die ia het netwerk worden oergebracht, worden opgegeen door middel an de DRDA-architectuur. Hierbij wordt een gegeensstroomprotocol gedocumenteerd dat de toegang tot gedistribueerde relationele databases ondersteunt. Aanragen worden naar de juiste bestemming doorgestuurd door middel an directory s. Deze beatten erschillende typen communicatiegegeens en de naam an de DRDA-sererdatabase waartoe toegang wordt erkregen. Verwante concepten: Werkeenheid op afstand DRDA (Distributed Relational Database Architecture) op pagina 11 Werkeenheid op afstand op pagina 13 Gedistribueerde opdrachten op pagina 15 Een gebruiker of toepassingsprogramma kan een werkeenheid op afstand gebruiken om gegeens te lezen of bij te werken op één locatie per werkeenheid. Binnen een werkeenheid wordt de toegang tot één database ondersteund. Een toepassingsprogramma kan weliswaar erschillende databases op afstand bijwerken, maar heeft binnen een werkeenheid slechts toegang tot één database. Een werkeenheid op afstand (UOW) heeft de olgende kenmerken: DRDA-serer Figuur 1. Gegeensstroom tussen een DB2 Connect -serer en een host- of iseries-serer Per werkeenheid worden meerdere aanragen (SQL-instructies) ondersteund. Hoofdstuk 2. DRDA (Distributed Relational Database Architecture) 13
22 Per werkeenheid worden meerdere cursors ondersteund. Per werkeenheid (UOW) kan slechts één database worden bijgewerkt. Het toepassingsprogramma legt de wijzigingen an een werkeenheid ast (COMMIT) of maakt deze ongedaan (ROLLBACK). In sommige omstandigheden waar sprake is an een fout, kan de databaseserer of DB2 Connect een ROLLBACK uitoeren op de werkeenheid. Figuur 2 toont bijoorbeeld een databaseclient met een oerboekingstoepassing waarmee toegang wordt erkregen tot een database met tabellen oor lopende rekeningen en spaarrekeningen en een schema oor transactiekosten. De olgende bewerkingen worden door de toepassing uitgeoerd: Het oerboekingsbedrag an de gebruikersinterface wordt geaccepteerd. Het bedrag wordt afgetrokken an de spaarrekening en het nieuwe saldo wordt berekend. Het kostenschema wordt gelezen om de transactiekosten oor een spaarrekening met het berekende saldo te bepalen. De transactiekosten worden afgetrokken an de spaarrekening. Het oerboekingsbedrag wordt opgeteld bij de lopende rekening. De transactie (werkeenheid) wordt astgelegd met een COMMIT. Databaseclient Bijwerken Bijwerken Lezen Spaarrekening Lopende rekening Transactiekosten Figuur 2. Eén database gebruiken bij een transactie Als u een dergelijke toepassing wilt instellen, oert u de olgende handelingen uit: 1. Maak de tabellen oor de spaarrekening, lopende rekening en het transactiekostenschema in één database. 2. Als de databaseserer fysiek op afstand staat, configureert u de databaseserer met het juiste communicatieprotocol. 3. Als de databaseserer fysiek op afstand staat, oegt u het knooppunt en de database aan de catalogus toe om de database op de databaseserer te identificeren. 4. Precompileer de toepassing als erbinding an type 1. Hieroor geeft u CONNECT(1) op bij de opdracht PREP. Verwante concepten: DRDA (Distributed Relational Database Architecture) op pagina 11 DB2 Connect en DRDA op pagina 12 Gedistribueerde opdrachten op pagina 15 Remote Unit of Work in de publicatie Application Deelopment Guide: Programming Client Applications 14 Gebruikershandleiding
23 Gedistribueerde opdrachten Een gedistribueerde opdracht is een gedistribueerde databasefunctie waarmee toepassingen en gebruikers SQL-instructies kunnen opgeen waarin naar twee of meer DBMS en of databases wordt erwezen in één instructie. Een oorbeeld hieran is een join tussen tabellen in twee erschillende DB2 oor OS/390 of z/os -subsystemen. DB2 Connect biedt ondersteuning an gedistribueerde opdrachten oor erschillende databases en DBMS en. Zo kunt u een UNION-bewerking uitoeren op een DB2-tabel en een Oracle-iew. DBMS en die worden ondersteund zijn DB2-producten (zoals DB2 UDB oor Windows en UNIX, DB2 oor OS/390 en z/os en DB2 UDB oor iseries) en Oracle. Gedistribueerde opdrachten maken de locatie an databaseobjecten transparant. Als gegeens in tabellen en iews worden erplaatst, kunnen erwijzingen naar deze gegeens (roepnamen) worden bijgewerkt zonder wijzigingen aan te brengen in de toepassingen waarin de gegeens worden gebruikt. Gedistribueerde opdrachten bieden ook compensatie oor DBMS en die het DB2 SQL-dialect niet olledig ondersteunen of bepaalde optimaliseringsmogelijkheden niet ondersteunen. Bewerkingen die met deze DBMS en niet kunnen worden uitgeoerd (zoals recursiee SQL-instructies), worden uitgeoerd met DB2 Connect. Gedistribueerde opdrachten werken semi-autonoom. U kunt bijoorbeeld DB2-query s met erwijzingen naar Oracle-objecten opgeen terwijl met Oracle-toepassingen bewerkingen op dezelfde serer worden uitgeoerd. Met gedistribueerde opdrachten wordt de toegang tot Oracle of andere DBMS-objecten niet geblokkeerd of beperkt (met uitzondering an de gebruikelijke integriteits- en ergrendelingsbeperkingen). De implementatie an gedistribueerde opdrachten bestaat uit een subsysteem an DB2 Connect, een database die als federatiee database fungeert en een of meer gegeensbronnen op afstand. De federatiee database beat catalogusitems die de gegeensbronnen en de bijbehorende kenmerken aangeen. Een gegeensbron bestaat uit een DBMS en gegeens. Een erbinding tussen een toepassing en de federatiee database wordt op dezelfde manier tot stand gebracht als bij andere DB2-databases. De federatiee DB2 Connect-database is niet bedoeld oor het beheer an gebruikersgegeens. De federatiee database dient uitsluitend als opslaglocatie an gegeens oer gegeensbronnen. Als u een federatief systeem hebt opgezet, kunt u toegang tot de gegeens in de gegeensbronnen krijgen alsof deze gegeens in één grote database zijn opgeslagen. Gebruikers en toepassingen erzenden query s naar één federatiee database, waarmee erolgens gegeens uit DB2- en Oracle-systemen worden opgehaald. In de query s worden roepnamen opgegeen, die erwijzingen ormen naar de tabellen en iews in de gegeensbronnen. Voor eindgebruikers is een roepnaam ongeeer hetzelfde als een alias. De performance an gedistribueerde opdrachten wordt door dierse factoren beïnloed. De belangrijkste factor hierbij is eroor te zorgen dat in de globale catalogus an de federatiee database altijd nauwkeurige en bijgewerkte gegeens oer gegeensbronnen en de bijbehorende objecten zijn opgeslagen. Deze gegeens worden gebruikt door de DB2-optimizer en kunnen an inloed zijn op besluiten om ealuatiebewerkingen door te schuien naar gegeensbronnen. Hoofdstuk 2. DRDA (Distributed Relational Database Architecture) 15
24 Verwante concepten: DRDA (Distributed Relational Database Architecture) op pagina 11 DB2 Connect en DRDA op pagina 12 Werkeenheid op afstand op pagina Gebruikershandleiding
25 Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s DB2 Connect - Scenario s Scenario s DB2 Connect biedt dierse oplossingen oor uw behoeften op het gebied an toegang tot host- en iseries -databases. In dit onderwerp wordt een aantal scenario s behandeld die an toepassing kunnen zijn op uw specifieke behoeften of omgeing. Verwante concepten: DB2 Connect op pagina 3 Directe toegang tot hostdatabases op pagina 17 DB2 Connect Enterprise Edition als erbindingsserer op pagina 19 DB2 Connect en webtoepassingen op pagina 21 DB2 Connect en toepassingenserers op pagina 26 DB2 Connect en TP-monitors op pagina 29 DB2 Connect biedt dierse oplossingen oor uw behoeften op het gebied an toegang tot host- en iseries -databases. In dit onderwerp wordt een aantal scenario s behandeld die an toepassing kunnen zijn op uw specifieke behoeften of omgeing. Directe toegang tot hostdatabases Een an de basisfuncties an DB2 Connect is een directe erbinding met een hostdatabase tot stand brengen anuit desktoptoepassingen die worden uitgeoerd op werkstations met Windows 32 bits of Linux. Met DB2 Connect Personal Edition kunt u deze oplossing het gemakkelijkste aanbieden. Elk werkstation met DB2 Connect Personal Edition kan een directe TCP/IP-erbinding tot stand brengen met DB2 UDB oor OS/390 en z/os-, DB2 UDB oor iseries - en DB2 UDB oor Windows NT-, Windows en UNIX -serers. Boendien kunnen toepassingen in één transactie erbinding maken met meerdere DB2-databases en deze databases bijwerken, waarbij de betrouwbaarheid an de gegeens wordt gewaarborgd door het protocol oor COMMIT in twee fasen. Op Windows 32-bits-systemen, is DB2 Connect Personal Edition teens oorzien an geïntegreerde APPC-ondersteuning oor de communicatie met DB2-databases op hostsystemen waaroor APPC ereist is. Het gebruik an TCP/IP erdient echter de oorkeur boen SNA wanneer TCP/IP-ondersteuning standaard is ingebouwd. In Figuur 3 op pagina 18 ziet u werkstations die rechtstreeks erbonden zijn met een host- of iseries-databaseserer. Op elk werkstation is DB2 Connect Personal Edition geïnstalleerd. Copyright IBM Corp
26 DB2 for MVS DB2 for VSE DB2 for AS/400 DB2 for VM AS/400 S/390, S/370 OS/390 APPC TCP/IP*** MPTN Coax* Ethernet Asynch Twinax** SDLC Token-ring X.25 DB2 Connect Personal Edition ODBC ADO DB2 CLI JDBC SQLJ Emb SQL Toepassing Application 1 Toepassing Application 2 Toepassing 3 Toepassing 4... Toepassing n Niet alle protocollen worden ondersteund oor alle platforms. * Alleen oor hosterbindingen ** Voor AS/400 *** Voor erbinding ia TCP/IP is DB2 for OS/390 V5R1, DB2 for AS/400 V4R2 of DB2 for VM V6.1 ereist. Figuur 3. Directe erbinding tussen DB2 Connect en een host- of iseries-databaseserer Opmerkingen: 1. DB2 Uniersal Database hoeft niet op het DB2 Connect-werkstation te zijn geïnstalleerd. Als u oer een compleet relationeel databasebeheersysteem op het DB2 Connect-werkstation wilt beschikken, bestel dan DB2 Uniersal Database. 2. De DB2 Application Deelopment Client is nu opgenomen in het pakket DB2 Connect en kan worden geïnstalleerd oor de ontwikkeling an toepassingen. Boendien beat DB2 Connect nu ook Stored Procedure Builder waarmee opgeslagen procedures oor DB2 oor OS/390 en z/os kunnen worden ontwikkeld, getest en gebruikt. 3. C-programmeurs die Windows-toepassingen ontwikkelen waarin wordt gebruikgemaakt an Microsoft ODBC, OLE DB of ADO (ActieX Data Objects), kunnen het beste de Microsoft Open Database Connectiity Software Deelopment Kit gebruiken. Programmeurs die toepassingen willen ontwikkelen met de programmeertaal Jaa, kunnen elke gewenste Jaa-ontwerpomgeing gebruiken, zoals IBM VisualAge oor Jaa. 4. Als een TCP/IP-erbinding naar een databaseserer met DB2 oor z/os waaroor het gebruik an Sysplex is ingeschakeld, wordt erbroken, probeert de client deze automatisch te herstellen. Verwante concepten: 18 Gebruikershandleiding
27 DB2 Connect - Scenario s op pagina 17 DB2 Connect Enterprise Edition als erbindingsserer op pagina 19 DB2 Connect en webtoepassingen op pagina 21 DB2 Connect en toepassingenserers op pagina 26 DB2 Connect en TP-monitors op pagina 29 Toegang krijgen tot DB2-gegeens op de host of de iseries met DB2 Connect Personal Edition in de publicatie Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition DB2 Connect Enterprise Edition als erbindingsserer Via een DB2 Connect-serer kan er een erbinding tot stand worden gebracht tussen een groot aantal clients en een host- of iseries -serer. Hierdoor worden de gegeens in uw organisatie aanmerkelijk beter toegankelijk. In Figuur 4 op pagina 20 ziet u de oplossing an IBM oor omgeingen waarin u een indirecte erbinding tussen een DB2 -client en een host- of iseries-databaseserer tot stand wilt brengen ia DB2 Connect Enterprise Edition. De DB2 Connect -serer in het oorbeeld kunt u ook erangen door DB2 UDB Enterprise Serer Edition waarop het onderdeel DB2 Connect Serer Support is geïnstalleerd. Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s 19
28 DB2 for MVS DB2 for VSE DB2 for AS/400 DB2 for VM AS/400 S/390, S/370 OS/390 APPC TCP/IP*** MPTN Coax* Ethernet Asynch Twinax** SDLC Token-ring X.25 ESCON Communicatieondersteuning oor SNA**** DB2 Connect Enterprise Edition APPC, Named Pipes, NetBIOS IPX/SPX, TCP/IP DB2 Runtime-client en toepassingen DB2 Beheerclient en toepassingen Niet alle protocollen worden ondersteund oor alle platforms. * Alleen oor hosterbindingen ** Voor AS/400 *** TCP/IP-erbindingen ereisen DB2 for OS/390 V5R1, DB2 for AS/400 V4R2, of DB2 for VM V6.1 **** Communicatieondersteuning oor SNA is afhankelijk an het besturingssysteem en is alleen ereist als er geen standaard ingebouwde TCP/IP-erbindingen beschikbaar zijn. Figuur 4. DB2 Connect Enterprise Edition Opmerkingen: 1. Als een TCP/IP-erbinding naar een DB2 Connect-serer wordt erbroken, probeert de client deze automatisch te herstellen. De client zal daarbij eerst proberen de erbinding met de oorspronkelijke serer opnieuw tot stand te brengen. Als dat niet lukt, wordt de alternatiee DB2 Connect-serer geprobeerd. (De alternatiee serer wordt ingesteld op het serersubsysteem en de locatie eran wordt aan de client doorgegeen op het moment dat de erbinding tot stand.) Als de poging om erbinding te maken met de alternatiee serer ook mislukt, probeert de client opnieuw de erbinding met de oorspronkelijke serer te herstellen. De client blijft doorgaan met de pogingen om de erbinding te herstellen, afwisselend met de oorspronkelijke serer en met de alternatiee serer, totdat de erbinding weer tot stand is gebracht of totdat het maximumaantal pogingen wordt oerschreden. 20 Gebruikershandleiding
29 Verwante concepten: DB2 Connect op pagina 3 DB2 Connect - Scenario s op pagina 17 DB2 Connect en webtoepassingen op pagina 21 DB2 Connect en toepassingenserers op pagina 26 DB2 Connect en TP-monitors op pagina 29 Verwante informatie: DB2 Connect-programma s op pagina 3 DB2 Connect en webtoepassingen De webbrowser wordt steeds meer een standaardinterface oor allerlei zaken, an online catalogi tot intranettoepassingen. Voor eenoudige webtoepassingen is een webserer waarschijnlijk oldoende. Voor toepassingen met een groot olume waarbij databasetoegang en transactieerwerking is ereist, biedt IBM oplossingen met DB2 Connect om grote hoeeelheden gelijktijdige transacties ia het web te beheren. Voordelen en beperkingen an traditionele CGI-programma s: Toepassingen oor e-business op het World Wide Web maken doorgaans gebruik an CGI (Common Gateway Interface) om query s op back-end databases mogelijk te maken. Veel bedrijen gebruiken ook intern webtoepassingen, waaraan op de achtergrond eeneens aak een database is gekoppeld. Gebruikers ullen formulieren op een webpagina in, die erolgens ia CGI worden erzonden naar toepassingen of scripts op de webserer. Het script gebruikt een ingebouwde database-api om de SQL-query s door te zenden naar een hostdatabase. Verolgens wordt door hetzelfde script een webpagina (in de HTML-indeling) gemaakt met de resultaten an de query en wordt deze pagina teruggezonden en afgebeeld in de webbrowser an de gebruiker. Een oorbeeld hieran is een online catalogus waarin een gebruiker de beschikbaarheid en huidige prijs an bepaalde goederen of diensten kan opragen. CGI-toepassingen zijn oer het algemeen eenoudig te ontwerpen en gemakkelijk te beheren. Omdat de CGI-standaard niet is gebonden aan een besturingssysteem of taal, is CGI op bijna alle computerplatforms beschikbaar. CGI-programma s kunnen worden geschreen in C++ of in een scripttaal zoals Perl. Hoewel CGI een ideale oplossing oor webtoepassingen lijkt, zijn er ook een aantal nadelen aan CGI erbonden. De programmeeromgeing oor CGI is lang niet zo uitgebreid als andere API s. Daarnaast is er ook een beperking op het gebied an schaalbaarheid, die een rol speelt bij elk grootschalig project op het gebied an e-commerce. Telkens wanneer een CGI-toepassing wordt gestart, wordt namelijk een nieuw proces op de webserer gemaakt. Voor elk subsysteem moet een afzonderlijke erbinding met de database tot stand worden gebracht. Boendien wordt door elk subsysteem een eigen query uitgeoerd. In erwerkingsomgeingen met grote olumes kan deze beperking de performance nadelig beïnloeden. U kunt DB2 Connect in combinatie met een webserer gebruiken om krachtige toepassingen met een groot olume oor e-commerce te ontwikkelen. DB2 Connect biedt een aantal oplossingen waarmee webtoepassingen een betere performance Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s 21
30 22 Gebruikershandleiding leeren. Met opgeslagen procedures kunnen gebruikers an DB2 Connect bijoorbeeld het aantal query s erkleinen dat naar de database wordt erzonden. Met pooling an erbindingen hoeft minder aak een erbinding met de database te worden gemaakt of erbroken. Voor grote projecten waarbij de beperkingen an CGI een probleem ormen, bieden IBM Net.Data en WebSphere niet-cgi-erbindingen oor grote bedrijfstoepassingen. Verwante concepten: DB2 Connect Enterprise Edition als erbindingsserer op pagina 19 DB2 Connect en toepassingenserers op pagina 26 DB2 Connect en TP-monitors op pagina 29 DB2 Connect en IBM WebSphere op pagina 22 DB2 Connect en Net.Data op pagina 23 DB2 Connect op een webserer op pagina 25 DB2 Connect en IBM WebSphere IBM WebSphere biedt een uitgebreidere oplossing oor e-business dan met traditionele CGI-programma s mogelijk is. WebSphere-toepassingenserers bieden niet alleen de scriptoorzieningen an CGI, maar leeren ook complexe en high-end webserices met behulp an serlets, Actie Serer Pages en Enterprise JaaBeans en omatten ondersteuning oor webtechnologieën zoals Jaa, TCI/IP, HTTP, HTTPS, HTML, DHTML, XML, MIME, SMTP, IIOP en X.509. Met WebSphere kunt u: Industriële standaarden toepassen oor snellere ontwikkeling en optimale compatibiliteit. De technologieën achter hulpprogramma s an derden en de structuur achter toepassingen an derden integreren. De performance en het gebruik an de inhoud an websites analyseren. De grootte an de site aanpassen aan het aantal gebruikers en daarbij de dooroercapaciteit behouden. Verschillende besturingssystemen gebruiken (AIX, HP-UX, Linux, Noell NetWare, OS/390, z/os, OS/400, Solaris Operating Enironment, Microsoft Windows NT en Windows 2000). Bestaande webserers blijen gebruiken, waaronder webserers an Apache, IBM, Netscape en Microsoft. WebSphere is niet slechts één product, maar een reeks an drie producten die zijn bedoeld oor drie erschillende doelgroepen. De spil an de WebSphere-oplossing wordt geormd door de WebSphere-toepassingenserer. De WebSphere-toepassingenserer is een erwerkingsomgeing oor drie typen objecten. Een an deze objecttypen is Jaa Serer Pages (JSP), die oereenkomen met Actie Serer Pages. Een tweede objecttype is Jaa-serlets en het derde type is Enterprise JaaBeans (EJB). Enterprise JaaBeans ormen de nieuwe standaard oor het gebruik an zeer grootschalige en krachtige toepassingen op ondernemingsnieau. Daarnaast leeren Data Access JaaBeans geaanceerde databasefuncties die specifiek op DB2 zijn gericht. De DB2 Application Deelopment Client biedt ondersteuning an ingesloten SQL-instructies oor Jaa (SQLJ). Met JDBC- en SQLJ-ondersteuning oor DB2 kunt u SQLJ-toepassingen en -applets maken en
31 uitoeren. Deze beatten statische SQL-instructies en maken gebruik an ingesloten SQL-instructies die zijn erbonden met de DB2-database. WebSphere-toepassingen kunnen op hetzelfde platform worden ingezet als de webserer en DB2 Uniersal Database. Bij DB2 UDB oor OS/390 en z/os, DB2 oor VM, DB2 oor VSE en DB2 UDB oor iseries, wordt WebSphere op hetzelfde platform als DB2 Connect Enterprise Edition gebruikt. Er zijn dierse WebSphere-oplossingen erkrijgbaar, naast de Web Studio en WebSphere Performance Packs. De drie beschikbare WebSphere-ersies zijn: Standard Edition Deze ersie is bedoeld oor websiteontwikkelaars, die met de Jaa-serlets en JSP-technologie an deze serer snel en gemakkelijk websites en -poorten an statische pagina s kunnen omormen tot aangepaste en dynamische webinhoud. Teens ondersteunt de serer de toonaangeende XML-standaard oor gemeenschappelijk gebruik an informatie en gegeens door erschillende groepen of ondernemingen. Boendien is de serer uitgerust met een ingebouwde technologie oor het analyseren an sites, waarmee u gegeens oer de performance en het gebruik an sites kunt bijhouden en zo een maximale winst op inesteringen in websites kunt behalen. Adanced Edition Deze ersie is bedoeld oor toepassingsprogrammeurs, die met deze krachtige EJB-serer bedrijfslogica kunnen toepassen met behulp an EJB-componenten. Naast de functionaliteit an de Standard Edition biedt de serer erbindingen met een schaalbare beeiliging en Jaa-ondersteuning. Enterprise Edition Deze ersie is bedoeld oor ondernemingsarchitecten, die met deze serer de erschillende bedrijfssystemen kunnen integreren en zo krachtige toepassingen oor e-business kunnen ontwikkelen en resources optimaal kunnen benutten. In de Enterprise Edition zijn de mogelijkheden an de bekroonde IBM TXSeries - en Component Broker-technologie opgenomen. Daarnaast biedt de serer ook de functionaliteit an de Adanced Edition en de Standard Edition. Verwante concepten: DB2 Connect - Scenario s op pagina 17 DB2 Connect en Net.Data op pagina 23 DB2 Connect en Net.Data Net.Data, dat deel uitmaakt an de producten DB2 Uniersal Database en DB2 Connect, bestaat uit een set hulpprogramma s oor toepassingsontwikkeling waarmee u toepassingen oor het errichten an webtransacties kunt maken en beheren. Met Net.Data kunt u toegang krijgen tot gegeens op DB2 UDB oor Windows NT en Windows 2000, DB2 UDB oor UNIX, DB2 UDB oor OS/390 en z/os, DB2 oor VM, DB2 oor VSE en DB2 UDB oor iseries en deze wijzigen. De toepassingen die u met behulp an Net.Data maakt, worden opgeslagen op een webserer en kunnen in een webbrowser worden geactieerd. Met de macro s (sjablonen) an Net.Data kunnen gebruikers met een basiskennis an HTML en SQL uiterst geaanceerde webtoepassingen ontwikkelen. Een macro is een tekstbestand dat Jaa, Jaa -scripts, HTML-codes en ingebouwde functies Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s 23
32 kan beatten. U gebruikt deze macro s erolgens om dynamische webpagina s met ooraf gedefinieerde opmaak, ariabelen en functies te genereren. Een standaardmacro an Net.Data bestaat uit de olgende zeen secties: Secties Common, waarin de programmeur aantekeningen kan maken. Sectie Define, waarin ariabelen worden gedefinieerd. Sectie Function, waarin de belangrijkste programmeringslogica wordt astgelegd. Sectie Report, waarin de opmaaklogica oor de uitoer an de Net.Data-macro wordt astgelegd. Sectie HTML, waarin het merendeel an de HTML-code oor de webpagina wordt astgelegd. Sectie Include, waarin algemene onderdelen an de macro kunnen worden opgenomen die ook in andere macro s kunnen worden gebruikt. Sectie Message, waarin de fouterwerking wordt astgelegd. Het grootste oordeel an Net.Data, ooral oor DB2, is dat er geen clientsoftware is ereist. Bij deze implementatie is de client eenoudigweg een webbrowser. De processor an Net.Data wordt samen met DB2 Uniersal Database en de webserer geïnstalleerd op een Windows NT-, Windows of UNIX -werkstation. Bij erbindingen met DB2 UDB oor OS/390 en z/os, DB2 oor VSE en VM en DB2 UDB oor iseries wordt de olledige infrastructuur an Net.Data geïmplementeerd op een DB2 Connect -serer, samen met een webserer. Verwante concepten: DB2 Connect - Scenario s op pagina 17 DB2 Connect en webtoepassingen op pagina 21 DB2 Connect als Jaa-toepassingenserer Veel an de tekortkomingen an CGI kunnen worden opgelost door in plaats hieran Jaa te gebruiken. IBM leert zowel applets als toepassingen waarmee u CGI door Jaa kunt erangen in elk stadium an een webtransactie. De oplossingen an IBM kunnen in combinatie met dierse methoden worden toegepast, zodat u scriptoplossingen zoals Net.Data en Microsoft Actie Serer Pages bij DB2 kunt gebruiken, of oor een krachtige implementatie in de orm an een Jaa-toepassingenserer zoals IBM WebSphere kunt kiezen. Er zijn twee API s (Application Programming Interfaces) oor Jaa-programmeurs. De eerste, JDBC, ondersteunt het gebruik an Jaa oor de ontwikkeling an Jaa-applets die gegeens kunnen herkennen, Jaa-toepassingen en ook Jaa-serlets, Jaa Serer Pages en Enterprise Jaa Beans. JDBC is een Call Leel API (waarbij methoden worden opgeroepen). De andere Jaa-API is SQLJ. SQLJ biedt de mogelijkheid om SQL inline op te geen binnen een Jaa-programma. DB2 kan met beide API s werken, zowel op de client als op de serer die bij een webtransactie zijn betrokken. Aan de kant an de client worden applets, applets die gegeens kunnen herkennen en toepassingen ondersteund. Aan de kant an de database wordt ondersteuning oor Jaa geboden met behulp an databaseobjecten, zoals door de gebruiker gedefinieerde functies en opgeslagen procedures. 24 Gebruikershandleiding
33 Bij DB2 oor OS/390 en z/os, DB2 oor VSE en VM en DB2 UDB oor iseries kunt u op twee manieren een Jaa-toepassing gebruiken. U kunt ia TCP/IP of SNA een directe erbinding tot stand brengen met behulp an DB2 Connect Personal Edition of u kunt ia een DB2 Connect Enterprise Edition-serer een erbinding tot stand brengen met het mainframe of de iseries back-end. In beide geallen heeft de webgebruiker slechts een standaardwebbrowser en erder geen speciale software nodig om toegang tot de database te krijgen. U hoeft dan alleen een DB2 Connect-serer en een standaardwebserer te installeren. Als de webserer en DB2 Connect niet op dezelfde fysieke computer staan, moet u ook een DB2-client op de webserer installeren. Het belangrijkste onderdeel oor DB2 oor OS/390 en z/os is DB2 Connect Enterprise Edition dat op een serer in de middenlaag wordt uitgeoerd. Dit onderdeel maakt het gebruik an een JDBC-serer en erbindingen met de DB2 oor OS/390 en z/os-, DB2 oor VSE en VM- of DB2 UDB oor iseries-serer mogelijk. Ook hierbij is behale een webbrowser geen speciale software op de client nodig. IBM leert een uitgebreide set hulpprogramma s oor de ontwikkeling an Jaa-toepassingen en -applets. Voor erbindingen met de database biedt de DB2 Deeloper s Edition een allesomattende Kit met VisualAge oor Jaa Professional Edition, WebSphere Application Serer, Net.Data en daarnaast DB2 Uniersal Database en DB2 Connect oor testdoeleinden. IBM VisualAge oor Jaa Enterprise Edition beat ook ontwikkelprogramma s oor grootschalige bedrijfstoepassingen. Bij de databaseoplossingen an IBM kunnen ook hulpprogramma s an derden, zoals Borland JBuilder of Symantec Visual Cafe, worden gebruikt. Verwante concepten: DB2 Connect - Scenario s op pagina 17 DB2 Connect op een webserer op pagina 25 DB2 Connect op een webserer IBM leert webserers (HTTP-serers) met alle DB2 Connect-producten oor UNIX, Windows NT en Windows DB2 Connect Enterprise Edition biedt kant-en-klare ondersteuning oor Apache- en Lotus Domino Go-webserers en kan teens worden gebruikt op andere webserers zoals Microsoft Internet Information Serer en Netscape Enterprise Serer. Als u met een DB2 -databaseproduct op een zseries-, iseries-, VM- of VSE-systeem werkt, moet u DB2 Connect Enterprise Edition installeren op de webserer. DB2 Connect Enterprise Edition oorziet in de bibliotheken en communicatie-interfaces waarmee webserers toegang kunnen krijgen tot deze host- en iseries -platforms. Voor de communicatie tussen de webserer en een database onder zseries, iseries, VM of VSE kan TCP/IP of SNA worden gebruikt. Opmerking: De weboplossingen an IBM bieden de mogelijkheid om meerdere databases te gebruiken binnen hetzelfde CGI-script of binnen dezelfde transactie in een CGI-script. Opgeslagen procedures: Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s 25
34 Een belangrijke oerweging bij webtoepassingen, net als bij client/serercommunicatie, is het erkeer tussen de HTTP-serer en de back-end database zoeel mogelijk te beperken. Dit is met name an belang bij erwerkingsomgeingen met hoge olumes, zoals de meeste toepassingen oor e-business. De beste aanpak hierbij is een combinatie an CGI-toepassingsprogramma s en opgeslagen procedures met programma- en bedrijfslogica. In DB2 Uniersal Database op UNIX en Windows, DB2 UDB op OS/390 en z/os, DB2 UDB oor iseries en DB2 oor VSE worden dezelfde parameterregels oor het oproepen an opgeslagen procedures aangehouden. Net als bij standaard-cgi wordt het formulier door de webbrowser naar de webserer erzonden, waar het CGI-script wordt uitgeoerd. In plaats an dat elke afzonderlijke SQL-instructie naar de DB2-database wordt erzonden, wordt nu echter een opdracht erzonden om een opgeslagen procedure uit te oeren. Deze opgeslagen procedure beat een aantal SQL-instructies die anders dus afzonderlijk moeten worden uitgeoerd. Met opgeslagen procedures hoeen minder berichten heen en weer te worden gestuurd tussen het CGI-script en de back-end database. Het grootste oordeel an opgeslagen procedures is een kleinere hoeeelheid netwerkerkeer tussen de HTTP-serer en de back-end DB2-database. Verwante concepten: DB2 Connect - Scenario s op pagina 17 DB2 Stored Procedures in de publicatie Application Deelopment Guide: Programming Client Applications Stored Procedures in Host or iseries Enironments in de publicatie Application Deelopment Guide: Programming Client Applications DB2 Connect en toepassingenserers Met de introductie an client/serer-toepassingen konden ontwerpers de bruikbaarheid an toepassingen erbeteren en de trainingskosten oor toepassingen erlagen door toepassingen allemaal dezelfde grafische gebruikersinterface te geen op platforms zoals Windows. Tegelijkertijd kon de databasebeheerfunctie worden erlegd naar krachtige databaseserers op dierse besturingssystemen en computerplatforms. Het client/serer-model, waarbij de toepassingslogica wordt gedistribueerd naar clientwerkstations, wordt doorgaans het tweelaagsmodel genoemd. In dit tweelaagsmodel wordt de toepassing gebruikt op de clientlaag en wordt de databaseserer geïmplementeerd op de sererlaag (back-end laag). DB2 Connect biedt olledige ondersteuning oor tweelagige client/serer-toepassingen, die als serer DB2 UDB oor OS/390 en z/os, DB2 UDB oor iseries of DB2 oor VM en VSE gebruiken. Naarmate client/serer-toepassingen steeds grootschaliger werden, bleek al snel dat het tweelagige client/serer-model in eel opzichten beperkingen ertoonde. De distributie an grote hoeeelheden bedrijfslogica naar honderden of zelfs duizenden clientwerkstations maakte wijzigingsbeheer tot een complexe en dure onderneming. Elke erandering an de bedrijfsregels ereiste aanpassing an het clientdeel an de toepassing. Vaak moesten deze gewijzigde ersies an een 26 Gebruikershandleiding
35 toepassing tegelijkertijd op alle clientwerkstations in de onderneming worden geïmplementeerd om eroor te zorgen dat de bedrijfsregels consistent konden worden toegepast. Een andere beperking an het tweelaagsmodel die bij de schaalergroting naar oren kwam, is de hoeeelheid resources die wordt gebruikt door grootschalige toepassingen. Het gebruik an honderden of duizenden fat clients, zoals tweelaagsclients aak worden genoemd, ergt steeds meer an de erwerkingscapaciteit an een clientwerkstation. Boendien neemt ook de belasting an de databaseserer enorm toe, omdat oor elke client een aste databaseerbinding en resources om deze erbinding in stand te houden nodig zijn. Hoewel het gebruik an opgeslagen procedures eroor kan zorgen dat het tweelagige client/serer-model in mindere mate afhankelijk wordt an de distributie an bedrijfslogica, kunnen de andere tekortkomingen eigenlijk alleen worden opgelost door het model te wijzigen. Een toepassingenserer-oplossing Aangezien de kosten en complexiteit an tweelagige client/serertoepassingen bleen stijgen, werd oor de meeste grote toepassingen een andere oplossing gezocht in de orm an een meerlagig client/serer-model. In het meerlaagsmodel blijft de taak an de databaselaag ongewijzigd. De clientlaag wordt echter uitgebreid met een of meer middenlagen. Het meerlaagsmodel wordt daarom aak aangeduid als drielaagsmodel. In het drielaagsmodel wordt de client gebruikt oor de afhandeling an interacties met de gebruiker en niet meer oor de erwerking an bedrijfslogica. De middenlaag bestaat uit een of meer toepassingenserers. Het doel an de toepassingenserer is een krachtige, rendabele implementatie an de logica achter bedrijfsprocessen en bedrijfsregels mogelijk te maken. Net als bij het tweelaagsmodel wordt de implementatie an bedrijfsregels aak aangeuld met het gebruik an opgeslagen procedures om een betere performance te erkrijgen. Omdat op clientwerkstations niet langer een grote hoeeelheid toepassingslogica wordt geïmplementeerd en eigenlijk alleen interacties met de gebruiker worden afgehandeld, zijn er eel minder resources oor de clientlaag ereist. De clientlaag in het drielaagsmodel wordt daarom ook wel thin client genoemd. Daarnaast biedt een centrale toepassingenserer waarop aanragen an alle clients worden afgehandeld de mogelijkheid om gemeenschappelijk gebruik an resources te maken, bijoorbeeld gezamenlijk gebruik an databaseerbindingen door alle clients. De databaseserer hoeft dan niet langer een aste erbinding oor iedere gebruiker an de toepassing in stand te houden. In het huidige bedrijfsleen zijn eel oorbeelden an drielaagse toepassingenserers te inden. Bijna alle ERP-leeranciers (Enterprise Resource Planning) implementeren hun toepassingen met behulp an het drielaagsmodel, bijoorbeeld de toepassingen SAP R/3 en PeopleSoft V7. Andere oorbeelden zijn de leeranciers an toepassingen oor Enterprise Relationship Management, zoals Siebel en Vantie. Toepassingenserers en DB2 Connect DB2 Connect Enterprise Edition-serers bieden uitgebreide ondersteuning oor het gebruik an meerlaagstoepassingen. DB2 Connect ondersteunt meerlaagstoepassingen met behulp an erschillende API s waarmee toepassingslogica (ODBC, ADO, DB2 CLI, ingesloten SQL, JDBC en SQLJ) Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s 27
36 of een olledige communicatie-infrastructuur oor de interactie met DB2-databaseserers kan worden ontwikkeld. DB2 Connect ondersteunt teens implementaties waarbij de databaselaag bestaat uit meerdere DB2-databaseserers. Op deze manier kunt u op toepassingenserers transacties implementeren waarmee gegeens op meerdere databaseserers in één transactie worden bijgewerkt. De ondersteuning an het protocol oor COMMIT in twee fasen an DB2 Connect waarborgt de integriteit an deze gedistribueerde transacties. U kunt met een toepassing bijoorbeeld in één transactie gegeens in een DB2 oor OS/390 en z/os -database en DB2 UDB op Windows 2000 bijwerken. Als ondersteuning oor gedistribueerde aanragen is geïnstalleerd en ingeschakeld, kunt u met de toepassing in één transactie gegeens in een Oracle-database lezen en hiermee een DB2-database bijwerken. In de olgende afbeelding leert DB2 Connect Enterprise Edition zowel de API s als de erbindingen tussen de toepassingenserer en de back-end databaseserers. DB2 DB2 Naam selecteren.... Karin, Hans, Mark, Anne Bijwerken... SQL ODBC, ADO, Embedded SQL, CLI, JDBC, SQLJ DB2 Connect Enterprise Edition Toepassingenserer Aangepaste API/informatiestromen Figuur 5. DB2 Connect-ondersteuning oor toepassingenserers Met de geaanceerde oorzieningen an DB2 Connect, zoals pooling an erbindingen, worden de resourceereisten an toepassingen aanzienlijk minder en wordt de implementatie an toepassingenserers een stuk eenoudiger. 28 Gebruikershandleiding
37 DB2 Connect en toepassingenserer-configuraties Als u gebruikmaakt an toepassingenserers, hebt u DB2 Connect Enterprise Edition nodig (dat als afzonderlijk product beschikbaar is, maar ook deel uitmaakt an het pakket DB2 Connect Unlimited Edition). DB2 Connect Personal Edition wordt niet ondersteund en gelicentieerd oor gebruik bij toepassingenserers. Gebruikers die toepassingenserers implementeren, moeten ook de oorwaarden die bij hun exemplaar an DB2 Connect worden meegeleerd grondig bestuderen om na te gaan hoeeel gebruikerslicenties ze nodig hebben. U kunt DB2 Connect op twee manieren gebruiken in een omgeing met toepassingenserers. U kunt DB2 Connect Enterprise Edition installeren op: De toepassingenserer. Een afzonderlijke communicatieserer. Meestal kunt u een exemplaar an DB2 Connect het beste op dezelfde serer als de toepassingenserer installeren. Als u DB2 Connect installeert op de toepassingenserer, kunt u eentuele procedures oor failoer-detectie en belastingserdeling die op de toepassingenserer zijn geïmplementeerd ook op DB2 Connect toepassen. Deze configuratie biedt een betere performance, omdat hiermee de aanullende netwerkhop wordt ermeden die nodig is als DB2 Connect op een afzonderlijke serer wordt geïnstalleerd. Boendien wordt het beheer eenoudiger, omdat u nu geen extra serer hoeft te installeren en onderhouden. De installatie an DB2 Connect op een afzonderlijke serer is een goede oplossing als DB2 Connect Enterprise Edition niet erkrijgbaar is oor het besturingssysteem of hardwareplatform waarop de toepassingenserer wordt uitgeoerd. Verwante concepten: DB2 Connect op pagina 3 DB2 Connect en webtoepassingen op pagina 21 DB2 Connect en TP-monitors op pagina 29 Verbindingsconcentrator op pagina 89 Pooling an erbindingen op pagina 86 Verwante informatie: DB2 Connect - Oerwegingen bij de beeiliging an DB2 oor OS/390 en z/os op pagina 49 DB2 Connect en TP-monitors Bij een toepassingenserer kan een groot aantal gebruikers toepassingen uitoeren met een minimale hoeeelheid systeemresources. Een toepassingenserer kan worden uitgebreid met gecoördineerde transacties die worden opgeroepen anuit toepassingen die op de toepassingenserer worden uitgeoerd. Deze transactiecoördinatie is beter bekend als TP-monitor (Transaction Processing). Een TP-monitor wordt in combinatie met een toepassingenserer gebruikt. Een transactie is een routineactie, meestal een sericeaanraag, die deel uitmaakt an de dagelijkse gang an zaken in een organisatie. De gestructureerde erwerking an transacties ormt het doeleinde an een TP-monitor. Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s 29
38 Transactieerwerking: Elke organisatie heeft regels en procedures waarin de gang an zaken is astgelegd. De gebruikerstoepassingen waarmee deze regels worden geïmplementeerd, ormen de bedrijfslogica. De transacties die met deze bedrijfstoepassingen worden uitgeoerd, worden aak aangeduid als transactieerwerking (Transaction Processing of kortweg TP) of OLTP (Online Transaction Processing). De hoofdkenmerken an commerciële OLTP zijn: Veel gebruikers De meeste gebruikers in een bedrijf hebben met transactieerwerking te maken, want de huidige stand an zaken in een bedrijf wordt door een groot aantal gebruikers beïnloed. Terugkerend De meeste interacties met de computer bestaan uit processen die steeds opnieuw worden uitgeoerd. Voorbeelden hieran zijn taken zoals het inoeren an orders of het erwerken an betalingen, die u ettelijke malen per dag uitoert. Korte interacties De meeste interacties tussen gebruikers in een bedrijf en transactieerwerking zijn an korte duur. Gemeenschappelijke gegeens Omdat gegeens de huidige stand an zaken in een bedrijf ertegenwoordigen, mag er an alle gegeens slechts één exemplaar bestaan. Betrouwbaarheid an gegeens De gegeens moeten een afspiegeling ormen an de huidige stand an zaken in een organisatie en moeten intern consistent zijn. Elke order moet bijoorbeeld aan een klantrecord zijn gekoppeld. Lage kosten per transactie Omdat transactieerwerking een kostenpost oor bedrijen ormt, moeten de kosten an het systeem zo laag mogelijk worden gehouden. Met DB2 Connect kunnen toepassingen ia een toepassingenserer op UNIX, Windows NT of Windows 2000 transacties uitoeren op LAN-, host- en iseries -databaseserers op afstand en deze transacties laten coördineren door een TP-monitor. 30 Gebruikershandleiding
39 DB2 RM met XA-ondersteuning (b. Oracle, DB2, MQ, bestand) Naam selecteren... Karin, Hans, Mark, Anne Bijwerken... SQL + XA DB2 Connect Enterprise Edition TP-monitor (b. CICS, Encina, MTS, Tuxedo) API/informatiestromen an TP-monitor Figuur 6. Ondersteuning in DB2 Connect oor TP-monitors In deze afbeelding leert DB2 Connect Enterprise Edition zowel de API s als de erbindingen tussen de toepassingenserer en de back-end databaseserers. Voorbeelden an TP-monitors: Veelgebruikte TP-monitors op dit moment zijn: IBM WebSphere Application Serer IBM TxSeries CICS IBM TxSeries Encina Monitor BEA Tuxedo BEA WebLogic Microsoft Transaction Serer In de transacties die door deze TP-monitors worden gecoördineerd, kunnen iseries-, zseries- en LAN-databaseserers op afstand worden gebruikt. DB2 Connect en Tuxedo: Bij DB2 Connect Versie 6 en eerdere ersies hadden Tuxedo-toepassingen uitsluitend leestoegang tot host- en iseries-databaseserers. Deze beperking is opgeheen. Tuxedo-toepassingen kunnen nu host- en iseries-databaseserers bijwerken met een transactie die door Tuxedo wordt gecoördineerd. Hieroor gelden speciale configuratieereisten en -beperkingen. Hoofdstuk 3. DB2 Connect - Scenario s 31
40 X/Open-model oor gedistribueerde-transactieerwerking: Als u meerdere resources met één transactie wilt bijwerken, hebt u waarschijnlijk een toepassing met bedrijfslogica nodig. Bij een banktransactie waarbij geld an de ene rekening naar de andere wordt oergeboekt, moet bijoorbeeld een bedrag worden afgeboekt in de ene database (de rekening an ) en worden bijgeboekt in een andere database (de rekening naar ). Deze twee databases kunnen an erschillende leeranciers zijn. De ene database kan bijoorbeeld een DB2 Uniersal Database oor OS/390 en z/os zijn en de andere een Oracle-database. Hieroor is een gemeenschappelijke transactie-interface gedefinieerd tussen een TP-monitor en de resources die door toepassingen worden gebruikt, zodat het niet nodig is op elke TP-monitor de eigen transactie-interface an iedere databaseleerancier te implementeren. Deze gemeenschappelijke interface wordt de XA-interface genoemd. Een TP-monitor die gebruikmaakt an de XA-interface wordt aangeduid als oor XA geschikt Transactiebeheer (Transaction Manager of kortweg TM). Een resource die kan worden bijgewerkt en waarop de XA-interface is geïmplementeerd, wordt aangeduid als oor XA geschikt Resourcebeheer (Resource Manager of kortweg RM). De boenstaande TP-monitors zijn allemaal oor XA geschikte TM s. Host-, iseriesen DB2 UDB LAN-databaseserers op afstand waarmee ia DB2 Connect erbinding wordt gemaakt, zijn allemaal oor XA geschikte RM s. Een TP-monitor met een oor XA geschikte TM kan dus gebruikmaken an host-, iseries- en DB2 UDB LAN-databaseserers in bedrijfstoepassingen waarmee transacties worden uitgeoerd. Verwante concepten: X/Open distributed transaction processing model in de publicatie Administration Guide: Planning Security considerations for XA transaction managers in de publicatie Administration Guide: Planning Configuration considerations for XA transaction managers in de publicatie Administration Guide: Planning XA function supported by DB2 Uniersal Database in de publicatie Administration Guide: Planning DB2 Connect configureren met een oor XA geschikte TM op pagina 62 Verwante taken: Updating host or iseries database serers with an XA-compliant transaction manager in de publicatie Administration Guide: Planning 32 Gebruikershandleiding
41 Deel 2. Taken en procedures Copyright IBM Corp
42 34 Gebruikershandleiding
43 Hoofdstuk 4. Databasedirectory s bijwerken Databasedirectory s bijwerken DB2 Connect maakt gebruik an de olgende directory s om gegeens oer databaseerbindingen te beheren: De knooppuntdirectory, die netwerkadressen en communicatieprotocollen beat oor elke host- of iseries -databaseserer waartoe DB2 Connect toegang heeft. De DCS-directory (Database Connection Serices), die specifieke informatie oer de database an de host- of iseries-databaseserer beat. De directory an de systeemdatabase, die de naam, het knooppunt en informatie oer erificatie beat oor elke database waartoe DB2 Connect toegang heeft. Opmerkingen: 1. Voordat u deze directory s bijwerkt, moet de communicatie op de host- of de iseries-databaseserer en werkstations worden geconfigureerd. 2. Databasedirectory s kunnen worden bijgewerkt met behulp an CA (Configuration Assistant). 3. In dit onderwerp wordt aangenomen dat u DCE Directory Serices niet gebruikt. Procedure: Ga als olgt te werk als u databasedirectory s wilt bijwerken: 1. Verzamel databasedirectorygegeens met het werkblad oor aanpassing an directory s. 2. Werk de directory s bij met informatie oer databaseserers op afstand. Verwante taken: Updating the directories with information about remote database serer machines in de publicatie Administration Guide: Implementation Verwante informatie: LIST DATABASE DIRECTORY Command in de publicatie Command Reference LIST NODE DIRECTORY Command in de publicatie Command Reference LIST DCS DIRECTORY Command in de publicatie Command Reference Werkblad oor aanpassing an directory s op pagina 43 Waarden oor systeemdatabasedirectory U kunt de olgende gegeens opgeen in de systeemdatabasedirectory: Databasenaam De waarde die u in de tabel met directoryparameters an DCS hebt opgegeen. Databasealias Een alias oor de host- of iseries -databaseserer. Deze naam wordt Copyright IBM Corp
44 gebruikt door elk toepassingsprogramma dat toegang heeft tot de database. Standaard wordt de waarde gebruikt die u oor de databasenaam hebt opgegeen. Notatie: 1 8 enkelbyte alfanumerieke tekens, inclusief het hekje (#), het apenstaartje (@), het dollarteken ($) en het liggende streepje (_). De naam mag niet beginnen met een liggend streepje of een cijfer. Knooppuntnaam De waarde die u in de tabel met parameters an de knooppuntdirectory hebt opgegeen. Verificatie Geeft aan waar de geldigheidscontrole an de gebruikersnaam en het wachtwoord wordt uitgeoerd oor erbindingen die afkomstig zijn an de DB2 Connect-serer. Geldige opties zijn: SERVER, SERVER_ENCRYPT, CLIENT, DCE, KERBEROS en DATA_ENCRYPT. Opmerking: Het erificatietype an de systeemdatabasedirectory op de clientmachine moet expliciet worden ingesteld op SERVER indien de bijbehorende systeemdatabasedirectory op de DB2 Connect-serer erwijst naar een knooppuntdirectory dat gebruikmaakt an het SNA-beeiligingstype PROGRAM. Verwante concepten: Databasedirectory s bijwerken op pagina 35 Waarden oor knooppuntdirectory op pagina 36 Waarden oor knooppuntdirectory U kunt de olgende informatie opgeen in de knooppuntdirectory: Knooppuntnaam Een roepnaam oor de host- of iseries -databaseserer waarop de database op afstand zich beindt. Deze naam wordt door de gebruiker gedefinieerd. Gebruik dezelfde knooppuntnaam in de tabellen Node Directory Parameters en System Database Directory Parameters. Notatie: 1 8 enkelbyte alfanumerieke tekens, inclusief het hekje (#), het apenstaartje (@), het dollarteken ($) en het liggende streepje (_). De naam mag niet beginnen met een liggend streepje of een cijfer. Protocol Dit mag APPC of TCPIP zijn. Symbolische bestemmingsnaam Gebruik bij het definiëren an een APPC-knooppunt de symbolische bestemmingsnaam die is opgegeen in de CPI Communications Side Information Table (bijoorbeeld de naam an CPI-C Symbolic Destination Properties wanneer Microsoft SNA Serer wordt gebruikt). Deze waarde moet u krijgen an degene die SNA heeft geïnstalleerd en/of geconfigureerd. De symbolische bestemmingsnaam is hoofdlettergeoelig (als de hoofd- en kleine letters in namen niet oereenkomen krijgt u mogelijk de retourcode SQL 1338). Beeiligingstype Het type beeiligingscontrole dat wordt uitgeoerd. Voor APPC-knooppunten zijn de geldige opties SAME, PROGRAM en NONE. Voor TCP/IP-knooppunten is SECURITY SOCKS een optie die aangeeft dat het 36 Gebruikershandleiding
45 knooppunt is ingeschakeld oor SOCKS. In dat geal zijn de omgeingsariabelen SOCKS_NS en SOCKS_SERVER erplicht en moeten deze zodanig worden ingesteld dat SOCKS kan worden ingeschakeld. Opmerking: Als in DB2 Connect het SNA-beeiligingstype PROGRAM is ingesteld, moet het erificatietype an de systeemdatabasedirectory op het clientsysteem expliciet op SERVER zijn ingesteld. Niet-lokale TCP/IP-hostnaam of IP-adres Wanneer een TCP/IP-knooppunt wordt gedefinieerd, is dit de niet-lokale TCP/IP-hostnaam of het niet-lokale TCP/IP-adres. Wanneer een hostnaam wordt opgegeen, moet deze op het DB2 Connect-werkstation door de zoekbewerking an de domeinnaamserer (DNS) of door een waarde in het lokale TCP/IP-hostbestand worden astgesteld. Voor niet-lokale hosts an DB2 oor OS/390 en z/os wordt de hostnaam afgebeeld in het bericht DSNL004I (DOMAIN=hostnaam) als DDF (Distributed Data Facility) wordt gestart. U kunt ook de opdracht -DISplay DDF gebruiken. Bij toegang tot een z/os-groep oor gemeenschappelijke gegeens moet de domeinnaam oereenkomen met het dynamische VIPA-adres an de DB2-groep. Dit is het adres an het minst belaste DB2-systeem. Voor de toegang tot een specifiek DB2-systeem moet u het dynamische VIPA-adres an het betreffende systeem gebruiken en sysplex-routering uitschakelen. Elk DSNL004I-bericht geeft de oor het systeem specifieke domeinnaam aan. TCP/IP-sericenaam of poortnummer Wanneer een TCP/IP-knooppunt wordt gedefinieerd, is dit de niet-lokale TCP/IP-sericenaam of het poortnummer. De instelling op TCP/IP moet op de niet-lokale host plaatsinden. Poortnummer 446 is geregistreerd als standaardpoortnummer oor DRDA. Bij niet-lokale hosts an DB2 for OS/390 en z/os wordt het poortnummer als PORT gedefinieerd in de BSDS (Boot Strap Data Set) en wordt ook ermeld in het bericht DSNL004I (TCPPORT=poortnummer) als DDF (Distributed Data Facility) wordt gestart. U kunt ook de opdracht -DISplay DDF gebruiken. Bij toegang tot een z/os-groep oor gemeenschappelijke gegeens moet de domeinnaam oereenkomen met het dynamische VIPA-adres an de DB2-groep. Dit is het adres an het minst belaste DB2-systeem. Voor de toegang tot een specifiek DB2-systeem moet u het dynamische VIPA-adres an het betreffende systeem gebruiken en sysplex-routering uitschakelen. Elk DSNL004I-bericht geeft de oor het systeem specifieke domeinnaam aan. Opmerking: Een tweede poort oor het opnieuw synchroniseren an een COMMIT in twee fasen ia TCP/IP-erbindingen wordt toegewezen door de serer. De BSDS oor DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 wijst bijoorbeeld een poortnummer (RESPORT) toe oor het opnieuw synchroniseren an uitsluitend inkomende erbindingen aan DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390. Hieroor hoeft geen sericenaam te worden gedefinieerd. Verwante concepten: Hoofdstuk 4. Databasedirectory s bijwerken 37
46 Waarden oor DCS-directory Databasedirectory s bijwerken op pagina 35 Beeiligingstypen die worden ondersteund met DB2 Connect op pagina 51 U kunt de olgende gegeens opgeen in de DCS-directory: Databasenaam Een door de gebruiker gedefinieerde roepnaam oor de host- of iseries -databaseserer. Gebruik dezelfde databasenaam in de tabellen DCS Directory Parameters en System Database Directory Parameters. Notatie: 1 8 enkelbyte alfanumerieke tekens, inclusief het hekje (#), het apenstaartje (@), het dollarteken ($) en het liggende streepje (_). De naam mag niet beginnen met een liggend streepje of een cijfer. Naam an de doeldatabase De database op de host- of iseries-databaseserer is als olgt: OS/390 en z/os Een DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390-subsysteem dat is aangeduid met een LOCATION NAME of een an de LOCATION-aliassen die op de z/os-serer zijn gedefinieerd. U kunt de LOCATION NAME bepalen door u aan te melden bij TSO en de olgende SQL-query uit te oeren met een an de beschikbare queryprogramma s: select current serer from sysibm.sysdummy1 De LOCATION NAME s worden ook gedefinieerd in de BSDS (Boot Strap Data Set) en worden teens ermeld in het bericht DSNL004I (LOCATION=locatie) als DDF (Distributed Data Facility) wordt gestart. U kunt ook de opdracht -DISplay DDF gebruiken. Bij toegang tot een z/os-groep oor gemeenschappelijke gegeens moet de domeinnaam oereenkomen met het dynamische VIPA-adres an de DB2-groep. Dit is het adres an het minst belaste DB2-systeem. Voor de toegang tot een specifiek DB2-systeem moet u het dynamische VIPA-adres an het betreffende systeem gebruiken en sysplex-routering uitschakelen. Elk DSNL004I-bericht geeft de oor het systeem specifieke domeinnaam aan. VSE of VM De databasenaam (DBNAME). OS/400 en z/os De relationele databasenaam (RDBNAME). Oerige De databasealias in de databasedirectory oor Windows NT-, Windows en UNIX-systemen. Parameterreeks Als u de standaardwaarden wilt wijzigen, moet u enkele of alle parameters in de onderstaande olgorde opgeen. toewijzingsbestand De naam an een SQLCODE-toewijzingsbestand dat de 38 Gebruikershandleiding
47 standaard SQLCODE-toewijzing uitschakelt. Geef NOMAP op om de SQLCODE-toewijzing uit te schakelen. Opmerking: Bij het erwerken an een queryopdracht retourneert de DRDA -serer gegeens in de orm an een set rijen die de resultaatset oorstellen. Bij elke rij wordt ook een SQLCA teruggezonden, die meestal een nul of positiee sqlcode (zoals +12 of +802) beat. Als u een aangepast toewijzingsbestand gebruikt op een DB2 Connect-serer, worden dergelijke positiee sqlcodes niet toegewezen als ze oorkomen in het aangepaste toewijzingsbestand en aangepaste toewijzingen hebben (ze zijn bijoorbeeld toegewezen aan een andere sqlcode of hebben aangepaste tokentoewijzingen). Het is belangrijk om het olgende te benadrukken: 1. Positiee sqlcodes stellen waarschuwingen oor, in tegenstelling tot negatiee sqlcodes die fouten aangeen. Alle negatiee sqlcodes worden altijd onder alle omstandigheden toegewezen, ongeacht welk toewijzingsbestand wordt gebruikt. Alle positiee sqlcodes die zijn opgenomen in het aangepaste toewijzingsbestand en ongewijzigd aan zichzelf zijn toegewezen, worden ook altijd toegewezen. De positiee sqlcodes die niet oorkomen in het aangepaste toewijzingsbestand op de DB2 Connect -serer worden ook altijd toegewezen. 2. Of u nu het standaard toewijzingsbestand gebruikt of rechtstreeks een erbinding met de hostdatabase tot stand brengt, de sqlcode-toewijzing wordt altijd uitgeoerd oor alle sqlcodes.,d Dit is de tweede positionele parameter. Als deze wordt opgegeen erbreekt de toepassing de erbinding met de host- of iseries-databaseserer wanneer een an de olgende SQLCODE s wordt teruggezonden: SQL30000N SQL30040N SQL30050N SQL30051N SQL30053N SQL30060N SQL30070N SQL30071N SQL30072N SQL30073N SQL30074N SQL30090N Hoofdstuk 4. Databasedirectory s bijwerken 39
48 Als de D-parameter,D niet is opgegeen, wordt de erbinding uitsluitend erbroken als de olgende SQLCODE s worden teruggezonden: SQL30020N SQL30021N SQL30041N SQL30061N SQL30081N Zie het Naslagboek bij berichten oor een beschrijing an deze codes. Opmerking: Als door een fout de erbinding met DB2 Connect wordt erbroken, wordt automatisch een ROLLBACK uitgeoerd.,,interrupt_enabled Dit is de derde positionele parameter. INTERRUPT_ENABLED is alleen an toepassing als de eindserer geen interrupts ondersteunt. Als een serer de DRDA-interruptstroom ondersteunt, geeft DB2 Connect de interruptopdracht gewoon door aan de serer. Als de parameter INTERRUPT_ENABLED in de DCS-directory op het DB2 Connect-werkstation is geconfigureerd, en er wordt een interrupt opgegeen door de clienttoepassing terwijl er nog een erbinding is met de host- of iseries-databaseserer, wordt de interrupt door DB2 Connect uitgeoerd door de erbinding te erbreken en een ROLLBACK uit te oeren op de werkeenheid. Dit soort interrupt wordt ondersteund op AIX, Windows NT en Windows De toepassing ontangt een SQL-code (-30081) die aangeeft dat de erbinding met de serer is beëindigd. De toepassing moet in dat geal een nieuwe erbinding met de host- of de iseries-databaseserer tot stand brengen, zodat aanullende databaseopdrachten kunnen worden erwerkt. Op andere platforms dan AIX V4.1 en hoger, SNA Serer V3.1 en hoger, Windows NT en Windows 2000 wordt de optie oor het automatisch erbreken an de erbinding niet ondersteund door DB2 Connect als een daaran gebruikmakende toepassing een interruptopdracht ontangt. Opmerking: Voor TCP/IP-erbindingen werkt deze ondersteuning op alle platforms. De client kan de socket uitschakelen, maar afhankelijk an de sererimplementatie kan de ontangstkwaliteit erschillen. DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 maakt gebruik an asynchrone socketopdrachten. Hierdoor kan het erloren gaan an de erbinding worden astgesteld en een ROLLBACK worden uitgeoerd op alle langlopende SQL-instructies in uitoering. 40 Gebruikershandleiding
49 ,,,,,SYSPLEX Deze zesde positionele parameter kan worden gebruikt om de ondersteuning an DB2 Connect oor de parameter SYSPLEX in te schakelen oor een bepaalde database. Er is een nieuwe omgeingsariabele of registerariabele oor het profiel met de naam DB2SYSPLEX_SERVER. Deze ariabele kan worden gebruikt om de ondersteuning oor SYSPLEX op werkstationnieau uit te schakelen.,,,,,,localdate= <alue> Deze zeende positionele parameter wordt gebruikt oor het inschakelen an ondersteuning oor de datumnotatie an DB2 Connect. Dit wordt als olgt uitgeoerd met een datumselectie oor de <waarde>: Stel dat u de olgende CLP-instructies (Opdrachtregelinterface) opgeeft: catalog appc node nynode remote nycpic security program catalog dcs database nydb1 as new_york catalog database nydb1 as newyork1 at node nynode authentication serer De databasealias newyork1 moet worden gebruikt om toegang te krijgen tot een hostdatabase zonder datumomzetting, omdat geen datumselectie is opgegeen. Met de nieuwe ondersteuning oor datumnotatie kunt u nu echter de olgende CLP-opdrachten gebruiken. Let er daarbij wel op dat de waarde LOCALDATE tussen twee paar dubbele aanhalingstekens moet worden gezet, omdat de Opdrachtregelinterface wordt gebruikt en de parameterreeks zelf wordt opgegeen met dubbele aanhalingstekens. Het teken \ (schuine streep naar links) wordt gebruikt om te oorkomen dat de dubbele aanhalingstekens uit de specificatie LOCALDATE worden erwijderd. catalog dcs database nydb2 as new_york parms \",,,,,,LOCALDATE=\"\"JJJJMMDD\"\"\" catalog database nydb2 as newyork2 at node nynode authentication serer De databasealias newyork2 geeft toegang tot dezelfde database, maar heeft boendien een datumselectie. Dit oorbeeld illustreert dat het selectiemasker oor datumnotatie wordt opgegeen met het sleutelwoord LOCALDATE. Dit is de zeende positionele parameter in het eld PARMS an een DCS-directorygegeen. De datumselectie is alleen geldig als aan ALLE olgende oorwaarden is oldaan: 1. Er mag maximaal één reeks J s, M s en D s zijn, waarbij J staat oor het jaar, M oor de maand en D oor de dag. 2. Het maximumaantal J s in een reeks is Het maximumaantal M s in een reeks is Het maximumaantal D s in een reeks is 2. Hoofdstuk 4. Databasedirectory s bijwerken 41
50 De olgende reeksen zijn bijoorbeeld geldige datumselecties: "JJjjMmDd" - De cijfers oor J, M en D zijn niet hoofdlettergeoelig. "MM+DD+JJJJ" - De selecties mogen langer zijn dan 10 tekens en andere tekens beatten dan J, M en D. "abcjj+mm" - Er hoeen geen D s oor te komen in de selectie. De olgende reeksen zijn ongeldige datumselecties: "JJJJjMMDD" "JJJJMDDM" - Deze reeks is ongeldig omdat de reeks 5 J s beat. - Deze reeks is ongeldig omdat de reeks twee reeksen met een M beat. Verwante concepten: Als de datumnotatie ongeldig is, wordt er geen foutbericht afgebeeld. De selectie wordt dan genegeerd. Zelfs een geldige datumselectie wordt niet altijd gebruikt. De omzetting an een datumnotatie die is gebaseerd op een geldige datumselectie, wordt alleen uitgeoerd als aan ALLE onderstaande oorwaarden is oldaan: 1. Er is geen SQL-fout. 2. De uitoer is een datumwaarde in ISO-notatie (ISO en JIS). 3. Het eld an de uitoergegeens is ten minste 10 bytes lang. Dit is de minimumlengte an een uitoergegeenseld oor het opslaan an een datumwaarde. Dit geldt zelfs als er GEEN omzetting an de datumnotatie plaatsindt. Deze oorwaarde geldt ook als de datumselectie kleiner is dan 10 bytes. 4. Er is een geldige datumselectie opgegeen in de DCS-directory en deze selectie past in het eld oor de uitoergegeens.,,,,,,,,bidi=<ccsid> Deze negende positionele parameter wordt gebruikt om een bidirectionele (BiDi) CCSID op te geen die wordt gebruikt om de standaardwaarde oor BiDi CCSID an de sererdatabase te erangen. Bijoorbeeld: ",,,,,,,,BIDI=xyz" waarbij xyz staat oor de erangende CCSID-waarde. Databasedirectory s bijwerken op pagina 35 Verwante informatie: Werkblad oor aanpassing an directory s op pagina Gebruikershandleiding
51 Werkblad oor aanpassing an directory s Het werkblad oor aanpassing an directory s geeft aan welke gegeens u moet erzamelen. Misschien indt u het handig om een kopie te maken an het werkblad en hierop de waarden oor uw systeem in te ullen. Parameters oor knooppuntdirectory: Tabel 1. Parameters oor de knooppuntdirectory Parameter Voorbeeld Uw waarde Knooppuntnaam Symbolische bestemmingsnaam (APPC-knooppunt) Naam an host op afstand (TCP/IP-knooppunt) Serer (TCP/IP-functienaam of -poortnummer) Beeiligingstype DB2NODE DB2CPIC ZOSHOST db2inst1c (of 446) PROGRAM oor APPC-knooppunten; NONE oor TCP/IP-knooppunten. Opmerkingen: 1. De standaardwaarde an het TCP/IP-poortnummer oor DRDA is Geef alleen SECURITY op oor een TCP/IP-knooppunt als u weet dat de host- of iseries-databaseserer SECURITY SOCKS ondersteunt. Parameters oor DCS-directory: Tabel 2. Parameters oor de DCS-directory Parameter Voorbeeld Uw waarde Databasenaam Naam an de doeldatabase Toepassingenrequester Parameterreeks DB2DB NEW_YORK3,,,,,,LOCALDATE=\ \ JJMMDD\ \ \ Parameters oor directory an systeemdatabase: Tabel 3. Parameters oor de directory an de systeemdatabase Parameter Voorbeeld Uw waarde Databasenaam Databasealias Knooppuntnaam Verificatie DB2DB NYC3 DB2NODE SERVER Verwante concepten: Databasedirectory s bijwerken op pagina 35 Waarden oor systeemdatabasedirectory op pagina 35 Waarden oor knooppuntdirectory op pagina 36 Waarden oor DCS-directory op pagina 38 Hoofdstuk 4. Databasedirectory s bijwerken 43
52 Meerdere gegeens definiëren oor dezelfde database U moet oor elke database minstens één gegeen opgeen in elk an de drie directory s (knooppuntdirectory, DCS-directory en systeemdatabasedirectory). Het is mogelijk dat u in bepaalde geallen meer dan een item oor de database wilt definiëren. Zo wilt u misschien de SQLCODE-toewijzing uitschakelen oor toepassingen die zijn oergedragen an de host- of iseries -databaseserer, maar de standaardtoewijzing accepteren oor toepassingen die oor de client/serer-omgeing zijn ontwikkeld. Dit kan als olgt: Definieer een item in de knooppuntdirectory. Definieer twee items in de DCS-directory met erschillende databasenamen. Geef oor één item NOMAP op in de parameterreeks. Definieer twee items in de systeemdatabasedirectory met erschillende databasealiassen en de twee databasenamen die u in de DCS-directory hebt opgegeen. Beide aliassen worden gebruikt oor toegang tot dezelfde database: één met SQL-toewijzing en één zonder. Verwante concepten: Databasedirectory s bijwerken op pagina 35 Verwante informatie: BiDi-gegeens erwerken Werkblad oor aanpassing an directory s op pagina 43 De olgende informatie heeft alleen betrekking op OS/390- en z/os-serers. Deze functie mag niet worden geactieerd oor een DB2 oor iseries-serer wanneer BiDi-ondersteuning al olledig aanwezig is. 44 Gebruikershandleiding De olgende kenmerken an BiDi zijn ereist oor de juiste erwerking an BiDi-gegeens op erschillende platforms: Vorm an de cijfers (ARABIC ersus HINDI) Oriëntatie (RIGHT-TO-LEFT ersus LEFT-TO-RIGHT) Vormgeing (SHAPED ersus UNSHAPED) Tekenspiegeling (YES of NO) Teksttype (LOGICAL ersus VISUAL) Omdat de standaardwaarden op erschillende platforms an elkaar erschillen, kunnen zich problemen oordoen bij het erzenden an DB2 -gegeens an het ene naar het andere platform. Windows -platforms maken bijoorbeeld gebruik an LOGICAL UNSHAPED-gegeens terwijl de indeling an gegeens op OS/390 en z/os meestal SHAPED VISUAL is. Daarom worden gegeens onjuist afgebeeld als deze zonder ondersteuning oor BiDi-kenmerken worden erzonden an DB2 oor OS/390 en z/os naar DB2 Connect op Windows. Wanneer er gegeens worden uitgewisseld tussen DB2 Connect en een database op een serer, wordt de conersie an de ontangen gegeens doorgaans uitgeoerd door de ontanger. Hetzelfde zou normaliter an toepassing zijn op de BiDi-indelingsconersie die naast de gebruikelijke conersie an de codetabel
53 wordt uitgeoerd. Er bestaat op dit moment echter geen DB2-product oor de host dat BiDi-specifieke CCSID s of BiDi-indelingsconersie ondersteunt. Daarom is in DB2 Connect een optionele mogelijkheid opgenomen om BiDi-indelingsconersie uit te oeren op gegeens die op het punt staan te worden erzonden naar de sererdatabase, naast de conersie an gegeens die an de sererdatabase worden ontangen. De BiDi CCSID-waarde an de sererdatabase moet worden erangen om DB2 Connect in staat te stellen een BiDi-indelingsconersie uit te oeren op uitgaande gegeens naar de sererdatabase. Hieroor wordt de parameter BIDI gebruikt in het eld PARMS an de sectie oor de sererdatabase an de DCSdatabasedirectory. Het gebruik an dit kenmerk kan het beste worden geïllustreerd aan de hand an een oorbeeld. Stel dat u een Hebreeuwse DB2-client hebt die CCSID uitoert (BiDi-reekstype 5) en dat u toegang wilt erkrijgen tot een DB2-hostdatabase waarop CCSID 424 wordt uitgeoerd (BiDi-reekstype 4). U weet echter dat in plaats daaran de gegeens in de DB2-database zijn gebaseerd op CCSID (BiDi-reekstype 10). Er doen zich in deze situatie twee problemen oor. In de eerste plaats kent de DB2-hostdatabase het erschil niet tussen de BiDi-reekstypen met CCSID s 424 en Het tweede probleem is dat de DB2-hostdatabase het DB2-client CCSID (62213) niet herkent. Deze ondersteunt alleen CCSID (BiDi-reekstype 10), dat is gebaseerd op dezelfde codetabel als CCSID Zorg dat de gegeens die naar de DB2-hostdatabase worden gezonden BiDi-reekstype 6 als indeling hebben en dat DB2 Connect weet dat er een BiDi-indelingsconersie moet worden uitgeoerd op gegeens die worden ontangen an de DB2-hostdatabase. Gebruik de olgende catalogisering oor de DB2-hostdatabase: catalog dcs database nydb1 as TELAVIV parms ",,,,,,,,BIDI=62245" Hierdoor wordt aan DB2 Connect duidelijk gemaakt dat het CCSID an de DB2-hostdatabase moet worden gewijzigd an 424 in Deze eranging omat de olgende erwerking: 1. DB2 Connect brengt een erbinding tot stand met de DB2-hostdatabase met CCSID CCSID (BiDi-reekstype 10). 2. DB2 Connect oert een BiDi-indelingsconersie uit op de gegeens die op het punt staan naar de DB2-hostdatabase te worden gezonden an CCSID (BiDi-reekstype 5) naar CCSID (BiDi-reekstype 10). 3. DB2 Connect oert een BiDi-indelingsconersie uit op gegeens die worden ontangen an de DB2-hostdatabase an CCSID (BiDi-reekstype 10) naar CCSID (BiDi-reekstype 5). Opmerkingen: 1. De omgeingsariabele of registerwaarde DB2BIDI moet worden ingesteld op YES om de parameter BIDI te actieren. 2. Als u DB2 een indelingsconersie wilt laten uitoeren op gegeens die worden erzonden naar de DB2-hostdatabase, moet u, ook als u de CCSID-waarde niet hoeft te erangen, toch de parameter BiDi toeoegen in het eld PARMS an de DB2-databasedirectory. In dat geal is de CCSID-waarde die u moet erstrekken het standaard-ccsid an de DB2-hostdatabase. Hoofdstuk 4. Databasedirectory s bijwerken 45
54 3. In sommige geallen is het gebruik an een bidirectioneel CCSID er de oorzaak an dat de SQL-query zelf zodanig wordt gewijzigd dat deze onherkenbaar is oor de DB2-serer. Probeer ooral het gebruik an IMPLICIT CONTEXTUAL en IMPLICIT RIGHT-TO-LEFT CCSID s te ermijden wanneer het mogelijk is een ander reekstype te gebruiken. CONTEXTUAL CCSID s kunnen onbetrouwbare resultaten geen wanneer de SQL-query reeksen met aanhalingstekens beat. Vermijd het gebruik an reeksen tussen aanhalingstekens in SQL-instructies en gebruik in plaats daaran zo mogelijk hostariabelen. Als een bepaald bidirectioneel CCSID oor problemen zorgt die niet kunnen worden opgelost door het opolgen an deze adiezen, moet u de omgeingsariabele of de registerwaarde DB2BIDI instellen op NO. Parameterreeksen opgeen: Hier olgen enkele oorbeelden an DCS-parameters (elke regel een set parameters): NOMAP /u/username/sqllib/map/dcs1new.map,d,d,,interrupt_enabled NOMAP,D,INTERRUPT_ENABLED,,,SYSPLEX,LOCALDATE="YYMMDD",, U kunt ook de standaardwaarden accepteren door geen parameterreeks op te geen. Opmerking: U moet het escapeteken an het besturingssysteem \ (schuine streep terug) gebruiken wanneer u op een UNIX-systeem CLP uitoert anaf de opdrachtregel an het besturingssysteem, want u moet twee sets an dubbele aanhalingstekens opgeen wanneer u het LOCALDATE-masker opgeeft in de parameterreeks. Bijoorbeeld: db2 catalog dcs db x as y parms \",,,,,,LOCALDATE=\"\"JJMMDD\"\"\" Hierdoor ontstaat het olgende directorygegeen oor DCS: DCS-gegeen 1: Lokale databasenaam = X Naam doeldatabase = Y Naam toepassingenrequester = DCS-parameters =,,,,,,LOCALDATE="JJMMDD" Commentaar = Releasenieau DCS-directory = 0x0100 Verwante concepten: Bidirectional support with DB2 Connect in de publicatie Administration Guide: Planning Verwante taken: Enabling bidirectional support in de publicatie Administration Guide: Planning Verwante informatie: Bidirectional-specific CCSIDs in de publicatie Administration Guide: Planning 46 Gebruikershandleiding
55 Hoofdstuk 5. Beeiliging DB2 Connect - Oerwegingen bij geldigheidscontrole Als DB2 Connect-beheerder kunt u in samenwerking met de beheerder an de host- of iseries -database bepalen waar de geldigheid an gebruikersnamen en wachtwoorden gecontroleerd wordt. Op de client Op de host of iseries-serer Eenmalige aanmelding en geldigheidscontrole ia een extern systeem (Kerberos). U stelt ast waar de geldigheidscontrole plaatsindt door de parameter oor het erificatietype in te stellen in de directory an de systeemdatabase en de parameter oor het beeiligingstype in de knooppuntdirectory oor APPC- of APPN -knooppunten. Opmerkingen: 1. DB2 Connect oert zelf geen geldigheidscontrole oor gebruikers uit. DB2 Connect geeft alle erificatiegegeens an de client door aan de serer. De olgende erificatietypen zijn toegestaan met DB2 Connect: CLIENT De gebruikersnaam en het wachtwoord worden op geldigheid gecontroleerd op de client. SERVER De gebruikersnaam en het wachtwoord worden op geldigheid gecontroleerd op de host- of iseries-databaseserer. SERVER_ENCRYPT Voor wat betreft de SERVER-erificatie, wordt de geldigheid an de gebruikersnaam en het wachtwoord gecontroleerd op de host- of iseries-databaseserer. De oergebrachte wachtwoorden worden echter ersleuteld op de client. DATA_ENCRYPT Hiermee kunnen gebruikersgegeens tijdens de client/serer-communicatie worden ersleuteld. KERBEROS Hiermee kan de client bij de serer worden aangemeld met Kerberos-erificatie in plaats an de traditionele combinatie an ID en wachtwoord. U kunt dit type erificatie alleen gebruiken als de serer en client beide Kerberos ondersteunen. Kerberos-erificatie is in zoerre uniek dat de client hierbij niet rechtstreeks een gebruikers-id en wachtwoord doorgeeft aan de serer. In plaats daaran fungeert Kerberos als extern erificatiemechanisme. De gebruiker oert op het clientwerkstation eenmaal een ID en wachtwoord in, waarna de geldigheid an deze aanmelding wordt gecontroleerd door Kerberos. Verolgens wordt de machtiging an de gebruiker automatisch en eilig door Kerberos doorgegeen aan de opgegeen lokale serices en netwerkserices. De gebruiker hoeft dus niet steeds opnieuw het ID en wachtwoord op te geen om zich aan te melden bij een Copyright IBM Corp
56 DB2-serer op afstand. Deze oorziening oor enkeloudige aanmelding an Kerberos-erificatie kan alleen worden gebruikt als DB2 Connect en de databaseserer waarmee een erbinding tot stand wordt gebracht beide Kerberos ondersteunen. Opmerking: Als er op de client op afstand geen erificatietype is opgegeen, gebruikt de client als standaardwaarde SERVER_ENCRYPT. Als dit type niet wordt geaccepteerd door de serer, probeert de client het opnieuw met een door de serer teruggezonden waarde die wel geldig is. Als u een optimale performance wilt beorderen, geef dan altijd het erificatietype op de client op om deze extra netwerkstroom te ermijden. Verwante concepten: Beeiligingstypen die worden ondersteund met DB2 Connect op pagina 51 Verwante informatie: Kerberos-ondersteuning Extra aanwijzingen en tips oor OS/390- en z/os-beeiliging op pagina 49 DB2 Connect - Oerwegingen bij de beeiliging an DB2 oor OS/390 en z/os op pagina 49 De Kerberos-erificatielaag waar het ticketingsysteem erwerkt wordt, is geïntegreerd in de Actie Directory an Windows De client- en serergedeelten an een toepassing communiceren respectieelijk met de SSP-client- (Security Support Proider) en -serermodules an Kerberos. De SSPI (Security Support Proider Interface) biedt een interface op hoog nieau met de Kerberos-SSP en andere beeiligingsprotocollen. Ondersteuning oor communicatieprotocollen: In geal an een SNA-erbinding moet u SECURITY=NONE gebruiken wanneer u het APPC-knooppunt in de catalogus opneemt. Gebruikelijke instelling: Als u DB2 wilt configureren met Kerberos-erificatie moet u het olgende instellen: Een machtigingsbeleid oor DB2 (als serice) in de actiee directory die gemeenschappelijk wordt gebruikt in een netwerk, en Een ertrouwensrelatie tussen KDC s (Kerberos Key Distribution Centers). In het eenoudigste scenario moet ten minste één KDC-ertrouwensrelatie worden geconfigureerd, namelijk die tussen de KDC die het clientwerkstation bestuurt en het iseries-, OS/390- of z/os-systeem. OS/390 Versie 2 Release 10 of z/os Versie 1 Release 2 biedt erwerking an Kerberos-tickets door de RACF -oorziening, waardoor de host kan fungeren als UNIX-KDC. DB2 Connect biedt zoals gewoonlijk de routerfunctionaliteit in het drielagige model. Het programma speelt geen rol in de controle an gebruikers of hun gegeens wanneer gebruik wordt gemaakt an Kerberos-beeiliging. In plaats daaran geeft het alleen het beeiligingstoken an de client door aan DB2 oor OS/390 en z/os. De DB2 Connect-gateway hoeft geen lid te zijn an het Kerberos-realm an de client of de host. 48 Gebruikershandleiding
57 Downleel compatibiliteit: DB2-minimumeisen oor Kerberos-ondersteuning: DB2 UDB Client: Versie 7.1 (besturingssysteem: Windows 2000) DB2 Connect: Versie Fix Pack 1 (besturingssysteem: elk willekeurig systeem) DB2 UDB oor OS/390 en z/os: Versie 7.1 Verder geldt oor DB2 oor OS/390 dat het moet worden uitgeoerd op OS/390 Versie 2 Release 10 of een latere ersie. Er gelden extra ereisten oor systemen met eerdere ersies an DB2 oor OS/390, indien er een erbinding tot stand wordt gebracht anaf DB2 Connect. Hoewel deze DB2 oor OS/390-systemen geen ondersteuning bieden oor Kerberos, reageren zij niet goed op niet-ondersteunde DRDA SECMEC s (beeiligingsmechanismes). U kunt dit probleem oplossen door een an de olgende PTF s aan te brengen: UQ41941 (oor DB2 oor OS/390 Versie 5.1) UQ41942 (oor DB2 oor OS/390 Versie 6.1) Verwante concepten: Beeiligingstypen die worden ondersteund met DB2 Connect op pagina 51 Verwante informatie: DB2 Connect - Oerwegingen bij de beeiliging an DB2 oor OS/390 en z/os op pagina 49 DB2 Connect - Oerwegingen bij de beeiliging an DB2 oor OS/390 en z/os In dit onderwerp worden de beeiligingsoerwegingen an DB2 Connect beschreen, inclusief de erificatietypen en beeiligingsinstellingen. Het beat extra aanwijzingen en tips oer beeiliging oor gebruikers an DB2 oor OS/390 en z/os. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij geldigheidscontrole op pagina 47 Beeiligingstypen die worden ondersteund met DB2 Connect op pagina 51 Verwante informatie: Extra aanwijzingen en tips oor OS/390- en z/os-beeiliging op pagina 49 Extra aanwijzingen en tips oor OS/390- en z/os-beeiliging Deze onderwerpen beatten extra aanwijzingen en tips oer beeiliging oor gebruikers an DB2 Connect die een erbinding tot stand brengen met een DB2 oor OS/390 en z/os-databaseserer. Veld Extended Security: Hoofdstuk 5. Beeiliging 49
58 Zorg dat het eld DB2 OS/390 and z/os Extended Security is ingesteld op YES. U indt dit eld in het scherm DSNTIPR an DB2 oor OS/390 en z/os. Uitgebreide beeiligingscodes: Voordat DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 Versie 5.1 werd uitgebracht, konden erbindingsopdrachten waaroor gebruikers-id s of wachtwoorden ereist waren, mislukken met oorzaakcode 0 SQL30082, zonder dat er erdere aanwijzingen oer het probleem werden gegeen. In DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 Versie 5.1 waren erbeteringen opgenomen die ondersteuning bieden oor uitgebreide beeiligingscodes. Door de beeiligingsuitbreiding te gebruiken, krijgt u naast de oorzaakcode aanullende diagnostische informatie, zoals (Wachtwoord is erallen). Als u deze mogelijkheid wilt gebruiken, moet u de systeemparameter DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 oor uitgebreide beeiliging ZPARM instellen op YES. Gebruik het installatiescherm DSN6SYSP an DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 om EXTSEC=YES in te stellen. U kunt ook gebruikmaken an DDF scherm 1 (DSNTIPR) om deze instelling op te geen. De standaardwaarde is EXTSEC=NO. Wanneer een wachtwoord erallen is, krijgen Windows-, UNIX- en webtoepassingen die DB2 Connect gebruiken, het foutbericht SQL TCP/IP-beeiliging al gecontroleerd: Voor ondersteuning an de beeiligingsoptie AUTHENTICATION=CLIENT an DB2 Uniersal Database gebruikt u het installatiescherm DSNTIP4 (DDF scherm 2) an DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 om de TCP/IP-optie oor reeds gecontroleerde beeiliging in te stellen op YES. Beeiliging an ODBC- en Jaa-toepassingen op de werkplek: ODBC- en Jaa-toepassingen op werkstations maken gebruik an dynamische SQL-instructies. Het is mogelijk dat hierdoor in bepaalde situaties beeiligingsproblemen ontstaan. DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 introduceert een nieuwe bindoptie DYNAMICRULES(BIND) waarmee dynamische SQL-instructies kunnen worden uitgeoerd onder de machtiging an de eigenaar of degene die de bind uitoert. DB2 Uniersal Database en DB2 Connect bieden een nieuwe CLI/ODBCconfiguratieparameter CURRENTPACKAGESET in het configuratiebestand DB2CLI.INI. Deze moet worden ingesteld op een schemanaam met de juiste machtigingen. De SQL-instructie SET CURRENT PACKAGESET schema wordt automatisch opgegeen na elke erbinding oor de toepassing. Werk het bestand DB2CLI.INI bij met behulp an ODBC Manager. Ondersteuning oor wijziging an wachtwoord: Als een SQL CONNECT-instructie een bericht terugzendt dat het wachtwoord an het gebruikers-id is erallen, is het nu mogelijk om met DB2 Connect het wachtwoord te wijzigen zonder dat aanmelding bij TSO nodig is. DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 kan het wachtwoord oor u wijzigen ia DRDA. 50 Gebruikershandleiding
59 Het oude wachtwoord moet samen met het nieuwe wachtwoord en het controlewachtwoord door de gebruiker worden opgegeen. Er wordt een opdracht naar de DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390-databaseserer gezonden om het wachtwoord te wijzigen. Een bijkomend oordeel is dat er geen afzonderlijke LU-definitie ereist is. Verwante informatie: BIND Command in de publicatie Command Reference DB2 Connect - Oerwegingen bij de beeiliging an DB2 oor OS/390 en z/os op pagina 49 Beeiligingstypen die worden ondersteund met DB2 Connect In dit onderwerp worden de dierse combinaties an erificatie- en beeiligingsinstellingen ermeld die worden ondersteund door DB2 Connect ia APPC- en TCP/IP-erbindingen. Het olgende is an toepassing op beide erbindingstypen. Beeiligingstypen oor APPC-erbindingen De olgende beeiligingstypen zijn toegestaan bij APPC-erbindingen om aan te geen welke beeiligingsgegeens worden oergebracht naar de communicatielaag: SAME Alleen de gebruikersnaam wordt doorgegeen aan de host- of iseries -databaseserer. PROGRAM De gebruikersnaam en het wachtwoord worden doorgegeen aan de host- of iseries-databaseserer. Als in DB2 Connect het beeiligingstype PROGRAM is ingesteld, moet het erificatietype an de systeemdatabasedirectory op het clientsysteem expliciet op SERVER zijn ingesteld. NONE Er wordt geen beeiligingsinformatie oergebracht. Tabel 4 toont de mogelijke combinaties an deze waarden en de erificatietypen die zijn opgegeen op de DB2 Connect-serer, en waar de geldigheidscontrole oor elke combinatie wordt uitgeoerd. Alleen de in deze tabel weergegeen combinaties worden ondersteund door DB2 Connect ia APPC-erbindingen.De erificatie-instelling is gedefinieerd in de databasedirectory op de DB2 Connect-serer. Tabel 4. Geldige beeiligingsscenario s oor APPC-erbindingen Scenario Verificatie-instelling Beeiliging Geldigheidscontrole 1 CLIENT SAME Client 2 SERVER PROGRAM Host- of iseriesdatabaseserer 3 SERVER_ENCRYPT NONE Host- of iseriesdatabaseserer 4 KERBEROS NONE Kerberos-beeiliging Hoofdstuk 5. Beeiliging 51
60 Tabel 4. Geldige beeiligingsscenario s oor APPC-erbindingen (erolg) Scenario Verificatie-instelling Beeiliging Geldigheidscontrole 5 DATA_ENCRYPT NONE Host- of iseriesdatabaseserer Opmerkingen: 1. Voor AIX -systemen geldt dat alle aan te melden gebruikers die het APPC-beeiligingstype SAME gebruiken, moeten behoren tot de AIX-groep system. 2. Op AIX-systemen met clients op afstand moet het subsysteem an DB2 Connect dat op de DB2 Connect-serer wordt uitgeoerd, behoren tot de AIX-groep system. 3. De toegang tot een host- of iseries-databaseserer wordt bewaakt door eigen beeiligingsmechanismen of -subsystemen. Voorbeelden hieran zijn VTAM (Virtual Telecommunications Access Method) en RACF (Resource Access Control Facility). De toegang tot beeiligde databaseobjecten wordt bewaakt door middel an de SQL-instructies GRANT en REVOKE. Beeiligingstypen oor TCP/IP-erbindingen Het TCP/IP-communicatieprotocol ondersteunt geen beeiligingsopties in de netwerkprotocollaag. Hierdoor wordt de erificatielocatie alleen bepaald door het erificatietype. Alleen de in deze tabel weergegeen combinaties worden ondersteund door DB2 Connect ia TCP/IP-erbindingen. De erificatie-instelling is gedefinieerd in de databasedirectory op de DB2 Connect-serer. Tabel 5. Geldige beeiligingsscenario s oor TCP/IP-erbindingen Scenario Verificatie-instelling Geldigheidscontrole 1 CLIENT Client 2 SERVER Host- of iseries-databaseserer 3 SERVER_ENCRYPT Host- of iseries-databaseserer 4 KERBEROS Kerberos-beeiliging 5 DATA_ENCRYPT Host- of iseries-databaseserer Bespreking an beeiligingstypen De olgende bespreking geldt oor zowel APPC- als TCP/IP-erbindingen, zoals hierboen beschreen en zoals ermeld in Tabel 4 op pagina 51 en Tabel 5. Elk scenario wordt meer gedetailleerd beschreen, en wel als olgt: In scenario 1 worden de gebruikersnaam en het wachtwoord alleen op de client op afstand op geldigheid gecontroleerd. Voor een lokale client geldt dat de gebruikersnaam en het wachtwoord alleen op de DB2 Connect-serer op geldigheid worden gecontroleerd. De erificatie an de gebruiker wordt geacht te worden uitgeoerd op de locatie waar hij of zij zich aanmeldt. Het gebruikers-id wordt wel ia het netwerk erzonden, maar het wachtwoord niet. Gebruik dit beeiligingstype uitsluitend als alle clientwerkstations oer afdoende betrouwbare beeiligingsoorzieningen beschikken. 52 Gebruikershandleiding
61 In scenario 2 wordt de geldigheid an de gebruikersnaam en het wachtwoord alleen op de host- of de iseries-databaseserer gecontroleerd. Het gebruikers-id en wachtwoord worden ia het netwerk anaf de client op afstand naar de DB2 Connect-serer gezonden en anaf de DB2 Connect-serer naar de host- of de iseries-databaseserer. In scenario 3 gebeurt hetzelfde als in scenario 2, behale dat het gebruikers-id en het wachtwoord worden ersleuteld. In scenario 4 ontangt de client een ersleuteld Kerberos-ticket an de Kerberos KDC. Het ticket wordt ongewijzigd ia DB2 Connect doorgegeen aan de serer, waar het op geldigheid gecontroleerd wordt door de serer. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij geldigheidscontrole op pagina 47 Verwante informatie: Extra aanwijzingen en tips oor OS/390- en z/os-beeiliging op pagina 49 DB2 Connect - Oerwegingen bij de beeiliging an DB2 oor OS/390 en z/os op pagina 49 Hoofdstuk 5. Beeiliging 53
62 54 Gebruikershandleiding
63 Hoofdstuk 6. Bind uitoeren op toepassingen en hulpprogramma s Bind uitoeren op toepassingen en hulpprogramma s (DB2 Connect) Toepassingsprogramma s die zijn ontwikkeld met ingesloten SQL-instructies, moeten worden erbonden met alle databases waarmee wordt gewerkt. Op platforms waar deze functies beschikbaar zijn, kunt u de erbindingen maken met het Opdrachtcentrum en met de Configuration Assistant. Voor elke database moet per toepassing één keer een bind worden uitgeoerd. Tijdens het uitoeren an de bindopdracht, worden de methoden oor toegang tot de databases opgeslagen oor elke SQL-instructie die wordt uitgeoerd. Deze toegangsmethoden worden geleerd door toepassingsontwikkelaars en worden opgeslagen in bindbestanden. De bindbestanden worden gemaakt tijdens de precompilatie. Binding is het erwerken an bindbestanden door een host- of iseries -databaseserer. Raadpleeg oor meer informatie oer het uitoeren an binds de Application Deelopment Guide. Een aantal bij DB2 Connect geleerde hulpprogramma s wordt ontwikkeld met ingesloten SQL-instructies. Daarom moet er een bind worden uitgeoerd met een host- of iseries-databaseserer oordat ze met het systeem kunnen worden gebruikt. Als u geen gebruik maakt an de lijsten met DB2 Connecthulpprogramma s en interfaces, hoeft u hieroor ook geen bind uit te oeren met alle host- of iseries-databaseserers. De lijsten met bindbestanden die zijn ereist oor deze hulpprogramma s zijn opgenomen in de olgende bestanden: ddcsms.lst oor OS/390 of z/os ddcsse.lst oor VSE ddcsm.lst oor VM ddcs400.lst oor OS/400 Als u een bind uitoert tussen een an deze bestandenlijsten en een database, worden alle afzonderlijke hulpprogramma s erbonden met deze database. Als DB2 Connect Enterprise Edition is geïnstalleerd, moet er een bind worden uitgeoerd tussen de DB2 Connect-hulpprogramma s en alle host- of iseries-databaseserers. Voor elk type clientplatform moet één keer een bind worden uitgeoerd oordat deze platforms kunnen worden gebruikt met het systeem. Als u bijoorbeeld tien Windows -clients en tien AIX -clients hebt die zijn erbonden met DB2 UDB oor OS/390 en z/os ia een DB2 Connect Enterprise Edition oor Window NT-serer, oert u de olgende handelingen uit: 1. Voer een bind uit met ddcsms.lst anaf een an de Windows-clients. 2. Voer een bind uit met ddcsms.lst anaf een an de AIX-clients. 3. Voer een bind uit met ddcsms.lst anaf de DB2 Connect-serer. Opmerking: Hierbij wordt er anuit gegaan dat alle clients an hetzelfde sericenieau zijn. Als dit niet zo is, moet u wellicht ook een bind uitoeren anaf elke client an een bepaald sericenieau. Copyright IBM Corp
64 Naast de DB2 Connect-hulpprogramma s, moet ook op alle oerige toepassingen met ingesloten SQL-instructies een bind worden uitgeoerd met alle databases waarmee deze moeten werken. Een toepassing waaroor geen bind is uitgeoerd, geeft in het algemeen foutbericht SQL0805N op het moment dat deze wordt uitgeoerd. U wilt wellicht een extra bestand met bindgegeens maken oor alle toepassingen waaroor een bind moet worden uitgeoerd. Voor alle host- of iseries-databaseserers waarop u een bind uitoert, doet u het olgende: 1. Zorg eroor dat u de juiste machtigingen hebt oor het beheersysteem an de host- of iseries-databaseserer: OS/390 of z/os De ereiste machtigingen zijn: SYSADM of SYSCTRL of BINDADD en CREATE IN COLLECTION NULLID Opmerking: De machtigingen BINDADD en CREATE IN COLLECTION NULLID bieden alleen oldoende machtiging als de pakketten nog niet bestaan. Bijoorbeeld, als u een pakket oor de eerste keer maakt. Als de pakketten al bestaan en u oert opnieuw een bind uit, is de machtiging die nodig is oor het oltooien an de taak/taken afhankelijk an degene die de bind in eerste instantie heeft uitgeoerd. A: Als u de oorspronkelijke bind hebt uitgeoerd en u doet dit opnieuw, kunt u de bind oltooien met een an de boenstaande machtigingen. B: Als de oorspronkelijke bind is uitgeoerd door iemand anders en u oert de tweede bind uit, hebt u de machtiging SYSADM of SYSCTRL nodig om de bind te oltooien. Met alleen de machtigingen BINDADD en CREATE IN COLLECTION NULLID kunt u de bind niet oltooien. Het is wel mogelijk om een pakket te maken zonder de machtiging SYSADM of SYSCTRL. In dit geal hebt u de machtiging BIND nodig oor alle bestaande pakketten die u wilt erangen. VSE of VM De ereiste machtiging is DBA. Als u de optie GRANT wilt gebruiken oor de bindopdracht (om te oorkomen dat afzonderlijk toegang wordt erschaft tot elk DB2 Connect-pakket), moet het gebruikers-id NULLID gemachtigd zijn oor het erlenen an een machtiging aan andere gebruikers in de olgende tabellen: system.syscatalog system.syscolumns system.sysindexes system.systabauth system.syskeycols system.syssynonyms 56 Gebruikershandleiding
65 system.syskeys system.syscolauth Op het VSE- of VM-systeem kunt u het olgende opgeen: grant select on tabel to nullid with grant option OS/400 Machtigingsnieau *CHANGE of hoger oor de collectie NULLID. 2. Geef opdrachten op zoals de olgende: db2 connect to DBALIAS user USERID using PASSWORD db2 bind [email protected] blocking all sqlerror continue messages ddcsms.msg grant public db2 connect reset Hierbij zijn DBALIAS, USERID en PASSWORD an toepassing op de host- of iseries-databaseserer, is ddcsms.lst het bestand met bindgegeens oor MVS en geeft pad de locatie an het bestand met bindgegeens aan. station:\sqllib\bnd\ is bijoorbeeld an toepassing op alle Windows-besturingssystemen en INSTHOME/sqllib/bnd/ op alle UNIX -besturingssystemen, waarbij station het logische station aangeeft waarop DB2 Connect is geïnstalleerd, en INSTHOME de HOME-directory an het DB2 Connect-subsysteem aangeeft. U kunt gebruikmaken an de optie GRANT an de opdracht BIND om de machtiging EXECUTE te erlenen aan PUBLIC of aan een bepaalde gebruikersnaam of een bepaald groeps-id. Als u niet gebruikmaakt an de optie GRANT an de opdracht BIND, moet u de opdracht GRANT EXECUTE (RUN) per pakket toewijzen. Als u de pakketnamen oor de bindbestanden wilt weten, geeft u de olgende opdracht op: Bijoorbeeld: kan de olgende uitoer hebben: Bindbestand Pakketnaam f:\sqllib\bnd\db2ajgrt.bnd SQLAB6D3 Als u deze waarden wilt aststellen oor DB2 Connect, oert u het hulpprogramma ddcspkgn uit, bijoorbeeld: Dit hulpprogramma kan ook worden gebruikt om de pakketnaam an afzonderlijke bindbestanden ast te stellen, bijoorbeeld: ddcspkgn bindbest.bnd Opmerkingen: a. Het gebruik an de bindoptie sqlerror continue is erplicht. Deze optie wordt echter automatisch opgegeen als u een bind uitoert oor toepassingen met de hulpprogramma s an DB2 of de Opdrachtregelinterface (CLP). Als u deze optie opgeeft, worden bindfouten gewijzigd in waarschuwingen, zodat een bind oor een bestand met fouten nog steeds tot een nieuw pakket kan leiden. Hierdoor kunt u een bindbestand gebruiken met meerdere serers, zelfs wanneer een bepaalde sererimplementatie aangeeft dat de SQL-syntaxis ongeldig is. Er kunnen daarom waarschuwingen worden gegeen als u een bind uitoert tussen Hoofdstuk 6. Bind uitoeren op toepassingen en hulpprogramma s 57
66 een an de lijstbestanden (ddcsxxx.lst) en een bepaalde host- of iseries-databaseserer. Als u bijoorbeeld een bind uitoert met DB2 for VM, kunnen er erschillende waarschuwingsberichten worden gegeen omdat in DB2 for VM geen cursors worden toegestaan die zijn gedeclareerd met "WITH HOLD". b. Voor een erbinding met een DB2 Uniersal Database-database ia DB2 Connect gebruikt u de bindlijst db2ubind.lst en geeft u SQLERROR CONTINUE niet op. SQLERROR CONTINUE is alleen geldig als u een erbinding maakt met een host- of iseries-databaseserer. Als u een erbinding wilt maken met een DB2 Uniersal Database-database, kunt u het beste gebruikmaken an de DB2-clients die worden geleerd bij DB2 en niet an de DB2 Connect-clients. 3. Gebruik oor alle toepassingen of toepassingenlijsten dezelfde instructies oor het uitoeren an een bind. 4. Als u clients op afstand hebt an een orige release an DB2, moet u wellicht een bind uitoeren tussen de hulpprogramma s op deze clients en DB2 Connect. Verwante informatie: BIND Command in de publicatie Command Reference REBIND Command in de publicatie Command Reference db2rbind - Rebind all Packages Command in de publicatie Command Reference 58 Gebruikershandleiding
67 Hoofdstuk 7. Updates op meerdere locaties Update op meerdere locaties Update op meerdere locaties, ook wel gedistribueerde werkeenheid (DUOW) en COMMIT in twee fasen genoemd, is een functie waarmee gegeens in meerdere databaseserers op afstand kunnen worden bijgewerkt door toepassingen zonder dat de gegeensintegriteit in geaar komt. Stel dat u een banktransactie wilt uitoeren waarbij geld an de ene rekening wordt oergeboekt naar een andere rekening op een andere databaseserer. Bij deze transactie is het essentieel dat een debetbewerking op de ene rekening alleen kan worden uitgeoerd als er gelijktijdig ook een creditbewerking op de andere rekening wordt uitgeoerd. Er is sprake an een update op meerdere locaties wanneer de gegeens an deze rekeningen worden beheerd door twee erschillende databaseserers. DB2 -programma s bieden uitgebreide ondersteuning oor updates op meerdere locaties. Ondersteuning is beschikbaar oor toepassingen die zijn ontwikkeld met standaard-sql en oor toepassingen die gebruikmaken an TP-monitors (Transaction Processing) met de X/Open XA-interfacespecificatie. Voorbeelden an dergelijke TP-monitors zijn IBM TxSeries (CICS en Encina), IBM Message en Queuing Series, IBM Component Broker Series, IBM San Francisco Project, MTS (Microsoft Transaction Serer), BEA Tuxedo, enzooort. De installatieereisten erschillen afhankelijk an het feit of oor updates op meerdere locaties de ingebouwde SQL-instructies of de TP-monitor wordt gebruikt. Beide programma s oor updates op meerdere locaties (SQL en TP-monitor) moeten worden geprecompileerd met de opties CONNECT 2 SYNCPOINT TWOPHASE. Beide programma s kunnen gebruikmaken an de SQL-instructie CONNECT om aan te geen welke database moet worden gebruikt oor de SQL-instructies die erop olgen. Als er geen TP-monitor is waarmee aan DB2 wordt doorgegeen dat de transactie wordt gecoördineerd (zoals wordt aangegeen door DB2 bij ontangst an de aanraag xa_open an de TP-monitor oor het tot stand brengen an een databaseerbinding), wordt de DB2-software gebruikt om de transactie te coördineren. Als oor de update op meerdere locaties een TP-monitor wordt gebruikt, moet door de toepassing een COMMIT of ROLLBACK worden aangeraagd met behulp an de API an de TP-monitor, bijoorbeeld CICS SYNCPOINT, Encina Abort() of MTS SetAbort(). Als er gebruik wordt gemaakt an de ingebouwde SQL-instructies oor updates op meerdere locaties, kunt u gewoon de standaardopdrachten SQL COMMIT en ROLLBACK gebruiken. Bij een update op meerdere locaties met de TP-monitor kunnen transacties worden gecoördineerd die toegang hebben tot DB2- en niet-db2-programma s oor resourcebeheer, zoals Oracle, Informix of SQLSerer. Updates op meerdere locaties met ingebouwde SQL-instructies zijn alleen mogelijk op DB2-serers. U kunt alleen een update op meerdere locaties uitoeren als alle databases die deelnemen aan een gedistribueerde transactie DUOW (gedistribueerde Copyright IBM Corp
68 werkeenheid) ondersteunen. Op dit moment bieden de olgende DB2-serers DUOW-ondersteuning en kunnen deze serers worden gebruikt bij gedistribueerde transacties: DB2 UDB oor UNIX en Windows Versie 7 of hoger DB2 UDB oor OS/390 Versie 6.1 DB2 UDB oor OS/390 en z/os Versie 7 DB2 oor z/os Versie 8 of hoger DB2 UDB oor iseries ereist OS/400 Versie 5 Release 1 of hoger Bij een gedistribueerde transactie kan elke combinatie an ondersteunde databaseserers worden bijgewerkt. Zo kunt u met een toepassing in één transactie erschillende tabellen bijwerken in DB2 UDB onder Windows NT of Windows 2000, in een DB2 oor OS/390 en z/os-database en in een DB2 UDB oor iseries-database. Verwante concepten: Werkeenheid op afstand op pagina 13 Gedistribueerde opdrachten op pagina 15 Update op meerdere locaties en Syncpointbeheer op pagina 61 Verwante taken: Updates op meerdere locaties uitoeren met het Besturingscentrum op pagina 60 Update op meerdere locaties testen met het Besturingscentrum op pagina 61 Updates op meerdere locaties uitoeren met het Besturingscentrum U kunt updates op meerdere locaties uitoeren ia het Besturingscentrum. Procedure: Ga als olgt te werk als u updates op meerdere locaties wilt aanbrengen: 1. Start het Besturingscentrum. 2. Klik op het teken [+] om de onderliggende nieaus an de boomstructuur weer te geen. 3. Selecteer met de rechtermuisknop het subsysteem dat u wilt configureren. Er wordt een oorgrondmenu geopend. 4. Kies de optie Update op meerdere locaties > Configureren. De wizard Update op meerdere locaties wordt gestart. 5. Selecteer Onderstaande TP-monitor gebruiken en geef een TP-monitor (Transaction Processor) op. In dit eld worden de standaardwaarden afgebeeld oor de TP-monitor die u hebt ingeschakeld. Als u geen TP-monitor wilt gebruiken, selecteert u Geen TP-monitors gebruiken. Klik op Volgende. 6. Als u gebruikmaakt an een TP-monitor, geef dan de instellingen an de sync point manager op. Als u geen TP-monitor gebruikt, geeft u de naam an de Transaction Manager-database op. 7. Kies Voltooien. Verwante concepten: Update op meerdere locaties op pagina Gebruikershandleiding
69 Verwante taken: Update op meerdere locaties testen met het Besturingscentrum op pagina 61 Update op meerdere locaties testen met het Besturingscentrum U kunt de instelling oor updates op meerdere locaties testen met behulp an het Besturingscentrum. Procedure: Ga als olgt te werk als u updates op meerdere locaties wilt testen: 1. Selecteer het subsysteem met de rechtermuisknop en kies Update op meerdere locaties > Testen uit het oorgrondmenu. Het enster Update op meerdere locaties testen wordt geopend. 2. Selecteer de databases die u wilt testen in de keuzelijst Beschikbaar. Met de pijlknoppen (> en >>) in het midden kunt u selecties erplaatsen naar en erwijderen uit de keuzelijst Geselecteerd. U kunt ook het geselecteerde gebruikers-id en wachtwoord wijzigen door deze rechtstreeks in de keuzelijst Geselecteerd te bewerken. 3. Wanneer u de gewenste databases hebt geselecteerd, klikt u op de knop OK. Het enster Testresultaat an update op meerdere locaties wordt geopend. 4. In het enster Testresultaat an update op meerdere locaties wordt aangegeen welke geselecteerde databases de updatetest hebben doorstaan en welke niet. Voor de databases die de test niet hebben doorstaan, worden SQL-codes en foutberichten afgebeeld. Kies Sluiten om het enster te sluiten. 5. Kies Sluiten om het enster Update op meerdere locaties testen te sluiten. Verwante concepten: Update op meerdere locaties op pagina 59 Verwante taken: Updates op meerdere locaties uitoeren met het Besturingscentrum op pagina 60 Update op meerdere locaties en Syncpointbeheer Voor host- en iseries -databaseserers is DB2 Connect ereist om te kunnen deelnemen aan een gedistribueerde transactie die afkomstig is an Windows-, UNIX- en webtoepassingen. Voor eel scenario s oor updates op meerdere locaties waarbij host- en iseries-databaseserers zijn betrokken, moet boendien de component Syncpointbeheer (SPM) worden geconfigureerd. Als er een DB2-subsysteem wordt gemaakt, wordt DB2 SPM automatisch geconfigureerd met standaardinstellingen. Of SPM nodig is, hangt af an het gekozen protocol (TCP/IP) en het gebruik an een TP-monitor. In de olgende tabel indt u een oerzicht an de scenario s waaroor het gebruik an SPM is ereist. Zoals u in de tabel kunt zien, is oor toegang tot hosts of iseries-systemen anaf Intel- of UNIX -computers altijd DB2 Connect nodig. Voor updates op meerdere locaties is de component SPM an DB2 Connect ereist als u een TP-monitor gebruikt. Hoofdstuk 7. Updates op meerdere locaties 61
70 Tabel 6. Scenario s oor updates op meerdere locaties waaroor SPM TCP/IP ereist is Wordt TP-monitor gebruikt? Is Syncpointbeheer ereist? Vereist programma (maak een keuze) Ja Ja DB2 Connect EE DB2 UDB ESE Ondersteunde hosten iseries-database DB2 oor OS/390 V6 DB2 UDB oor OS/390 en z/os V7 Nee Nee DB2 Connect PE DB2 Connect EE DB2 UDB ESE DB2 UDB oor z/os V8 of hoger DB2 oor OS/390 V6 DB2 UDB oor OS/390 en z/os V7 DB2 UDB oor z/os V8 of hoger Opmerking: Bij een gedistribueerde transactie kan elke combinatie an ondersteunde databaseserers worden bijgewerkt. Zo kunt u met een toepassing in één transactie erschillende tabellen bijwerken in DB2 UDB onder Windows, een DB2 oor OS/390-database en een DB2 UDB oor iseries-database. Verwante concepten: Update op meerdere locaties op pagina 59 DB2 Connect configureren met een oor XA geschikte TM op pagina 62 DB2 Connect configureren met een oor XA geschikte TM Dit onderwerp beschrijft welke configuratiestappen u moet uitoeren om S/390-, iseries- en zseries -databaseserers te kunnen gebruiken in de TP-monitor. Vereisten: U beschikt oer een operationele TP-monitor en hebt DB2 Connect geïnstalleerd, en u hebt een erbinding met de host- of iseries -databaseserer geconfigureerd en getest. Procedure: Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de configuratiestappen oor toegang tot een DB2 UDB LAN-databaseserer of een host- of iseries-databaseserer. De olgende instructies zijn algemene configuratiestappen oor TP-monitors die niet worden beschreen in de Administration Guide. Voer de olgende stappen uit om DB2 Connect te configureren oor het gebruik an S/390-, iseries- en zseries-databaseserers in de TP-monitor: 1. Configureer de TP-monitor oor toegang tot de DB2-parameter XA. De DB2-parameter XA beat de adressen oor de XA-API s an DB2 Connect. De precieze configuratie is oor elke TP-monitor anders. 62 Gebruikershandleiding
71 2. Configureer de TP-monitor met de DB2-reeks XA_OPEN. De precieze configuratie is oor elke TP-monitor anders. Raadpleeg de documentatie bij de TP-monitor oor informatie oer het configureren an de TP-monitor oor het gebruik an de DB2-reeks XA_OPEN. 3. Wijzig indien nodig de standaard configuratieparameters an DB2 Connect Syncpointbeheer (SPM). Host- en iseries-databaseserers bieden nog geen ondersteuning oor de XA-interface. SPM is een onderdeel an DB2 Connect waarmee het XA-protocol oor COMMIT in twee fasen wordt omgezet in het protocol oor COMMIT in twee fasen dat door host- en iseries-databaseserers wordt gebruikt. Standaard zijn er al waarden gedefinieerd oor de SPM-configuratieparameters an het DB2-subsysteem. De belangrijkste parameter is de configuratieparameter an de database manager: SPM_NAME. De standaardwaarde is een ariant an de eerste zeen tekens an de TCP/IP-hostnaam. Als u TCP/IP gebruikt om erbinding met DB2 oor OS/390 en z/os te maken, kunt u de standaardinstellingen ongewijzigd gebruiken. In dat geal hoeft u SPM niet te configureren, omdat SPM al operationeel is. Verwante concepten: DB2 Connect en TP-monitors op pagina 29 DB2 Connect-ondersteuning oor los gekoppelde transacties op pagina 63 DB2 Connect-ondersteuning oor los gekoppelde transacties De ondersteuning binnen DB2 Connect oor los gekoppelde transacties is bedoeld oor gebruikers die gedistribueerde XA-toepassingen oor DB2 oor OS/390 Versie 6 of later of DB2 oor z/os Versie 7 of later implementeren. Door deze ondersteuning kunnen erschillende onderdelen an dezelfde globale transactie ergrendelingsruimte delen op DB2 oor OS/390 en z/os. Ondersteuning oor los gekoppelde transacties is alleen bedoeld oor toepassing door COM+. Deze functie ermindert het risico dat een bepaald onderdeel an een gedistribueerde transactie wordt geconfronteerd met een time-out bij ergrendeling of systeemblokkade als geolg an een ander onderdeel binnen dezelfde globale transactie. DB2 oor OS/390 en z/os deelt de ergrendelingsruimte in deze situatie, mits DB2 Connect het XID erzendt oor elke erbinding die an toepassing is op erschillende onderdelen an dezelfde globale transactie. Verwante concepten: X/Open distributed transaction processing model in de publicatie Administration Guide: Planning Verwante taken: Updating host or iseries database serers with an XA-compliant transaction manager in de publicatie Administration Guide: Planning Hoofdstuk 7. Updates op meerdere locaties 63
72 64 Gebruikershandleiding
73 Hoofdstuk 8. SQLCODE-toewijzing SQLCODE-toewijzing De erschillende relationele databaseprogramma s an IBM produceren niet altijd dezelfde SQLCODE s oor ergelijkbare fouten. Zelfs wanneer de SQLCODE identiek is, worden er mogelijk andere tokens opgegeen. De lijst an tokens wordt doorgegeen in het eld SQLERRMC an de SQLCA. Standaard wijst DB2 Connect SQLCODE s en tokens an elke host- of iseries -databaseserer toe aan de juiste DB2 Uniersal Database SQLCODE s. U kunt SQLCODE-toewijzing uitschakelen door NOMAP op te geen in de parameterreeks an de DCS-directory of het object routegegeens an DCE. Als een toepassing direct anaf een host- of een iseries-databaseserer, zoals DB2 UDB oor OS/390 en Z/OS, wordt oergedragen is het wellicht beter om SQLCODE-toewijzing uit te schakelen. U kunt dan gebruikmaken an de toepassing zonder dat u de SQLCODE s waarnaar wordt erwezen hoeft te wijzigen. Verwante taken: SQLCODE-toewijzing uitschakelen op pagina 65 SQLCODE-toewijzing aanpassen op pagina 65 SQLCODE-toewijzing uitschakelen U kunt SQLCODE-toewijzing uitschakelen door NOMAP op te geen in de parameterreeks an de DCS-directory of het object routegegeens an DCE. Als een toepassing direct anaf een host- of een iseries-databaseserer, zoals DB2 UDB oor OS/390 en Z/OS, wordt oergedragen is het wellicht beter om SQLCODE-toewijzing uit te schakelen. U kunt dan gebruikmaken an de toepassing zonder dat u de SQLCODE s waarnaar wordt erwezen hoeft te wijzigen. Verwante concepten: SQLCODE-toewijzing op pagina 65 Verwante taken: SQLCODE-toewijzing aanpassen op pagina 65 SQLCODE-toewijzing aanpassen Standaard wijst DB2 Connect SQLCODE s en tokens an elke host- of iseries-databaseserer toe aan de juiste DB2 UDB SQLCODE s. De olgende bestanden zijn kopieën an de standaard SQLCODE-toewijzing: Met dcs1dsn.map worden DB2 UDB oor OS/390 en z/os SQLCODE s toegewezen. Met dcs1ari.map worden DB2 Serer for VSE & VM SQLCODE s toegewezen. Copyright IBM Corp
74 Met dcs1qsq.map worden DB2 UDB oor iseries SQLCODE s toegewezen. Voor DB2-systemen die gebaseerd zijn op UNIX is geen toewijzing ereist. Procedure: Wanneer u de standaard SQLCODE-toewijzing wilt uitschakelen of wanneer u gebruikmaakt an een host- of iseries-databaseserer die geen SQLCODE-toewijzing kent (een niet-ibm databaseserer), kunt u een an deze bestanden kopiëren en gebruiken als basis oor een nieuw SQLCODEtoewijzingsbestand. Door het bestand te kopiëren in plaats an rechtstreeks te bewerken kunt u, indien nodig, altijd naar de oorspronkelijke SQLCODEtoewijzing erwijzen. Geef de bestandsnaam an het nieuwe SQLCODE-toewijzingsbestand op in de parameterreeks an de DCS-directory of het object routegegeens an DCE. Elk toewijzingsbestand is een ASCII-bestand dat in een ASCII-editor wordt gemaakt en bewerkt. Tijdens de eerste installatie wordt het bestand opgeslagen in de directory map in het installatiepad. Het bestand beat mogelijk de olgende speciale regels: && Het logische begin an het bestand. Alle regels óór de eerste regel met && worden beschouwd als rije-orm commentaar en worden genegeerd. Als het bestand na && niets beat, wordt er geen SQLCODE-toewijzing uitgeoerd. U kunt de SQLCODE-toewijzing ook uitschakelen door middel an de parameter NOMAP, zoals hierboen is beschreen. * Als dit het eerste teken op een regel is, geeft het commentaar aan. W Als dit het enige teken op een regel is, wordt hiermee aangegeen dat waarschuwingslaggen opnieuw moeten worden toegewezen. Standaard worden de oorspronkelijke waarschuwingslaggen doorgegeen. De W moet een hoofdletter zijn. Alle andere regels na && moeten leeg zijn of toewijzingsinstructies in de olgende orm: inoercode [, uitoercode [, tokenlijst]] De inoercode kan oor het olgende staan: sqlcode De SQLCODE an de host- of iseries-databaseserer. U P ccnn Alle niet-gedefinieerde negatiee SQLCODE s (die niet in dit bestand staan) worden toegewezen aan de opgegeen uitoercode. Wanneer er op deze regel geen uitoercode is opgegeen, wordt de oorspronkelijke SQLCODE gebruikt. Dit teken moet een hoofdletter zijn. Alle niet-gedefinieerde positiee SQLCODE s (die niet in dit bestand staan) worden toegewezen aan de opgegeen uitoercode. Wanneer er op deze regel geen uitoercode is opgegeen, wordt de oorspronkelijke SQLCODE gebruikt. Dit teken moet een hoofdletter zijn. De SQLSTATE-klassencode an de host- of iseries-databaseserer. nn heeft een an de olgende waarden: 00 Niet-gekwalificeerde succesolle oltooiing 01 Waarschuwing 66 Gebruikershandleiding
75 02 Geen gegeens 21 Kardinaliteitsinbreuk 22 Gegeensuitzondering 23 Inbreuk op oorwaarde 24 Ongeldige cursortoestand 26 Ongeldig SQL-instructie-ID 40 ROLLBACK an transactie 42 Inbreuk op toegangsmachtiging 51 Ongeldige toepassingsstatus 55 Het object heeft niet de ereiste status 56 SQL- of productfout 57 Resource is niet beschikbaar of tussenkomst an gebruiker 58 Systeemfout De opgegeen uitoercode wordt gebruikt oor alle SQLCODE s met deze klassencode die niet expliciet zijn opgegeen in het toewijzingsbestand. Als er op deze regel geen uitoercode wordt opgegeen, wordt de oorspronkelijke SQLCODE toegewezen aan zichzelf zonder gekopieerde tokens. De tekens cc moeten kleine letters zijn. Als dezelfde inoercode meer dan eens oorkomt in het toewijzingsbestand, wordt de eerste ersie gebruikt. De uitoercode staat oor de uitoer-sqlcode. Als er geen waarde is opgegeen, wordt de oorspronkelijke SQLCODE gebruikt. Als u een uitoercode opgeeft, kunt u ook een an de olgende waarden opgeen: (s) De inoer-sqlcode wordt samen met het product-id (ARI, DSN of QSQ) in het eld an het SQLCA-berichttoken geplaatst. De oorspronkelijke SQLCODE wordt als enig token teruggezonden. Deze optie is bedoeld oor het erwerken an niet-gedefinieerde SQLCODE s met uitzondering an +965 en Als de uitoercode +965 of -969 is, beat de tokenlijst in het eld SQLERRMC an de SQLCA de oorspronkelijke SQLCODE, geolgd door het product-id dat weer wordt geolgd door de oorspronkelijke tokenlijst. Het teken s moet een kleine letter zijn. (tokenlijst) Een lijst an tokens, gescheiden door komma s. Geef alleen een komma op om een bepaald token oer te slaan. De orm (,t2,,t4) bijoorbeeld, betekent dat het eerste en derde uitoertoken null zijn. Elk token heeft de orm an een getal (n) dat optioneel ooraf wordt gegaan door c en optioneel wordt geolgd door c of i. Het wordt als olgt geïnterpreteerd: c Het gegeenstype an het token in deze positie is CHAR (standaard). Als c wordt geolgd door n wordt erwezen naar het inoertoken; wanneer het wordt oorafgegaan door n, wordt erwezen naar het uitoertoken. Het teken c moet een kleine letter zijn. Hoofdstuk 8. SQLCODE-toewijzing 67
76 i n Het gegeenstype an het token in deze positie is INTEGER. Als i wordt oorafgegaan door n, wordt erwezen naar het uitoertoken. i mag niet worden geolgd door n, omdat host- of iseries-databaseserers an IBM alleen CHAR-tokens ondersteunen. Het teken i moet een kleine letter zijn. Een of meer getallen die aangeen welke tokens oor de host- of de iseries-databaseserer worden gebruikt. Deze worden gerangschikt in de gewenste olgorde oor plaatsing in de uitoer-sqlca. Het nummer geeft het token an de host- of de iseries-databaseserer aan; de rangschikking geeft de olgorde aan waarin de tokens in de SQLCA worden geplaatst. Zo kan de host- of de iseries-databaseserer twee tokens terugzenden, 1 en 2. Als u wilt dat token 2 in de uitoer-sqlca óór token 1 erschijnt, geef dan (2,1) op. Meerdere tokengetallen kunnen worden gecombineerd om één CHAR-uitoertoken te ormen door ze te erbinden met punten. Uitoertokens worden gescheiden door komma s. Als er aan een komma geen token oorafgaat, wordt er in de SQLCA oor die positie geen uitoertoken opgenomen. Tokens die in de uitoer-sqlca na het laatste opgegeen token staan, worden toegewezen aan een nulltoken. Figuur 7 toont een oorbeeld an een SQLCODE-toewijzingsbestand. && -007, -007, (1) , -171, (2) , -204, (c1.2c) , -206, (,c1i) , , (c1c,c2c) cc00, U, -969, (s) P, +965, (s) Figuur 7. Een SQLCODE-toewijzingsbestand Alle toewijzingsinstructies in dit bestand worden als olgt beschreen: 1. De SQLCODE wordt toegewezen an -007 naar Het eerste inoertoken dat wordt ontangen an de host- of iseries-databaseserer, wordt gebruikt als het eerste uitoertoken en is standaard CHAR. Er worden geen andere tokens oergebracht. 2. De SQLCODE wordt toegewezen an -010 naar -010 (er is geen uitoer-sqlcode opgegeen). Er worden geen tokens in de uitoer-sqlca geplaatst. 3. De SQLCODE wordt toegewezen an -060 naar Het eerste inoertoken dat wordt ontangen an de host- of iseries-databaseserer wordt gewist. Het tweede token wordt gebruikt als het eerste token in de uitoer-sqlca en is CHAR. Er beindt zich geen tweede token in de uitoer-sqlca. 68 Gebruikershandleiding
77 4. De SQLCODE wordt toegewezen an -204 naar Het eerste en tweede token die an de host- of de iseries-databaseserer worden ontangen, zijn CHAR. Deze twee inoertokens worden gecombineerd tot één uitoertoken an het type CHAR. Dit zal het eerste uitoertoken in de SQLCA zijn. 5. De SQLCODE wordt toegewezen an -633 naar Het eerste inoertoken dat wordt ontangen an de host- of iseries-databaseserer is CHAR. Het wordt geconerteerd naar INTEGER en wordt gebruikt als het tweede token in de uitoer-sqlca. Het eerste token in de uitoer-sqlca is null, zoals aangegeen door een komma. 6. De SQLCODE wordt toegewezen an naar Het eerste en tweede inoertoken die an de host- of de AS/400-databaseserer worden ontangen, zijn CHAR en worden gebruikt als het eerste en het tweede token in de uitoer-sqlca. 7. Alle SQLCODE s in SQLCA s met SQLSTATE s in de klasse 00 worden toegewezen aan SQLCODE Alle niet-gedefinieerde SQLCODE s worden toegewezen aan Deze optie mag uitsluitend worden gebruikt als alle toewijsbare codes in de lijst worden ermeld, inclusief de identieke die geen toewijzing behoeen. De optie (s) geeft aan dat de tokenlijst die naar het eld SQLERRMC an de SQLCA terug moet worden gezonden de oorspronkelijke SQLCODE beat, geolgd door het programma waarin de fout is opgetreden, geolgd door de oorspronkelijke tokenlijst. Wanneer U niet wordt opgegeen, worden alle niet-ermelde codes doorgegeen zonder enige toewijzing. 9. Alle niet-gedefinieerde positiee SQLCODE s worden toegewezen aan Deze optie mag uitsluitend worden gebruikt als alle toewijsbare codes in de lijst worden ermeld, inclusief de identieke die geen toewijzing behoeen. De optie (s) geeft aan dat de tokenlijst die naar het eld SQLERRMC an de SQLCA terug moet worden gezonden de oorspronkelijke SQLCODE beat, geolgd door het programma waarin de waarschuwing is opgetreden, geolgd door de oorspronkelijke tokenlijst. Wanneer de waarde P niet is opgenomen, worden alle niet-ermelde positiee codes doorgegeen zonder enige toewijzing. Verwante concepten: SQLCODE-toewijzing op pagina 65 Verwante taken: SQLCODE-toewijzing uitschakelen op pagina 65 Hoofdstuk 8. SQLCODE-toewijzing 69
78 70 Gebruikershandleiding
79 Hoofdstuk 9. Databasesysteemmonitor Verbindingen bewaken oor clients op afstand U kunt de systeemmonitor oor databases met DB2 Connect Enterprise Edition gebruiken om de erbindingen oor clients op afstand te bewaken. Als u clients wilt bewaken die lokaal zijn erbonden met de DB2 Connect-serer en die op de serer zelf worden uitgeoerd, moet u de olgende ariabele instellen: db2set DB2CONNECT_IN_APP_PROCESS=NO Als er bijoorbeeld een fout optreedt op de host of het iseries -systeem, kan de systeembeheerder bepalen of de fout op het DB2 Connect-werkstation is opgetreden. De systeemmonitor correleert: Het DRDA -correlatietoken (CRRTKN) oor onbeschermde conersaties. Het werkeenheid-id (UOWID) oor twee-fasenerbindingen die worden beeiligd door DRDA-3 Syncpointbeheer (zoals gebruikt bij TCP/IP-erbindingen). Het erbindings-id an DB2 Connect (het toepassings-id). Deze informatie geeft aan door welke DB2 Connect-erbinding het probleem wordt eroorzaakt. De systeembeheerder kan deze clienttoepassing erolgens an het systeem erwijderen zonder de andere clients die gebruikmaken an de DB2 Connect-erbinding te hinderen. De status an bewakingsparameters afbeelden: Gebruik de opdracht db2 get monitor switches om de status an bewakingsparameters af te beelden. Verwante concepten: Performance bewaken met Windows Performance Monitor op pagina 71 System monitor switches in de publicatie System Monitor Guide and Reference Verwante taken: Setting monitor switches from a client application in de publicatie System Monitor Guide and Reference Setting monitor switches from the CLP in de publicatie System Monitor Guide and Reference Performance bewaken met Windows Performance Monitor Windows NT en Windows 2000 bieden een handig hulpprogramma oor de bewaking an uw DB2 -toepassingen. In Peformance Monitor, een an de beheerprogramma s an Windows, wordt de systeemperformance grafisch weergegeen. U kunt kiezen welke systeem-, database- en communicatie-items u wilt bewaken, waarna de gekozen items in een grafische oorstelling worden omgezet. U kunt bijoorbeeld de rapporten die u krijgt met de opdracht GET SNAPSHOT FOR ALL DCS DATABASES of GET SNAPSHOT FOR ALL DCS Copyright IBM Corp
80 APPLICATIONS in een realtime grafische oorstelling uitzetten met Performance Monitor en ergelijken met waarden zoals CPU-gebruik. Zo kunt u rechtstreeks de effecten an erschillende instellingen op de performance an de database of de erbindingen ergelijken. U kunt gespecialiseerde instellingsconfiguraties opslaan in PMC-bestanden en later weer opragen. In de olgende afbeelding zijn erschillende DB2-metingen in een grafiek uitgezet ten opzichte an het CPU-gebruik. De uitgezette waarden zijn opgeslagen in het bestand db2chart.pmc. U kunt zo eel PCM-bestanden opslaan als u wilt, waarbij elk bestand een andere dwarsdoorsnede an de systeemperformance beat. Als u lokale toepassingen wilt bewaken, moet u de omgeingsariabele DB2CONNECT_IN_APP_PROCESS uitschakelen. Verwante concepten: Verbindingen bewaken oor clients op afstand op pagina 71 GET SNAPSHOT-opdrachten gebruiken op pagina 72 GET SNAPSHOT-opdrachten gebruiken 72 Gebruikershandleiding Figuur 8. Performance Monitor Met de DB2 -monitor wordt een doorlopend oerzicht an belangrijke systeemgegeens bijgehouden. U kunt op elk gewenst moment een oerzicht an de systeemstatus opragen door de opdracht GET SNAPSHOT op te geen. Als u de machtiging SYSMAINT, SYSCTRL of SYSADM hebt oor het database manager-subsysteem dat u wilt bewaken, kunt u momentopnamen met de monitor maken. U kunt de olgende ijf opdrachten oor momentopnamen gebruiken oor de bewaking an DCS-gegeens: GET SNAPSHOT FOR ALL DCS DATABASES
81 GET SNAPSHOT FOR ALL DCS APPLICATIONS GET SNAPSHOT FOR DCS APPLICATION... GET SNAPSHOT FOR DCS DATABASE ON db_alias GET SNAPSHOT FOR DCS APPLICATIONS ON db_alias Met elke opdracht wordt een detailrapport gegenereerd oer het geraagde onderdeel. Als u bijoorbeeld de opdracht GET SNAPSHOT FOR DCS DATABASE ON DCSDB opgeeft, wordt het olgende rapport gegenereerd: DCS Database Snapshot DCS database name = DCSDB Host database name = GILROY First database connect timestamp = :28: Most recent elapsed time to connect = Most recent elapsed connection duration = Host response time (sec.ms) = Last reset timestamp = Number of SQL statements attempted = 2 Commit statements attempted = 1 Rollback statements attempted = 0 Failed statement operations = 0 Total number of gateway connections = 1 Current number of gateway connections = 1 Gateway conn. waiting for host reply = 0 Gateway conn. waiting for client request = 1 Gateway communication errors to host = 0 Timestamp of last communication error = None High water mark for gateway connections = 1 Rows selected = 0 Outbound bytes sent = 140 Outbound bytes receied = 103 Dit rapport beat gegeens oer databaseerbindingen, performance, fouten en dooroer an SQL-opdrachten. Momentopnamen an de DB2-monitor kunnen echter eel meer details beatten. Als u bijoorbeeld de opdracht GET SNAPSHOT FOR ALL DCS APPLICATIONS opgeeft, krijgt u een rapport dat er ongeeer als olgt uitziet: DCS Application Snapshot Client application ID = 09150F74.B6A Sequence number = 0001 Authorization ID = SMITH Application name = db2bp Application handle = 1 Application status = waiting for request Status change time = :29: Client node = sys143 Client release leel = SQL06010 Client platform = AIX Client protocol = TCP/IP Client codepage = 850 Process ID of client application = Client login ID = smith Host application ID = G9150F74.B6A Sequence number = 0000 Database alias at the gateway = MVSDB DCS database name = DCSDB Host database name = GILROY Host release leel = DSN05012 Host CCSID = 500 Hoofdstuk 9. Databasesysteemmonitor 73
82 Outbound communication address = Outbound communication protocol = TCP/IP Inbound communication address = First database connect timestamp = :28: Host response time (sec.ms) = Time spent on gateway processing = Last reset timestamp = Rows selected = 0 Number of SQL statements attempted = 2 Failed statement operations = 0 Commit statements = 1 Rollback statements = 0 Inbound bytes receied = 404 Outbound bytes sent = 140 Outbound bytes receied = 103 Inbound bytes sent = 287 Number of open cursors = 0 Application idle time = 1 minute and 32 seconds UOW completion status = Preious UOW completion timestamp = :28: UOW start timestamp = :29: UOW stop timestamp = Elapsed time of last completed uow (sec.ms)= Most recent operation = Execute Immediate Most recent operation start timestamp = :29: Most recent operation stop timestamp = :29: Statement = Execute Immediate Section number = 203 Application creator = NULLID Package name = SQLC2C07 SQL compiler cost estimate in timerons = 0 SQL compiler cardinality estimate = 0 Statement start timestamp = :29: Statement stop timestamp = :29: Host response time (sec.ms) = Elapsed time of last completed stmt(sec.ms)= Rows fetched = 0 Time spent on gateway processing = Inbound bytes receied for statement = 220 Outbound bytes sent for statement = 130 Outbound bytes receied for statement = 49 Inbound bytes sent for statement = 27 SQL statement text: create table t12 (col1 int, col2 char) Verwante concepten: Verbindingen bewaken oor clients op afstand op pagina 71 Verwante informatie: Status DCS-toepassing GET SNAPSHOT Command in de publicatie Command Reference Vanaf DB2 Connect Versie 5.2 kent de Systeemmonitor drie ormen an de opdracht LIST DCS APPLICATIONS: LIST DCS APPLICATIONS LIST DCS APPLICATIONS SHOW DETAIL LIST DCS APPLICATIONS EXTENDED. 74 Gebruikershandleiding
83 LIST DCS APPLICATIONS: Om de informatie die door de monitor wordt erstrekt op toepassingsnieau te bekijken, geeft u de opdracht DB2 LIST DCS APPLICATIONS op. De olgende informatie wordt teruggezonden oor een APPC-erbinding (DB2 Connect Enterprise Edition naar DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390): Mach-ID Toepassingsnaam Toep. Hosttoepassings-ID handle USERID db2bp_41 0 CAIBMOML.OMXT4H0A.A79EAA3C6E29 De olgende informatie wordt teruggezonden oor een TCP/IP-erbinding (DB2 Connect Enterprise Edition naar DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390): Mach-ID Toepassingsnaam Toep. Hosttoepassings-ID handle USERID db2bp_ C BE Mach-ID Het machtigings-id dat oor de aanmelding bij de host- of iseries -databaseserer is gebruikt. Dit geeft aan wie de toepassing uitoert. Toepassingsnaam De naam an de toepassing die op de client wordt uitgeoerd zoals deze bekend is bij DB2 Connect. Alleen de eerste 20 bytes na het laatste scheidingsteken in het pad zijn beschikbaar. Toep. handle De agent die op het DB2 Connect-werkstation wordt uitgeoerd. U kunt dit element gebruiken om de informatie an de systeemmonitor oor databases te koppelen aan andere diagnostische informatie. Het agent-id is ook ereist wanneer de opdracht of API FORCE USERS wordt gebruikt. Hosttoepassings-ID Een an de olgende: Het DRDA -correlatietoken (CRRTKN) oor onbeschermde conersaties. Het ID an de logische werkeenheid (LUWID) oor twee-fasenconersaties die worden beeiligd door SNA Syncpointbeheer (SPM). Het werkeenheid-id (UOWID) oor twee-fasenerbindingen die worden beeiligd door DRDA-3 Syncpointbeheer (zoals gebruikt bij TCP/IP-erbindingen). Dit unieke ID wordt gegenereerd wanneer de toepassing een erbinding tot stand brengt met de host- of de iseries-databaseserer. U kunt dit element gebruiken in combinatie met het toepassings-id om de client- en serergedeelten an de toepassingsinformatie te correleren. LIST DCS APPLICATIONS SHOW DETAIL: Wanneer u de opdracht DB2 LIST DCS APPLICATIONS SHOW DETAIL opgeeft, wordt er aanullende informatie afgebeeld zoals: Hoofdstuk 9. Databasesysteemmonitor 75
84 Tabel 7. DB2 LIST DCS APPLICATIONS SHOW DETAIL Mach-ID Toepassingsnaam Toep. Clienttoepassings-ID Volg Clienthandle nr DB-alias NEWTON db2bp D MVSDB Client- Client- Client- Hosttoepassings-ID Volg DB-naam host knooppunt release codetabel nr antman SQL G G7D GILROY Hostrelease DSN05011 Clienttoepassings-ID Identificeert de toepassing die is erbonden met het DB2 Connect-werkstation op unieke wijze. Er bestaan erschillende indelingen oor het toepassings-id die afhankelijk zijn an het protocol dat wordt gebruikt oor de communicatie tussen de client en het DB2 Connect-werkstation. Deze waarde maakt het mogelijk dat u erbindingen an clients met het DB2 Connect-werkstation en an het DB2 Connect-werkstation met de host- of de iseries-databaseserer kunt correleren. Clientolgnr. Het olgnummer an de client is het olgnummer an de bewerking. Het wordt gebruikt als ondersteuning an de correlatie oor een bewerking oer erschillende systemen. Client-DB-alias De alias an de database die door de toepassing wordt erstrekt oor de erbinding met de database. Dit element kan worden gebruikt oor het identificeren an de feitelijke database waartoe de toepassing toegang probeert te krijgen. Voor het omzetten an deze naam naar de databasenaam en terug kunnen de databasedirectory s op het clientknooppunt en op het database manager-sererknooppunt worden gebruikt. Client-knooppunt Identificeert het knooppunt waarop de clienttoepassing wordt uitgeoerd. De informatie arieert al naar gelang het gebruikte clientprotocol. Voor een client erbonden ia NetBIOS is dit bijoorbeeld de waarde an de configuratieparameter NNAME an database manager. Voor een client erbonden ia TCP/IP is dit de hostnaam. Clientproduct-ID (Client) Het product en de ersie die actief zijn op de client. De clientproduct-id s zijn: SQL01010 oor Versie 1 an DB2 SQL01011 oor Versie 1 an DB2-producten en Client Application Enablers oor UNIX. SQL02010 oor Versie 2 an DB2-producten en Client Application Enablers. SQL02020 oor Versie an DB2-producten en Client Application Enablers. SQL05000 oor Versie 5.0 an DB2 Uniersal Database- en DB2 Connect-producten en -clients. SQL05020 oor Versie 5.2 an DB2 Uniersal Database en DB2 Connect-producten en -clients. 76 Gebruikershandleiding
85 SQL06010 oor Versie 6.1 an DB2 Uniersal Database en DB2 Connect-producten en -clients. SQL07010 oor Versie 7.1 an DB2 Uniersal Database en DB2 Connect-producten en -clients. SQL08010 oor Versie 8.1 an DB2 Uniersal Database en DB2 Connect-producten en -clients. SQL08020 oor Versie 8.2 an DB2 Uniersal Database- en DB2 Connect-producten en -clients. Codetabel-ID Het codetabel-id op het knooppunt waarop de bewaakte toepassing is gestart. U kunt deze informatie gebruiken om er zeker an te zijn dat gegeensconersie tussen de codetabel an de toepassing en de codetabel an de database (of het CCSID an de host- of iseries-databaseserer als het gaat om host- of iseries-sererdatabases) wordt ondersteund. Als de codetabel an de toepassing erschilt an die waarop de systeemmonitor oor databases wordt uitgeoerd, kan dit element an de codetabel u helpen bij het handmatig conerteren an gegeens die door de toepassing zijn doorgegeen en die door de systeemmonitor oor databases worden afgebeeld. Het kan bijoorbeeld worden gebruikt als ondersteuning bij de omzetting an de toepassingsnaam. Uitgaand olgnummer Hier wordt het uitgaand olgnummer weergegeen. Dit nummer wordt gebruikt om bewerkingen op erschillende systemen te correleren. Databasenaam host De eigennaam an de database waarmee de toepassing is erbonden. In de directory DCS is dit de naam an de doeldatabase. Hostproduct-ID Het product en de ersie die actief zijn op de serer. De weergae is in de orm PPPVVRRM waarbij: PPP De host- of iseries-databaseserer aangeeft (bijoorbeeld DSN oor DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390, ARI oor DB2 Serer for VSE & VM of QSQ oor iseries). VV Een ersienummer an twee cijfers is, zoals 01. RR M Een releasenummer an twee cijfers is. Een wijzigingsnieau an één cijfer is. LIST DCS APPLICATIONS EXTENDED: U kunt de opdracht LIST DCS APPLICATIONS gebruiken met de optie EXTENDED om een uitgebreid rapport te genereren. Een uitgebreid rapport beat een lijst an alle elden die worden afgebeeld wanneer de optie SHOW DETAIL in de opdracht wordt opgegeen, plus negen nieuwe elden: Status DCS-toepassing Statuswijzigingstijd Clientplatform Clientprotocol Host-CCSID (Coded Character Set Identifier) Aanmeldings-ID client Hoofdstuk 9. Databasesysteemmonitor 77
86 Proces-ID an clienttoepassing Databasealias op de gateway DCS-databasenaam Met de eerder opgegeen opdrachtopties worden de elden in een horizontale lijst afgebeeld met een regel per toepassing. Met deze nieuwe optie wordt echter een erticale lijst gemaakt met één eld per regel. De nieuwe syntaxis an de opdracht is: LIST DCS APPLICATIONS [SHOW DETAIL EXTENDED ] Een oorbeeld an de uitoer an deze opdracht bij gebruik an de nieuwe optie EXTENDED is: Lijst met DCS-toepassingen - Uitgebreid rapport Clienttoepassings-ID = AA Volgnummer = 0001 Machtigings-ID = NEWTON Toepassingsnaam = db2bp Toepassingshandle = 1 Toepassingsstatus = wachtend op opdracht Statuswijzigingstijd = :50: Clientknooppunt = antman Clientrelease = SQL05020 Clientplatform = AIX Clientprotocol = TCP/IP Clientcodetabel = 819 Proces-ID an clienttoepassing = Aanmeldings-ID client = smith Hosttoepassings-ID = G GAA Volgnummer = 0000 Databasealias op de gateway = MVSDB DCS-databasenaam = DCSDB Hostdatabasenaam = GILROY Hostrelease = DSN05011 Host-CCSID = 500 Het eld Toepassingsstatus beat een an de olgende drie waarden: 1. erbinding in behandeling - uitgaand. Dit betekent dat er een aanraag is erzonden oor een erbinding met een host- of iseries-database en dat DB2 Connect wacht op de totstandkoming an de erbinding. 2. wachtend op opdracht. Dit betekent dat de erbinding met de host- of iseries-database tot stand is gekomen en dat DB2 Connect wacht op een SQL-instructie an de clienttoepassing. 3. wachtend op antwoord. Dit betekent dat de SQL-instructie naar de host- of iseries-database is erzonden. Het eld Statuswijzigingstijd wordt alleen in het oerzicht afgebeeld wanneer de parameter UOW an de Systeemmonitor tijdens de erwerking is ingeschakeld. Anders wordt Niet erzameld afgebeeld. Verwante informatie: LIST DCS APPLICATIONS Command in de publicatie Command Reference LIST DCS DIRECTORY Command in de publicatie Command Reference 78 Gebruikershandleiding
87 Hoofdstuk 10. Performance DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance Met performance wordt bedoeld: de manier waarop een computersysteem functioneert bij een bepaalde werkbelasting. Dit wordt beïnloed door de beschikbare resources en de manier waarop deze (gemeenschappelijk) worden gebruikt. Wanneer u de performance wilt erbeteren moet u eerst bepalen wat onder performance wordt erstaan. Hierbij kan gebruik worden gemaakt an eel erschillende prestatiemetingen, zoals: Responstijd Het interal tussen het tijdstip waarop de toepassing het erzoek oor de database erzendt en het tijdstip waarop de toepassing een respons ontangt. Transactiedooroer Het aantal werkeenheden dat per tijdseenheid kan worden oltooid. De werkeenheid (UOW) kan eenoudig zijn, zoals het ophalen en bijwerken an een rij, of gecompliceerd als er honderden SQL-instructies bij betrokken zijn. Snelheid an gegeensoerdracht Het aantal bytes aan gegeens dat per tijdseenheid wordt oergedragen tussen de DB2 Connect-toepassing en de host- of de iseries -database. De performance wordt beperkt door de beschikbare hardware- en softwareresources. Voorbeelden an hardwareresources zijn CPU, geheugen en netwerkadapters. Communicatiesubsystemen, pagingsubsystemen, mbuf oor AIX en link oor SNA zijn oorbeelden an softwareresources. Gegeensstromen: Figuur 9 op pagina 80 toont het pad dat de stroom an gegeens aflegt tussen de host- of de iseries-databaseserer en het werkstation ia DB2 Connect. Copyright IBM Corp
88 Toepassing DB2 Connect (DRDA-toepassingenrequester) Communicatiesubsysteem A Databasebeheersysteem DRDA-toepassingenserer Communicatiesubsysteem B Netwerkhardware Interface A Netwerk Netwerkhardware Interface B Figuur 9. Gegeensstromen in DB2 Connect De host- of iseries-database en een deel an het communicatiesubsysteem worden meestal op hetzelfde systeem uitgeoerd. Dit systeem bestaat uit een of meer CPU s, hoofdgeheugen, een I/O-subsysteem, DASD en een besturingssysteem. Ook andere programma s kunnen gemeenschappelijk gebruikmaken an deze onderdelen. Rialiteit bij het gebruik an resources kan leiden tot performanceproblemen. Het netwerk bestaat uit een combinatie an kabels, hubs, communicatielijnen, schakelaars en andere communicatiecontrollers. Voor interface B an de netwerkhardware B kunnen bijoorbeeld communicatiecontrollers worden gebruikt, zoals 3745 of 3172, of een Token Ring-adapter oor een iseries-serer. Het is mogelijk dat er meer dan een communicatiemedium betrokken is bij de interfaces A en B an de netwerkhardware. Interface A an de netwerkhardware kan een Token Ring-, Ethernet**-, een andere LAN-adapter of een adapter die de protocollen SDLC of X.25 ondersteunt, zijn. Communicatiesubsysteem A kan SNA (System Network Architecture), IBM SNA Serer oor AIX of SNAplus2 oor HP-UX zijn. DB2 Connect en het communicatiesubsysteem A worden meestal op hetzelfde systeem geplaatst. Hierbij is aangenomen dat de toepassing zich ook op hetzelfde systeem beindt. Knelpunten: De dooroercapaciteit an transacties is afhankelijk an de traagste component binnen het systeem. Als u een knelpunt oor de performance ontdekt, kunt u het probleem eelal erminderen door de configuratieparameters te wijzigen, meer resources aan de probleemcomponent toe te wijzen, een upgrade an de component uit te oeren of een nieuwe component toe te oegen waardoor de werkbelasting wordt erlicht. 80 Gebruikershandleiding
89 U kunt erschillende hulpprogramma s gebruiken om te bepalen hoeeel tijd een query in een component nodig heeft. Aan de hand an deze gegeens kunt u bepalen welke componenten moeten worden bijgesteld of waarop een upgrade moet worden aangebracht om de performance te erbeteren. Als u bijoorbeeld aststelt dat een query 60% an de tijd in het DB2 Connect-systeem besteedt, wilt u DB2 Connect misschien bijstellen of (wanneer u clients op afstand hebt) nog een DB2 Connect-computer aan het netwerk toeoegen. Benchmarking: Benchmarking is een manier om de performance in een bepaalde omgeing te ergelijken met die in een andere omgeing. U kunt met benchmarking beginnen door de testtoepassing in een normale omgeing uit te oeren. Wanneer de oorzaak an een performanceprobleem tot een bepaalde component kan worden teruggebracht, kunnen er gespecialiseerde testcases worden ontwikkeld om het bereik an de functie die wordt getest en geobsereerd te beperken. Benchmarking hoeft niet ingewikkeld te zijn. Gespecialiseerde testcases hoeen niet de hele toepassing te emuleren om waardeolle informatie te erkrijgen. Begin met eenoudige metingen en ergroot de complexiteit alleen wanneer dit gerechtaardigd is. Kenmerken an goede benchmarks zijn: Elke test is herhaalbaar. Elke herhaling an een test begint in dezelfde systeemstatus. De oor benchmarking gebruikte hardware en software komt oereen met uw productie-omgeing. Er zijn geen andere functies of toepassingen actief in het systeem dan die worden gemeten. De enige uitzondering is wanneer in het scenario gelijktijdig een andere actiiteit in het systeem plaatsindt. Opmerking: Als toepassingen eenmaal zijn gestart, gebruiken ze geheugen, ook als ze erkleind zijn of niet-actief. Hierdoor kan paging worden eroorzaakt en kunnen de resultaten an de benchmark worden ertekend. Hulpprogramma s oor het meten an de performance: De olgende tabel geeft een oerzicht an een aantal hulpprogramma s die ondersteuning kunnen geen bij het meten an de systeemperformance. Deze hulpprogramma s gebruiken systeemresources en kunnen dus beter niet steeds actief zijn. Tabel 8. Hulpprogramma s oor het meten an de performance Systeem Hulpprogramma Beschrijing CPU- en geheugengebruik AIX mstat, time, ps, tprof Geen informatie oer problemen door CPU- of geheugenrialiteit op het DB2 Connect-werkstation en de clients op afstand. HP-UX mstat, time, ps, monitor en, indien beschikbaar, glance Hoofdstuk 10. Performance 81
90 Tabel 8. Hulpprogramma s oor het meten an de performance (erolg) Systeem Hulpprogramma Beschrijing Windows NT en Windows 2000 Microsoft Performance Monitor Databaseactiiteit Alle Databasemonitor Stelt ast of het probleem afkomstig is an de database. OS/390 of zseries Windows NT en Windows 2000 DB2PM (IBM), OMEGAMON/DB2 (Candle), TMON (Landmark), INSIGHT (Goal Systems) en DB2AM (BMC) Microsoft Performance Monitor Netwerkactiiteit AIX netpmon Geeft gedetailleerde netwerkstatistieken, met inbegrip an statistische gegeens an TCP/IP en SNA, zoals het aantal pakketten of frames dat per seconde wordt ontangen. DOS Netwerkcontroller zoals 3745 Traceer- en performanceprogramma an Token-Ring Netwerk 16/4 NetView Performance Monitor De meeste netwerkmonitors zijn platformafhankelijk; dit hulpprogramma werkt alleen bij Token-Ring. Geeft de bezettingsgraad aan an communicatiebesturing en VTAM. UNIX netstat Verwerkt TCP/IP-erkeer. Verwante concepten: Toepassingsontwerp op pagina 83 DB2 Connect - Tuning op pagina 95 Aanwijzingen en tips oor erbetering an de SNA-performance op pagina 104 Pooling an erbindingen op pagina 86 Selectie en tuning an de netwerkerbinding op pagina 105 Verwante taken: ODBC-toegang optimaliseren 82 Gebruikershandleiding ODBC-toegang optimaliseren op pagina 82 DB2 Uniersal Database biedt optimalisatiemogelijkheden die speciaal zijn ontworpen om de communicatieperformance ia ODBC te erbeteren. Deze uitbreidingen zijn beschikbaar oor Microsoft Access, Lotus Approach en Visual Basic. Met CA (Configuration Assistant) an DB2 kunt u profiteren an een snellere ODBC-dooroer. Procedure:
91 Toepassingsontwerp Ga als olgt te werk als u ODBC wilt optimaliseren: Als u een nieuwe erbinding definieert: 1. Start DB2 CA. 2. Selecteer de databasealias die u wilt optimaliseren. 3. Kies Eigenschappen. 4. Controleer of Deze Database registreren oor ODBC is geselecteerd. 5. Geef aan hoe u deze database wilt registreren door een keuzerondje te selecteren. 6. Kies Instellingen. 7. Klik op Optimaliseren en selecteer de toepassing waaran u de OBDC-instellingen wilt optimaliseren. 8. Kies OK en sluit CA af. Als u een bestaande erbinding bijwerkt: 1. Start DB2 CA. 2. Selecteer de databasealias die u wilt optimaliseren. 3. Kies Eigenschappen. 4. Kies Instellingen. 5. Klik op Optimaliseren in het enster CLI/ODBC-instellingen en selecteer de toepassing die u wilt optimaliseren. 6. Kies OK en sluit CA af. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Toepassingsontwerp op pagina 83 Wanneer u een toepassing maakt, kunt u de performance op erschillende manieren erbeteren. Samengestelde SQL-instructies en opgeslagen procedures Netwerkoerhead kan an belang zijn oor toepassingen die eel opdrachten en antwoorden erzenden en ontangen. Samengestelde SQL-instructies en opgeslagen procedures zijn manieren oor het erminderen an deze oerhead. Als een toepassing erschillende SQL-instructies erzendt zonder tussenkomst an programmeringslogica kunt u gebruikmaken an samengestelde SQL. Als u programmeringslogica wilt opnemen in de groep SQL-instructies, kunt u gebruikmaken an opgeslagen procedures. Alle uitoerbare instructies kunnen in een samengestelde SQL-instructie oorkomen, met uitzondering an: CALL FETCH CLOSE OPEN Compound SQL Connect Prepare Release Describe Hoofdstuk 10. Performance 83
92 Rollback Disconnect Set connection execute immediate Opgeslagen procedures zorgen oor ermindering an netwerkerkeer door programmeringslogica op de serer te plaatsen. U kunt de wijzigingen automatisch astleggen wanneer u de procedure afsluit. Ook kunnen er resultaatsets worden teruggezonden die de toepassingslogica op de client reduceren. Opdrachten groeperen Het groeperen an gerelateerde databaseopdrachten (SQL-instructies) tot één databaseopdracht kan de hoeeelheid oer het netwerk erzonden opdrachten en respons erminderen. Door bijoorbeeld de olgende instructies te groeperen: in SELECT COL1, COL2, COL5, COL6 FROM TABLEA WHERE ROW_ID=1 SELECT COL1, COL2, COL5, COL6 FROM TABLEA WHERE ROW_ID=2 SELECT COL1, COL2, COL5, COL6 FROM TABLEA WHERE ROW_ID=1 OR ROW_ID=2 worden minder opdrachten oer het netwerk erzonden. U kunt ook sleutelwoorden zoals IN en BETWEEN gebruiken om het aantal teruggezonden rijen te erminderen. Daarnaast kunt u gebruikmaken an de sleutelwoorden WHERE, IN en BETWEEN in UPDATE- en DELETE-instructies. Predikatenlogica Predikatenlogica kan worden gebruikt om uitsluitend de ereiste rijen en kolommen op te ragen. Dit erkleint het netwerkerkeer en de CPU-oerhead oor datatransmissie. Maak bijoorbeeld geen gebruik an de olgende query: SELECT * FROM TABLEA als u alleen de eerste rij an TABLEA met ROW_ID=1 echt nodig hebt of alleen kolom 1 en 2. Gegeensmarkering Maak gebruik an gegeensmarkering wanneer u grote hoeeelheden gegeens an de serer erwacht. Door markering erbetert het gebruik an de bandbreedte an het netwerk en ermindert de CPU-oerhead an de host of de iseries -databaseserer en de DB2 Connect-serer. Voor elk bericht dat wordt erzonden of ontangen wordt een aste hoeeelheid CPU en netwerkoerhead toegekend, ongeacht de omang eran. Gegeensmarkering ermindert het aantal berichten dat is ereist oor dezelfde hoeeelheid gegeensoerdracht. Door het markeren an gegeens wordt de eerste rij an een query pas aan de toepassing geleerd als de eerste markering is ontangen. Markeren zorgt eroor dat een ophaalbewerking oor de eerste rij langer duurt, maar erkort de tijd oor de olgende rijen. 84 Gebruikershandleiding
93 Een andere oerweging is de hoeeelheid gebruikt geheugen. Oer het algemeen wordt het configuratiepakket oor geheugen ergroot wanneer markeren wordt ingeschakeld. In DB2 Connect kunt u de hoeeelheid gegeens besturen die binnen elke markering wordt oergebracht. Gebruik de optie BLOCKING an de opdracht prep of bind als u gegeensmarkering wilt instellen. Markeren is ingeschakeld als: De cursor alleen-lezen is, of De cursor ambigu is en markeren wordt opgegeen tijdens de prep- of bindopdracht. Opmerking: Wanneer dynamische SQL-instructies worden gebruikt, is de cursor altijd ambigu. SQL-instructies met markeren (BLOCKING): SELECT-instructies die kunnen worden bijgewerkt (met gebruik an de instructies UPDATE/DELETE WHERE CURRENT OF) zijn query s waaroor geen markeringen kunnen worden gebruikt. Gebruik ze dus alleen wanneer dat absoluut noodzakelijk is. Met een SELECT-opdracht die kan worden bijgewerkt, kan de rij niet zijn eranderd tussen het moment waarop SELECT is oltooid en UPDATE/DELETE wordt opgegeen. Wanneer dit nieau an gelijktijdig gebruik oor uw toepassing niet belangrijk is, kan DELETE of UPDATE worden gebruikt met zoekcriteria die zijn gebaseerd op de waarden die worden teruggezonden anaf een SELECT-opdracht die niet kan worden bijgewerkt. Geef oor alleen-lezen SELECT-opdrachten FOR FETCH ONLY op (met uitzondering an VM- en VSE-systemen die hieroor geen ondersteuning bieden). Raadpleeg de DRDA Connectiity Guide oor een uitgebreide beschrijing an markeren met gebruik an SNA-erbindingen. Statische en dynamische SQL-instructies Maak zoeel mogelijk gebruik an statische SQL-instructies. Hiermee oorkomt u runtime oorbereiding an SQL-secties en ambigue cursors. Als dynamische SQL-instructies niet kunnen worden ermeden, kan op de olgende manier het netwerkerkeer worden erminderd en de performance worden erbeterd: Als het om een SELECT-instructie gaat en deze moet worden oorbewerkt, oert u PREPARE... INTO SQLDA uit. De SQLDA moet worden toegewezen aan de olledige omang die oor uw instellingen is ereist. Als het maximumaantal kolommen x is en er geen wijziging wordt erwacht, wijst u een SQLDA toe met x SQLVAR s. Als het aantal potentiële kolommen onzeker is (en geheugen geen probleem ormt), gebruikt u het maximumaantal SQLVAR s (256). Als de SQLDA-toewijzing onoldoende is oor de opslag an teruggezonden SQLDA, moet door het programma een andere DESCRIBE-instructie worden opgegeen. Hierin moet de SQLDA groot genoeg zijn om het resultaat op te slaan. Hierdoor wordt het netwerkerkeer ergroot. Hoofdstuk 10. Performance 85
94 Verbindingsbeheer Maak geen gebruik an de reeks PREPARE en DESCRIBE. Als u de instructie PREPARE...INTO opgeeft, wordt de performance erbeterd. Voer statisch gebonden SQL COMMIT- of ROLLBACK-instructies uit in plaats an dynamische COMMIT- of ROLLBACK-instructies. Wanneer de instructie niet SELECT, COMMIT of ROLLBACK is, geeft u EXECUTE IMMEDIATE op om de instructie uit te oeren in plaats an de reeks PREPARE en EXECUTE. ODBC-toepassingen maken gebruik an dynamische SQL-instructies. U kunt de CLI/ODBC-oorziening oor statische profilering gebruiken om de performance te erbeteren. Met deze oorziening kunt u ODBC-aanroepen astleggen en conerteren naar statische instructies die zijn opgeslagen in een databasepakket. De uiteindelijke performance hangt af an de complexiteit an uw toepassing. Oerige SQL-oerwegingen Het gebruik an de Opdrachtregelinterface (CLP) werkt in het algemeen langzamer dan het gebruik an dynamische SQL-instructies in het programma. Dit komt doordat de CLP de inoer moet ontleden oordat de SQL aan het databaseprogramma wordt doorgegeen. Wanneer er gegeens worden ontangen, deelt de CLP deze ook in. Dit hoeft oor uw toepassing niet noodzakelijk te zijn. SQL-instructies in een geïnterpreteerde taal, zoals REXX, zijn aanzienlijk langzamer dan dezelfde SQL-instructies in een gecompileerde taal, zoals C. Er bestaan twee typen CONNECT-instructies die type 1 en type 2 worden genoemd. Bij type 2 wordt bij erbinding met een database de orige erbinding in een inactiee status gebracht maar niet erwijderd. Als u later naar een inactiee erbinding oerschakelt, ermijdt u de oerhead an het laden an bibliotheken en het instellen an interne gegeensstructuren. Hierdoor kan het gebruik an type 2 de performance erbeteren oor toepassingen die toegang hebben tot meer dan een database. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Pooling an erbindingen op pagina 86 Pooling an erbindingen DB2 Connect Enterprise Edition-serers leeren aak databaseerbindingen oor duizenden gelijktijdige clientopdrachten. Tijdens het tot stand brengen en erbreken an erbindingen met de databaseserer, kunnen eel resources ereist zijn en kan de performance an zowel de databaseserer als de DB2 Connect -serer negatief worden beïnloed. Dit probleem wordt met name duidelijk in webomgeingen waar aak oor elk bezoek aan een webpagina een nieuwe erbinding met de databaseserer tot stand moet worden gebracht, een query moet worden uitgeoerd en een erbinding moet worden beëindigd. Om deze oerhead te erminderen gebruikt DB2 Connect Enterprise Edition pooling an erbindingen, waarbij open erbindingen met de database worden onderhouden in een makkelijk toegankelijke pool. 86 Gebruikershandleiding
95 Met de meeste toepassingen die gebaseerd zijn op webtechnologieën worden een groot aantal korte transacties uitgeoerd. Een gangbare webtransactie wordt uitgeoerd als onderdeel an zijn eigen erbinding. Met andere woorden, het uitoeren an een transactie betekent dat er een databaseerbinding tot stand wordt gebracht, die na slechts een paar SQL-instructies weer wordt erbroken. Dit proces an het tot stand brengen en erbreken an een erbinding brengt hoge kosten met zich mee. Het brengt het maken an een DB2 Connect-agent, het tot stand brengen an een netwerkerbinding tussen deze agent en de DB2-serer en het maken an een DB2-thread op de serer met zich mee. De kosten an erbindingen die langere tijd actief zijn, worden omgeslagen oer alle transacties die worden erricht ia deze erbinding. Bij een gangbare webtransactie oerschrijden deze kosten echter eelal de kosten an het uitoeren an de transactie zelf. Pooling an erbindingen is een techniek die hergebruik an een tot stand gebrachte erbindingsinfrastructuur door daaropolgende erbindingen mogelijk maakt. In DB2 Connect Versie 6 en hogere ersies wordt pooling an erbindingen standaard geactieerd. Bij het starten an een DB2 Connect-subsysteem wordt er een pool an coördinerende agents gemaakt. Wanneer er een erbindingsaanraag binnenkomt, wordt aan deze aanraag een agent toegewezen. De agent brengt een erbinding tot stand met de DB2-serer en er wordt een thread gemaakt in DB2. Wanneer de toepassing een aanraag oor het erbreken an een erbinding ontangt, geeft de agent dit erzoek niet door aan de DB2-serer. In plaats daaran wordt de agent teruggeplaatst in de pool. De agent in de pool is nog steeds eigenaar an de erbinding met de DB2-serer en de bijbehorende DB2-thread. Wanneer een andere toepassing een erbinding aanraagt, wordt de agent toegewezen aan deze nieuwe toepassing. Om de eiligheid te waarborgen, worden de gegeens oer de identiteit an een gebruiker doorgegeen aan de DB2-thread, die erolgens de gebruikerserificatie uitoert. De mogelijkheid an DB2 Connect oor pooling an erbindingen leert in dergelijke omgeingen een aanzienlijke erbetering in performance op. Met DB2 Connect worden open erbindingen met de database onderhouden in een beschikbare pool. Wanneer een client een erbinding aanraagt, kan de erbinding tot stand worden gebracht ia de pool met beschikbare erbindingen. Pooling an erbindingen zorgt oor een aanzienlijke ermindering an de systeembelasting die normaal gesproken wordt besteed aan de totstandbrenging en erbreking an deze erbindingen. Pooling an erbindingen is transparant oor toepassingen die erbinding zoeken met de host ia DB2 Connect. Wanneer een toepassing erzoekt om erbreking an de erbinding met de host, erwijdert DB2 Connect de inkomende erbinding met de toepassing, maar wordt de uitgaande erbinding met de host in een pool behouden. Wanneer een nieuwe toepassing een erbinding aanraagt, gebruikt DB2 Connect een erbinding uit de bestaande pool. Het gebruik an de reeds aanwezige erbinding ermindert niet alleen de totale erbindingstijd, maar ook de hoge CPU-erbindingskosten op de host. DB2 Connect-agents hebben een actiee of een niet-actiee status. Een agent is actief wanneer deze werk uitoert oor een toepassing. Als dit werk is oltooid, eralt de agent in de status niet-actief in afwachting an erder werk an dezelfde of een andere toepassing. Alle niet-actiee agents worden ondergebracht in de pool oor niet-actiee agents. U kunt de grootte an de pool configureren met behulp an de configuratieparameter NUM_POOLAGENTS. Deze parameter Hoofdstuk 10. Performance 87
96 is gelijk aan het maximumaantal niet-actiee agents dat het systeem moet behouden. Als u deze parameter op nul instelt, schakelt u de oorziening oor pooling an erbindingen uit. DB2 Connect brengt geen erbindingen met de database tot stand zonder clientopdracht. U kunt echter wel de pool an niet-actiee agents ullen oordat er een opdracht an een client ontangen is. De pool kan bij het opstarten worden geuld met behulp an de configuratieparameter NUM_INITAGENTS. Deze parameter bepaalt hoeeel niet-actiee agents er moeten worden gemaakt bij het opstarten. Deze niet-actiee agents hebben aanankelijk geen erbinding met de hostdatabaseserer. Wanneer een client om een erbinding met de host raagt, probeert DB2 Connect om een an de agents uit de pool te gebruiken die een erbinding hebben met de hostdatabaseserer. Als dat niet lukt, wordt gezocht naar een beschikbare agent in de niet-actiee pool. Als de pool leeg is, maakt DB2 Connect een nieuwe agent. U kunt het maximumaantal agents dat tegelijkertijd actief kan zijn, beheren met behulp an de configuratieparameter MAX_COORDAGENTS. Als dat aantal wordt oerschreden, mislukken nieuwe erbindingen met foutbericht sqlcode SQL1226. (Deze code houdt in dat het maximumaantal gelijktijdige uitgaande erbindingen is oerschreden.) Met de DB2-registerariabele DB2CONNECT_IN_APP_PROCESS kunnen toepassingen die op dezelfde machine worden uitgeoerd als DB2 Connect EE, DB2 Connect binnen het toepassingsproces uitoeren (standaardinstelling) of een erbinding met de DB2 Connect EE-serer tot stand brengen en erolgens de hosterbinding binnen een agent uitoeren. Voordat een toepassing pooling an erbindingen kan gebruiken, moeten de erbindingen met de host tot stand worden gebracht anuit de agents an de DB2 Connect EE-serer. Daaroor moet DB2CONNECT_IN_APP_PROCESS dus worden ingesteld op NO. S/390 APAR s die ereist zijn oor pooling an erbindingen: De fixes oor APAR PQ24584 moeten worden toegepast op DB2 oor OS/390 Versie 5.1. APAR s PQ26179 en PQ33473 moeten worden toegepast op DB2 oor OS/390 Versie 6.1. Als u meer informatie wilt oer deze APAR s, ga dan naar de website oor sererondersteuning an IBM op en zoek op deze APAR-nummers. DB2 Connect-pooling an erbindingen ersus toepassingenserer-pooling an erbindingen: Pooling an erbindingen is een must oor alle op webtechnologieën gebaseerde toepassingen die ondersteuning moeten bieden oor grote aantallen transacties. De meeste webtoepassingenserers bieden nu hun eigen manier an pooling an databaseerbindingen. Zowel Microsoft MTS (COM+) en IBM WebSphere bieden bijoorbeeld pooling an erbindingen. De methodes oor pooling an toepassingen die zijn geïmplementeerd door deze serers erschillen aanzienlijk an hetgeen wordt geboden door de DB2 Connect-serers. Aangezien toepassingenserers erbindingen alleen oor eigen 88 Gebruikershandleiding
97 gebruik in een pool opnemen, gaan zij er eelal anuit dat gebruikers-id, wachtwoord, ergrendelingsnieaus en dergelijke exact hetzelfde zijn oor alle erbindingen. Nog belangrijker is dat toepassingenserers alleen erbindingen die zijn gestart door hetzelfde proces in een pool onderbrengen. Dit betekent dat erbindingen an andere machines, gebruikers of processen niet in de pool worden opgenomen. Hoewel deze poolingtechnieken an toepassingenserers nuttig zijn oor het hergebruik an erbindingen die tot stand zijn gebracht door hetzelfde subsysteem an een toepassing, zijn zij olledig ongeschikt oor pooling an erbindingen an meerdere gebruikers, serers, enzooort. De door de DB2 Connect-serers geboden pooling an erbindingen is in geen enkel opzicht afhankelijk an toepassingen, machines en gebruikers. Verbindingen an meerdere clients en toepassingenserers met erschillende gebruikers-id s kunnen allemaal opnieuw gebruikmaken an elkaars erbindingen, waardoor een eel efficiënter gebruik an de in de pool ondergebrachte resources mogelijk is. Welk type pooling an erbindingen kunt u het beste gebruiken? Beide. Oer het algemeen is het gebruik an zowel DB2 Connect-pooling an erbindingen als Application Serer-pooling an erbindingen een goede strategie, aangezien deze elkaar niet hinderen. Zelfs wanneer de door toepassingenserers geboden pooling an erbindingen is ingeschakeld, kan DB2 Connect-pooling an erbindingen de mogelijkheid an hergebruik an erbindingen bieden aan meerdere toepassingenserers, eenals aan andere clients die de DB2 Connect-serer gebruiken. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Verbindingsconcentrator op pagina 89 Pooling an erbindingen en erbindingsconcentrator op pagina 94 Verbindingsconcentrator De erbindingsconcentrator ermindert de resources die ereist zijn oor DB2 oor OS/390 en z/os -databaseserers, waardoor grote aantallen werkstations en webgebruikers kunnen worden ondersteund. Deze functie biedt een enorme erbetering an de schaalbaarheid an een DB2 oor OS/390 en z/os- en DB2 Connect -oplossing. Tegelijkertijd wordt gezorgd oor zo min mogelijk fouten tijdens het gebruik en een eenwichtige erdeling an het transactienieau in DB2 oor OS/390 en z/os-omgeingen waarin gemeenschappelijk gebruik wordt gemaakt an gegeens. Met de erbindingsconcentrator kan de erbinding an toepassingen in stand blijen, zonder dat er resources worden erbruikt op de DB2-hostserer. Er kunnen duizenden gebruikers actief zijn in toepassingen terwijl er slechts een paar threads actief zijn op de DB2-hostserer. De erbindingsconcentrator-technologie an DB2 Connect biedt DB2 Connect Enterprise Edition-serers de mogelijkheid om ondersteuning te bieden aan duizenden gebruikers die gelijktijdig zakelijke transacties uitoeren, terwijl het benodigde aantal resources op de S/390 -host- of iseries -databaseserers, drastisch wordt erminderd. Dit doel wordt bereikt door de werkbelasting an alle toepassingen te bundelen in een eel kleiner aantal erbindingen met de S/390-host- of iseries-databaseserer. Dit lijkt op de functie oor pooling an erbindingen die hierboen is beschreen, maar is in feite een eel geaanceerdere Hoofdstuk 10. Performance 89
98 benadering om het gebruik an resources te erminderen bij OLTP-toepassingen (On-line Transaction Processing) an grote omang. De erbindingsconcentrator introduceert het concept an de Logical Agent (LA). Deze erwerkt de gebruikersactiiteiten, terwijl de Coordinating Agent (CA) de eigenaar blijft an de DB2-erbinding en -thread. Wanneer er een erbinding tot stand wordt gebracht door een nieuwe gebruiker an een toepassing, krijgt deze een LA toegewezen. Omdat er een CA ereist is om SQL-instructies door te geen aan DB2, wordt deze toegewezen zodra er een nieuwe transactie wordt gestart. De sleutel tot deze architectuur is het feit dat de CA wordt losgekoppeld an de LA, en teruggaat naar de pool wanneer de transactie is oltooid (commit/rollback). Een ander belangrijk aspect is de methode oor het toewijzen an CA s aan nieuwe transacties in een omgeing waarin gegeens gemeenschappelijk worden gebruikt. DB2 Connect implementeert een geaanceerd planningsalgoritme dat met WLM-informatie (Work Load Manager) an OS/390 en z/os de werkbelasting erdeelt oer de leden an een groep oor gemeenschappelijk gegeensgebruik op basis an criteria die zijn ingesteld in WLM. WLM is niet alleen op de hoogte an de werkbelasting an elk lid, maar ook an hun beschikbaarheid. Hierdoor kan DB2 Connect op een doorzichtige manier werk erplaatsen an niet-actiee of oerbelaste leden naar degenen die actief zijn en weinig gebruikt worden. De erbindingsconcentrator an DB2 Connect wordt geactieerd wanneer u het maximumaantal logische agents op een hogere waarde instelt dan het aantal coördinerende agents. Pooling an erbindingen zorgt eroor dat er geen nieuwe erbinding tot stand hoeft te worden gebracht als een toepassing die wordt afgesloten geen erbinding meer nodig heeft. Met andere woorden, de ene toepassing moet de erbinding erbreken oordat een andere de erbinding in de pool opnieuw kan gebruiken. Met de erbindingsconcentrator kan DB2 Connect daarentegen een erbinding rijmaken oor een toepassing op het moment dat een andere toepassing een transactie heeft beëindigd, zonder dat die andere toepassing de erbinding hoeft te erbreken. In essentie worden een databaseserererbinding en de bijbehorende host- en DB2 Connect-resources alleen gebruikt door een toepassing als deze een actiee transactie heeft. Op het moment dat de transactie gereed is, zijn de erbinding en de bijbehorende resources beschikbaar oor gebruik door elke andere toepassing waaroor een transactie moet worden uitgeoerd. In orige ersies an DB2 Connect beschikte elke actiee toepassing oer een EDU (Engine Dispatchable Unit), die zowel de databaseerbinding als alle toepassingsaanragen beheerde. Deze EDU werd oer het algemeen aangeduid als coördinerende agent. Iedere coördinerende agent hield de status of context an de toepassing en de EDU bij. EDU s nemen een flinke hoeeelheid geheugen in beslag als het aantal erbindingen toeneemt, en het afwisselen an contexten tussen agents leidt tot extra oerhead. In boenstaande architectuur bestaat er een één-op-één relatie tussen erbindingen en EDU s. Met de erbindingsconcentrator hoeft die erhouding echter niet meer één-op-één te zijn. De relatie tussen erbindingen (X) en EDU s (Y) is nu dus X >= Y. Met de erbindingsconcentrator wordt de agent in twee delen gesplitst, een logische agent en een werkagent. Logische agents ertegenwoordigen een toepassing, maar zonder te erwijzen naar een bepaalde EDU. De logische agent beat alle gegeens en stuurblokken die een toepassing nodig heeft. Als er n toepassingen met de serer zijn erbonden, zijn er ook n logische agents op de serer. Werkagents zijn 90 Gebruikershandleiding
99 fysieke EDU s die toepassingsopdrachten uitoeren, maar geen permanente erbinding hebben met welke toepassing dan ook. Werkagents worden gekoppeld aan logische agents om transacties uit te oeren, erbreken deze koppeling aan het einde an de transactie en gaan dan weer terug naar de beschikbare pool. Een eenheid die logische-agentplanner heet, wijst werkagents toe aan logische agents. Beperkingen in het aantal open-bestandshandles op sommige computerplatforms kunnen ertoe leiden dat er meer dan een plannersubsysteem wordt gemaakt wanneer het aantal logische agents de limiet oor bestands-handles oerschrijdt. Beperkingen oor de erbindingsconcentrator: Er gelden een aantal belangrijke beperkingen oor het gebruik an de DB2 Connect-sererconcentrator. Lees de onderstaande informatie goed door oordat u de erbindingsconcentrator gaat gebruiken op uw systeem. Algemene beperkingen: De erbindingsconcentrator kan alleen worden gebruikt op DB2 Versie 7 of nieuwere clients. De concentrator gebruikt het protocol TCP/IP om inkomende erbindingen an lokale clients en clients op afstand tot stand te brengen. Alleen inkomende erbindingen die TCP/IP of Local (IPC) gebruiken, kunnen gebruikmaken an uitgaande erbindingen in een pool. De concentrator accepteert wel erbindingen ia andere communicatieprotocollen zoals named pipes, maar met dergelijke erbindingen kunnen de oorzieningen oor XA-concentratie an de concentrator niet worden gebruikt. Voor ondersteuning an nauw erbonden XA-transacties moeten alle toepassingen die deelnemen aan dezelfde XA-transactie, dezelfde gateway gebruiken om erbinding te maken met de host. Alleen toepassingen die alle gedeclareerde behouden cursors sluiten oordat er een COMMIT wordt uitgeoerd, kunnen profiteren an de concentrator. Transacties die behouden cursors niet sluiten, kunnen nog wel doorgaan maar krijgen een aste werkagent toegewezen, en kunnen dus niet gebruikmaken an de olledige oorzieningenset an de concentrator. Alle toepassingen die deelnemen aan dezelfde XA-transactie, moeten oer hetzelfde CCSID beschikken en moeten hetzelfde gebruikers-id gebruiken om de erbinding tot stand te brengen. Als er een uitgaande erbinding tot stand is gebracht om erbinding in twee fasen te ondersteunen, kan de agent an die erbinding alleen worden gebruikt om erbindingen in twee fasen te ondersteunen. Agents die tot stand zijn gebracht om een erbinding in één fase te ondersteunen, kunnen eeneens alleen erbindingen in één fase ondersteunen. De concentrator ondersteunt alleen dynamische SQL-instructies anuit de CLI (Call Leel Interface). CLI-toepassingen dienen ook geen gebruik te maken an KEEPDYNAMIC, want de concentrator is afhankelijk an instructies waaroor bij elke transactieoergang de opdracht PREPARE opnieuw wordt uitgeoerd. Dynamische PREPARE-opdrachten anuit ingesloten dynamische SQL-toepassingen worden niet geaccepteerd. U kunt uw toepassingen het beste zo wijzigen dat ze statische SQL-instructies gebruiken of de CLI gebruiken bij dynamische SQL-instructies. Extra beperkingen oor DB2 oor OS/390 Versie 6: U moet de statische SET-instructie niet gebruiken oor DB2 oor OS/390 V6-serers. DB2 stuurt geen foutberichten terug als u een statische SET-instructie Hoofdstuk 10. Performance 91
100 gebruikt, maar uw toepassing en andere toepassingen die dezelfde uitgaande erbinding delen, kunnen er nadeel an onderinden. Voor SET-instructies wordt alleen onmiddellijke uitoering ondersteund. Als u globale tijdelijke tabellen declareert, moeten deze expliciet worden gesloten bij de transactie- of ertakkingsgrens. Als u nalaat deze tabellen te sluiten, kan dit leiden tot een fout in latere transacties. Extra beperkingen oor DB2 oor OS/390 en z/os Versie 7 of hoger: Als u globale tijdelijke tabellen declareert, moeten deze expliciet worden gesloten bij de transactie- of ertakkingsgrens. Als u nalaat de tabellen te sluiten, dan wordt erbindingsconcentrator uitgeschakeld, maar de toepassing wordt wel oortgezet. Extra beperkingen oor DB2 oor iseries: Alleen het XA-gedeelte an de erbindingsconcentrator wordt ondersteund. De erbindingsconcentrator actieren: Als u de erbindingsconcentrator wilt gebruiken, moet u de olgende APAR toepassen op DB2 oor OS/390 en z/os Versie 6.1: APAR PQ33473 Met de configuratieparameter MAX_CONNECTIONS an de database manager kunt u het aantal logische agents instellen. U kunt de concentratorfunctie actieren door MAX_CONNECTIONS hoger in te stellen dan de standaardwaarde. De standaardwaarde oor MAX_CONNECTIONS is gelijk aan de waarde oor MAX_COORDAGENTS. Omdat elke toepassing één logische agent heeft, bepaalt MAX_CONNECTIONS in feite het aantal toepassingen dat kan worden erbonden met het databasesubsysteem, terwijl MAX_COORDAGENTS het aantal inkomende erbindingen beheert dat op een gegeen moment actief is. MAX_CONNECTIONS heeft een waarde tussen MAX_COORDAGENTS en Het standaardaantal logische agents is gelijk aan MAX_COORDAGENTS. De olgende bestaande configuratieparameters worden gebruikt om agents te configureren: MAXAGENTS Maximumaantal werkagents. MAX_COORDAGENTS Maximumaantal actiee coördinerende agents. NUM_POOLAGENTS Grootte an de agentpool. De agentpool beat niet-actiee en beschikbare agents. NUM_INITAGENTS Oorspronkelijke aantal werkagents in de pool. Dit zijn de niet-actiee agents. Ondersteuning oor XA-transacties: Met de architectuur an de erbindingsconcentrator kan DB2 Connect ondersteuning bieden oor nauw erbonden XA-transacties in DB2 oor OS/390 en z/os en DB2 oor iseries. Net als bij andere transacties koppelt de concentrator een werkagent aan een bepaalde XA-transactie (één XID). Als de XA-transactie echter wordt afgesloten met xa_end() (ertakkingsgrens), wordt de werkagent niet 92 Gebruikershandleiding
101 rijgegeen in de algemene pool. In plaats daaran blijft deze agent aan de desbetreffende XA-transactie gekoppeld. Wanneer er een andere toepassing aan dezelfde XA-transactie wordt toegeoegd, wordt de werkagent aan die toepassing gekoppeld. Na een transactiegrensaanroep keert de agent weer terug naar de pool. De agent gaat bijoorbeeld terug naar de normale pool na een xa_prepare() met alleen-lezen, xa_rollback(), xa_recoer(), xa_forget(), xa_commit() of na een willekeurige XA-fout die een ROLLBACK eroorzaakt. Met Xa_end() zelf wordt alleen de transactieertakking beëindigd, en dat is niet genoeg om de koppeling met het XID te erbreken. Voorbeelden an ondersteuning oor XA-transacties: 1. Veronderstel een omgeing waarin gelijktijdige erbindingen of meer nodig zijn. Dit aantal kan worden oerschreden door een webserer die CGI-toepassingen gebruikt of een kantoorsysteem met eel desktopgebruikers. In deze geallen werkt DB2 Connect uit het oogpunt an efficiëntie doorgaans als zelfstandige gateway: de database en het DB2 Connect-systeem beinden zich daarbij op erschillende machines. Het DB2 Connect-serersysteem is mogelijk niet in staat om gelijktijdige open erbindingen met de databasemachine te onderhouden. In de meeste geallen is het aantal transacties dat op elk willekeurig moment plaatsindt, aanzienlijk lager dan het aantal gelijktijdige erbindingen. De systeembeheerder kan de efficiëntie an het systeem dan ergroten door de databaseconfiguratieparameters als olgt in te stellen: MAX_CONNECTIONS = MAX_AGENTS = MAX_COORDAGENTS = NUM_POOLAGENTS = De concentrator houdt dan maximaal gelijktijdige sessies open, terwijl de gateway slechts transacties tegelijkertijd beheert. 2. In het boenstaande oorbeeld maken en erbreken werkagents oortdurend koppelingen met logische agents. Actiee agents die wel een erbinding met de database onderhouden maar die niet deelnemen aan een bepaalde transactie, zijn dus rij wanneer een logische agent (toepassing) om erbinding raagt. XA-transacties zijn een ander geal. In dit oorbeeld wordt waarschijnlijk een TP-monitor gebruikt met een DB2 Connect-gateway en een zseries - of iseries-database. Wanneer een toepassing een erbinding aanraagt, wordt een niet-actiee agent aangeboden om aan dat erzoek te oldoen of wordt een nieuwe werkagent gemaakt door de concentrator. Veronderstel dat de toepassing een XA-transactie aanraagt. Er wordt een XID gemaakt oor deze transactie en de werkagent wordt hieraan gekoppeld. Wanneer aan het erzoek an de toepassing is oldaan, geeft deze de opdracht xa_end() om te worden losgekoppeld an de werkagent. De werkagent blijft gekoppeld aan het XID an de transactie. De agent kan nu alleen oldoen aan erzoeken oor transacties met het bijbehorende XID. Op dit moment kan een andere toepassing een aanraag doen oor een transactie die geen XA-transactie is. Zelfs als er geen andere werkagents beschikbaar zijn, kan de agent die is gekoppeld aan het XID, niet worden rijgemaakt oor de tweede toepassing. De agent wordt als actief beschouwd. Er wordt dus een nieuwe werkagent gemaakt oor de tweede toepassing. Wanneer de tweede toepassing de transactie heeft oltooid, wordt de werkagent rijgegeen in de beschikbare pool. Hoofdstuk 10. Performance 93
102 In de tussentijd kunnen andere toepassingen die de transactie aanragen die bij het XID an de eerste agent hoort, aan die agent worden gekoppeld en weer worden losgekoppeld, en oert de agent de toegewezen XA-transactie uit. Toepassingen die deze transactie aanragen, worden naar deze agent gezonden als de agent rij is. De werkagent wordt pas rijgegeen in de algemene pool als er een transactiegrensaanroep wordt gegeen (niet xa_end()). Een toepassing kan bijoorbeeld de transactie beëindigen met xa_commit(), waarna de koppeling tussen de werkagent en het XID wordt opgeheen en de agent terugkeert naar de beschikbare pool. Vanaf dat moment kan de agent weer worden gebruikt door alle toepassingen die een aanraag doen, of dat nu oor een nieuwe XA-transactie is of niet. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Pooling an erbindingen op pagina 86 Pooling an erbindingen en erbindingsconcentrator op pagina 94 Pooling an erbindingen en erbindingsconcentrator Hoewel er oereenkomsten schijnen te zijn tussen pooling an erbindingen en de erbindingsconcentrator, erschillen zij oor wat betreft hun implementatie en zijn zij gericht op erschillende problemen. Pooling an erbindingen biedt mogelijkheden oor het erminderen an de oerhead an databaseerbindingen en het erwerken an het erbindingsolume. De erbindingsconcentrator erbetert de schaalbaarheid an een DB2 oor OS/390 en z/os - en DB2 Connect -oplossing door het gebruik an de hostdatabaseserers te optimaliseren. Wanneer er gebruik wordt gemaakt an pooling an erbindingen, is de erbinding alleen beschikbaar oor hergebruik nadat de toepassing die eigenaar is an de erbinding een erzoek om het erbreken an de erbinding heeft erzonden. In eel tweelagige client/serer-toepassingen wordt de erbinding gedurende de werkdag niet erbroken door de gebruikers. Ook brengen de meeste toepassingenserers in meerlagige toepassingen een databaseerbinding tot stand bij het opstarten an de serer. Deze erbindingen worden pas rijgegeen wanneer de toepassingenserer wordt afgesloten. In deze omgeingen heeft pooling an erbindingen weinig of geen nut. In weben client/serer-omgeingen waar erbindingen aker tot stand worden gebracht en erbroken, biedt pooling an erbindingen echter belangrijke oordelen ten aanzien an de performance. De erbindingsconcentrator wijst hostdatabaseresources alleen toe oor de duur an een SQL-transactie, terwijl de gebruikerstoepassingen actief blijen. Hierdoor zijn configuraties mogelijk waarin het aantal DB2-threads en de resources die zij erbruiken eel kleiner is dan het geal zou zijn als elke toepassingserbinding zijn eigen thread had. Wanneer het gaat om fail-safe erwerking en erdeling an de werkbelasting, is de concentrator duidelijk de juiste keuze, aangezien het werk bij elke nieuwe transactie opnieuw kan worden toegewezen. Pooling an erbindingen biedt daarentegen slechts beperkte mogelijkheden oor erdeling an de werkbelasting en uitsluitend tijdens erbindingstijd. Pooling an erbindingen en de erbindingsconcentrator moeten samen gebruikt worden, hoewel zij zich richten op erschillende problemen. 94 Gebruikershandleiding
103 DB2 Connect - Tuning Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Verbindingsconcentrator op pagina 89 Pooling an erbindingen op pagina 86 DB2 Connect - Tuning Verschillende parameters in het DBM-configuratiebestand kunnen worden gebruikt oor het afstemmen an DB2 Connect. RQRIOBLK: De parameter RQRIOBLK stelt de maximale omang oor netwerk-i/omarkeringen in. Een grotere blokgrootte kan de performance an omangrijke opdrachten erbeteren. De blokgrootte heeft meestal geen inloed op de responstijd oor kleine opdrachten zoals een erzoek om een enkele gegeensrij. Een grotere blokgrootte ereist meestal meer geheugen op de DB2 Connect-serer. Hierdoor wordt de omang an het configuratiepakket ergroot en kan eel paging ontstaan op kleine werkstations. Gebruik de standaard DRDA -blokgrootte (32767) wanneer dit niet teeel paging bij het uitoeren an uw toepassing eroorzaakt. Verklein anders de I/O-blokgrootte tot er geen paging meer optreedt. Zodra er paging optreedt, zal de performance merkbaar afnemen. Gebruik hulpprogramma s oor het bewaken an de performance (zoals het hulpprogramma mstat oor UNIX-systemen) om te bepalen of er paging op uw systeem plaatsindt. DIR_CACHE: De parameter DIR_CACHE bepaalt of de directory-informatie in cache wordt opgeslagen. Bij het gebruik an cachegeheugens (DIR_CACHE=YES) worden directorybestanden gelezen en in het cachegeheugen opgeslagen. Dit ermindert oerhead oor het maken an de interne directorystructuur en het lezen an directorybestanden wanneer er een erbinding wordt gemaakt. Zonder het gebruik an cachegeheugens (DIR_CACHE=NO) wordt, telkens wanneer er een erbinding wordt gemaakt met een database, de juiste directory anaf een schijf gelezen oordat de zoekopdracht wordt uitgeoerd. Nadat de geraagde ingangen zijn geonden, wordt al het geheugen dat werd gebruikt oor zoekacties in de directorystructuur rijgemaakt. Bij gebruik an cachegeheugens wordt er tijdens de erwerking an db2start een gemeenschappelijke directorycache gemaakt die weer wordt rijgegeen wanneer DB2 wordt beëindigd. Deze cache wordt door alle sererprocessen (db2agent) an DB2 gebruikt. Daarnaast wordt er een directorycache oor persoonlijke toepassing gemaakt wanneer een toepassing de eerste CONNECT-opdracht oor een database opgeeft. Deze wordt rijgemaakt wanneer de toepassing wordt beëindigd. Hoofdstuk 10. Performance 95
104 Elke cache geeft een image an de systeemdatabasedirectory, de directory oor databaseerbindingsserices en de knooppuntdirectory. De cache erlaagt de erbindingskosten door directorybestand-i/o te elimineren en de zoekacties in de directorystructuur te erminderen. Wanneer een in cache opgeslagen directory wordt bijgewerkt, worden de wijzigingen niet meteen in de caches doorgeoerd. Wanneer een directorygegeen niet in een cache is geonden, wordt de oorspronkelijke directory doorzocht. Cachegeheugens ergroten het ereiste niet-gemeenschappelijk geheugen tijdens het uitoeren an een toepassing. Zonder caching is dit geheugen uitsluitend benodigd wanneer er een zoekactie in een directorystructuur wordt erwerkt. Het totale gebruik an gemeenschappelijk geheugen door DB2 wordt enigszins ergroot omdat directory-informatie die gemeenschappelijk wordt gebruikt door database-agents naar een gemeenschappelijk geheugen wordt erplaatst. De omang an het ereiste geheugen oor een cache hangt af an het aantal ingangen dat in elke directory is opgegeen. NUMDB: In eerdere ersies was de waarde an de configuratieparameter NUMDB niet an inloed op de werking an DB2 Connect, maar dit is in Versie 8 niet langer het geal. Deze parameter geeft het maximumaantal databases aan waarmee de clients ia de DB2 Connect-serer kunnen worden erbonden. Meer in het bijzonder, het maximumaantal erschillende databasealiassen dat de catalogus op de DB2 Connect-serer kan beatten. Oerige DB2 Connect-parameters: AGENTPRI is alleen an toepassing op clients op afstand. AGENTPRI bepaalt de prioriteit die door de planner an het besturingssysteem aan agents an een DB2 Connect-subsysteem wordt gegeen. Er worden meer CPU-cycli aan het subsysteem an DB2 Connect erleend wanneer het een hogere prioriteit heeft (lager nummer). Hierdoor wordt het aantal CPU-cycli erminderd dat oerblijft oor andere processen die op het DB2 Connect-werkstation worden uitgeoerd. Op hetzelfde werkstation kunnen bijoorbeeld een DB2 Connect-subsysteem met hoge prioriteit en een DB2 Connect-subsysteem met lage prioriteit worden uitgeoerd met erschillende AGENTPRI-waarden. Voor elke erbinding tussen een client en een host- of een iseries -databaseserer ia DB2 Connect is de uitoering an een agent op het DB2 Connect-werkstation ereist. Stel MAXAGENTS in op een waarde die groter is dan of gelijk is aan het hoogste aantal erbindingen an clients op afstand met toegang tot een host- of iseries-databaseserer ia het DB2 Connect-werkstation. Als u besluit accountreeksen te gebruiken, heeft het gebruik an de API sqlesact() performanceoordelen ergeleken met de methode waarbij omgeingsariabelen an DB2ACCOUNT worden gebruikt. Als u geen aangepast SQLCODE-toewijzingsbestand nodig hebt, kunt u de performance erbeteren door gebruik te maken an de standaard SQLCODE-toewijzing of het uitschakelen an de SQLCODE-toewijzing. Het standaard toewijzingsbestand is opgenomen in de bibliotheek an DB2 Connect; er moet een aangepast toewijzingsbestand an schijf worden gelezen hetgeen inloed heeft op de performance. 96 Gebruikershandleiding
105 Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Hostdatabase - Tuning op pagina 97 Hostdatabase - Tuning De systeemperformance wordt beïnloed door de performance an de database an de host- of de iseries -databaseserer. Verschillende databasebeheersystemen hebben erschillende performancekenmerken. Zo kunnen SQL-optimizers oor erschillende systemen zich binnen dezelfde toepassing anders gedragen. Raadpleeg de documentatie oer de systeemperformance an uw host- of iseries-databaseserersysteem oor meer informatie. U kunt de performance wellicht erbeteren door gebruik te maken an de bindopties UR (niet-astgelegde READ) of NC (no commit) om opname in een journaal waar mogelijk te oorkomen. Opmerking: Wanneer u gebruikmaakt an UR kunnen niet in het journaal opgenomen gegeens uitsluitend worden gelezen en niet worden bijgewerkt. Dit kan alleen wanneer BLOCKING is ingesteld op ALL. Afhankelijk an de toepassingenserer en de granulatie an ergrendeling die deze biedt, kan het ergrendelingsnieau oor een query of toepassing een significante inloed hebben op de performance. De database moet het juiste nieau oor normalisatie, effectief gebruik an indexen en een passende toewijzing an databaseruimte hebben. De performance kan ook worden beïnloed door de gegeenstypen die u gebruikt, zoals beschreen in de olgende paragrafen. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Oerwegingen bij netwerktuning op pagina 97 Oerwegingen bij netwerktuning De beste manier om de algemene performance in een gedistribueerde databaseomgeing te erbeteren, is het elimineren an ertragingen anaf het netwerk. Oer het algemeen inden netwerkbeheerders een netwerk efficiënter wanneer het zoeel mogelijk gegeens erzamelt tussen transmissies. Dit uitgangspunt werkt niet bij toepassingen zoals gedistribueerde databases omdat hierdoor ertragingen in het netwerk ontstaan. De eindgebruiker zal de efficiëntie an een netwerk niet opmerken, de ertragingen echter wel. De meeste netwerkapparatuur heeft ertragingsparameters waaran de meeste op standaardwaarden zijn ingesteld die erg slecht zijn oor gedistribueerde databases. Voor het erbeteren an de performance moet u deze parameters opzoeken en zo mogelijk instellen op nul. Daarnaast moet worden gecontroleerd of de bufferomang op het apparaat groot genoeg is om herhaald erzenden anwege erloren gegeens te oorkomen. UNIX -systemen hebben bijoorbeeld een wachtrijlengte an 32 oor Transmit of Receie. Stel de wachtrijlengte in op 150 oor betere resultaten. Een ergelijkbare parameter oor DLC-instellingen is Receie Depth. Deze moet ook 150 zijn. De parameter IOBUF is op de meeste sites te laag ingesteld. Meestal is deze ingesteld op 150, maar de praktijk wijst uit dat een waarde an 3992 het best werkt Hoofdstuk 10. Performance 97
106 wanneer er grote hoeeelheden gegeens worden erplaatst, ooral oor kanaalerbindingen zoals ESCON of Voor SNA-erbindingen moet Mode Profile oor alle werkstationsoftware worden ingesteld op 63. In het algemeen moeten de waarden oor transmissiesnelheid oor ontangst worden ingesteld op de hoogste waarde. De parameters VPACING en PACING in de instructie DB2 APPL en de PU/LU oor het werkstation in een geschakelde hoofdwerkstand moeten dus worden ingesteld op 63. Hierdoor kan de omang an berichtenstromen progressief toenemen oordat de afzender moet wachten op een respons. Op een LAN-systeem kan het DLC- of LLC-ensterformaat oor erzending en ontangst eel inloed hebben op de performance. De erzendwaarde moet worden ingesteld op zeen of meer en oor de meeste configuraties werkt een ontangstwaarde an ier of minder het best. Wanneer u gebruikmaakt an Ethernet moet u de segmentomang an TCP instellen op 1500 bytes. Op een Token-Ring netwerk of een FDDI-netwerk moet deze waarde 4400 bytes zijn. Als u gebruikmaakt an een ESCON-adapter met TCP/IP moet de segmentgrootte altijd 4096 zijn. Ten slotte moet oor TCP/IP-netwerken de bufferomang oor TCP Send en Receie hoger worden ingesteld dan Oer het algemeen is de beste waarde. Opmerking: Het tot stand brengen an een erbinding an de gateway naar de serer (uitgaande erbinding) is duurder dan het tot stand brengen an een erbinding an een client naar de gateway (inkomende erbinding). In een omgeing waar duizenden clients aak een erbinding met de serer ia de gateway maken en erbreken, wordt een groot deel an de erwerkingstijd besteed aan het tot stand brengen an uitgaande erbindingen. DB2 Connect zorgt oor pooling an erbindingen ia TCP/IP. Wanneer een client erzoekt om erbreking an de erbinding met de serer, dan erwijdert de gateway de uitgaande erbinding met de client, maar wordt de uitgaande erbinding met de serer in een pool behouden. Wanneer er een nieuwe client in de gateway komt die erzoekt om een erbinding, geeft de gateway een bestaande erbinding anuit de pool. Op die manier wordt de totale erbindingstijd erkort en wordt op de hoge CPU-erbindingskosten op de serer bespaard. In de olgende tabel wordt een oerzicht gegeen an methoden oor het erbeteren an de netwerkperformance. Zoeken naar Voorbeeld Instelling Opmerkingen Doelbewuste ertragingen Vertragingsparameters op netwerkapparaten Ingesteld op 0. Standaardwaarden zijn meestal hoger. 98 Gebruikershandleiding
107 Zoeken naar Voorbeeld Instelling Opmerkingen Buffers IOBUF-parameter Instellen tot Vooral nuttig oor een ESCON- of andere kanaaladapter. Adapterinstellingen TCP-instellingen RUSIZE Transmissiesnelheid Wachtrijlengte oor erzenden/ ontangen DLC-ensters op SNA Grootte an segmenten Grootte an zend/ontang-ruimte Optimale grootte is VPACING, PACING en Mode Profiles moeten worden ingesteld op 63. Aanbeolen waarde is 150. Stel de windowgrootte oor erzenden in op hoog (>7). Stel de windowgrootte oor ontangen in op laag (bijoorbeeld 1) en test en erhoog dit herhaaldelijk om de ideale waarde te inden op Ethernet, 4400 op Token-Ring en FDDI. Moeten beide 64 kb zijn. Instelling an RUSIZE en RQRIOBLK op dezelfde grootte geeft mogelijk de beste performance. Gebruik aanpasbare transmissiesnelheid waar mogelijk. Standaardwaarde is gewoonlijk 32. Elk logisch apparaat leert extra ertraging op. Vereenoudig de netwerktopologie zoeel mogelijk. ESCON-adapters die worden gebruikt oor TCP/IP, moeten ingesteld zijn op Standaard is alleen 8192 oor Windows. Kan worden ingesteld in het register an Windows. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Conflicten tussen systeemresources op pagina 99 Conflicten tussen systeemresources De performance kan erslechteren wanneer eel taken binnen het systeem tegelijkertijd systeemresources opragen. Houd rekening met het olgende: Is de CPU oerbelast? Oerweeg een upgrade an het systeem, ermindering an de werkbelasting of tuning an het systeem om de erwerkingsoerhead te erminderen. Hoofdstuk 10. Performance 99
108 Zijn er te eel COMMIT-opdrachten oor het geheugen? Oerweeg een upgrade an het geheugen, ermindering an de werkbelasting an het systeem of tuning an het systeem door het configuratiepakket an het geheugen te erkleinen. Is de communicatie-adapter/communicatiecontroller te zwaar belast? Oerweeg een upgrade an het netwerk of het als paar gebruiken an Token-Ring kaarten. Wordt een an de subsystemen te zwaar belast en beindt het subsysteem zich in het gegeenspad? Worden er oerbodige processen of taken op het systeem uitgeoerd? De algemene regel is dat oorzieningen niet moeten worden geconfigureerd of gestart als ze niet regelmatig worden gebruikt, omdat dit leidt tot erspilling an systeemresources. Nemen enkele processen of taken het grootste deel an de resources in beslag? Kunnen ze worden beëindigd? Kan de prioriteit eran worden erminderd? Kunnen ze opnieuw worden gedefinieerd zodat ze minder resourcecapaciteit erbruiken? Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 DB2 Connect - Oplossing an performanceproblemen op pagina 100 DB2 Connect - Oplossing an performanceproblemen Wanneer gebruikers an DB2 Connect tijdens lange query s anaf de host- of de iseries -serers worden geconfronteerd met lange responstijden moeten de olgende gebieden worden onderzocht om de mogelijke oorzaak an het performanceprobleem op te sporen: 1. Controleer oor query s die resulteren in het terugzenden an omangrijke gegeensblokken anaf de host of de iseries-serer (meestal 32 kb aan gegeens of meer), of de DBM-configuratieparameter (Database Manager) RQRIOBLK is ingesteld op U kunt hieroor de Opdrachtregelinterface (CLP) gebruiken: db2 update database manager configuration using RQRIOBLK Wanneer VTAM wordt gebruikt bij de erbinding met de host of de iseries-serer, controleert u de configuratie switched major node op de waarde an de parameter PACING. Controleer de communicatie-instellingen an het LU 6.2 Mode Profile oor de definitie an de werkstand IBMRDB op het DB2 Connect-werkstation. Controleer in deze definitie of de waarde an de parameter Receie pacing window kleiner dan of gelijk is aan de waarde PACING die is gedefinieerd op VTAM. Een algemene waarde oor Receie pacing window op het DB2 Connect-werkstation en PACING op VTAM is Controleer of de maximale RU-grootte in de werkstanddefinitie IBMRDB op een passende waarde is ingesteld. Voor erbindingen met gebruik an Token-Ring hardware wordt minstens 4 kb aangeraden. Bij erbindingen met Ethernet-hardware kan de maximale framegrootte an 1536 bytes oor Ethernet een beperkende factor zijn. 4. Oerleg met de VTAM-beheerder in uw omgeing om er zeker an te zijn dat VTAM gebruikmaakt an aanpasbare transmissiesnelheid in de LU-LU-sessies met uw DB2 Connect-werkstation. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina Gebruikershandleiding
109 Tuning an DB2 Connect-erbindingen met NCP op pagina 101 Tuning an DB2 Connect-erbindingen met NCP Hieronder ziet u een typisch oorbeeld an een netwerkconfiguratie: SDLC-lijnen 3270-erkeer, enz. VTAM NCP LAN DB2 Connect Enterprise Edition DB2 CAE for DOS DB2 CAE Windows* DB2 CAE for OS/2 DB2 CAE for UNIX DB2 CAE for Mac *16- en 32-bits Windows-besturingssystemen. Figuur 10. SNA-netwerkscenario met DB2 Connect Enterprise Edition-serer Dit scenario richt zich op de dooroer en responstijd tussen de host- of de iseries -databaseserer en de DB2 Connect Enterprise Edition-serer en erschillende parameters die hier inloed op kunnen hebben. Criteria oor tuning: De olgorde waarin deze wijzigingen moeten worden aangebracht is: 1 - DELAY on PCCU macro* 2 - DLC/LLC-tuning* 3 - PIU-grootte* 4 - Pacing window changes* 5 - DELAY on LINE macro* 6 - MAXBFRU wijzigen 7 - LAN-framegrootte * Aanzienlijke erbetering an dooroercapaciteit is mogelijk Hoofdstuk 10. Performance 101
110 Omang an PIU (RU + 29 bytes) De RU-grootte op de host en de DB2 Connect-serer moeten worden gemaximaliseerd. Dit impliceert dat de RU-omang groot genoeg moet zijn om de API-crossing te beatten (SEND- en RECEIVE-gegeens oor de transactie waar mogelijk) om het aantal keren dat de VTAM - programmastack wordt gepasseerd zoeel mogelijk te beperken. Het is ook mogelijk dat de framegrootte an het netwerk de maximale RU-grootte beperkt als RU-segmentatie niet gewenst is. Het is erstandig om de blokgrootte (RQRIOBLK) an DB2 Connect en de waarden oor RU en transmissiesnelheid in te stellen zodat RU * transmissiesnelheid >= RQRIOBLK. De standaardgrootte oor RQRIOBLK (32K) is in de meeste geallen een goede waarde. Om deze te benutten moet u RU = 4K opgeen en de transmissiesnelheid oor ontangstensters op 8 instellen. De RU-grootte en de transmissiesnelheid worden bepaald door de werkstandtabel die zowel op het DB2 Connect -werkstation als in VTAM wordt gedefinieerd. De definities an de werkstandtabel moeten op beide plaatsen identiek zijn. RQRIOBLK wordt ingesteld met de opdracht DB2 UPDATE DBM CFG. De netwerkframegrootte I-frame wordt ingesteld in de DLC-configuratie op het DB2 Connect-werkstation en in NCP. Windowformaat oor transmissiesnelheid De windows oor sessie- en VR-transmissiesnelheid moeten worden gemaximaliseerd: gebruik de grootste waarde die geen negatiee geolgen heeft, zoals oerbelasting an het netwerk, asthouden door VR, enzooort. Stel oor een testomgeing de transmissiesnelheid in op 0 (no pacing) of op de maximumwaarde X 3F. Waarden oor coat-tailing (DELAY) Coat-tailing wordt bestuurd door de parameter DELAY. De parameter DELAY in de PCCU-macro bestuurt uitgaande coat-tailing (uitgaand met betrekking tot de host). De waarde DELAY in de definitie-instructie LINE oor de NCP bestuurt inkomende coat-tailing (inkomend met betrekking tot de host). De waarde DELAY bepaalt hoe lang een PIU in de wachtrij (NCP of VTAM) wordt astgehouden oordat deze wordt erzonden. Het doel an deze wachttijd is het ergroten an de mogelijkheid dat er tussentijds andere PIU s aankomen en dat deze allemaal in één kanaalprogramma kunnen worden erzonden. Voor de laagste ertraging moet de waarde DELAY worden ingesteld op 0. Het wijzigen an de uitgaande ertragingswaarde an coat-tailing naar 0 mag geen merkbaar effect op de host hebben, met uitzondering an een erbeterde performance oor uitgaand erkeer. Verder kan er enige erbetering in de performance oor inkomend erkeer optreden. Bij het wijzigen an de waarde DELAY in 0 in de NCP moet u iets oorzichtiger te werk gaan. Deze waarde kan worden ingesteld op 0 wanneer de NCP niet wordt oerbelast en inkomend erkeer niet oor een belangrijk deel uit kleine frames bestaat. Het instellen an de DELAY-waarden op 0 kan een significante erbetering in responstijd teweegbrengen, ooral bij lichte belasting of in test/benchmarkomgeingen. VTAMB7 PCCU CUADDR=CAF, AUTODMP=NO, AUTOIPL=NO, 102 Gebruikershandleiding
111 AUTOSYN=YES, BACKUP=YES, DELAY=0, VFYLM=YES, CHANCON=UNCOND, MAXDATA=32768, DUMPDS=NCPDUMP, OWNER=HOSTB7, SUBAREA=17 LNCTLS GROUP LNCTL=CA,CA=TYPE6,DELAY=0.0,TIMEOUT=500.0 CA0 LINE ADDRESS=00 PUCHAN0 PU PUTYPE=5,TGN=1 CA1 LINE ADDRESS=01 PUCHAN1 PU PUTYPE=5,TGN=1 Voor DELAY-oerwegingen kunt u de VTAM Network Implementation Guide raadplegen. MAXBFRU De waarde MAXBFRU moet worden ingesteld op een waarde die twee of drie keer zo groot is als de grootste PIU-grootte. Tuning an de DLC/LLC-laag Controleer of de LLC2-windowgrootte (maximumgrootte an windows bij erzenden en ontangen oor DLC) tussen de NCP en de DB2 Connect Enterprise Edition gateway oereenkomen. De inloed hieran is groot, ooral wanneer de serer DB2 Connect oor AIX is. Aangeraden wordt om oor de maximumgrootte bij erzenden een hogere waarde op te geen dan oor de maximumgrootte bij ontangen. In het algemeen moeten de LLC2-timers/windows worden geoptimaliseerd oor elke SNA-erbinding ia Token-Ring. In enkele geallen is als geolg an deze wijziging een zesoudige erbetering in de dooroer- en responstijd geconstateerd. Grootte LAN-frames De maximale framegrootte oor Token-Ring moet zo groot mogelijk zijn. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 DB2 Connect - Oplossing an performanceproblemen op pagina 100 Tuning an DB2 oor OS/390 en z/os Voor TCP/IP-ondersteuning is minimaal OS/390 V1R3 ereist. OS/390 V2R5 of hoger wordt ten zeerste aangeraden. DDF (Distributed Data Facility) is erantwoordelijk oor erbinding an gedistribueerde toepassingen met DB2 oor OS/390 en z/os. DDF moet worden ingesteld als een toepassingenserer. Hiertoe moet u de LU-naam an het systeem op afstand opnemen in de tabel SYSIBM.LUNAMES of de waarden LUNAME, SYSMODENAME, USERSECURITY, ENCRYPTPSWDS, MODESELECT en USERNAMES in de tabel SYSIBM.SYSLUNAME. Voer erolgens een DDF-update uit op de Boot Strap Data Set (BSDS). Bijoorbeeld: DDF LOCATION=LOC1,LUNAME=LU1,PORT=8000,RESPORT=8001 Voor de beste performance moet u de aanbeolen DDF-prioriteit oor adresseerbare ruimte gebruiken (enigszins lager of gelijk aan DBM1 in de Hoofdstuk 10. Performance 103
112 werkstand COMPAT). Gebruik, indien mogelijk, RACF -caching an machtigingen in VLF en caching an V5-pakketmachtigingen. CACHEPAC=32768 is oor de meeste bewerkingen een geschikte waarde. Omdat DDF zal proberen om erbinding te maken met VTAM, moet VTAM actief zijn op het moment dat DDF start. Hieronder indt u een oorbeelddefinitie an VTAM APPL: SYD51TC* APPL AUTH=(ACQ), X PARSESS=YES, X HAVAIL=YES, X EAS=1600, X APPC=YES, X DSESLIM=1024, X DMINWNL=512, X DMINWNR=512, X AUTOSES=1, X SECACPT=ALREADYV, X SRBEXIT=YES, X SYNCLVL=SYNCPT, X MODETAB=DB2MODET, X VPACING=63 X Verwerking an inactiee threads kan in OS/390 en z/os worden geoptimaliseerd. In V3 waren maximaal gelijktijdig erbonden clients toegestaan en in V4 en V In alle geallen is het maximale aantal dat gelijktijdig actief kan zijn echter Elke werkstationclient kan erbonden blijen wanneer deze inactief is; de thread eran wordt bij elke uitoering an een COMMIT in een inactiee reeks geplaatst. De DSNZPARM-parameters CMTSTAT, CONDBAT en MAXDBAT beïnloeden de erwerking an threads. Voor de beste performance stelt u CMTSTAT in op INACTIVE en past u CONDBAT aan aan het maximumaantal erbonden DBAT s waarmee een goede performance kan worden erkregen en MAXDBAT aan het maximumaantal toegestane actiee DBAT s. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Verwante taken: Setting up DB2 as an application serer (OS/390 and z/os) in de publicatie Connectiity Supplement Setting up DB2 as an application requester (OS/390 and z/os) in de publicatie Connectiity Supplement Aanullende tuning an de SNA-performance Aanwijzingen en tips oor erbetering an de SNA-performance DB2 Connect heeft de olgende performancekenmerken: er wordt oornamelijk gebruikgemaakt an de processor en er indt weinig inoer/uitoer plaats. In het algemeen geldt: hoe groter de processorsnelheid, hoe sneller de uitoering an DB2 Connect. De SMP-processorinstellingen worden door DB2 Connect olledig benut. 104 Gebruikershandleiding
113 Een snelle DB2 Connect Enterprise Edition-serer kan een SQLraag/antwoordpaar in minder dan ijf milliseconden behandelen, clienttijd, netwerktijd en erwerkingstijd op de host of iseries -serer niet meegerekend. Een eenoudige SQL-instructie of query met enkele gegeensrijen kan in minder dan 0,1 seconden worden oltooid (an de client naar de host of iseries-serer en terug). Wanneer er meer dan ier of ijf SQL-instructies in een query oorkomen kunt u hoge OLTP-performance bereiken door het gebruik an opgeslagen procedures. Hiermee oorkomt u eeneens een hogere ergrendelingsrialiteit door netwerkertragingen tussen SQL-instructies. Uitoeringsproblemen worden meestal eroorzaakt door het type aansluiting op de host, de netwerkrouting- en tuningkenmerken, en het toepassingsontwerp. Andere informatiebronnen oor DB2 Connect-performance: Bezoek de website an de DB2 Technical Library op In de DB2 Uniersal Database Library kunt u naar Technotes zoeken met de trefwoorden DB2CONNECT en Performance oor de meest recente informatie oer DB2 Connect op het World Wide Web. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 DB2 Connect - Oplossing an performanceproblemen op pagina 100 Selectie en tuning an de netwerkerbinding Voor de beste performance bij gebruik an DB2 Connect, kunnen erschillende typen netwerkadapters worden gebruikt, waaronder de olgende: 1. Kanaaladapterkaart 2. IBM 3172 Model 3 of nieuwere of gelijkwaardige modellen 3. IBM Open systeem adapterkaart (OSA-2, niet OSA-1) 5. IBM 3745 met NCP (Network Control Program) of 6. IBM 3174 Terminal Controllers of gelijkwaardig (niet aanbeolen zie hieronder). Voor de erbinding met de host wordt het gebruik an ESCON - kanaaladapterkaarten oor AIX, Windows NT of Windows 2000 aanbeolen. De performance an IBM 3172 Model 3 en 2216 zijn ook goed, maar deze zijn geneigd om een lagere dooroercapaciteit te bieden dan ESCON. Wanneer u AIX gebruikt met ESCON-kaarten, moet u de PTF s aanbrengen die betrekking hebben op MPC (Multi Path Channel). Het is mogelijk dat zonder deze PTF s het AIX SNA ESCON-stuurprogramma een minder goede performance leert. Alle aanbeelingen die niet NCP-specifiek zijn, zijn an toepassing op alle typen DB2 Connect- en client/serer-erbindingen. Hoofdstuk 10. Performance 105
114 Mogelijk leert de OSA-2-kaart op System/390 of zseries niet zo n hoge dooroer als 3272 Model 3 wanneer er sprake is an een grote hoeeelheid kleine transacties. Dit komt door het lagere ermogen aan frames-per-seconde met NCP wordt meestal specifiek afgestemd oor bestaand netwerkerkeer. Hierdoor is het mogelijk dat de performance oor databaseclient/serertoepassingen minder hoog is. De meeste performanceproblemen an DB2 Connect worden eroorzaakt door de ertraging tussen de NCP en VTAM en/of tussen NCP s. In het algemeen wordt het gebruik an 3174 Terminal Controllers afgeraden omdat de pakketomang (RU size) an 256 bytes te klein is microcodenieau C is ereist om Independent LU-ondersteuning te bieden oor APPCdatabaseerbindingen. Voor equialenten an OEM 3174 kunnen ergelijkbare ereisten gelden. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Oerwegingen bij netwerktuning op pagina 97 Netwerkhardware op pagina 117 OSA-2-uitbreidingen De olgende informatie is afkomstig uit het IBM WSC Flash-document, nummer TITLE: WSC FLASH 9718: OSA-2 ENHANCEMENTS AVAILABLE DOCUMENT ID G UNCLASSIFIED Open Systems Adapter 2 (OSA-2) Systems Network Architecture (SNA) enhancements are being made aailable earlier than preiously announced. The enhancements are: o SNA/APPN enhancements for OS/390, VM/ESA, and VSE/ESA - Enhanced aailability: load balancing, redundancy, and oerflow - Enhanced connectiity: increased Physical Unit (PU) support (from 255 PUs per port to 2047 PUs per port). o Support for ACF/VTAM for VSE/ESA networks NOTE: These enhancements do not pertain to OSA-1. LOAD BALANCING, REDUNDANCY, AND OVERFLOW LOAD BALANCING: A single Medium Access Control (MAC) address can now be defined for attached OSA-2 SNA/APPN Physical Units (PUs), een though connections may be ia multiple physical ports. This support is offered for source-route bridged enironments only (Token-Ring and FDDI). The number of sessions established through a port is monitored, and user session loads are eenly distributed across the equally configured ports. REDUNDANCY: A secondary path between the LAN workstation and the host system can now be configured. If the primary path becomes unaailable, the secondary path will receie the LAN traffic. This increases system aailability and simplifies network management. OVERFLOW: User sessions flow through the primary OSA-2 port until the session capacity has been reached. Additional user sessions will 106 Gebruikershandleiding
115 automatically flow to the next OSA-2 port. Since all user workstations are identically configured, network administration is simplified and the network becomes more scalable. New users can be added non-disruptiely. Load balancing, redundancy, and oerflow support is proided by PTFs for OSA/SF as follows: o OS/390 - OW20205/UW /31/97 o VM/ESA - OW23952/UW /31/97 o VSE/ESA - Proided with VSE/ESA V /29/97 INCREASED PHYSICAL UNIT (PU) SUPPORT (VIA OSA/SF): The architecture has been changed to allow up to a maximum of 2047 PUs per physical port to be defined for OSA-2 Ethernet, Token-Ring and FDDI features instead of the current 255 PUs per port. This enhancement is aailable for currently installed features, as well as new installations. Actual connectiity may ary based upon user workloads. Increased Physical Unit (PU) Support is proided by PTFs for OSA/SF as follows: o OS/390 - OW23429/UW /31/97 o VM/ESA - OW24952/UW /31/97 o VSE/ESA - PQ03091/UQ /29/97 Increased Physical Unit (PU) Support is proided by PTFs for ACT/VTAM as follows: o ACF/VTAM for OS/390 - VTAM 4.1 OW14043/UW VTAM 4.2 OW14043/UW VTAM 4.3 OW14043/UW24906 o ACF/VTAM VM/ESA - VM60877/UV59834 o ACF/VTAM VSE/ESA - DY44347/UD50254 VSE/ESA - SNA SUPPORT OSA-2 and OSA/SF support is deliered ia VSE/ESA Version 2 Release 2.1. This announcement of VSE/ESA support satisfies the Statement of General Direction contained in Hardware Announcement , and Hardware Announcement , dated September 10, The OSA-2 feature proides ACF/VTAM for VSE/ESA host applications with direct access to Ethernet, Token-Ring, and FDDI LANs and Asynchronous Transfer Mode (ATM) Forum-compliant LAN emulation networks. OSA/SF is aailable: o As a non-exclusie element of OS/390 Release 1 or aboe ( ) o As a separate program product, S/390 Open Systems Adapter Support Facility Version 1 Release 2 for MVS/ESA 4.3 or aboe ( ) o As a facility of VM/ESA Version 2 Release 2.0 ( ) o As a component of VSE Central Functions in VSE/ESA Version 2 Release 2.1 (5690-VSE). Hoofdstuk 10. Performance 107
116 MORE INFORMATION Announcements , Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Aanwijzingen en tips oor erbetering an de SNA-performance op pagina 104 Snelheid an gegeensoerdracht in DB2 Connect erhogen Extra queryblokken In aanulling op het markeren an rijen ten behoee an een queryresultaatset kan DB2 oor OS/390 en z/os ook meerdere an dergelijke queryblokken terugzenden als antwoord op een OPEN- of FETCH-opdracht aan een client op afstand, zoals DB2 Connect. In plaats dat de client herhaaldelijk één blok rijgegeens opraagt bij de DB2 oor OS/390 en z/os-serer, kan de client de serer nu erzoeken om een aantal queryblokken tegelijk terug te zenden in aanulling op het blok dat altijd al wordt teruggezonden. Dergelijke aanullende queryblokken worden extra queryblokken genoemd. Deze nieuwe functie biedt de client dus de mogelijkheid om het aantal turnarounds an netlijnen te minimaliseren, zodat de netwerkperformance eel minder onder druk komt te staan. De ermindering an het aantal aanragen an queryblokken door de client aan de serer resulteert in een belangrijke erbetering an de performance. Deze erbetering is het geolg an het feit dat het oerschakelen an een SEND- naar een RECEIVE-opdracht en ice-ersa een zware belasting oor de performance is. DB2 Connect kan nu profiteren an deze performanceerbetering door standaard extra queryblokken aan te ragen bij een DB2 oor OS/390 en z/os-serer. Als u olledig wilt profiteren an de terugzending an extra queryblokken (die elk een lengte an maximaal 32 kb kunnen hebben) oor het netwerkprotocol TCP/IP, zijn de uitbreidingen oor window scaling ontworpen op basis an RFC-1323 in DB2 Connect. Door deze functie kan TCP/IP de windowgrootte oor het erzenden en ontangen an gegeens aanpassen aan de mogelijk grote hoeeelheden gegeens die als geolg an de extra queryblokken worden teruggezonden. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Extra queryblokken op pagina 108 Window Scaling op basis an RFC-1323 op pagina 110 Ondersteuning an extra queryblokken op serers met DB2 oor z/os Versie 6.1 of hoger wordt geconfigureerd ia de parameter EXTRA BLOCKS SRV in het enster oor de installatie an DB2 DDF. Deze ondersteuning wordt geconfigureerd door het bepalen an het maximumaantal extra queryblokken dat DB2 in antwoord op een opdracht an een client terug kan zenden. U kunt deze parameter instellen op een waarde tussen 0 en 100. Als u de parameter op de waarde 0 instelt, wordt de terugzending an extra queryblokken uitgeschakeld. 108 Gebruikershandleiding
117 Gebruik de standaardwaarde 100 om zoeel mogelijk te profiteren an deze functie, behale wanneer speciale kenmerken an het netwerk deze instelling minder geschikt maken. Aan de kant an de client, waar de toepassing ofwel rechtstreeks ia een DB2 Connect -installatie op dezelfde locatie of ia een afzonderlijke installatie an een DB2 Connect-serer toegang krijgt tot DB2 oor z/os, zijn er erschillende manieren oor het per cursor of per instructie actieren an de bijbehorende DB2 Connect-ondersteuning: Het instellen an de grootte an een queryrijenset oor een cursor. Het gebruik an de clausule OPTIMIZE for N ROWS in de bij een cursor behorende instructie SELECT. Het gebruik an de clausule FETCH FIRST N ROWS ONLY in de bij een cursor behorende instructie SELECT. DB2 Connect kan ondersteuning oor extra queryblokken inschakelen met behulp an erschillende SQL-API s: Ingesloten SQL-instructies De gebruiker kan ondersteuning an extra queryblokken oor een query oproepen door de clausule OPTIMIZE for N ROWS op te geen en/of de clausule FETCH FIRST N ROWS ONLY op te nemen in de instructie SELECT zelf. Met de clausule OPTIMIZE for N ROWS probeert DB2 oor OS/390 en z/os het gewenste aantal aan DB2 Connect terug te zenden rijen te markeren, afhankelijk an de instelling an de installatieparameter EXTRA BLOCKS SRV DDF. De toepassing heeft de mogelijkheid om meer dan N rijen op te halen, omdat DB2 oor z/os het totale aantal rijen dat kan worden geretourneerd oor de queryresultaatset niet beperkt tot N. De clausule FETCH FIRST N ROWS ONLY werkt op dezelfde manier, behale dat DB2 oor OS/390 en z/os de queryresultaatset beperkt tot N rijen. Het ophalen an meer dan N rijen resulteert in SQL-code +100 (einde an gegeens). CLI/ODBC JDBC De gebruiker kan ondersteuning oor extra queryblokken oor een query oproepen door middel an het instructiekenmerk SQL_MAX_ROWS. DB2 Connect neemt de clausule OPTIMIZE for N ROWS op oor een DB2 oor OS/390 en z/os 6.x-serer. Zelfs wanneer DB2 oor z/os het aantal rijen dat kan worden teruggezonden oor de queryresultaatset niet beperkt tot N, retourneert CLI/ODBC de foutcode SQL_NO_DATA_FOUND aan de toepassing als er een poging wordt gedaan om meer dan N rijen op te halen. In plaats daaran wordt de clausule FETCH FIRST N ROWS ONLY gebruikt oor een DB2 oor OS/390 en z/os 7.1-serer of een hogere ersie. Net als in het geal an de ingesloten SQL-instructies beperkt DB2 oor OS/390 en z/os de queryresultaatset tot N rijen. Het ophalen an meer dan N rijen resulteert in SQL_NO_DATA_FOUND. De gebruiker kan ondersteuning oor extra queryblokken oor een query ophalen door middel an de methode setmaxrows. Net als bij de CLI/ODBC-actiering neemt DB2 Connect de clausule OPTIMIZE for N Hoofdstuk 10. Performance 109
118 ROWS op oor een DB2 oor OS/390 en z/os 6.x-serer. Ook oor een DB2 oor z/os 7.1-serer of hoger neemt DB2 Connect de clausule FETCH FIRST N ROWS ONLY op. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Snelheid an gegeensoerdracht in DB2 Connect erhogen op pagina 108 Window Scaling op basis an RFC-1323 op pagina 110 Window Scaling op basis an RFC-1323 Window Scaling wordt ondersteund anaf DB2 Connect Versie 7 FixPak 4 op alle Windows - en UNIX -platforms die de RFC-1323-uitbreidingen oor TCP/IP ondersteunen. U kunt deze functie inschakelen op DB2 oor Windows en UNIX met behulp an de registerariabele DB2SORCVBUF an DB2. Als u Window Scaling wilt inschakelen, moet deze registerariabele worden ingesteld op een hogere waarde dan 64 kb. Op DB2 oor Windows of UNIX kunt u bijoorbeeld db2set DB2SORCVBUF =65537 opgeen. De maximumgrootte an de erzend- en ontangstbuffer is afhankelijk an het besturingssysteem. Om eroor te zorgen dat de geconfigureerde buffergroottes geaccepteerd zijn, kan de gebruiker de configuratieparameter DIAGLEVEL an de database manager instellen op 4 (informatief) en het beheerderslogboek controleren op berichten. Window Scaling heeft alleen effect als het aan beide kanten an de erbinding is ingeschakeld: zowel op het werkstation als de host, ofwel rechtstreeks ia de TCP/IP-stack an het besturingssysteem of indirect ia het DB2-product. Voor DB2 oor z/os kan Window Scaling momenteel alleen worden geactieerd ia het besturingssysteem door TCPRCVBUFRSIZE in te stellen op een hogere waarde dan 64 kb. Als u een DB2-client op afstand gebruikt om toegang te krijgen tot een hostof iseries-database an DB2 ia een DB2 Connect-sererwerkstation, kunt u Window Scaling ook inschakelen op de client. Op dezelfde manier kunt u ook Window Scaling inschakelen tussen een DB2-client op afstand en een DB2-serer op een werkstation wanneer er geen host- of iseries-database an DB2 bij is betrokken. Hoewel Window Scaling bedoeld is om de netwerkperformance te erbeteren, is het belangrijk om u te realiseren dat de erwachte erbetering an de netwerkperformance niet altijd wordt gerealiseerd. Interactie tussen factoren als de framegrootte die wordt gebruikt oor de ethernet of token-ring LAN-adapter, de IP MTU-grootte en andere instellingen op routers binnen de communicatieerbinding, kunnen zelfs resulteren in een lagere performance als Window Scaling ingeschakeld is. Daarom is Window Scaling standaard uitgeschakeld en zijn de erzend- en ontangstbuffers ingesteld op 64 kb. U moet de geolgen an het inschakelen an Window Scaling inschatten en indien nodig de instelling an het netwerk aanpassen. De white paper op beat een inleiding waarmee u het netwerk kunt instellen op een optimale netwerkperformance. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Snelheid an gegeensoerdracht in DB2 Connect erhogen op pagina Gebruikershandleiding
119 Extra queryblokken op pagina 108 Hoge beschikbaarheid en belastingserdeling oor hostdatabaseconnectiiteit Op de IT-markt an andaag is er grote behoefte aan 24 uur per dag beschikbaarheid an gegeens. Aan deze behoefte moet worden oldaan wil een bedrijf kunnen concurreren en blijen groeien. Veel web-, e-business- en spreadsheettoepassingen maken gebruik an bedrijfsgegeens. Er moet een betrouwbare, snelle en eilige erbinding met host- en iseries -databases tot stand worden gebracht. Deze erbinding moet 24 uur per dag, 7 dagen per week beschikbaar zijn en ondanks een zware werkbelasting een groot aantal erbindingsaanragen kunnen afhandelen. Hoe kan deze erbinding worden opgezet? Scenario oor hoge beschikbaarheid: Een bedrijf heeft erschillende werkstations en toepassingenserers die werken onder Windows en UNIX. Deze machines hebben toegang nodig tot gegeens die zich beinden op erschillende mainframe- en iseries-databases. Toepassingen die draaien op deze machines hebben behoefte aan een snelle en betrouwbare erbinding met de databases. Hoofdstuk 10. Performance 111
120 Het gehele systeem is erbonden ia een Ethernet-netwerk met behulp an TCP/IP. DB2 oor VSE DB2 oor VM DB2 UDB oor iseries DB2 UDB oor OS/390 en z/os IBM S/370 IBM iseriesserer Ethernet TCP/IP Windows NT Windows NT AIX Linux Figuur 11. Voorbeeld an een netwerkscenario Werkstations en toepassingenserers kunnen alleen toegang krijgen tot host- en iseries-databases als u gebruikmaakt an een connectiiteitscomponent als tussenschakel. Deze component moet een uiterst betrouwbare, krachtige en snelle erbinding bieden met host- en iseries-databases. De component moet teens schaalbaar zijn, zodat hij kan worden aangepast aan een toekomstige toename an het aantal erbindingen. Een oplossing met DB2 Connect EE, IBM Network Dispatcher en DB2 Connect Custom Adisor: Een mogelijk oplossing oor dit scenario kan worden ontworpen met IBM DB2 Connect Enterprise Edition (EE), IBM Network Dispatcher en DB2 Connect Custom Adisor. Alle erbindingsaanragen worden doorgestuurd ia de Network Dispatcher-machine. Op deze machine zijn DB2 Connect EE, Network Dispatcher en de DB2 Connect Custom Adisor geïnstalleerd. De Dispatcher-machine distribueert de erbindingsaanragen op een efficiënte manier naar de cluster an DB2 Connect EE-serers. DB2 Connect EE biedt een snelle en eilige erbinding met host- en iseries-databases. De Network Dispatcher en de DB2 Connect EE-serers draaien allemaal op Windows NT - en Windows 2000-platforms. Het aantal tussenliggende serermachines is afhankelijk an het aantal erbindingen dat de clients ereisen. 112 Gebruikershandleiding
121 DB2 for VSE DB2 for VM DB2 UDB for iseries DB2 UDB for OS/390 and z/os IBM S/370 IBM iseries serer DB2 Connect Enterprise Edition Serers DB2 Connect DB2 Connect DB2 Connect Dispatcher machine DB2 Connect Network Dispatcher Client machines Windows NT Windows NT AIX Linux Figuur 12. Voorbeeldnetwerk met DB2 Connect en Network Dispatcher De DB2 Connect Custom Adisor combineert de kracht an DB2 Connect EE en Network Dispatcher om een uiterst betrouwbare erbinding an de clients met de hostdatabases te bieden. DB2 Connect Custom Adisor is een lichte, op Jaa gebaseerde uitbreiding an de SecureWay Network Dispatcher. Deze adisor communiceert met de DB2 Connect EE-serers en haalt informatie op oer de conditie en de erbindingsbelasting an de serer. Deze informatie wordt geboden door elke DB2 Systeemmonitor die op de serer is geïnstalleerd. Met de conditie- en erbindingsbelastingsgegeens an elke DB2 Connect EE-serer kan DB2 Connect Custom Adisor een nauwkeurige berekening an de werkbelasting oor elke serer maken. De werkbelastingsgegeens worden doorgegeen aan de Network Dispatcher, die de werkbelasting erdeelt oer de cluster an DB2 Connect EE-serers. Zelfs bij een zeer zware werkbelasting an de serer wordt het werk eenredig gedistribueerd. IBM Network Dispatcher biedt geaanceerde belastingserdeling op IP-nieau, terwijl het olledig onzichtbaar blijft oor clients. Door deze intelligente methode oor het erdelen an de werkbelasting wordt een slechte performance of zelfs het erlies an erbindingen als geolg an een oneenwichtige erbinding praktisch Hoofdstuk 10. Performance 113
122 uitgesloten. Als een an de DB2 Connect EE-serers niet meer actief is, worden nieuwe erbindingsaanragen naar de oerige, actiee serers gestuurd, zodat de hoge beschikbaarheid gewaarborgd blijft. Hoe werkt dit: De Network Dispatcher erdeelt de werkbelasting op basis an gewicht. Elke DB2 Connect-serer in de cluster heeft een bijbehorend gewicht. Hoe hoger het gewicht, hoe meer erbindingen de serer moet erwerken. De Dispatcher berekent het gewicht an de serer met behulp an erschillende parameters, waaran de sererbelasting er één is. Deze sererbelasting wordt bepaald door de DB2 Connect Custom Adisor. Tijdens elk gepland interal brengt de DB2 Connect Custom Adisor een erbinding tot stand met een an de serers en maakt een momentopname an de Systeemmonitor-status. Aan de hand an deze momentopname kan de Adisor het aantal erbindingen an de serer, het aantal actiee erbindingen, het aantal gebruikte agents, het aantal communicatiefouten en het aantal inactiee DRDA -agents (Distributed Relational Database Architecture) bepalen. Met deze cijfers kan de Adisor een nauwkeurige belastingswaarde berekenen, die de feitelijke werkbelasting an de serer zo dicht mogelijk benadert. Als de belastingswaarden an alle serers zijn opgehaald, stelt de Dispatcher het gewicht opnieuw in en wordt het werk dienoereenkomstig erdeeld. Als de Adisor merkt dat een serer geconfronteerd wordt met een zware werkbelasting, wordt deze serer tijdelijk beschouwd als inactief. Er worden geen nieuwe erbindingen naar deze serer gezonden totdat het probleem opgelost is. Geaanceerd instellen: Naast het gebruik an de DB2 Connect Custom Adisor, kan ook de component ISS (Interactie Session Support) an Network Dispatcher een bijdrage leeren aan de erdeling an de werkbelasting. ISS biedt de Dispatcher systeemgerelateerde informatie, zoals CPU-belasting en geheugengebruik. De Dispatcher kan erolgens met behulp an de met DB2 Connect samenhangende informatie en de systeemgerelateerde informatie de werkbelasting an de serers gelijkmatig erdelen. Uitbreidbaarheid: Naarmate het aantal erbindingen toeneemt, kan het nodig zijn om extra DB2 Connect-serers toe te oegen om het toegenomen erkeer af te handelen. Het maximumaantal serers oor DB2 Connect Custom Adisor wordt alleen beperkt door de hoeeelheid geheugen die beschikbaar is op de Dispatcher-machine. Het theoretische maximumaantal serers dat kan worden gebruikt met IBM Network Dispatcher bestaat uit een 32-bits getal. In werkelijkheid zullen waarschijnlijk geen an beide limieten worden bereikt. Bij het toeoegen an een extra DB2 Connect-serer hoeen er geen wijzigingen te worden aangebracht op de netwerkarchitectuur, aangezien alle erbindingsaanragen naar het enige ingangspunt, de Dispatcher-machine, worden gezonden. Daarom zorgt de combinatie an DB2 Connect met Network Dispatcher en DB2 Connect Custom Adisor oor een rijwel altijd beschikbare, uiterst betrouwbare en uitbreidbare oplossing oor erbindingen tussen databases an ondernemingen en desktopclients. 114 Gebruikershandleiding
123 Aanullende informatie: IBM Network Dispatcher maakt deel uit an IBM WebSphere Edge Serer. Bezoek oor meer informatie oer Network Dispatcher. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Gegeensconersie op de host op pagina 115 DB2 Connect Custom Adisor - Concepten op pagina 125 Gegeensconersie op de host Wanneer gegeens an de ene omgeing naar de andere worden oergebracht, moeten ze mogelijk worden geconerteerd. Deze conersie kan de performance beïnloeden. Denk hierbij aan de olgende platforms: Intel (Windows NT of Windows 2000) IEEE (UNIX-gebaseerde systemen) System/370, System/390, zseries (VM, VSE, OS/390 en z/os) AS/400 en iseries (OS/400). en de olgende typen numerieke gegeens: Gecomprimeerde decimaal Zoned decimal Geheel getal Drijende komma Tabel 9 geeft aan wanneer conersie plaatsindt. Tabel 9. Gegeensconersie Intel IEEE S/370 & S/390 iseries Gecomprimeerde-decimaalgegeens Intel IEEE S/370/390 iseries Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Zoned decimal-gegeens Intel IEEE S/370/390 iseries Nee Nee Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja Ja Nee Nee Ja Ja Nee Nee Geheel getal Intel IEEE S/370/390 iseries Nee Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Drijende-kommagegeens Hoofdstuk 10. Performance 115
124 Tabel 9. Gegeensconersie (erolg) Intel IEEE S/370 & S/390 iseries Intel IEEE S/370/390 iseries Nee Ja Ja Ja Ja Nee Ja Nee Ja Ja Nee Ja Ja Nee Ja Nee De CPU-kosten oor conersie an enkelbyte alfanumerieke gegeens zijn oer het algemeen lager dan die an de conersie an numerieke gegeens (waarbij gegeensconersie ereist is). Gegeensconersie an DATE/TIME/TIMESTAMP kost bijna eeneel als gegeensconersie an enkelbyte CHAR. Gegeensconersie an drijende-kommagegeens (FLOATING) kost het meest. De toepassingsontwerper kan hiermee rekening houden bij het ontwerpen an een op DB2 Connect gebaseerde toepassing. Wanneer een databasetabel een kolom met de definitie FOR BIT DATA beat, hoeen de alfanumerieke gegeens die worden oergebracht an de toepassing naar de database niet te worden geconerteerd. U kunt hieran gebruikmaken wanneer u gegeens archieert op de host- of de iseries -databaseserer. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Gegeenstypen oor alfanumerieke gegeens op pagina 116 Gegeenstypen oor alfanumerieke gegeens Alfanumerieke gegeens kunnen het gegeenstype CHAR of VARCHAR hebben. Welke gegeens efficiënter zijn, hangt af an de lengte an de gegeens in het eld: Wanneer de grootte an de werkelijke gegeens significante erschillen ertoont, is VARCHAR efficiënter omdat CHAR blanco tekens toeoegt om het eld te ullen. Deze blanco tekens moeten net als andere tekens oer het netwerk worden erzonden. Wanneer de grootte an de werkelijke gegeens rijwel oereenkomt, is CHAR efficiënter omdat oor elk VARCHAR-eld enige bytes aan lengte-informatie moeten worden erzonden. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Gegeensconersie op de host op pagina 115 MPC-ondersteuning (Multi Path Channel) oor SNA ia ESCON Dankzij MPC-ondersteuning (Multi Path Channel) oor SNA ia ESCON kan een systeem waarop IBM enetwork Communications Serer wordt uitgeoerd een ESCON-adapter gebruiken om een MPC-erbindingsstation naar de host te maken. MPC is sneller dan CDLC omdat: MPC afzonderlijke subkanalen gebruikt oor lezen en schrijen; of 116 Gebruikershandleiding
125 Netwerkhardware MPC niet wordt beperkt door de IOBUF-grootte. Frames zijn 4K en kunnen samen gemarkeerd worden. Uit tests is gebleken dat een MPC-koppeling een drieoudige erbetering opleert ergeleken met een CDLC-koppeling (Channel Data Link Control) an ESCON met een IOBUF-grootte an minder dan 1K. AIX SNA MPC ereist ESCON en MVS VTAM V4R4 of later en featurecode 4024 an Communications Serer oor AIX ( ). Windows NT-systemen moeten gebruikmaken an IBM enetwork Communications Serer oor Windows NT Versie 6. De olgende PTF s oor Communications Serer for AIX zijn ereist oor MPC: APAR # PTF # LPP-naam IX67032 U sna.books.chdoc IX67032 U sna.books.escdoc IX67032 U sna.rte IX67032 U sna.msg.en_us.rte IX65820 U sna.dlcchannel IX67618 U mpc.rte IX65813 U deices.mca.8fc3.rte Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 Netwerkhardware op pagina 117 De olgende oerwegingen hebben betrekking op de hardware: De snelheid an het netwerk of de communicatiemedia. De performance wordt door het gebruik an een sneller communicatiemedium erbeterd. Hieronder ziet u oorbeelden an typische snelheden oor de oerdracht an onbewerkte gegeens: Van kanaal-naar-kanaal (glasezeloptica) 4,0 MB/s 16 Mbps LAN 2,0 MB/s Van kanaal-naar-kanaal (standaard) 1,0 MB/s 4 Mbps LAN 0,5 MB/s Hoge snelheid T1-afdrukmechanisme (1,544 Mbps) 0,193 MB/s Snelle niet-lokale 56 Kbps telefoonlijn 0,007 MB/s 19,6 Kbps modem 0,002 MB/s 9600 bps modem 0,001 MB/s De snelheid an gegeensoerdracht wordt beperkt door het traagste communicatiemedium in het pad naar de host- of de iseries -databaseserer. Netwerkadapter of communicatiecontroller Hoofdstuk 10. Performance 117
126 U moet het geheugengebruik an de netwerkadapter en de communicatiecontroller goed plannen. Daarnaast moet u met een netwerkspecialist werken om er zeker an te zijn dat de controller in staat is het extra erkeer dat door DB2 Connect wordt gegenereerd te erwerken. Netwerktopologie Let op de tijd die nodig is oor gegeensoerdrachten an LAN naar LAN en an het ene SNA-Network naar een ander SNA-Network. Bridges, routers en gateways zullen bijdragen aan de erstreken tijd. Zo zal het erkleinen an het aantal bridges het aantal ereiste hops oor elke opdracht erkleinen. Ook de fysieke afstand tussen knooppunten moet worden oerwogen. Zelfs wanneer het bericht door middel an een satelliet wordt erzonden wordt de oerdrachtstijd beperkt door de snelheid an het licht (3 * 10**8 m/s) en de afstand tussen de afzender en de ontanger en ice ersa. Netwerkerkeer Wanneer de bandbreedte an het netwerk olledig wordt gebruikt, zullen de responstijd en de snelheid an de gegeensoerdracht oor een enkele toepassing erminderen. Het netwerk kan worden oerbelast wanneer gegeens zich in een bepaald deel an het netwerk opstapelen; bijoorbeeld op een oude NCP met een heel kleine bufferomang. Betrouwbaarheid an het netwerk Wanneer de foutenfrequentie an het netwerk hoog is, zal de dooroer an het netwerk erminderen. Dit eroorzaakt een slechte performance door het opnieuw erzenden an gegeens. Verwante concepten: DB2 Connect - Oerwegingen bij de performance op pagina 79 MPC-ondersteuning (Multi Path Channel) oor SNA ia ESCON op pagina Gebruikershandleiding
127 Hoofdstuk 11. Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA CLI/ODBC CLI/ODBC is een SQL-API die kan worden aangeroepen door databasetoepassingen. Dynamische SQL-instructies worden door CLI/ODBC doorgegeen als aanroepen an databasefuncties. Voor deze API is geen hostariabele of een precompiler ereist, zoals oor ingesloten SQL-instructies. Als CLI/ODBC wordt aangeroepen door een toepassingsprogramma, moeten er eerst SQL-aanroepen worden gedaan oor enkele catalogustabellen an het systeem op de doeldatabase. Zo kan informatie oer de inhoud an de database worden erkregen. CLI/ODBC-toepassingen krijgen altijd op deze manier toegang tot de catalogustabellen an het systeem. Er bestaan tien API-aanroepen die u kunt gebruiken om informatie te erkrijgen oer de database waarmee een erbinding tot stand wordt gebracht. Deze API-aanroepen zijn: - SQLTables - SQLColumns - SQLSpecialcolumns - SQLStatistics - SQLPrimarykeys - SQLForeignkeys - SQLTablePriileges - SQLColumnPriileges - SQLProcedures - SQLProcedureColumns. Als u erbinding maakt met een database, doorzoekt de CLI/ODBC-toepassing standaard de systeemcatalogustabellen op gegeens oer alle databasetabellen in die database. Vooral op een groot systeem kan dit leiden tot druk netwerkerkeer en aanzienlijke ertraging bij het starten an een toepassing. Verwante concepten: Extra aanwijzingen en tips oor sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 120 Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 123 Het sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 120 Verwante taken: Calling stored procedures from CLI applications in de publicatie CLI Guide and Reference, Volume 1 Verwante informatie: SQLTables function (CLI) - Get table information in de publicatie CLI Guide and Reference, Volume 2 Copyright IBM Corp
128 Extra aanwijzingen en tips oor sleutelwoord CLISCHEMA Het sleutelwoord CLISCHEMA moet worden toegeoegd aan het bestand db2cli.ini binnen de sectie oor de DSN-naam of de algemene sectie. Een sectie is een tekst tussen ierkante haken. De sectie COMMON wordt aangegeen door de tekst COMMON tussen ierkante haken. Sleutelwoorden en sectienamen zijn niet hoofdlettergeoelig. Bij de erbinding wordt naar elk mogelijk sleutelwoord gezocht. Eerst onder de DSN-naam en daarna, als hier niets is geonden, onder de sectie COMMON. Hierdoor kunnen DSN-specifieke sleutelwoorden en algemene (client) sleutelwoorden worden geonden. Het sleutelwoord DBALIAS kan worden gebruikt om erschillende DSN-namen (ODBC-gegeensbronnen) te maken die erwijzen naar dezelfde database. (Een DSN-naam kan uit maximaal 255 tekens bestaan en wordt toegewezen aan de dbname an 8 tekens). In het onderstaande oorbeeld wordt clischema=odbccat gebruikt telkens wanneer een gebruiker erbinding maakt met TESTDB of een DSN die niet in het bestand staat. Als er een erbinding tot stand wordt gebracht met TestDBcat2, wordt clischema=odbccat2 gebruikt, maar wordt er toch erbinding gemaakt met de database testdb. Voorbeeld an het bestand db2cli.ini: [TESTDB] [COMMON] clischema=odbccat [TestDBcat1] DBALIAS=testdb clischema=odbccat1 [TestDBcat2] DBALIAS=testdb clischema=odbccat2 Verwante concepten: CLI/ODBC op pagina 119 Het sleutelwoord CLISCHEMA Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 123 Het sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 120 DB2 Uniersal Database biedt erschillende CLI/ODBCinitialisatiesleutelwoorden oor het beperken an de hoeeelheid gegeens die tijdens het erzamelen an de gegeens wordt teruggezonden door de eerste API-aanroepen. Dit gebeurt nadat er een erbinding met de database tot stand is gebracht. Deze sleutelwoorden kunnen worden ingesteld door: 1. Het bestand db2cli.ini handmatig te bewerken. 2. De ODBC/CLI-instellingen te wijzigen oor de database met behulp an Clientconfiguratie (CCA) (op de platforms die dit ondersteunen). 120 Gebruikershandleiding
129 3. De CLI-configuratie an de database bij te werken met de DBAopdrachtregelinterface. De sleutelwoorden zijn: - DBNAME - TABLETYPE - SCHEMALIST - SYSSCHEMA - CLISCHEMA Opmerkingen oor gebruik: De optie CLISCHEMA geeft een alternatief schema, tabellen en een index aan waarin moet worden gezocht, in plaats an het schema YSIBM (of SYSTEM, QSYS2), wanneer de DB2 CLI- en ODBC-catalogusfunctie-aanroepen worden gebruikt oor het erkrijgen an catalogusgegeens. Als u bijoorbeeld CLISCHEMA= SERGE opgeeft, erwijzen de interne CLI/ODBC API-aanroepen naar de onderstaande gebruikerstabellen, terwijl deze aanroepen doorgaans naar de systeemtabellen erwijzen. - SERGE.TABLES - SERGE.COLUMNS - SERGE.SPECIALCOLUMNS - SERGE.TSTATISTICS - SERGE.PRIMARYKEYS - SERGE.FOREIGNKEYS - SERGE.TABLEPRIVILEGES - SERGE.COLUMNTABLES - SERGE.PROCEDURES - SERGE.PROCEDURESCOLUMNS. Voordat CLISCHEMA kan worden gebruikt, moeten deze gebruikerstabellen door de databasebeheerder worden gemaakt. Opmerking: DataPropagator ondersteunt CLISCHEMA, zodat de databasebeheerder deze taak op drie manieren kan uitoeren: 1. Met db2cli.exe op de client. 2. Automatisch op de serer met DataPropagator. 3. Handmatig op de serer. Hieronder wordt uitgelegd hoe deze taak kan worden uitgeoerd op de client. Verwante concepten: Extra aanwijzingen en tips oor sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 120 CLI/ODBC op pagina 119 De catalogusoptimizer db2ocat Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 123 Het nieuwe hulpprogramma db2ocat is beschikbaar op Windows 32-bits besturingssystemen. Hiermee kunt u gemakkelijk zoekopdrachten oor systeemcatalogi optimaliseren oor ODBC- en JDBC-toepassingen. U kunt de catalogusoptimizer db2ocat binnenhalen door db2ocat.exe te downloaden anaf: Hoofdstuk 11. Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA 121
130 ftp://ftp.software.ibm.com/ps/products/db2/tools. Verwante concepten: CLI/ODBC op pagina 119 Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 123 De hulpprogramma s db2cli en bldschem De gebruikerstabellen die benodigd zijn oor CLISCHEMA kunnen worden ingesteld met de niet eerder beschreen ondersteuningsopdracht bldschem an de CLI-opdrachtregelinterface. Deze is te inden op de locatie /samples/cli/db2cli.exe. Als u bijoorbeeld in de database SAMPLE een set gebruikerstabellen wilt maken die nodig is oor het werken met CLISCHEMA= SERGE oor de tabelnaam STAFF an de schema-eigenaar (degene die het schema heeft gemaakt) met GEBRUIKERSID, moet u de olgende opdracht uitoeren nadat u db2start hebt opgegeen en de database hebt geregistreerd bij ODBC/CLI: db2cli < addstaff.txt Waarbij addstaff.txt het olgende script beat: opt callerror on opt echo on quickc 1 1 sample gebruikersid wachtwoord # # Volgende regel herhalen oor elke toe te oegen tabel. # bldschem 1 SERGE USERID STAFF # # Exit # killen 1 Naar aanleiding an dit script wordt er een set SERGE.*-tabellen met indexen gemaakt, zoals hierboen weergegeen, waarin de gegeens uit de systeemcatalogustabel oor de tabel USERID.STAFF worden opgenomen. Er wordt bijoorbeeld een nieuwe rij geplaatst in SERGE.TABLES oor elke oereenkomende reeks. Extra bldschem-aanroepen zorgen eroor dat de bestaande SERGE.*-tabellen worden aangeuld. Hierbij worden bestaande rijen erangen. Samengeat is de syntaxis an de ondersteuningsopdracht bldschem: bldschem <handlenummer> <waarde_an_clischema> <eigenaar_schema> <tabelnaam> Waarbij: - <handlenummer> 1 moet zijn - <waarde_an_clischema> dezelfde waarde moet hebben als de schemanaam die is opgegeen met het sleutelwoord CLISCHEMA - <eigenaar_schema> de maker an de tabel is. - <tabelnaam> de naam kan zijn an een gebruikerstabel, iew, alias synoniem of systeemtabel (jokertekens zijn hierbij toegestaan). Als u erolgens het olgende oorbeeld in db2cli.exe erwerkt, kunt u aan de gebruikerstabellen SERGE.*, die zijn gemaakt in het oorgaande oorbeeld, de rijen 122 Gebruikershandleiding
131 toeoegen waarin de gegeens staan uit de catalogustabel an het systeem. Dit geldt oor elke tabel waaran FRED en BERT de schema-eigenaars zijn. bldschem 1 SERGE FRED % bldschem 1 SERGE BERT % Als het CLISCHEMA CLI/ODBC-sleutelwoord erolgens wordt ingesteld op SERGE, wordt tijdens de erwerking an gegeens uit de SAMPLE-database door ODBC/CLI-toepassingen erwezen naar de set SERGE.*-tabellen in plaats an naar de catalogustabellen an het systeem. Verwante concepten: CLI/ODBC op pagina 119 Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 123 Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA Dit gedeelte beat informatie waarmee u de performance an ODBC/CLItoepassingen met het initialisatiesleutelwoord CLISCHEMA kunt instellen. Er is geen algemene informatie oer het instellen an netwerk- of databaseperformance opgenomen. Deze informatie is alleen bestemd oor gebruikers an DB2 UDB oor OS/390 en z/os. De doelomgeing bestaat uit: Een CLI/ODBC-toepassing die wordt uitgeoerd met een DB2 Uniersal Database-client. DB2 Connect Versie 6 of hoger (Personal Edition of Enterprise Edition). DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 Versie 6.1 of hoger. In de meeste erwerkingsomgeingen kan een standaardzoekbewerking in de systeemcatalogustabellen resulteren in het terugzenden an zeer eel gegeens, zodat er een aanzienlijke ertraging kan ontstaan telkens wanneer een database wordt geopend door een CLI/ODBC-toepassing. Zelfs bij een speciale testdatabase kan de ertraging oplopen tot ongeeer 25 seconden. Meet deze ertraging in eerste instantie zonder dat boenstaande CLI-sleutelwoorden zijn ingesteld, en trek hier de erbindingstijd an af. Vergeet hierbij niet de lange ertragingen die kunnen optreden als een DB2-client oor het eerst een erbinding tot stand brengt met een nieuwe database. Autobinding duurt aak enkele minuten. Hoe u erdergaat, hangt af an de structuur an de gegeens en uw organisatie. In sommige geallen kunt u gebruikmaken an een combinatie an DBNAME, SCHEMALIST en TABLETYPE oor het beperken an de zoekopdracht die wordt gebruikt door een bepaalde toepassing of toepassingengroep. Als de productie-dba-clients bijoorbeeld normaal toegang krijgen tot tabellen onder een bepaalde DBNAME en een bepaald schema, kunt u dit gemakkelijk opgeen. CLISCHEMA biedt de beste performance oor de meeste gebruikers. Daarom is het oor een productieomgeing in het algemeen aan te beelen CLISCHEMA te gebruiken. Het is namelijk eel eenoudiger om de gebruikerstabellen an CLISCHEMA in te stellen en te wijzigen ia de CLI-opdrachtregelinterface (db2cli.exe) en de ondersteuningsopdracht bldschem. Hoofdstuk 11. Performance an CLI/ODBC-toepassingen instellen met sleutelwoord CLISCHEMA 123
132 Verwante concepten: Extra aanwijzingen en tips oor sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 120 CLI/ODBC op pagina 119 Het sleutelwoord CLISCHEMA op pagina 120 Verwante informatie: CLISchema CLI/ODBC configuration keyword in de publicatie CLI Guide and Reference, Volume Gebruikershandleiding
133 Hoofdstuk 12. DB2 Connect Custom Adisor Voordat u DB2 Connect Custom Adisor installeert, moeten de Network Dispatcher-machine en de cluster an DB2 Connect-serers op de juiste manier geïnstalleerd en geconfigureerd worden. Zie de IBM Network Dispatcher User s Guide oor meer informatie oer het instellen an de Network Dispatcher-machine en serercluster. Voor elke DB2 Connect-serer moet DB2 Connect Enterprise Edition Versie 6.1 of een hogere ersie worden geïnstalleerd. Verder moeten alle host- en iseries-databaseerbindingen te worden geconfigureerd. Voor de Network Dispatcher-machine moeten IBM Network Dispatcher V2.1.1 of hoger (onderdeel an IBM WebSphere Edge Serer) en DB2 Connect Enterprise Edition Versie 6.1 of hoger worden geïnstalleerd. DB2 Connect Custom Adisor - Concepten DB2 Connect Custom Adisor is een op Jaa gebaseerde uitbreiding an IBM Network Dispatcher. Tijdens elke adisor-cyclus brengt de DB2 Connect Custom Adisor een erbinding tot stand met een an de DB2 Connect-serers en maakt een momentopname an de Systeemmonitor. Aan de hand an deze momentopname kan DB2 Connect Custom Adisor een nauwkeurige belastingswaarde berekenen, die de feitelijke werkbelasting an de serer zo dicht mogelijk benadert. Als de belastingswaarden an alle serers zijn opgehaald, herberekent de Dispatcher het gewicht an de serers op basis an de nieuwe belastingsgegeens, en wordt het werk dienoereenkomstig erdeeld. Belastingswaarden berekenen: Tijdens elke adisor-cyclus retourneert DB2 Connect Custom Adisor een belastingswaarde oor elke serer aan de Dispatcher. Deze belastingswaarde moet liggen tussen 10 en 1000, waarbij 10 een snelle serer aangeeft en 1000 een zwaar belaste serer. Een teruggezonden belastingswaarde an 1 geeft een niet-beschikbare serer aan. Als een serer is gemarkeerd als niet-beschikbaar, worden er geen nieuwe erbindingen meer naartoe gestuurd. DB2 Connect Custom Adisor berekent de sererbelastingswaarde aan de hand an de door de Systeemmonitor gemaakte momentopname en informatie die is opgehaald uit de DB2 Database Manager-configuratie. De olgende informatie wordt opgehaald uit de momentopname die is gemaakt door de Systeemmonitor: Huidige aantal erbindingen met DB2 Connect Aantal erbindingen die wachten op aanragen an clients Aantal inactiee DRDA -agents Aantal inactiee agents Aantal geregistreerde agents Aantal communicatiefouten De olgende informatie wordt opgehaald uit de configuratie an de database manager: Maximumaantal agents oor serer Copyright IBM Corp
134 Maximumaantal coördinerende agents oor serer CPU-snelheid De berekening an de belastingswaarde wordt bepaald door de olgende factoren: 1. Verbindingen: Het aantal erbindingen oor een serer is de oornaamste bepalende factor bij het berekenen an de werkbelasting oor een serer. Hoe meer erbindingen een serer heeft, hoe aannemelijker het is dat de serer zwaar belast is. Tijdens elke adisor-interal wordt er een percentage berekend door het huidige aantal erbindingen te delen door het maximumaantal erbindingen (maximumaantal coördinerende agents). Aan dit percentage wordt een waarde tussen 10 en 100 toegewezen. Een actiee erbinding krijgt een dubbel gewicht in ergelijking met een niet-actiee erbinding. Een actiee erbinding wordt gedefinieerd als een erbinding die niet wacht op inoer an een client. Als een serer bijoorbeeld 10 erbindingen in gebruik heeft uit een maximum an 100, waaran er 4 actief zijn, wordt de werkbelasting op basis an de factor Verbindingen als olgt berekend: Percentage gebruikt = [inact. erbindingen + (act. erbindingen x 2)] / Max. erbindingen = [6 + (4 x 2)] / 100 = 0.14 Belasting erbindingsfactor = Belastingsbereik x Percentage gebruikt + Offset = (1000 x 10) x 0, = 149 Als u wilt dat een serer meer erbindingsaanragen ontangt, kunt u het maximumaantal coördinerende agents in de configuratie an de database manager erhogen Communicatiefouten: DB2 Systeemmonitor meldt het aantal fouten dat is opgetreden bij de communicatie tussen elke DCS-database en de DB2 Connect-serer. Door het bijhouden an het aantal communicatiefouten dat optreedt binnen elke adisor-interal kan de huidige erbindingsstatus an elke serer worden bepaald. Voor elke communicatiefout die optreedt binnen een adisor-interal, oegt de factor Communicatiefouten een waarde die gelijk is aan 5% an het belastingsbereik toe aan de totale belastingswaarde. Het belastingsbereik is = 990 (zoals ermeld in het orige gedeelte, betekent een belasting an 10 een snelle serer, 1000 betekent een zwaar belaste serer). 3. Inactiee DRDA-agents: Het maken an een nieuwe DRDA-agent is een kostbaar proces. Als twee serers ongeeer een gelijke werkbelasting hebben en één an de serers heeft inactiee DRDA-agents in zijn pool, is het beter om meer nieuwe aanragen naar deze serer te sturen dan nieuwe DRDA-agents te maken op de andere serer. Voor elke inactiee DRDA-agent in een sererpool erlaagt de factor Inactiee DRDA-agents de totale werkbelasting met een waarde die gelijk is aan 5% an het belastingsbereik. Het is mogelijk om de omang an de agentpool (num_poolagents) te ergroten, zodat er meer inactiee DRDA-agents in de agentpool an een serer kunnen blijen. 4. CPU-snelheid: De database manager berekent de CPU-snelheid (in milliseconden per instructie) an een serermachine tijdens de installatie an DB2 Connect Enterprise Edition. DB2 Connect Custom Adisor bepaalt de 1. In niet-gepartitioneerde databaseomgeingen is het maximumaantal coördinerende agents (max_coordagents) altijd gelijk aan het maximumaantal agents (maxagents), tenzij het systeem geconfigureerd is oor intra-partitie parallellisme. 126 Gebruikershandleiding
135 gemiddelde CPU-snelheid an alle serers tijdens de initialisatie. Telkens wanneer een serer sneller is dan gemiddeld, wordt er een waarde die gelijk is aan 5% an het belastingsbereik afgetrokken an de totale belasting. Telkens wanneer een serer langzamer dan gemiddeld is, wordt de totale belasting daarentegen erhoogd met een waarde die gelijk is aan 5% an het belastingsbereik. Tabel 10. Clusterkenmerken Serer CPU-snelheid (ms/instructie) Max. aantal erbindingen SERVER1 1,00 x SERVER2 4,00 x SERVER3 1,00 x Een cluster heeft bijoorbeeld de olgende kenmerken: Gemiddelde CPU-snelheid = (1,0 x ,0 x ,0 x 10-6 ) / 3 = 2,0 x 10-6 ms/instructie Aangezien zowel SERVER1 als SERVER3 een CPU-snelheid hebben die één keer sneller is dan het gemiddelde, wordt de totale belasting an beide serers erlaagd met 5% an het belastingsbereik. Belasting SERVER1 = Belasting SERVER1 (990 x 5%) = Belasting SERVER1 49,5 (zelfde oor SERVER3) SERVER2 heeft een CPU-snelheid die één keer langzamer is dan het gemiddelde, daarom wordt de totale belasting erhoogd met 5% an het belastingsbereik. Belasting SERVER2 = Belasting SERVER2 + (990 x 5%) = Belasting SERVER2 + 49,5 De resultaten an alle ier factoren gezamenlijk ormen de belasting an een serer. Deze resulterende belastingswaarde wordt teruggezonden aan de Dispatcher oor het berekenen an het gewicht an de serer. Failoer-bescherming: DB2 Connect Custom Adisor erbetert de failoer-bescherming an IBM Network Dispatcher door toeoeging an sensoren om kritische problemen binnen de DB2 Connect-engine op te sporen. Tijdens elke adisor-interal erzamelt DB2 Connect Custom Adisor het aantal geregistreerde agents en het aantal inactiee agents bij System Monitor Snapshot. Als het aantal geregistreerde agents min het aantal inactiee agents groter dan of gelijk is aan het maximumaantal agents oor een serer, wordt een belasting an 1 teruggezonden. Alle nieuwe erbindingen worden doorgestuurd naar de andere actiee serers, totdat het aantal agents ermindert of agents inactief worden. Om toegang te krijgen tot Systeemmonitor-gegeens oor elke DB2 Connect-serer, moet er een erbinding tot stand worden gebracht tussen DB2 Connect Custom Adisor en de serer. Als er een cruciale communicatiefout optreedt tijdens het tot stand brengen an de erbinding en het maken an een momentopname, wordt er een belastingswaarde an 1 teruggezonden aan de Dispatcher. Serergewicht berekenen: Hoofdstuk 12. DB2 Connect Custom Adisor 127
136 De Dispatcher stelt het gewicht an de serers in op basis an interne tellers, de door de adisor teruggezonden belasting en feedback an een systeembewakingsprogramma, zoals ISS (Interaction Session Support). De beheerder kan het aan elke factor toegekende belang wijzigen. Het aandeel an alle factoren gezamenlijk moet 100 zijn. Als u DB2 Connect Custom Adisor gebruikt, zijn de olgende erhoudingen geschikt oor de meeste systemen: Tabel 11. DB2 Connect Custom Adisor-erhoudingen Inoer Aantal actiee erbindingen op elke serer (gedeelte dat wordt toegewezen aan actiee erbindingen) Aantal nieuwe erbindingen op elke serer (gedeelte dat wordt toegewezen aan nieuwe erbindingen) Inoer an adisor (gedeelte dat speciaal wordt toegewezen aan de poort) Inoer an Systeemmonitor (gedeelte dat wordt toegewezen aan de systeemstatistieken) Verhouding Volgens de IBM Network Dispatcher User s Guide, is het niet raadzaam om de eerste twee waarden in te stellen op een waarde die lager is dan 20. Als u dit doet, kan de Dispatcher niet zorgen oor een gelijkmatige erdeling an de werkbelasting. IBM Network Dispatcher zorgt oor een gelijkmatige belasting an serers per poort. Alle opdrachten die ia een bepaalde poort worden ontangen, worden gedistribueerd naar de serers op basis an hun onderlinge gewicht. Als een serer bijoorbeeld een gewicht an 10 heeft en een andere serer een gewicht an 5, ontangt de serer die is ingesteld op 10 twee keer zoeel opdrachten als de serer die is ingesteld op 5. Handmatige belastingserdeling: DB2 Connect Custom Adisor heeft twee werkstanden: Normal en Manual. In de werkstand Normal berekent DB2 Connect Custom Adisor de werkbelasting an de serers op de manier die is beschreen in de oorgaande gedeelten. In de werkstand Manual wijst de systeembeheerder een relatief gewicht toe aan elke serer. Dit toegekende gewicht ormt de basis oor de berekening an de belastingswaarde oor elke serer. Het kan zijn dat een beheerder een groter gedeelte an de erbindingen wil toewijzen aan een bepaalde serer, omdat deze beschikt oer meer resources dan de oerige serers. Deze serer kan snelle processors, meer geheugen, een snellere netwerkkaart of andere superieure kenmerken hebben. Een beheerder kan aan elke serer een gewicht an 1 tot 10 geen. Er moet een gewicht an 1 worden toegewezen aan de serer die het kleinste aantal erbindingen erwerkt. Het gewicht an de andere serers wordt in erhouding tot de serer met de minste resources ingesteld. Als een andere serer drie keer zoeel erbindingen ontangt als de serer met de minste resources, moet deze een gewicht an 3 krijgen. 128 Gebruikershandleiding
137 Het olgende oorbeeld laat zien hoe de werkstand Manual werkt: Tabel 12. Gewicht belastingserdeling Serer Toegewezen gewicht SERVER1 1,5 SERVER2 1,0 SERVER3 1,0 SERVER4 3,0 SERVER5 1,0 Belasting SERVER1 = 500 / 1,5 = 333 Belasting SERVER2 = 500 / 1,0 = 500 (zelfde oor SERVER3 en SERVER5) Belasting SERVER4 = 500 / 3,0 = 167 SERVER2, SERVER3 en SERVER5 (belasting an 500) hebben kennelijk een werkbelasting die 3 keer zo zwaar is als SERVER4 (belasting an 167) en 1,5 keer zo zwaar als SERVER1 (belasting an 333). Als er 15 nieuwe aanragen binnenkomen bij de dispatcher, worden er aan SERVER2, SERVER3 en SERVER5 elk ongeeer 2 erbindingen toegewezen. SERVER1 krijgt ongeeer 3 erbindingen, terwijl SERVER4 er 6 ontangt. In de werkstand Manual blijft failoer-bescherming geactieerd. Als er een kritiek probleem optreedt bij een an de serers, worden alle aanragen naar andere serers toegeleid. Verwante taken: DB2 Connect Custom Adisor actieren op pagina 132 DB2 Connect Custom Adisor configureren op pagina 130 DB2 Connect Custom Adisor installeren op pagina 129 DB2 Connect Custom Adisor instellen op pagina 132 Problemen met DB2 Connect Custom Adisor oplossen op pagina 133 Verwante informatie: Voorbeeld an opstartscriptbestand oor Dispatcher op pagina 134 DB2 Connect Custom Adisor installeren Procedure (Windows): U installeert DB2 Connect Custom Adisor als olgt op Windows: 1. Pak het bestand db2cad.zip uit in een tijdelijke directory. De inhoud an het zip-bestand bestaat uit: UsersGuide.pdf een zelfstandige ersie an dit onderwerp db2cad.dll oorspronkelijk koppelingsbestand an DB2 Connect Custom Adisor db2cad.ini initialisatiebestand an DB2 Connect Custom Adisor ADV_db2cad.class Jaa-bytecode an DB2 Connect Custom Adisor ADV_db2cad$jNode.class - Jaa-bytecode an DB2 Connect Custom Adisor Hoofdstuk 12. DB2 Connect Custom Adisor 129
138 2. Kopieer de bestanden naar de daaroor bestemde directory s. Tabel 13. Directory s oor bestanden Bestanden ADV_db2cad.class ADV_db2cad$jNode.classdb2cad.ini db2cad.dll Directory %Dispatcher Install Path%\dispatcher\lib\CustomAdisors\ %Dispatcher Install Path%\dispatcher\lib\ Procedure (AIX): U installeert DB2 Connect Custom Adisor als olgt op AIX: 1. Pak het bestand db2cad.tar uit in een tijdelijke directory. De inhoud an het tar-bestand bestaat uit: UsersGuide.pdf een zelfstandige ersie an dit onderwerp libdb2cad.so natie gemeenschappelijk bibliotheekbestand an DB2 Connect Custom Adisor db2cad.ini initialisatiebestand an DB2 Connect Custom Adisor ADV_db2cad.class Jaa-bytecode an DB2 Connect Custom Adisor ADV_db2cad$jNode.class - Jaa-bytecode an DB2 Connect Custom Adisor 2. Kopieer de bestanden naar de daaroor bestemde directory s. Tabel 14. Directory s oor bestanden Bestanden ADV_db2cad.class ADV_db2cad$jNode.classdb2cad.ini libdb2cad.so Directory /usr/lpp/nd/dispatcher/lib /CustomAdisors/ /usr/lpp/nd/dispatcher/lib/ Verwante concepten: DB2 Connect Custom Adisor - Concepten op pagina 125 Verwante taken: DB2 Connect Custom Adisor configureren op pagina 130 DB2 Connect Custom Adisor configureren Het initialisatiebestand db2cad.ini moet worden geconfigureerd om DB2 Connect Custom Adisor te starten. Procedure: DB2 Connect Custom Adisor kan in twee werkstanden worden gestart: Normal of Manual. Configureren oor de werkstand Normal: Code oor poort De eerste regel (exclusief commentaar en spaties) an het initialisatiebestand is de code oor de poort. De poortcode bestaat uit het door ierkante haakjes omgeen poortnummer. In het onderstaande oorbeeld is de poortcode [50000]. Hiermee wordt aangegeen dat de 130 Gebruikershandleiding
139 cluster an DB2 Connect-serers wordt uitgeoerd ia poortnummer (DB2 Connect gebruikt meestal poort ) Sererregel Elke regel die olgt op de poortcode wordt een sererregel genoemd. Elke sererregel stelt een serer in de cluster oor. Een sererregel beat informatie die DB2 Connect Custom Adisor nodig heeft om een erbinding tot stand te brengen met de serer. Elke sererregel heeft de olgende indeling: serer = sereradres DB2 knooppuntnaam aanmeldings-id wachtwoord gewicht Het sereradres is het IP-adres of de serernaam an de serer. DB2 knooppuntnaam is de naam an de serer in de knooppuntdirectory an DB2. Aanmeldings-ID is de aanmeldingsnaam an het gebruikersaccount dat is ingesteld in stap 3. Wachtwoord is het aanmeldingswachtwoord an het gebruikersaccount. Het gewicht moet in de werkstand Normal altijd worden ingesteld op 1. Als deze waarde op een ander getal dan 1 is ingesteld wordt DB2 Connect Custom Adisor in de werkstand Manual gezet. In het onderstaande oorbeeld zijn twee serers ingesteld. De eerste serer heeft het adres De knooppuntnaam is SERVER1 en het aanmeldings-id is DB2NDADV. Hieronder ziet u een oorbeeld an een initialisatiebestand in de werkstand Normal: ; DB2CADV Custom Adiser Configuration File ; Created: 2002/03/29 [50000] serer = SERVER1 DB2NDADV xxxxxxxx 1 serer = SERVER2 DB2NDADV xxxxxxxx 1 Configureren oor de werkstand Manual: Het configureren oor de werkstand Manual komt oereen met het configureren oor de werkstand Normal (zoals beschreen onder Configureren oor de werkstand Normal), met uitzondering an de waarden oor gewicht in de sererregels. Hier moet de gewenste waarde oor het gewicht an elke serer worden opgegeen. Deze waarde is een decimaal getal tussen 1,0 en 10,0. Een gewicht an 1,0 moet worden toegewezen aan de serer die het kleinste aantal erbindingen heeft ontangen. Aan elk an de andere serers wordt een gewicht toegekend dat gerelateerd is aan de serer met het gewicht 1,0. Een gedetailleerde beschrijing an deze waarde indt u bij Handmatige belastingserdeling. In het onderstaande oorbeeld bestaat de cluster uit ijf serers. SERVER1 heeft een gewicht an 1,5. SERVER4 heeft een gewicht an 3,0. SERVER2, SERVER3 en SERVER5 hebben elk een gewicht an 1,0. Hieronder ziet u een oorbeeld an een initialisatiebestand in de werkstand Manual: ; DB2CADV Custom Adiser Configuration File ; Created: 2002/03/29 [50000] serer = SERVER1 DB2NDADV xxxxxxxx 1.5 serer = SERVER2 DB2NDADV xxxxxxxx 1.0 serer = SERVER3 DB2NDADV xxxxxxxx 1.0 serer = SERVER4 DB2NDADV xxxxxxxx 3.0 serer = SERVER5 DB2NDADV xxxxxxxx 1.0 Hoofdstuk 12. DB2 Connect Custom Adisor 131
140 Verwante concepten: DB2 Connect Custom Adisor - Concepten op pagina 125 Verwante taken: DB2 Connect Custom Adisor instellen op pagina 132 DB2 Connect Custom Adisor instellen Procedure (Windows): Als u DB2 Connect Custom Adisor wilt instellen, oert u de olgende handelingen uit: 1. Maak een gebruikersaccount waarmee de Dispatcher kan worden gestart. DB2 Connect Custom Adisor kan alleen toegang krijgen tot het DLL-bestand, als IBM Network Dispatcher Serice gestart wordt met een account dat beschikt oer de machtiging Gebruiker. 2. Wijzig het opstartprofiel oor IBM Network Dispatcher Serice. Stel de IBM Network Dispatcher Serice zo in dat de aanmelding wordt uitgeoerd door de gebruiker die is gedefinieerd in Stap 1. Als u het opstartprofiel oor de serice wilt wijzigen, klikt u op Start en kiest u Instellingen > Configuratiescherm > Serices. 3. Definieer gebruikersaccounts op DB2 Connect-serers. Er moet een gebruikersaccount met de machtiging Beheerder worden gedefinieerd oor elke DB2 Connect-serer. U kunt de standaard DB2ADMIN-accounts gebruiken of nieuwe accounts met de machtiging Beheerder definiëren. Deze accounts heeft DB2 Connect Custom Adisor nodig om toegang te krijgen tot de Systeemmonitor. Procedure (AIX): Als u DB2 Connect Custom Adisor wilt instellen, oert u de olgende handelingen uit: 1. Meld u aan op de Dispatcher-machine met een account dat beschikt oer de machtiging root. Dispatcher- en Adisor-actiiteiten kunnen alleen worden uitgeoerd door een account met de machtiging root. 2. Definieer gebruikersaccounts op DB2 Connect-serers. Er moet een gebruikersaccount met de machtiging root worden gedefinieerd oor elke DB2 Connect-serer. U kunt de standaard DB2ADMIN-accounts gebruiken of nieuwe accounts met de machtiging root definiëren. Deze accounts heeft DB2 Connect Custom Adisor nodig om toegang te krijgen tot de Systeemmonitor. Verwante concepten: DB2 Connect Custom Adisor - Concepten op pagina 125 Verwante taken: DB2 Connect Custom Adisor actieren op pagina 132 DB2 Connect Custom Adisor actieren Procedure: 132 Gebruikershandleiding
141 Nadat de Network Dispatcher en Manager zijn gestart, geeft u de olgende opdracht om DB2 Connect Custom Adisor te starten: ndcontrol adisor start db2cad Met deze opdracht wordt de DB2 Connect Custom Adisor gestart in poort Het interal oor bijwerken an de adisor, het interal oor bijwerken an de manager en de cyclus oor hernieuwde berekening an het serergewicht moeten worden aangepast na het starten an de DB2 Connect Custom Adisor. De interallen oor bijwerken en ernieuwen moeten zo worden ingesteld dat de Dispatcher regelmatig wordt oorzien an up-to-date informatie. Alleen op deze manier kan de werkbelasting effectief worden erdeeld. Meer informatie oer het configureren an custom adisors kunt u inden in de IBM Network Dispatcher User s Guide Chapter 8. Adanced Dispatcher and CBR Functions. DB2 Connect Custom Adisor en de Dispatcher kunnen gelijktijdig worden gestart met een scriptbestand. Raadpleeg IBM Network Dispatcher User s Guide Chapter 5. Configuring the Dispatcher Component oor meer informatie oer het gebruik an scriptbestanden. Verwante concepten: DB2 Connect Custom Adisor - Concepten op pagina 125 Verwante taken: DB2 Connect Custom Adisor instellen op pagina 132 Problemen met DB2 Connect Custom Adisor oplossen op pagina 133 Problemen met DB2 Connect Custom Adisor oplossen Na het starten an DB2 Connect Custom Adisor is het raadzaam om het logboekbestand te controleren op eentuele foutberichten. Procedure: Het logboekbestand db2cad_50000.log 2 beindt zich in C:\Program Files\ibm\nd\dispatcher\logs\ oor Windows (of op de plaats waar de dispatcher\logs\ zich beinden) en in /usr/lpp/nd/dispatcher/logs oor AIX. Bij niet-fatale fouten stuurt DB2 Connect Custom Adisor een foutbericht naar het logboekbestand en wordt er een neutrale belasting an 500 naar de Dispatcher gestuurd. Na een niet-fatale fout is een serer nog steeds beschikbaar. De werkbelasting eran blijft neutraal totdat de niet-fatale fout is opgelost en de Dispatcher opnieuw wordt gestart. Verwante concepten: DB2 Connect Custom Adisor - Concepten op pagina 125 Verwante informatie: Voorbeeld an opstartscriptbestand oor Dispatcher op pagina Als u de oorkeur geeft aan een andere poort oor DB2 Connect-serers is de naam an het logboekbestand db2cad_uwpoort.log Hoofdstuk 12. DB2 Connect Custom Adisor 133
142 Voorbeeld an opstartscriptbestand oor off rem rem START UP FILE FOR IBM NETWORK DISPATCHER rem AND DB2 CONNECT CUSTOM ADVISOR FOR LOADrem BALANCING A CLUSTER OF TWO DB2 CONNECT SERVERS rem rem filename = ndstart.cmd rem created = 2000/04/13 call ndcontrol executor start set NFA= set CLUSTER= echo "Loading the non-forwarding address..." call ndcontrol executor set nfa %NFA% call ndcontrol executor set fintimeout 30 call ndcontrol executor set fincount 4000 echo "Loading Cluster Address..." call ndcontrol cluster add %CLUSTER% echo "Assigning Port to CLUSTER: %CLUSTER%..." call ndcontrol port add %CLUSTER%:50000 set SERVER1= set SERVER2= echo "Adding serer machines..." call ndcontrol serer add %CLUSTER%:50000:%SERVER1%+%SERVER2% echo "Starting the manager..." call ndcontrol manager start echo "Start DB2 Connect Custom Adisor on port " call ndcontrol adisor start db2cad echo "Setting the manager proportions..." call ndcontrol manager proportions echo "Setting alias for cluster..." call ndcontrol cluster configure %CLUSTER% en echo "Configuring Dispatcher Manager..." call ndcontrol manager logleel 1 call ndcontrol manager logsize call ndcontrol manager sensitiity call ndcontrol manager interal 3 call ndcontrol manager refresh 3 echo "Configuring DB2 Connect Custom Adisor..." call ndcontrol adisor interal db2cad call ndcontrol adisor logleel db2cad call ndcontrol adisor logsize db2cad call ndcontrol adisor timeout db2cad unlimited Verwante concepten: DB2 Connect Custom Adisor - Concepten op pagina 125 Verwante taken: Problemen met DB2 Connect Custom Adisor oplossen op pagina Gebruikershandleiding
143 Hoofdstuk 13. Problemen oplossen Probleembepaling De DB2 Connect-omgeing bestaat uit meerdere software-, hardware- en communicatieproducten. Probleembepaling kan het best worden benaderd ia een proces an eliminatie en uitwerking an de beschikbare gegeens om zo tot een conclusie te komen (de plaats an de fout). Nadat de releante informatie is erzameld, kunt u het juiste onderwerp kiezen en erdergaan met de paragraaf waarnaar wordt erwezen. Verwante concepten: Hulpprogramma s oor diagnose op pagina 136 Releante informatie erzamelen op pagina 135 De eerste erbinding komt niet tot stand op pagina 136 Problemen die optreden na een eerste erbinding op pagina 137 Traceerfunctie op pagina 138 CS AIX CPIC APPC API-gegeens traceren op pagina 148 Probleembepaling - Concepten Releante informatie erzamelen Probleembepaling houdt in dat het bereik an het probleem wordt erkleind en dat mogelijke oorzaken worden onderzocht. U kunt het beste beginnen met het erzamelen an de releante informatie en bepalen wat u weet, welke gegeens u niet hebt erzameld en welke paden u kunt uitsluiten. Beantwoord de olgende ragen: Is de eerste erbinding tot stand gekomen? Functioneert de hardware goed? Zijn de communicatiepaden operationeel? Zijn er wijzigingen in het communicatienetwerk aangebracht waardoor eerdere indexgegeens ongeldig zijn geworden? Is de database gestart? Betreft het een communicatiestoring tussen de client en het DB2 Connect-werkstation, het DB2 Connect-werkstation en de host- of iseries -databaseserer? Geldt de storing oor alle clients of één client? Wat kunt u aststellen aan de hand an de inhoud en de tokens in het bericht? Kan het gebruik an diagnostische hulpprogramma s op dit moment enige uitkomst bieden? Functioneren andere computers die gelijksoortige taken uitoeren goed? Wanneer het een systeemtaak op afstand betreft, is de taak dan wel succesol indien deze lokaal wordt uitgeoerd? Verwante concepten: Hulpprogramma s oor diagnose op pagina 136 Copyright IBM Corp
144 Probleembepaling op pagina 135 Hulpprogramma s oor diagnose Wanneer er een fout optreedt, kunt u gebruikmaken an het olgende: Het eerste sericelogboek oor storingen waarin diagnostische informatie wordt erzameld en opgeslagen in een leesbaar formaat, is opgeslagen in het beheerderslogboek. Beide logboeken beinden zich in het opgegeen pad. Dit bestand beindt zich in /u/db2/sqllib/db2dump/notifylogleel.nfy op UNIX-systemen, waarbij db2 de naam is an het subsysteem. Dit bestand beindt zich in x:\sqllib\db2\db2diag.log op Windows -systemen, waarbij x: oor het logische station staat en db2 oor de naam an het subsysteem. Op Windows NT - en Windows 2000-systemen kunt u met behulp an Logboekinzage het beheerderslogboek inzien. De traceerfunctie. Voor UNIX-systemen kunt u de opdracht ps gebruiken, die statusinformatie oer de erwerking an actiee processen terugzendt naar standaarduitoer. Voor UNIX-systemen kunt u het kernbestand gebruiken dat in de huidige directory wordt gemaakt wanneer zich een ernstige fout oordoet. Het beat een geheugenimage an het afgebroken proces dat kan worden gebruikt om te bepalen door welke functie de fout is opgetreden. Verwante concepten: DB2 Connect - Oplossing an performanceproblemen op pagina 100 Traceerfunctie op pagina 138 De eerste erbinding komt niet tot stand Neem de olgende ragen door en controleer of de stappen oor installatie zijn uitgeoerd. 1. Is de installatieprocedure op de juiste manier oltooid? Zijn de ereiste softwareproducten beschikbaar? Is er oldoende geheugen en schijfruimte? Is de ondersteuning oor clients op afstand geïnstalleerd? Is de installatie an de communicatiesoftware zonder fouten oltooid? 2. Is er een subsysteem an het product gemaakt oor UNIX-systemen? Hebt u als hoofdgebruiker een gebruiker en een groep gemaakt om als eigenaar an het subsysteem en als de groep sysadm te fungeren? 3. Zijn, indien an toepassing, de licentiegegeens op de juiste manier erwerkt? Hebt u oor UNIX-systemen het nodelock-bestand bewerkt en het door IBM erstrekte wachtwoord ingeoerd? 4. Zijn de communicatie-instellingen an de host- of iseries -databaseserer en het werkstation juist? Er zijn drie configuraties waarmee u rekening moet houden: a. De configuratie an de host- of iseries-databaseserer maakt de toepassingenrequester bekend aan de serer. Het databasebeheersysteem 136 Gebruikershandleiding
145 an de host- of iseries-serer beat items in de systeemcatalogus die de requester definiëren oor wat betreft de locatie, het netwerkprotocol en de beeiliging. b. De configuratie an het DB2 Connect-werkstation geeft de gegeens an de clientpopulatie door aan de serer en de gegeens an de host- of de iseries-serer aan de client. c. In de configuratie an het clientwerkstation moeten de naam an het werkstation en het communicatieprotocol zijn gedefinieerd. Bij het analyseren an een probleem waarbij de eerste erbinding niet tot stand komt, doet u het olgende: oor SNA-erbindingen controleert u of alle LU- (logical unit) en PU-namen (physical unit) olledig en correct zijn en oor TCP/IP-erbindingen controleert u of het juiste poortnummer en de juiste hostnaam zijn opgegeen. De databasebeheerder an de host- of de iseries-serer en de netwerkbeheerders beschikken oer hulpprogramma s om de oorzaak an problemen ast te stellen. 5. Beschikt u oer het ereiste machtigingsnieau oor het databasebeheersysteem an de host- of iseries-serer om gebruik te maken an de database an de host- of de iseries-serer? Controleer de toegangsmachtiging an de gebruiker, de regels oor tabelkwalificatie en de erwachte resultaten. 6. Lukt het om de Opdrachtregelinterface te gebruiken om SQL-instructies door te geen aan een host- of een iseries-databaseserer? Is de procedure oor binding an de Opdrachtregelinterface aan de host- of de iseries-databaseserer uitgeoerd? Verwante concepten: Probleembepaling op pagina 135 Problemen die optreden na een eerste erbinding op pagina 137 Problemen die optreden na een eerste erbinding De olgende ragen dienen als beginpunt oor beperking an het probleemgebied. 1. Bestaan er bijzondere of ongebruikelijke omstandigheden? Is dit een nieuwe toepassing? Wordt er gebruikgemaakt an nieuwe procedures? Zijn er recent eranderingen aangebracht die het systeem kunnen beïnloeden? Zijn er bijoorbeeld softwareproducten of toepassingen gewijzigd nadat de toepassing of het scenario oor het laatst succesol is uitgeoerd? Welke API (Application Programming Interface) is er oor toepassingsprogramma s gebruikt om het programma te maken? Zijn er op het systeem an de gebruiker andere toepassingen uitgeoerd die gebruikmaken an de software of communicatie-api s? Is er recent een PTF geïnstalleerd? Als het probleem is opgetreden op het moment dat een gebruiker een functie probeerde te gebruiken die sinds de installatie niet op het besturingssysteem was gebruikt (of geladen), bepaalt u het meest recente PTF-nieau an IBM. Dit moet worden geladen na installatie an de functie. 2. Is de fout al eerder opgetreden? Bestaat er documentatie oer de handelwijze bij eerder opgetreden fouten? Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 137
146 Wie waren daarbij betrokken en kunnen zij inzicht erschaffen oer de mogelijke oplossing? 3. Hebt u onderzoek uitgeoerd door middel an opdrachten an communicatiesoftware die informatie oer het netwerk terugzenden? Beschikt u oer een hulpprogramma oor erificatie oor de SNA-software? Wanneer u gebruikmaakt an TCP/IP kan er waardeolle informatie worden erkregen door het gebruik an TCP/IP-opdrachten en -daemons. 4. Is er waardeolle informatie teruggezonden in de SQLCA (SQL Communication Area)? Bij het oplossen an problemen moeten er stappen worden uitgeoerd om de inhoud an de elden SQLCODE en SQLSTATE te onderzoeken. Dankzij SQLSTATE s kunnen toepassingsprogrammeurs testen op foutklassen die aak oorkomen in de databaseproducten an DB2. Dit eld geeft mogelijk een gemeenschappelijke basis binnen een relationeel databasenetwerk. 5. Is DB2START uitgeoerd op de serer? Controleer daarnaast of de omgeingsariabele DB2COMM zo is ingesteld dat clients op afstand toegang tot de serer kunnen krijgen. 6. Kunnen andere computers, die dezelfde taak uitoeren, wel erbindingen met de serer tot stand brengen? Het is mogelijk dat het maximumaantal clients oor de erbinding met de serer is bereikt. Is de client die geen erbinding kon maken daartoe wel in staat als een andere client de erbinding met de serer erbreekt? 7. Heeft de computer de juiste adressering? Controleer of de computer uniek is in het netwerk. 8. Is de juiste machtiging aan de client erleend als het een erbinding op afstand betreft? Het is mogelijk dat de erbinding met het subsysteem succesol tot stand is gekomen, maar dat er geen toegang wordt erleend op het nieau an de database of de tabel. 9. Is dit de eerste computer die een erbinding tot stand wil brengen met een database op afstand? Het is mogelijk dat in gedistribueerde erwerkingsomgeingen routers of bridges tussen netwerken de communicatie tussen de client en de serer blokkeren. Wanneer u bijoorbeeld gebruikmaakt an APPC, controleer dan of een bepaalde sessie tot stand kan worden gebracht. Wanneer u gebruikmaakt an TCP/IP, controleer dan of u een PING-opdracht kunt uitoeren op de host op afstand. Verwante concepten: Probleembepaling op pagina 135 Traceerfunctie op pagina 138 Traceerfunctie Het hulpprogramma db2drdat legt de gegeens ast die worden uitgewisseld tussen de DB2 Connect-serer (namens de database client) en de host- of iseries -databaseserer. Voor databasebeheerders (of toepassingsontwikkelaars) is het wellicht nuttig om te begrijpen hoe deze informatiestroom werkt. Deze kennis kan helpen bij het achterhalen an de oorzaak an een bepaald probleem. U geeft bijoorbeeld de database-instructie CONNECT TO op oor een host- of iseries-databaseserer, maar u ontangt een retourcode die aangeeft dat de opdracht is mislukt. Als u precies begrijpt welke informatie naar de host- of de iseries-databaseserer is erzonden, 138 Gebruikershandleiding
147 kunt u misschien de oorzaak an de fout bepalen, zelfs wanneer de informatie in de retourcode algemeen is. Veel problemen worden eroorzaakt door eenoudige gebruikersfouten. De uitoer an db2drdat geeft een oerzicht an de gegeensstromen die worden uitgewisseld tussen het DB2 Connect-werkstation en het beheersysteem an de host- of iseries-databaseserer. Gegeens die naar de host- of de iseries-databaseserer zijn erzonden, hebben het label SEND BUFFER. Gegeens die an de host- of de iseries-databaseserer zijn ontangen, hebben het label RECEIVE BUFFER. Als een ontangstbuffer SQLCA-informatie beat, wordt deze geolgd door een ingedeelde interpretatie an de gegeens en oorzien an het label SQLCA. Het eld SQLCODE an een SQLCA is de niet-toegewezen waarde die teruggezonden wordt door de host- of de iseries-databaseserer. De erzend- en ontangstbuffers worden binnen het bestand gerangschikt an de oudste naar de nieuwste. Elke buffer beat: Het proces-id. Het label SEND BUFFER, RECEIVE BUFFER of SQLCA. De eerste DDM-opdracht of het eerste DDM-object in een buffer heeft het label DSS TYPE. De resterende gegeens in de erzend- en ontangstbuffers zijn erdeeld in ijf kolommen die bestaan uit: Een bytetelling. Kolommen twee en drie die de DRDA -gegeensstroom weergeen tussen de twee systemen, in ASCII of EBCDIC. Een ASCII-weergae an de kolommen twee en drie. Een EBCDIC-weergae an de kolommen twee en drie. Raadpleeg DB2 for OS/390 Reference for Remote DRDA Requesters and Serers, Distributed Relational Database Reference en Distributed Data Management Architecture Leel 3: Reference oor meer informatie. Verwante concepten: Analyse an uitoerbestand met traceergegeens op pagina 140 Uitoer an tracering op pagina 139 Verwante informatie: Gegeens traceerfunctie db2drdat - DRDA Trace Command in de publicatie Command Reference Uitoer an tracering Het hulpprogramma db2drdat schrijft de olgende informatie naar het traceerbestand: -r Type DRDA -antwoord/object Ontangstbuffer -s Type DRDA-opdracht Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 139
148 Verzendbuffer -c SQLCA CPI-C foutinformatie Retourcode an ontangstfunctie Seerity Gebruikt protocol Gebruikte API Functie Retourcode CPI-C Foutcode Interne retourcode Foutinformatie oor SNA Retourcode an ontangstfunctie Seerity Gebruikt protocol Functie Partner LU-naam Foutcode Foutinformatie oor TCP/IP Retourcode an ontangstfunctie Seerity Gebruikt protocol Gebruikte API Functie Foutcode Opmerkingen: 1. Een nul geeft aan dat de opdracht correct is beëindigd. Een waarde die niet-nul is, geeft aan dat dit niet het geal is. 2. De teruggezonden elden erschillen afhankelijk an de gebruikte API. De SNA API wordt alleen gebruikt oor 2PC SPM-erbindingen. 3. De teruggezonden elden erschillen afhankelijk an het platform waarop DB2 Connect wordt uitgeoerd, zelfs oor dezelfde API. 4. Als u de opdracht db2drdat naar een bestaand bestand stuurt, wordt het oude bestand gewist tenzij het bestand machtigingen beat die dit niet toestaan. Verwante concepten: Analyse an uitoerbestand met traceergegeens op pagina 140 Traceerfunctie op pagina 138 Verwante informatie: db2drdat - DRDA Trace Command in de publicatie Command Reference Analyse an uitoerbestand met traceergegeens De olgende informatie wordt astgelegd bij een db2drdat-tracering: Het proces-id (PID) an de clienttoepassing. 140 Gebruikershandleiding
149 De RDB_NAME die in de DCS-directory (Database Connection Serices) is gecatalogiseerd. CCSID( s) an DB2 Connect. CCSID( s) an de host- of iseries-databaseserer. Het beheersysteem an de host- of iseries-databaseserer waarmee het DB2 Connect-systeem communiceert. De eerste buffer beat de opdrachten Exchange Serer Attributes (EXCSAT) en Access RDB (ACCRDB), die naar het beheersysteem an de host- of iseries-databaseserer zijn gezonden. Deze opdrachten worden erzonden als resultaat an een databaseopdracht CONNECT TO. De olgende buffer beat het antwoord dat DB2 Connect an het beheersysteem an de host- of iseries-databaseserer heeft ontangen. Het beat de opdrachten Exchange Serer Attributes Reply Data (EXCSATRD) en Access RDB Reply Message (ACCRDBRM). EXCSAT De opdracht EXCSAT beat de naam an het werkstation an de client die wordt opgegeen door het object Serer Name (SRVNAM). Volgens de specificatie an DDM is dit codepunt X'116D'. De opdracht EXCSAT staat in de eerste buffer. Binnen de opdracht EXCSAT worden de waarden X' A485A3' (gecodeerd in CCSID 500) omgezet naar racquet als X'116D' wordt erwijderd. De opdracht EXCSAT beat ook het object EXTNAM (External Name) dat aak in diagnostische informatie op het beheersysteem an de host- of iseries-database wordt geplaatst. Dit bestaat uit een toepassings-id an 20 bytes, geolgd door een proces-id an 8 bytes (of een proces-id an 4 bytes en een thread-id an 4 bytes). Het wordt weergegeen door codepunt X'115E'. In dit oorbeeld is de waarde db2bp, opgeuld met spaties en geolgd door E. Op een UNIX-database client kan deze waarde worden gecorreleerd met de opdracht ps. Deze zendt statusinformatie oer de erwerking an actiee processen terug naar standaarduitoer. ACCRDB De opdracht ACCRDB beat de RDB_NAME in het object RDBNAM. Dit is codepunt X'2110'. De opdracht ACCRDB olgt op de opdracht EXCSAT in de eerste buffer. Binnen de opdracht ACCRDB worden de waarden X'C8C1D4C9D3E3D6D5' omgezet naar HAMILTON als X'2110' wordt erwijderd. Dit komt oereen met het eld an de doeldatabasenaam in de DCS-directory. De accountreeks heeft codepunt X'2104'. De codeset die oor het DB2 Connect-werkstation is geconfigureerd, wordt weergegeen door het CCSID-object CCSIDSBC (CCSID oor enkelbytetekens) met codepunt X'119C' in de opdracht ACCRDB. In dit oorbeeld is CCSIDSBC X'0333', wat oereenkomt met 819. De extra objecten CCSIDDBC (CCSID oor dubbelbyte tekens) en CCSIDMBC (CCSID oor combinaties an enkel- en dubbelbyte tekens), met de respectiee codepunten X'119D' en X'119E', zijn eeneens aanwezig in de opdracht ACCRDB. In dit oorbeeld is CCSIDDBC gelijk aan X'04B0', dus 1200, en is CCSIDMBC gelijk aan X'0333', dus 819. Opmerking: De TCP/IP-informatiestroom beat twee nieuwe opdrachten: ACCSEC oor toegang tot beeiligingsbeheer en uitwisseling an ondersteunde beeiligingsmechanismen, en SECCHK met Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 141
150 de erificatietokens die worden gebruikt om de eindgebruiker an de erbinding te erifiëren. ACCSEC en SECCHK komen alleen oor bij TCP/IP-erbindingen en wel tussen EXCSAT en ACCRDB. EXCSATRD en ACCRDBRM CCSID-waarden worden ook anaf de host- of de iseries-databaseserer teruggezonden in de opdracht ACCRDBRM (Access RDB Reply Message) binnen de tweede buffer. Deze buffer beat achtereenolgens de opdrachten EXCSATRD en ACCRDBRM. Het oorbeelduitoerbestand beat CCSID-waarden an 500 (X'01F4', SBCS CCSID) oor de host- of het iseries-databaseserersysteem. Als DB2 Connect de codetabel die wordt teruggestuurd anaf de host- of iseries-databaseserer niet herkent, wordt SQLCODE -332 samen met de bron- en de doelcodetabellen teruggezonden naar de gebruiker. Als de host- of de iseries-databaseserer de codeset die anaf DB2 Connect wordt erzonden niet herkent, wordt VALNSPRM (Parameter Value Not Supported met codepunt DDM X'1252') teruggezonden en ertaald naar SQLCODE -332 oor de gebruiker. De opdracht ACCRDBRM beat ook de parameter PRDID (Product-specific Identifier met codepunt X'112E'). De waarde is X'C4E2D5F0F7F0F1F1', wat oereenkomt met DSN07011 in EBCDIC. Standaard komt DSN oereen met DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390. Het ersienummer wordt eeneens aangegeen. ARI is DB2 Serer for VSE & VM, SQL is DB2 Uniersal Database of DB2 Connect, en QSQ is DB2 UDB oor iseries. Verwante concepten: Uitoer an tracering op pagina 139 Traceerfunctie op pagina 138 Verwante informatie: db2drdat - DRDA Trace Command in de publicatie Command Reference Opeenolgende buffergegeens oor DRDA-traceringen op pagina 147 Voorbeelden an traceerbestanden op pagina 142 Voorbeelden an traceerbestanden De onderstaande afbeeldingen beatten uitoeroorbeelden an DRDA -gegeensstromen tussen DB2 Connect-werkstations en een host- of iseries -databaseserer. Vanuit de gebruiker gezien is de databaseopdracht CONNECT TO opgegeen ia de opdrachtregelinterface. Figuur 13 op pagina 143 maakt gebruik an DB2 Connect Enterprise Edition Versie 8.2 en DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 Versie ia een TCP/IP-erbinding. 142 Gebruikershandleiding
151 1 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcsend fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 100 bytes 12 Data1 (PD_TYPE_HEXDUMP,4) Hexdump: 0x215DF148 : C3... Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 1 an 9) 2 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcsend fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 1177 bytes 464 SEND BUFFER(AR): EXCSAT RQSDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF B4D AE E115E A...A.n.^....}...>.;db 0010 F @@@@@@@@@@@@@ 2bp F0F0F0F1F9F E F0F0...` F0F1A2A @@@@@@@@@@@ 01sun C4C4C2F2C8D4E @... DDB2HMT F $...t..$...@ D1147D8C4C2F2 61F6F0F0F0000B11...G...a......QDB2/ A0 6D A485A3 000C115AE2D8D3F0 m...z... _racquet...]sql0 00B0 F8F0F2F ACCSEC RQSDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF D D000611A20003.&.A....m.....}..._...s C8C1D4C9 D3E3D6D !...@@@@...HAMILTON 0020 SECCHK RQSDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF CD E000611A20003.<.A...6.n.....}...>...s C8C1D4C9 D3E3D6D !...@@@@...HAMILTON C 0030 A3A2000A11A09585 A6A ts...newton ACCRDB RQSDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF ADD A F !.$...}...x C7F9F1C1 F3F8F9C34BC1F1F6..!5...K......G91A389C.A F40923F C8C1D4C9D3..#. S...! HAMIL 0030 E3D6D C11...@@@@@@@@@@... TON EE2D8D3F0F8F0F2 F0000D002FD8E3C4.../....SQL QTD 0050 E2D8D3C1E2C C SQLASC D04B E C Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 2 an 9) Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 143
152 3 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcreceie fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 100 bytes 12 Data1 (PD_TYPE_HEXDUMP,4) Hexdump: 0x215DF148 : E data DB2 DRDA Communication Manager sqljcreceie fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 1178 bytes 239 RECEIVE BUFFER(AR): EXCSATRD OBJDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF AD EC4C2.Z.C...T.C...^...]}...;DB 0010 C1C1F1F5F9F1F2F8 C6F AA159128F F $...t..$...@ D8C4 C2F DC8C1...G...m.....QDB2..._HA 0040 D4C9D3E3D6D C...@@@@@@@@.. MILTON AC4E2D5F0F7F0 F1F1.Z....]DSN07011 ACCSECRD OBJDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF D A 14AC000611A C.....}...s.. SECCHKRM RPYDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF D F B...I....} A u. ACCRDBRM RPYDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF D D c...]"...I....}...) D002FD8E3C4E2 D8D3F3F7F0000C11.../......QTDSQL EC4E2D5F0F7F0F1 F1000A DSN C01F4000C11A0D5 C5E6E3D6D @@ NEWTON E24 4E C !%$4..$N..$L < D FFF FF000A11E8091A59.$M..$O...Y..(...!...Y BF W..... Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 3 an 9) 5 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcsend fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 100 bytes 12 Data1 (PD_TYPE_HEXDUMP,4) Hexdump: 0x215DF148 : A... 6 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcsend fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 1177 bytes 23 SEND BUFFER(AR): RDBCMM RQSDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF AD E......}... Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 4 an 9) 144 Gebruikershandleiding
153 7 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcreceie fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 100 bytes 12 Data1 (PD_TYPE_HEXDUMP,4) Hexdump: 0x215DF148 : data DB2 DRDA Communication Manager sqljcreceie fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 1178 bytes 67 RECEIVE BUFFER(AR): ENDUOWRM RPYDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF BD C R...%"...I....} C8C1D4C9 D3E3D6D !...@@@@...HAMILTON SQLCARD OBJDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF BD FF...$....}... Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 5 an 9) 9 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcsend fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 100 bytes 12 Data1 (PD_TYPE_HEXDUMP,4) Hexdump: 0x215DF148 : C data DB2 DRDA Communication Manager sqljcsend fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 1177 bytes 137 SEND BUFFER(AR): EXCSQLIMM RQSDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF D D 200A C8C1.S.Q...M..D!.....}...(...HA 0010 D4C9D3E3D6D @@@@@@@@@@ MILTON 0020 D5E4D3D3C9C @@@@@@@@@@ NULLID E2D8D3C3F2C5 SQLC2E F1!....1 SQLSTT OBJDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF D B64656C65.)...#$...dele..}...% F6D E te from ddcsus1....?_ D C mytable.. _`./.%... Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 6 an 9) Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 145
154 11 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcreceie fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 100 bytes 12 Data1 (PD_TYPE_HEXDUMP,4) Hexdump: 0x215DF148 : e 12 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcreceie fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 1178 bytes 114 RECEIVE BUFFER(AR): SQLCARD OBJDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF D F FFFFFF34F4.e..._$ }...^ F2F7F0F4C4E2D5E7 D6E3D34000C8C1D4...@ DSNXOTL.HAM 0020 C9D3E3D6D FF...@@@@@@@@@@. ILTON FFFE0C FFFFFFFF E E @@@.@@@@...W W FC4C E3C1C2D3C5... TABLE Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 7 an 9) 13 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcsend fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 100 bytes 12 Data1 (PD_TYPE_HEXDUMP,4) Hexdump: 0x215DF148 : A data DB2 DRDA Communication Manager sqljcsend fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 1177 bytes 23 SEND BUFFER(AR): RDBRLLBCK RQSDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF AD F......}... Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 8 an 9) 146 Gebruikershandleiding
155 15 data DB2 DRDA Communication Manager sqljcreceie fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 100 bytes 12 Data1 (PD_TYPE_HEXDUMP,4) Hexdump: 0x215DF148 : data DB2 DRDA Communication Manager sqljcreceie fnc ( ) pid tid 1 cpid -1 node 0 probe 1178 bytes 67 RECEIVE BUFFER(AR): ENDUOWRM RPYDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF BD C R...%"...I....} C8C1D4C9 D3E3D6D !...@@@@...HAMILTON SQLCARD OBJDSS (ASCII) (EBCDIC) A B C D E F ABCDEF ABCDEF BD FF...$....}... Figuur 13. Voorbeeld an uitoer an traceergegeens (TCP/IP-erbinding) (Deel 9 an 9) Verwante concepten: Analyse an uitoerbestand met traceergegeens op pagina 140 Verwante informatie: Opeenolgende buffergegeens oor DRDA-traceringen op pagina 147 Opeenolgende buffergegeens oor DRDA-traceringen Nadere beschouwing an twee opeenolgende erzend- en ontangstbuffers maakt het mogelijk om aanullende informatie te erkrijgen. De olgende opdracht beat een COMMIT-instructie. Met deze COMMIT wordt het beheersysteem an de host- of iseries-databaseserer opgedragen om de wijzigingen an de huidige werkeenheid ast te leggen. De ierde buffer wordt ontangen an het databasebeheersysteem an de host- of iseries-databaseserer als resultaat an het uitoeren an een COMMIT- of een ROLLBACK-opdracht. Deze beat een ENDUOWRM-bericht (End Unit of Work Reply Message), die aangeeft dat de huidige werkeenheid is beëindigd. In dit oorbeeld beat traceeritem 8 een null-sqlca die wordt aangegeen door het DDM-codepunt X'2408' met daarachter een X'FF'. Een null-sqlca (X'2408FF') geeft aan dat de opdracht met succes is oltooid (SQLCODE 0). Figuur 13 op pagina 143 toont een oorbeeld an een ontangstbuffer met een fout aangeende SQLCA op traceeritem 12. Verwante concepten: Analyse an uitoerbestand met traceergegeens op pagina 140 Verwante informatie: Voorbeelden an traceerbestanden op pagina 142 Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 147
156 CS AIX CPIC APPC API-gegeens traceren Er zijn twee methoden om een CS/AIX CPIC/APPC API-tracering te genereren. Methode 1: Voeg SNATRC=/tmp/best1:/tmp/best2 toe aan het bestand $HOME/sqllib/cfg/endor.cfg. Methode 2: export SNATRC=/tmp/best1:/tmp/best2: db2set db2enlist=snatrc Voor beide methoden moet u ook de olgende opdrachten uitoeren: db2stop db2start zodat de DB2 -gateway de nieuwe omgeingsariabele kan ophalen. Verwante concepten: Probleembepaling op pagina 135 Traceerfunctie op pagina 138 De meestoorkomende problemen bij DB2 Connect Dit onderwerp biedt een oerzicht an de meestoorkomende erbindingsproblemen bij het gebruik an DB2 Connect. Voor elk probleem wordt de olgende informatie erstrekt: Een combinatie an een berichtnummer en een retourcode (of een protocolspecifieke retourcode) behorend bij dat bericht. Elke combinatie an bericht en retourcode heeft een afzonderlijk kopje. De kopjes staan op olgorde an berichtnummer en retourcode. Een probleem, meestal in de orm an een oorbeeld an een berichtenlijst. Een mogelijke oplossing, die de waarschijnlijke oorzaak an het probleem aangeeft. In sommige geallen wordt er meer dan een mogelijke oplossing gegeen. Opmerking: Voor combinaties an bericht- en retourcodes oor APPC-communicatie is het mogelijk dat er ook een SNA-aftastcode wordt ermeld. Op dit moment moet informatie oer de SNA-aftastcode bij een bepaald bericht uit het SNA-subsysteem worden erkregen. SQL0965 of SQL0969: SNA-aftastcodes kunnen worden bekeken door de systeemlogboeken te raadplegen. Of de aftastcode wordt weergegeen, hangt af an het SNA-subsysteem dat wordt gebruikt. In sommige geallen moet u SNA-tracering actieren en de fout opnieuw laten optreden om de informatie oer de aftastcode te erkrijgen. Probleem De berichten SQL0965 en SQL0969 kunnen een aantal erschillende 148 Gebruikershandleiding
157 retourcodes beatten uit DB2 Uniersal Database (UDB) oor iseries, DB2 UDB oor OS/390 en z/os en DB2 oor VM & VSE. Wanneer u met een an beide berichten wordt geconfronteerd, moet u de oorspronkelijke SQL-code opzoeken in de documentatie an de databaseserer die het bericht erzendt. Oplossing De SQL-code die an de host- of iseries-database is ontangen, kan niet worden ertaald. Corrigeer het probleem op basis an de foutcode en geef de opdracht opnieuw op. SQL1338 tijdens CONNECT: Probleem / oorzaak De symbolische bestemming is niet of onjuist gedefinieerd. Oplossingen SQL5043N: Dit kan oorkomen wanneer er een APPC-knooppunt wordt gebruikt en de symbolische bestemming die is opgegeen in de DB2- knooppuntdirectory niet oereenkomt met een CPI-C-item in de lokale configuratie an het APPC-communicatiesubsysteem. Een andere mogelijke oorzaak is dat er meer dan een stack op uw computer is geïnstalleerd. Wellicht moet u PATH en LIBPATH controleren om er zeker an te zijn dat eerst wordt erwezen naar de stack die u wilt gebruiken. 1. Zorg eroor dat de profielnaam oor extra CPIC-informatie in de DB2-knooppuntdirectory oereenkomt met de SNA-configuratie (deze is hoofdlettergeoelig). 2. Wellicht moet u PATH en LIBPATH controleren om er zeker an te zijn dat eerst wordt erwezen naar de SNA-stack die u wilt gebruiken. Probleem Ondersteuning an een of meer communicatieprotocollen is niet op de juiste manier gestart. De kernfuncties an de database manager zijn echter wel correct gestart. Wellicht is het protocol TCP/IP niet gestart op de gateway an DB2 Connect. Het is mogelijk dat een eerdere clienterbinding correct is gestart. Als diagleel = 4, kan db2diag.log een ergelijkbaar item beatten, zoals: Instance:stdbm5 Node:000 PID:10296(db2tcpcm) Appid:none common_communication sqlcctcpconnmgr_child Probe:46 DIA3205E Het ingestelde socketadres "30090" in het bestand met TCP/IP-functies is ereist oor TCP/IP-sererondersteuning maar is in gebruik door een ander proces. Oplossing Deze waarschuwing geeft aan dat DB2 Connect, als serer oor clients op afstand, moeite heeft met een of meer communicatieprotocollen an clients. Het kan hierbij gaan om TCP/IP, APPC of andere protocollen; het bericht geeft doorgaans aan dat een an de communicatieprotocollen oor DB2 Connect onjuist is geconfigureerd. De oorzaak is aak dat de profielariabele niet of onjuist is gedefinieerd. In het algemeen wordt het probleem eroorzaakt doordat de ariabele Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 149
158 SQL30020: DB2COMM en de namen die in de configuratie an de database manager zijn gedefinieerd niet oereenkomen (bijoorbeeld scename, nname of tpname). In een mogelijk scenario is er een eerder succesolle erbinding, waarbij erolgens het foutbericht SQL5043 optreedt terwijl de configuratie niet is gewijzigd. Dit kan optreden bij gebruik an het protocol TCP/IP als het systeem op afstand de erbinding om een of andere reden abnormaal beëindigt. Wanneer dit gebeurt, lijkt het soms alsof er nog een erbinding op de client bestaat en kan de erbinding misschien zonder erdere tussenkomst worden hersteld door de onderstaande opdrachten op te geen. Waarschijnlijk heeft een an de clienterbindingen met de DB2 Connect-serer nog steeds een handle op de TCP/IP-poort. Geef op elke client die is erbonden met de DB2 Connect-serer een an de olgende opdrachten op: db2 terminate db2stop Probleem SQL30020N Een instructie kon niet worden uitgeoerd als geolg an een fout in een distributieprotocol. Deze fout is an inloed op het correct uitoeren an opeenolgende opdrachten en SQL-instructies. Oplossingen Bij deze fout moet u contact opnemen met een sericemedewerker. SQL30060: Controleer de directory db2dump op een ffdc-dump (pid.000). Deel dit dumpbestand erolgens in met db2fdump en zoek in het resulterende bestand op ERROR. Probleem SQL30060N <machtigings-id> is niet gemachtigd om bewerking <bewerking> uit te oeren. Oplossing Bij het maken an een erbinding met DB2 oor OS/390 en z/os, zijn de CDB-tabellen (Communications Database) onjuist bijgewerkt. SQL30061: Probleem Er wordt een erbinding tot stand gebracht met een onjuiste locatie oor de host- of iseries -databaseserer - er is geen doeldatabase geonden. Oplossing Mogelijk is een onjuiste naam opgegeen oor de databaseserer in de DCS-directory. Wanneer dit gebeurt, wordt SQLCODE naar de toepassing teruggezonden. Controleer het DB2-knooppunt, de database en de items an de DCS-directory. Het eld met de doeldatabasenaam in het DCS-directorygegeen moet oereenkomen met de naam an de database op het platform. Voor een DB2 Uniersal Database for z/os and OS/390 database moet bijoorbeeld de naam worden gebruikt die ook is opgegeen in het BSDS-eld (Boot Strap Data Set) LOCATION=locnaam 150 Gebruikershandleiding
159 dat ook wordt ermeld in het bericht DSNL004I (LOCATION=locatie) wanneer de Distributed Data Facility (DDF) wordt gestart. De juiste opdrachten oor een APPC- of APPN -knooppunt zijn: db2 catalog appc node <knooppuntnaam> remote <sym_best_naam> security program db2 catalog dcs database <lokale_naam> as <werkelijke_dbnaam> db2 catalog database <lokale_naam> as <alias> at node <knooppuntnaam> authentication serer De juiste opdrachten oor een TCP/IP-knooppunt zijn: db2 catalog tcpip node <knooppuntnaam> remote <hostnaam_of_adres> serer <poortnr_of_sericenaam> db2 catalog dcs database <lokale_naam> as <werkelijke_dbnaam> db2 catalog database <lokale_naam> as <alias> at node <knooppuntnaam> authentication serer Voor een erbinding met de database geeft u het olgende op: db2 connect to <alias> user <gebruikersnaam> using <wachtwoord> SQL30081N met retourcode 1: Probleem Bij dit probleem wordt het olgende bericht erzonden met een SNA-aftastcode: db2 connect to <databasenaam> user <gebruikers-id> Geef wachtwoord op oor <gebruikers-id>: SQL30081N Er is een communicatiefout geonden. Communicatieprotocol dat wordt gebruikt: "APPC". Communicatie-API die wordt gebruikt: "CPI-C". Locatie waar de fout is opgetreden: "". Communicatiefunctie die de fout heeft astgesteld: "cmallc". Protocolspecifieke foutcode(s): "1", "*", "0x ". SQLSTATE=08001 Oplossing(en) In dit oorbeeld is de aftastcode De meest oorkomende aftastcodes bij dit foutbericht en de aanbeolen oplossingen in deze geallen zijn: SQL30081N met retourcode 1 en SNA-aftastcode C Er is een onjuiste netwerknaam opgegeen. SQL30081N met retourcode 1 en SNA-aftastcode ffff0003 Er is een onjuist MAC-adres opgegeen of de SNA-koppeling is niet actief. SQL30081N met retourcode 1 en SNA-aftastcode Het LU-type komt niet oereen. SQL30081N met retourcode 1 en SNA-aftastcode 084B6031 MAXDBAT in DSNZPARM (op een DB2 oor OS/390 en z/os -host) is ingesteld op 0. Andere suggesties zijn: Definieer de LU als de standaard-lu wanneer u het profiel lokale LU maakt. Doe het olgende in de SNA Feature-lijst in CM/2: 1. Selecteer het aankruisakje Use this local LU as your default local LU alias of Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 151
160 2. Stel het profiel of de omgeingsariabele APPCLLU op het systeem an de DB2 Connect Enterprise Edition-serer in op de lokale LU-naam. U kunt dit op Windows -systemen doen met behulp an het Configuratiescherm. Controleer of SNA is gestart op de DB2 Connect-serer. Controleer, wanneer u gebruikmaakt an DB2 oor OS/390 en z/os, of de DDF-adresruimte (Distributed Data Facility) is gestart en of DB2 actief is. SQL30081N met retourcode 2: Probleem Bericht SQL30081N wordt ontangen met retourcode 2 en SNA-aftastcode Oplossing De parameter NUMILU op de NCP (aan de host- of iseries-zijde an de koppeling) kan zijn ingesteld op de standaardwaarde (0). Controleer deze parameter. Wijzig oordat u het opnieuw probeert zonodig de NCP-definitie nadat u de wijziging hebt geactieerd. SQL30081N met retourcode 9: Probleem Het olgende bericht wordt erzonden (de SNA-aftastcode is in dit geal niet ereist.): db2 connect to <database> user <gebruikers-id> SQL30081N Er is een communicatiefout geonden. Communicatieprotocol dat wordt gebruikt: "APPC". Communicatie-API die wordt gebruikt: "CPI-C". Locatie waar de fout is opgetreden: "". Communicatiefunctie die de fout heeft astgesteld: "cmsend". Protocolspecifieke foutcode(s): "9", "*", "0x ". SQLSTATE=08001 Oplossing De naam an het transactieprogramma (TPNAME) is onjuist gedefinieerd op het DB2 Connect-systeem. U hebt bijoorbeeld wel uw SNA-configuratie bijgewerkt, maar deze nog niet op de DB2 Connect-serer geerifieerd. SQL30081N met retourcode 10: Probleem Het olgende bericht wordt erzonden (de SNA-aftastcode is niet ereist): SQL30081N Er is een communicatiefout geonden. Communicatieprotocol dat wordt gebruikt: "APPC". Communicatie-API die wordt gebruikt: "CPI-C". Locatie waar de fout is opgetreden: "". Communicatiefunctie die de fout heeft astgesteld: "cmrc". Protocolspecifieke foutcode(s): "10", "*", "*". SQLSTATE=08001 Oplossing Zorg dat DB2 op de juiste manier is geïnstalleerd. SQL30081N met retourcode 20: 152 Gebruikershandleiding
161 Probleem SQL30081N Er is een communicatiefout geonden. Communicatieprotocol dat wordt gebruikt: "APPC". Communicatie-API die wordt gebruikt: "CPI-C". Locatie waar de fout is opgetreden: "". Communicatiefunctie die de fout heeft astgesteld: "xcstp". Protocolspecifieke foutcode(s): "20", "*", "*". SQLSTATE=08001 Oplossing Controleer of het SNA-subsysteem is gestart op het DB2 Connect-systeem. SQL30081N met retourcode 27: Probleem Bericht SQL30081N is ontangen met retourcode 27 en SNA-aftastcode 800Axxxx. Oplossing De VTAM -padinformatie (PIU) is te groot. SQL30081N met retourcode 79: Probleem SQL30081N Er is een communicatiefout geonden. Communicatieprotocol dat wordt gebruikt: "TCP/IP". Communicatie-API die wordt gebruikt: "SOCKETS". Locatie waar de fout is opgetreden: "". Communicatiefunctie die de fout heeft astgesteld: "connect". Protocolspecifieke foutcode(s): "79", "*", "*". SQLSTATE=08001 Oplossing(en) Deze fout kan optreden wanneer een client op afstand er niet in slaagt een erbinding tot stand te brengen met een DB2 Connect-serer. Het probleem kan zich ook oordoen wanneer er een erbinding tot stand wordt gebracht an een DB2 Connect-serer met een host- of iseries-databaseserer. 1. De profielariabele DB2COMM is mogelijk onjuist ingesteld op de DB2 Connect-serer. Controleer dit. De opdracht db2set db2comm=tcpip moet bijoorbeeld in sqllib/db2profile oorkomen wanneer DB2 Extended Enterprise Edition wordt uitgeoerd op AIX. 2. Het is mogelijk dat de naam an de TCP/IP-serice en/of poortnummerspecificaties op de DB2-client en de DB2 Connect-serer niet oereenkomen. Controleer de gegeens in de serices-bestanden an TCP/IP op beide computers. 3. Controleer of DB2 is gestart op de DB2 Connect-serer. Stel het diagleel an de Database Manager-configuratie in op 4 met de opdracht: db2 update dbm cfg using diagleel 4 Bekijk na het beëindigen en opnieuw opstarten het bestand db2diag.log om te controleren of de DB2 TCP/IP-communicatie is gestart. De uitoer moet er ongeeer als olgt uitzien: Instance:stdbm2 Node:00 PID:86496(db2sysc) Appid:none common_communication sqlcctcp_start_listen Probe:80 DIA3000I Protocolondersteuning an "TCPIP" is gestart. SQL30081N met protocolspecifieke foutcode 10032: Hoofdstuk 13. Problemen oplossen 153
162 Probleem SQL30081N Er is een communicatiefout geonden. Communicatieprotocol dat wordt gebruikt: "TCP/IP". Communicatie-API die wordt gebruikt: "SOCKETS". Locatie waar de fout is opgetreden: " ". Communicatiefunctie die de fout heeft astgesteld: "send". Protocolspecifieke foutcode(s): "10032", "*", "*". SQLSTATE=08001 Oplossing Dit foutbericht kan worden ontangen wanneer wordt geprobeerd de erbinding te erbreken met een computer waarop TCP/IP-communicatie al is mislukt. Corrigeer het probleem met het TCP/IP-subsysteem. Op de meeste computers kan het probleem worden opgelost door het TCP/IP-protocol opnieuw te starten. Soms is het nodig om de communicatie opnieuw te configureren. SQL30082 RC=24 tijdens CONNECT: Probleem SQL1403N De gebruikersnaam en/of het wachtwoord is onjuist. Oplossing Zorg dat het juiste wachtwoord is opgegeen in de instructie CONNECT. Het wachtwoord is niet beschikbaar om naar de doelsererdatabase te worden gezonden. Er moet een wachtwoord an de DB2-client naar de doelsererdatabase worden gezonden. Op sommige platforms, zoals AIX, kan het wachtwoord alleen worden erkregen als het in de instructie CONNECT wordt opgegeen. Verwante concepten: Probleembepaling op pagina 135 Traceerfunctie op pagina Gebruikershandleiding
163 Deel 3. Bijlagen Copyright IBM Corp
164 156 Gebruikershandleiding
165 Bijlage A. Gegeens erplaatsen met DB2 Connect Als u werkt in een complexe omgeing waarin u gegeens moet erplaatsen tussen hostdatabasesystemen en werkstations, kunt u gebruikmaken an DB2 Connect, de gateway oor gegeensoerdracht tussen de host en het werkstation (zie Figuur 14). DB2 oor z/os Database Serer (DBMS) Databasetabel DB2 Connect DB2 UDB-client oor importeren/exporteren Figuur 14. Importeren/exporteren ia DB2 Connect De export- en importhulpprogramma s an DB2 bieden u de mogelijkheid om gegeens te erplaatsen an een host- of iseries-sererdatabase naar een bestand op het DB2 Connect-werkstation en omgekeerd. Verolgens kunt u deze gegeens gebruiken met elke andere toepassing of relationeel databasebeheersysteem dat deze import/export-indeling ondersteunt. U kunt bijoorbeeld gegeens an hostof iseries-sererdatabase naar een PC/IXF-bestand exporteren en de gegeens erolgens importeren in een DB2 oor Windows-database. U kunt export- en importfuncties uitoeren anaf een databaseclient of anaf het DB2 Connect-werkstation. Opmerkingen: 1. De te exporteren of importeren gegeens moeten oldoen aan de beperkingen oor omang en gegeenstype die an toepassing zijn op beide databases. 2. De importperformance kan worden erbeterd door gebruik te maken an samengestelde SQL-instructies. Geef in het importhulpprogramma de bestandstypeparameter compound op om een bepaald aantal SQL-instructies te groeperen in een blok. Mogelijk wordt hierdoor de netwerkoerhead erminderd en de responstijd erbeterd. Beperkingen: Copyright IBM Corp
166 Bij DB2 Connect moeten de import- en exportfuncties oldoen aan de olgende oorwaarden: Het bestandstype is PC/IXF. Op de doelserer moet een doeltabel worden gemaakt met kenmerken die compatibel zijn met de gegeens, oordat er gegeens kunnen worden geïmporteerd in de tabel. Het hulpprogramma db2look kan worden gebruikt om de kenmerken an de brontabel op te halen. Bij importeren met DB2 Connect kan geen tabel worden gemaakt, omdat INSERT de enige ondersteunde optie is. Als er aan een an deze oorwaarden niet wordt oldaan, mislukt de bewerking en ontangt u een foutbericht. Opmerking: Indexdefinities worden niet opgeslagen bij het exporteren of gebruikt bij het importeren. Bij het exporteren en importeren an gemengde gegeens (kolommen die zowel enkelbyte- als dubbelbytegegeens beatten), is het olgende an belang: Op systemen die gegeens opslaan in EBCDID (MVS, OS/390, OS/400, VM en VSE), markeren shift-out- en shift-in-tekens het begin en het einde an dubbelbytegegeens. Wanneer u kolomlengten oor uw databasetabellen definieert, moet u er zeker an zijn dat er oldoende ruimte is oor deze tekens. Het gebruik an tekstkolommen met ariabele lengte wordt aanbeolen, tenzij de kolomgegeens een consistent patroon ertonen. Gegeens erplaatsen an een werkstation naar een hostserer: U kunt als olgt gegeens erplaatsen naar een host- of AS/400- en iseries-sererdatabase: 1. Exporteer de gegeens an een DB2-tabel naar een PC/IXF-bestand. 2. Gebruik de optie INSERT om het PC/IXF-bestand te importeren in een compatibele tabel an de hostsererdatabase. U kunt als olgt gegeens erplaatsen an een hostsererdatabase naar een werkstation: 1. Exporteer de gegeens an de databasetabel op de hostserer naar een PC/IXF-bestand. 2. Importeer het PC/IXF-bestand in een DB2-tabel. Voorbeeld Het olgende oorbeeld geeft aan hoe u gegeens kunt erplaatsen an een werkstation naar een host- of AS/400- en iseries-sererdatabase. 1. Exporteer de gegeens in een externe IXF-indeling door middel an de olgende opdracht: db2 export to staff.ixf of ixf select * from userid.staff 2. Geef de olgende opdracht om een DRDA-erbinding tot stand te brengen met de DB2 UDB-doelserer: db2 connect to cbc664 user admin using xxx 3. Als de doeltabel nog niet bestaat, maakt u deze op de DB2 UDB-doelserer: CREATE TABLE mydb.staff (ID SMALLINT NOT NULL, NAME VARCHAR(9), DEPT SMALLINT, JOB CHAR(5), YEARS SMALLINT, SALARY DECIMAL(7,2), COMM DECIMAL(7,2)) 4. U kunt de gegeens importeren door middel an de olgende opdracht: 158 Gebruikershandleiding
167 db2 import from staff.ixf of ixf insert into mydb.staff Alle rijen gegeens worden in IXF-indeling uit het bestand gelezen. Met de instructie SQL INSERT wordt de rij ingeoegd in de tabel mydb.staff. Er wordt net zolang doorgegaan met het inoegen an enkele rijen totdat alle gegeens zijn erplaatst naar de doeltabel. Gedetailleerde informatie is beschikbaar in het olgende IBM Redbook: Moing Data Across the DB2 Family. Dit Redbook indt u op de olgende URL: Verwante concepten: Moing data across platforms - file format considerations in de publicatie Data Moement Utilities Guide and Reference Verwante informatie: EXPORT Command in de publicatie Command Reference IMPORT Command in de publicatie Command Reference Bijlage A. Gegeens erplaatsen met DB2 Connect 159
168 160 Gebruikershandleiding
169 Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database Oerzicht technische informatie oor DB2 Uniersal Database Technische informatie oer DB2 Uniersal Database wordt op erschillende manieren erstrekt: DB2 Informatiecentrum Topics Help bij DB2-tools Voorbeeldprogramma s Informatie oor zelfstudie Afgedrukte boeken en te downloaden PDF-bestanden Handleidingen Naslagmateriaal Help binnen opdrachtensters Help bij opdrachten Help bij berichten Geïnstalleerde broncode Voorbeeldprogramma s In dit gedeelte indt u een oerzicht an de beschikbare technische informatie en wordt aangegeen op welke manier deze toegankelijk is. Opmerking: Verder kunt u ia ibm.com gebruikmaken an online technische informatie met betrekking tot DB2 Uniersal Database, zoals technische berichten, white papers en Redbooks. Raadpleeg daaroor de website DB2 Information Management Library op FixPaks oor DB2-documentatie IBM maakt an tijd tot tijd documentatie-fixpaks beschikbaar. Als u toegang hebt tot de online ersie an het Informatiecentrum op ibm.com, hoeft u deze FixPaks niet te installeren. Als u het Informatiecentrum hebt geïnstalleerd, moet u deze documentatie-fixpaks wel installeren. Via de documentatie-fixpaks kunt u updates aanbrengen op de informatie die u hebt geïnstalleerd anaf de CD an het DB2 Informatiecentrum op het moment dat de nieuwe informatie beschikbaar komt. Opmerking: Updates oor het Informatiecentrum komen met een grotere regelmaat beschikbaar dan oor de PDF-documentatie en de gedrukte boeken. Installeer daarom de documentatie-fixpaks zodra deze beschikbaar komen of bezoek het Informatiecentrum op ibm.com oor de meest recente informatie. Categorieën an technische informatie oer DB2 De technische informatie oer DB2 kan op de olgende wijze worden ingedeeld. DB2 Basisinformatie Beheerinformatie Informatie oer toepassingsontwikkeling Copyright IBM Corp
170 Informatie oer Business Intelligence Informatie oer DB2 Connect Opstartinformatie Zelfstudie Informatie oer optionele componenten Opmerkingen bij release In de onderstaande tabellen wordt oor elk boek in de DB2-bibliotheek de informatie gegeen die u nodig hebt om de gedrukte ersie te bestellen, en wordt ermeld hoe u de PDF-ersie kunt bekijken of afdrukken oor dat boek. Een olledige beschrijing an elk an de boeken in de DB2-bibliotheek is beschikbaar bij het IBM Publications Center op In de kolom PDF-bestand in de onderstaande tabellen is het teken x op de zesde positie an de bestandsnaam een generieke aanduiding oor de taalersie an het boek. De bestandsnaam db2iye80 wordt bijoorbeeld gebruikt oor de Engelse ersie an het Supplement oor installatie en configuratie, terwijl de bestandsnaam db2iyq80 erwijst naar de Nederlandse ersie an ditzelfde boek. De olgende tabel geeft een oerzicht an de letters die op de zesde positie an de bestandsnamen kunnen worden gebruikt oor de aanduiding an de taalersie: Taal Aanduiding Arabisch w Braziliaans Portugees b Bulgaars u Kroatisch 9 Tsjechisch x Deens d Nederlands q Engels e Fins y Frans f Duits g Grieks a Hongaars h Italiaans i Japans j Koreaans k Noors n Pools p Portugees Roemeens 8 Russisch r Vereenoudigd Chinees c Slowaaks 7 Sloeens l Spaans z Zweeds s Traditioneel Chinees t Turks m Geen bestelnummer betekent dat het boek alleen als PDF-bestand beschikbaar is en niet in druk is erschenen. 162 Gebruikershandleiding
171 DB2 Basisinformatie De informatie in deze boeken is an fundamenteel belang oor alle DB2-gebruikers. Deze is zowel nuttig oor programmeurs en databasebeheerders als oor gebruikers an DB2 Connect, DB2 Warehouse Manager of andere DB2-producten. Tabel 15. DB2 Basisinformatie Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Uniersal Database Command Reference IBM DB2 Uniersal Database Glossary IBM DB2 Uniersal Database Master Index IBM DB2 Uniersal Database, Naslagboek bij berichten, Deel 1 IBM DB2 Uniersal Database, Naslagboek bij berichten, Deel 2 IBM DB2 Uniersal Database, Nieuwe functies in deze release SC Geen bestelnummer SC GC GC SC db2n0x81 db2t0x81 db2w0x81 db2m1x81 db2m2x81 db2q0x81 Beheerinformatie De informatie in deze boeken omat de onderwerpen die an belang zijn oor het effectief ontwerpen, implementeren en onderhouden an DB2-databases, data warehouses en federatiee systemen. Tabel 16. Beheerinformatie Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Uniersal Database Administration Guide: Planning IBM DB2 Uniersal Database Administration Guide: Implementation IBM DB2 Uniersal Database Administration Guide: Performance IBM DB2 Uniersal Database Administratie API Reference IBM DB2 Uniersal Database Data Moement Utilities Guide and Reference IBM DB2 Uniersal Database Data Recoery and High Aailability Guide and Reference IBM DB2 Uniersal Database Data Warehouse Center Administration Guide IBM DB2 Uniersal Database Federated Systems Guide IBM DB2 Uniersal Database Guide to GUI Tools for Administration and Deelopment SC SC SC SC SC SC SC GC SC db2d1x81 db2d2x81 db2d3x81 db2b0x81 db2dmx81 db2hax81 db2ddx81 db2fpx81 db2atx81 Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 163
172 Tabel 16. Beheerinformatie (erolg) Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Uniersal Database Replication Guide and Reference IBM DB2 Installing and Administering a Satellite Enironment IBM DB2 Uniersal Database SQL Reference, Volume 1 IBM DB2 Uniersal Database SQL Reference, Volume 2 IBM DB2 Uniersal Database System Monitor Guide and Reference SC GC SC SC SC db2e0x82 db2dsx81 db2s1x81 db2s2x81 db2f0x81 TBD SC db2qrx80> TBD GC db2gpx80 Informatie oer toepassingsontwikkeling De informatie in deze boeken is met name an belang oor ontwikkelaars en programmeurs an toepassingen waarin met DB2 Uniersal Database (DB2 UDB) wordt gewerkt. Hierin indt u bijoorbeeld informatie oer de ondersteunde programmeertalen en compilers, maar ook documentatie oer de toegang tot DB2 UDB oor alle programmeerinterfaces die worden ondersteund, zoals Embedded SQL, ODBC, JDBC, SQLj en CLI. Als u an deze informatie de online HTML-ersie bekijkt, hebt u ook rechtstreeks toegang tot een reeks DB2-oorbeeldprogramma s in HTML-indeling. Tabel 17. Informatie oer toepassingsontwikkeling Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Uniersal Database Application Deelopment Guide: Building and Running Applications IBM DB2 Uniersal Database Application Deelopment Guide: Programming Client Applications IBM DB2 Uniersal Database Application Deelopment Guide: Programming Serer Applications IBM DB2 Uniersal Database Call Leel Interface Guide and Reference, Volume 1 IBM DB2 Uniersal Database Call Leel Interface Guide and Reference, Volume 2 IBM DB2 Uniersal Database Data Warehouse Center Application Integration Guide IBM DB2 XML Extender Administration and Programming SC SC SC SC SC SC SC db2axx81 db2a1x81 db2a2x81 db2l1x81 db2l2x81 db2adx81 db2sxx Gebruikershandleiding
173 Informatie oer Business Intelligence De informatie in deze boeken betreft het gebruik an componenten waarmee de mogelijkheden an DB2 Uniersal Database op het gebied an data warehousing en gegeensanalyse kunnen worden uitgebreid. Tabel 18. Informatie oer Business Intelligence Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Warehouse Manager Information Catalog Center Administration Guide IBM DB2 Warehouse Manager Installation Guide IBM DB2 Warehouse Manager Manager Managing ETI Solution Conersion Programs with DB2 Warehouse Manager SC GC SC db2dix81 db2idx81 Informatie oer DB2 Connect De informatie in deze categorie betreft de toegang tot de gegeens op hosts en iseries-systemen met behulp an DB2 Connect Enterprise Edition of DB2 Connect Personal Edition. Tabel 19. Informatie oer DB2 Connect Naam Bestelnummer PDF-bestand APPC, CPI-C, and SNA Sense Codes Geen bestelnummer db2apx81 IBM Connectiity Supplement Geen bestelnummer db2h1x81 IBM DB2 Connect Quick Beginnings for DB2 Connect Enterprise Edition IBM DB2 Connect, Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition IBM DB2 Connect, Gebruikershandleiding GC GC SC db2c6x81 db2c1x81 db2c0x81 Opstartinformatie De informatie in deze categorie is an belang oor de installatie en configuratie an serers, clients en oerige DB2-producten. Tabel 20. Opstartinformatie Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Uniersal Database, Aan de slag met DB2-clients IBM DB2 Uniersal Database Quick Beginnings for DB2 Serers IBM DB2 Uniersal Database Quick Beginnings for DB2 Personal Edition GC GC GC db2itx81 db2isx81 db2i1x81 Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 165
174 Tabel 20. Opstartinformatie (erolg) Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Uniersal Database, Supplement oor installatie en configuratie IBM DB2 Uniersal Database Quick Beginnings for DB2 Data Links Manager GC GC db2iyx81 db2z6x81 Informatie oor zelfstudie In de documenten oor zelfstudie indt u beschrijingen an de DB2-functies en wordt uitgelegd hoe u erschillende taken uitoert. Tabel 21. Informatie oor zelfstudie Naam Bestelnummer PDF-bestand Business Intelligence Tutorial: Introduction to the Data Warehouse Business Intelligence Tutorial: Extended Lessons in Data Warehousing Deelopment Center Tutorial for Video Online using Microsoft Visual Basic Information Catalog Center Tutorial Video Central for e-business Tutorial Geen bestelnummer Geen bestelnummer Geen bestelnummer Geen bestelnummer Geen bestelnummer db2tux81 db2tax81 db2tdx81 db2aix81 db2twx81 Visual Explain Tutorial Geen bestelnummer db2tx81 Informatie oer optionele componenten De informatie in deze categorie beat beschrijingen an het gebruik an optionele DB2-componenten. Tabel 22. Informatie oer optionele componenten Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Cube Views Guide and Reference IBM DB2 Cube Views Guide and Reference IBM DB2 Query Patroller Guide: Installation, Administration and Usage Guide IBM DB2 Spatial Extender and Geodetic Extender User s Guide and Reference IBM DB2 Uniersal Database Data Links Manager Administration Guide and Reference SC SC GC SC SC db2aax81 db2aax81 db2dwx81 db2sbx81 db2z0x Gebruikershandleiding
175 Tabel 22. Informatie oer optionele componenten (erolg) Naam Bestelnummer PDF-bestand IBM DB2 Uniersal Database Net Search Extender Administration and Programming Guide Opmerking: De HTML-ersie an dit document kan niet worden geïnstalleerd anaf de CD-ROM met de HTML-documentatie. SH n..t. Opmerkingen bij release De documenten met opmerkingen bij een release beatten aanullende informatie die specifiek is oor de release an het product en het FixPak-nieau. Verder beatten ze oerzichten an de documentatiewijzigingen die bij elke release en elk FixPak worden aangebracht. Tabel 23. Opmerkingen bij release Naam Bestelnummer PDF-bestand Opmerkingen bij deze release an DB2 DB2 Installatie-aanwijzingen Zie opmerking. Alleen erkrijgbaar op de CD-ROM an dit product. Zie opmerking. Niet beschikbaar. Opmerking: De HTML-ersies an de documenten met opmerkingen bij een release zijn beschikbaar ia het Informatiecentrum en op de CD-ROM an het betreffende product. Deze zijn in PDF-indeling eeneens beschikbaar op de PDF CD. Op een UNIX-systeem kunt u de ASCII-ersie an de documenten met opmerkingen bij een release bekijken ia het tekstbestand Release.Notes. Dit bestand beindt zich in de directory DB2DIR/Readme/%L. Hierin is %L de locale oor de gewenste taal en DB2DIR is: Verwante taken: /usr/opt/db2_08_01 op AIX /opt/ibm/db2/v8.1 op alle oerige UNIX-besturingssystemen DB2-boeken afdrukken anuit PDF-bestanden op pagina 167 Gedrukte handleidingen bestellen op pagina 168 Online Help-informatie bekijken anuit een DB2 GUI-tool op pagina 169 DB2-boeken afdrukken anuit PDF-bestanden U kunt een DB2-boek afdrukken anuit het PDF-bestand op de CD-ROM DB2 PDF-documentatie. Met behulp an het programma Adobe Acrobat Reader kunt u een boek in zijn geheel afdrukken of een door u op te geen specifiek aantal pagina s. Vereisten: Adobe Acrobat Reader moet geïnstalleerd zijn. Dit programma is beschikbaar anaf de Adobe-website op Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 167
176 Procedure: Om een DB2-boek af te drukken anuit het PDF-bestand, gaat u als olgt te werk: 1. Plaats de CD DB2 PDF-documentatie in het CD-ROM-station. Op UNIX-besturingssystemen moet u de CD met de PDF-documentatie mounten. Raadpleeg de publicatie Aan de slag/quick Beginnings oor details oer het mounten an een CD op een UNIX-systeem. 2. Dubbelklik op het bestand index.htm. Het bestand wordt dan geopend in een browserenster. 3. Klik op de titel an het PDF-document dat u wilt bekijken. Het PDF-bestand wordt dan geopend in Acrobat Reader. 4. Kies Bestand Afdrukken om het boek geheel of gedeeltelijk af te drukken. Verwante concepten: DB2 Informatiecentrum op pagina 176 Verwante taken: Gedrukte handleidingen bestellen op pagina 168 Verwante informatie: Oerzicht technische informatie oor DB2 Uniersal Database op pagina 161 Gedrukte handleidingen bestellen Als u lieer gebruikmaakt an de gedrukte ersie an een boek, dan kunt u deze op drie manieren bestellen. Procedure: U bestelt als olgt een boek: Neem contact op met uw IBM-leerancier. U indt de lokale IBM-ertegenwoordiger ia de IBM Worldwide Directory of Contacts op Bel in de Verenigd Staten of IBM-4YOU in Canada. Ga naar het IBM Publications Center op Desgewenst kunt u de afgedrukte DB2-handleidingen erkrijgen door Doc Packs oor uw DB2-product te bestellen bij uw IBM-leerancier. De Doc Packs zijn subsets an de handleidingen in de DB2-bibliotheek en beatten de informatie die u op weg helpt met het gebruik an het DB2-product dat u hebt aangeschaft. De handleidingen in de Doc Packs zijn hetzelfde als de exemplaren die als PDF-bestanden beschikbaar zijn op de CD DB2 PDF-documentatie en beatten dezelfde informatie als de documentatie die beschikbaar is op de CD DB2 HTML-documentatie. Verwante taken: DB2-boeken afdrukken anuit PDF-bestanden op pagina 167 Verwante informatie: Oerzicht technische informatie oor DB2 Uniersal Database op pagina Gebruikershandleiding
177 Online Help-informatie bekijken anuit een DB2 GUI-tool De online Help beat uitleg oer de taken die u kunt uitoeren in een enster of een instellingenblok en een beschrijing an de te kiezen opties. Online Help is beschikbaar anuit de DB2-componenten die beschikken oer een gebruikersinterface. Er zijn twee typen online Help-informatie: De Help-informatie die beschikbaar is ia de knop Help in een enster of instellingenblok. Infopops Via de opdrachtknop Help krijgt u algemene informatie en een oerzicht an de mogelijke taken en ereisten. De infopops geen een beschrijing an de onderdelen an een enster of instellingenblok. Procedure: U gebruikt de online Help als olgt: Om de Help-informatie bij een enster of instellingenblok af te beelden, start u een an de DB2 GUI-tools en opent u het gewenste dialoogenster of instellingenblok. Klik daaroor op de knop Help rechtsonder op het enster of instellingenblok. Voor infopops-help oer een bepaald onderdeel an een enster of instellingenblok klikt u op het betreffende onderdeel en drukt u erolgens op F1. Er erschijnt dan een geel oorgrondenster met informatie oer dat ensteronderdeel. Opmerking: Als u de infopops-help automatisch wilt afbeelden wanneer u de muisaanwijzer op een eld of optieknop plaatst, selecteer dan het aankruisakje Automatically display infopops (Infopops automatisch afbeelden) op de instellingenpagina General (Algemeen) an een tool. Vergelijkbaar met de infopops-help zijn er diagnostische oorgrondensters met een andere orm an contextgeoelige Help-informatie beschikbaar. Deze beatten beschrijingen an de toegestane waarden oor de in te oeren gegeens. Het zijn paarse oorgrondensters die worden afgebeeld wanneer ongeldige of onolledige gegeens zijn ingeoerd oor: Verplichte elden Velden waaran de waarde een specifieke indeling moet hebben, bijoorbeeld een datumeld Verwante taken: DB2 Informatiecentrum openen op pagina 171 Help bij berichten bekijken anaf de opdrachtregel op pagina 170 Help bij opdrachten bekijken anaf de opdrachtregel op pagina 170 Help bij SQL-instructies bekijken anaf de opdrachtregel (Windows) op pagina 170 Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 169
178 Help bij berichten bekijken anaf de opdrachtregel De Help bij berichten bestaat uit beschrijingen an de oorzaak an een fout plus de actie die ondernomen dient te worden om het probleem op te lossen. Procedure: Voor Help bij berichten opent u het opdrachtenster en typt u:? XXXnnnnn waarbij XXXnnnnn een geldig berichtnummer is. Met bijoorbeeld? SQL30081 beeldt u de Help-informatie bij het bericht SQL30081 af. Verwante taken: Online Help-informatie bekijken anuit een DB2 GUI-tool op pagina 169 DB2 Informatiecentrum openen op pagina 171 Help bij opdrachten bekijken anaf de opdrachtregel op pagina 170 Help bij SQL-instructies bekijken anaf de opdrachtregel (Windows) op pagina 170 Help bij opdrachten bekijken anaf de opdrachtregel De Help bij opdrachten geeft een beschrijing an de syntaxis an de opdrachten die anaf de opdrachtregel kunnen worden gegeen. Procedure: Voor Help bij opdrachten opent u het opdrachtenster en typt u:? opdracht waarbij opdracht zowel de opdrachtnaam kan zijn als de olledige opdracht. Met bijoorbeeld? catalog beeldt u de Help-informatie af oor alle CATALOG-opdrachten, terwijl u met? catalog database de Help-informatie afbeeldt oor de opdracht CATALOG DATABASE. Verwante taken: Online Help-informatie bekijken anuit een DB2 GUI-tool op pagina 169 DB2 Informatiecentrum openen op pagina 171 Help bij berichten bekijken anaf de opdrachtregel op pagina 170 Help bij SQL-instructies bekijken anaf de opdrachtregel (Windows) op pagina 170 Help bij SQL-instructies bekijken anaf de opdrachtregel (Windows) Help bij SQL-instructies bestaat uit SQL-informatie en SQLSTATE-informatie. DB2 zendt een parameter SQLSTATE terug waaran de waarde de status aangeeft na uitoering an een SQL-instructie. De Help-informatie oor de SQLSTATE beat een uitleg an de syntaxis an SQL-instructies (SQL-status en klassencodes). 170 Gebruikershandleiding
179 Beperking: De Help bij SQL-instructies is niet beschikbaar op UNIX-platforms. Procedure: Voor Help bij SQL-instructies opent u het opdrachtenster en typt u:? sqlstatus of? klassencode waarin sqlstatus een geldige SQL-status an ijf cijfers is en klassencode de eerste twee cijfers an de SQL-status. Met bijoorbeeld? beeldt u de Help-informatie oor SQL-status af, terwijl u met? 08 de informatie oor klassencode 08 afbeeldt. Verwante taken: DB2 Informatiecentrum openen op pagina 171 Help bij berichten bekijken anaf de opdrachtregel op pagina 170 Help bij opdrachten bekijken anaf de opdrachtregel op pagina 170 DB2 Informatiecentrum openen Via het DB2 Informatiecentrum hebt u toegang tot alle informatie die u nodig hebt om de mogelijkheden an DB2 Uniersal Database, DB2 Connect, DB2 Information Integrator en DB2 Query Patroller in uw onderneming olledig te benutten. Vereisten: Voordat u het DB2 Informatiecentrum gebruikt, moet u: De browser configureren zodat de onderwerpen in de gewenste taal worden afgebeeld Optioneel: De DB2-client configureren oor gebruik an het lokaal geïnstalleerde DB2 Informatiecentrum Procedure: U start het DB2 Informatiecentrum als olgt anaf het bureaublad: Voor Windows-besturingssystemen: Kies Start > Programma s > IBM DB2 > Informatie > DB2 Documentation Set U start het DB2 Informatiecentrum als olgt anaf een opdrachtregel: Voor Linux- en UNIX-systemen: Gebruik de opdracht db2help. Voor Windows-systemen: Gebruik de opdracht db2docs.exe. Verwante concepten: DB2 Informatiecentrum op pagina 176 Verwante taken: Browser configureren oor afbeelding topics in oorkeurstaal op pagina 177 Online Help-informatie bekijken anuit een DB2 GUI-tool op pagina 169 Updates an lokaal geïnstalleerd DB2 Informatiecentrum op pagina 172 Help bij berichten bekijken anaf de opdrachtregel op pagina 170 Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 171
180 Help bij opdrachten bekijken anaf de opdrachtregel op pagina 170 Help bij SQL-instructies bekijken anaf de opdrachtregel (Windows) op pagina 170 Updates an lokaal geïnstalleerd DB2 Informatiecentrum Op het DB2 Informatiecentrum op worden regelmatig updates aangebracht met nieuwe of gewijzigde documentatie. Het kan ook oorkomen dat IBM een nieuwe ersie an de CD-ROM an het DB2 Informatiecentrum beschikbaar maakt, waarmee u een lokaal geïnstalleerde ersie an het DB2 Informatiecentrum kunt bijwerken. Opmerking: Hierbij worden geen wijzigingen aangebracht in de DB2-programmacode, alleen in het DB2 Informatiecentrum. Procedure: Om de meest recente documentatie te downloaden en te installeren, gaat u als olgt te werk: 1. Zorg eroor dat het systeem een actiee interneterbinding heeft. 2. Open de DB2-supportpagina in uw webbrowser op: 3. Volg de link oor Versie 8.2 en zoek naar Documentation FixPaks. 4. Bepaal of de ersie an het lokaal geïnstalleerde Informatiecentrum bijgewerkt moet worden door het meest recente nieau an het documentatie-image te ergelijken met het geïnstalleerde documentatienieau. Het door u geïnstalleerde documentatienieau wordt ermeld op de startpagina an het DB2 Informatiecentrum. 5. Als er een recentere ersie an de documentatie beschikbaar is, downloadt u het CD-image an het laatst ernieuwde DB2 Informatiecentrum oor uw besturingssysteem. 6. Volg de instructies op de pagina Documentation FixPaks and Serice Leels om het meest recente image aan te brengen. Verwante taken: Copying files from the DB2 HTML Documentation CD to a Web serer in de publicatie Quick Beginnings for DB2 Personal Edition Verwante informatie: DB2-problemen oplossen Oerzicht technische informatie oor DB2 Uniersal Database op pagina 161 Er is een uitgebreide erzameling gegeens oer het opsporen en oplossen an problemen beschikbaar om u te ondersteunen bij het gebruik an DB2 -producten. DB2-documentatie Raadpleeg in de naigatiestructuur an het DB2 Informatiecentrum (het linkerdeel an het browserenster) de tak Troubleshooting, die een olledig oerzicht an de documentatie oer DB2-problemen beat. In het algemeen zullen de probleemonderwerpen ook op andere plekken in de 172 Gebruikershandleiding
181 Toegankelijkheid naigatiestructuur en in de PDF-handleidingen te inden zijn (al is er geen afzonderlijke PDF-handleiding oor probleemoplossing). Website DB2 Technical Support Raadpleeg de website DB2 Technical Support als u problemen onderindt en hulp nodig hebt bij het inden an oorzaken en oplossingen. Deze supportsite beat een grote, permanent bijgewerkte database an DB2-publicaties, TechNotes, APAR-records (oer productproblemen), FixPaks, het meest recente oerzicht an interne DB2-foutcodes, en andere nuttige informatie. U kunt in deze kennisdatabase zoeken naar de oplossingen oor uw problemen. De website DB2 Technical Support is te inden op DB2 Problem Determination Tutorial Series Raadpleeg de website DB2 Problem Determination Tutorial Series als u informatie zoekt oer het snel herkennen en oplossen an problemen die u bij het werken met DB2-producten kunt tegenkomen. Een an deze zelfstudielessen behelst een introductie tot de functies en tools die beschikbaar zijn oor het oplossen an DB2-problemen, en helpt u teens te bepalen wanneer u deze kunt gebruiken. Andere zelfstudielessen behandelen erwante onderwerpen, zoals Database Engine Problem Determination, Performance Problem Determination en Application Problem Determination. Zie oor een olledig oerzicht an de DB2-zelfstudielessen oor probleembepaling de website DB2 Technical Support op Verwante concepten: DB2 Informatiecentrum op pagina 176 Met behulp an oorzieningen ter erhoging an de toegankelijkheid zijn personen met een fysieke handicap, zoals een beperkte motoriek of een erminderd gezichtsermogen, beter in staat bepaalde softwareproducten te gebruiken. De olgende toegankelijkheidsoorzieningen zijn beschikbaar in DB2 Uniersal Database Versie 8: In DB2 kunnen alle functies behale met de muis ook met behulp an het toetsenbord worden uitgeoerd. Zie Inoer en naigatie ia het toetsenbord op pagina 174. In DB2 kunt u de groottes en de kleuren an de lettertypen zelf aanpassen. Zie Toegankelijkheid beeldscherm op pagina 174. DB2 ondersteunt toegankelijkheidstoepassingen die gebruikmaken an de Jaa Accessibility API. Zie Compatibiliteit met hulptechnologieën op pagina 174. Bij DB2 wordt documentatie meegeleerd in makkelijk toegankelijke indelingen. Zie Toegankelijkheid documentatie op pagina 174. Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 173
182 Inoer en naigatie ia het toetsenbord Inoer anaf het toetsenbord U kunt de DB2 GUI-tools gebruiken met alleen het toetsenbord. U kunt toetsen of toetscombinaties gebruiken oor de meeste bewerkingen die u ook met een muis kunt uitoeren. Toetsenbordfocus Op UNIX-systemen wordt de positie an het toetsenbordfocus gemarkeerd aangegeen, waarmee duidelijk wordt gemaakt welk deel an het enster actief is en waar de toetsaanslagen worden ingeoerd. Toegankelijkheid beeldscherm De DB2-tools beschikken oer oorzieningen die een uitbreiding zijn op de gebruikersinterface en die de toegankelijkheid ergroten oor gebruikers met een erminderd gezichtsermogen. Hiertoe behoort ook de ondersteuning oor de aanpassing an de lettertype-eigenschappen. Lettertype-instellingen In de DB2-tools kunt u de kleur, de grootte en het lettertype selecteren oor de tekst in de menu s en de dialoogensters met behulp an het instellingenblok oor de tools. Geen kleurafhankelijkheid U hoeft geen kleuren te kunnen onderscheiden om de functies an het product te kunnen gebruiken. Compatibiliteit met hulptechnologieën De interface an de DB2-tools biedt ondersteuning oor de Jaa Accessibility API, waarmee gebruik kan worden gemaakt an schermlezers en andere hulptechnieken oor mensen met een handicap. Toegankelijkheid documentatie De documentatie oor de DB2-producten is beschikbaar in XHTML-indeling, die in de meeste browsers kan worden afgebeeld. Op die manier kunt u de documentatie bekijken met de weergae-instellingen an uw browser. Dat betekent dat u gebruik kunt maken an schermlezers en andere hulptechnologieën. Syntaxisdiagrammen zijn beschikbaar in decimale notatie met scheidingspunten. Dit is eeneens een toegankelijkheidsoorziening. Syntaxisdiagrammen met deze indeling zijn uitsluitend beschikbaar als u de online documentatie leest met behulp an een schermleesprogramma. Verwante concepten: Syntaxisdiagrammen met decimale notatie met scheidingspunten op pagina Gebruikershandleiding
183 DB2-documenten oor zelfstudie Met behulp an de DB2-documenten oor zelfstudie kunt u kennismaken met de erschillende aspecten an DB2 Uniersal Database. Het zelfstudieprogramma bestaat uit lessen met stapsgewijze instructies oor het ontwikkelen an toepassingen, het optimaliseren an SQL-query s, het werken met data warehouses, het beheer an metagegeens en de ontwikkeling an webserices met behulp an DB2. Opmerkingen: U kunt de HTML-ersies an de zelfstudielessen bekijken ia het Informatiecentrum op ibm.com. Sommige zelfstudielessen maken gebruik an oorbeeldgegeens of een oorbeeldprogramma. Zie de afzonderlijke lessen oor een beschrijing an speciale ereisten oor bepaalde taken. DB2 Uniersal Database - Zelfstudie: Als u de documenten oor zelfstudie hebt geïnstalleerd anaf de CD DB2 HTML-documentatie, kunt u op de links an de zelfstudielessen in de onderstaande lijst klikken om de betreffende lessen te bekijken. Business Intelligence Tutorial: Introduction to the Data Warehouse Center Uitoering an inleidende taken op het gebied an data warehousing met behulp an het Data Warehouse-centrum. Business Intelligence Tutorial: Extended Lessons in Data Warehousing Uitoering an geaanceerde taken op het gebied an data warehousing met behulp an het Data Warehouse-centrum. (Staat niet op de CD. U kunt dit document oor zelfstudie downloaden anaf de website Business Intelligence Solutions op onder Downloads). Deelopment Center Tutorial for Video Online using Microsoft Visual Basic Ontwikkeling an de erschillende componenten an een toepassing met behulp an de Deelopment Center Add-in oor Microsoft Visual Basic. Information Catalog Center Tutorial Ontwikkeling en beheer an een informatiecatalogus oor het lokaliseren en gebruiken an metagegeens met behulp an het Information Catalog Center. Video Central for e-business Tutorial Ontwikkeling en gebruik an een geaanceerde DB2 Web Serices-toepassing met behulp an WebSphere-producten. Visual Explain Tutorial Analyse, optimalisatie en afstemming an SQL-instructies ter erhoging an de performance met behulp an Visual Explain. Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 175
184 DB2 Informatiecentrum Via het DB2 Informatiecentrum hebt u toegang tot alle informatie die u nodig hebt om de mogelijkheden an DB2 Uniersal Database, DB2 Connect, DB2 Information Integrator en DB2 Query Patroller in uw onderneming olledig te benutten. Het DB2 Informatiecentrum beat teens beschrijingen an de belangrijkste functies en onderdelen an DB2, waaronder replicatie, data warehousing en DB2-uitbreidingen. Het DB2 Informatiecentrum bestaat uit de onderstaande onderdelen. Deze zijn beschikbaar wanneer u als browser Mozilla anaf ersie 1.0 of Microsoft Internet Explorer anaf ersie 5.5 gebruikt. Voor een aantal onderdelen is ondersteuning oor JaaScript ereist. Documentatie on demand Kies de optie die het best aansluit bij uw wensen: Automatisch zorgen dat de documentatie altijd up-to-date is door alle documenten rechtstreeks op te halen an de IBM-site De updates met zo min mogelijk inspanning aanbrengen terwijl het netwerkerkeer beperkt blijft tot uw intranet door de DB2-documentatie eenmaal te installeren op een centrale serer Maximale flexibiliteit realiseren met minimale afhankelijkheid an netwerkerbindingen door installatie an de DB2-documentatie op alle DB2-clientsystemen Zoeken Alle topics in het DB2 Informatiecentrum doorzoeken door een zoekterm op te geen in het eld Zoeken. Zet oor een exacte match de zoekterm tussen aanhalingstekens. Voeg wildcards (*,?) en booleaanse operators (AND, NOT, OR) toe om de zoekbewerking te erfijnen. Doelgerichte naigatiestructuur Informatie zoeken in de DB2-bibliotheek binnen één naigatiestructuur. De naigatiestructuur is in eerste instantie gericht op primaire zoekdoelen, maar omat daarnaast ingangen oor productoerzichten, naslagmateriaal, een hoofdindex en een woordenlijst. Productoerzichten geen een beschrijing an de relaties tussen de beschikbare componenten in de DB2-productgroep, de functionaliteit die elk an de producten biedt en up-to-date release-informatie oor deze producten. Doelcategorieën, zoals installatie, beheer en softwareontwikkeling, omatten onderwerpen die u leren om taken snel en efficiënt te oltooien en die u een beter inzicht en nuttige achtergrondinformatie erschaffen oor de oltooiing an die taken. Naslagmateriaal met gedetailleerde informatie oer de beschikbare onderwerpen, waaronder de syntaxis an instructies en opdrachten, Help-informatie bij berichten en aanullende ereisten. Synchroniseren Klik op de knop Synchroniseren om de inhoud an het naigatieframe in lijn te brengen met het huidige onderwerp. De synchronisatiefunctie is handig als u ia een aantal links naar erwante onderwerpen in andere bestanden bent gegaan, of als u ia een zoekbewerking bij een onderwerp terecht bent gekomen, en u wilt zien wat de locatie is an het huidige onderwerp in de naigatiestructuur. 176 Gebruikershandleiding
185 Hoofdindex Toegang tot alle documentatie ia de hoofdindex. De index is alfabetisch gerangschikt op onderwerp. Verklarende woordenlijst De erklarende woordenlijst beat de definities an de termen die in het DB2 Informatiecentrum worden gebruikt. De woordenlijst is alfabetisch gerangschikt op term. Geïntegreerde lokale informatie Indien an de informatie oer een onderwerp geen ertaalde ersie beschikbaar is in de taal die is ingesteld oor uw browser, dan beeldt het DB2 Informatiecentrum de Engelstalige informatie oor dat onderwerp af. Verwante taken: Updates an lokaal geïnstalleerd DB2 Informatiecentrum op pagina 172 DB2 Informatiecentrum installeren (UNIX) Vereisten: Beperkingen: Procedure: Verwante taken: DB2 Informatiecentrum installeren (Windows) op pagina 177 DB2 Informatiecentrum installeren (Windows) Vereisten: Beperkingen: Procedure: Verwante taken: DB2 Informatiecentrum installeren (UNIX) op pagina 177 Browser configureren oor afbeelding topics in oorkeurstaal Wanneer u in uw browser het DB2 Informatiecentrum start, wordt geprobeerd de topics af te beelden in de taal die in uw browseroorkeuren is ingesteld. Als een bepaald onderwerp niet is ertaald in de oorkeurstaal, beeldt het DB2 Informatiecentrum an dat onderwerp de Engelse ersie af. Procedure: Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 177
186 Om de onderwerpen an het DB2 Informatiecentrum in Internet Explorer in uw oorkeurstaal af te beelden, gaat u als olgt te werk: 1. Klik op de menubalk an Internet Explorer op Extra > Internet-opties > Talen... Het enster Taaloorkeur wordt geopend. 2. Controleer of uw oorkeurstaal als eerste item in de lijst an talen wordt afgebeeld. Om een nieuwe taal aan de lijst toe te oegen, klikt u op de knop Toeoegen... Om een taal te erplaatsen naar de boenste positie an de lijst, selecteert u deze en klikt u net zolang op de knop Omhoog totdat de taal boenaan in de lijst an talen staat. Om de onderwerpen an het DB2 Informatiecentrum in de webbrowser Mozilla in uw oorkeurstaal af te beelden, gaat u als olgt te werk: 1. Selecteer anaf de Mozilla-menubalk de opties Edit > Preferences > Languages. De pagina Languages wordt afgebeeld in het enster Preferences. 2. Controleer of uw oorkeurstaal als eerste item in de lijst an talen wordt afgebeeld. Om een nieuwe taal aan de lijst toe te oegen, klikt u op de knop Add... en selecteert u de gewenste taal in het enster Add Languages. Om een taal te erplaatsen naar de boenste positie an de lijst, selecteert u deze en klikt u net zolang op de knop Omhoog totdat de taal boenaan in de lijst an talen staat. Syntaxisdiagrammen met decimale notatie met scheidingspunten Syntaxisdiagrammen zijn beschikbaar in decimale notatie met scheidingspunten. Dit is een toegankelijkheidsoorziening. Syntaxisdiagrammen met deze indeling zijn uitsluitend beschikbaar als u de online documentatie leest met behulp an een schermleesprogramma. In de indeling met decimaalpunten wordt elk syntaxiselement op een aparte regel geschreen. Als twee of meer syntaxiselementen alleen in combinatie met elkaar kunnen oorkomen, kunnen deze op dezelfde regel worden gezet, want dan kunnen ze als een enkel samengesteld syntaxiselement worden opgeat. Elke regel begint met een getal met decimaalpunten: bijoorbeeld 3 of 3.1 of Om deze getallen goed te kunnen herkennen, moet u eroor zorgen dat uw schermleesprogramma zo is ingesteld dat de interpunctie wordt aangegeen. Alle syntaxiselementen met hetzelfde decimaalgetal (bijoorbeeld alle syntaxiselementen met het getal 3.1) zijn elkaar uitsluitende alternatieen. Als u de regels 3.1 USERID en 3.1 SYSTEMID hoort, betekent dit dat in de syntaxis hetzij USERID hetzij SYSTEMID kan oorkomen, en dus niet beide tegelijk. Het decimaalnieau geeft aan hoe diep de syntaxis is genest. Als een syntaxiselement met decimaalgetal 3 bijoorbeeld wordt geolgd door een reeks syntaxiselementen met decimaalgetal 3.1, zijn alle syntaxiselementen met nummer 3.1 onderliggende elementen an het syntaxiselement met nummer 3. Naast de decimaalgetallen worden bepaalde woorden en symbolen gebruikt oor aanullende informatie oer de syntaxiselementen. Soms kunnen deze woorden en symbolen oorkomen aan het begin an het element zelf. Om de herkenning te ergemakkelijken wordt een woord of symbool dat deel uitmaakt an het 178 Gebruikershandleiding
187 syntaxiselement, oorafgegaan door een schuine streep terug (\). Het teken * kan naast een decimaalgetal worden gebruikt om aan te geen dat het syntaxiselement herhaald wordt. Het syntaxiselement *FILE met decimaalgetal 3 krijgt bijoorbeeld de notatie 3 \* FILE. De notatie 3* FILE geeft aan dat het syntaxiselement FILE wordt herhaald. De notatie 3* \* FILE geeft aan dat het syntaxiselement * FILE wordt herhaald. Tekens zoals komma s, die worden gebruikt als scheidingsteken oor een reeks an syntaxiselementen, worden in de syntaxis direct oor de te scheiden items afgebeeld. Deze tekens kunnen op dezelfde regel als het item oorkomen of op een aparte regel met hetzelfde decimaalgetal als het desbetreffende item. De regel kan daarnaast nog een symbool beatten dat nadere informatie oer de syntaxiselementen geeft. De regels 5.1*, 5.1 LASTRUN en 5.1 DELETE betekenen bijoorbeeld dat als u meerdere syntaxiselementen LASTRUN en DELETE gebruikt, deze elementen met een komma an elkaar moeten worden gescheiden. Als geen scheidingsteken wordt opgegeen, wordt aangenomen dat u een spatie gebruikt om de syntaxiselementen te scheiden. Als een syntaxiselement wordt oorafgegaan door het teken %, geeft dit een elders gedefinieerde erwijzing aan. De tekenreeks achter het symbool % is niet een literaalreeks maar de naam an een syntaxisfragment. De regel 2.1 %OP1 betekent bijoorbeeld dat u dient te erwijzen naar een afzonderlijk syntaxisfragment OP1. De olgende woorden en symbolen kunnen worden gebruikt in combinatie met de decimaalgetallen:? betekent een optioneel syntaxiselement. Een decimaalgetal dat wordt geolgd door een raagteken, geeft aan dat alle syntaxiselementen met dat decimaalgetal plus alle onderliggende syntaxiselementen optioneel zijn. Als er slechts een syntaxiselement met een bepaald decimaalgetal is, wordt het raagteken op dezelfde regel afgebeeld als het syntaxiselement (bijoorbeeld 5? NOTIFY). Als er meerdere syntaxiselementen met een bepaald decimaalgetal zijn, wordt het raagteken op een aparte regel afgebeeld, geolgd door de optionele syntaxiselementen. Als u bijoorbeeld de regels 5?, 5 NOTIFY en 5 UPDATE hoort, dan betekent dit dat de syntaxiselementen NOTIFY en UPDATE optioneel zijn, d.w.z. u kunt een an beide of geen an beide opgeen. Het teken? is equialent aan een omleidingsregel in een spoorwegdiagram.! betekent een standaard syntaxiselement. Een decimaalgetal geolgd door een uitroepteken en een syntaxiselement geeft aan dat het syntaxiselement de standaardoptie is oor alle syntaxiselementen met hetzelfde decimaalgetal. Het uitroepteken kan oor slechts een an de syntaxiselementen met hetzelfde decimaalgetal worden opgegeen. Als u bijoorbeeld de regels 2? FILE, 2.1! (KEEP) en 2.1 (DELETE) hoort, dan betekent dit dat (KEEP) de standaardoptie is oor het sleutelwoord FILE. Als u in dit oorbeeld het sleutelwoord FILE opgeeft zonder een bijbehorende optie, dan wordt de standaardoptie KEEP gebruikt. Een standaardoptie geldt ook oor het eerst boenliggende decimaalgetal. Als u in dit oorbeeld ook het sleutelwoord FILE weglaat, wordt standaard FILE(KEEP) gebruikt. Als u echter de regels 2? FILE, 2.1, 2.1.1! (KEEP) en (DELETE) hoort, dan geldt de standaardoptie KEEP alleen oor het eerst boenliggende decimaalgetal 2.1 (dat geen bijbehorend sleutelwoord heeft), niet oor 2? FILE. Als u het sleutelwoord FILE weglaat, wordt niets gebruikt. * betekent een syntaxiselement dat 0 of meer keren kan worden herhaald. Een decimaalgetal geolgd door een sterretje geeft aan dat dit syntaxiselement nul of meer keer kan worden gebruikt, d.w.z. het is optioneel en kan worden herhaald. Als u bijoorbeeld de regel 5.1* data area hoort, dan betekent dit dat u geen, een Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 179
188 of meerdere gegeenselden kunt opgeen. Als u de regels 3*, 3 HOST en 3 STATE hoort, dan betekent dit dat u HOST, STATE, beide of geen an beide kunt opgeen. Opmerkingen: 1. Als naast een decimaalgetal een sterretje (*) staat en er is slechts een item met dat decimaalgetal, dan kunt u dat item meerdere malen herhalen. 2. Als naast een decimaalgetal een sterretje (*) staat en datzelfde decimaalgetal is oor meerdere items gebruikt, dan kunt u meerdere items uit de lijst gebruiken, maar elk niet meer dan een keer. In het oorgaande oorbeeld kunt u wel HOST STATE opgeen, maar niet HOST HOST. 3. Het *-teken is equialent aan een teruglus-regel in een spoorwegdiagram. + betekent een syntaxiselement dat een of meer keren moet worden opgegeen. Een decimaalgetal geolgd door een plusteken geeft aan dat dit syntaxiselement een of meer moet worden opgegeen, d.w.z. het moet ten minste een keer worden opgegeen en het kan worden herhaald. Als u bijoorbeeld de regel 6.1+ data area hoort, dan moet u minimaal een gegeenseld opgeen. Als u de regels 2+, 2 HOST en 2 STATE hoort, dan betekent dit dat u HOST, STATE of beide moet opgeen. Net als oor het *-teken kunt u een bepaald item alleen herhalen als dit het enige item met dat decimaalgetal is. Het plusteken is net als het sterretje equialent aan de teruglus-regel in een spoorwegdiagram. Verwante informatie: How to read the syntax diagrams in de publicatie SQL Reference, Volume 2 Common Criteria-certificaten an DB2 Uniersal Database-producten Voor Versie 8.2 zijn de producten an DB2 Uniersal Database (DB2 UDB) gecertificeerd in oereenstemming met de Common Criteria EAL4. Certificering is aanwezig oor olgende combinaties an producten en besturingssystemen: Tabel 24. Gecertificeerde configuraties an DB2 Uniersal Database Windows 2000 Linux SuSE AIX 5.2 Solaris Operating Enironment, 8 Enterprise Serer Edition Opmerking: Alleen omgeingen met één partitie. Ja Ja Ja Ja Workgroup Serer Edition Ja Ja Ja Ja Personal Edition Ja Ja n..t. n..t. Express Edition Ja Ja n..t. n..t. Opmerkingen: 1. De certificering an de DB2 UDB-configuraties olgens de Common Criteria geldt alleen oor 32-bits hardware. 64-bits configuraties zijn niet gecertificeerd. 2. De certificering an de DB2 UDB-configuraties op Linux SuSE-systemen olgens de Common Criteria geldt alleen oor op Intel gebaseerde hardware. Voor informatie oer de installatie en configuratie an een DB2 UDB-systeem in oereenstemming met de Common Criteria EAL4 kunt u de olgende documentatie raadplegen: 180 Gebruikershandleiding
189 DB2 Uniersal Database Common Criteria Certification: Installing DB2 Uniersal Database Enterprise Serer Edition and DB2 Uniersal Database Workgroup Serer Edition DB2 Uniersal Database Common Criteria Certification: Installing DB2 Uniersal Database Personal Edition DB2 Uniersal Database Common Criteria Certification: Installing DB2 Uniersal Database Express Edition DB2 Uniersal Database Common Criteria Certification: Administration and User Documentation Deze documenten zijn beschikbaar in PDF-indeling anuit de DB2 Information Management Library. Voor informatie oer de Common Criteria gaat u naar de homepage an Common Criteria. Bijlage B. Technische informatie oer DB2 Uniersal Database 181
190 182 Gebruikershandleiding
191 Bijlage C. Kennisgeingen Verwijzing in deze publicatie naar producten (apparatuur of programmatuur) of diensten an IBM houdt niet in dat IBM deze ook zal uitbrengen in alle landen waar IBM werkzaam is. Neem contact op met uw IBM-ertegenwoordiger oor informatie oer de producten en diensten die momenteel beschikbaar zijn in uw land of regio. Verwijzing in deze publicatie naar producten en diensten an IBM houdt niet in dat uitsluitend IBM-producten of -diensten kunnen worden gebruikt. Functioneel gelijkwaardige producten of diensten kunnen in plaats daaran worden gebruikt, mits dergelijke producten of diensten geen inbreuk maken op intellectuele eigendomsrechten of andere rechten an IBM. De gebruiker is erantwoordelijk oor de samenwerking an IBM-producten of -diensten met producten of diensten an anderen, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeen door IBM. Mogelijk heeft IBM octrooien of octrooiaanragen met betrekking tot bepaalde in deze publicatie genoemde producten. Aan het feit dat deze publicatie aan u ter beschikking wordt gesteld, kan geen recht op licentie of enig ander recht worden ontleend. Copyright IBM Corp
192 Merken De olgende benamingen zijn merken an International Business Machines Corporation in de Verenigde Staten en andere landen en zijn in ten minste één an de documenten in de DB2 UDB-documentatiebibliotheek genoemd: ACF/VTAM AISPO AIX AIXwindows AnyNet APPN AS/400 BookManager C Set++ C/370 CICS Database 2 DataHub DataJoiner DataPropagator DataRefresher DB2 DB2 Connect DB2 Extenders DB2 OLAP Serer DB2 Query Patroller DB2 Uniersal Database Distributed Relational Database Architecture DRDA eserer Extended Serices FFST First Failure Support Technology IBM IMS IMS/ESA iseries LAN Distance MVSMVS/ESA MVS/XA Net.Data NetView OS/390 OS/400 PowerPC pseries QBIC QMF RACF RISC System/6000 RS/6000 S/370 SP SQL/400 SQL/DS System/370 System/390 SystemView Tioli VisualAge VM/ESA VSE/ESA VTAM WebExplorer WebSphere WIN-OS/2 z/os zseries De olgende benamingen zijn merken an andere ondernemingen en zijn in ten minste één an de documenten in de DB2 UDB-documentatiebibliotheek genoemd: Microsoft, Windows, Windows NT en het Windows-logo zijn merken an Microsoft Corporation in de Vereningde Staten en/of andere landen. Intel en Pentium zijn merken an Intel Corporation in de Vereningde Staten en/of andere landen. Jaa en alle op Jaa gebaseerde merken zijn merken an Sun Microsystems, Inc. in de Vereningde Staten en/of andere landen. UNIX is een merk an The Open Group in de Vereningde Staten en andere landen. Andere genoemde namen an bedrijen, producten of diensten kunnen merken an derden zijn. 184 Gebruikershandleiding
193 Trefwoordenregister Speciale tekens,, (komma komma) in de parameterreeks 38, (komma) in de parameterreeks 38 A aanpassen directory s, werklbalden oor 43 ACCRDB, opdracht 140 ACCRDBRM, opdracht 140 ACCSEC, opdracht 140 actieren DB2 Connect Custom Adisor 132 afdrukken PDF-bestanden 167 AGENTPRI, parameter 95 APPC (Adanced Program-to-Program Communication) beeiligingsscenario s 51 beeiligingstypen 51 symbolische bestemmingsnaam 43 AS-doeldatabase, naam 38 ATOMIC, samengestelde SQL-instructies niet ondersteund in DB2 Connect 83 B beheerfunctie, DB2 Connect 8 benchmarking performance 79 beperkingen erbindingsconcentrator 89 berichten, help oproepen 170 bestellen, DB2-handleidingen 168 Besturingscentrum updates op meerdere locaties 60 beeiliging DB2 Connect, oerwegingen 49 GRANT, instructie 51 hints 49 Kerberos 48 REVOKE, instructie 51 tips 49 typen APPC 51 beschrijing 43 knoopput, directorywaarde 36 ondersteund in DB2 Connect 51 TCP/IP 51 uitgebreide codes OS/390 en z/os 49 oor APPC-erbindingen NONE, type 51 PROGRAM, type 51 SAME, type 51 bewaken erbindingen DB2 Connect-serer 71 bewaken (erolg) Windows Performance Monitor 71 bidirectionele CCSID-ondersteuning BIDI, parameter 38 bijwerken HMTL-documentatie 172 BINDADD-machtiging bindingmachtiging 55 binding hulpprogramma s en toepassingen 55 machtiging merkteken oor parameter met offset 55 pakketnamen 55 pakketten 55 bindlijst 55 bldschem, opdracht 122 blokgrootte 95 blokgrootte bij paging 95 BSDS (bootstrap data set), parameters z/os en OS/ C CCSID (coded character set identifier) bidirectionele ondersteuning beschrijing 38 CGI-programmering (Common Gateway Interface) beperkingen 21 oordelen 21 CHAR, gegeenstype beschrijing 116 character data representation architecture (CDRA) 12 CLI (call leel interface) hulpprogramma s 122 oerzicht 119 toepassingen CURRENTPACKAGESET 49 client, DB-alias 74 client, NNAME 74 client, product-id 74 client, toepassings-id 74 client, olgnummer 74 CLIENT-erificatietype DB2 Connect, oerwegingen 47 CLISCHEMA, sleutelwoord gebruik 120 ondersteuning 122 oerzicht 120 tips 120 toepassingsperformance optimaliseren 123 codetabel-id 74 command line processor (CLP) performance 83 SQL-instructies 8 COMMIT in twee fasen inschakelen 59 COMMIT in twee fasen (erolg) poort oor TCP/IP-erbindingen opnieuw synchroniseren 36 COMMIT-instructie statisch gebonden 83 COMMIT-opdracht, in traceeruitoerbuffers 140 configuratieparameter oor directorycache DB2 Connect-afstemming 95 configuratieparameters MAX_COORDAGENTS 86 NUM_INITAGENTS 86 NUM_POOLAGENTS 86 configureren DB2 Connect Custom Adisor 130 hosterbindingen 17 oerwegingen oor wijziging an wachtwoord 49 connectiiteit serers, DB2 Connect Enterprise Edition 19 conersie hostgegeens 115 CPU-gebruik, hulpprogramma s 79 CREATE IN COLLECTION NULLID authority 55 CS AIX CPIC APPC API-gegeens traceren 148 CURRENTPACKAGESET, CLI/ODBC-sleutelwoord 49 D D-parameter (erbinding erbreken) 38 database, systeemmonitor beschrijing 8 clients op afstand 71 databasedirectory s bijwerken 35 DCS (Database connection Serices) 35 knooppunt 35 meerdere items 44 systeemdatabase 35 databases alias 35, 43 concepten MVS 6 OS/390 6 OS/400 6 VM 6 VSE 6 z/os 6 groeperen, opdrachten 83 naam 35, 38, 43 RDBNAM, object 140 performance, hulpprogramma s 79 tuning 97 DataPropagator CLISCHEMA-ondersteuning 120 Copyright IBM Corp
194 datums tijdzone, ondersteuning oor 38 DB2 Connect concepten 9 DCE beeiliging 49 oerzicht 3 scenario s TP-monitors 17 uitbreidingen op eerdere ersies 5 DB2 Connect Custom Adisor actieren 132 berekening belasting 125 configureren 130 failoer-bescherming 125 foutberichten 133 installeren 129 instellen 132 logboekbestand 133 probleemoplossing 133 oorbeeld an Dispatcher opstartbestand 134 DB2 Connect Enterprise Edition API s 24 connectiiteitsserer 19 JDBC 24 productbeschrijing 3 scenario s connectiiteitsserer 17 SQLJ 24 TP-monitors 29 tuxedo 29 oor XA geschikte TM 62 webserers 25 webtoepassingen 21 DB2 Connect Personal Edition productbeschrijing 3 DB2-handleidingen PDF-bestanden afdrukken 167 DB2 Informatiecentrum 176 oproepen 171 DB2 Uniersal Database oor OS/390 en z/os 36 beeiligingsuitbreidingen beeiliging an ODBC- en Jaa-toepassingen op werkplek 49 ondersteuning oor wijziging an wachtwoord 49 TCP/IP-beeiliging al gecontroleerd 49 uitgebreide beeiligingscodes 49 BSDS (bootstrap data set) 36 BSDS, parameters 36 DOMAIN 36 DYNAMICRULES(BIND) 49 RESPORT 36 TCPPORT 36 DB2-zelfstudieprogramma s 175 db2cli.exe, hulpprogramma 122 db2cli.ini, bestand performance an ODBC/JDBC-toepassingen instellen 120 DB2CONNECT_IN_APP_PROCESS, registerariabele 71 DB2CONNECT_IN_APP_PROCESS, registrerariabele 86 db2drdat, hulpprogramma uitoerbestand 138 db2ocat, hulpprogramma catalogusoptimizer 121 DBALIAS, sleutelwoord tips 120 DCE ereisten 49 erificatietype 47 DCS-directory AS-doeldatabase, naam 38 BIDI, parameter 38 databasenaam 38 doeldatabasenaam 38 inhoud 38 LOCALDATE, parameter 38 parameterreeks opgeen 44 SYSPLEX, parameter 38 DCS-directory (Database Connection Serices) gegeens wijzigen 35 dcs1ari.map, bestand 65 dcs1dsn.map, bestand 65 dcs1qsq.map, bestand 65 ddcs400.lst, bestand 55 ddcsms.lst, bestand 55 ddcstrc, hulpprogramma uitoerbestand 139 ddcsm.lst, bestand 55 ddcsse.lst, bestand 55 DDM (Distributed Data Management) 12, 138 decimale notatie, syntaxisdiagrammen 178 DESCRIBE, instructie 83 diagnose, hulpprogramma s probleembepaling 136 DIRCACHE, parameter 95 directe databasetoegang DB2 Connect PE 17 directory s aanpassen werkbladen 43 Distributed Relational Database Architecture (DRDA) architecturen 12 character data representation architecture (CDRA) 12 concepten 11 DDM (Distributed Data Management) 12 Formatted Data Object Content Architecture (FDOCA) 12 gegeensstroom 12 gegeenstoegang 11 Management Serices Architecture (MSA) 12 oerzicht 11 SNA (Systems Network Architecture) 12 TCPIP 12 toepassingenrequester 12 toepassingenserer 12 distributed unit of work COMMIT in twee fasen 59 kenmerken 11 ondersteunde serers 59 distributed unit of work (erolg) updates op meerdere locaties 59 documentatie afbeelden 171 doeldatabases naam 38, 43 dooroercapaciteit transacties 79 drijende komma, gegeenstype 115 DSS (distributed subsection) type tracering 138 dynamische SQL-instructies CURRENTPACKAGESET 49 performance-oerwegingen 83 erwerkingsresultaten 7 E en-teken, dubbel () in SQLCODE-toewijzingsbestand 65 end unit of work reply message (ENDUOWRM) 140 escapetekens 44 EXCSAT, opdracht 140 EXCSATRD, opdracht 140 EXECUTE IMMEDIATE, instructie toepassingsontwerp 83 EXPORT, hulpprogramma gegeensoerdracht tussen host en werkstation 157 EXTNAM, object 140 EXTRA BLOCKS SRV, parameter 108 extra queryblok CLI/ODBC 108 ingesloten SQL-instructies 108 JDBC 108 F federatiee databases gedistribueerde opdracht 15 FOR FETCH ONLY, clausule SELECT, instructie 83 FORCE, opdracht agent-id oor 74 Formatted Data Object Content Architecture (FDOCA) 12 foutberichten DB2 Connect 148 fouten probleembepaling 135 foutenlogboek 136 G gecomprimeerde decimaal, gegeenstype 115 gedistribueerde opdrachten compensatie 15 definitie 15 federatiee databases 15 locatie-onafhankelijkheid 15 ondersteuning 15 gedrukte handleidingen bestellen Gebruikershandleiding
195 gegeens bronnen gedistribueerde opdracht 15 conersie host 115 MARKERING 83 oerdrachtsperformance 117 oerdrachtssnelheid 79, 117 stromen 12 performance 79 gegeens markeren 83 gegeensoerdracht tussen host en werkstation 157 gegeenstypen CHAR 116 conersie inloed op performance 115 drijende komma 115 gecomprimeerde decimaal 115 INTEGER 115 tekengegeens 116 VARCHAR 116 zoned decimal 115 geheugengebruik, hulpprogramma s 79 GET SNAPSHOT, opdrachten 72 GRANT, instructie beeiliging 51 groepering an databaseopdrachten performance 83 H handicaps 173 hardware netwerkperformance 117 help afbeelden 171, 177 oor berichten oproepen 170 oor opdracht oproepen 170 oor SQL-instructies oproepen 170 hostdatabaseconnectiiteit belastingserdeling 111 hoge beschikbaarheid 111 hostdatabasenaam, monitor 74 hostproduct-id 74 Hosttoepassings-ID 74 HTML-documentatie bijwerken 172 hulpprogramma s beheer, DB2 Connect 8 binding 55 bldschem 122 CPU-gebruik 79 database, systeemmonitor 8 db2cli 122 db2drdat 138 db2ocat 121 ddcspkgn 55 diagnose 136 geheugengebruik 79 performance 79 ps (process status) 136, 140 tracering 138 erwerkingsstatus 140 I IBM Network Dispatcher opstartbestand 134 IBM SQL 7 IBM WebSphere 22 IMPORT, hulpprogramma gegeensoerdracht tussen host en werkstation 157 in SQLCODE-toewijzingsbestand 65 Informatiecentrum installeren 177 installeren DB2 Connect Custom Adisor 129 Informatiecentrum 177 instellen DB2 Connect Custom Adisor 132 instructies COMMIT 83 DESCRIBE 83 EXECUTE IMMEDIATE 83 FOR FETCH ONLY 83 PREPARE 83 ROLLBACK toepassingsontwerp 83 SELECT 83 INTEGER gegeenstype 115 INTERRUPT_ENABLED-parameter (erbinding erbreken) 38 iseries DRDA 12 J Jaa toepassingenserers API s 24 DB2 Connect EE 24 JDBC 24 SQLJ 24 Jaa database connectiity (JDBC) hulpprogramma catalogusoptimizer 121 toepassingsperformance 123 tuning 123 JDBC (Jaa database connectiity) hulpprogramma catalogusoptimizer 121 toepassingsperformance 123 tuning 123 K Kerberos erificatietype 47 op z/os 48 oor OS/ kernbestanden probleembepaling 136 knelpunten performance 79 transacties 79 knooppunten directory 35, 36 naam 35, 36, 43 L LIST DCS APPLICATIONS, opdracht 74 LOCALDATE, parameter 38 M machtiging binding 55 machtigings-id 74 MAX_COORDAGENTS, parameter 86, 89 MAXAGENTS, parameter 89, 95 MAXDARI, parameter 95 Microsoft Windows toepassingen 17 N Net.Data DB2 Connect 23 macro s 23 netwerk aansluiting optimaliseren 105 adapter 117 betrouwbaarheid 117 communicatiecontroller 117 hardware 117 performance, hulpprogramma s 79 topologie 117 tuning 97 erkeer 117 NOMAP, parameter 38, 65 NONE, beeiligingstypen 51 NOT ATOMIC, samengestelde SQL-instructies toepassingsontwerp 83 NULLID oor OS/ NUM_INITAGENTS, parameter 86, 89 NUM_POOLAGENTS, parameter 86, 89 NUMDB, parameter 95 O ODBC (open database connectiity) hulpprogramma catalogusoptimizer 121 interface 17 oerzicht 119 toegang optimaliseren 82 toepassingen CURRENTPACKAGESET 49 toepassingsperformance 123 tuning 123 ondersteund XA-transactie 89 online help, toegang 169 ontangstbuffer (tracering) 138 ontwerp an toepassingen 83 op afstand, werkeenheid kenmerken 13 oerzicht 13 oorbeeld 13 opdrachten ACCRDB 140 Trefwoordenregister 187
196 opdrachten (erolg) ACCRDBRM 140 ACCSEC 140 COMMIT 140 EXCSAT 140 EXCSATRD 140 GET SNAPSHOT 72 SECCHK 140 opdrachten, help oproepen 170 opgeslagen procedures oerzicht 25 oproepen help bij berichten 170 help bij opdrachten 170 help bij SQL-instructies 170 OS/390 DRDA 12 OS/400 DRDA 12 OSA-2-uitbreidingen 106 oerzicht DB2 Connect 3 P pakketten gemaakt op host- of iseries-databaseserer 55 parameterreeks 43 komma in 38 opgeen 44 parameters AGENTPRI 95 BIDI 38 D (disconnect) 38 DIRCACHE 95 EXTRA BLOCKS SRV 108 INTERRUPT_ENABLED (erbinding erbreken) 38 LOCALDATE 38 MAX_COORDAGENTS 89 MAXAGENTS 89, 95 MAXDARI 95 NOMAP 38 NUM_INITAGENTS 89 NUM_POOLAGENTS 89 NUMDB 95 PRDID 140 RQRIOBLK 95 SYSPLEX 38 performance benchmarking 79 CLI-toepassingen 123 CLISCHEMA, sleutelwoord 123 concepten 79 DB2 oor OS/390 en z/os 103 gegeensstromen 79 hulpprogramma s 79 JDBC-toepassingsperformance, tuning 123 knelpunten 79 metingen 79 netwerk, hulpprogramma s 79 netwerkhardware 117 ODBC-toegang optomaliseren Gebruikershandleiding performance (erolg) ODBC-toepassingsperformance, tuning 123 Opdrachtregelinterface (CLP) 83 PIU-grootte 101 pooling an erbindingen 94 probleemoplossing 100 RU-grootte 101 SNA-tuningcriteria 101 SNA-tuningtips 104, 105, 106 snelheid gegeensoerdracht erhogen 108 SQL-oerwegingen 83 systeemresources 99 toepassingen gegeensmarkering 83 groeperen, opdrachten 83 ontwerp 83 opgeslagen procedures 83 predikatenlogica 83 samengestelde SQL-instructie 83 tuning 103 erbindingsconcentrator 94 PIU 101 pooling an erbindingen 86 oerzicht 86 ergeleken met erbindingsconcentrator 94 PRDID, parameter 140 predikaten performance of logica 83 PREPARE, instructie in toepassingsontwerp 83 inloed op performance 83 probleembepaling diagnose, hulpprogramma s 136 gegeens erzamelen 135 oerzicht 135 post-erbindingsproblemen 137 erbindingsproblemen 136 probleemoplossing DB2 Connect 148 gegeens erzamelen 135 online informatie 172 performance 100 tracering 142, 147 erbinding 136, 137 productpakket 3 PROGRAM-beeiligingstype 51 ps (process status), hulpprogramma 136, 140 Q queryblokken, snelheid gegeensoerdracht oor DB2 Connect erhogen 108 R Relational Connect productbeschrijing 9 release-uitbreidingen 5 Resource Access Control Facility (RACF) beeiliging 51 resourcebeheer oor XA 29 responstijd 79 REVOKE, instructie beeiliging 51 rialiteit, systeemresources 99 ROLLBACK, instructie statisch gebonden 83 RQRIOBLK, parameter grootte 101 tuning 95 RU-grootte optimale erbindingen 101 S SAME-beeiligingstype 51 samengestelde SQL-instructie NOT ATOMIC 83 scenario s APPC-beeiliging 51 TCP/IP-beeiliging 51 SECCHK, opdracht 140 SELECT, instructie bijwerkbaar 83 FOR FETCH ONLY inschakelen 83 in toepassingsontwerp 83 SERVER, erificatietype 47 SERVER_ENCRYPT, erificatietype 47 serers toepassing DB2 Connect EE 26 SET CURRENT PACKAGESET, instructie 49 SHOW DETAIL, monitoroptie 74 sleutelwoorden CLISCHEMA 120, 123 DBALIAS 120 SNA (Systems Network Architecture) ESCON kanaalondersteuning 116 Management Serices Architecture (MSA) 12 tips oor optimale performance 104 SOCKS-knooppunt erplichte omgeingsariabelen 36 SQL (Structured Query Language) dynamische 83 statische 83 SQL/DS DRDA 12 SQL-instructies, help oproepen 170 SQL0965, foutcode 148 SQL0969, foutcode 148 SQL1338, foutcode 36, 148 SQL30020, foutcode 148 SQL30060, foutcode 148 SQL30061, foutcode 148 SQL30073, foutcode 148 SQL30081N, foutcode 148 SQL30082, foutcode 148 SQL5043N, foutcode 148 SQLCA (SQL communication area) buffers oor gegeens 138 SQLCODE, eld 138 SQLCODE toewijzen 65 toewijzingsbestand 65
197 SQLCODE (erolg) eld in SQLCA 138 SQLDA (SQL Descriptor Area) toewijzingsgrootte 83 SQLSTATE klassencodes 65 SRVNAM, object 140 statische SQL-instructies performance 83 erwerkingsresultaten 7 symbolische bestemmingsnaam 43 hoofdlettergeoeligheid 36 Sync Point Manager (SPM) scenario s 61 standaardparameters 62 syntaxis bldschem 122 Sysplex parameter 38 systeemdatabasedirectory databasealias 35 databasenaam 35 knooppuntnaam 35 erificatie 35 oor bijwerken 35 waarden 35 systeemresources, rialiteit 99 systeemstatus, opdracht GET SNAPSHOT 72 T TCP/IP ACCSEC, opdracht 140 beeiliging gecontroleerd 49 scenario s 51 DOMAIN 36 hostnamen 43 niet-lokale hostnamen 36, 43 poort opnieuw synchroniseren 36 poortnummers 43 RESPORT 36 RFC-1323-uitbreidingen window scaling 110 SECCHK, opdracht 140 sericenamen 36 TCPPORT 36 tekengegeens, typen 116 testen updates op meerdere locaties 61 tijdzones 38 toegankelijkheid syntaxisdiagrammen met decimale notatie 178 oorzieningen 173 toepassingen binding 55 opgeslagen procedures 83 performance 83 CLISCHEMA, sleutelwoord 123 samengestelde SQL-instructie 83 web DB2 Connect gebruiken 21 toepassingenrequesters DRDA-definitie 12 parameters 43 toepassingenserers configuratie 26 DB2 Connect, ondersteuning an 26 DB2 Connect ESE 26 DRDA-definitie 12 drielaagsmodel 26 fat clients 26 ingebruikname 26 oerzicht 26 tweelaagsmodel 26 toepassingsnaam, monitor 74 toepassingsontwikkeling 83 DB2 AD-client 17 ODBC 17 toetsenbord, snelkoppelingen ondersteuning oor 173 toewijzen an SQLCODE s 65 aanpassen 65 NOMAP, parameter 65 tokens SQLCODE s 65 TP-monitors gebruikskenmerken 29 OLTP 29 transacties 29 Tuxedo 29 updates op meerdere locaties 59 oorbeelden 29 tracering buffergegeens oor DRDA-tracering 147 gegeens tussen DB2 Connect en serer 138 genereren oor CS/AIX CPIC/APPC API 148 uitoerbestand 138, 139 oorbeelduitoer 142 transactiebeheer oor XA beschrijing 29 transacties COMMIT in twee fasen 11 DB2 Connect Enterprise Edition 29 dooroercapaciteit 79 gedistribueerd ondersteunde serers 59 ondersteuning 63 TP-monitors 29 unit of work (UOW) 11 updates op meerdere locaties 11, 59 XA-gedistribueerde toepassingen 63 tuning CLI/ODBC-toepassingen 123 DB2 oor OS/390 en z/os 103 DIRCACHE, parameter 95 MAXAGENTS, parameter 95 MAXDARI, parameter 95 NUMDB, parameter 95 performance database 97 netwerk 97 SNA 104 toepassing 123 RQRIOBLK, parameter 95 Tuxedo DB2 Connect Enterprise Edition 29 U uitgaand olgnummer 74 units of work (UOW) definitie 11 gedistribueerd 59 op afstand 13 Update op meerdere locaties, wizard 60 updates databasedirectory s 35 updates op meerdere locaties Besturingscentrum 60 distributed unit of work (DUOW) 59 inschakelen 59 Sync Point Manager 61 testen 61 V VALIDATE RUN parameter alue 140 VARCHAR, gegeenstype beschrijing 116 erbindingen concentrators, zie erbindingsconcentrators 89 DB2 Connect Enterprise Edition 19 direct met host 17 NCP-afstemming 101 opnieuw maken DB2 Connect Enterprise Edition 19 direct met host 17 pooling oerzicht 86 erbindingsconcentrators 89 oordelen 89 erbindingsconcentrators beperkingen 89 configuratieparameters 89 implementatie 89 logische-agentplanner 89 logische agents 89 MAX_COORDAGENTS, configuratieparameter 89 MAXAGENTS, configuratieparameter 89 NUM_INITAGENTS, configuratieparameter 89 NUM_POOLAGENTS, configuratieparameter 89 oerhead 89 oerzicht 86 pooling 89 ergeleken met erbindingspools 94 oorbeelden 89 werkagents 89 XA-transacties, ondersteuning 89 erificatie 43 geldigheidscontrole 47 oerzicht 47 typen CLIENT 47, 49 DCE 47 KERBEROS 47 SERVER 47 SERVER_ENCRYPT 47 standaard 47 Trefwoordenregister 189
198 erificatiewaarde 35 eranging sererkenmerken, opdracht 140 erwerkingsstatus, hulpprogramma 136, 140 erwijzing meerdere database-items 44 erzendbuffer (tracering) 138 Virtual Telecommunications Access Method (VTAM) 51 VM DRDA en DB2 Connect 12 oorbeelden bestanden Dispatcher starten 134 erbindingsconcentrators 89 XA-concentrators 89 VSE, DRDA 12 W wachtwoorden ondersteuning wijzigen (OS/390 en z/os) 49 webserers DB2 Connect Enterprise Edition 25 WebSphere Adanced Edition 22 Enterprise Edition 22 oerzicht 22 Standard Edition 22 oorzieningen 22 webtoepassingen DB2 Connect Enterprise Edition 21 opgeslagen procedures 25 werkbladen oor aanpassen an directory s 43 window scaling, RFC uitbreidingen 110 Windows Performance Monitor 71 wizards Update op meerdere locaties 60 X X/Open-model oor gedistribueerdetransactieerwerking 29 XA-concentrator, oorbeelden 89 XA-transactiebeheer erbindingsconcentrators 89 Z z/os DRDA 12 zelfstudieprogramma s 175 zoned decimal, gegeenstype Gebruikershandleiding
199 Contact opnemen met IBM Productinformatie In de Verenigde Staten kunt u de olgende nummers bellen als u contact wilt opnemen met IBM: IBM-SERV ( ) oor klantenserice oor informatie oer beschikbare sericeopties IBM-4YOU ( ) oor DB2-marketing en sales In Canada kunt u IBM ia de olgende telefoonnummers bereiken: IBM-SERV ( ) oor klantenserice oor informatie oer beschikbare sericeopties IBM-4YOU ( ) oor DB2-marketing en sales Als u een IBM-estiging zoekt in uw land of regio, kijk dan in IBM s Directory of Worldwide Contacts op het internet op Informatie met betrekking tot de producten an DB2 Uniersal Database is beschikbaar ia het internet op Deze site beat de meest recente informatie oer de technische bibliotheek, de bestelling an publicaties, downloads oor gebruikers, nieuwsgroepen, FixPaks, nieuws en links naar andere websites. Binnen de Verenigde Staten kunt u een an de olgende nummers bellen: IBM-CALL ( ) oor bestellingen an producten of het erkrijgen an algemene informatie oor het bestellen an publicaties. Voor informatie oer hoe u wereldwijd contact opneemt met IBM gaat u naar de IBM Worldwide-site op Copyright IBM Corp
200 192 Gebruikershandleiding
201
202 Printed in Denmark IBM Nederland N.V. Postbus CE Amsterdam Verkoopafdelingen & Informatie: SC
IBM DB2 Connect 9.7. DB2 Connect Gebruikershandleiding SC14-2066-00
IBM DB2 Connect 9.7 DB2 Connect Gebruikershandleiding SC14-2066-00 IBM DB2 Connect 9.7 DB2 Connect Gebruikershandleiding SC14-2066-00 Opmerking Lees eerst Bijlage B, Kennisgeingen, op pagina 189. Eerste
IBM DB2 Connect 9.7. DB2 Connect Gebruikershandleiding Bijgewerkt september 2010. Versie 9 Release 7 SC14-2066-02
IBM DB2 Connect 9.7 Versie 9 Release 7 DB2 Connect Gebruikershandleiding Bijgewerkt september 2010 SC14-2066-02 IBM DB2 Connect 9.7 Versie 9 Release 7 DB2 Connect Gebruikershandleiding Bijgewerkt september
Gebruikershandleiding
IBM DB2 Connect Gebruikershandleiding Versie 7 SC14-5518-00 IBM DB2 Connect Gebruikershandleiding Versie 7 SC14-5518-00 Lees eerst Bijlage H. Kennisgevingen op pagina 227. Eerste uitgave, juni 2000 Deze
Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition
IBM DB2 Connect Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition Versie 8.2 GC14-5544-01 IBM DB2 Connect Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition Versie 8.2 GC14-5544-01 Lees eerst Kennisgeingen. Deze
DB2 Connect Versie 9.5
DB2 Connect Versie 9.5 DB2 Connect Gebruikershandleiding Update maart 2008 SC14-5571-01 DB2 Connect Versie 9.5 DB2 Connect Gebruikershandleiding Update maart 2008 SC14-5571-01 Opmerking Lees eerst Bijlage
Aan de slag met DB2-clients
IBM DB2 Uniersal Database Aan de slag met DB2-clients Versie 8.2 GC14-5543-01 IBM DB2 Uniersal Database Aan de slag met DB2-clients Versie 8.2 GC14-5543-01 Lees eerst Kennisgeingen. Deze publicatie is
IBM DB2 9.7 voor Linux, UNIX en Windows
IBM DB2 9.7 oor Linux, UNIX en Windows IBM Data Serer-clients installeren GC14-2065-00 IBM DB2 9.7 oor Linux, UNIX en Windows IBM Data Serer-clients installeren GC14-2065-00 Opmerking Lees eerst Bijlage
DB2 Versie 9.5 for Linux, UNIX, and Windows
DB2 Versie 9.5 for Linux, UNIX, and Windows Versie 9 Release 5 Aan de slag met IBM Data Serer-clients Bijgewerkt december 2010 GC14-5570-03 DB2 Versie 9.5 for Linux, UNIX, and Windows Versie 9 Release
Power Systems. Live Partition Mobility
Power Systems Lie Partition Mobility Power Systems Lie Partition Mobility Opmerking Lees oordat u deze informatie en het product gaat gebruiken de informatie in Kennisgeingen op pagina 161. Deze uitgae
Nieuwe functies in deze release
IBM DB2 Uniersal Database Nieuwe functies in deze release Versie 8.2 SC14-5547-01 IBM DB2 Uniersal Database Nieuwe functies in deze release Versie 8.2 SC14-5547-01 Lees eerst Kennisgeingen. Deze publicatie
IBM DB2 9.7 for Linux, UNIX, and Windows
IBM DB2 9.7 for Linux, UNIX, and Windows Versie 9 Release 7 IBM Data Serer-clients installeren Bijgewerkt september 2010 GC14-2065-01 IBM DB2 9.7 for Linux, UNIX, and Windows Versie 9 Release 7 IBM Data
iseries Client Access Express Beheer
iseries Client Access Express Beheer iseries Client Access Express Beheer Copyright IBM Corp. 1998, 2001. Inhoudsopgae Hoofdstuk 1. Client Access Express beheren...................... 1 Hoofdstuk 2. Dit
Power Systems. Live Partition Mobility IBM
Power Systems Lie Partition Mobility IBM Power Systems Lie Partition Mobility IBM Opmerking Lees oordat u deze informatie en het product gaat gebruiken de informatie in Kennisgeingen op pagina 181. Deze
Bijlage Ketenlandschap Leerlingvolgsysteem. Applicatieketen. Aansluitvoorwaarden
Bijlage Ketenlandschap Leerlingolgsysteem Applicatieketen Afbeelding PSA01 toont de ereiste ketenkoppellakken an het Leerling Volg Systeem (LVS) naar andere benodigde applicaties. Indien in de toekomst
Zelftest Informatica-terminologie
Zelftest Informatica-terminologie Document: n0947test.fm 01/07/2015 ABIS Training & Consulting P.O. Box 220 B-3000 Leuven Belgium TRAINING & CONSULTING INTRODUCTIE Deze test is een zelf-test, waarmee u
DB2 Versie 9.5 for Linux, UNIX, and Windows
DB2 Versie 9.5 for Linux, UNIX, and Windows Versie 9 Release 5 Nieuwe functies in deze release Bijgewerkt december 2010 SC14-5573-03 DB2 Versie 9.5 for Linux, UNIX, and Windows Versie 9 Release 5 Nieuwe
Zelftest Java concepten
Zelftest Java concepten Document: n0838test.fm 22/03/2012 ABIS Training & Consulting P.O. Box 220 B-3000 Leuven Belgium TRAINING & CONSULTING INLEIDING BIJ DE ZELFTEST JAVA CONCEPTEN Om de voorkennis nodig
ERserver. iseries Access for Web. iseries. Versie 5 Release 3
ERserer iseries iseries Access for Web Versie 5 Release 3 ERserer iseries iseries Access for Web Versie 5 Release 3 Opmerking: Voordat u deze informatie en het product gebruikt, leest u eerst de informatie
DB2. Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition. DB2 Connect Versie 9 GC14-5569-00
DB2 DB2 Connect Versie 9 Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition GC14-5569-00 DB2 DB2 Connect Versie 9 Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition GC14-5569-00 Lees eerst Kennisgevingen. Deze publicatie
IBM Data Server-clients installeren
IBM DB2 10.5 oor Linux, UNIX en Windows IBM Data Serer-clients installeren GC14-2094-00 IBM DB2 10.5 oor Linux, UNIX en Windows IBM Data Serer-clients installeren GC14-2094-00 Opmerking Lees eerst Bijlage
IBM Maximo Everyplace Versie 7 Release 5. Installatiehandleiding
IBM Maximo Everyplace Versie 7 Release 5 Installatiehandleiding Opmerking Lees eerst Kennisgevingen op pagina 5. Deze publicatie heeft betrekking op versie 7, release 5, modificatie 0 van het programma
Nieuwe functies in deze release
IBM DB2 Universal Database Nieuwe functies in deze release Versie 7 SC14-5519-00 IBM DB2 Universal Database Nieuwe functies in deze release Versie 7 SC14-5519-00 Lees eerst Bijlage B. Kennisgevingen op
Peelland ICT Online Back-up
Peelland ICT Online Back-up Peelland ICT biedt volledig in eigen beheer online back-up aan. Hiermee voorzien wij onze klanten van de laatste nieuwe back-up mogelijkheden en technieken. Risico s conventionele
SuperOffice Systeemvereisten
Minimale systeemvereisten voor SuperOffice CRM De minimale systeemvereisten voor SuperOffice CRM zijn tevens afhankelijk van het besturingssysteem en de services/applicaties die op het systeem actief zijn.
Zelftest Java EE Architectuur
Zelftest Java EE Architectuur Document: n1218test.fm 22/03/2012 ABIS Training & Consulting P.O. Box 220 B-3000 Leuven Belgium TRAINING & CONSULTING INLEIDING BIJ DE ZELFTEST JAVA EE ARCHITECTUUR Nota:
Cerussa FIN Pre-requirements
Pre-requirements Inhoudstafel A. Algemeen... 3 B. Type installaties... 3 C. Hardware en software vereisten... 4 1. PC Clients... 4 2. Terminal Server Clients (Thin Clients)... 4 3. Server... 4 D. Operating
Nieuwe functies in deze release
IBM DB2 Universal Database Nieuwe functies in deze release Versie 7.2 SC14-5519-01 IBM DB2 Universal Database Nieuwe functies in deze release Versie 7.2 SC14-5519-01 Lees eerst Bijlage B. Kennisgevingen
emaxx Systeem eisen ManagementPortaal voor de ZakenMagazijn database
emaxx Systeem eisen ManagementPortaal voor de ZakenMagazijn database Datum: 25-09-2007 Auteur: ing. E.L. Floothuis Versie: 0.1 Status: Concept Kopersteden 22-4 Postbus 157 7500 AD Enschede Tel: 053 48
Software voor printerbeheer
Software voor printerbeheer In dit onderwerp wordt het volgende besproken: CentreWare-software gebruiken op pagina 3-10 Printerbeheerfuncties gebruiken op pagina 3-12 CentreWare-software gebruiken CentreWare
Taxis Pitane SQL beheerder. Censys BV - Eindhoven
Taxis Pitane SQL beheerder Censys BV - Eindhoven Inhoud Wat is Taxis Pitane SQL beheerder?... 3 Kenmerken van de software... 3 De juiste SQL server editie voor uw organisatie... 3 SQL Server 2008 Express...
The OSI Reference Model
Telematica Applicatielaag Hoofdstuk 16, 17 Applicatielaag 4Bevat alle toepassingen die van het netwerk gebruik maken n E-mail n Elektronisch nieuws n WWW n EDI (Electronic Data Interchange) n Napster,
IBM Network Station Manager voor AS/400 V2R1 - Installatiehandleiding, September 1999
IBM Network Station IBM Network Station Manager oor AS/400 V2R1 - Installatiehandleiding, September 1999 Op http://www.ibm.com/nc/pubs indt u de meest recente update SC14-5508-00 IBM Network Station IBM
ThinkVantage System Migration Assistant 5.0. Handboek voor de gebruiker
ThinkVantage System Migration Assistant 5.0 Handboek oor de gebruiker ThinkVantage System Migration Assistant 5.0 Handboek oor de gebruiker Opmerking: Lees eerst Bijlage F, Kennisgeingen, op pagina 137.
Beknopte dienstbeschrijving beveiligen van Webapplicaties m.b.v. digitale certificaten en PKI
Beknopte dienstbeschrijving beveiligen van Webapplicaties m.b.v. digitale certificaten en PKI Document: Beknopte dienstbeschrijving beveiligen van Webapplicaties Versie: maart 2002 mei 2002 Beknopte dienstbeschrijving
iseries Aan de slag met iseries
iseries Aan de slag met iseries iseries Aan de slag met iseries Copyright IBM Corp. 1998, 2001. Inhoudsopgae Hoofdstuk 1. Aan de slag met de iseries 400...................... 1 EZ-Setup oltooien: oer
Bestanden en bestandssystemen Geïntegreerd bestandssysteem
IBM-systemen - iseries Bestanden en bestandssystemen Geïntegreerd bestandssysteem Versie 5 Release 4 IBM-systemen - iseries Bestanden en bestandssystemen Geïntegreerd bestandssysteem Versie 5 Release
Nieuwe functies in DB2 Versie 10.1
IBM DB2 10.1 oor Linux, UNIX en Windows Nieuwe functies in DB2 Versie 10.1 Januari 2013 SC14-2086-01 IBM DB2 10.1 oor Linux, UNIX en Windows Nieuwe functies in DB2 Versie 10.1 Januari 2013 SC14-2086-01
NetVista N2200w, Thin Client voor Windows Based Terminal Standard 1.5 Naslaginformatie April 2000
NetVista Thin Client NetVista N2200w, Thin Client oor Windows Based Terminal Standard 1.5 Naslaginformatie April 2000 Op http://www.ibm.com/nc/pubs indt u de laatste update SA14-5988-00 NetVista Thin
ii LotusLive beheren
LotusLie beheren ii LotusLie beheren Inhoudsopgae Hoofdstuk 1. LotusLie: info...... 1 Hoofdstuk 2. Systeemereisten oor LotusLie.............. 3 Hoofdstuk 3. LotusLie aanpassen oor uw organisatie............
Zelftest Internet concepten en technieken
Zelftest Internet concepten en technieken Document: n0832test.fm 25/01/2017 ABIS Training & Consulting P.O. Box 220 B-3000 Leuven Belgium TRAINING & CONSULTING INTRODUCTIE ZELFTEST INTERNET CONCEPTEN EN
Technisch Ontwerp W e b s i t e W O S I
Technisch Ontwerp W e b s i t e W O S I WOSI Ruud Jungbacker en Michael de Vries - Technisch ontwerp Website Document historie Versie(s) Versie Datum Status Omschrijving / wijzigingen 0.1 20 nov 2008 Concept
LotusLive. LotusLive Handleiding voor de beheerder
LotusLie LotusLie Handleiding oor de beheerder LotusLie LotusLie Handleiding oor de beheerder Opmerking Lees eerst Kennisgeingen op pagina 87. Deze uitgae heeft betrekking op LotusLie(tm) en op alle olgende
IBM Security Access Manager for Enterprise Single Sign- On Versie 8.2.1. Handleiding SC14-2064-05
IBM Security Access Manager for Enterprise Single Sign- On Versie 8.2.1 Handleiding SC14-2064-05 IBM Security Access Manager for Enterprise Single Sign- On Versie 8.2.1 Handleiding SC14-2064-05 Opmerking
IBM TRIRIGA Versie 10 Release 4.0. Services aanvragen Handboek voor de gebruiker
IBM TRIRIGA Versie 10 Release 4.0 Services aanvragen Handboek voor de gebruiker Opmerking Lees eerst Kennisgevingen op pagina 3. Deze publicatie heeft betrekking op versie 10, release 4, modificatie 0
Object bus en objecten zijn de toekomst van het Internet
Object bus en objecten zijn de toekomst van het Internet Tot voor kort kende het gebruik van internettechnologie een aantal problemen met het beschikbaar stellen van zakelijke toepassingen. De simpele
HP Easy Tools. Beheerdershandleiding
HP Easy Tools Beheerdershandleiding Copyright 2014 Hewlett-Packard Development Company, L.P. Microsoft en Windows zijn in de Verenigde Staten gedeponeerde handelsmerken van de groep bedrijven onder de
Connectivity SQL Er kan geen verbinding worden gemaakt met de SQL server
Connectivity SQL Er kan geen verbinding worden gemaakt met de SQL server Introductie Probleem: Het lukt het niet om verbinding te maken met de SQL server. Of: op het werkstation komt de melding na het
Dit voorbeeldproject beschrijft het gebruik van web services (open standaarden) voor de ontsluiting van kernregistraties bij de gemeente Den Haag.
Voorbeeldproject Een Haagse SOA Dit voorbeeldproject beschrijft het gebruik van web services (open standaarden) voor de ontsluiting van kernregistraties bij de gemeente Den Haag. Aanleiding Vanuit de visie
Beveiligingsbeleid Perflectie. Architectuur & Procedures
Beveiligingsbeleid Perflectie Architectuur & Procedures 30 november 2015 Versiebeheer Naam Functie Datum Versie Dimitri Tholen Software Architect 12 december 2014 0.1 Dimitri Tholen Software Architect
XAMPP Web Development omgeving opzetten onder Windows.
XAMPP Web Development omgeving opzetten onder Windows. Inhoudsopgave 1. Lees dit eerst... 2 2. Inleiding... 2 1 Xampp downloaden... 2 2 Installatie Xampp 1.7.4 op externe harddisk... 3 3 XAMPP herconfiguren...
Zelftest Internet concepten en technieken
Zelftest Internet concepten en technieken Document: n0832test.fm 10/02/2010 ABIS Training & Consulting P.O. Box 220 B-3000 Leuven Belgium TRAINING & CONSULTING INTRODUCTIE ZELFTEST INTERNET CONCEPTEN EN
Workflows voor SharePoint met forms en data K2 VOOR SHAREPOINT
Slimmer samenwerken met SharePoint Workflows voor SharePoint met forms en data K2 VOOR SHAREPOINT Workflows, forms, reports en data WAAROM KIEZEN VOOR K2? Of u nu workflows moet maken voor items in SharePoint
Samengesteld door: Xerox Corporation Global Knowledge and Language Services 800 Phillips Road, Bldg. 0845-17S Webster, New York 14580-9791 USA
Windows-printerdrivers voor Xerox Production Print Services en CentreWare voor de Xerox Nuvera 100/120 Digitale kopieerapparaat/printer en het Xerox Nuvera 100/120 Digitale productiesysteem Aan de slag
ManualMaster Systeem 6.1 (ManualMaster Administrator, ManualMaster WebAccess en ManualMaster WebEdit)
Let op: de versie op de gebruikerswebsite kan worden bijgewerkt! Het kan dus zijn dat uw geprinte versie verouderd is. Van toepassing op ManualMaster Systeem 6.1 (ManualMaster Administrator, ManualMaster
DB2 Connect Versie 9.5
DB2 Connect Versie 9.5 Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition GC14-5572-00 DB2 Connect Versie 9.5 Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition GC14-5572-00 Opmerking Lees eerst Bijlage B, Kennisgevingen,
INSTALLATIE NIS UPDATE Q3-2014-03 Q3-2014-03
INSTALLATIE NIS UPDATE Q3-2014-03 Q3-2014-03 2014 Van Brug Software B.V. Hoewel deze handleiding met zeer veel zorg is samengesteld, aanvaardt Van Brug Software B.V. geen aansprakelijkheid voor enige schade
Geracc.Net Pre-requirements
Pre-requirements Inhoudstafel A. Algemeen... 3 B. Type installaties... 3 C. Hardware en software vereisten... 4 1. PC Clients... 4 2. Terminal Server Clients (Thin Clients)... 4 3. Server... 4 D. Operating
Updateprocedure in vogelvlucht... 2. Stap 1: Updatebestanden downloaden... 3. Stap 2: Controle vooraf... 4
Updatehandleiding versie 2.14 Administratie- en leerlingvolgsysteem LVS2000 Inhoud van dit document: Updateprocedure in vogelvlucht... 2 Stap 1: Updatebestanden downloaden... 3 Stap 2: Controle vooraf...
Perceptive Process Design & Enterprise 3.0.3. Ondersteunde platformen
Perceptive Process Design & Enterprise 3.0.3 Ondersteunde platformen 2013 Lexmark International Technology S.A. Datum: 10/28/2013 Versie: 3.0.3 Perceptive Software is a trademark of Lexmark International
DB2 Connect Versie 9.5
DB2 Connect Versie 9.5 Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition Update maart 2008 GC14-5572-01 DB2 Connect Versie 9.5 Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition Update maart 2008 GC14-5572-01 Opmerking
Internet Veiligheidspakket van KPN Handleiding Windows XP, Vista, 7,8 Versie 13.04.19
Internet Veiligheidspakket van KPN Handleiding Windows XP, Vista, 7,8 Versie 13.04.19 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 3 2 Systeemeisen... 4 3 Installatie... 5 4 Gebruik en instellingen... 12 4.1 Algemeen...
Installatiehandleiding
Installatiehandleiding TiSM- PC 10, 25, 100 en PRO Behorende bij TiSM Release 11.1 R e v i s i e 1 1 1 0 28 De producten van Triple Eye zijn onderhevig aan veranderingen welke zonder voorafgaande aankondiging
Perceptive Process. Technische Specificaties. Versie: 3.4.x
Perceptive Process Technische s Versie: 3.4.x Geschreven door: Product Documentation, R&D Datum: Mei 2015 2015 Lexmark International Technology, S.A. Alle rechten voorbehouden. Lexmark is een hadelsmerk
Installatie SQL: Server 2008R2
Installatie SQL: Server 2008R2 Download de SQL Server 2008.exe van onze site: www.2work.nl Ga naar het tabblad: Downloads en meld aan met: klant2work en als wachtwoord: xs4customer Let op! Indien u een
Systeemvereisten. Datum: Naam: Systeemvereisten versie 43 revisie 15 Status:
Datum: 12-11-2012 Naam: Systeemvereisten versie 43 revisie 15 Status: Inhoudsopgave 1. Systeemvereisten... 3 1.1. Systeem- en configuratievereisten Ontwikkelomgeving... 3 1.1.1. Minimale systeemvereisten
Informatie & Databases
Informatie Wat is informatie en waaruit het bestaat? Stel op een kaart staat het getal 37 geschreven. Wat kun je dan zeggen van het cijfer 37? Niets bijzonders, toch? Alleen dat het een getal is. Gaat
Kennis na het volgen van de training. Na het volgen van deze training bent u in staat:
Training Trainingscode Duur Gepubliceerd Taal Type Leermethode Kosten SF2015V8 4 dagen 02/02/2015 Nederlands & Engels Developer, basis Invidueel & klassikaal Op aanvraag Deze training richt zich op het
Databases - Inleiding
Databases Databases - Inleiding Een database is een verzameling van een aantal gegevens over een bepaald onderwerp: een ledenbestand van een vereniging, een forum, login gegevens. In een database worden
MarkVision printerbeheersoftware
MarkVision printerbeheersoftware MarkVision for Windows 95/98/2000, Windows NT 4.0 en Macintosh worden bij de printer geleverd op de cd met stuurprogramma's, MarkVision en hulpprogramma's. 1 De grafische
Powerpoint presentatie College 5 Gilbert van Lierop & Farshad Salamat
Powerpoint presentatie College 5 Gilbert van Lierop & Farshad Salamat Wat is een database? Een verzameling van georganiseerde data Een database bestaat uit applicaties, SQL en het DBMS Watis eendbms? EenDBMS
PictoWorks Netwerk infrastructuur
PictoWorks Netwerk infrastructuur dongle server file server validatie bestandsuitwisseling Op de file server bevindt zich de client-software van PictoWorks: {PictoWorks-directory} thumbs\ pictogrammen\
Uw productassortiment moeiteloos online én op papier met onze database publishing software.
Uw productassortiment moeiteloos online én op papier met onze database publishing software. De Guidance software pakketten maken het mogelijk om vanuit één centrale database zowel een webshop als catalogus
Handleiding Plesk. Eddy De Bock
Handleiding Plesk Eddy De Bock 1 1 STARTPAGINA Hier krijgt u een samenvattend overzicht van de functies die Plesk u biedt. 2 GEBRUIKERS Hier kan u gebruikers aanmaken, verwijderen en beheren. Onder Gebruikersrollen
Installatie SQL Server 2014
Installatie SQL Server 2014 Download de SQL Server Express net advanced Services van de website: https://www.microsoft.com/en-us/download/details.aspx?id=42299 klik op Download. Als u een 64 bit variant
INSTALLATIE NIS UPDATE 2014-Q4 2014-Q4
INSTALLATIE NIS UPDATE 2014-Q4 2014-Q4 2014 Van Brug Software B.V. Hoewel deze handleiding met zeer veel zorg is samengesteld, aanvaardt Van Brug Software B.V. geen aansprakelijkheid voor enige schade
Installatiegids Command WorkStation 5.5 met Fiery Extended Applications 4.1
Installatiegids Command WorkStation 5.5 met Fiery Extended Applications 4.1 Fiery Extended Applications Fiery Extended Applications (FEA) 4.1 is een pakket met de volgende toepassingen voor gebruik met
Nieuwe functies in Crystal Reports XI
Nieuwe functies in Crystal Reports XI Inleiding Inleiding Deze sectie bevat een algemene beschrijving van de onderdelen, functies en voordelen van de nieuwste versie van Crystal Reports. De belangrijkste
Examen georganiseerd met het oog op de aanwerving en de samenstelling van wervingsreserves van. ASSISTENTEN (systeembeheerder en ontwikkelaar)
Examen georganiseerd met het oog op de aanwerving en de samenstelling van wervingsreserves van ASSISTENTEN (systeembeheerder en ontwikkelaar) met een in het Frans gesteld diploma voor de dienst Informatica
Architectuur SynGuard Comfort
Architectuur SynGuard Comfort Met SynGuard voor toegangscontrole wil Syntegro een moderne en krachtige oplossing brengen geschikt voor alle bedrijven van welke grootte of complexiteit ook. SynGuard heeft,
DRIVEN BY AMBITION SUCCESVOL EXACT IMPLEMENTEREN IN DE PRIVATE CLOUD
DRIVEN BY AMBITION SUCCESVOL EXACT IMPLEMENTEREN IN DE PRIVATE CLOUD WOENSDAG 11 MEI INN STYLE, MAARSSEN Introduction Huub van Langerak Expert team Marc Eilander Expert team 3 Agenda Exact private cloud
Perceptive Process Design & Enterprise 3.1. Ondersteunde platformen
Perceptive Process Design & Enterprise 3.1 Ondersteunde platformen Datum: maart 2014 Versie: 3.1 2014 Perceptive Software. Alle rechten voorbehouden. Perceptive Software is een gedeponeerd handelsmerk
Nieuw in Mamut Business Software en Mamut Online
// Mamut Business Software Nieuw in Mamut Business Software en Mamut Online Inhoud Voorwoord 3 Nieuwe versie 3 Over updates naar een nieuwe versie 4 Nieuw in Mamut Business Software versie 18.0 en 18.1
Technische implementatie De infrastructuur rondom Transit kent de volgende rollen:
Transit Herkent u het? Steeds dezelfde uitdagingen in migratieprojecten; meerdere variabelen, in verschillende stadia en in een blijvend veranderende omgeving, managen. Grote hoeveelheden gegevens over
ChainWise server randvoorwaarden
ChainWise server randvoorwaarden Product ChainWise Bedrijfssoftware Datum 04-08-2016 Alle rechten voorbehouden aan ChainWise Niets in deze uitgave mag worden gebruikt in welke vorm dan ook zonder schriftelijke
NSi Output Manager Veelgestelde vragen. Version 3.2
NSi Output Manager Veelgestelde vragen Version 3.2 I. Algemene productinformatie 1. Wat is nieuw in Output Manager 3.2? NSi Output Manager 3.2 bevat diverse verbeteringen aan serverzijde, waarbij de meest
IBIS-TRAD Handleiding installatie IBIS-TRAD databases (MS-SQL)
Handleiding installatie IBIS-TRAD databases (MS-SQL) Inhoudsopgave 01 INSTALLATIE IBIS-TRAD DATABASES (MS-SQL) 1 01.01 Stap 1: Installeren IBIS-TRAD databases (MS-SQL) 2 01.02 Stap 2: Rechten verlenen
SPACE ProAccess 3.0. Voor nadere toelichting kan contact opgenomen worden met SALTO.
SPACE ProAccess 3.0 SALTO voorziet de partner van een document dat als checklist dient voor een juiste voorbereiding van de SALTO Web Software en de vereisten van het netwerk. Dit document is bedoeld voor
Technical Deep Dive Microsoft Dynamics CRM 4.0. Dennis Schut
Technical Deep Dive Microsoft Dynamics CRM 4.0 Dennis Schut Agenda Versies Microsoft Dynamics CRM 4.0 Infrastructurele & software vereisten Microsoft Dynamics CRM 4.0 Onze ervaringen met Microsoft Dynamics
Nieuw in Mamut Business Software en Mamut Online
// Mamut Business Software Nieuw in Mamut Business Software en Mamut Online Inhoud Voorwoord 3 Nieuwe versie 3 Over updates naar een nieuwe versie 4 Nieuw in Mamut Business Software versie 18 6 Administratie
