iseries Client Access Express Beheer
|
|
|
- Adam Willems
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 iseries Client Access Express Beheer
2
3 iseries Client Access Express Beheer
4 Copyright IBM Corp. 1998, 2001.
5 Inhoudsopgae Hoofdstuk 1. Client Access Express beheren Hoofdstuk 2. Dit onderwerp afdrukken Hoofdstuk 3. Nieuw oor V5R Hoofdstuk 4. Client Access Express - Netwerkomgeingen Microsoft Windows Terminal Serer Client Access Express in een drielagige omgeing gebruiken Microsoft Transaction Serer (MTS) gebruiken OS/400-serices openen anaf de middelste laag TCP/IP-configuratie toeoegen aan alle gebruikers Gebruikersprofielen oor PC s met meerdere gebruikers Hoofdstuk 5. Installeren of migreren op meerdere PC s Installatiepaden an Client Access Express erkennen Een aangepast installatie-image an Client Access Express maken Client Access Express automatisch installeren Responsbestanden oor de installatie an Client Access Express maken Voorbeeld: Responsbestand (setup.iss) Automatische installatie Retourcodes bij automatische installaties of migraties Automatische migratie starten Hoofdstuk 6. Sericepakketten beheren Beeiliging oor Windows NT/2000-beheerder omzeilen De functie Sericenieau controleren Eigenschappen an de functie Sericenieau controleren instellen De controle an het sericenieau plannen Het sericepakket automatisch installeren Hoofdstuk 7. ODBC-beheer Oerzicht an het ODBC-stuurprogramma an Client Access Express Het systeem instellen oor het ODBC-stuurprogramma Het lokale systeem toeoegen aan de RDB-directory (relationele database) De ODBC-gegeensbron opgeen Express ODBC-beeiliging BeeiligingsstrategieÙn ODBC-programma s Riskante ODBC-beeiligingsstrategieÙn Oerige informatiebronnen oor ODBC-beeiliging Express ODBC-probleemoplossing ODBC-hulpprogramma s oor diagnose en prestatie Problemen met de iseries-serererbinding oplossen Algemene ODBC-fouten Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer OS/400-hostserers Hostserers per Client Access Express-functie Bestandsserer Databaseserer Gegeenswachtrijserer Netwerkafdrukserer Copyright IBM Corp. 1998, 2001 iii
6 Centrale Serer Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen Aanmeldingsserer Serertoewijzer OS/400-serers gebruiken Communicatie tussen client en serer tot stand brengen Systeemwaarden op de iseries-serer Serertaken identificeren op de iseries-serer Subsystemen op de iseries-serer EZ-Setup en Operations Naigator gebruiken met hostserers Exitprogramma s an de serer gebruiken Exitprogramma s registreren Exitprogramma s schrijen Parameters an het exitprogramma Voorbeelden an userexit-programma s Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 139 AS/400 NetSerer-beheer Beheer an Secure Sockets Layer Gebruikers beperken met Beleidsbeheer en Toepassingenbeheer i iseries: Client Access Express Beheer
7 Hoofdstuk 1. Client Access Express beheren Bij de beschrijing an dit onderwerp wordt erondersteld dat u reeds bekend bent met Client Access Express en dat u dit programma al op uw systeem hebt geunstalleerd. Raadpleeg oor een oerzicht an Client Access Express en een beschrijing oer hoe u het programma in uw netwerk kunt gebruiken, het onderwerp Aan de slag in het Informatiecentrum. Raadpleeg oor hulp bij de installatie en instelling an de Express-client het onderwerp Client Access Express oor Windows - Installatie. Dit onderwerp helpt u bij beheeraspecten met betrekking tot Client Access Express. Client Access Express - netwerkomgeing Dit onderwerp biedt u meer informatie oer de netwerkomgeingen waarin Client Access Express actief is. In het bijzonder leert u hoe u OS/400-serices beschikbaar kunt maken oor uw clients met behulp an Express in een drielagige omgeing, of door de OS/400-serices te installeren in een Windows NT Serer 4.0 Terminal Serer Edition of op Windows 2000 met gebruik an Terminal Serices. Teens leert u hoe u een PC kunt beheren die meerdere gemachtigde gebruikers heeft. Installeren of migreren op meerdere PC s Na de oorspronkelijke installatie en configuratie, kunt u aangepaste installatie-images maken die alleen de door u opgegeen componenten beatten. Verolgens kunt u deze installatie-images eenoudig distribueren oer uw netwerk met weinig tussenkomst an gebruikers met behulp an de optie oor automatische installatie/migratie. Sericepakketten beheren Dit onderwerp biedt meer informatie oer PTF s en sericepakketten en hoe u de functie Sericenieau controleren kunt gebruiken om PTF s en sericepakketten te beheren. ODBC-beheer Client Access Express beat een ODBC-stuurprogramma waarmee uw toepassingen makkelijk toegang kunnen krijgen tot OS/400-databases in uw netwerk. Dit onderwerp erstrekt een oerzicht an ODBC, eenals instructies oor het instellen an het stuurprogramma en een handleiding oor het oplossen an problemen. Raadpleeg oor meer informatie oer het gebruik en de implementatie an de ODBC API s het onderwerp ODBC programmeren. Beheer an hostserer Hier worden de hostserers beschreen die eelal samen met Client Access Express worden gebruikt en teens wordt beschreen hoe u ze effectief kunt beheren en gebruiken. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator U kunt de functies an Client Access Express en Operations Naigator uitbreiden met behulp an toepassingen die zijn aangepast of an derden komen; deze toepassingen heten plug-ins en inoegtoepassingen. U komt hier te weten hoe u deze programma s kunt integreren in uw systeem en hoe u ze erolgens met behulp an Client Access Express kunt distribueren en onderhouden. Beperkingen instellen met behulp an Beleidsbeheer en Toepassingenbeheer Client Access Express biedt meerdere methodes oor het instellen an beperkingen en profielen. Deze methodes beatten onder andere beleidsinstellingen die kunnen worden ingesteld met behulp an de Microsoft Editor oor beleidsbeheer en de functie Toepassingenbeheer an Operations Naigator. Het beheer an Client Access Express ereist een kennis an een aantal bijbehorende onderwerpen. U hebt mogelijk gegeens nodig oer de olgende onderwerpen: SSL (Secure Sockets Layer) AS/400 NetSerer Implementatielijst an Client Access Express Programmeren oor Client Access Express Copyright IBM Corp. 1998,
8 Er bestaan eel hulpprogramma s die alle wijzigingen olgen die op een PC zijn gemaakt door een installatieprogramma. Op het tijdstip an publicatie waren er een aantal hulpprogramma s beschikbaar om te downloaden anaf de website an ZDNet en InstallSite bij Algemene hulpprogramma s > Analyseren an een installatiepagina. Deze tools en websites zijn op geen enkele wijze geaffilieerd met IBM. 2 iseries: Client Access Express Beheer
9 Hoofdstuk 2. Dit onderwerp afdrukken U kunt de PDF-ersie an dit document downloaden en erolgens bekijken of afdrukken. Adobe Acrobat Reader is ereist om de PDF-bestanden te kunnen bekijken. U kunt een kopie downloaden anaf Link buiten het Informatiecentrum Als u de PDF-ersie wilt lezen of downloaden, kiest u Client Access Beheer. (ongeeer 435 kb of 68 pagina s) U kunt een PDF-bestand als olgt op uw werkstation opslaan om het te lezen of af te drukken: 1. Open het PDF-bestand in uw browser (klik op de boenstaande link). 2. Klik in uw browser op het menu Bestand. 3. Klik op Opslaan als Ga naar de directory waarin u het PDF-bestand wilt opslaan. 5. Klik op Opslaan. Copyright IBM Corp. 1998,
10 4 iseries: Client Access Express Beheer
11 Hoofdstuk 3. Nieuw oor V5R1 Deze release beat meerdere nieuwe oorzieningen oor beheerders an Client Access Express, waaronder: Nieuwe beleidsinstellingen Er zijn nieuwe Systeembeleidsinstellingen oor het beperken an de toegang an een gebruiker tot functies an Client Access Express, waaronder beperkingen oor Actie-objecten, PC5250, PC-opdrachten, communicatie en gegeensoerdracht. Raadpleeg oor meer gegeens Beperkingen instellen met behulp an Beleidsbeheer en Toepassingenbeheer. Wizard Aangepast installatie-image maken Client Access Express heeft een wizard toegeoegd die u helpt bij het maken an een aangepast installatie-image. Raadpleeg oor meer gegeens Installeren of migreren op meerdere PC s. Gebruikers met beperkte toegang erwerken op een Windows 2000-platform dat gebruik maakt an NTFS Raadpleeg oor meer gegeens Implementatielijst an Client Access Express. Jaa Toolbox onderhouden Fixes oor Jaa Toolbox zijn opgenomen in het Client Access Express-sericepakket wanneer Jaa Toolbox is geunstalleerd als een onderdeel an Client Access Express. Teens kunt u gegeens oer een aantal onderwerpen bekijken in het onderwerp Beheer, waaronder Client Access Express hostserers beheren en ODBC beheren. Copyright IBM Corp. 1998,
12 6 iseries: Client Access Express Beheer
13 Hoofdstuk 4. Client Access Express - Netwerkomgeingen Client Access Express biedt erschillende methoden die eindgebruikers toegang erschaffen tot iseriesserices. Dit betekent gewoonlijk dat een directe erbinding tot stand komt tussen een PC waarop Client Access Express draait en de iseries-serer. Met de olgende methoden kunt u echter ook uw oordeel doen met andere netwerkomgeingen. Microsoft Windows NT 4.0 Terminal Serer Edition (TSE) of Windows 2000 oor printerserices TSE is een multiuser-ersie an de Windows NT-serer 4.0 die de mogelijkheid biedt een aantal clientsessies tegelijkertijd uit te oeren op een enkele NT 4.0-serer. TSE maakt erbindingen mogelijk anaf een aantal platforms o.a. netwerkstations, UNI, DOS, OS/2 en ele andere soorten werkstations. Wanneer Client Access Express geunstalleerd is op de TSE-serer, hebt u toegang tot iseries-serices anaf werkstations waarop Client Access Express niet is geunstalleerd. Deze functies zijn ook beschikbaar met Terminal Serices, een oorziening in alle sererersies an Windows Client Access Express in een drielagige omgeing Door Client Access Express te installeren op de middelste sectie an een drielagige omgeing, erkrijgt u een uitgebreide toegangsmogelijkheid anuit client-werkstations tot iseries-serices. Drielagige omgeingen bieden boendien nog meer oordelen, zoals een erbeterd transactiebeheer. Client Access Express biedt ook mogelijkheden oor het beheer an PC s met meerdere gebruikers: Voeg TCP/IP-configuratie toe aan alle gebruikers Maak gebruik an de opdracht CWBCFG om de TCP/IP-systeemconfiguratie te gebruiken oor alle gebruikers an een Windows NT/2000-werkstation of -serer. Gebruikersprofielen oor PC s met meerdere gebruikers Met 32-bit Windows-besturingssystemen kunt u gebruik maken an losse, zwerende en erplichte gebruikersprofielen om PC s te beheren die meer dan een gebruiker hebben. Microsoft Windows Terminal Serer TSE is een multiuser-ersie an de Windows NT-serer 4.0 die de mogelijkheid biedt een aantal clientsessies tegelijkertijd uit te oeren op een enkele NT 4.0-serer. TSE maakt erbindingen mogelijk anaf een aantal platforms o.a. netwerkstations, UNI, DOS, OS/2 en ele andere soorten werkstations. Wanneer Client Access Express geunstalleerd is op de TSE-serer, hebt u toegang tot iseries-serices anaf werkstations waarop Client Access Express niet is geunstalleerd. Deze functies zijn ook beschikbaar met Terminal Serices in alle sererersies an Windows Opm:.Stel de optie Wanneer sericenieau controleren in op Nooit op het tabblad Serice an Eigenschappen Client Access Express wanneer Windows 2000 het programma Terminal Serices actief heeft. Raadpleeg oor gegeens oer installatie, ondersteuning, eel oorkomende problemen en oplossingen bij het gebruik an Client Access Express met een Microsoft Windows Terminal Serer APAR II11373 Raadpleeg oor algemene gegeens oer TSE de website Microsoft Windows NT Serer 4.0 Terminal Serer Edition. Client Access Express in een drielagige omgeing gebruiken Door Client Access Express te installeren op de middelste sectie an een drieoudig gelaagde omgeing, kunnen allerlei clientwerkstations iseries-serices openen. Teens hebben drielagige omgeingen andere oordelen: Verbeterde integratie tussen erschillende clients en serertoepassingen: Meerdere toepassingen oor de eindgebruiker die actief zijn op een aantal clients kunnen tegelijkertijd communiceren met een Copyright IBM Corp. 1998,
14 eeloud aan toepassingen op een Windows NT/2000-serer. Elke toepassing op de Windows NT/2000- serer kan ook communiceren met meerdere databases. Verbeterd beheer an bewerkingen met gebruik an MTS (Microsoft Transaction Serer): Drielagige omgeingen bieden de mogelijkheid oor meerdere complexe bewerkingen, waaran sommige afhankelijk an elkaar zijn oor het oltooien an de bewerking. (Alle bewerkingen moeten worden oltooid als u wilt dat een an de bewerkingen wordt oltooid.) Gegeens importeren anaf een iseries-serer naar webpagina s met behulp an Microsoft ISS (Internet Information Serer): IIS kan ASP (Actie Serer Pages) gebruiken om webpagina s dynamisch bij te werken met gegeens an een DB2 Uniersal Database oor iseries. Alle drielagige omgeingen delen componenten en toepassingen op in drie lagen. De drie lagen maken mogelijk deel uit an aparte PC s, of terminals, en communiceren ia een netwerk. Oer het algemeen hebben de lagen de olgende kenmerken: Client-laag Deze laag beat de interface en toepassingen waarmee eindgebruikers gegeens kunnen wijzigen. Dit kan bijoorbeeld betrekking hebben op een webbrowser die actief is op een netwerkstation, of een aangepaste toepassing die gebruik maakt an een component op afstand. Deze laag gebruikt niet de Express-client. Middelste laag Deze laag beat de logica met betrekking tot bedrijen of toepassingen. Deze laag moet in omgeingen, die gebruik maken an Client Access Express, bestaan uit een Windows NT 4.0 of Windows 2000-serer die een Microsoft ASP-script of een component op afstand uitoert. Deze laag gebruikt teens Microsoft IIS (Internet Information Serer) en MTS (Microsoft Transaction Serer) om bewerkingen te beheren met de client-laag. Client Access Express maakt gebruik an het ODBC-stuurprogramma om MTS op de clients te beheren en erwerkt communicatie met de database-laag. Microsoft raadt momenteel aan om OLE DB, ADO (Actie Data Objects) en Remote Data Serices te gebruiken om gegeens te openen an een component op de middelste laag. Raadpleeg de olgende onderwerpen oor meer informatie oer de middelste laag: MTS iseries-serices openen anaf de middelste laag Database-laag Deze laag bestaat doorgaans uit een DB2 Uniersal Database oor iseries. Uw toepassingen kunnen deze optie en erscheidene andere iseries-serices openen met behulp an hostserer-programma s of met behulp an aangepaste iseries-programma s. Microsoft Transaction Serer (MTS) gebruiken De 5r1 Client Access Express-client ondersteunt MTS 2.x en latere ersies met het stuurprogramma Express ODBC in OS/400 5r1. MTS MTS is een op Microsoft-componenten gebaseerd programmeringsmodel en runtime-omgeing oor het ontwikkelen, inzetten en beheren an toepassingen oor de Internet-serer. In eel omgeingen die bestaan uit een drielagige omgeing, roepen Actie Serer Pages (ASP) MTS-onderdelen op ten behoee an de toegang tot databases, mainframetoepassingen en berichtenwachtrijen. Indien gebruikt met Client Access Express die actief is in de middelste laag an een drielagige omgeing, beheren MTS-onderdelen transacties tussen clienttoepassingen, Express-onderdelen en de databases die betrokken zijn bij die transacties. 8 iseries: Client Access Express Beheer
15 MTS maakt gebruik an de MSDTC (Microsoft Distributed Transaction Coordinator) om transacties te beheren die meerdere databasebeheersystemen (DBMS) omatten, en om zorg te dragen oor een werkstand oor het astleggen an wijzigingen in twee fasen wanneer het gaat om transacties waaran de implementatie afhangt an wederzijds succes. Opmerkingen betreffende implementatie Wanneer de MSDTC het stuurprogramma an de Express ODBC niet kan laden, zal de optie SQLSetConnectAttr( SQL_ATTR_ENLIST_IN_DTC ) mislukken met retourcode 2 (armcreate failed). Wanneer u PC5250 geunstalleerd hebt, wordt het systeemomgeingspad an MSDTC oor u ingesteld. Om dit te ermijden, moet het pad an de systeemomgeing op de PC waarin MSDTC draait, het pad beatten naar de gemeenschappelijke directory binnen de directory waarin Express is geunstalleerd. Bijoorbeeld: C:\Program Files\IBM\Client Access\Shared. Wanneer u SSL of andere configureerbare waarden gebruikt op het scherm Verbindingen > Instellingen in Operations Naigator, dan moet de erbindingsnaam an de iseries in Operations Naigator oereenkomen met de erbindingsnaam die opgegeen is op de door MTS beheerde client-pc. MSDTC gebruikt dezelfde erbindingsnamen als de door MTS beheerde client-pc s an Express ODBC om een erbinding le leggen met de database an DB2 UDB. Om de eigenschappen an de MSDTCerbindingen aan te passen, moet u het register an de systeemaccount eranderen. Hieroor kunt u gebruik maken an Inkomende opdracht op afstand in combinatie met de functie CWBENV: 1. Voer CWBENV uit op een client-pc oor het erkrijgen an informatie oer de configuratie an een erwerkingsomgeing. 2. Kopieer het tot stand gekomen bestand naar de MSDTC-PC. 3. Zend een CWBENV-opdracht naar die PC om de omgeing binnen te halen, terwijl u er oor zorgt dat: IRC wordt gestart op de MSDTC-PC. De opdracht wordt uitgeoerd in de systeemcontext. Raadpleeg de gebruikershandleiding an Express in de programmagroep Client Access Express oor meer informatie oer deze functies. Raadpleeg oor meer informatie oer MTS de Microsoft MTS website Microsoft MTS website. OS/400-serices openen anaf de middelste laag Er zijn meerdere methodes om de componenten an de middelste laag toegang tot de iseries-serer te geen. Opm:. Componenten in de middelste laag hebben geen gebruikersinterface; als de iseries-serer aanmeldingsinformatie afbeeldt, lijkt het daarom alsof de drielagige toepassingen zijn astgelopen. Als u dit wilt oorkomen, moeten ontwikkelaars een nieuw systeemobject gebruiken waarmee de ereiste erbindingsgegeens (gebruikers-id en wachtwoord) worden opgegeen aan de iseries-serer. De waarde an de aanmeldstand oor dit object moet geen aanmeldstand zijn. Express OLE DB Proider De meeste toepassingen en componenten openen de Express OLE DB Proider met behulp an ADO (Actie Data Objects). Hieronder olgen ier belangrijke oordelen oor de implementatie an deze techniek: Hoofdstuk 4. Client Access Express - Netwerkomgeingen 9
16 Uw ontwikkelaars hoeen alleen kleine aanpassingen aan een enkele interface en programmeertechniek te maken om iseries-programma s, opdrachten, SQL-query s, opgeslagen procedures en fysieke en logische bestanden te openen. Automatische gegeensconersies tussen iseries-gegeenstypen en PC-gegeenstypen worden ondersteund. U kunt de oerhead die bij SQL hoort, ermijden door ondersteuning oor bestandstoegang op recordnieau te geen. Toepassingen kunnen redelijk eenoudig worden geumplementeerd en ontwikkeld. Deze methode is oer het algemeen de meest eenoudige technologie oor het ontwikkelen an drielagige toepassingen. Raadpleeg OLE DB programmeren oor meer informatie. Express ODBC-stuurprogramma Teens kunt u het Client Access Express ODBC-stuurprogramma openen met behulp an ADO of RDS door de Microsoft OLE DB Proider oor ODBC te gebruiken (MSDASQL). Het Client Access Express ODBC-stuurprogramma biedt twee grote oordelen boen de Microsoft OLE DB Proider. Verhoogde SQL-functionaliteit Als u cursors nodig hebt die kunnen worden bijgewerkt, of als u besturing an het astleggen an wijzigingen an SQL nodig hebt, of meerdere resultaatsets oor opgeslagen procedures, kunt u beter het ODBC-stuurprogramma gebruiken. Verbindingspool In de meeste MTS- en ASP-toepassingen moet elke client-opdracht een erbinding met de iseriesserer tot stand brengen en deze erbinding erbreken. Wanneer een pool aan een erbinding wordt toegewezen, onderhoudt ODBC Drier Manager een pool met aanhoudende erbindingen. Aangezien de oerhead, die ereist is oor het starten an de iseries-taak, aak groter is dan de desbetreffende opdracht, wordt de prestatie enorm erbeterd. Raadpleeg oor meer informatie ODBC programmeren. Opm:. De Client Access Express OLE DB Proider, en bepaalde functies in het Client Access Express ODBCstuurprogramma, ereisen MDAC ersie 2.5. Raadpleeg oor meer informatie MDAC-ereisten. Actie-automatiseringsobjecten De Express-client erstrekt een bibliotheek met nieuwe, erbeterde Actie-automatiseringsobjecten die ontwikkelaars kunnen gebruiken oor het ontwikkelen an de middelste laag. Deze objecten erlenen toegang tot: iseries-gegeenswachtrijen Opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen Beheerobjecten iseries-systeemobjecten Toegang tot gegeensoerdracht naar iseries-databasetabellen In bepaalde geallen erlenen Actie-objecten grotere flexibiliteit en functionaliteit dan ADO, maar ze zijn wel iets ingewikkelder om te programmeren. Opm:. De Express-client beat de automatiseringsbibliotheek an de Windows 95/NT-client (D1). Deze automatiseringsobjecten, en de database, ondersteunen niet gebruik in een drielagige omgeing. 10 iseries: Client Access Express Beheer
17 Express C/C++ API s Client Access API s erlenen snelle toegang an een laag nieau tot OS/400-hostserers. Ontwikkelaars die gebruik maken an deze API s moeten eraring hebben met C/C++. In het bijzonder moeten ontwikkelaars bekend zijn met C API s en gegeenstypen, en teens rekening houden met thread-beeiliging bij het maken an componenten. TCP/IP-configuratie toeoegen aan alle gebruikers Met de opdracht CWBCFG, opgegeen anaf een DOS-aanwijzing in Windows NT/2000, kunt u de TCP/IPsysteemconfiguratie in Client Access Express toeoegen oor alle gebruikers die zijn opgegeen bij een Windows NT/2000-werkstation of -serer. Hierdoor worden ook de configuratiegegeens toegeoegd oor de Windows-standaardgebruiker, het standaardprofiel dat wordt gebruikt om nieuwe gebruikers te definiùren onder Windows NT/2000. Raadpleeg de online gebruikershandleiding an Express in de Client Access Express programmagroep oor meer informatie oer CWBCFG. Gebruikersprofielen oor PC s met meerdere gebruikers U kunt PC s met meerdere Client Access Express-gebruikers beheren. Dit type beheer is beschikbaar als functie an de Windows-besturingssystemen ia het gebruik an zwerende en erplichte gebruikersprofielen. Opm:. Voor meer documentatie oer het implementeren an deze methoden oor het beheer an PC s met meerdere gebruikers in uw netwerk, kunt u de olgende items raadplegen: Windows 95-Resource Kit Windows 98-Resource Kit Windows NT-Resource Kit Microsoft erstrekt de resource kits; de resource kits zijn opgenomen in het Microsoft Deelopers Kit. Zwerende gebruikersprofielen (Windows 95 of 98) Dit zijn Windows 95/98/ME-gebruikersprofielen die wisselend gebruikt kunnen worden op PC s waarop deze besturingssystemen actief zijn. Gegeens zoals bureaubladinstellingen, startopties en het register worden opgeslagen in de persoonlijke directory an de gebruiker op een bestandsserer. Deze zwerende gebruikersprofielen kunnen zich alleen erplaatsen tussen PC s met Windows 95/98/Me. Zwerende gebruikersprofielen (Windows NT) Deze zwerende gebruikersprofielen zijn Windows NT/2000-gebruikersprofielen die tussen PC s kunnen zweren. De configuratiewijzigingen gaan mee met de gebruiker. De zwerende gebruikersprofielen beinden zich oer het algemeen op een NT/2000-serer. Elke zwerende gebruiker heeft een directory op de NT/2000-serer die is opgegeen in de instellingen an het gebruikersprofiel. Deze directory beat registergegeens en opstart- en bureaubladgegeens oor elke gebruiker. Deze zwerende gebruikersprofielen kunnen alleen zweren tussen PC s met Windows NT/2000. Verplichte gebruikersprofielen Dit zijn gebruikersprofielen, die een systeembeheerder configureert oor gebruik door PC-gebruikers op een willekeurig 32-bits Windows-PC. De bedoeling is dat deze gebruikers hun instellingen niet zelf wijzigen. Verplichte gebruikersprofielen kunnen op ÚÚn PC bestaan of zweren tussen PC s. Hoofdstuk 4. Client Access Express - Netwerkomgeingen 11
18 12 iseries: Client Access Express Beheer
19 Hoofdstuk 5. Installeren of migreren op meerdere PC s Er zijn erschillende manieren om Client Access Express te installeren op meerdere PC s zonder dat u alle stappen an de oorspronkelijke installatie hoeft te doorlopen. U kunt teens de toegang an gebruikers tot bepaalde functies beperken door te de componenten te selecteren die u wilt opnemen in een installatie. Een aantal algemene methoden zijn: Een aangepast installatie-image maken U kunt een aangepast installatie-image maken door de ongewenste componenten uit te sluiten an een hoofd-installatie-image. U kunt erolgens het aangepaste installatie-image gebruiken oor installaties in uw hele netwerk. Automatisch installeren of migreren Een responsbestand maken dat een oerzicht beat an uw antwoorden op aanwijzingen tijdens een installatie. U kunt erolgens dit responsbestand gebruiken om dubbele installaties te beheren waaroor geen gebruikersinteractie nodig is. Niet alle benodigde installatiebestanden maken deel uit an dezelfde directory. Om de ereiste bestanden te inden, zoekt Client Access Express in de subfolder an de directory ProdData. Raadpleeg het bestand pad opsporen oor meer gegeens. Er bestaan eel hulpprogramma s die alle wijzigingen olgen die op een PC zijn gemaakt door een installatieprogramma. Op het tijdstip an publicatie zijn meerdere hulpprogramma s beschikbaar die u kunt downloaden anaf de website ZDNet en InstallSite op de pagina Algemene hulpmiddelen > Installatie analyseren. Deze tools en websites zijn niet geaffilieerd met IBM. Installatiepaden an Client Access Express erkennen Omdat de installatiebestanden zich niet allemaal in dezelfde directory beinden, maakt het installatieprogramma an Client Access Express gebruik an een ingebouwde paderkenningsfunctie. Paderkenning naigeert terug door de brondirectory totdat de directory ProdData is bereikt. Het programma zoekt in alle subdirectory s naar de dierse installatiebestanden. U moet uw station toewijzen aan het QIBM-sharepoint an de iseries-serer (\\NetSererName\QIBM) zodat de dierse directorypaden beschikbaar zijn oor de paderkenningsfunctie. Daarmee komen alle installeerbare componenten beschikbaar oor het installatieprogramma. Maar zelfs als u niet al deze directory s in uw directorypaden hebt, kunt u de meeste componenten an Client Access Express installeren. Paderkenning doorzoekt de olgende directory s: Functie Componenten an Client Access Express Secundaire talen SSL Client-ersleuteling: 128 bits SSL Client-ersleuteling: 56 bits Locatie \ProdData\Ca400\Express\Install\Image \ProdData\Ca400\Express\Mri29xx \ProdData\Ca400\Express\SSL\SSL128 \ProdData\Ca400\Express\SSL\SSL56 Opm:. Standaard hebben de gebruikers geen toegang tot de SSL-directory s. Als u gebruikers de mogelijkheid wilt bieden deze componenten te installeren, moet u de machtiging PUBLIC *ECLUDE wijzigen. Inoegtoepassingen oor Client Access Express Inoegtoepassingen Locatie \UserData\Ca400\Express\Addin Copyright IBM Corp. 1998,
20 Plug-ins oor Client Access Express Plug-ins an IBM Plug-ins geleerd door derden Locatie \ProdData\OpNaPlugin \UserData\OpNaPlugin Client Access oor Windows 95/NT, plug-ins die compatibel zijn met Client Access Express. Plug-ins an IBM Plug-ins geleerd door derden Locatie \ProdData\GUIPlugin \UserData\GUIPlugin Opm:. U kunt een sharepoint maken naar de directory \\NetSerer\QIBM\ProdData\Express\Install\Image mits uw gebruikers niet SSL, secundaire talen, plugins of inoegtoepassingen nodig hebben. Een aangepast installatie-image an Client Access Express maken Mogelijk wilt u zelf bepalen welke Client Access Express-componenten door uw gebruikers worden geunstalleerd. U kunt dit onder andere doen door geselecteerde componenten uit te sluiten an een installatie-image en erolgens dit aangepaste installatie-image te distribueren naar uw gebruikers. De wizard Aangepast installatie-image erleent een eenoudig te gebruiken interface oor deze functie. Wizard Aangepast installatie-image starten U kunt de wizard oor aangepaste installatie starten anaf de CD iseries 400 installatie en gebruik, of door naar de directory an het installatie-image te gaan op \QIBM\ProdData\CA400\Express\Install\Image en de opdracht cwbinimg in te oeren. Het installatie-image onderhouden Aangepaste installatie-images worden niet bijgewerkt als PTF s (Program Temporary Fixes) worden toegepast op of erwijderd uit de iseries-serer. Als u updates an sericepakketten wilt ontangen, moet u het installatie-image opnieuw maken. U kunt uw installatie-image snel reconstrueren en met weinig interactie an de gebruiker door een responsbestand te maken en hiermee automatisch uw installatie-image te reconstrueren met behulp an het sericepakket. Raadpleeg Client Access Express automatisch installeren oor meer gegeens. Het installatie-image distribueren De wizard biedt u de mogelijkheid om op geen waar u het aangepaste installatie-image wilt maken. Deze locatie moet een lege directory zijn (u kunt niet een eerder installatie-image oerschrijen) en mag niet de hoofddirectory zijn. Teens beatten alleen oltooide installatie-images het programma dat aangepaste installatie-images maakt. De wizard wordt niet gekopieerd naar de PC an de gebruiker. Opm:. Als uw iseries-serer meerdere secundaire talen heeft in Client Access Express, kunt u alle geunstalleerde secundaire talen gebruiken als de primaire taal an het nieuwe installatie-image, of de primaire taal an de iseries-serer. Deze optie is niet beschikbaar als u de wizard actief hebt anaf de CD, omdat de CD geen secundaire talen beat. Vereisten oor MDAC 14 iseries: Client Access Express Beheer
21 Client Access Express installeert MDAC 1.5 als u componenten selecteert die databasetoegang ereisen en als MDAC 1.5 (of hoger) niet reeds is geunstalleerd. Voor sommige functies is echter een hoger nieau an MDAC ereist. U moet MDAC 2.5 of hoger installeren als u een an de olgende functies gaat gebruiken met het Client Access ODBC-stuurprogramma: Verbindingspool MTS Ook hebben alle functies an de Client Access OLE DB Proider het programma MDAC 2.5 nodig. U moet daarom MDAC 2.5 of hoger installeren oordat u de component Client Access OLE DB Proider installeert. Als u Windows 95 actief hebt, moet u mogelijk MS DCOM95 installeren oordat u MDAC 2.5 installeert. Attentie: Als u niet MDAC 2.5 installeert, biedt Client Access Express niet de mogelijkheid om de component OLE DB te installeren. Als u een normale installatie hebt met een orige ersie an Client Access Express en u wilt nu een upgrade naar V5R1M0, wordt de component OLE DB gewist an uw PC als MDAC 2.5 niet is geunstalleerd oordat de upgrade wordt uitgeoerd. U kunt MDAC 2.5 of hoger downloaden anaf deze Microsoft website: Client Access Express automatisch installeren Bij een automatische installatie hoeft de gebruiker niets te doen tijdens het installatieproces an Client Access Express. Alle installatiegegeens zijn aanwezig in een responsbestand, zodat er geen dialoogensters worden afgebeeld tijdens de installatie an Client Access Express. U kunt als olgt een automatische installatie uitoeren: 1. Maak een responsbestand. 2. Start de automatische installatie. 3. Controleer de retourcodes in het logboekbestand om te zien of de installatie is gelukt. Opm:. Automatische migraties gebruiken een andere methode oor het maken an het responsbestand; zo niet, dan gebruiken ze de orige procedure. Het responsbestand beat de installatie-opties die de gebruiker anders tijdens de installatieprocedure zou moeten opgeen. Verschillen tussen een normale en een automatische installatie De olgende tabel geeft de erschillen weer tussen een normale en een automatische installatie door te ergelijken hoe twee soorten installaties omgaan met bepaalde omstandigheden die optreden tijdens de installatieprocedure. Situatie U kiest oor de installatie an 5250-beeldscherm en -printeremulatie of Operations Console op Windows 95 of Windows 98. Tijdens een normale installatieprocedure... U kunt kiezen of het emulatiepad wel of niet wordt weggeschreen naar het bestand autoexec.bat. Tijdens automatische en astgelegde installatieprocedures... Het emulatiepad wordt automatisch weggeschreen naar het bestand autoexec.bat. Hoofdstuk 5. Installeren of migreren op meerdere PC s 15
22 Situatie Op de PC is Client Access for Windows 95/NT Lightning SDK geunstalleerd en tijdens de installatie an Client Access Express geeft u op dat Visual Basics Wizards moet worden geunstalleerd. Probeer een component te installeren die is beperkt (door beleidsinstellingen, afhankelijke relaties of andere beperkingen), of die incompatibel is met een product dat al is geunstalleerd. Voer een automatische migratie uit anaf Client Access oor Windows 95/NT Tijdens een normale installatieprocedure... Er wordt een dialoogenster afgebeeld waarin u wordt gewaarschuwd dat Client Access for Windows 95/NT Lightning SDK wordt erwijderd als Visual Basic Wizards wordt geunstalleerd. Er wordt een dialoogenster afgebeeld met alle componenten die anwege deze situaties beperkt zijn. De component is niet geunstalleerd. De installatiedirectory wordt standaard het pad waar Client Access oor Windows 95/NT is geunstalleerd. U kunt de installatiedirectory in iets anders dan de standaarddirectory wijzigen, maar er wordt dan een waarschuwingsbericht afgebeeld waarin staat dat sommige gemigreerde configuratiegegeens mogelijk niet goed kunnen werken als u deze in een nieuwe directory installeert. Tijdens automatische en astgelegde installatieprocedures... Er wordt geen dialoogenster afgebeeld en Client Access for Windows 95/NT Lightning SDK wordt automatisch erwijderd terwijl Visual Basic Wizards wordt geunstalleerd. De component is niet geunstalleerd. Het pad waarin Client Access Express wordt geunstalleerd, is het pad waarin Client Access oor Windows 95/NT is geunstalleerd, ongeacht welk pad u hebt opgegeen in het responsbestand. Er treedt een fout op. Er worden foutberichten afgebeeld. Tijdens een astgelegde installatie worden er foutberichten afgebeeld, maar niet tijdens een automatische installatie. Er wordt een negatief nummer astgelegd in het logboekbestand dat bij de automatische installatie hoort. Dit geeft aan dat er een fout is opgetreden. Als er problemen zijn tijdens de automatische installatie, kunt u de installatie interactief uitoeren om de mogelijkheid uit te sluiten dat de problemen iets met de automatische installatie te maken hebben. Responsbestanden oor de installatie an Client Access Express maken Een responsbestand legt de keuzes ast die zijn gemaakt als reactie op de aanwijzingen in het installatieproces. Tijdens een automatische installatie gebruikt het installatieprogramma het responsbestand om de gegeens op te halen die nodig zijn oor het oltooien an de installatie. Om een responsbestand te maken oert u de olgende handelingen uit: 1. Typ op de opdrachtregel in de directory an het Client Access Express installatie-image op een PC: setup -r -f1d:\dir\file.iss om een installatie uit te oeren en de respons ast te leggen. -f1 is een facultatiee parameter die wordt gebruikt om een andere naam oor het responsbestand aan te geen. Als u deze parameter niet gebruikt, worden alle installatiekeuzen astgelegd in het 16 iseries: Client Access Express Beheer
23 bestand setup.iss. Setup.iss beindt zich in de directory Windows (onder Windows 95 of 98) of in de directory Winnt (onder Windows NT). d:\dir\ is het station plus de directory waarin u het responsbestand wilt maken. Als u de parameter -f1 gebruikt, moet u het station en de directory opgeen samen met de naam an het responsbestand dat u wilt maken. bestand.iss is de naam an het responsbestand dat u wilt maken. De bestandstoeoeging moet altijd iss zijn. 2. U kunt het installatieprogramma oltooien door de antwoorden te erlenen die u wilt gebruiken tijdens de automatische installaties. Nadat de installatie is oltooid, lijkt het gemaakte iss-bestand enigszins op het onderstaande oorbeeld an een responsbestand. Voorbeeld: Responsbestand (setup.iss) Dit responsbestand is astgelegd bij een aangepaste installatie waarbij alle componenten werden geselecteerd. Uw bestand zal hier an erschillen afhankelijk an het type installatie, de door u geselecteerde componenten en de taalersie. Opm:. In het oorbeeldresponsbestand ziet u: BootOption=3. Dit betekent dat de PC automatisch opnieuw opstart als de installatie oltooid is. Als u dit niet wilt, dient u de instelling te wijzigen in BootOption=0. [InstallShield Silent] Version= File=Response File [DlgOrder] Dlg0=SdWelcome-0 Count=9 Dlg1=SdLicense-0 Dlg2=SdOptionsButtons-0 Dlg3=SdAskDestPath-0 Dlg4=CwbComponentDlg-0 Dlg5=SdShowDlgEdit1-0 Dlg6=SdStartCopy-0 Dlg7=SdAskOptions-0 Dlg8=SdFinishReboot-0 [SdWelcome-0] Result=1 [SdLicense-0] Result=1 [SdOptionsButtons-0] Result=103 [SdAskDestPath-0] ;Opmerking - Dit is de directory waarin Client Access Express wordt geunstalleerd. szdir=f:\programmabestanden\ibm\client Access Result=1 Hoofdstuk 5. Installeren of migreren op meerdere PC s 17
24 [CwbComponentDlg-0] CAOptional-type=string CAOptional-count=4 CAOptional-0=CAOptional\DirUpdate CAOptional-1=CAOptional\IRC CAOptional-2=CAOptional\MAPI CAOptional-3=CAOptional\OUG Unity-type=string Unity-count=14 Unity-0=Unity\Base Unity-1=Unity\BasicOp Unity-2=Unity\AppDeWorkManagement Unity-3=Unity\SysConfig Unity-4=Unity\Network Unity-5=Unity\Security Unity-6=Unity\UserGroups Unity-7=Unity\Database Unity-8=Unity\FileSys Unity-10=Unity\Backup Unity-11=Unity\AppDe Unity-12=Unity\Commands Unity-13=Unity\Packages Unity-14=Unity\Monitors Unity-15=Unity\LogicalSystems Unity-16=Unity\AFPManager Unity-17=Unity\ManCentral Unity-18=Unity\Admin DataAccess\FileTransfer-type=string DataAccess\FileTransfer-count=3 DataAccess\FileTransfer-0=DataAccess\FileTransfer\Datafer DataAccess\FileTransfer-1=DataAccess\FileTransfer\Excel DataAccess\FileTransfer-2=DataAccess\FileTransfer\WK4 DataAccess-type=string DataAccess-count=3 DataAccess-0=DataAccess\FileTransfer DataAccess-1=DataAccess\ODBC DataAccess-2=DataAccess\OLEDB Emulators\Standard\PCFont-type=string Emulators\Standard\PCFont-count=1 Emulators\Standard\PCFont-0=Emulators\Standard\PCFont\Latin2 Emulators\Standard-type=string Emulators\Standard-count=3 Emulators\Standard-0=Emulators\Standard\Base Emulators\Standard-1=Emulators\Standard\PdfPdt Emulators\Standard-2=Emulators\Standard\PCFont Emulators-type=string Emulators-count=1 Emulators-0=Emulators\Standard PrinterDriers-type=string PrinterDriers-count=1 PrinterDriers-01=PrinterDriers\AFP Toolkit-type=string Toolkit-count=2 Toolkit-0=Toolkit\Base 18 iseries: Client Access Express Beheer
25 Toolkit-1=Toolkit\VBW Component-type=string Component-count=13 Component-0=Install Component-1=Base Component-2=CAOptional Component-3=Unity Component-4=DataAccess Component-5=MDAC Component-6=AFPViewer Component-7=JRE Component-8=JAVATB Component-9=Emulators Component-10=PrinterDriers Component-11=OpCon Component-12=Toolkit Result=1 [SdShowDlgEdit1-0] szedit1=ibm AS400 Client Access Express Result=1 [SdStartCopy-0] Result=1 [Application] Name=Client Access Version=CurrentVersion\Selectiely_Installable_Components\Toolkit VB Wizard Company=IBM [SdAskOptions-0] Component-type=string Component-count=1 Component-0=Snelkoppeling naar programmamap op bureaublad plaatsen Result=1 [SdFinishReboot-0] Result=1 BootOption=3 ;Opmerking - Als u de waarde 3 opgeeft bij BootOption betekent dit dat na de automatische installatie ; de PC automatisch opnieuw wordt opgestart. Als u niet automatisch wilt opstarten ; stelt u de waarde bij BootOption in op 0. Automatische installatie Bij een automatische installatie wordt gebruik gemaakt an een responsbestand (file.iss) oor het beantwoorden an aanwijzingen tijdens het installatieproces. Bij een automatische installatie hoeft de gebruiker niets te doen tijdens de installatieprocedure en kunt u snel en op eenoudige wijze duplicaatinstallaties op uw netwerk kopiùren. Gegeens oer de status an de automatische installatie kunnen worden astgelegd in een logboekbestand (file.log). Hoofdstuk 5. Installeren of migreren op meerdere PC s 19
26 Als u een automatische installatie wilt starten, typt u de olgende regel in de opdrachtaanwijzing in de directory an het Client Access Express installatie-image: setup -s -f1d:\dir\file.iss -f2d:\dir\file.log Hierbij geldt het olgende: -f1 is een facultatiee parameter waarmee u het responsbestand (bestand.iss) kunt opgeen dat u wilt gebruiken. Als u deze parameter niet gebruikt, probeert het installatieprogramma het standaard responsbestand met de naam setup.iss te gebruiken. Dit bestand wordt gezocht in de directory waarin ook het bestand setup.exe staat. d:\dir staat oor het station en de directory met het responsbestand dat u wilt gebruiken. Als u de parameter -f1 gebruikt, moet u het station en de directory opgeen samen met de naam an het responsbestand. -f2 is een facultatiee parameter waarmee u de locatie en de naam kunt opgeen an het logboekbestand dat tijdens de automatische installatie wordt gemaakt. Als u deze parameter niet gebruikt, wordt er tijdens de installatie een logboekbestand met de naam setup.log gemaakt. Dit bestand wordt geplaatst in de directory waarin ook het bestand setup.exe staat. d:\dir staat oor het station en de directory met het logboekbestand. Als u de parameter -f2 gebruikt, moet u het station en de directory opgeen samen met de naam an het logboekbestand. bestand.log is de naam an het logboekbestand dat u wilt maken. Retourcodes bij automatische installaties of migraties Bekijk de retourcodes in het logboekbestand om te zien of de automatische installatie is gelukt. De retourcode 0 geeft aan dat de installatie gelukt is. Als de retourcode niet 0 is, dient u de noodzakelijke actie te ondernemen om het probleem op te lossen. U hebt de naam en de locatie an het bestand opgegeen toen u de automatische installatie startte. Retourcode Betekenis 0 Gelukt -1 Algemene fout -2 Ongeldige werkstand -3 Benodigde gegeens niet geonden in bestand Setup.iss -4 Niet oldoende geheugen beschikbaar -5 Bestand bestaat niet -6 Kan niet naar responsbestand schrijen -7 Kan niet naar logbestand schrijen -8 Pad naar responsbestand oor automatische installatie an InstallShield is ongeldig -9 Lijsttype is ongeldig (reeks of nummer) -10 Gegeenstype is ongeldig -11 Onbekende fout tijdens installatie -12 Dialoogensters zijn niet actief -51 Opgegeen map kan niet worden gemaakt -52 Geen toegang tot opgegeen bestand of map -53 Geselecteerde optie is niet geldig Raadpleeg oor meer informatie Automatische installatie starten. Automatische migratie starten Met automatische migraties kunt u an een oudere ersie an Client Access oergaan op Client Access Express zonder permanente gegeens te erliezen. Het uitoeren an een automatische migratie an Client Access oor Windows 95 gaat iets anders dan bij een normale automatische installatie. In plaats an ÚÚn responsbestand hebt u er twee nodig. Dit komt omdat bij een migratie het systeem twee keer opnieuw moet worden opgestart. Als u migreert anaf een Windows 3.1-client, kunt u de stappen olgen oor een normale automatische installatie. 20 iseries: Client Access Express Beheer
27 Bij een automatische migratie zijn de stappen hetzelfde als bij een normale automatische installatie, met de olgende uitzonderingen: Een responsbestand astleggen Als u een responsbestand wilt astleggen oor een automatische migratie, typt u de olgende regel in de opdrachtaanwijzing in de directory an het Client Access Express installatie-image: setup s2f1=d:\dir\stage2.iss -r -f1d:\dir\stage1.iss Hierin is: s2f1= geeft aan dat de astgelegde installatie een migratieprocedure betreft. d:\dir\fase2.iss is het bestand (met de directory) waarin de tweede fase an de installatie is astgelegd. -r zorgt eroor dat InstallShield een responsbestand maakt. Het responsbestand legt alle installatieopties ast in het door u opgegeen bestand. Met -f1 kunt u het bestand (met de directory) opgeen waarin de eerste fase an de installatie wordt astgelegd. d:\dir\fase1.iss is het bestand (met de directory) waarin de eerste fase an de installatie is astgelegd. Opm:. U moet de directory samen met de bestandsnaam opgeen. Voer het installatieprogramma uit zoals het ook automatisch moet worden uitgeoerd. De eerste fase an de installatie wordt astgelegd in d:\dir\fase1.iss. De tweede fase an de installatie wordt automatisch gestart nadat de computer opnieuw is opgestart. Dit gebeurt nadat Client Access oor Windows 95/NT is erwijderd. d:\dir\fase2.iss beat de opties oor de installatieprocedure. Voer de automatische installatie uit Als u de automatische migratie wilt uitoeren met behulp an de hierboen gemaakte responsbestanden, typt u setup s2f1=d:\dir\stage2.iss s2f2=d:\dir\stage2.log D1 -s -f1d:\dir\stage1.iss -f2d:\dir\stage1.log Hierin is: s2f1 staat oor de directory en het responsbestand waarin de tweede fase an de migratie is astgelegd. s2f2 staat oor de directory en het logboekbestand dat tijdens de automatische installatie wordt gemaakt oor de tweede fase an de automatische migratie. D1 geeft aan dat tijdens de installatie alleen componenten worden geunstalleerd die waren geunstalleerd oor Client Access oor Windows 95/NT. De componenten in het responsbestand worden genegeerd. Gebruik deze parameter alleen als u een aangepaste installatie hebt astgelegd. -s geeft aan dat de installatie automatisch moet worden uitgeoerd. -f1 staat oor de directory en het responsbestand waarin de eerste fase an de migratie is astgelegd. -f2 staat oor de directory en het logboekbestand dat wordt gemaakt tijdens de eerste fase an de automatische migratie. Hoofdstuk 5. Installeren of migreren op meerdere PC s 21
28 22 iseries: Client Access Express Beheer
29 Hoofdstuk 6. Sericepakketten beheren Fixes oor Client Access Express zijn geuntegreerd in sericepakketten die deel uitmaken an een PTF (Program Temporary Fix) oor afleering. U kunt de meest recente PTF downloaden naar uw iseriesserer om een stabielere gebruiksomgeing te krijgen oor de client an Client Access Express en bekende problemen te corrigeren. Wanneer u de PTF geunstalleerd hebt op uw hostsysteem, kunt u gebruik maken an Sericenieau controleren om sericepakketten te distribueren naar client-pc s. Schaf de meest recente PTF aan oor installatie op uw iseries-serer Gebruik de opdracht SNDPTFORD op de PTF oor uw iseries-serer te bestellen. Omdat de per sericepakket geleerde PTF s gewoonlijk de oor elektronische erzending gewenste bestandsgrootte oerschrijden, kunt u de PTF alleen ontangen door in Deliery Method, DELIVERY, de parameter SNDPTFORD te wijzigen in *ANY. (De standaardparameter in *LINKONLY.) U kunt ook gebruik maken an Internet PTFafleering (iptf). Voor informatie oer deze diensterlening en de oorwaarden, gaat u naar iseries Technical Support en selecteert u Fixes and Updates in het linkermenu. Installeer de sericepakketten direct op de client-pc s U kunt ook sericepakketten downloaden naar uw client-pc s. Hiermee kunt u bepaalde client-pc s bijwerken zonder de PTF te hoeen toepassen op uw host. Om het meest recente sericepakket te krijgen gaat u naar de Client Access Express homepage en selecteert daar Serice Pack uit het rijtje koppelingen. Nadat het sericepakket is gedownload, hoeft u alleen maar het installatiebestand uit te oeren om het bijwerken tot stand te brengen. U moet de computer altijd weer opnieuw opstarten nadat een sericepakket geunstalleerd is. In V5R1, werken sericepakket-ptf s het Client Access Express installatie-image bij op de iseries-serer. Daartoe zullen alle installaties het meest recente sericepakketnieau an de host afbeelden. Opm:. In Windows NT/2000 kunnen alleen gebruikers met beheerdersbeeiliging bijwerkingen uitoeren an sericepakketten en an Client Access Express. U kunt de beheerdersbeeiliging an Windows NT/2000 omzeilen met de optie gebruikers sericepakketten laten toepassen zonder beheerdersbeeiliging. Andere componenten en toepassingen door derden onderhouden. De optie Sericenieau controleren beheert ook de ersies an andere componenten, zoals SSL en de toepassingen door derden (plug-ins en inoegtoepassingen). Sericenieau controleren controleert automatisch de iseries-serer an de host op bijwerkingen an geunstalleerde componenten. Zodra updates beschikbaar komen, zullen gebruikers daar gewoonlijk an in kennis worden gesteld met het erzoek de bijwerking te doen plaatsinden. Hiermee wordt Selectiee installatie geopend in een speciale stand waardoor het bijwerken an de betreffende component plaatsindt. Beeiliging oor Windows NT/2000-beheerder omzeilen Wegens de beperkingen die in Windows NT/2000 zijn aangebracht, kunt u de sericepakketten en upgrades an Client Access alleen aanbrengen als u als beheerder bent aangemeld. In dit onderwerp wordt beschreen hoe u deze beperking kunt omzeilen, zodat gebruikers sericepakketten en upgrades an Client Access kunnen aanbrengen zonder dat ze oer beheerdersmachtigingen beschikken. U kunt dit probleem als olgt omzeilen: 1. Meld u aan bij Windows NT/2000 als beheerder. 2. Configureer NT/2000 Planningsprogramma. 3. Stel de eigenschappen an de functie Sericenieau controleren in. Copyright IBM Corp. 1998,
30 4. Plan de controle an het sericenieau. De functie Sericenieau controleren U kunt de functie Sericenieau controleren an Client Access Express op de PC gebruiken om updates an Client Access Express en de daarbij behorende componenten te zoeken op de iseries-serer. Raadpleeg oor het definiùren an opties oor de uitoering an Sericenieau controleren de tab Serice an Eigenschappen Client Access. Daar kunt u de olgende parameters instellen: Wanneer het sericenieau moet worden gecontroleerd Een datum oor de controle an het sericenieau Het aantal dagen oordat het sericenieau moet worden gecontroleerd Het aantal minuten dat moet worden gewacht (na aanmelding) op een controle an het sericenieau Opm:. Het beleid legt mogelijk op wat u met de boenstaande functies kunt doen. Het aantal dagen oordat een controle an het sericenieau wordt uitgeoerd, kan bijoorbeeld worden opgelegd door een bepaalde waarde. Op die manier kunnen gebruikers deze waarde niet wijzigen. U kunt ook kiezen oor Sericenieau automatisch controleren. Eigenschappen an de functie Sericenieau controleren instellen Dubbelklik in de programmagroep Client Access Express op het pictogram Eigenschappen Client Access en ga naar de tab Serices. Wijzig indien nodig de waarden en klik op OK. Opm:. De waarde bij de parameter SCHEDCHECK oerschrijft de frequentie-instellingen. (Raadpleeg de online gebruikershandleiding an De controle an het sericenieau plannen U kunt opgeen dat de functie Sericenieau controleren op gezette tijden wordt uitgeoerd. Daartoe moet u een.bat-bestand maken waarmee Sericenieau controleren wordt gestart en erolgens met de at-opdracht opgeen wanneer dat batchbestand moet worden uitgeoerd. Maak een batchbestand dat de planner aanroept. De functie Sericenieau controleren kan gebruik maken an de parameters op de tab Serice an Eigenschappen Client Access. Als u wilt dat dit gebeurt, geeft u in het batchbestand een regel op zoals dit oorbeeld: c:\...\clientx1\cwbckver.ee LOGIN Als u wilt dat de functie Sericenieau controleren wordt uitgeoerd wanneer het planningsgegeen start, plaatst u een regel in het batchbestand die lijkt op de olgende regel: c:\...\clientx1\cwbckver.ee SCHEDCHECK Gebruik de at-opdracht om de controle an het sericenieau te plannen. Bijoorbeeld: at 10:00/INTERACTIVE/EVERY:15 "c:\scheddir\ckerscd.bat" Hierdoor wordt de controle an het sericenieau gestart om 10 uur s-ochtends op de 15e dag an elke maand. Opm:. In dit oorbeeld wordt gebruikgemaakt an een batchbestand met de naam ckerscd.bat in directory c:\scheddir. U kunt zelf bepalen wat de naam an uw batchbestand is en waar u het bestand opslaat. 24 iseries: Client Access Express Beheer
31 Als het planningsgegeen start, wordt er een MS-DOS-enster geopend op de werkplek an de gebruiker. De gebruiker wordt door de functie Sericenieau controleren geleid door middel an berichtensters en installatiewizards. De gebruikersinterface is gelijk aan de interface die een NT-beheerder zou zien als hij de functie Sericenieau Het sericepakket automatisch installeren Door het akje Automatische installatie uitoeren op de tab Serice an Eigenschappen Client Access te selecteren, kunt u de controles an het sericenieau en de installatie an de sericepakketten automatisch laten uitoeren. Het hulpprogramma oor automatische installatie an een sericepakket gebruikt gegeens an een responsbestand om aanwijzingen automatisch te beantwoorden. Het responsbestand is identiek met het responsbestand dat wordt gebruikt in de automatische installatie, behale dat u de olgende naam moet opgeen. SLTSP.ISS - oor sericepakketten (dit bestand moet in de directory staan waar ook het bestand setup.exe an het sericepakket staat). SLTUP.ISS - oor upgrades (dit bestand moet in de directory staan waar ook het installatiebestand setup.exe staat). Als u een responsbestand maakt, kunt u een waarde opgeen bij de parameter oor het automatisch opnieuw opstarten an het systeem. Als u deze waarde instelt op YES (Ja), moet u een waarde opgeen oor de parameter SCHEDCHECK in een planningstaak, zodat de automatische controle an het sericenieau s nachts wordt uitgeoerd. Raadpleeg de online gebruikershandleiding an Express oor meer informatie oer de parameter SCHEDCHECK. Als de waarde wordt ingesteld op NO (Nee) wordt de gebruiker geraagd om op OK Hoofdstuk 6. Sericepakketten beheren 25
32 26 iseries: Client Access Express Beheer
33 Hoofdstuk 7. ODBC-beheer ODBC (Open Database Connectiity) is een Microsoft-standaard oor het erlenen an toegang tot databases. Het programma heeft een duidelijk set an API s (application programming interfaces) die SQL (Structured Query Language) gebruiken om databases te openen. Raadpleeg oor een algemene beschrijing an ODBC en hoe u ODBC kunt gebruiken met Client Access Express Express ODBC-stuurprogramma - Oerzicht. Het systeem instellen oor het ODBC-stuurprogramma Dit onderwerp beschrijft procedures oor het instellen an uw omgeing oor ondersteuning an het ODBC-stuurprogramma. Voor hulp bij de configuratie an het ODBC-stuurprogramma, start u het programma ODBC-beheer anaf de Client Access Express-programmagroep en raadpleegt u de online Help. Beeiligingsaspecten oor ODBC Dit onderwerp legt de nadruk op een aantal beeiligingsaspecten oor het werken met ODBC en biedt erwijzingen naar gedetailleerdere beeilingsinstructies. Problemen an ODBC oplossen Dit onderwerp helpt u bij het oplossen an een aantal aker oorkomende problemen met Client Access Express en ODBC. Het onderwerp identificeert ook een aantal tools die u kunnen helpen bij het erwijderen an knelpunten in de prestatie. Bekijk deze informatie oordat u contact opneemt met een sericemedewerker. Raadpleeg oor hulp bij de integratie an ODBC-ondersteuning in uw toepassingen Client Access Express ODBC programmeren, waar u meer informatie kunt inden oer de olgende onderwerpen: API-lijst ODBC Implementatieaspecten oor API an ODBC Gegeensbronnen migreren naar ondersteuning oor V5R1 Express ODBC 3.5 Programmaoorbeelden ODBC-prestaties Oerzicht an het ODBC-stuurprogramma an Client Access Express Het Express ODBC-stuurprogramma is een erzameling API s (Application Programming Interfaces) oor het erkrijgen an toegang tot database-informatie middels SQL (Structured Query Language). Met het Express ODBC-stuurprogramma erkrijgen toepassingen toegang tot erschillende databases op de iseries-serer middels dezelfde sourcecode en kunnen gegeens behandeld worden in de oor deze toepassingen meest geschikte indeling. ODBC biedt een ontwikkelaar an toepassingen een relatief eenoudig model oor het maken an oerdraagbare toepassingen of componenten die te maken hebben met een aantal DBMS-systemen. De ODBC-architectuur heeft betrekking op een toepassing, Drier Manager, ODBC-stuurprogramma en een gegeensbron: Toepassing Voert erwerkingen uit en roept ODBC-functies op om SQL-instructies uit te oeren. Copyright IBM Corp. 1998,
34 Drier Manager Verwerkt oproepen an ODBC-functies en erzendt de opdrachten naar het stuurprogramma. Stuurprogramma Verwerkt oproepen an ODBC-functies, biedt SQL-opdrachten aan aan een bepaalde gegeensbron en zendt resultaten terug naar de toepassing. Gegeensbron Om een gegeensbron te kunnen gebruiken moet u eerst een DSN (Data Source Name) maken. Een DSN beat informatie oer hoe de DBMS is te openen. U kunt een an de olgende DSN-opties opgeen: Gebruikers-DSN: Deze gegeensbronnen beinden zich in de lokale computer en zijn alleen beschikbaar oor de gebruiker die ze gemaakt heeft. De informatie is opgeslagen in het register. Systeem-DSN: Deze gegeensbronnen beinden zich in de lokale computer zonder te zijn toegewezen aan een gebruiker. Het systeem of iedere gebruiker die de beoegdheid daartoe bezit, kan een gegeensbron aanwenden die is opgezet met een systeem-dsn. Deze informatie is opgeslagen in het register. Bestands-DSN: Dit zijn op bestanden gebaseerde gegeensbronnen die gemeenschappelijk gebruikt kunnen worden door alle gebruikers die hetzelfde stuurprogramma geunstalleerd hebben, zodat zij toegang hebben tot de database. Deze gegeensbronnen hoeen niet te zijn toegewezen aan een gebruiker of aanwezig te zijn in een lokale computer. Voor meer informatie oer ODBC, raadpleeg de Microsoft website. Het systeem instellen oor het ODBC-stuurprogramma Voordat u het ODBC-stuurprogramma configureert, moet u eerst uw systeem instellen. Het instellen an uw systeem oor het ODBC-stuurprogramma an Client Access Express doet u als olgt: 1. Voeg het lokale systeem toe aan de directory an de relationele database (RDB) in OS/400:. 2. Installeer een ODBC-gegeensbron. Voor hulp bij de configuratie an een bepaalde gegeensbron, start u het programma ODBC-beheer anaf de Client Access Express-programmagroep, kiest u de te configureren gegeensbron en bekijkt u de online Help. Het lokale systeem toeoegen aan de RDB-directory (relationele database) Om ODBC te kunnen gebruiken moet de naam an het lokale systeem te inden zijn in de directory. Voer de olgende stappen uit om het lokale systeem toe te oegen aan de RDB-directory: 1. Geef de CL-opdracht RDB-item toeoegen (ADDRDBDIRE) op anaf de opdrachtaanwijzing. 2. Wanneer het ADDRDBDIRE-scherm u raagt om waarden, oert u dan de naam in an het systeem als de parameter an de relationele database. 3. Typ *LOCAL als de parameter an de locatie op afstand. 28 iseries: Client Access Express Beheer
35 Opm:. ODBC staat het gebruik toe an olledige namen in de olgende indeling: [catalogusnaam].[schemanaam].id (waarbij ID staat oor de naam an een tabel, afbeelding, procedure etc.). In de DB2/400-implementatie an SQL komt dit oereen met [systeem-id].[naam database].id. Wanneer een ODBC-toepassing raagt om de catalogusnaam geeft het ODBS-sturingsprogramma an Client Access de naam die is opgegeen als het *LOCALgegeen in de relationele database-directory an de iseries. De ODBC-gegeensbron opgeen U moet de gegeensbron oor uw toepassing instellen om toegang te krijgen tot gegeens en deze te kunnen bewerken. Om de gegeensbron op te geen gaat u als olgt te werk: 1. Start het ODBC-programma Besturing anuit de programmagroep Client Access Express. 2. Selecteer de juiste tab oor het type gegeensbron. Zie ODBC-oerzicht oor meer informatie. 3. Selecteer een bestaande gegeensbron uit de lijst of selecteer Toeoegen om een nieuwe te maken. Als u een bestaande gegeensbron gebruikt, klik dan op Configureren en ga erder met stap Selecteer het ODBC-stuurprogramma (32-bit) an Client Access oor uw gegeensbron en klik op BeÙindigen. 5. Geef de gewenste opties op met behulp an het ODBC-installatiedialoogenster an Client Access Express. Raadpleeg de online Help oor nadere informatie. Opm:. De naam an de gegeensbron kan maximaal 32 tekens lang zijn, moet met een alfabetisch teken beginnen en de olgende tekens kunnen niet gebruikt worden: Niet toegestane gegeensbrontekens Vierkant haakje openen ([) Vraagteken (?) Vierkant haakje sluiten (]) Sterretje (*) Accolade openen ({) Gelijkteken (=) Accolade sluiten (}) Uitroepteken (!) Haakje openen ( ( ) Apenstaartje (@) Haakje sluiten ( ) ) Puntkomma (;) Express ODBC-beeiliging De olgende informatie hoort niet een alles omattende handleiding te zijn met betrekking tot beeiligingsonderwerpen oer de iseries-serers of Express. Er wordt alleen een oerzicht gegeen an beeiligingsonderwerpen die betrekking hebben op gebruikers an Express en ODBC. Raadpleeg oor meer informatie de publicatie IBM Security - Reference PDF. Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 29
36 Riskante ODBC-beeiligingsstrategieÙn BeeiligingsstrategieÙn an het ODBC-programma Andere informatiebronnen oor ODBC-beeiliging BeeiligingsstrategieÙn ODBC-programma s Oerweeg de olgende beeiligingsstrategieùn an ODBC-programma s Programmatoegang tot de database beperken Het komt aak oor dat systeembeheerders de toegang tot bepaalde bestanden of programma s moeten beperken. Een groen scherm -programmeur brengt beperkingen aan door middel an een op het programma toegesneden machtiging. Een oereenkomstige methode kan gebruikt worden ten aanzien an ODBC. Met opgeslagen procedures kunnen ODBC-programmeurs programma-specifieke machtigingen inoeren. Een programmeur kan bijoorbeeld niet willen dat gebruikers wijzigingen kunnen aanbrengen in databasebestanden door desktop-toepassingen te gebruiken zoals Microsoft Access of Lotus In plaats daaran, kan de programmeur de mogelijkheid tot het bijwerken an databases willen beperken tot alleen de toepassing an de programmeur. Om dit tot stand te brengen moet de toegang tot de database beperkt worden met behulp an beeiliging op objectnieau of met userexit-programma s. De toepassing moet zo worden geschreen dat gegeensopdrachten erzonden worden naar de opgeslagen procedure en dat de opgeslagen procedure de database bijwerkt. CPU-gebruik door de gebruiker beperken ODBC heeft in hoge mate de toegankelijkheid tot iseries-gegeens ergemakkelijkt. Een an de negatiee geolgen is echter dat gebruikers zonder het te weten zeer CPU-intensiee query s kunnen maken. ODBC werkt met een interactiee taakprioriteit en dit kan ernstige geolgen hebben oor de prestaties an het systeem. De iseries ondersteunt query-beheer. ODBC kan de query goernor oproepen (bijoorbeeld ia de PC-toepassing) in een opgeslagen procedureaanroep. De ODBC API s kunnen ook query-beheer oproepen door gebruik te maken an de parameter time-out (V3R1M2 of later). Een userexit-programma kan query-beheer ook opleggen aan de ODBC-taak. De tijdslimiet is opgegeen in de parameter QRYTIMLMT an de CL-opdracht CHGQRYA. Het bestand oor query-opties (QAQQINI) kan ook gebruikt worden om de waarde in te stellen. Het boek SQL Reference beat extra informatie. Bekijk een online-ersie an het boek in HTML of druk de PDF-ersie af: DB2 Uniersal Database for iseries books online. Raadpleeg ook Administering Client Access Express host serers. Auditlogboeken (bewaken an de beeiliging) Er kunnen erschillende logboeken worden gebruikt om de beeiliging te bewaken. QHST, het historielogboek, beat berichten die te maken hebben met wijzigingen in de beeiliging die in het systeem worden aangebracht. Voor gedetailleerde bewaking an functies die te maken hebben met beeiliging kan QAUDJRN worden geactieerd. De *SECURITY-beeiligingswaarden leggen de olgende functies ast: Wijzigingen in de objectmachtiging Bewerkingen an gebruikersprofielen maken, wijzigen, wissen, afbeelden en herstellen Wijzigingen in objecteigendom Wijzigingen in programma s (CHGPGM) die het eigenaarsprofiel oernemen. Wijzigingen in systeemwaarden en netwerkkenmerken Wijzigingen in de routebepaling an het subsysteem 30 iseries: Client Access Express Beheer
37 Wanneer het QSECOFR-wachtwoord opnieuw wordt ingesteld oereenkomstig de bij DST geleerde waarde Wanneer erzocht wordt het wachtwoord an de DST-Security Officer als standaard in te stellen Wijzigingen in het auditkenmerk an een object Voor extra informatie raadpleeg IBM Security - Reference PDF. Riskante ODBC-beeiligingsstrategieÙn Er zijn systeembeheerders die trachten de toegang tot gegeens te beeiligen in plaats an de gegeens zelf eilig te stellen. Dit is bijzonder riskant, omdat dit erop neer komt dat beheerders ALLE methoden moeten beheersen waarmee gebruikers zich toegang erschaffen tot gegeens. Gebruikelijke ODBCbeeiligingstechnieken die ermeden moeten worden zijn o.a.: Beleids- en toepassingsbeheer Op zich kunnen Client Access Express-beleidsinstellingen ODBC toegangsbeperkingen opleggen tot bepaalde alleen-lezen gegeensbronnen. Toepassingenbeheer in Operations Naigator kan oorkomen dat ODBC toegang krijgt tot gegeensbronnnen. Nuttig oor groen scherm- of 5250 emulatie-toepassingen is dat deze methode aanneemt dat als u gebruikers niet toestaat opdrachten in te oeren in een 5250-emulatiesessie, zij alleen toegang kunnen krijgen tot gegeens ia de programma s en menu s die de systeembeheerder aan hen ter beschikking heeft gesteld. Deze methode is alleen eilig wanneer rekening is gehouden met alle alternatiee toegangsmethoden. Dit zijn o.a. TCP/IP, Client Access en erschillende OEM-producten. Raadpleeg oor meer informatie de publicatie IBM Security - Reference PDF. Userexit-programma s Een userexit-programma biedt de systeembeheerder de mogelijkheid een door IBM geleerd hostsererprogramma te beeiligen. Het ODBC-stuurprogramma an Client Access Express gebruikt de hostserer an de database: afsluitpunten QIBM_QZDA_INIT; QIBM_QZDA_NDBx; en QIBM_QZDA_SQLx. Oerige ODBC-stuurprogramma s en zelfs andere toegangsmethoden an Client Access Express (zoals OLE DB) kunnen andere hostserers gebruiken. Journalen Vaak wordt het bijhouden an een journaal gebruikt samen met client/serer-toepassingen om het astleggen an wijzigingen te besturen. De journaals beatten gedetailleerde informatie oer iedere update an een bestand waaroor een journaal wordt bijgehouden. De informatie in het journaal kan worden ingedeeld en beraagd om specifieke informatie terug te zenden, waaronder: De gebruikersprofielen die het bestand hebben bijgewerkt De records die zijn bijgewerkt Het type bijwerking In een journaal kunnen ook door de gebruiker gedefinieerde gegeens worden opgenomen. Als u deze items met een user exit-programma of een trigger gebruikt, heeft u een methode met een relatief lage oerhead om audits te onderhouden die door de gebruiker zijn gedefinieerd. Raadpleeg oor erdere informatie de publicatie Backup and Recoery PDF. DSN-beperkingen (Data Source Name) Het ODBC-stuurprogramma an Client Access Express ondersteunt een DSN-instelling ten behoee an alleen-lezen-toegang tot een database. Het ODBC-stuurprogramma an Client Access ondersteunt een Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 31
38 instelling oor een gegeensbron an alleen lezen en lezen/oproepen. Hoewel ze niet beeiligd zijn, bieden deze instellingen wel hulp bij het oorkomen an onbedoelde wis- en wijzigingsbewerkingen. Oerige informatiebronnen oor ODBC-beeiliging Voor het uitgebreid bespreken an beeiligingsaspecten en oor assistentie bij het in praktijk brengen an de hierboen beschreen strategieùn kunt u bellen met IBM Nederland B.V. ( ). U kunt de olgende IBM-boeken bekijken oor meer informatie oer bepaalde onderwerpen: Hostserers beheren IBM Security - Reference PDF Backup and Recoery PDF DB2 Uniersal Database for iseries books online. Express ODBC-probleemoplossing De olgende onderwerpen geen algemene richtlijnen oor het inden en oplossen an Client Access Express ODBC-fouten: ODBC-hulpprogramma s oor diagnose en prestatie Client Access Express ODBC-foutberichten Algemene ODBC-fouten Problemen met de iseries-serererbinding oplossen Gegeens erzamelen oor IBM Support ODBC-hulpprogramma s oor diagnose en prestatie Hulp bij foutbericht Alle foutberichten an Client Access kunt u inden in de online gebruikershandleiding an Client Access Express. Bij fouten die met SQL beginnen, moet u de olgende OS/400-opdracht opgeen om de berichttekst af te beelden: DSPMSGD RANGE(SQLxxxx) MSGF(QSQLMSG) Voor foutberichten die met IWS of PWS beginnen, moet u de olgende OS/400-opdracht opgeen: DSPMSGD RANGE(ZZZxxxx) MSGF(QIWS/QIWSMSG) waarbij ZZZ IWS of PWS is. ODBC-traceerprogramma s Beheerd an Microsoft leert zijn eigen traceerprogramma om ODBC API-oproepen te traceren anaf toepassingen. In de winkel erkrijgbare programma s zijn soms krachtiger. Die bieden soms de mogelijkheid om bij ODBC-API-opdrachten uitoerig te traceren op welk moment ze ingeoerd worden en op welk moment ze afgesloten worden. Voorbeelden an zulke traceerprogramma s zijn Trace Tools (an Dr. DeeBee) en SST Trace Plus (an Systems Software Technology). Zie SQL.LOG en Bijoorbeeld: ODBC-traceren Communicatietracering De oorziening oor het traceren an de communicatie traceert en formatteert alle communicatietypen met een lijnbeschrijing (token ring en Ethernet). Dit is een hulpprogramma oor het opsporen an ele problemen. Het is ook erg handig als u wilt analyseren waar er ertragingen in de prestaties optreden. U kunt met behulp an de eye-catcher- en tijdaanduidingselden meten hoe lang het -systeem er oer doet om een opdracht te erwerken. 32 iseries: Client Access Express Beheer
39 Taaktraceringen prestatieermogen opsporen. Hiertoe start u eerst een sericetaak op oor de taak die moet worden Via de tracering an -taken kunt u de meeste host-problemen en eel problemen met betrekking tot het getraceerd. Zoek de olledige gekwalificeerde taaknaam an de ODBC-taak op. Via de opdracht STRSRVJOB kunt e een sericetaak op deze QZDASOINIT-taak starten anuit een willekeurige emulatiesessie. Verolgens kiest u, afhankelijk an de informatie, een an de olgende twee traceringen: Traceertaak Traceert de interne oproepen gedaan door de hostserer. Voer de opdracht TRCJOB *ON uit. Fouten opsporen Met fouttracering kunt u de prestaties an het programma controleren en de oorzaak an een bepaald probleem aststellen. De opdracht STRDBG kan tegelijkertijd worden uitgeoerd als een actiee sericetaak. Deze opdracht legt de beslissingen die door de query Optimizer zijn gemaakt ast in het taaklogboek an de foutopsporingssessie. De geschatte querytijden, de gebruikte toegangspaden en de cursorfouten worden o.a. astgelegd. Gebruik STRDGB uit het tabblad Diagnostisch an het dialoogenster DSN-installatie in ODBC-beheer of gebruik de olgende opdracht: STRDBG UPDPROD(*YES) In het ODBC-taaklogboek kunnen alle fouten die zich op de iseries-serer oordoen worden astgelegd. Als de taak de werkstand Fouten opsporen heeft, wordt er in het taaklogboek ook informatie opgenomen met betrekking tot het prestatieermogen. Hulpprogramma s De Performance toolkit biedt de oerzichten en hulpprogramma s die u kunt gebruiken om diepgaande oor analyses an het prestatieermogen an uw toepassingen te maken. Deze toolkit erschaft informatie oer het onder andere het gebruik an de CVE (centrale erwerkingseenheid), het gebruik an een schijfwisselaar, prestatieermogen geheugenindeling, en nog eel meer. Hoewel het erzamelen an prestatie gegeens is ingebouwd in het basisbesturingssysteem, hebt u het afzonderlijke erkrijgbare programma Performance Tools/400 nodig om de resultaten te analyseren. U kunt ook de hulpprogramma s Database Monitor en Visual Explain gebruiken. Raadpleeg de online Help an Operations Naigator oor meer informatie. QZDASOINIT-taaklogboek Voor optimale ondersteuning, genereert, zoekt en haalt u het QZDASOINIT-taaklogboek op. Het taaklogboek kan berichten beatten die u kunnen helpen fouten ast te stellen en op te lossen die door ODBC zijn teruggezonden. U kunt een taaklogboek genereren en inden in de gegeensbron. Gebruik de diagnostische tabbladoptie Taaklogboek afdrukken en erbreken om een taaklogboek te genereren. Als u wilt zoeken naar het taaklogboek, opent u een PC5250-emulatiesessie en geeft u de opdracht WRKSPLF op, waarbij de gebruiker het iseries-gebruikersprofiel is dat wordt gebruikt bij de ODBC-erbinding. CWBPINGU gebruikt CWBPING oor het opgeen an cwbping (uw systeemnaam of IP- adres) bij een MS-DOSaanwijzing. Bijoorbeeld: cwbping testsys1 of cwbping CWBPING maakt een lijst an de serers en hun status. Voer CWBPING uit zonder enige parameters oor help oer CWBPING. QAQQINI Het bestand queryopties beat eel opties die gebruikt kunnen worden oor diagnostische taken, tuning en (Bestandhet opsporen an fouten. Raadpleeg de databasedocumentatie oor meer details. U kunt dit bestand ook oor instellen in de ODBC-gegeensbron (DSN). queryopties) Een SQL.LOG erzamelen (ODBC-tracering) Voer de olgende stappen uit om een SQL.LOG te erzamelen: 1. Start ODBC-gegeensbronbeheer. 2. Selecteer het tabblad Tracing. 3. Selecteer de knop Tracing nu starten. 4. Selecteer Toepassen of OK. Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 33
40 5. Maak de fout opnieuw 6. Keer terug naar ODBC Beheren. 7. Selecteer het tabblad Tracing. 8. Selecteer de knop Tracing nu stoppen. 9. De tracering kan bekeken worden in de locatie die u aanankelijk hebt opgegeen in het deelenster Pad logboekbestand. Opm:. Deze procedure geldt wanneer u MDAC ersie 2.5. gebruikt. Als u een andere MDAC-ersie gebruikt, moet u misschien andere stappen olgen. Raadpleeg ook Bijoorbeeld: ODBC-tracering. Voorbeeld: ODBC-tracering Het hierna olgende is het SQL.LOG (tracering) an een ODBC-erbinding met een gegeensbron an de iseries. Dit record is gegenereerd middels de traceerfunctie an Microsoft ODBC Beheren. Het legt een oorbeeld ast an een ODBC-conersatie anuit Microsoft Query. Zie Een SQL.LOG erzamelen (ODBCtracering) oor meer informatie. Opm:. Tekst tussen sterretjes (***) beschrijft wat gebeurt met de ODBC API-aanroepen die er onmiddellijk op olgen. Sommige details an herhaalde aanroepen an dezelfde ODBC API zijn erwijderd om ruimte te sparen. ***SQLAllocEn wordt gebruikt oor erzoeken om een omgeingspoort.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLAllocEn HENV * 0x004b0400 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLAllocEn met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HENV * 0x004b0400 ( 0x008308b0) ***SQLAllocConnect wordt gebruikt oor erzoeken om een erbindingspoort.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLAllocConnect HENV 0x008308b0 HDBC * 0x0003f02c MSQRY32 ba:c0 EIT SQLAllocConnect met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HENV 0x008308b0 HDBC * 0x0003f02c ( 0x00830ac0) ***SQLSetConnectOption wordt gebruikt oor pogingen om een waarde oor een aanmeldings-time-out in te stellen. Het ODBC-stuurprogramma an Client Access Express ondersteunt deze optie niet, maar het zal blijken dat een fout pas hierheen wordt teruggezonden wanneer SQLDrierConnect wordt aangeroepen.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLSetConnectOption HDBC 0x00830ac0 UWORD 103 <SQL_LOGIN_TIMEOUT> UDWORD iseries: Client Access Express Beheer
41 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLSetConnectOption met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 103 <SQL_LOGIN_TIMEOUT> UDWORD 45 ***SQLDrierConnectW wordt gebruikt oor erbinding met het ODBC-stuurprogramma an Client Access Express. De retourcode is SQL_SUCCESS_WITH_INFO, omdat het stuurprogramma erin geslaagd is erbinding te leggen, maar het stuurprogramma ondersteunt niet SQLSetConnectOption oor SQL_LOGIN_TIMEOUT.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLDrierConnectW HDBC 0x00830ac0 HWND 0x WCHAR * 0x [ -3] ******\ 0 SWORD -3 WCHAR * 0x SWORD -3 SWORD * 0x UWORD 1 <SQL_DRIVER_COMPLETE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLDrierConnectW met retourcode 1 (SQL_SUCCESS_WITH_INFO) HDBC 0x00830ac0 HWND 0x WCHAR * 0x [ -3] ******\ 0 SWORD -3 WCHAR * 0x SWORD -3 SWORD * 0x UWORD 1 <SQL_DRIVER_COMPLETE> DIAG [IM006] [Microsoft][ODBC Drier Manager] Drier s SQLSetConnectAttr failed (0) DIAG [IM006] [Microsoft][ODBC Drier Manager] Drier s SQLSetConnectAttr failed (0) ***SQLGetInfo wordt gebruikt oor erzoeken om bepaalde informatie oer stuurprogramma s.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfo HDBC 0x00830ac0 UWORD 2 <SQL_DATA_SOURCE_NAME> PTR 0x0003eb54 SWORD 1024 SWORD * 0x0003f02a MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfoW HDBC 0x00830ac0 UWORD 2 <SQL_DATA_SOURCE_NAME> PTR 0x008224f0 SWORD 2048 SWORD * 0x0003f02a MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfoW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 2 <SQL_DATA_SOURCE_NAME> Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 35
42 PTR 0x008224f0 SWORD 2048 SWORD * 0x0003f02a (0) MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfo met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 2 <SQL_DATA_SOURCE_NAME> PTR 0x0003eb54 SWORD 1024 SWORD * 0x0003f02a (0) ***SQLAllocStmt wordt gebruikt oor erzoeken om een instructiepoort.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLAllocStmt HDBC 0x00830ac0 * 0x0003f024 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLAllocStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 * 0x0003f024 ( ) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfo HDBC 0x00830ac0 UWORD 1 <SQL_ACTIVE_STATEMENTS> PTR 0x0003efe8 SWORD 2 SWORD * 0x MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfo met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 1 <SQL_ACTIVE_STATEMENTS> PTR 0x0003efe8 (0) SWORD 2 SWORD * 0x ***SQLTablesW wordt gebruikt om informatie op te halen uit de lijst an catalogusnamen die is opgeslagen in een bepaalde gegeensbron.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLTablesW WCHAR * 0x008398c0 [ -3] % SWORD -3 WCHAR * 0x008398d0 SWORD 0 WCHAR * 0x008398e0 SWORD 0 WCHAR * 0x008398f0 SWORD 0 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLTablesW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 36 iseries: Client Access Express Beheer
43 WCHAR * 0x008398c0 [ -3] % SWORD -3 WCHAR * 0x008398d0 SWORD 0 WCHAR * 0x008398e0 SWORD 0 WCHAR * 0x008398f0 SWORD 0 ***SQLBindCol wordt gebruikt om geheugen toe te wijzen oor een opgehaalde kolom.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e180 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6e0 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e180 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6e0 ( ) ***SQLFetch wordt gebruikt om een rij op te halen uit de resultaatset an een query.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) ***SQLFreeStmt wordt gebruikt om conersaties te sluiten ia een bepaalde instructiepoort.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 37
44 UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfo HDBC 0x00830ac0 UWORD 32 <SQL_MA_SCHEMA_NAME_LEN> PTR 0x0003e6fc SWORD 2 SWORD * 0x0003e6f2 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfoW HDBC 0x00830ac0 UWORD 32 <SQL_MA_SCHEMA_NAME_LEN> PTR 0x0003e6fc SWORD 2 SWORD * 0x0003e6f2 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfoW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 32 <SQL_MA_SCHEMA_NAME_LEN> PTR 0x0003e6fc (10) SWORD 2 SWORD * 0x0003e6f2 (2) MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfo met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 32 <SQL_MA_SCHEMA_NAME_LEN> PTR 0x0003e6fc (10) SWORD 2 SWORD * 0x0003e6f2 (2) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLTablesW WCHAR * 0x SWORD 0 WCHAR * 0x [ -3] % SWORD -3 WCHAR * 0x SWORD 0 WCHAR * 0x SWORD 0 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLTablesW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) WCHAR * 0x SWORD 0 WCHAR * 0x [ -3] % SWORD -3 WCHAR * 0x iseries: Client Access Express Beheer
45 SWORD 0 WCHAR * 0x SWORD 0 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 2 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e180 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6f4 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e180 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6f4 (0) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLTablesW WCHAR * 0x [ 8] RCHA SWORD 8 WCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 WCHAR * 0x [ 24] TABLE, VIE SWORD 24 Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 39
46 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLTablesW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) WCHAR * 0x [ 8] RCHA SWORD 8 WCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 WCHAR * 0x [ 24] TABLE, VIE SWORD 24 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 3 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e604 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6d4 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 3 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e604 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6d4 (-1) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 4 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e180 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6d0 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 4 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e180 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6d0 ( ) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 2 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e648 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6f4 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> 40 iseries: Client Access Express Beheer
47 PTR 0x0003e648 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6f4 (8) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) ***Een aantal SQLFetches zijn erwijderd om de leesbaarheid te erbeteren*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfo HDBC 0x00830ac0 UWORD 29 <SQL_IDENTIFIER_QUOTE_CHAR> PTR 0x0003e66c SWORD 128 SWORD * 0x0003e6f6 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfoW HDBC 0x00830ac0 UWORD 29 <SQL_IDENTIFIER_QUOTE_CHAR> PTR 0x SWORD 256 SWORD * 0x0003e6f6 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfoW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 29 <SQL_IDENTIFIER_QUOTE_CHAR> PTR 0x [ 2] SWORD 256 SWORD * 0x0003e6f6 (2) MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfo met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 41
48 HDBC 0x00830ac0 UWORD 29 <SQL_IDENTIFIER_QUOTE_CHAR> PTR 0x0003e66c [ 1] SWORD 128 SWORD * 0x0003e6f6 (1) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetTypeInfo SWORD 0 <SQL_ALL_TYPES> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetTypeInfo met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) SWORD 0 <SQL_ALL_TYPES> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 2 <SQL_C_DEFAULT> SWORD 99 PTR 0x0003e72e SDWORD 2 SDWORD * 0x0003e6ec MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 SWORD 99 <SQL_C_DEFAULT> PTR 0x0003e72e SDWORD 2 SDWORD * 0x0003e6ec ( ) ***Een aantal SQLFetches zijn erwijderd om de leesbaarheid te erbeteren*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 2 <SQL_UNBIND> 42 iseries: Client Access Express Beheer
49 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfo HDBC 0x00830ac0 UWORD 1 <SQL_ACTIVE_STATEMENTS> PTR 0x0007c015 SWORD 4 SWORD * 0x MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLGetInfoW HDBC 0x00830ac0 UWORD 1 <SQL_ACTIVE_STATEMENTS> PTR 0x0007c015 SWORD 4 SWORD * 0x0003f730 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfoW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 1 <SQL_ACTIVE_STATEMENTS> PTR 0x0007c015 (0) SWORD 4 SWORD * 0x0003f730 (2) MSQRY32 ba:c0 EIT SQLGetInfo met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 UWORD 1 <SQL_ACTIVE_STATEMENTS> PTR 0x0007c015 (0) SWORD 4 SWORD * 0x MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLAllocStmt HDBC 0x00830ac0 * 0x0003f81c MSQRY32 ba:c0 EIT SQLAllocStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) HDBC 0x00830ac0 * 0x0003f81c ( 0x0082fc08) ***SQLColumns wordt gebruikt oor het terughalen an de lijst kolomnamen an een bepaalde tabel.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLColumns UCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 UCHAR * 0x [ -3] BRENTLIB\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x0003e520 [ -3] MYTABLE\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLColumnsW Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 43
50 WCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 WCHAR * 0x00839cf0 [ -3] BREN SWORD -3 WCHAR * 0x00839e50 [ -3] MYTA SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLColumnsW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) WCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 WCHAR * 0x00839cf0 [ -3] BREN SWORD -3 WCHAR * 0x00839e50 [ -3] MYTA SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLColumns met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 UCHAR * 0x [ -3] BRENTLIB\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x0003e520 [ -3] MYTABLE\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 4 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e564 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e4c0 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 4 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e564 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e4c0 (0) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 5 SWORD -15 <SQL_C_SSHORT> PTR 0x0003e4b6 SDWORD 2 SDWORD * 0x0003e4f4 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 44 iseries: Client Access Express Beheer
51 UWORD 5 SWORD -15 <SQL_C_SSHORT> PTR 0x0003e4b6 SDWORD 2 SDWORD * 0x0003e4f4 ( ) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 <SQL_UNBIND> ***SQLSpecialColumnsW wordt gebruikt om kolommen terug te halen die iedere rij in de tabel apart identificeren.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLSpecialColumnsW UWORD 1 <SQL_BEST_ROWID> WCHAR * 0x [ -3] <empty string> SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] BREN SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] MYTA SWORD -3 UWORD 0 <SQL_SCOPE_CURROW> UWORD 1 <SQL_NULLABLE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLSpecialColumnsW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 1 <SQL_BEST_ROWID> WCHAR * 0x [ -3] <empty string> Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 45
52 SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] BREN SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] MYTA SWORD -3 UWORD 0 <SQL_SCOPE_CURROW> UWORD 1 <SQL_NULLABLE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 2 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e564 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e4c0 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e564 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e4c0 (4) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLColumns UCHAR * 0x0003ea68 [ -3] RCHASPTM\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x0003eaec [ -3] BRENTLIB\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x0003e648 [ -3] MYTABLE\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x SWORD 0 46 iseries: Client Access Express Beheer
53 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLColumnsW WCHAR * 0x [ -3] RCHA SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] BREN SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] MYTA SWORD -3 WCHAR * 0x SWORD 0 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLColumnsW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) WCHAR * 0x [ -3] RCHA SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] BREN SWORD -3 WCHAR * 0x [ -3] MYTA SWORD -3 WCHAR * 0x SWORD 0 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLColumns met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UCHAR * 0x0003ea68 [ -3] RCHASPTM\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x0003eaec [ -3] BRENTLIB\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x0003e648 [ -3] MYTABLE\ 0 SWORD -3 UCHAR * 0x SWORD 0 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 4 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e648 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6cc MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 4 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e648 SDWORD 65 SDWORD * 0x0003e6cc (255708) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 5 SWORD 99 <SQL_C_DEFAULT> PTR 0x0003e6e2 SDWORD 2 Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 47
54 SDWORD * 0x0003e6cc MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 5 SWORD 99 <SQL_C_DEFAULT> PTR 0x0003e6e2 SDWORD 2 SDWORD * 0x0003e6cc (255708) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 3 <SQL_RESET_PARAMS> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 3 <SQL_RESET_PARAMS> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLSpecialColumnsW UWORD 1 <SQL_BEST_ROWID> WCHAR * 0x [ 8] RCHA SWORD 8 WCHAR * 0x [ 8] BREN SWORD 8 WCHAR * 0x [ 7] MYT SWORD 7 UWORD 0 <SQL_SCOPE_CURROW> UWORD 1 <SQL_NULLABLE> 48 iseries: Client Access Express Beheer
55 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLSpecialColumnsW met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 1 <SQL_BEST_ROWID> WCHAR * 0x [ 8] RCHA SWORD 8 WCHAR * 0x [ 8] BREN SWORD 8 WCHAR * 0x [ 7] MYT SWORD 7 UWORD 0 <SQL_SCOPE_CURROW> UWORD 1 <SQL_NULLABLE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol UWORD 2 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e1f0 SDWORD 1024 SDWORD * 0x0003e1e4 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x0003e1f0 SDWORD 1024 SDWORD * 0x0003e1e4 (0) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt UWORD 3 <SQL_RESET_PARAMS> Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 49
56 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) UWORD 3 <SQL_RESET_PARAMS> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt 0x0082fc08 UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt 0x0082fc08 UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt 0x0082fc08 UWORD 3 <SQL_RESET_PARAMS> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 3 <SQL_RESET_PARAMS> ***SQLSetStmtOption wordt gebruikt bij de pogingen om asynchrone ondersteuning in te schakelen. Het ODBC-stuurprogramma an Client Access Express ondersteunt dit echter niet. Daarom wordt SQL_ERROR teruggezonden.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLSetStmtOption 0x0082fc08 UWORD 4 <SQL_ASYNC_ENABLE> UDWORD 1 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLSetStmtOption met retourcode 0 (SQL_ERROR) 0x0082fc08 UWORD 4 <SQL_ASYNC_ENABLE> UDWORD 1 DIAG [S1C00] [IBM][Client Access Express ODBC-stuurprogramma (32-bit)]Stuurprogramma is hiertoe niet in staat. (0) DIAG [S1C00] [IBM][Client Access Express ODBC-stuurprogramma (32-bit)]Stuurprogramma is hiertoe niet in staat. (0) ***SQLPrepare wordt gebruikt om een SQL-instructie gereed te maken oor uitoering.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLPrepare 0x0082fc08 UCHAR * 0x00085bc8 [ 59] SELECT MYTABLE.COL1\ d\ afrom RCHASPTM.BRENTLIB.MYTABLE MYTA 50 iseries: Client Access Express Beheer
57 SDWORD 59 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLPrepare met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UCHAR * 0x00085bc8 [ 59] SELECT MYTABLE.COL1\ d\ afrom RCHASPTM.BRENTLIB.MYTABLE MY SDWORD 59 ***SQLExecute wordt gebruikt oor het uitoeren an de SQL-instructie die daartoe gereed stond.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLExecute 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLExecute met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 ***SQLNumResultCols wordt gebruikt om het aantal kolommen in de set resultaten terug te zenden.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLNumResultCols 0x0082fc08 SWORD * 0x0003ebfa MSQRY32 ba:c0 EIT SQLNumResultCols met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 SWORD * 0x0003ebfa (1) ***SQLDescribeCol wordt gebruikt om informatie oer een kolom in de set resultaten terug te halen.*** MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLDescribeCol 0x0082fc08 UWORD 1 UCHAR * 0x0003ea30 SWORD 256 SWORD * 0x0003ec16 SWORD * 0x0003ec32 UDWORD * 0x0003eb84 SWORD * 0x0003ebf6 SWORD * 0x0003ebf8 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLDescribeCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 1 UCHAR * 0x0003ea30 [ 4] COL1 SWORD 256 SWORD * 0x0003ec16 (4) SWORD * 0x0003ec32 (1) UDWORD * 0x0003eb84 (10) SWORD * 0x0003ebf6 (0) SWORD * 0x0003ebf8 (1) ***SQLColAttributes wordt gebruikt om extra informatie oer een kolom terug te halen in de set resultaten.*** Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 51
58 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLColAttributes 0x0082fc08 UWORD 1 UWORD 6 <SQL_COLUMN_DISPLAY_SIZE> PTR 0x SWORD 0 SWORD * 0x0003ec16 SDWORD * 0x0003ec20 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLColAttributes met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 1 UWORD 6 <SQL_COLUMN_DISPLAY_SIZE> PTR 0x SWORD 0 SWORD * 0x0003ec16 (4) SDWORD * 0x0003ec20 (10) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol 0x0082fc08 UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x000861c8 SDWORD 11 SDWORD * 0x0003ea00 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x000861c8 SDWORD 11 SDWORD * 0x0003ea00 ( ) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol 0x0082fc08 UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x000861d3 SDWORD 11 SDWORD * 0x0003ea00 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x000861d3 SDWORD 11 SDWORD * 0x0003ea00 (10) 52 iseries: Client Access Express Beheer
59 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol 0x0082fc08 UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x000861de SDWORD 11 SDWORD * 0x0003ea00 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x000861de SDWORD 11 SDWORD * 0x0003ea00 (10) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLBindCol 0x0082fc08 UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x000861e9 SDWORD 11 SDWORD * 0x0003ea00 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLBindCol met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 1 SWORD 1 <SQL_C_CHAR> PTR 0x000861e9 SDWORD 11 SDWORD * 0x0003ea00 (10) MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFetch 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFetch met retourcode 100 (SQL_NO_DATA_FOUND) 0x0082fc08 MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt 0x0082fc08 UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 53
60 UWORD 0 <SQL_CLOSE> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt 0x0082fc08 UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 2 <SQL_UNBIND> MSQRY32 ba:c0 ENTER SQLFreeStmt 0x0082fc08 UWORD 3 <SQL_RESET_PARAMS> MSQRY32 ba:c0 EIT SQLFreeStmt met retourcode 0 (SQL_SUCCESS) 0x0082fc08 UWORD 3 <SQL_RESET_PARAMS> Problemen met de iseries-serererbinding oplossen Iedere ODBC-erbinding communiceert met ÚÚn databasesererprogramma dat op de iseries-serer actief is. Dit programma wordt het hostsererprogramma genoemd. De naam an het databasesererprogramma dat met TCP/IP gebruikt wordt is QSYS/QZDASOINIT. Onder normale omstandigheden wordt het programma op transparante wijze opgeroepen en hoeft de gebruiker niets anders te doen dan te controleren of de juiste subsystemen en communicatieprotocollen actief zijn. Raadpleeg Client Access Express Host Serer administration oor details oer het beheer an hostserertaken. De meest algemene indicatie oor een mislukte erbinding is een foutbericht an het ODCBstuurprogramma die melding maakt an een fout in de gegeenskoppeling. Wanneer ODBC de erbinding niet tot stand kan brengen met de iseries-serer, oer dan de olgende taken oor het oplossen an problemen uit: Controleer de sererstatus Ga na of het hostsererprogramma is geunstalleerd Ga na of de juiste subsystemen actief zijn Ga na of de juiste ooraf startende taken actief zijn Aanullende TCP/IP-oerwegingen Aanullende TCP/IP-oerwegingen Controleer of TCP/IP gestart is met de olgende opdracht: NETSTAT *CNN Gebruik de opdracht STRTCP om het gewenste protocol te starten als dat nog niet actief is. Controleer of de ereiste daemons actief zijn door de informatie te bekijken die anuit de opdracht NET- STAT *CNN is teruggezonden: Op afstand Op afstand Lokaal Adres Poort Poort non-actief Status * * as-cent > 000:09:31 Listen * * as-signon 000:09:41 Listen * * as-srmap 002:57:45 Listen * * as-data > 002:57:45 Listen 54 iseries: Client Access Express Beheer
61 Gebruik de opdracht STRHOSTSVR SERVER(*ALL) om ze zo nodig te starten. Controleer of QZDASRVSD, de ODBC socket-daemon, actief is. as-database moet in de werkstand Listen staan WRKJOB QZDASRVSD moet gebruikt worden om het taaklogboek an de daemon te controleren op foutberichten. Controleer of de socket-daemon QZSOMAPD actief is in het subsysteem QSYSWRK. as-srmapmoet in de werkstand Listen staan zoals afgebeeld door NETSTAT *CNN. WRKJOB QZSOMAPD moet gebruikt worden om het taaklogboek an de daemon te controleren op foutberichten. De PC indt de socket die door de databaseserer wordt gebruikt door een erbinding tot stand te brengen met de socket oor toewijzing an serers. Verolgens wordt de socket opgehaald die door as-database wordt gebruikt. Hierna wordt een erbinding gelegd met de juiste socket, die door de daemon an de bestandsserer, QZDASRVSD, wordt bewaakt. De serer-daemon sluit de client-erbinding aan op de ooraf startende taak QZDASOINIT in QSERVER. Nadat de geldigheid an het gebruikersprofiel en het wachtwoord is gecontroleerd en het gebruikersprofiel is oergebracht naar de ooraf startende taak, wordt de taak uitgeoerd op dezelfde wijze als QZDASOINIT-taken an een SNA-erbinding. Als deze erbinding de eerste erbinding an deze PC met het systeem is, worden twee andere serers gebruikt: de centrale serer oor het erlenen an licenties en de aanmeldingsserer oor het uitoeren an een geldigheidscontrole op het gebruikers-id en het wachtwoord. Controleren of subsystemen actief zijn ODBC-taken die erbonden zijn met TCP/IP (QZDASOINIT) zijn actief in het subsysteem QSERVER. Ga na of dit subsysteem actief is. Het subsysteem QSERVER moet soms handmatig worden gestart. Hieroor geeft u eenoudig de olgende opdracht op: STRSBS QSERVER Om het subsysteem automatisch te laten opstarten, wijzigt u de opstartprocedure (de standaardwaarde is QSYS/QSTRUP) om de opdracht STRSBS QSERVER in te kunnen oeren. Naast het subsysteem QSERVER, moet het subsysteem QSYSWRK actief zijn. Controleren of ooraf startende taken actief zijn IBM leert het subsysteem QSERVER in een zodanige configuratie dat ooraf startende taken gebruikt kunnen worden die de prestatie bij het initialiseren/opstarten an taken erbeteren. Wanneer ooraf startende taken zijn ingebouwd in het subsysteem, MOET de taak actief zijn om te kunnen erbinden. De ooraf startende taak die gebruikt wordt oor een TCP/IP-erbinding is: QZDASOINIT - Sererprogramma Om te controleren of een ooraf startende taak actief is: WRKACTJOB SBS(QSERVER) De juiste ooraf startende taken moeten actief zijn: Taak Gebruiker Type -----Status----- QZDASOINIT QUSER PJ ACTIVE (socketerbinding) QZDASRVSD QUSER PJ ACTIVE (socketerbinding) Vooraf startende taken worden niet afgebeeld in WRKACTJOB, tenzij een erbinding al actief is. Met F14 - Inoegen anaf het paneel WRKACTJOB kunt u Controleren of het hostsererprogramma is geunstalleerd De databaseserer is geunstalleerd als onderdeel an het besturingssysteem. Als de PC s nog steeds geen erbinding met de serer tot stand kunnen brengen of als het subsysteem QSERVER niet op het systeem beschikbaar is, moet u controleren of het product xxxxss1, optie Host-serer is geunstalleerd, waarbij xxxx het gelicentieerde programma oor de huidige ersie an OS/400 is. Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 55
62 De sererstatus controleren Client Access Express oor Windows-producten hebben een speciale opdracht om de status an hostserers te controleren: CWBPING systeemnaam waar systeemnaam staat oor de naam an het systeem. De opdracht moet het olgende terugzenden: Om de opdracht CWBPING te annuleren, druk op CTRL-C of CTRL=BREAK I - Verbinding met MYSYSTEM controleren... I - Geslaagde erbinding met serertoepassing: Centrale client I - Geslaagde erbinding met serertoepassing: Netwerkbestand I - Geslaagde erbinding met serertoepassing: Network Print I - Geslaagde erbinding met serertoepassing: Gegeenstoegang I - Geslaagde erbinding met serertoepassing: Gegeenswachtrijen I - Geslaagde erbinding met serertoepassing: Opdracht op afstand I - Geslaagde erbinding met serertoepassing: Beeiliging I - Geslaagde erbinding met serertoepassing: Telnet I - Verbinding met MYAS400 gecontroleerd. Algemene ODBC-fouten SQL-fouten Opgeslagen procedurefouten Onjuiste ODBC-uitoer en onoorspelbare fouten Onjuiste ODBC-uitoer en onoorspelbare fouten Zorg eroor dat de codeersies an het databasesererprogramma en an het ODCB-stuurprogramma an Express oereenstemmen. Controleer de PTF-eisen bij iedere PTF die u bestelt, of in het bestand readme.text an het Serice-pakket. Als er zich problemen blijen oordoen, controleer dan of u de optie oor ooraf ophalen oor de ODBC-gegeensbron hebt ingesteld. De prefetch-functie kan niet gebruikt worden als de toepassing de SQLExtendedFetch of SQLFetchScroll gebruikt an ODBC API, of wanneer u het niet zeker weet. Merk op dat bij resultaatsets oor opgeslagen procedures de cursors alleen oorwaarts en alleen lezen zijn. Binaire of hexadecimale gegeens in plaats an ASCII-tekens De standaardwaarde an de conersieparameter is CCSID niet conerteren. Het CCSID is erbonden aan bestanden, tabellen en zelfs aan elden (kolommen). Dit CCSID bepaalt welke conersietabel wordt gebruikt bij het conerteren an gegeens, bijoorbeeld an EBCDIC naar ASCII. Een CCSID an wordt aak gebruikt oor onbewerkte binaire of hexadecimale gegeens die taalonafhankelijk zijn, zoals grafische oorstellingen. Het niet selecteren an Binaire gegeens conerteren (CCSID 65535) naar tekst, zorgt eroor dat de onbewerkte gegeens niet beschadigd worden. Wanneer u CCSID wel conerteren kiest wordt het CSSID an de gegeens gewijzigd in het CCSID an de taak. Deze parameterinstelling kan leiden tot beschadiging an de gegeens wanneer de gegeens zuier binair zijn. SQL-fouten SQL Naam &1 niet toegestaan. SQL Relationele database &1 niet hetzelfde als de actuele &2 serer 56 iseries: Client Access Express Beheer
63 SQL MYSYSCONF niet geonden SQL ORDER BY kolom niet in de resultaattabel SQL Toepassingsproces niet in een staat waarin een erbinding tot stand is gebracht SQL SQL-systeemfout SQL Kolomaanduiding of tabel &2 niet-gedefinieerd. SQL Objectnaam &1 niet geldig oor naamgeing SQL Token &1 was niet geldig. Geldige tokens: &2 SQL7008 &1 in &2 niet geldig oor bewerking. De retourcode is 3 SQL Naam &1 niet toegestaan.: Mogelijke oorzaak: Waarschijnlijk beindt de systeemnaam zich niet in de directory an de relationele database. Voer de olgende opdracht uit: ADDRDBDIRE RDB(SYSNAME) RMTLOCNAME(*LOCAL) De waarde SYSNAME staat oor de naam an de standaardnaam an de lokale locatie an uw systeem (zoals is opgegeen in de opdracht DSPNETA). Ook kan de fout door een punt (.) in een tabel- of bibliotheeknaam zijn eroorzaakt. Hoewel de punt geldig is in de afspraken betreffende OS/400-bestandsnamen, moet de naam toch tussen dubbele aanhalingstekens staan om in een SQL-instructie gebruikt te kunnen worden. Een tijdelijke oplossing is het bouwen an een logisch bestand op basis an het gewenste fysieke bestand, waarbij de naamgeing an de SQLsyntaxis wordt gebruikt. Een andere mogelijke oplossing is een SQL-alias te maken boen het gewenste bestand en dan het bestand indirect te openen ia de alias. SQL Relationele database &1 niet hetzelfde als de actuele &2 serer: Mogelijke oorzaak: Waarschijnlijk komt de systeemnaam niet oor in de databasedirectory op afstand. Voer de olgende opdracht uit: ADDRDBDIRE RDB(SYSNAME) RMTLOCNAME(*LOCAL) Waarbij SYSNAME de naam an de standaard lokale locatie an uw systeem is (zoals opgegeen bij de opdracht DSPNETA). Ook kan de fout door een punt (.) in een tabel- of bibliotheeknaam zijn eroorzaakt. Volgens de regels oor naamgeing is een punt in een naam toegestaan. In SQL-instructies mag dit echter alleen als u de hele naam tussen dubbele aanhalingstekens zet. Een tijdelijke oplossing is het bouwen an een logisch bestand op basis an het gewenste fysieke bestand, waarbij de naamgeing an de SQL-syntaxis wordt gebruikt. SQL MYSYSCONF niet geonden: Mogelijke oorzaak: Doorgaans wordt dit bericht alleen afgebeeld in de taaklogboeken oor taken die gebruik maken an de Microsoft Jet Engine (MS ACCESS of MS Visual Basic-toepassingen). De MS Jet Engine controleert altijd of er een optionele tabel met de naam MSYSCONF op de serer oorkomt. De toepassingen negeren deze waarschuwing. Raadpleeg de documentatie MS Jet Database Engine Connectiity of neem contact op met Microsoft oor meer SQL Kolom ORDER BY niet in resultaattabel: Mogelijke oorzaak: Het ODBC-stuurprogramma an Client Access meldt Y aan de eigenschap SQL_ORDER_BY_COLUMNS_IN_SELECT (ODBC 2.0). De tekenreeks Y impliceert dat de kolommen in de clausule ORDER BY in de SELECT-lijst aanwezig moeten zijn. Bepaalde toepassingen die oerzichten Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 57
64 erlenen ia uw bureaublad, negeren deze waarde of controleren hem niet en proberen een ORDER BY-eld te gebruiken dat zich niet in de SELECT-lijst beindt. SQL Toepassingsproces heeft geen erbinding: Waarschijnlijk komt de systeemnaam niet oor in de databasedirectory op afstand. Voer de olgende opdracht uit: ADDRDBDIRE RDB(SYSNAME) RMTLOCNAME(*LOCAL) Mogelijke oorzaak: Waarbij SYSNAME de naam an de standaard lokale locatie an uw systeem is (zoals opgegeen bij de opdracht DSPNETA). Ook kan de fout door een punt (.) in een tabel- of bibliotheeknaam zijn eroorzaakt. Volgens de regels oor naamgeing is een punt in een naam toegestaan. In SQL-instructies mag dit echter alleen als u de hele naam tussen dubbele aanhalingstekens zet.een tijdelijke oplossing is het bouwen an een logisch bestand op basis an het gewenste fysieke bestand, waarbij de naamgeing an de SQL-syntaxis wordt gebruikt. De configuratie an ODBC maakt gebruik an erkeerde regels oor naamgeing. Gebruik het programma ODBC Beheren om er oor te zorgen dat de juiste regels oor naamgeing worden gebruikt (*SQL of *SYS). Gebruik altijd de *SQL-naamgeing tenzij er in het toepassingsontwerp specifiek is gerekend op *SYS. SQL SQL-systeemfout: Mogelijke oorzaak: Een andere, eerder gemelde fout heeft de erwerking an een SQL-instructie niet toegestaan. Het orige foutbericht is alleen in het taaklogboek an OS/400 astgelegd en is niet teruggestuurd naar de ODBCtoepassing. U moet het taaklogbeok opzoeken om het probleem te identificeren en op te lossen. Als u wilt zoeken naar het taaklogboek, opent u een PC5250-emulatiesessie en geeft u de opdracht WRKSPLF op, waarbij de gebruiker het iseries-gebruikersprofiel is dat wordt gebruikt bij de ODBCerbinding. SQL Kolomaanduiding of tabel &2 niet-gedefinieerd.: Mogelijke oorzaak: De configuratie an ODBC maakt gebruik an erkeerde regels oor naamgeing. Gebruik het programma ODBC Beheren om er oor te zorgen dat de juiste regels oor naamgeing worden gebruikt (*SQL of *SYS). Gebruik altijd de *SQL-naamgeing tenzij er in het toepassingsontwerp specifiek is gerekend op *SYS. SQL Objectnaam &1 ongeldig bij actuele optie oor naamgeing: Mogelijke oorzaak: De configuratie an ODBC maakt gebruik an erkeerde regels oor naamgeing. Gebruik de ODBC Administrator om uw DSN te wijzigen, zodat de juiste naamgeing (*SQL of *SYS) wordt gebruikt. Gebruik altijd de *SQL-naamgeing tenzij er in het toepassingsontwerp specifiek is gerekend op *SYS. SQL Token &1 is ongeldig. Geldige tokens: &2: Mogelijke oorzaak: De toepassing heeft een SQL-instructie met een onjuiste syntaxis gegenereerd. U kunt het ODBCtraceringshulpmiddel gebruiken dat is geleerd met ODBC Beheren of de optie Actuele SQL an Operations Naigator om de SQL-instructie te bekijken die is gemaakt door de toepassing. Raadpleeg SQL Relationele database &1 is niet de actuele serer &2 SQL Relationele database &1 niet hetzelfde als de actuele &2 serer op pagina 57 als * de token is. 58 iseries: Client Access Express Beheer
65 De SQL-instructie heeft het limiet an 32K oerschreden. Als deze fout is eroorzaakt door een erg grote literaal, zoals een groot CHAR- of VARCHAR-eld, in de -instructie, oerweeg dan in plaats hieran een merkteken oor parameters te gebruiken. Dit maakt de instructie kleiner terwijl u de maximale eldgrootte kunt gebruiken. De toepassing gebruikt een onjuiste syntaxis oor het linkse gedeelte an een instructie OUTER JOIN. Sommige toepassingen gebruiken als standaardwaarde een eigen syntaxis oor de linkse waarde an een instructie OUTER JOIN bij de component WHERE: *= (bijoorbeeld PowerBuilder 3.0 &4.0 en Crystal Reports). Neem contact op met de leerancier an de toepassing. De meeste leeren een INIinstelling of -configuratiewaarde, zodat de ODBC-syntaxis oor de linkse waarde an een instructie OUTER JOIN kan worden gebruikt. De configuratie an ODBC maakt gebruik an het erkeerde decimaalteken. Een aantal gebruikers heeft bij de decimaalparameter een komma in plaats an een punt opgegeen. SQL7008 &1 in &2 ongeldig oor bewerking. De retourcode is 3: Mogelijke oorzaak: De database oert commitment control uit bij het bijhouden an een journaal. Bij alle ODBC-toepassingen die gebruik maken an deze besturing oor het astleggen an wijzigingen, is het ereist dat alle gebruikte bestanden in een journaal worden Opgeslagen procedurefouten De olgende berichten zijn typische, opgeslagen procedurefouten: SQL Extern programma &A in &B is niet geonden (DB2 UDB oor iseries-sql) Geen gegeens teruggezonden bij de parameters OUTPUT en INPUT_OUTPUT MSGSQL0501 Cursor CRSR000x is niet open SQL Extern programma &A in &B is niet geonden (DB2 UDB oor iseries-sql): Deze fout treedt op bij een EECUTE- of EECUTE DIRECT-instructie wanneer de databaseserer het programma niet kan inden. Het externe programma moet te inden zijn in de locatie die opgegeen is in de catalogustabel an het systeem. Merk op dat deze locatie gedefinieerd wordt door de regels oor naamgeing en actiee standaarddatabase wanneer de procedure wordt gedefinieerd (middels CREATE PROCE- DURE) en niet wanneer de procedure wordt opgeroepen. Om de locatie te controleren die is opgegeen oor de naam an het externe programma an een opgeslagen procedure, oert u een query uit oer QSYS2.SYSPROCS en noteert u de waarde oor het naameld ETERNAL_NAME. SQL Cursor CRSR000x is niet open: Bij het gebruik an ingesloten SQL-instructies in ILEprogramma s moet u de compilatie-optie ACTGRP(*CALLER) opgeen in plaats an de standaardwaarde an *NEW. Controleer of het programma daadwerkelijk teruggaat en niet afsluit. Als het programma oor opgeslagen procedures afsluit in plaats an terug te keren, moet u de optie Close SQL Cursor instellen als *ENDACTGRP. Als u de optie Close SQL CUrsor instelt als *ENDMOD, wordt de cursor gesloten oordat er gegeens zijn opgehaald. Controleer ook of het juiste aantal resultatensets is opgegeen in CREATE PROCEDURE. Dit is ooral an belang wanneer u resultatensets in matrixorm gebruikt. Geen gegeens teruggezonden bij de parameters OUTPUT en INPUT_OUTPUT: Dit probleem kan een an de olgende oorzaken hebben: De API an de ODBC-SQLBindParameter heeft fparamtype onjuist opgegeen als SQL_PARAM_INPUT. DECLARE PROCEDURE is gebruikt in plaats an CREATE PROCEDURE, zonder dat de uitgebreide dynamische ondersteuning was ingeschakeld. Bij CREATE PROCEDURE en DECLARE PROCEDURE heeft de programmeur een parameter onjuist IN genoemd. Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 59
66 Het programma oor opgeslagen procedures heeft een onjuiste parameterwaarde teruggezonden. Client Access ODBC-foutberichten Bij een fout zendt het Client Access ODBC-stuurprogramma SQLSTATE (een ODBC-foutcode) terug samen met een foutbericht. Het stuurprogramma krijgt deze informatie bij zowel fouten die geonden worden door de drier als bij fouten die worden teruggezonden door DBMS. Voor fouten die zich oordoen in de gegeensbron wijst het Client Access ODBC-stuurprogramma de teruggezonden oorspronkelijke fout toe aan de juiste SQLSTATE. Wanneer zowel het Client Access ODBC-stuurprogramma als Microsoft Drier Manager een fout constateren genereren zij de juiste SQLSTATE. Het Client Access Express ODBC-stuurprogramma zendt een foutbericht terug dat gebaseerd is op het bericht dat is teruggezonden door DBMS. Voor fouten die zich oordoen in het Client Access Express ODBC-stuurprogramma of in Microsoft Drier Manager, zendt het Client Access ODBC-stuurprogramma een foutbericht terug dat gebaseerd is op de tekst die hoort bij SQLSTATE. Indeling foutbericht: Foutberichten kennen de olgende notatie: [leerancier][odbc-component][gegeensbron] foutbericht De ooroegsels tussen ierkante haakjes ([]) geen de bron an de fout aan. De olgende tabel geeft de waarden weer an deze ooroegsels die worden teruggezonden door het Client Access ODBCstuurprogramma. Wanneer de fout zich oordoet in de gegeensbron geen de ooroegsels [leerancier] en [ODBCcomponent] de leerancier en de naam an de ODBC-component aan die de fout hebben ontangen an de gegeensbron. Foutbron Drier Manager Client Access Express ODBC Drier (32-bit) NLS-berichten Communicatie iseries DBMS Parameter [Microsoft] [ODBC Drier Manager] [n..t.] [IBM] [Client Access Express ODBC Drier (32-bit)] N..t. [IBM] [Client Access Express ODBC Drier (32-bit)] Kolomnummer: NLS-foutberichtnummer NLS-foutberichttekst [IBM] [Client Access Express ODBC Drier (32-bit)] Communicatieerbindingsfout. Comm RC=xxxx - (tekst bericht) waarin xxxx staat oor het foutnummer in decimaal, niet hexadecimaal, formaat. Berichttekst die de aard an uw fout beschrijft erschijnt met het foutnummer. [IBM] [Client Access Express ODBC Drier (32-bit)] [DB2 UDB for iseries] Hostbericht Tekst an OS/400 DBMS-foutbericht bekijken:: Voor fouten die beginnen met: Gebruik deze OS/400-opdracht 60 iseries: Client Access Express Beheer
67 SQL IWS of PWS DSPMSGD RANGE(SQLxxxx) MSGF(QSQLMSG) DSPMSGD RANGE(ZZZxxxx) MSGF(QIWS/QIWSMSG) waarin ZZZ staat oor IWS of PWS NLS-foutberichten of foutberichten met betrekking tot communicatie kunt u zoeken en bekijken in de online gebruikershandleiding an Express onder het Help-onderwerp Help bij foutberichten en traceerberichten. Raadpleeg Algemene ODBC-fouten oor hulp bij andere ODBC-foutberichten. Gegeens erzamelen oor IBM Support: Als u een probleem wilt oorleggen aan IBM Support, dient u bepaalde gegeens bij de hand te hebben, zodat het personeel an IBM Support u optimale serice kan erlenen. U kunt deze gegeens als olgt erzamelen: Noteer het ersienummer an de OS/400 en het cumulatiee PTF-nieau. Noteer het ersienummer an het ODBCstuurprogramma. Noteer het ersienummer an ODBC Drier Manager. 1. Typ op de opdrachtregel an een werkstationemulatie de opdracht oor het afbeelden an de PTF: DSPPTF 2. Noteer de release-gegeens an OS/400 in de orm information VxRxMx. 3. Controleer of de IPL source gelijk is aan ##MACH#B. 4. Druk op F5 om de details an de PTF af te beelden. 5. Noteer het eerste PTF-ID in de lijst. Dit ID heeft de notatie Tzxxyyy, waarbij xx het jaar is, yyy de Juliaanse datumnotatie en z L of C. 1. In de taakbalk kiest u Start -> Instellingen -> Configuratiescherm. 2. Dubbelklik op het pictogram Eigenschappen Client Access. 3. Het tabblad Algemeen an het dialoogenster Eigenschappen Client Access wordt standaard afgebeeld. Noteer het ersienummer an Client Access en de sericepakketnieaus. 1. In de Taakbalk kiest u achtereenolgens Start -> Zoeken -> Bestanden of Mappen. 2. Voer ODBC32.DLL in als de bestandsnaam en kies Zoeken. 3. Noteer de grootte en datum an het bestand. 4. Klik met de rechtermuisknop op de bestandsnaam en kies Eigenschappen. 5. Kies het tabblad Versie en noteer de bestandsersie. Hoofdstuk 7. ODBC-beheer 61
68 Verzamel een ODBC-tracering (SQL.log) 1. Start ODBC-gegeensbronbeheer. Aanullende informatie noteren 2. Selecteer de tab Tracing. 3. Selecteer de knop Tracing nu starten. 4. Selecteer Toepassen of OK. 5. Maak de fout opnieuw 6. Keer terug naar ODBC Beheer. 7. Selecteer het tabblad Tracing. 8. Selecteer de knop Tracing nu stoppen. 9. De tracering kan bekeken worden in de locatie die u aanankelijk hebt opgegeen in het deelenster Pad logboekbestand. Zoals de PC-toepassing en de beschrijing an de fout. Opm:. Raadpleeg het onderwerp Tools for Troubleshooting ODBC Problems in de gebruikershandleiding an Express. 62 iseries: Client Access Express Beheer
69 Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer Dit onderwerp biedt korte beschrijingen an sererfuncties die actief zijn op een iseries-serer en technische gegeens die specifiek zijn oor hostserers die worden gebruikt door Client Access Express. Niet alle serers die worden gebruikt door Client Access Express worden hier beschreen en dit onderwerp beschrijft niet alle serers op het (iseries-) hostsysteem. OS/400-hostserers Hostserers erwerken opdrachten an client-pc s of apparaten zoals het uitoeren an een toepassing, het zoeken in een database, het afdrukken an een document of zelfs het uitoeren an een backup- of herstelprocedure. iseries-computers zijn olledige ersies an serers die in staat zijn ele taken tegelijkertijd uit te oeren zoals bestandstaken, databasetaken, toepassingen, multimedia-taken, post-, fax- en afdruktaken, en taken oor draadloze communicatie. Wanneer deze taken worden uitgeoerd door erschillende serers, wordt sererbeheer en co rdinatie ingewikkeld. Wanneer u al uw serers op een geuntegreerd systeem geunstalleerd hebt, worden de kosten en de complexiteit an het beheer an uw netwerk erminderd. Deze serers worden gebruikt door Client Access Express, maar ze zijn zo ontworpen dat ze ook door andere clientproducten kunnen worden gebruikt. Dit onderwerp concentreert zich op het gebruik an deze serers door Client Access Express. OS/400 hostserer-optie toeoegen of erwijderen De OS/400-serers die hier worden besproken zijn allen geoptimaliseerde serers en zijn opgenomen in de basisoptie an OS/400. Installeer de hostserer-optie om Client Access Express te gebruiken. Als u geen Client Access-producten gebruikt en de OS/400-hostserer wilt erwijderen, moet u alle subsystemen uitschakelen die door deze serers worden gebruikt oordat u de optie erwijdert. BeÙindig het subsysteem QBASE of QCMN (oor hostserers met APPC-ondersteuning), de subsystemen QSYSWRK en QUSRWRK (oor hostserers met socketondersteuning) en het subsysteem QSERVER (oor de databaseserer en bestandsserer). Er kunnen problemen optreden wanneer u probeert de optie te wissen wanneer een an deze subsystemen actief zijn. OS/400-hostserers Hier worden eel an de hostserers beschreen die aak oorkomen in de Express-client en de objecten die erbij horen. U kunt de serer afbeelden per type of per functie in Client Access Express. Hostserers gebruiken Hier wordt het communicatieproces tussen de client en de serer beschreen eenals hoe u het beste dit proces kunt beheren. Teens beeldt dit onderwerp releante iseries-systeemwaarden en subsystemen af en beschrijft hoe u serertaken kunt identificeren, afbeelden en beheren op de iseriesserer. Exitprogramma s gebruiken Hier wordt weergegeen hoe u exitprogramma s kunt schrijen en registreren. U kunt in dit deel ook oorbeelden an exitprogramma-parameters en programmaoorbeelden inden. OS/400-hostserers Deze informatie heeft uitsluitend betrekking op de serers die worden gebruikt door Client Access Express. Dit zijn niet alle serers op het (iseries-)systeem an de host. Client Access hostserers kunnen zijn: Hostserers per Client Access Express-functie Hostserers gegroepeerd op functie in Client Access Express. Copyright IBM Corp. 1998,
70 Bestandsserer Met de op de iseries-serer geplaatste bestandsserer kan informatie, zoals bestanden en programma s, worden opgeslagen en geopend. Databaseserer Voor Gegeensoerdracht, ODBC, Operations Naigator, SQL API s (DB API s) en de Client Access Express OLE DB Proider. Gegeenswachtrijserer Geeft toegang tot gegeenswachtrijen op de iseries-serer. Netwerkafdrukserer Geeft afdrukondersteuning op afstand en extra afdrukbeheersfuncties. Centrale serer De centrale serer erleent serices zoals licentiebeheer en andere clientbeheerfuncties. Serer oor opdracht op afstand en programma-aanroep Deze serer stelt PC-toepassingen in staat opdrachten en programma-oproepen te erzenden in OS/400 en de resultaten terug te zenden naar de client. Aanmeldingsserer Deze serer biedt wachtwoordbeheersfuncties oor hostserers met ondersteuning oor sockets. Serertoewijzer De serertoewijzer erstrekt het poortnummer an de actuele serer aan een client die erbinding zoekt. Hostserers per Client Access Express-functie In de olgende tabel indt u een subset an de serers die worden gebruikt met bepaalde functies in Client Access Express. Client-functie Gebruikte OS/400-serer Database Access-API s Databaseserer SQL ODBC API s Gegeensoerdracht Databaseserer ODBC-stuurprogramma Databaseserer Open het IFS (Integrated File System) anaf Operations Bestandsserer Naigator Gegeenswachtrij-API s Gegeenswachtrijserer OLE DB Proider Gegeenswachtrijserer Databaseserer Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen Aanmeldingsserer Licentiebeheer Centrale serer Deze optie wordt uitgeoerd wanneer een toepassing, die een licentie nodig heeft, wordt gestart (Gegeensoerdracht en 5250 Emulatie) Conersie-indeling ophalen Centrale serer Deze optie wordt alleen uitgeoerd op een geunitialiseerde erbinding als de client geen ereiste conersie-indelingen beat 64 iseries: Client Access Express Beheer
71 Client-functie Functies oor opdrachten op afstand Gedistribueerde programma-aanroep Hier erzendt u het wachtwoord oor geldigheidscontrole en wijzigt u het erlopen wachtwoord (TCP/IP) Gebruikte OS/400-serer Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen De aanmeldingsserer Raadpleeg oor meer informatie Client Access Express Serers and Ports Required APAR II Bestandsserer Met de op de iseries-serer geplaatste bestandsserer kan informatie, zoals bestanden en programma s, worden opgeslagen en geopend. Deze serer erangt de serer met de gemeenschappelijke type 2-map die gebruikt werd oor V3R1. De OS/400-bestandsserer biedt een interface met het geuntegreerde bestandssysteem op de iseries-serer. De diensten die deze serer biedt aan bestanden zijn gelijk aan die an een gemeenschappelijke map, maar clients kunnen ook informatie openen in elk an de nieuwe bestandssystemen. Clients gebruiken lieer hun eigen interface om interactief te werken met de bestandssystemen, dan de interfaces en API s an het geuntegreerde bestandssysteem. Het geuntegreerde bestandssysteem is een onderdeel an het OS/400-programma. Het ondersteunt stroom-inoer/uitoer en opslagbeheer op dezelfde manier als dit gedaan wordt door de besturingssystemen an een personal computer of UNI. Tegelijkertijd integreert het alle informatie die is opgeslagen op de iseries-serer. Het geuntegreerde bestandssysteem kent de olgende sleutelfuncties: Het systeem biedt ondersteuning bij het opslaan an informatie in stroombestanden. Dit zijn bestanden die lange, onafgebroken reeksen an gegeens beatten. Deze gegeensreeksen kunnen bijoorbeeld de tekst an een document of het beeldmateriaal an een afbeelding zijn. Documenten die opgeslagen zijn in iseries-mappen ormen stroombestanden. Andere oorbeelden an stroombestanden zijn PC-bestanden en de bestanden in UNI-systemen. De ondersteuning an stroombestanden is erop gericht het efficiùnte gebruik eran in client/serer-toepassingen te erhogen. Een hiùrarchische directorystructuur waarmee objecten georganiseerd kunnen worden als takken aan een boom. Om toegang te krijgen tot een object, dient het pad opgegeen te worden anaf de directory s tot aan het object. Een gemeenschappelijke interface waarmee gebruikers en toepassingen zich toegang kunnen erschaffen tot stroombestanden, bestanden an een database, documenten en andere objecten die opgeslagen zijn op de iseries-serer. iseries-serers kunnen dierse bestandssystemen ondersteunen met gelijke interfaces. Een bestandssysteem geeft gebruikers en toepassingen toegang tot specifieke opslagsegmenten die georganiseerd zijn als logische eenheden. Deze logische eenheden zijn bestanden, directory s, bibliotheken en objecten. De bestandssystemen in de iseries zijn: hoofddirectory Het / -bestandssysteem. Het ontwerp an dit bestandssysteem profiteert ten olle an de ondersteuning an stroombestanden en an de hiùrarchische directorystructuur an het geuntegreerde bestandssysteem. Het heeft de kenmerken an de DOS en OS/2-bestandssystemen. QFileSr.400 Het bestandssysteem an de OS/400-bestandsserer. Dit bestandssysteem geeft op transparante wijze toegang tot het IFS-systeem (Integrated File System) an systemen op afstand. Opm:. Met het QFileSr.400-bestandssysteem dient slechts ÚÚn taak meerdere gebruikers. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 65
72 QOpenSys Het bestandssysteem an open systemen. Het ontwerp an dit bestandssysteem is compatibel met op UNI gebaseerde systeemstandaarden, zoals POSI en PG. QOPT Het bestandssysteem met optische ondersteuning. Dit systeem biedt toegang tot CD-ROM s en bibliotheken an optische opslagmedia die direct erbonden zijn met de iseries-serer. QSYS.LIB Het bestandssysteem an bibliotheeksystemen. Dit bestandssysteem ondersteunt het bibliotheeksysteem an de iseries. Het biedt toegang tot databasebestanden en alle andere iseriesobjecttypen die beheerd worden door de bibliotheekondersteuning. QDLS Het bestandssysteem an de serices an de documentenbibliotheek. Dit bestandssysteem ondersteunt de mappenstructuur. Het biedt toegang tot documenten en mappen. QLANSr Het bestandssysteem an de LAN Serer/400. Dit bestandssysteem biedt toegang tot dezelfde directory s en bestanden die worden geopend anuit het gelicentieerde programma an de LAN Serer/400. Voor meer informatie oer het geuntegreerde systeem, zie Database and File Systems. De OS/400-bestandsserer biedt clients toegang ofwel tot alle bestandssystemen an de iseries of alleen tot de QDLS, afhankelijk an de ondersteuning die geboden wordt door het clientproduct. De in de olgende tabel ermelde programma s zijn opgenomen in deze serer. Objecten an de bestandsserer Programmanaam Bibliotheek Objecttype Beschrijing QPWFSERVSO QSYS *PGM Sererprogramma PWFSERVS2 SYS PGM Sererprogramma QPWFSERVSD QSYS *PGM Daemonprogramma QPWFSERV QSYS *JOBD Taakbeschrijingen oor serertaken QPWFSERVER QSYS *CLS Klasse die wordt gebruikt oor alle taken an bestandsserers en databaseserers. QPWFSERVSS QSYS *PGM SSL-sererprogramma Databaseserer Met de databaseserer kunnen clients de functies an DB2/400 openen. Deze serer erleent de olgende opties: Ondersteuning oor toegang op afstand tot SQL Toegang tot gegeens met behulp an ODBC-interfaces Databasefuncties (zoals het maken en erwijderen an bestanden en het toeoegen en erwijderen an bestandssecties) Ophaalbewerkingen oor het erkrijgen an gegeens oer databasebestanden op het systeem (zoals catalogusfuncties an SQL) Teens kunt u DRDA (Distributed Relational Database Architecture) gebruiken met de databaseserer. Dit onderwerp erleent informatie oer het gebruik an de olgende items met DRDA: SQL-pakketten Regels oor naamgeing an DRDA Regels en beperkingen an DRDA Raadpleeg oor meer informatie oer DRDA Distributed Database Programming 66 iseries: Client Access Express Beheer
73 De programma s die zijn afgebeeld in de olgende tabel zijn opgenomen in deze serer. Databasesererprogramma s Programmanaam Bibliotheek Beschrijing QZDASOINIT QSYS Sererprogramma QZDASON2 QSYS Installatieprogramma an Sockets QZDASRVSD QSYS Daemonprogramma QZDASSINIT QSYS SSL-sererprogramma Opm:. De *PGM-objecten QZDANDB, QZDAROI, QZDASQL en QZDACMDP worden door de databaseserer gebruikt. SQL-pakketten SQL-pakketten binden SQL-instructies in een toepassingsprogramma aan een relationele database. Ze worden gebruikt om de prestatie an toepassingen, die ondersteuning gebruiken an dynamische SQLinstructies, te erbeteren, door de toepassing toe te staan gegeens oer de SQL-opdrachten te hergebruiken. De databaseserer is een toepassingsprogramma dat opdrachten oor dynamische SQLinstructies gebruikt. De serer ondersteunt het gebruik an pakketten oor eelgebruikte SQL-instructies zodat bepaalde bind-gegeens kunnen worden hergebruikt. Raadpleeg oor meer informatie: SQL-pakketnamen SQL-pakketten erwijderen SQL-pakketnamen: De database kan worden gebruikt als een gateway naar andere relationele databases die DRDA gebruiken. De databaseserer maakt automatisch een of meer SQL-pakketten aan op de relationele doeldatabase. De pakketnamen worden geormd oereenkomstig de kenmerken die op dat moment door de serer worden gebruikt. Pakketnamen als de relationele database geen iseries-serer is.: Het pakket wordt aangemaakt in een database met de naam QSQL400 op de serer an de toepassing wanneer de relationele database (RDB) geen iseries-serer is. Indien de RDB een iseries-serer is, wordt het pakket aangemaakt in de QGPL-bibliotheek. Wanneer de serer an de toepassing geen iseries-serer is, wordt de naam an het pakket QZDabcde, waarbij abcde oereenkomt met de gebruikte specifieke opties an de ontleedroutine. De olgende tabel geeft de opties weer oor de pakketnaam. Veldopties oor de pakketnaam Veld Veldbeschrijing Opties a Datumnotatie ISO, JIS USA EUR JUL b Tijdnotatie JIS USA EUR, ISO Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 67
74 Veld Veldbeschrijing Opties c Commitment control/ decimaal scheidingsteken *CS/punt *CS/komma *CHG/punt *CHG/komma *RR/punt *RR/komma d Reeksbegrenzing apostrof aanhalingsteken e Maximumaantal instructies oor een pakket : Pakketnamen als de relationele database een iseries-serer is: Wanneer de serer an de toepassing geen iseries-serer is, wordt de naam an het pakket QZDAabcdef, waarbij abcdef oereenkomt met de gebruikte specifieke opties an de ontleedroutine. Veldopties oor de pakketnaam Veld Veldbeschrijing Opties a Datumnotatie ISO, JIS USA EUR JUL MDJ DMJ JMD b Tijdnotatie en naamgeing ISO, JIS en SQL-naamgeing USA en SQL-naamgeing EUR en SQL-naamgeing HMS en SQL-naamgeing ISO, JIS en systeemnaamgeing USA en systeemnaamgeing EUR en systeemnaamgeing HMS en systeemnaamgeing 68 iseries: Client Access Express Beheer
75 Veld Veldbeschrijing Opties c Nieau an astleggen an wijzigingen en decimaalteken *CS/punt *CS/komma *ALL/punt *ALL/komma *CHG/punt *CHG/komma *NONE/punt *NONE/komma d Reeksbegrenzing apostrof aanhalingsteken e Aantal secties in pakket f Scheidingsteken tussen datum en tijd Teken met bits an de hoogste order: 1100 b - Een an de ISO-notaties oor da 1101 b - Komma als datumscheidingsteken 1110 b - Punt als datumscheidingsteken 1111 b - Dubbele punt als datumscheidingsteken Het teken met bits an de laagste order: 0001 b - Een ISO-tijdnotatie 0010 b - Komma als tijdscheidingsteken 0011 b - Punt als tijdscheidingsteken 0100 b - Schuine streep als tijdscheidingsteken 0101 b - Streepje als tijdscheidingsteken 0110 b - Spatie als tijdscheidingsteken SQL-pakketten opschonen: De oor DRDA-functies benodigde functies worden automatisch op uw systeem aangemaakt. U doet er goed aan deze pakketten regelmatig op te schonen. Deze pakketten wist u met de opdracht DLTSQLPKG (Delete SQL Package). Wis de pakketten alleen als ze niet aak worden gebruikt. Indien nodig wordt het pakket weer aangemaakt, maar de prestatie eran is duidelijk minder wanneer een pakket oor de tweede keer is aangemaakt. Regels oor naamgeing an instructies De olgende tabel erstrekt een oerzicht an de regels oor naamgeing die zijn afgedwongen door de databaseserer. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 69
76 Regels oor naamgeing an instructies Instructie Lokaal DRDA Dynamische SQL-instructies De naam an de instructie moet oldoen aan de regels oor naamgeing an de iseriesserer, alhoewel de indeling STMTxxxx (instructiexxxx) wordt oorgesteld. De naam an de cursor moet oldoen aan de regels oor naamgeing an de iseries De naam an de instructie moet de indeling STMTxxxx hebben De naam an de cursor moet de olgende indeling hebben: CRSRyyyy oor een cursor zonder bladermogelijkheid of SCRSRyyyy oor een cursor met bladermogelijkheid waarbij yyyy hetzelfde is als xxxx. Een uitgebreid pakket an dynamische SQL-instructies gebruiken De naam an de instructie moet oldoen aan de regels oor naamgeing an de iseriesserer, alhoewel de indeling STMTxxxx wordt oorgesteld. De naam an de cursor moet oldoen aan de regels oor naamgeing an de iseries-serer De naam an de instructie moet de indeling Sxxxx hebben De naam an de cursor moet de indeling Cyy hebben oor cursors zonder bladerfunctie waarbij yy hetzelfde is als xxxx en yy een waarde tussen 1 en 15 heeft. Opmerkingen: De regels oor naamgeing an instructienamen wordt niet op het lokale systeem afgedwongen. Een clienttoepassing kan daarom gedefinieerde instructies gemeenschappelijk delen met een iseriestoepassing met gebruik an de systeem-api QSQPRCED. 3. De serer oegt een spatie toe aan het begin an elke instructienaam in de indeling STMTxxxx. Een hosttoepassing moet erolgens een oorafgaande spatie toeoegen om instructies gemeenschappelijk te delen met clienttoepassingen die de indeling STMTxxxx gebruiken. De serer oegt geen oorafgaande spatie toe als de instructienaam niet de indeling STMTxxxx heeft. Regels en beperkingen an het gebruik an DRDA Wanneer de databaseserer wordt gebruikt als een gateway naar andere relationele databases (RDB s) met behulp an DRDA moet rekening worden gehouden met bepaalde beperkingen an functies. De olgende tabel geeft de functies weer die beperkingen hebben wanneer u bent erbonden met een systeem op afstand anaf de databaseserer. Functionele beperkingen an DRDA Functie Pakket maken Beperking Onondersteunde functies Pakket erwijderen Pakket wissen Gereedmaken Uitgebreide ondersteuning an dynamische pakketten Verbeterde optie oor definitie is niet beschikbaar bij het gebruik an DRDA. Alleen beschikbaar indien erbonden met een iseries-serer die actief is met OS/400 2r3 of hoger De instructies in een pakket kunnen alleen worden geopend met gebruik an de regels oor naamgeing STMTxxxx waarbij xxxx het sectienummer is Merkteken oor parameter beschrijen Vastleggen an wijzigingen asthouden Alleen beschikbaar indien erbonden met een iseries-serer Alleen geldig indien erbonden met een iseries-serer 70 iseries: Client Access Express Beheer
77 Functie Nieau an astleggen an wijzigingen *NONE Nieau an astleggen an wijzigingen *CHANGE Beperking Onondersteund Alleen ondersteund als de doel-rdb een iseries-serer is. Alle RDB s hebben een nieau an astleggen an wijzigingen an *CS of *ALL nodig. Gegeenswachtrijserer Een gegeenswachtrij is een object dat door iseries-toepassingen wordt gebruikt oor communicatie. Toepassingen kunnen gegeenswachtrijen gebruiken om gegeens tussen taken door te oeren. Meerdere iseries-taken kunnen gegeens erzenden of ontangen an een enkele gegeenswachtrij. Client Access erleent API s waardoor PC-toepassingen een eenoudig kunnen werken met iseriesgegeenswachtrijen als iseries-toepassingen dit kunnen. Hierdoor beat de communicatie tussen iseriestoepassingen ook erwerkingen die op een PC op afstand actief zijn. De programma s die zijn afgebeeld in de olgende tabel zijn opgenomen in deze serer. Programma an de Gegeenswachtrijserer oor gebruik met socket-ondersteuning Programmanaam Bibliotheek Beschrijing QZHQSSRV QSYS Sererprogramma QZHQSRVD QSYS Daemonprogramma Netwerkafdrukserer De Netwerkafdrukserer an OS/400 biedt clients meer controle oer de afdrukresources op de iseriesserer. Deze afdrukserer biedt de olgende mogelijkheden aan elke client door afdrukfuncties aan te ragen: Spoolbestand Maken, zoeken, openen, lezen, schrijen, sluiten, asthouden, loslaten, wissen, erplaatsen, erzenden, exitprogramma aanroepen, kenmerken wijzigen, berichten ophalen, berichten beantwoorden, kenmerken ophalen en lijst afbeelden Taak an het schrijfprogramma Starten, beùindigen en lijst afbeelden Printerapparaat Kenmerken ophalen en lijst afbeelden Uitoerwachtrij Vasthouden, loslaten, wissen, lijst afbeelden en kenmerken ophalen Bibliotheek LIjst afbeelden Printerbestand Kenmerken ophalen, kenmerken wijzigen en lijst afbeelden Netwerkafdrukserer Kenmerken wijzigen en kenmerken ophalen De programma s die zijn afgebeeld in de olgende tabel zijn opgenomen in deze serer. Netwerkafdrukserer Programmanaam Bibliotheek Beschrijing QNPSERVS QSYS Sererprogramma Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 71
78 Programmanaam Bibliotheek Beschrijing QNPSERVD QSYS Daemonprogramma Centrale Serer De centrale serer biedt de olgende serices oor clients: Licentiebeheer Het oorspronkelijke erzoek an Gegeensoerdracht of PC5250 resereert een licentie oor de Client Access Express-gebruiker. De serer blijft actief totdat de time-out oor het rijgeen an de ertraging erloopt. De licentie wordt astgehouden totdat ze wordt rijgegeen of totdat de serertaak wordt beùindigd. Als u wilt zien welke licenties zijn geresereerd, gebruikt u Operations Naigator om de systeemeigenschappen an de iseries te bekijken. Conersie-indeling ophalen De centrale serer haalt conersie-indelingen op oor clients die de indelingen nodig hebben. Deze conersie-indelingen worden meestal gebruikt oor conersies an ASCII naar EBCDIC en oor conersies an EBCDIC naar ASCII. De client kan een indeling ophalen door de juiste bronlocatie op te geen, eenals het CCSID (Coded Character Set Identifier) an de doellocatie en een tabel met codepunten die moeten worden geconerteerd. De serer zendt dan de juiste indeling terug naar de client oor gebruik. De programma s die zijn afgebeeld in de olgende tabel zijn opgenomen in deze serer. Centrale Serer-programma s Programmanaam Bibliotheek Beschrijing QZSCSRVS QSYS Sererprogramma QZSCSRVSD QSYS Daemonprogramma Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programmaaanroepen Met de serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen kunnen clientgebruikers en toepassingen CL-opdrachten an de iseries en opgeroepen programma s opgeen. De opdracht op afstand biedt de gebruiker de mogelijkheid om meerdere opdrachten in dezelfde taak uit te oeren. De opdracht op afstand biedt teens een betere beeiligingscontrole oor iseries-gebruikers met beperkte mogelijkheden (LMTCPB =*YES) in hun gebruikersprofiel. De serer stuurt terug dat een gebruiker beperkt gebruik heeft; de client kan de gebruiker stoppen. De optie oor gedistribueerde programma-aanroepen stelt toepassingen in staat iseries-programma s aan te roepen en parameters door te geen. Nadat het programma actief is op de iseries-serer, worden de waarden an de uitoerparameters teruggestuurd naar de client-toepassing. Met dit proces kunnen toepassingen iseries-resources makkelijk openen zonder rekening te hoeen houden met de communicatie en de conersies die moeten plaatsinden. De programma s die zijn afgebeeld in de olgende tabel zijn opgenomen in deze serer. Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen Programmanaam Bibliotheek Beschrijing QZRCSRVS QSYS Sererprogramma QZRCSRVSD QSYS Daemonprogramma 72 iseries: Client Access Express Beheer
79 Aanmeldingsserer De Aanmeldingsserer erleent beeiliging oor clients. Deze beeiligingsfunctie oorkomt dat gebruikers met een erlopen wachtwoord toegang tot het systeem krijgen, controleert de geldigheid an wachtwoorden an gebruikersprofielen en stuurt beeiligingsinformatie terug oor gebruik an wachtwoordcaching en Operations Naigator Toepassingenbeheer. De programma s die zijn afgebeeld in de olgende tabel zijn opgenomen in deze serer. Aanmeldingsserer-programma s Programmanaam Bibliotheek Beschrijing QZSOSIGN QSYS Sererprogramma QZSOSGND QSYS Daemonprogramma Serertoewijzer De serertoewijzer erleent een methode waarmee de client de poort oor een bepaalde serice (serer) kan inden. De serertoewijzer spoort de poorten op in de TCP/IP-sericetabel. Het programma dat is afgebeeld in de olgende tabel is opgenomen in deze serer. Serertoewijzer Programmanaam Bibliotheek Beschrijing QZSOSMAPD QSYS Serertoewijzerprogramma OS/400-serers gebruiken Dit onderwerp beschrijft hoe u OS/400-serertaken kunt beheren. De subsystemen waarin de serers actief zijn worden hier beschreen, eenals de objecten die an inloed zijn op de serers en hoe deze resources moeten worden beheerd. De serers die met het OS/400-programma zijn meegeleerd, hebben niet wijzigingen in uw bestaande systeemconfiguratie nodig om juist te werken. Ze worden ingesteld en geconfigureerd wanneer u OS/400 installeert. Mogelijk wilt u wijzigingen aanbrengen in de manier waarop het systeem de serertaken beheert, problemen oplossen, de systeemprestaties erbeteren, of eenoudigweg de taken op het systeem bekijken. Om zulke wijzigingen aan te brengen en om aan erwerkingsereisten te oldoen, moet u weten welke objecten an inloed zijn op welke onderdelen an het systeem en hoe u deze objecten kunt wijzigen. Raadpleeg oor een olledig begrip an het beheer an uw systeem Work Management oordat u doorgaat met dit hoofdstuk. Communicatie tussen client en serer tot stand brengen Deze optie beschrijft het proces an het starten en beùindigen an communicatie tussen clients en hostserers. Het onderwerp beat ook het poortnummer an elke serer en een beschrijing an sererdaemons en hun rol in communicatie. Subsystemen op OS/400 Dit onderwerp beeldt beschrijingen af an de subsystemen op OS/400 en geeft weer hoe u taken automatisch kunt starten en ooraf kunt starten. Systeemwaarde op de iseries-serer Deze optie beschrijft en beeldt een lijst af an systeemwaarden die belangrijk zijn in client/sereromgeingen. Serertaken identificeren op de iseries-serer Deze optie laat zien hoe u serertaken kunt afbeelden met gebruik an Operations Naigator of het groene scherm. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 73
80 EZ-Setup en Operations Naigator gebruiken met hostserers Deze optie beschrijft hoe u kunt zien of het ereiste communicatiepad actief is en hoe u het communicatiepad kunt starten, indien nodig. Communicatie tussen client en serer tot stand brengen Client/serer-communicatie wordt tot stand gebracht met de olgende stappen: 1. Voor het starten an een serertaak die gebruik maakt an ondersteuning oor soketscommunicatie, brengt het clientsysteem een erbinding tot stand met het nummer an een bepaalde sererpoort. 2. Voor het luisteren naar en accepteren an een erbindingserzoek an een client moet een sererdaemon worden gestart (met de opdracht STRHOSTSVR). Wanneer de erbindingsaanraag wordt aanaard, erzendt de sererdaemon een interne opdracht om de erbinding an de client te koppelen aan een serertaak. 3. Deze serertaak kan een ooraf startende taak zijn of, als ooraf startende taken niet worden gebruikt, een batchtaak die wordt aangeboden wanneer een erbindingserzoek an een client wordt erwerkt. De serertaak erwerkt alle oerige communicatie met de client. De uitwisseling an aanangsgegeens beat een aanraag die het gebruikersprofiel en wachtwoord identificeert dat hoort bij de clientgebruiker. 4. Wanneer de geldigheid an het gebruikersprofiel en het wachtwoord zijn gecontroleerd, wisselt de serertaak naar dit gebruikersprofiel en wijzigt de taak door eel an de kenmerken te gebruiken die zijn gedefinieerd oor het gebruikersprofiel, zoals de taakregistratiecode en de uitoerwachtrij. Raadpleeg oor meer informatie: Poortnummers oor hostserers Hostserers starten Hostserers stoppen Communicatie an serer naar client: Client Access Express gebruikt TCP/IP om te communiceren met de iseries-systeemserers. De geoptimaliseerde serers gebruiken ondersteuning an OS/400- sockets om te communiceren met clients. OS/400-socketondersteuning is compatibel met Berkeley Software Distributions 4.3 sockets oer TCP/IP. Ondersteuning an sockets wordt erstrekt met product TC1 dat is geunstalleerd op de iseries-serer. Raadpleeg de handleiding TCP/IP Configuration and Reference oor meer gegeens oer communicatie. Poortnummers an de hostserers Ieder serertype bezit zijn eigen sererdaemon die een poort controleert op inkomende opdrachten tot erbinding an clienten. Er zijn echter uitzonderingen. Zo gebruikt de oerdracht d.m.. sockets de daemon an de databaseserer; de serer an het netwerkstation gebruikt de daemon an de bestandsserer; en de irtuele afdrukserer gebruikt de daemon an de netwerkafdrukserer. Daar komt nog bij dat de daemon oor de serertoewijzer ook een daartoe opgegeen poort bewaakt en een client in staat stelt het actuele poortnummer te erkrijgen ten behoee an een opgegeen serer. Iedere sererdaemon bewaakt het poortnummer waarin oorzien wordt in de sericetabel oor de opgegeen sericenaam. Bijoorbeeld, de daemon oor de netwerkafdrukserer met de oorspronkelijke configuratie, bewaakt poortnummer 8474 die hoort bij de sericenaam as-netprt. De daemon die serers toewijst luistert naar de bekende poort. Het bekende poortnummer an de serertoewijzer is 449. Het bekende poortnummer is geresereerd oor het exclusiee gebruik an de OS/400-hostserers. Om die reden dient het gegeen oor de sericenaam as-srmap niet erwijderd te worden uit de sericetabel. De poortnummers oor iedere sererdaemon staan niet ast; de sericetabel kan gewijzigd worden door het gebruik an erschillende poortnummers als uw installatie dergelijke wijzigingen ereist. U kunt wijzigingen aanbrengen waar het poortnummer wordt opgehaald uit de erbindingstab an de systeem- 74 iseries: Client Access Express Beheer
81 eigenschappen an Operations Naigator. De sericenaam moet echter dezelfde blijen als de naam in de olgende tabellen. Anders kunnen de sererdaemons geen poortnummer bepalen waarop zij inkomende erzoeken accepteren oor clienterbindingen. Als een nieuw gegeen aan de sericetabel wordt toegeoegd om een ander poortnummer te identificeren oor een serice, moeten alle eerdere sericetabelgegeens oor die sericenaam worden erwijderd. Het erwijderen an deze gegeens schakelt de erdubbeling an de sericenaam in de tabel uit en doet de mogelijkheid teniet an onoorspelbare resultaten wanneer de sererdaemon start. Poortnummers oor hostserers en serertoewijzer De olgende tabel geeft de oorspronkelijke gegeens weer an de sericetabel waarin oorzien is ten behoee an de geoptimaliseerde serers en de serertoewijzer die sockets gebruiken oor de ondersteuning an TCP-communicatie. Naam serice Beschrijing Poortnummer as-central Centrale serer 8470 as-database Databaseserer 8471 as-dtaq Gegeenswachtrijserer 8472 as-file Bestandsserer 8473 as-netprt Netwerkafdrukserer 8474 as-rmtcmd Serer oor opdracht op afstand/programma-oproep 8475 as-signon Aanmeldingsserer 8476 as-srmap Serertoewijzer 449 Poortnummers oor hostserers en sererdaemons: De olgende tabel geeft de oorspronkelijke gegeens weer an de sericetabel waarin oorzien is ten behoee an de serers en de serertoewijzer die SSL-ondersteuning (Secure Sockets Layer) gebruiken. Naam serice Beschrijing Poortnummer as-central-s Beeiligde centrale serer 9470 as-database-s Beeiligde databaseserer 9471 as-dtaq-s Beeiligde gegeenswachtrijserer 9472 as-file-s Beeiligde bestandsserer 9473 as-netprt-s Beeiligde netwerkafdrukserer 9474 as-rmtcmd-s Beeiligde serer oor opdracht op afstand/programma-oproep 9475 as-signon-s Beeiligde aanmeldingsserer 9476 Gegeens an een sericetabel afbeelden en wijzigen: Met behulp an de opdracht WRKSRVTBLE kunt u sericenamen en hun poortnummers afbeelden Werk met sericetabelgegeens Systeem: AS Typ een optie en druk op Enter 1=Toeoegen 4=Verwijderen 5=Afbeelden Opt Serice Poort Protocol _ as-central 8470 tcp _ as-database 8471 tcp _ as-dtaq 8472 tcp _ as-file 8473 tcp _ as-netprt 8474 tcp _ as-rmtcmd 8475 tcp Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 75
82 _ as-signon 8476 tcp _ as-srmap 449 tcp Met behulp an optie 5 (afbeelden) oor elk gegeen kunt u de alias eran bekijken. Gebruik de opdrachten ADDSRVTBLE en RMVSRVTBLE om de sericetabel aan te passen oor uw installatie. Hostserers starten U kunt de OS/400-hostserers starten met de CL-opdracht STRHOSTSVR. Alle hostsererdaemons en de daemon oor de serertoewijzer worden gestart. Boendien wordt geprobeerd de ooraf startende taak oor de serer te starten. Opm:. Met Operations Naigator kunt u uw systeem zo configureren dat serers automatisch starten wanneer TCP wordt gestart met de opdracht STRTCP. Nieuwe systemen doen dit standaard. Elk type hostserer heeft een sererdaemon Sererdaemons op pagina 78. Er is een daemon oor de serertoewijzer oor het systeem. De clienttoepassing (op de PC) gebruikt het poortnummer om een erbinding tot stand te brengen met de hostsererdaemon. De sererdaemon accepteert de inkomende erbindingsopdracht en stuurt deze oor erwerking door naar de serertaak. Waarden bij de opdracht STRHOSTSVR: SERVER *ALL Alle hostsererdaemons en de daemon oor de serertoewijzer worden gestart. *CENTRAL De daemon oor de centrale serer in subsysteem QSYSWRK wordt gestart. De daemontaak is QZSCSRVSD en de ooraf startende taak is QZSCSRVS. *DATABASE De daemon oor de databaseserer in subsysteem QSERVER wordt gestart. De daemontaak is QZDASRVSD en de bijbehorende ooraf startende serertaken zijn QZDASOINIT, QZDASSINIT en QTFPJTCP. *DTAQ De sererdaemon oor de gegeenswachtrij in subsysteem QSYSWRK wordt gestart. De daemontaak is QZHQSRVD en de bijbehorende ooraf startende serertaak is QZHQSSRV. *FILE De daemon oor de bestandsserer in subsysteem QSERVER wordt gestart. De daemontaak is QPWFSERVSD en de bijbehorende ooraf startende serertaken zijn QPWFSERVSO, QPWSERVSS en QPWFSERVS2. *NETPRT De daemon oor de netwerkafdrukserer in subsysteem QSYSWRK wordt gestart. De daemontaak is QNPSERVD en de bijbehorende ooraf startende serertaken zijn QNPSERVS en QIWVPPJT. *RMTCMD De sererdaemon oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen in subsysteem QSYSWRK wordt hiermee gestart. De daemontaak is QZRCSRVSD en de bijbehorende ooraf startende serertaak is QZRCSRVS. 76 iseries: Client Access Express Beheer
83 *SIGNON De daemon oor de aanmeldingsserer in subsysteem QSYSWRK wordt gestart. De daemontaak is QZSOSGND en de bijbehorende ooraf startende serertaak is QZSOSIGN. *SVRMAP De daemon oor de serertoewijzer in subsysteem QSYSWRK wordt gestart. De daemontaak is QZSOSMAPD. Opm:. Als de daemontaak wordt uitgeoerd in de directory QSYSWRK, worden standaard de bijbehorende ooraf startende serertaken uitgeoerd in de directory QUSRWRK. Teens zijn de ooraf startende taken an de databaseserer standaard in het subsysteem QUSRWRK actief. Facultatiee parameter: RQDPCL *ANY Er moet ten minste ÚÚn an de mogelijke communicatieprotocollen actief zijn. Als dit niet het geal is, wordt het foutbericht PWS300D afgebeeld en worden de daemons niet gestart. Er wordt ook een diagnosebericht afgebeeld (PWS3008 of PWS300F). Dit is een enkele waarde. *NONE Er mag geen communicatieprotocol actief zijn. Er worden geen berichten afgebeeld. Dit is een enkele waarde. Specifieke protocolwaarden *TCP TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol) moet actief zijn. Als dit niet het geal is worden diagnosebericht PWS3008 en afbrekingsbericht PWS300D afgebeeld. De daemons worden niet gestart. *IP Het IP-communicatieprotocol moet actief zijn wanneer de opdracht STRHOSTSVR wordt opgegeen. Als IP niet actief is, worden het diagnosebericht PWS300F en het afbrekingsbericht PWS300D erzonden en worden de hostsererdaemons niet gestart. Hieronder olgen enkele oorbeelden an Voorbeeld: STRHOSTSVR: STRHOSTSVR(*ALL) Voorbeeld 1: Alle hostsererdaemons starten: Hiermee start u alle sererdaemons en de daemon oor de serertoewijzer, mits ten minste ÚÚn communicatieprotocol actief is. Voorbeeld 2: Bepaalde sererdaemons starten: STRHOSTSVR SERVER(*CENTRAL *SVRMAP) RQDPCL(*NONE) Hiermee start u de centrale sererdaemon en de daemon oor de serertoewijzer in het subsysteem QSYSWRK, zelfs als er geen communicatieprotocol actief is. Voorbeeld 3 : EÚn ereist protocol opgeen: STRHOSTSVR SERVER(*ALL) RQDPCL(*TCP) Hiermee start u alle hostsererdaemons en de daemon oor de serertoewijzer in het subsysteem Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 77
84 Sererdaemons: De sererdaemon is een batchtaak die hoort bij een bepaald type serer. Er is slechts een sererdaemon oor elk type serer (zoals databaseserer, afdrukserer oor netwerk en aanmeldingsserer). Elk type serer heeft oor zijn sererdaemon meerdere relaties met de serertaken; een sererdaemon kan mogelijk eel bijbehorende serertaken hebben. De sererdaemon biedt clienttoepassingen de mogelijkheid te kunnen communiceren met een hostserer die gebruik maakt an de ondersteuning oor socketcommunicatie. De sererdaemon doet dit door inkomende erbindingsaanragen te erwerken en de route eran te bepalen. Als de communicatie met de serertaak tot stand is gebracht, wordt er niet opnieuw een koppeling tot stand gebracht tussen de client en de sererdaemon oor de duur an die serertaak. Alle serertaken (met uitzondering an bestandsserers) zijn actief in het subsysteem QUSRWRK. De taken an de bestandsserer zijn actief in het subsysteem QSERVER. QUSRWRK moet actief zijn om gebruik te kunnen maken an databasedaemons die actief zijn in het subsysteem QSYSWRK. Met de opdracht STRHOSTSVR kunt u sererdaemontaken starten. Alleen als de sererdaemons actief zijn, kunnen clienttoepassingen een erbinding tot stand brengen met een hostserer die gebruik maakt an de ondersteuning oor socketcommunicatie. Als u de daemons oor de database- of bestandsserer start, moet het subsysteem QSERVER actief zijn. Als u een an de andere sererdaemons start, moet het subsysteem QSYSWRK actief zijn. QUSRWRK moet actief zijn om gebruik te kunnen maken an de ooraf startende taken oor de sererdaemons die actief zijn in het subsysteem QSYSWRK. Daemon oor de serertoewijzer: De daemon oor de serertoewijzer is een batchtaak die actief is in het subsysteem QSYSWRK. De daemon erleent een methode aan clienttoepassingen om te bepalen welk poortnummer bij een bepaalde serer hoort. Deze taak luistert op een bekende poort naar een erbindingsaanraag an een client. Het poortnummer an de bekende poort oor TCP/IP is 449. De client erzendt de sericenaam naar de serertoewijzer. De serertoewijzer krijgt het poortnummer oor de opgegeen sericenaam an de sericetabel. De serertoewijzer zendt dit poortnummer terug naar de client, beùindigt de erbinding en luistert erder naar andere erbindingsaanragen. De client gebruikt het poortnummer dat is teruggestuurd door de Daemon oor de serertoewijzer om een erbinding tot stand te brengen met de opgegeen sererdaemon. De daemon oor de serertoewijzer start met de opdracht STRHOSTSVR en eindigt met de opdracht ENDHOSTSVR. Hostserers stoppen U kunt de OS/400-hostserers beùindigen met de CL-opdracht ENDHOSTSVR. Alle hostsererdaemons en de daemon oor de serertoewijzer worden beùindigd. Als een sererdaemon wordt beùindigd terwijl er serers an dat type zijn erbonden met clienttoepassingen, blijen de serertaken actief totdat de communicatie met de clienttoepassing wordt erbroken. Volgende erbindingsopdrachten an de clienttoepassingen oor die serer zullen mislukken totdat de sererdaemon weer wordt gestart. Als de daemon oor de serertoewijzer wordt beùindigd, is dit niet an inloed op eentuele clienterbindingen met de serertaken. Volgende opdrachten an een clienttoepassing oor een erbinding met de serertoewijzer zullen mislukken totdat de serertoewijzer weer wordt gestart. Opm:. Als u de opdracht ENDHOSTSVR gebruikt om een bepaalde daemon te beùindigen die niet actief is, wordt er een diagnosebericht afgebeeld. Gebruik de opdracht ENDHOSTSVR SERVER (*ALL) om alle actiee daemons te beùindigen. Als de waarde *ALL wordt gebruikt, worden er geen diagnoseberichten afgebeeld. 78 iseries: Client Access Express Beheer
85 Waarden bij de opdracht ENDHOSTSVR: SERVER *ALL Alle actiee hostsererdaemons en de daemon oor de serertoewijzer worden beùindigd. Bij deze waarde zijn geen andere speciale waarden toegestaan. *CENTRAL De daemon oor de centrale serer in subsysteem QSYSWRK wordt beùindigd. *DATABASE De daemon oor de databaseserer in subsysteem QSERVER wordt beùindigd. *DTAQ De sererdaemon oor de gegeenswachtrij in subsysteem QSYSWRK wordt beùindigd. *FILE De daemon oor de bestandsserer in subsysteem QSERVER wordt beùindigd. *NETPRT De daemon oor de netwerk-afdrukserer in subsysteem QSYSWRK wordt beùindigd. *RMTCMD De sererdaemon oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen in subsysteem QSYSWRK wordt hiermee beùindigd. *SIGNON De daemon oor de aanmeldingsserer in subsysteem QSYSWRK wordt beùindigd. *SVRMAP De daemon oor de serertoewijzer in subsysteem QSYSWRK wordt beùindigd. Hieronder olgen enkele oorbeelden an de opdracht ENDHOSTSVR. Voorbeeld: ENDHOSTSVR: ENDHOSTSVR SERVER(*ALL) Voorbeeld 1: Alle hostsererdaemons beùindigen: Met deze opdracht beùindigt u alle sererdaemons en de daemon oor de serertoewijzer. Voorbeeld 2: Bepaalde sererdaemons beùindigen: ENDHOSTSVR SERVER(*CENTRAL *SVRMAP) De daemon oor de centrale serer en de daemon oor de serertoewijzer worden Systeemwaarden op de iseries-serer Een systeemwaarde beat stuurinformatie die werkt met bepaalde gedeelten an het systeem. Een gebruiker kan de systeemwaarden gebruiken om de erwerkingsomgeing te definiùren. Voorbeelden an systeemwaarden zijn systeemdatum en lijst an bibliotheken. De iseries-serer heeft eel systeemwaarden. De olgende waarden zijn an belang in een client/sereromgeing. QAUDCTL Auditbesturing. Deze systeemwaarde beat de opties oor het in- en uitschakelen an de controle an objecten en het gebruikersnieau. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn aangebracht, worden meteen actief. QAUDENDACN Actie bij auditjournaal-fout. Deze systeemwaarde geeft de actie op die het systeem onderneemt Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 79
86 als fouten optreden wanneer een item in het auditjournaal wordt erzonden door het auditjournaal oor beeiliging an het besturingssysteem. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn aangebracht, worden meteen actief. QAUDFRCLVL Auditjournaal dwingen. Deze systeemwaarde geeft de hoeeelheid an auditjournaalitems op die kunnen worden geschreen naar het auditjournaal oor beeiliging oordat de gegeens an het journaalitem worden geschreen naar het hulpgeheugen. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn aangebracht, worden meteen actief. QAUDLVL Auditnieau beeiliging. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn aangebracht, worden meteen actief oor alle taken op het systeem. QAUTOVRT Deze optie bepaalt of het systeem automatisch irtuele apparaten moet maken. Deze optie wordt gebruikt met pass-through oor beeldstations en Telnet-sessies. QCCSID Het CCSID (Coded Character Set Identifier) die het olgende identificeert: Een bepaald set an codeerschema-id s Tekenset-ID s Codetabel-ID s Aanullende coderingsgegeens die de weergae an gecodeerde grafische tekens, die het systeem nodig heeft, uniek identificeert Deze waarde is gebaseerd op de taak die op het systeem is geunstalleerd. De waarde bepaalt of gegeens naar een ander formaat moeten worden geconerteerd oordat ze aan de gebruiker worden aangeboden. De standaardwaarde is 65535, wat inhoudt dat deze gegeens nog niet zijn geconerteerd. QCTLSBSD De beschrijing an het stuursubsysteem QDSPSGNINF Deze waarde bepaalt of het scherm met de aanmeldingsgegeens wordt afgebeeld na de aanmelding met gebruik an de functies an 5250 Emulatie (werkstationfunctie, PC5250). QLANGID Het standaard taal-id an het systeem. Deze waarde bepaalt het standaard-ccsid oor de taak an een gebruiker als het taak-ccsid is. De clients en serers gebruiken deze standaardwaarde an het taak-ccsid om te bepalen wat de juiste conersie is oor gegeens die zijn uitgewisseld tussen de client en de serer. QLMTSECOFR Deze waarde bepaalt of een gebruiker met de speciale machtiging alle objecten (*ALLOBJ) of serice (*SERVICE) elk apparaat kan gebruiken. Als deze waarde is ingesteld op 1, moeten alle gebruikers met de speciale machtiging *ALLOBJ of *SERVICE de specifieke machtiging *CHANGE hebben om het apparaat te gebruiken. Deze waarde is an inloed op irtuele apparatuur oor 5250 Emulatie. De meegeleerde waarde oor deze optie is 1. Als u wilt dat gemachtigde gebruikers zich aanmelden bij PC s, moet u ze specifieke machtiging geen oor het apparaat en de controller die de PC gebruikt of deze waarde wijzigen in 0. QMASIGN Deze waarde beheert de hoeeelheid opeenolgende onjuiste aanmeldingspogingen door lokale gebruikers en gebruikers op afstand. Als de waarde QMASIGN eenmaal is bereikt, bepaalt het systeem de handeling met de systeemwaarde QMASGNACN. 80 iseries: Client Access Express Beheer
87 Als de waarde an QMASGNACN 1 is (apparaat offline zetten), heeft de waarde QMASIGN geen inloed op een gebruiker die een onjuist wachtwoord inoert op de PC wanneer de erbinding wordt gestart. Dit is een mogelijk eiligheidsrisico oor PC-gebruikers. De waarde an QMASGNACN moet worden ingesteld op 2 of 3. QMASGNACN Deze waarde bepaalt wat het systeem doet wanneer het maximumaantal an aanmeldingspogingen is bereikt op een apparaat. U kunt de olgende waarden opgeen: 1 (offline zetten), 2 (gebruikersprofiel uitschakelen) of 3 (apparaat offline zetten en gebruikersprofiel uitschakelen). De meegeleerde waarde is 3. QPWDEPITV Het aantal dagen dat een wachtwoord geldig is. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn aangebracht, worden meteen actief. QPWDLMTAJC Deze waarde beperkt het gebruik an aangrenzende nummers in een wachtwoord. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn gemaakt, worden actief wanneer een wachtwoord wordt gewijzigd. QPWDLMTCHR Deze waarde beperkt het gebruik an bepaalde tekens in een wachtwoord. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn gemaakt, worden actief wanneer een wachtwoord wordt gewijzigd. QPWDLMTREP Deze waarde beperkt het gebruik an herhalende tekens in een wachtwoord. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn gemaakt, worden actief wanneer een wachtwoord wordt gewijzigd. QPWDLVL Deze waarde bepaalt het nieau an wachtwoordondersteuning oor het systeem, waaronder de wachtwoordlengte die de iseries-serer ondersteunt, het type ersleuteling dat oor wachtwoorden wordt gebruikt en of wachtwoorden an de AS/400 NetSerer oor Windows 95/98/ME-clients an het systeem worden erwijderd. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn aangebracht, worden actief met de olgende opstartprocedure (IPL). Waarschuwing! Als u deze waarde instelt oor ondersteuning an lange wachtwoorden, moet u alle client-pc s bijwerken oor ondersteuning an lange wachtwoorden (Express V5R1) oordat deze waarde wordt ingesteld. Zo niet, dan kunnen alle clients met een oudere ersie an V5R1 zich niet aanmelden bij de iseries-serer. QPWDMALEN Het maximumaantal tekens in een wachtwoord. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn gemaakt, worden actief wanneer een wachtwoord wordt gewijzigd. QPWDMINLEN Het minimumaantal tekens in een wachtwoord. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn gemaakt, worden actief wanneer een wachtwoord wordt gewijzigd. QPWDPOSDIF Deze waarde bepaalt de positie an tekens in een nieuw wachtwoord. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn gemaakt, worden actief wanneer een wachtwoord wordt gewijzigd. QPWDRQDDGT Deze waarde ereist een nummer in een nieuw wachtwoord. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn gemaakt, worden actief wanneer een wachtwoord wordt gewijzigd. QPWDRQDDIF Deze waarde beheert of het wachtwoord anders moet zijn dan orige wachtwoorden. QPWDVLDPGM De programmanaam an de geldigheidscontrole an het wachtwoord en de bibliotheek die zijn Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 81
88 aangeboden door het computersysteem. Een objectnaam en een bibliotheeknaam kunnen worden opgegeen. Wijzigingen die in deze systeemwaarde zijn gemaakt, worden actief wanneer een wachtwoord wordt gewijzigd. QRMTSIGN Deze waarde geeft op hoe het systeem omgaat met aanmeldingserzoeken op afstand. Een TELNET-sessie is eigenlijk een aanmeldingserzoek op afstand. Deze waarde bepaalt meerdere acties, als olgt: *FRCSIGNON : Alle aanmeldingssessies op afstand zijn ereist om een normale aanmeldingserwerking te oltooien. *SAMEPRF : Voor de functie pass-through an 5250 Beeldstation of werkstation wanneer de bron- en doelnamen an gebruikersprofielen hetzelfde zijn, wordt de aanmelding mogelijk oergeslagen oor aanmeldingserzoeken op afstand. Wanneer TELNET wordt gebruikt, wordt het aanmelden mogelijk oergeslagen. *VERIFY : Nadat wordt gecontroleerd of de gebruiker toegang tot het systeem heeft, stelt het systeem de gebruiker in staat het aanmelden oer te slaan. *REJECT : Deze waarde staat geen aanmelding toe an de functie 5250 Beeldstation passthrough of werkstation. Wanneer QRMTSIGN is ingesteld op *REJECT, kan de gebruiker zich nog steeds aanmelden op het systeem met behulp an TELNET. Deze sessies worden op gangbare wijze erwerkt. Als u alle TELNET-erzoeken op het systeem wilt weigeren, moet u de TELNET-serers stoppen. Programmabibliotheek : De gebruiker kan een programma en een bibliotheek (of *LIBL) opgeen om te bepalen welke sessies op afstand zijn toegestaan en welke gebruikersprofielen automatisch kunnen worden aangemeld en anaf welke locaties. Deze optie is alleen geldig oor pass-through. Deze waarde geeft ook een programmanaam op die moet worden uitgeoerd en die bepaalt welke sessies op afstand moeten worden toegestaan. De meegeleerde waarde is *FRCSIGNON. Als u wilt dat gebruikers de functie gebruiken oor het oerslaan an de aanmelding an de 5250 Emulatie moet u deze waarde wijzigen in *VERIFY. QSECURITY Nieau an systeembeeiliging. Wijzigingen die op dit systeem zijn gemaakt, worden actief bij de olgende opstartprocedure (IPL). 20 betekent dat het systeem een wachtwoord nodig heeft oor een aanmelding. 30 betekent dat het systeem wachtwoordbeeiliging nodig heeft oor de aanmelding en objectbeeiliging bij elke poging tot toegang. U moet wel gemachtigd zijn om alle systeemresources te openen. 40 betekent dat het systeem wachtwoordbeeiliging nodig heeft oor de aanmelding en objectbeeiliging bij elke poging tot toegang. Programma s die proberen objecten te openen met behulp an onondersteunde interfaces, mislukken. 50 betekent dat het systeem wachtwoordbeeiliging nodig heeft oor de aanmelding en gebruikers moeten zijn gemachtigd om objecten en systeemresources te openen. De beeiliging en integriteit an de QTEMP-bibliotheek en objecten in gebruikersdomeinen worden ersterkt. Programma s die proberen objecten te openen met behulp an onderondersteunde interfaces of die proberen onondersteunde parameterwaarden door te geen aan ondersteunde interfaces, mislukken. QSTRUPPGM Dit is het programma dat actief is wanneer het stuursubsysteem start of wanneer het systeem start. Dit programma oert installatiefuncties uit zoals het starten an subsystemen. 82 iseries: Client Access Express Beheer
89 QSYSLIBL Het systeemgedeelte an de lijst an bibliotheken. Er wordt in dit gedeelte an de lijst an bibliotheken gezocht oordat in een ander gedeelte wordt gezocht. Sommige client-functies gebruiken deze lijst om te zoeken naar objecten. Serertaken identificeren op de iseries-serer Mogelijk ind u het moeilijk om met een emulatieprogramma of een groene scherm-interface een taak aan een bepaalde PC of een indiiduele clientfunctie te koppelen. Het identificeren an een bepaalde taak is een ereiste oor het onderzoeken an problemen en het bepalen an de implicaties oor prestaties. Wanneer u start in V4R4, kunt u de Operations Naigator-interface gebruiken om uw serertaken te identificeren. 1. Dubbelklik op het pictogram Operations Naigator. 2. Open Netwerk door op het teken + te klikken. 3. Open Serers door op het teken + te klikken. 4. Selecteer het type serer waar u de taken an wilt zien (TCP/IP, Client Access etc.). 5. Wanneer de serers in het rechterdeelenster worden afgebeeld, klik dan met de rechtermuisknop op de serer waar u de taken an wilt bekijken en klik op Serertaken. Er wordt een ander enster geopend, waarin de serertaken worden afgebeeld met de gebruiker, het type taak, de taakstatus, en de tijd en de datum waarop de serer is geopend. De olgende gedeelten erlenen gegeens oer hoe u serertaken kunt identificeren met behulp an de traditionele groene scherm-interface. Subsystemen op de iseries-serer iseries-taaknamen Serertaken afbeelden Historielogboek afbeelden Serertaken oor een gebruiker afbeelden Subsystemen op de iseries-serer In de olgende gedeelten wordt beschreen welke door het systeem aangeboden subsystemen worden gebruikt oor elk an de sererfuncties. Deze gedeelten beschrijen ook hoe de subsysteembeschrijingen zijn gerelateerd aan de serertaken. Subsystemen gebruikt oor serertaken Subsysteembeschrijingen Gebruik an automatisch startende taken Gebruik an ooraf startende taken Subsystemen gebruikt oor serertaken De serertaken zijn zodanig geconfigureerd dat zij in erschillende subsystemen kunnen werken afhankelijk an hun functie. De olgende subsystemen worden gebruikt oor serertaken. QSYSWRK: Alle daemontaken (met uitzondering an de bestandssererdeamontaak en de databasesererdaemontaak) werken in dit subsysteem. De deamontaken an de bestandsserer en databaseserer werken in het subsysteem QSERVER. QUSRWRK: De serertaken werken in dit subsysteem oor de olgende taken: Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Gegeenswachtrij Aanmelden Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 83
90 Database QSERVER: De bestandsserer, de erbij horende daemontaak en de daemontaak an de databaseserer moeten in dit subsysteem actief zijn. Wanneer dit subsysteem niet actief is, zullen opdrachten om een erbinding tot stand te brengen met de bestandsserer of de databaseserer geen effect sorteren. Automatisch startende subsystemen: Het subsysteem QSYSWRK start automatisch wanneer u een IPL uitoert, los an de waarde die is opgegeen oor het beherende subsysteem. Als u gebruik maakt an het standaardopstartprogramma dat bij het systeem geleerd is, zullen de subsystemen QSERVER en QUSRWRK automatisch starten bij IPL. Het startprogramma an het systeem is gedefinieerd in de systeemwaarde QSTRUPPGM en de standaardwaarde is QSTRUP QSYS. Als u het startprogramma an het systeem wilt wijzigen, kunt u de systeemwaarde QSTRUPPGM eranderen om uw eigen programma op te roepen. U kunt het bijgeleerde programma QSTRUP in QSYS gebruiken als basis oor het opstartprogramma dat u maakt. Opm:. Wanneer u de databaseserer of bestandsserer gebruikt en wijzigingen aanbrengt in het opstartsysteem, dan moet u er wel oor zorgen dat het opstartprogramma het subsysteem QSERVER start. In V5R1 wordt TCP/IP automatisch opgestart door het systeem zonder dat een erandering nodig is in het opstartprogramma an het systeem. De hostserers worden automatisch gestart bij het starten an TCP/IP. Wanneer TCP/IP wordt gestart, zorgt het eroor dat QUSRWRK en QSERVER eerst worden gestart, oordat de hostserers worden gestart. Subsysteembeschrijingen Een subsysteembeschrijing legt ast hoe, waar en hoeeel werk een subsysteem binnenkomt en welke bronnen het subsysteem gebruikt om het werk uit te oeren. De olgende secties beschrijen welke gedeelten an de subsysteembeschrijing betrekking hebben op de serers. Automatisch startende taak: Automatisch startende taken oeren een eenmalige initialisatie uit of doen repetitief werk dat te maken heeft met een bepaald subsysteem. De automatisch startende taken die behoren bij een bepaald subsysteem worden automatisch gestart op het moment dat het subsysteem start. Gegeens oer ooraf startende taken oor serertaken: Een ooraf startende taak is een batchtaak die met de uitoering begint oordat een programma op een systeem op afstand communicaties met de serer aangaat. Vooraf startende taken gebruiken gegeens an ooraf startende taken in de subsysteembeschrijing om het programma, de klasse en de pool ast te stellen die moeten worden gebruikt als de taken worden gestart. Binnen een gegeen an een ooraf startende taak dient u kenmerken op te geen die het subsysteem gebruikt om een groep ooraf startende taken te beheren of te maken. Vooraf startende taken erhogen de prestatie wanneer u een erbinding tot stand brengt met een serer. Gegeens oer ooraf startende taken worden gedefinieerd binnen een subsysteem. Vooraf startende 84 iseries: Client Access Express Beheer
91 taken worden actief wanneer dat subsysteem wordt gestart, of ze kunnen worden beheerd met de opdrachten STRPJ (Start Prestart Job) en ENDPJ (End Prestart Job). Gebruik an automatisch startende taken Het subsysteem QSERVER heeft een automatisch startende taak opgegeen oor de taken an de bestandsserer en databaseserer. Als deze taak niet actief is, kunnen de serers niet starten en stopt het subsysteem QSERVER. Als een probleem optreedt met deze taak, kunt u het subsysteem QSERVER stoppen en opnieuw starten. Het subsysteem QSYSWRK heeft een automatisch startende taak opgegeen oor alle geoptimaliseerde serers. Deze taak zoekt naar eents die zijn erzonden wanneer de opdracht STRTCP of STRIP is erzonden. Hierdoor kunnen de taken an de sererdaemon dynamisch bepalen wanneer een communicatieprotocol actief is geworden. De daemontaken beginnen erolgens te luisteren naar de juiste poorten. Als de automatisch startende taak niet actief is en een protocol wordt gestart, moet de olgende reeks an opdrachten worden erzonden zodat het protocol kan worden gebruikt: 1. ENDHOSTSVR *ALL 2. STRHOSTSVR *ALL De automatisch startende taak heeft de naam QZBSEVTM. Als een an de taken niet actief is, start deze taak dan door de olgende opdracht op te geen: QSYS/SBMJOB CMD(QSYS/CALL PGM(QSYS/QZBSEVTM)) JOB(QZBSEVTM) JOBD(QSYS/QZBSEJBD) PRTDEV(*USRPRF) OUTQ(*USRPRF) USER(QUSER) PRTTT(*SYSVAL) SYSLIBL(*SYSVAL) CURLIB(*CRTDFT) INLLIBL(*JOBD) SRTSEQ (*SYSVAL) LANGID(*SYSVAL) CNTRYID(*SYSVAL) CCSID(*SYSVAL) Opm:. Slechts een instance an het programma QZBSEVTM kan tegelijkertijd actief zijn. Vooraf startende taken gebruiken Systeemgegeens met betrekking tot ooraf startende taken (zoals DSPACTPJ) gebruiken de term opdracht oor starten an programma specifiek om opdrachten aan te geen die zijn opgegeen om ooraf startende taken te starten, zelfs wanneer de gegeens betrekking hebben op een ooraf startende taak die is gestart door een opgegeen opdracht oor een socketerbinding. Opmerkingen: Vooraf startende taken kunnen opnieuw worden gebruikt maar er is geen automatische opschoning oor de ooraf startende taak wanneer deze eenmaal is gebruikt en erolgens wordt teruggezonden naar de pool. Hoe aak de ooraf startende taak opnieuw wordt gebruikt, wordt bepaald door de waarde die is opgegeen oor het maximumaantal keren (MAUSE) dat de CL-opdrachten ADDPJE of CHGPJE worden gebruikt. Dit betekent dat resources die worden gebruikt door een gebruiker an de ooraf startende taak, moeten worden opgeschoond oordat het gebruik an de ooraf startende taak wordt beùindigd. Als dit niet gebeurt, dan houden deze resources dezelfde status oor de olgende gebruiker die de ooraf startende taak gebruikt. Bijoorbeeld, een bestand dat wordt geopend maar niet wordt gesloten door een gebruiker an een ooraf startende taak, blijft open en beschikbaar oor de olgende gebruiker an deze ooraf startende taak. 3. Standaard zijn bepaalde serertaken actief in QUSRWRK. Wanneer de optie oor hostserer wordt geunstalleerd, worden aan QUSRWRK gegeens oer ooraf startende taken toegeoegd. Met behulp an Operations Naigator kunt u een aantal an deze serers of alle serers actief hebben in een ander subsysteem dan QUSRWRK. a. Dubbelklik op Operations Naigator > Netwerk > Serers > Client Access. b. Klik met de rechtermuisknop op de serer waaroor u subsystemen wilt configureren en selecteer Serertaken. c. Klik met de rechtermuisknop op de taak die u wilt wijzigen. De beschikbare opties worden in de keuzelijst afgebeeld. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 85
92 Als u taken erplaatst an QUSRWRK naar uw eigen subsysteem, moet u de olgende handelingen uitoeren: a. uw eigen subsysteembeschrijing maken b. uw eigen ooraf startende taak toeoegen met behulp an de opdracht ADDPJE. Stel de parameter an STRJOBS in op *YES. Als u deze opties niet uitoert, worden uw taken uitgeoerd in QSYSWRK. Alle OS/400-serers die worden ondersteund door de socketscommunicatie-interface ondersteunen ooraf startende taken. Deze serers zijn: Netwerkafdrukserer Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen Centrale serer Databaseserer Beeiligde databaseserer Bestandsserer Beeiligde bestandsserer Gegeenswachtrijserer Aanmeldingsserer (uniek oor serers die ondersteuning oor socketscommunicatie gebruiken) De olgende lijsten erstrekken alle kenmerken an de gegeens oer ooraf startende taken en de beginwaarden die zijn geconfigureerd oor de hostserers met gebruik an ondersteuning oor socketcommunicatie. Subsysteembeschrijing Het subsysteem dat de gegeens oer ooraf startende taken beat. OS/400-serer Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter QUSRWRK QUSRWRK QUSRWRK QUSRWRK QUSRWRK QSERVER QSERVER QUSRWRK QUSRWRK Bibliotheek/naam an programma Het programma dat wordt aangeroepen wanneer de ooraf startende taak wordt gestart. OS/400-serer Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter QSYS/QNPSERVS QSYS/QZRCSRVS QSYS/QZSCSRVS QSYS/QZDASOINIT QSYS/QZDASSINIT QSYS/QPWFSERVSO QSYS/QPWFSERVSS QSYS/QZHQSSRV QSYS/QZSOSIGN 86 iseries: Client Access Express Beheer
93 Gebruikersprofiel Het gebruikersprofiel waaronder de taak actief is. Deze optie geeft de taak aan als het gebruikersprofiel. Wanneer een client een opdracht oor het starten an een serer heeft opgegeen, schakelt de ooraf startende taak naar het gebruikersprofiel dat in de aanraag is ontangen. OS/400-serer Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter QUSER QUSER QUSER QUSER QUSER QUSER QUSER QUSER QUSER Taaknaam De naam an de taak wanneer deze wordt gestart. OS/400-serer Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter *PGM *PGM *PGM *PGM *PGM *PGM *PGM *PGM *PGM Taakbeschrijing De taakbeschrijing die oor de ooraf startende taak wordt gebruikt. Wanneer *USRPRF is opgegeen, wordt de taakbeschrijing gebruikt an het profiel waaronder deze taak actief is. Dit houdt in dat de taakbeschrijing an QUSER wordt gebruikt. Bepaalde kenmerken an de taakbeschrijing an de gebruiker die de opdracht opgeeft, worden ook gebruikt; bijoorbeeld printer en uitoerwachtrij worden gewisseld in de taakbeschrijing an de gebruiker die de opdracht opgeeft. OS/400-serer Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter QSYS/QZBSJOBD QSYS/QZBSJOBD QSYS/QZBSJOBD *USRPRF *USRPRF *USRPRF *USRPRF QSYS/QZBSJOBD QSYS/QZBSJOBD Taken starten Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 87
94 Deze optie geeft aan of ooraf startende taken automatisch moeten starten wanneer het subsysteem wordt gestart. De gegeens oer ooraf startende taken worden geleerd met de waarde *YES oor het starten an taken om te controleren of de serertaken beschikbaar zijn. De opdracht STRHOSTSVR start elke ooraf startende taak als een onderdeel an zijn erwerking. OS/400-serer Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter *YES *YES *YES *YES *YES *YES *YES *YES *YES Aantal taken Het aantal taken die worden gestart wanneer het subsysteem start. U kunt deze waarde aanpassen zodat wordt oldaan aan uw specifieke erwerkingsomgeing en eisen. OS/400-serer Parameter Netwerkafdrukken 1 Opdracht op afstand/programma-aanroep 1 Centraal 1 Database 1 Beeiligde database 1 Bestand 1 Beeiligd bestand 1 Gegeenswachtrij 1 Aanmelden 1 Drempel Het minimumaantal beschikbare ooraf startende taken oor een item oor ooraf startende taken. Wanneer deze drempel wordt bereikt, starten aanullende ooraf startende taken automatisch. De drempel beheert een bepaald aantal taken in de pool. OS/400-serer Parameter Netwerkafdrukken 1 Opdracht op afstand/programma-aanroep 1 Centraal 1 Database 1 Beeiligde database 1 Bestand 1 Beeiligd bestand 1 Gegeenswachtrij 1 Aanmelden 1 Aanullend aantal taken 88 iseries: Client Access Express Beheer
95 Het aantal aanullende ooraf startende taken die worden gestart wanneer de drempel is bereikt. OS/400-serer Parameter Netwerkafdrukken 2 Opdracht op afstand/programma-aanroep 2 Centraal 2 Database 2 Beeiligde database 2 Bestand 2 Beeiligd bestand 2 Gegeenswachtrij 2 Aanmelden 2 Maximumaantal taken Het maximumaantal ooraf startende taken die oor dit item actief kunnen zijn. OS/400-serer Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter *NOMA *NOMA *NOMA *NOMA *NOMA *NOMA *NOMA *NOMA *NOMA Maximumaantal gebruiksopdrachten Het maximumaantal an opdrachten oor het gebruik an de taak. Een waarde an 200 geeft aan dat de ooraf startende taak stopt nadat 200 opdrachten oor het starten an de serer zijn erwerkt. Opm:. De databaseserer gebruikt geen ooraf startende taken opnieuw, zelfs als deze waarde groter is dan 1. OS/400-serer Parameter Netwerkafdrukken 200 Opdracht op afstand/programma-aanroep 1 Centraal 200 Database 1 Beeiligde database 200 Bestand *NOMA Beeiligd bestand *NOMA Gegeenswachtrij 200 Aanmelden 200 Wachten op taak Met deze optie wacht een erbindingsaanraag an een client op een beschikbare serertaak als het maximumaantal taken is bereikt. OS/400-serer Netwerkafdrukken Parameter *YES Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 89
96 OS/400-serer Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter *YES *YES *YES *YES *YES *YES *YES *YES Pool-ID Het pool-id an het subsysteem waarin deze ooraf startende taak actief is. OS/400-serer Parameter Netwerkafdrukken 1 Opdracht op afstand/programma-aanroep 1 Centraal 1 Database 1 Beeiligde database 1 Bestand 1 Beeiligd bestand 1 Gegeenswachtrij 1 Aanmelden 1 Klasse De naam en bibliotheek an de klasse waarin de ooraf startende taak actief is. OS/400-serer Netwerkafdrukken Opdracht op afstand/programma-aanroep Centraal Database Beeiligde database Bestand Beeiligd bestand Gegeenswachtrij Aanmelden Parameter QGPL/QCASERVR QGPL/QCASERVR QGPL/QCASERVR QSYS/QPWFSERVER QSYS/QPWFSERVER QSYS/QPWFSERVER QSYS/QPWFSERVER QGPL/QCASERVR QGPL/QCASERVR Als de waarde an het starten an taken oor de ooraf startende taak is ingesteld op *YES en de oerblijende waarden ingesteld zijn op hun begininstellingen, dan inden de olgende bewerkingen plaats oor elk gegeen an de ooraf startende taak: Als het subsysteem is gestart, wordt een ooraf startende taak gestart oor elke serer. Wanneer de eerste erbindingsaanraag an een client actief is oor een specifieke serer, wordt de oorspronkelijke taak gebruikt en wordt de drempel oerschreden. Voor die serer worden aanullende taken gestart die zijn gebaseerd op het nummer dat is opgegeen in het item oor ooraf startende taken. Het aantal beschikbare taken is altijd ten minste ÚÚn. Het subsysteem controleert periodiek het aantal ooraf startende taken die gereed zijn om opdrachten te erwerken en beùindigt oerbodige taken. Het subsysteem geeft ten minste het aantal ooraf startende taken aan die zijn opgegeen in de parameter oor het aantal taken. 90 iseries: Client Access Express Beheer
97 Vooraf startende taken bewaken: Met de opdracht DSPACTPJ (actiee ooraf startende taak afbeelden) kunt u de ooraf startende taken bewaken. Om bijoorbeeld ooraf startende taken oor de aanmeldingsserer te bewaken, moet u weten in welk subsysteem uw ooraf startende taken zich beinden (QUSRWRK of een door de gebruiker gedefinieerd subsysteem) en moet u het programma kennen (bijoorbeeld QZSOSIGN). De opdracht DSPACTPJ erstrekt de olgende gegeens: Act. ooraf start. taken bek. (DSPACTPJ) AS /12/95 16:39:25 Subsysteem...: QUSRWRK Resetdatum...: 01/11/95 Programma....: QZSOSIGN Resettijd...: 16:54:50 Bibliotheek....: QSYS Verstreken tijd...: 0023:12:21 Vooraf startende taken: Huidig aantal...: 10 Gemiddeld aantal...: 8.5 Maximumaantal...: 25 Vooraf startende taak in gebruik: Huidig aantal...: 5 Gemiddeld aantal...: 4.3 Maximumaantal...: 25 Meer /12/95 16:39:25 Subsysteem...: QUSRWRK Resetdatum...: 01/11/95 Programma....: QZSOSIGN Resettijd...: 16:54:50 Bibliotheek....: QSYS Verstreken tijd...: 0023:12:21 Startopdrachten: Huidig aantal in wachtrij....: 0 Gemiddeld aantal in wachtrij...:.2 Maximumaantal in wachtrij...: 4 Gemiddelde wachttijd...: 00:00:20.0 Aantal geaccepteerd....: 0 Aantal afgewezen...: 0 Einde Druk op Enter om door te gaan. F3=Afsluiten F5=Vernieuwen F12=Annuleren Vooraf startende taken beheren: Als u op de knop (F5) drukt terwijl het scherm Actiee ooraf startende taken bekijken actief is, worden de gegeens, die zijn afgebeeld oor een actiee ooraf startende taak, ernieuwd. De gegeens oer programma-startopdrachten geen aan of u het beschikbare aantal ooraf startende taken moet wijzigen. Als de gegeens aangeen dat programma-startopdrachten wachten op een beschikbare ooraf startende taak, dan kunt u ooraf startende taken wijzigen met de opdracht CHGPJE (item an ooraf startende taak wijzigen). Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 91
98 Als niet snel wordt gereageerd op de programma-startopdrachten, dan kunt u een an de olgende handelingen uitoeren: De drempelwaarde erhogen De parameterwaarde erhogen oor het oorspronkelijke aantal taken (INLJOBS) De parameterwaarde erhogen oor het aanullende aantal taken (ADLJOBS) Het is belangrijk om te controleren of oor elke opdracht een beschikbare ooraf startende taak bestaat. Gegeens oer ooraf startende taken erwijderen: Als u besluit dat u niet wilt dat de serers de functie ooraf startende taak gebruiken, moet u de olgende handelingen uitoeren: 1. De ooraf gestarte taken beùindigen met de opdracht ENDPJ (ooraf startende taak beùindigen). Vooraf gestarte taken die zijn gestopt met de opdracht ENDPJ worden gestart wanneer het subsysteem weer wordt gestart als de opdracht taken starten *YES is opgegeen in het item oor ooraf startende taken of wanneer de opdracht STRHOSTSVR wordt opgegeen oor het opgegeen type serer. Als u alleen de ooraf startende taak beùindigt en niet de olgende stap uitoert, mislukken opdrachten oor het starten an de opgegeen serer. 2. Verwijder de gegeens oer ooraf startende taken in de subsysteembeschrijing met behulp an de opdracht RMVPJE (item oor ooraf startende taken erwijderen). De gegeens oer ooraf startende taken die met de opdracht RMVPJE zijn erwijderd, worden permanent erwijderd an de subsysteembeschrijing. Wanneer het gegeen is erwijderd, olgen nieuwe opdrachten oor de serer. Routespecificaties: Wanneer een daemontaak naar een subsysteem wordt doorgestuurd, gebruikt de taak de routespecificaties in de subsysteembeschrijing. De routespecificaties oor de taken an de hostsererdaemon worden aan de subsysteembeschrijing toegeoegd wanneer de opdracht STRHOSTSVR wordt opgegeen. Deze taken worden gestart met het gebruikersprofiel QUSER. Voor daemontaken die zijn aangeboden aan het subsysteem QSYSWRK, wordt de takenwachtrij QSYSNOMA gebruikt. Voor daemontaken die zijn aangeboden aan het subsysteem QSERVER, wordt de takenwachtrij QPWFSERVER gebruikt. De serertaken worden in hetzelfde subsysteem uitgeoerd als de bijbehorende daemontaken. De kenmerken an de serertaken worden genomen an hun item oor ooraf startende taken. Als ooraf startende taken niet oor de serers worden gebruikt, dan starten serertaken met de kenmerken an hun bijbehorende daemontaak. De olgende gegeens erstrekken de oorspronkelijke configuratie in de door IBM geleerde subsystemen oor elke sererdaemontaak. Daemon oor netwerkafdrukserer Subsysteem QSYS/QSYSWRK Takenwachtrij QSYSNOMA Gebruiker QUSER Routegegeens QNPSERVD Taaknaam QNPSERVD Klasse QGPL/QCASERVR Volgnummer 2538 Daemon oor opdracht op afstand/programma-aanroep Subsysteem QSYS/QSYSWRK 92 iseries: Client Access Express Beheer
99 Takenwachtrij QSYSNOMA Gebruiker QUSER Routegegeens QZRCSRVSD Taaknaam QZRCSRVSD Klasse QGPL/QCASERVR Volgnummer 2539 Daemon oor de centrale serer Subsysteem QSYS/QSYSWRK Takenwachtrij QSYSNOMA Gebruiker QUSER Routegegeens QZSCSRVSD Taaknaam QZSCSRVSD Klasse QGPL/QCASERVR Volgnummer 2536 Daemon oor de databaseserer Subsysteem QSYS/QSERVER Takenwachtrij QPWFSERVER Gebruiker QUSER Routegegeens QZDASRVSD Taaknaam QZDASRVSD Klasse QSYS/QPWFSERVER Volgnummer 600 Daemon oor de bestandsserer Subsysteem QSYS/QSERVER Takenwachtrij QPWFSERVER Gebruiker QUSER Routegegeens QPWFSERVSD Taaknaam QPWFSERVSD Klasse QSYS/QPWFSERVER Volgnummer 200 Daemon oor de gegeenswachtrijserer Subsysteem QSYS/QSYSWRK Takenwachtrij QSYSNOMA Gebruiker QUSER Routegegeens QZHQSRVD Taaknaam QZHQSRVD Klasse QGPL/QCASERVR Volgnummer 2537 Daemon oor de aanmeldingsserer Subsysteem Takenwachtrij Gebruiker QSYS/QSYSWRK QSYSNOMA QUSER Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 93
100 Routegegeens QZSOSGND Taaknaam QZSOSGND Klasse QGPL/QCASERVR Volgnummer 2540 Daemon oor de serertoewijzer Subsysteem QSYS/QSYSWRK Takenwachtrij QSYSNOMA Gebruiker QUSER Routegegeens QZSOSMAPD Taaknaam QZSOSMAPD Klasse QGPL/QCASERVR Volgnummer 2541 iseries-taaknamen De taaknaam die wordt gebruikt op de iseries-serer, bestaat uit drie delen: De enkeloudige taaknaam Het gebruikers-id Het taaknummer (oplopende olgorde) De serertaken oldoen aan meerdere afspraken: Taaknaam Voor taken die niet ooraf zijn gestart, is de taaknaam an de serer de naam an het sererprogramma. Vooraf gestarte taken gebruiken de naam die is opgegeen in het item oor ooraf startende taken. Taken die zijn gestart door de serers, gebruiken de naam an de taakbeschrijing of een willekeurige naam als het om batchtaken gaat (de bestandsserer wijst de namen toe). Het gebruikers-id Altijd QUSER, ongeacht of ooraf gestarte taken worden gebruikt. Het taaklogboek beeldt af welke gebruikers de taak hebben gebruikt. Work management maakt het taaknummer. Serertaken afbeelden Voor de identificatie an serertaken kunt u twee methoden gebruiken. De eerste methode is het gebruik an de opdracht WRKACTJOB. De tweede methode is het afbeelden an het historielogboek om te bepalen welke taak door welke client wordt gebruikt. Actiee taken afbeelden met WRKACTJOB: De opdracht WRKACTJOB beeldt alle actiee taken af, eenals de sererdaemons en de daemon oor de serertoewijzer. De olgende afbeelding beeldt een oorbeeldstatus af met de opdracht WRKACTJOB. Alleen taken die zijn gerelateerd aan de serers worden afgebeeld in de afbeeldingen. Druk op (F14) om de beschikbare ooraf startende taken te zien. De olgende typen taken worden afgebeeld in de afbeeldingen: (1) - Daemon oor de serertoewijzer (2) - Sererdaemons (3) - Vooraf gestarte serertaken Werken met actiee taken AS /12/95 10:25:40 94 iseries: Client Access Express Beheer
101 CPU %: 3.1 Elapsed time: 21:38:40 Actie jobs: 77 Typ een optie en druk op Enter. 2=Wijzigen 3=Vasthouden 4=BeÙindigen 5=Werken met 6=Loslaten 7=Bericht afbeelden 8=Werken met spoolbestanden 13=Verbinding erbreken Opt Subsysteem/Taak Gebr. Type CPU % Functie Status. QSYSWRK QSYS SBS.0 DEQW (1) QZSOSMAPD QUSER BCH.0 SELW. (2) QZSOSGND QUSER BCH.0 SELW QZSCSRVSD QUSER BCH.0 SELW QZRCSRVSD QUSER BCH.0 SELW QZHQSRVD QUSER BCH.0 SELW QNPSERVD QUSER BCH.0 SELW.. QUSRWRK QSYS SBS.0 DEQW (3) QZSOSIGN QUSER PJ.0 PSRW QZSCSRVS QUSER PJ.0 PSRW QZRCSRVS QUSER PJ.0 PSRW QZHQSSRV QUSER PJ.0 PSRW QNPSERVS QUSER PJ.0 PSRW QZDASOINIT QUSER PJ.0 PSRW. Meer Werken met actiee taken AS /12/95 10:25:40 CPU %: 3.1 Elapsed time: 21:38:40 Actie jobs: 77 Typ een optie en druk op Enter. 2=Wijzigen 3=Vasthouden 4=BeÙindigen 5=Werken met 6=Loslaten 7=Bericht afbeelden 8=Werken met spoolbestanden 13=Verbinding erbreken Opt Subsysteem/Taak Gebr. Type CPU % Functie Status. QSERVER QSYS SBS.0 DEQW QSERVER QPGMR ASJ.1 EVTW. (2) QPWFSERVSD QUSER BCH.0 SELW QZDASRVSD QUSER BCH.0 SELW.. (3) QPWFSERVSO QUSER PJ.0 PSRW QPWFSERVSO QUSER PJ.0 PSRW.. Meer De olgende typen taken worden afgebeeld: ASJ PJ SBS BCH De automatisch starten taak an het subsysteem De ooraf startende serertaken De bewakingstaken an het subsysteem De taken an de sererdaemon en de daemon oor de serertoewijzer Historielogboek afbeelden Wanneer een client een erbinding tot stand brengt met een serertaak, wordt die taak geruild zodat de taak actief is onder het profiel an de clientgebruiker. Om te bepalen welke taak hoort bij een bepaalde clientgebruiker kunt u het historielogboek afbeelden met de opdracht DSPLOG. Zoek naar berichten die beginnen met: Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 95
102 CPIAD0B (oor berichten an de Aanmeldingsserer) CPIAD09 (oor berichten gerelateerd aan alle andere serers) Serertaken oor een gebruiker afbeelden Voor het afbeelden an de serertaken an een bepaalde gebruiker oert u de olgende handelingen uit: 1. Open Operations Naigator (door te dubbelklikken op het pictogram). 2. Klik op Gebruikers en groepen en erolgens op Alle gebruikers. 3. Klik met de rechtermuisknop op de gebruiker waar u serertaken an wilt zien. 4. Kies Gebruikersobjecten en klik erolgens op Taken. Er erschijnt een enster dat alle serertaken oor die gebruiker afbeeldt. U kunt ook de opdracht WRKOBJLCK gebruiken. Geef het gebruikersprofiel en *USRPRF op. EZ-Setup en Operations Naigator gebruiken met hostserers EZ-Setup en Operations Naigator brengen een erbinding tot stand met de aanmeldingsserer, de centrale serer, de serer oor opdrachten op afstand en de serer oor gedistribueerde programma-aanroep zonder een communicatieprotocol dat actief is op de iseries-serer. Met andere woorden, EZ-Setup kan een erbinding tot stand brengen oordat STRTCP of STRIP zijn uitgeoerd. Het gebruikte pad staat EZ-Setup toe om bepaalde eerste iseries-installaties uit te oeren oordat communicatieprotocollen worden geconfigureerd of gestart. Hier wordt beschreen hoe u kunt bepalen of het communicatiepad, dat is gebruikt door EZ-Setup en Operations Console, actief is en hoe u het communicatiepad, indien nodig, opnieuw kunt starten. Raadpleeg de online Help an EZ-Setup oor gegeens oer hoe u de erbinding kunt configureren die wordt gebruikt door EZ-Setup. Het communicatiepad dat wordt gebruikt door EZ-Setup ereist dat drie taken, QNEOSOEM, actief zijn op het subsysteem QSYSWRK. Het subsysteem QSYSWRK heeft oor dit communicatiepad een automatisch startende taak. De automatisch starten taak, QNEOSOEM, biedt twee andere taken aan met de naam QNEOSOEM in het subsysteem QSYSWRK. Als een an de taken niet actief is, start deze taak dan door de olgende opdracht op te geen: QSYS/SBMJOB CMD(QSYS/CALL PGM(QSYS/QNEOSOEM)) JOB(QNEOSOEM) JOBD(QSYS/QNEOJOBD) JOBQ(QSYS/QSYSNOMA) PRTDEV(*JOBD) OUTQ(*JOBD) USER(*JOBD) PRTTT(*JOBD) SYSLIBL(*SYSVAL) INLLIBL(*JOBD) LOGCLPGM(*YES) MSGQ(*NONE) SRTSEQ(*SYSVAL) LANGID(*SYSVAL) CNTRYID(*SYSVAL) CCSID(*SYSVAL) De opdracht start indien nodig alle drie de QNEOSOEM-taken. Exitprogramma s an de serer gebruiken Met exitprogramma s kunnen systeembeheerders de actiiteiten beheren die een clientgebruiker mag gebruiken oor elke specifieke serer. Alle serers ondersteunen door de gebruiker geschreen exitprogramma s. Het onderwerp beschrijft hoe de exitprogramma s kunnen worden gebruikt en hoe u ze kunt configureren. Teens erleent dit onderwerp oorbeeldprogramma s die de toegang tot de sererfuncties helpen beheren. Exitprogramma s registreren Exitprogramma s schrijen Parameters an het exitprogramma Voorbeeld an exitprogramma s 96 iseries: Client Access Express Beheer
103 Exitprogramma s registreren Als u het exitprogramma registreert, weten de serers welk exitprogramma ze eentueel moeten aanroepen. U kunt het exitprogramma registreren met gebruik an de registratieoorziening an OS/400. Werken met de registratieoorziening: Voor het registreren an een exitprogramma met behulp an de registratieoorziening, gebruikt u de opdracht WRKREGINF (Werken met registratie-info) Werken met registratie-info (WRKREGINF) Typ een optie en druk op Enter. Exit point... *REGISTERED Indeling exit point... *ALL Name, generic*, *ALL Uitoer.... * *,*PRINT Druk op Enter om de geregistreerde exit points te bekijken Werken met registratie-info Typ een optie en druk op Enter. 5=Exit point afbeelden 8=Werken met exitprogramma's Exit Exit Point Geregis- Optie Point Indeling treerd Tekst _ QIBM_QGW_NJEOUTBOUND NJEO0100 *YES Network Job Entry outb 8 QIBM_QHQ_DTAQ DTAQ0100 *YES Original Data Queue Se _ QIBM_QLZP_LICENSE LICM0100 *YES Original License Mgmt _ QIBM_QMF_MESSAGE MESS0100 *YES Original Message Sere _ QIBM_QNPS_ENTRY ENTR0100 *YES Network Print Serer - _ QIBM_QNPS_SPLF SPLF0100 *YES Network Print Serer - _ QIBM_QNS_CRADDACT ADDA0100 *YES Add CRQ description ac _ QIBM_QNS_CRCHGACT CHGA0100 *YES Change CRQ description _ QIBM_QNS_CRDLTSBMCRQ DLTA0100 *YES Delete submitted CRQ _ QIBM_QNS_CRDSPACT DSPA0100 *YES Display CRQ description _ QIBM_QNS_CRECACT ECA0100 *YES Run CRQ actiity Opdracht ===> Kies optie 8 om te werken met de exitprogramma s oor het exit point dat is opgegeen oor de serer waar u mee wilt werken Werken met exitprogramma's Exit point: QIBM_QHQ_DTAQ Indeling: DTAQ0100 Typ een optie en druk op Enter. 1=Toeoegen 4=Verwijderen 5=Afbeelden 10=Verangen Exit Programma Exit Optie Nummer Programma Bibliotheek 1 (Geen exitprogramma's geonden) Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 97
104 Gebruik optie 1 om een exitprogramma toe te oegen aan een exit point. Opmerkingen: Als al een exitprogramma is opgegeen, moet u deze erwijderen oordat u de naam an het programma wijzigt. 3. Alhoewel de registratieoorziening meerdere userexits kan ondersteunen oor een bepaald exit point en een bepaalde indelingsnaam, halen de serers altijd exitprogramma 1 op. 4. Als u wilt dat de wijziging actief worden, moet u de ooraf startende taken beùindigen en opnieuw starten Exitprogramma toeoegen (ADDEITPGM) Typ een optie en druk op Enter. Exit point...> QIBM_QHQ_DTAQ Exit point format...> DTAQ0100 Name Program number...> , *LOW, *HIGH Program... MYPGM Name Library... MYLIB Name, *CURLIB Text 'description'... *BLANK Voer uw programmanaam en bibliotheek in oor het programma op dit exit point. Hetzelfde programma is bruikbaar oor meerdere exit points. Het programma kan de gegeens gebruiken die zijn erzonden als inoer om te bepalen hoe erschillende typen erzoeken moeten worden erwerkt. Hieronder staan de namen an het exit point en de indeling oor elk an de specifieke OS/400-serers. QIBM_QPWFS_FILE_SERV (Bestandsserer) Naam indeling Toepassingennaam PWFS0100 *FILESRV QIBM_QZDA_INIT (Databaseserer starten) Naam indeling Toepassingennaam ZDAI0100 *SQL QIBM_QZDA_NDB1 (Databaseserer - geuntegreerde databaseopdrachten) Namen an indeling Toepassingennaam ZDAD0100 ZDAD0200 *NDB QIBM_QZDA_SQL1 (Databaseserer - SQL-opdrachten) Namen an indeling Toepassingennaam ZDAQ0100 ZDAQ0200 *SQLSRV QIBM_QZDA_ROI1 (Databaseserer - opdrachten oor het ophalen an objectgegeens) Namen an indeling ZDAR0100 ZDAR iseries: Client Access Express Beheer
105 Toepassingennaam *RTVOBJINF QIBM_QZHQ_DATA_QUEUE (Gegeenswachtrijserer) Naam indeling Toepassingennaam ZHQ00100 *DATAQSRV QIBM_QNPS_ENTRY (Netwerkafdrukserer) Naam indeling Toepassingennaam ENTR0100 QNPSERVR QIBM_QNPS_SPLF (Netwerkafdrukserer) Naam indeling Toepassingennaam SPLF0100 QNPSERVR QIBM_QZSC_LM (Centrale serer - opdrachten oor licentiebeheer) Naam indeling Toepassingennaam ZSCL0100 *CNTRLSRV QIBM_QZSC_NLS (Centrale serer - NLS-opdrachten) Naam indeling Toepassingennaam ZSCN0100 *CNTRLSRV QIBM_QZRC_RMT (Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen) Naam indeling Toepassingennaam CZRC0100 *RMTSRV QIBM_QZSO_SIGNONSRV (Aanmeldingsserer) Naam indeling Toepassingennaam ZSOY0100 *SIGNON Exitprogramma s schrijen Als u een exitprogramma opgeeft, geen de serers de olgende twee parameters door aan het exitprogramma oordat uw opdracht wordt uitgeoerd: Een retourcodewaarde an 1 byte Een structuur met gegeens oer uw opdracht. Deze structuur is oor elk an de exit points anders. Als u een exitprogramma opgeeft, geen de serers de olgende twee parameters door aan het exitprogramma oordat uw opdracht wordt uitgeoerd: Een retourcodewaarde an 1 byte Een structuur met gegeens oer uw opdracht. Deze structuur is oor elk an de exit points anders. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 99
106 Deze twee parameters stellen het exitprogramma in staat om te bepalen of uw opdracht mogelijk is. Als het exitprogramma de retourcode instelt op F1, staat de serer de opdracht toe. Als de retourcode is ingesteld op F0 weigert de serer de opdracht. Als andere waarden dan F1 of F0 zijn ingesteld, lopen de resultaten uiteen afhankelijk an welke serer wordt geopend. U kunt dit programma oor meerdere serers en exit points gebruiken. Het programma kan bepalen welke serer wordt aangeroepen en welke functie wordt gebruikt door de gegeens te bekijken in de tweede parameterstructuur. Parameterindelingen oor exitprogramma s legt de structuur an de tweede parameter ast die wordt erzonden naar de exitprogramma s. Op basis an deze gegeens kunt u uw eigen exitprogramma s schrijen. Parameters an het exitprogramma Deze onderwerpen erstrekken de gegeensstructuur an de tweede parameter aan de exit point-indeling an elk an de OS/400-serers. Bestandsserer Databaseserer Gegeenswachtrijserer Netwerkafdrukserer Centrale serer Serer oor opdrachten op afstand of programma-aanroepen Aanmeldingsserer Bestandsserer De bestandsserer heeft een exit point opgegeen: QIBM_QPWFS_FILE_SERV PWFS0100-indeling Het exit point QIBM_QPWFS_FILE_SERV is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren oor de olgende typen bestandssereropdrachten: Bestandskenmerken wijzigen Stroombestand of directory maken Bestand of directory wissen Bestandskenmerken afbeelden Verplaatsen Stroombestand openen Naam wijzigen Conersatie toewijzen Opm:. Voor de bestandsserer wordt de naam an het exitprogramma omgezet wanneer het subsysteem QSERVER wordt geactieerd. Als u de programmanaam wijzigt, moet u het subsysteem beùindigen en opnieuw starten zodat de wijzigingen actief worden. Exit point QIBM_QPWFS_FILE_SERV PWFS0100-indeling Dec Offset Hex Type Veld Beschrijing 100 iseries: Client Access Express Beheer
107 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de bestandsserer is de waarde *FILESRV BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd: Opdracht oor het wijzigen an bestandskenmerken Opdracht oor het maken an een stroombestand of directory Opdracht oor het wissen an een bestand of een directory Opdracht oor het afbeelden an bestandskenmerken Opdracht oor erplaatsing Opdracht oor het openen an een stroombestand Opdracht oor hernoeming Opdracht oor het toewijzen an conersatie CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QPWFS_FILE_SERV is de naam an de indeling PWFS0100. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 101
108 32 20 CHAR(4) Bestandstoegang Als de opgegeen functie de waarde 5 (open) heeft, beat dit eld de olgende structuur: Machtigingsnieau *READ (Lezen), CHAR(1) F1 - Ja F0 -Nee Machtigingsnieau *WRITE (Schrijen), CHAR(1) F1 - Ja F0 -Nee Machtigingsnieau *READ/*WRITE, CHAR(1) F1 - Ja F0 -Nee Wissen toegestaan, CHAR(1) F1 -Ja F0 -Nee BINARY(4) Lengte bestandsnaam De lengte an de bestandsnaam (het olgende eld). De lengte kan maximaal 16MB zijn CHAR(*) Bestandsnaam De naam an het bestand. De lengte an dit eld is opgegeen door Lengte bestandsnaam (het orige eld). De bestandsnaam is teruggezonden naar het tekenset ISO/IEC (UCS 2 Leel 1), CCSID Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EPWFSEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Raadpleeg oor meer gegeens oer het tekenset ISO/IEC (UCS 2 Leel 1) Information Standard, ISO/IEC : Information technology Uniersal Octet Character Set (UCS) Part 1: Architecture and Basic Multilingual Plane, erwijzingsnummer ISO/IEC : 1993(E). De beschikbare API s oor conersie an en naar UCS 2 Leel 1 zijn icon() en CDRCVRT. Databaseserer De databaseserer heeft ier exit points opgegeen: 1. QIBM_QZDA_INIT Opgeroepen bij het starten an de serer 2. QIBM_QZDA_NDB1 Opgeroepen oor standaard ingebouwde databaseopdrachten 3. QIBM_QZDA_SQL1 Opgeroepen oor SQL-opdrachten 4. QIBM_QZDA_SQL2 102 iseries: Client Access Express Beheer
109 Opgeroepen oor SQL-opdrachten 5. QIBM_QZDA_ROI1 Opgeroepen oor het ophalen an opdrachten oor objectgegeens en catalogusfuncties an SQL De exit points oor de standaard ingebouwde database en het ophalen an objectgegeens hebben twee gedefinieerde indelingen afhankelijk an het type aangeraagde functie. Het exit point QIBM_QZDA_INIT is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren bij het starten an de serer. Als een programma oor dit exit point is opgegeen, wordt het programma aangeroepen wanneer de databaseserer wordt gestart. Exit point QIBM_QZDA_INIT ZDAI0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor dit exit point is de waarde *SQL CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QZDA_INIT is de naam an de indeling ZDAI C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd De enige geldige waarde oor dit exit point is 0. Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZDAEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Het exit point QIBM_QZDA_NDB1 is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren oor standaard ingebouwde databaseopdrachten oor de databaseserer. Er zijn twee indelingen opgegeen oor dit exit point. Indeling ZDAD0100 wordt oor de olgende functies gebruikt: Fysiek bronbestand maken Databasebestand maken, gebaseerd op een bestaand bestand Databasebestandslid toeoegen, erwijderen, wissen Databasebestand erangen Verangen database wissen Bestand wissen Indeling ZDAD0200 wordt gebruikt wanneer een opdracht is ontangen om bilbiotheken toe te oegen aan de lijst an bibliotheken. Exit point QIBM_QZDA_NDB1 ZDAD0100-indeling Dec Offset Hex Type Veld Beschrijing Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 103
110 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor dit exit point is de waarde *NDB CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling Voor de olgende functies is de naam an de indeling ZDAD C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Dit eld beat een an de olgende waarden: Fysiek bronbestand maken Databasebestand maken Databasebestandslid toeoegen Databasebestandslid erwijderen Databasebestandslid wissen Databasebestand erangen Verangen database wissen Opslagbestand maken Opslagbestand erwijderen Bestand wissen CHAR(128) Bestandsnaam Naam an het bestand dat wordt gebruikt oor de opgegeen functie 160 A0 CHAR(10) Bibliotheeknaam Naam an de bibliotheek die het bestand beat 170 AA CHAR(10) Sectienaam Naam an de sectie die moet worden toegeoegd, erwijderd of gewist 104 iseries: Client Access Express Beheer
111 180 B4 CHAR(10) Machtiging Machtiging oor het gemaakte bestand 190 BE CHAR(128) Naam uitgangsbestand Naam an het bestand dat wordt gebruikt wanneer een bestand wordt gemaakt dat is gebaseerd op een bestaand bestand E CHAR(10) Naam uitgangsbibliotheek CHAR(10) Naam te erangen bestand CHAR(10) Naam bibliotheek oor eranging C CHAR(10) Naam te erangen sectie Naam an de bibliotheek die het uitgangsbestand beat Naam an het bestand dat moet worden erangen Naam an de bibliotheek die het bestand beat dat moet worden erangen Naam an de sectie die moet worden erangen Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZDAEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Exit point QIBM_QZDA_NDB1 ZDAD0200-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor dit exit point is de waarde *NDB CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor de functie toeoegen aan bibliotheek is de naam an de indeling ZDAD C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd 180C - Lijst an bibliotheken toeoegen BINARY(4) Aantal bibliotheken De hoeeelheid bibliotheken (het olgende eld) CHAR(10) Bibliotheeknaam De bibliotheeknamen oor elke bibliotheek Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZDAEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 105
112 Het exit point QIBM_QZDA_SQL1 is opgegeen om een exit point uit te oeren oor bepaalde SQLopdrachten die oor de databaseserer zijn ontangen. Er is slechts een indeling opgegeen oor dit exit point. Hieronder staan de functies waaroor een exitprogramma wordt aangeroepen: Gereedmaken Openen Uitoeren Verbinden Pakket maken Pakket erwijderen Pakket wissen Gegeensstromen ophalen Onmiddellijk uitoeren Gereedmaken en beschrijen Gereedmaken en uitoeren of gereedmaken en openen Openen en ophalen Uitoeren of openen Exit point QIBM_QZDA_SQL1 ZDAQ0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor dit exit point is de waarde *SQLSRV CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QZDA_SQL1 is de naam an de indeling ZDAQ iseries: Client Access Express Beheer
113 28 1C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Dit eld beat een an de olgende waarden: Gereedmaken Gereedmaken en beschrijen Openen/beschrijen Uitoeren Onmiddellijk uitoeren Verbinden 180C - Gegeensstromen ophalen 180D - Gereedmaken en uitoeren 180E - Openen en ophalen 180F - Pakket maken Pakket erwijderen Pakket wissen Uitoeren of openen CHAR(18) Naam instructie Naam an de instructie die wordt gebruikt oor de functies gereedmaken of uitoeren CHAR(18) Cursornaam Naam an de cursor die wordt gebruikt oor de functie openen CHAR(2) Optie gereedmaken Optie die wordt gebruikt oor de functie gereedmaken CHAR(2) Kenmerken openen Optie die wordt gebruikt oor de functie openen CHAR(10) Naam an uitgebreide dynamische pakket Naam an het uitgebreide pakket met dynamische SQL-instructies CHAR(10) Bibliotheeknaam an pakket Naam an de bibliotheek an het uitgebreide pakket dynamische SQLinstructies Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 107
114 92 5C BINARY(2) DRDA-indicator 0 - Verbonden met lokale RDB 1 - Verbonden met RDB op afstand 94 5E CHAR(1) Nieau an besturing an astleggen wijzigingen A - Nieau an astleggen an wijzigingen *ALL C - Nieau an astleggen an wijzigingen *CHANGE N - Nieau an astleggen an wijzigingen *NONE S - Nieau an astleggen an wijzigingen *CS (cursorstabiliteit) 95 5F CHAR(512) Eerste 512 bytes an de SQL-instructietekst Eerste 512 bytes an de SQL-instructie Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZDAEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Het exit point QIBM_QZDA_SQL2 is opgegeen om een exit point uit te oeren oor bepaalde SQLopdrachten die oor de databaseserer zijn ontangen. Het exit point QIBM_QZDA_SQL2 prealeert oer het exit point QIBM_QZDA_SQL1. Als een programma is geregistreerd oor het exit point QIBM_QZDA_SQL2, wordt het programma aangeroepen en een programma oor het exit point QIBM_QZDA_SQL1 wordt niet aangeroepen. Hieronder staan de functies waaroor een exitprogramma wordt aangeroepen: Gereedmaken Openen Uitoeren Verbinden Pakket maken Pakket erwijderen Pakket wissen Gegeensstromen ophalen Onmiddellijk uitoeren Gereedmaken en beschrijen Gereedmaken en uitoeren of gereedmaken en openen Openen en ophalen Uitoeren of openen Tabel A-6. Exit point QIBM_QZDA_SQL2 ZDAQ0200-indeling 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor dit exit point is de waarde *SQLSRV. 108 iseries: Client Access Express Beheer
115 20 14 CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexit-indeling. Voor QIBM_QZDA_SQL1 is de naam an de indeling ZDAQ C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Dit eld beat een an de olgende waarden: Gereedmaken Gereedmaken en beschrijen Openen/Beschrijen Uitoeren Onmiddellijk uitoeren Verbinden 180C - Gegeensstromen ophalen 180D - Gereedmaken en uitoeren 180E - Openen en ophalen 180F - Pakket maken Pakket erwijderen Pakket wissen Uitoeren of openen CHAR(18) Naam instructie Naam an de instructie die wordt gebruikt oor de functies gereedmaken of uitoeren CHAR(18) Cursornaam Naam an de cursor die wordt gebruikt oor de functie openen CHAR(2) Optie gereedmaken Optie die wordt gebruikt oor de functie gereedmaken CHAR(2) Kenmerken openen Optie die wordt gebruikt oor de functie openen CHAR(10) Naam an uitgebreide dynamische pakket CHAR(10) Bibliotheeknaam an pakket Naam an het uitgebreide pakket met dynamische SQL-instructies Naam an de bibliotheek an het uitgebreide pakket dynamische SQL-instructies 92 5C BINARY(2) DRDA-indicator 0 - Verbonden met lokale RDB 1 - Verbonden met RDB op afstand 94 5E CHAR(1) Nieau an besturing an astleggen wijzigingen A - Nieau an astleggen an wijzigingen *ALL C - Nieau an astleggen an wijzigingen *CHANGE N - Nieau an astleggen an wijzigingen *NONE S - Nieau an astleggen an wijzigingen *CS (cursorstabiliteit) 95 5F CHAR(10) Standaard SQLdatabase Naam an de standaard SQL-database die wordt gebruikt door de iseries-databaseserer CHAR(129) Geresereerd Geresereerd oor toekomstige parameters 234 EA BINARY(4) Lengte an SQLinstructietekst Lengte an de SQL-instructietekst in het olgende eld. De lengte kan maximaal 32K zijn. 238 EE CHAR(*) SQL-instructietekst De olledige SQL-instructie Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZDAEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Het exit point QIBM_QZDA_ROI1 is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren oor opdrachten die gegeens oer bepaalde objecten oor de databaseserer ophalen. Het exit point wordt ook gebruikt oor SQL-catalogusfuncties. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 109
116 Dit exit point heeft twee opgegeen indelingen. Deze indelingen worden hieronder beschreen. Indeling ZDAR0100 wordt gebruikt oor opdrachten om gegeens op te halen oor de olgende objecten: Bibliotheek (of collectie) Bestand (of tabel) Veld (of kolom) Index Relationele database (of RDB) SQL-pakket Instructie SQL-pakket Bestandssectie Recordindeling Speciale kolommen Indeling ZDAR0200 wordt gebruikt oor opdrachten om gegeens op te halen oor de olgende objecten: Refererende sleutels Primaire sleutels Exit point QIBM_QZDA_ROI1 ZDAR0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de databaseserer is de waarde *RTVOBJINF CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor de olgende functies is de naam an de indeling ZDAR iseries: Client Access Express Beheer
117 28 1C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Dit eld beat een an de olgende waarden: Bibliotheekgegeens ophalen Gegeens relationele database ophalen SQLpakketgegeens ophalen SQLpakketinstructie ophalen Bestandsgegeens ophalen Gegeens bestandssectie ophalen Gegeens recordindeling ophalen Veldgegeens ophalen Indexgegeens ophalen 180B - Gegeens oer speciale kolom ophalen CHAR(20) Bibliotheeknaam De bibliotheek of het zoekpatroon dat wordt gebruikt wanneer gegeens worden opgehaald oer bibliotheken, pakketten, pakketinstructies, bestanden, secties, recordindelingen, elden, indexen en speciale kolommen CHAR(36) Naam relationele database De naam an de relationele database of het zoekpatroon dat wordt gebruikt om RDB-gegeens op te halen CHAR(20) Pakketnaam De pakketnaam of het zoekpatroon dat wordt gebruikt om gegeens oer een pakket of een pakketinstructie op te halen Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 111
118 108 6C CHAR(256) Bestandsnaam (SQLalias) De bestandsnaam of het zoekpatroon dat wordt gebruikt om gegeens oer bestanden, secties, recordindelingen, elden, indexen of speciale kolommen op te halen C CHAR(20) Sectienaam De sectienaam of het zoekpatroon dat wordt gebruikt om gegeens oer een bestandssectie op te halen CHAR(20) Naam indeling De sectienaam of het zoekpatroon dat wordt gebruikt om gegeens oer recordindeling op te halen Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZDAEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Exit point QIBM_QZDA_ROI1 ZDAR0200-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de databaseserer is de waarde *RTVOBJINF CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor de olgende functies is de naam an de indeling ZDAR C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Dit eld beat een an de olgende waarden: Gegeens oer de refererende sleutel ophalen 180A - Gegeens oer de primaire sleutel ophalen 112 iseries: Client Access Express Beheer
119 32 20 CHAR(10) Bibliotheeknaam an primaire sleuteltabel 42 2A CHAR(128) Tabelnaam an primaire sleutel (alias) 170 AA CHAR(10) Bibliotheeknaam an refererende sleuteltabel CHAR(128) Tabelnaam an refererende sleutel (alias) De naam an de bibliotheek die de primaire sleuteltabel beat die wordt gebruikt wanneer gegeens oer de primaire sleutel of de refererende sleutel worden opgehaald De naam an de tabel die de primaire sleutel beat die wordt gebruikt wanneer gegeens oer de primaire sleutel of de refererende sleutel worden opgehaald De naam an de bibliotheek die de refererende sleuteltabel beat die wordt gebruikt wanneer gegeens oer de primaire sleutel of de refererende sleutel worden opgehaald De naam an de tabel die de refererende sleutel beat die wordt gebruikt wanneer gegeens oer de refererende sleutel worden opgehaald Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZDAEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Gegeenswachtrijserer De gegeenswachtrijserer heeft een exit point opgegeen: QIBM_QZHQ_DATA_QUEUE ZHQ00100-indeling Het exit point QIBM_QZHQ_DATA_QUEUE is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren wanneer de olgende gegeenswachtrij-opdrachten worden ontangen: Query Ontangen Maken Verwijderen Verzenden Wissen Annuleren Bekijken Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 113
120 Exit Point QIBM_QZHQ_DATA_QUEUE ZHQ00100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de gegeenswachtrij is de sererwaarde *DATAQSRV CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_DATA_QUEUE is de naam an de indeling ZHQ C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Een query uitoeren op de kenmerken an een gegeenswachtrij Een bericht ontangen an een gegeenswachtrij Een gegeenswachtrij maken Een gegeenswachtrij erwijderen Een bericht naar een gegeenswachtrij sturen Berichten uit een gegeenswachtrij erwijderen Een aangehouden opdracht oor ontangst Een bericht ontangen an een gegeenswachtrij zonder deze te erwijderen CHAR(10) Objectnaam Gegeenswachtrijnaam 42 2A CHAR(10) Bibliotheeknaam Bibliotheek an gegeenswachtrij 114 iseries: Client Access Express Beheer
121 52 34 CHAR(2) Relationele bewerking Relationeel bewerkingsteken oor de bewerking die is ontangen an de sleutel bij de opdracht Geen operator EQ - Gelijk NE - Ongelijk GE - Groter dan of gelijk aan GT - Groter dan LE - Minder dan of gelijk aan LT - Minder dan BINARY(4) Lengte sleutel Lengte an sleutel opgegeen bij de opdracht 58 3A CHAR(256) Sleutelwaarde Lengte an sleutel opgegeen bij de opdracht Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZHQEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Netwerkafdrukserer De netwerkafdrukserer heeft twee exit points opgegeen: 1. QIBM_QNPS_ENTRY ENTR0100-indeling Opgeroepen bij het starten an de serer 2. QIBM_QNPS_SPLF SPLF0100-indeling Opgeroepen om een bestaand bestand oor gespoolde uitoer te erwerken Het exit point QIBM_QNPS_ENTRY is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren wanneer een netwerkafdrukserer wordt gestart. Het exitprogramma kan worden gebruikt om de toegang tot de serer te erifiùren. Raadpleeg oor meer gegeens Printer Deice Programming, SC Exit point QIBM_QNPS_ENTRY ENTR0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de netwerkafdrukserer is de waarde QNPSERVR. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 115
122 20 14 CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QNPS_ENTRY is de naam an de indeling ENTR C BINARY(4) Functie-ID De functie die wordt uitgeoerd Voor QIBM_QNPS_ENTRY is de waarde Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie ENPSEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Het exit point QIBM_QNPS_SPLF is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren nadat de netwerkafdrukserer een opdracht ontangt om een bestaand bestand oor gespoolde uitoer te erwerken. Het programma kan worden gebruikt om een functie op het spoolbestand uit te oeren, zoals het bestand per fax te erzenden. Raadpleeg oor meer gegeens Printer Deice Programming, SC Exit point QIBM_QNPS_SPLF SPLF0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de netwerkafdrukserer is de waarde QNPSERVR CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QNPS_SPLF is de naam an de indeling SPLF C BINARY(4) Functie-ID De functie die wordt uitgeoerd Voor QIBM_QNPS- _SPLF is de waarde 010D CHAR(10) Taaknaam De naam an de taak die het spoolbestand heeft gemaakt 42 2A CHAR(10) Gebruikersnaam Het gebruikersprofiel an de taak die het spoolbestand heeft gemaakt CHAR(6) Taaknummer Het nummer an de taak die het spoolbestand heeft gemaakt 58 3A CHAR(10) Naam spoolbestand De naam an het spoolbestand dat wordt aangeraagd 116 iseries: Client Access Express Beheer
123 68 44 BINARY(4) Nummer spoolbestand Het nummer an het spoolbestand dat wordt aangeraagd BINARY(4) Lengte De lengte an de exitprogrammagegeens an het spoolbestand 76 4C CHAR(*) Exitprogrammagegeens an het spoolbestand Exitprogrammagegeens an een spoolbestand bestaan uit aanullende gegeens die worden gebruikt door het exitprogramma dat is geregistreerd oor exit point QIBM_QNPS- _SPLF. De clienttoepassing erleent de exitprogrammagegeens an het spoolbestand. Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie ENPSEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Centrale Serer De centrale serer heeft drie exit points opgegeen: 1. QIBM_QZSC_LM ZSCL0100-indeling Aangeroepen opdrachten oor licentiebeheer 2. QIBM_QZSC_SM ZSCS0100-indeling Aangeroepen opdrachten oor systeembeheer 3. QIBM_QZSC_NLS ZSCN0100-indeling Aangeroepen opdrachten oor conersietabellen Het exit point QIBM_QZSC_LM is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren oor alle opdrachten oor licentiebeheer die zijn ontangen door de centrale serer. Exitprogramma QIBM_QZSC_LM ZSCL0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de centrale serer is de waarde *CNTRLSRV CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QZSC_LM is de naam an de indeling ZSCL0100. Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 117
124 28 1C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Dit eld beat een an de olgende waarden: Licentie aanragen Licentie rijgeen Licentiegegeens ophalen CHAR(255) Unieke clientnaam De unieke clientnaam wordt gebruikt om een specifiek werkstation in een netwerk te identificeren. Het gebruik an een gelicentieerd product wordt toegewezen aan een werkstation dat is geudentificeerd door de unieke clientnaam F CHAR(8) Poort an licentiegebruiker De poort an de licentiegebruiker wordt gebruikt om te controleren of de aanrager an de licentie en de rijgeer an de licentie hetzelfde zijn. Deze waarde moet identiek zijn aan de waarde die is aangeraagd bij het aanragen an de licentie CHAR(7) Product-ID Het ID an het product waaroor gelicentieerd gebruik wordt aangeraagd E CHAR(4) Feature-ID Het feature-id an het product CHAR(6) Release-ID De ersie, de release en het wijzigingsnieau an het product of de feature 118 iseries: Client Access Express Beheer
125 BINARY(2) Type informatie Het type informatie dat moet worden opgehaald. Het eld Type informatie is alleen geldig oor de functie Licentiegegeens ophalen Dit eld beat een an de olgende waarden: Basisgegeens licentie Gedetaileerde gegeens licentie Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZSCEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Het exit point QIBM_QZSC_SM is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren oor alle opdrachten oor clientbeheer die zijn ontangen door de centrale serer. Exitprogramma QIBM_QZSC_SM ZSCS0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de centrale serer is de waarde *CNTRLSRV CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QZSC_SM is de naam an de indeling ZSCS C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Dit eld beat een an de olgende waarden: Client actieren Client deactieren CHAR(255) Unieke clientnaam De naam an het werkstation an de client wordt toegewezen aan het gelicentieerde product Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 119
126 287 11F CHAR(255) Groepsnaam Het configuratieeld an de SNMPgroepsnaam wordt oor erificatie gebruikt E CHAR(1) Type knooppunt Het type erbinding 3 - Internet F CHAR(255) Naam knooppunt De naam an het knooppunt Voor een knooppunt type 3 moet de knooppuntnaam een internetadres zijn. Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZSCEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Het exit point QIBM_QZSC_NLS is opgegeen om een exitprogramma uit te oeren wanneer een centrale serer een opdracht ontangt oor het ophalen an een conersie-indeling. Exitprogramma QIBM_QZSC_NLS ZSCN0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de centrale serer is de waarde *CNTRLSRV CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QZSC_NLS is de naam an de indeling ZSCN C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Conersie-indeling ophalen BINARY(4) Vanaf CCSID (Coded Character Set Identifier) CCSID an bestaande gegeens BINARY(4) Naar CCSID (Coded Character Set Identifier) CCSID waarnaar de gegeens worden geconerteerd BINARY(2) Type conersie Opgegeen type indeling: Omloop Verangende indeling Best passende indeling 120 iseries: Client Access Express Beheer
127 Opm:. Deze indeling is opgegeen door sectie EZSCEP in bestanden H, QRPGSRC, QRPGLESRC, QLBLSRC en QCBLLESRC in bibliotheek QSYSINC. Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen De serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen heeft een exit point opgegeen: QIBM_QZRC_RMT CZRC0100-indeling Het exit point QIBM_QZRC_RMT is opgegeen om een programma aan te roepen oor opdrachten op afstand of oor gedistribueerde programma-aanroepen. De indeling an de parameterelden erschillen per type opdracht. Opdrachten op afstand oor exit point QIBM_QZRC_RMT CZRC0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de serer oor opdrachten op afstand is de waarde *RMTSRV CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QZRC_RMT is de naam an de indeling CZRC C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Opdracht op afstand CHAR(10) Geresereerd Deze optie wordt niet gebruikt oor het aanroepen an opdrachten op afstand 42 2A CHAR(10) Geresereerd Deze optie wordt niet gebruikt oor het aanroepen an opdrachten op afstand BINARY(4) Lengte an het olgende eld De lengte an de olgende opdrachtreeks CHAR (6000) Opdrachtreeks De opdrachtreeks oor het aanroepen an opdrachten op afstand Opdrachten oor gedistribueerde programma-aanroepen oor exit point QIBM_QZRC_RMT CZRC0100-indeling Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 121
128 Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat de serer aanroept 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de serer oor gedistribueerde programmaaanroepen is de waarde *RMTSRV CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QZRC_RMT is de naam an de indeling CZRC C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Gedistribueerde programmaaanroep CHAR(10) Programmanaam Naam an het programma dat wordt aangeroepen 42 2A CHAR(10) Bibliotheeknaam Bibliotheek an het opgegeen programma BINARY(4) Aantal parameters Het totaal aantal parameters oor de programma-aanroep. Deze optie geeft niet altijd het olgende aantal parameters aan. 122 iseries: Client Access Express Beheer
129 56 38 CHAR(*) Parametergegeens Gegeens oer de parameters die zijn doorgegeen aan het opgegeen programma. Alle parameterreeksen hebben de olgende indeling ongeacht het type parametergebruik. Het laatste eld in de structuur is opgegeen oor inoer/uitoer-typen an het parametergebruik. BINARY(4) - Lengte an parametergegeens oor deze parameter BINARY(4) - Maximumlengte an de parameter BINARY(2) - Type parametergebruik 1 - Inoer 2 - Uitoer 3 - Inoer/uitoer CHAR(*) - Parameterreeks De maximumlengte an de parametergegeens is 6000 bytes. Als de parametergegeens langer zijn dan 6000 bytes, worden de gegeens afgekapt. Aanmeldingsserer De Aanmeldingsserer heeft een exit point opgegeen: QIBM_QZSO_SIGNONSRV ZSOY0100-indeling Het exit point QIBM_QZSO_SIGNONSRV is opgegeen om een exit point-programma uit te oeren wanneer de olgende aanragen an de Aanmeldingsserer worden ontangen: Aanmeldingsgegeens ophalen Wachtwoord wijzigen Verificatietoken maken Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 123
130 Exit point QIBM_QZSO_SIGNONSRV ZSOY0100-indeling Offset Dec Hex Type Veld Beschrijing 0 0 CHAR(10) Naam gebruikersprofiel De naam an het gebruikersprofiel dat hoort bij de opdracht 10 A CHAR(10) Serer-ID Voor de aanmeldingsserer is de waarde *SIGNON CHAR(8) Naam indeling De gebruikte naam an de userexitindeling. Voor QIBM_QZSO_SIGNONSRV is de naam an de indeling ZSOY C BINARY(4) Aangeraagde functie De functie die wordt uitgeoerd Aanmeldingsgegeens ophalen Wachtwoord wijzigen Verificatietoken maken Voorbeelden an userexit-programma s De oorbeelden an userexit-programma s in dit gedeelte laten niet alle mogelijke programmeeraspecten of technieken zien, maar u kunt de oorbeelden bekijken oordat u begint met ontwerpen en codering. Userexit-programma s maken met RPG/400 Userexitprogramma s maken met CL (Control Language) Userexitprogramma s maken met RPG/400 Het olgende oorbeeld illustreert hoe u een userexitprogramma installeert met RPG/400*. ** ** OS/400-SERVERS - VOORBEELD USEREITPROGRAMMA ** ** HET VOLGENDE RPG/400-PROGRAMMA ACCEPTEERT ZONDER MEER ** ALLE OPDRACHTEN. HET KAN GEBRUIKT WORDEN ALS EEN SHELL ** VOOR SPECIFIEKE TOEPASSINGEN. OPMERKING: VERWIJDER DE ** SUBROUTINES EN CASUSINSTRUCTIES VOOR DE SERVERS ** DIE GEEN SPECIFIEKE HANDELINGEN VOOR HET BE INDIGEN ** VAN HET PROGRAMMA VEREISEN VOOR EEN BETERE PRESTATIE. ** E* E* NOODZAKELIJKE ARRAYDEFINITIES VOOR TRANSFERFUNCTIE E* EN SQL OP AFSTAND E* E TFREQ E RSREQ I* I* IPCSDTA DS I 1 10 USERID I APPLID 124 iseries: Client Access Express Beheer
131 I* I* SPECIFIEKE PARAMETERS VOOR VIRTUELE PRINTER I* I VPFUNC I VPOBJ I VPLIB I VPIFN I VPOUTQ I VPQLIB I* I* SPECIFIEKE PARAMETERS VOOR BERICHTENVOORZIENINGFUNCTIE I MFFUNC I* I* SPECIFIEKE PARAMETERS VOOR OVERDRACHTSFUNCTIE I* I TFFUNC I TFOBJ I TFLIB I TFMBR I TFFMT I TFLEN I TFREQ I* I* SPECIFIEKE PARAMETERS VOOR BESTANDSSERVER I* I* OPMERKING: FSNAME KAN WEL l6mb ZIJN. I* FSNLEN BEVAT DE WARE GROOTTE VAN FSNAME. I* I B FSFID I FSFMT I FSREAD I FSWRIT I FSRDWR I FSDLT I B FSNLEN I FSNAME I* I* SPECIFIEKE PARAMETERS VOOR GEGEVENSWACHTRIJEN I* I DQFUNC I DQQ I DQLIB I DQLEN I DQROP I DQKLEN I DQKEY I* I* SPECIFIEKE PARAMETERS VOOR SQL OP AFSTAND I* I RSFUNC I RSOBJ I RSLIB I RSCMT I RSMODE I RSCID I RSSTN I RSRSV I RSREQ I* I* SPECIFIEKE PARAMETERS VOOR NETWERKAFDRUKSERVER I* I NPFT I B NPFID I* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE SPLF0l00-INDELING I NPJOBN I NPUSRN I NPJOB# Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 125
132 I NPFILE I B NPFIL# I B NPLEN I NPDATA I* I* Gegeenswachtrijserer: I* I* QIBM_QZHQ_DATA_QUEUE ZHQ00100-indeling I* I DQOFMT I B DQOFID I DQOOBJ I DQOLIB I DQOROP I B DQOLEN I DQOKEY I* I* Specifieke PARAMETERS VOOR CENTRALE SERVER I* I CSFMT I B CSFID I* Centrale serer: I* I* QIBM_QZSC_LM ZSCL0l00-indeling oor oproepen oor licentiebeheer I* I CSLCNM I CSLUSR I CSLPID I CSLFID I CSLRID I B CSLTYP I* I* Centrale serer: I* I* QIBM_QZSC_LM ZSCS0l00-indeling oor oproepen oor systeembeheer I* I* I CSSCNM I CSSCMY I CSSNDE I CSSNNM I* I* Centrale serer: I* I* QIBM_QZSC_LM ZSCN0l00-indeling oor oproepen oor het ophalen an conersie-indeling I* I* I CSNFM I CSNFNC I B CSNFRM I B CSNTO I B CSNCNT I* I* SPEClFIEKE PARAMETERS VOOR DATABASESERVER I* I DBFMT I B DBFID I* I* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR ZDAD0l00-INDELING I DBDFIL I DBDLIB I DBDMBR I DBDAUT I DBDBFL I DBDBLB 126 iseries: Client Access Express Beheer
133 I DBDOFL I DBDOLB I DBDOMB I* I* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR ZDAD0200-INDELING I B DBNUM I DBLIB2 I* I* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR ZDAQ0l00-INDELING I DBSTMT I DBCRSR I DBOPI I DBATTR I DBPKG I DBPLIB I B DBDRDA I DBCMT I DBTET I* DE VOLGENDE PARAMETERS VERVANGEN DBTEKST VOOR ZDAQ0200-INDELING I DBSQCL I B DBSQLN I DBSQT I* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR ZDAR0l00-INDELING I DBLIBR I DBRDBN I DBPKGR I DBFILR I DBMBRR I DBFFT I* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR ZDAR0200-INDELING I DBRPLB I DBRPTB I DBRFLB I DBRFTB I* I* Serer oor opdrachten op afstand en gedistribueerde programma-aanroepen: I* I* QIBM_QZRC_RMT CZRC0100-INDELING I* RCPGM EN RCLIB WORDEN NIET GEBRUIKT VOOR OPDRACHTOPROEPEN OP AFSTAND I* I RCFMT I B RCFID I RCPGM I RCLIB I B RCNUM I RCDATA I* I* Aanmeldingsserer: I* I* QIBM_QZSO_SIGNONSRV ZSOY0l00-indeling oor TCP/IP-aanmeldingsserer I* I SOFMT I B SOFID I* I*************************************************************** I* I '*VPRT ' C #VPRT I '*TFRFCL ' C #TRFCL I '*FILESRV ' C #FILE I '*MSGFCL ' C #MSGF I '*DQSRV ' C #DQSRV I '*RQSRV ' C #RQSRV I '*SQL ' C #SQL I '*NDB ' C #NDBSV I '*SQLSRV ' C #SQLSV I '*RTVOBJINF' C #RTVOB Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 127
134 I '*DATAQSRV ' C #DATAQ I '*QNPSERVR ' C #QNPSV I '*CNTRLSRV ' C #CNTRL I '*RMTSRV ' C #RMTSV I '*SIGNON ' C #SIGN I* C* C* OPROEPPARAMETERS VAN EITPROGRAMMA C* C *ENTRY PLIST C PARM RTNCD 1 C PARM PCSDTA C* C* RETOURCODE INITIALISEREN OM OPDRACHT TE ACCEPTEREN C* C MOVE '1' RTNCD C* C* GEMEENSCHAPPELIJKE VERWERKING C* C* GEMEENSCHAPPELIJKE LOGICA HIER PLAATSEN C* C* OP SERVER-ID GEBASEERD PROCES C* C APPLID CASEQ#VPRT VPRT C APPLID CASEQ#TRFCL TFR C APPLID CASEQ#FILE FILE C APPLID CASEQ#MSGF MSG C APPLID CASEQ#DQSRV DATAQ C APPLID CASEQ#RQSRV RSQL C APPLID CASEQ#SQL SQLINT C APPLID CASEQ#NDBSV NDB C APPLID CASEQ#SQLSV SQLSRV C APPLID CASEQ#RTVOB RTVOBJ C APPLID CASEQ#DATAQ ODATAQ C APPLID CASEQ#QNPSV NETPRT C APPLID CASEQ#CNTRL CENTRL C APPLID CASEQ#RMTSV RMTCMD C APPLID CASEQ#SIGN SIGNON C END C SETON LR C RETRN C* C* SUBROUTINES C* C* C* VIRTUELE AFDRUK C* C VPRT BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* OVERDRACHTSFUNCTIE C* C* HET VOLGENDE IS EEN VOORBEELD VAN EEN SPECIFIEKE VERWERKING C* DIE HET EITPROGRAMMA ZOU KUNNEN UITVOEREN VOOR OVERDRACHTSFUNCTIE C* C* IN DIT GEVAL IS HET GEBRUIKERS NIET TOEGESTAAN GEGEVENS C* TE SELECTEREN UIT BESTANDEN DIE ZICH IN DE QIWS-BIBLIOTHEEK BEVINDEN C* C TFR BEGSR C TFFUNC IFEQ 'SELECT' C TFLIB ANDEQ'QIWS' C MOVE '0' RTNCD C END 128 iseries: Client Access Express Beheer
135 C ENDSR C* C* C* BESTANDSSERVER C* C FILE BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* BERICHTENVOORZIENINGSFUNCTIE C* C MSG BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* GEGEVENSWACHTRIJEN C* C DATAQ BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* SQL OP AFSTAND C* C RSQL BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* SERVERS C* C* C* DATABASE INIT C* C SQLINT BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* DATABASE NDB (NATIVE DATABASE) C* C NDB BEGSR C* SFECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* DATABASE SQL C* C SQLSRV BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* INFORMATIE OPHALEN DATABASEOBJECT C* C RTVOBJ BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* GEGEVENSWACHTRIJSERVER C* C ODATAQ BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* NETWORKAFDRUK C* C NETPRT BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* CENTRALE SERVER Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 129
136 C* C* C* HET VOLGENDE IS EEN VOORBEELD VAN EEN SPECIFIEKE VERWERKING C* DIE HET EITPROGRAM ZOU KUNNEN UITVOEREN VOOR LICENTIEBEHEER C* C* IN DIT GEVAL ZAL DE GEBRUIKER "USERALL" NIET WORDEN TOEGESTAAN C* FUNCTIES UIT TE VOEREN WAARIN WORDT VOORZIEN DOOR DE C* CENTRALE SERVER WAARVOOR DIT PROGRAMMA EEN GEREGISTREERD C* EITPROGRAMMA IS - LICENTIE-INFORMATIE, SYSTEEMBEHEER C* OF EEN CONVERSIE-INDELING OPHALEN. C* C CENTRL BEGSR C USERID IFEQ 'USERALL' C MOVE '0' RTNCD C ENDIF C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR C* C* OPDRACHT OP AFSTAND/GEDISTRIBUEERDE PROGRAMMA-AANROEP C* C* IN DIT GEVAL ZAL DE GEBRUIKER USERALL NIET WORDEN TOEGESTAAN C* OPDRACHTEN OF PROGRAMMA-AANROEPEN OP AFSTAND UIT TE VOEREN C* C RMTCMD BEGSR C USERID IFEQ USERALL C MOVE 0 RTNCD C ENDIF C ENDSR C* C* AANMELDINGSSERVER C* C SIGNON BEGSR C* SPECIFIEKE LOGICA HIER PLAATSEN C ENDSR Userexitprogramma s maken met CL (Control Language) Het olgende oorbeeld illustreert hoe u een CL-userexitprogramma installeert. /******************************************************************/ /* */ /* iseries SERVERS- VOORBEELD USEREITPROGRAMMA */ /* */ /* HET VOLGENDE CONTROL LANGUAGE-PROGRAMMA ACCEPTEERT ZONDER MEER */ /* ALLE OPDRACHTEN. HET KAN GEBRUIKT WORDEN ALS EEN SHELL VOOR */ /* HET ONTWIKKELEN VAN EITPROGRAMMA'S DIE GEHEEL ZIJN AANGEPAST */ /* AAN UW GEBRUIKERSOMGEVING */ /* */ /* */ /******************************************************************/ PGM PARM(&STATUS &REQUEST) /********************/ /* */ /* PROGRAM CALL PARAMETER DECLARATIONS */ /* */ /********************/ DCL VAR(&STATUS) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Accept/Reject indicator */ /* */ /* Opmerking: Request wordt beschouwd als *CHAR LEN(2000) omdat dat de limiet */ 130 iseries: Client Access Express Beheer
137 /* is in CL. De eigenlijke lengte an REQUEST is */ /* */ DCL VAR(&REQUEST) TYPE(*CHAR) LEN(2000) /* Parameter structure */ /***********************************/ /* */ /* PARAMETER DECLARES */ /* */ /***********************************/ /* COMMON DECLARES */ DCL VAR(&USER) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* User ID */ DCL VAR(&APPLIC) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Serer ID */ DCL VAR(&FUNCTN) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Functie die wordt uitgeoerd */ /* VIRTUAL PRINT DECLARES */ DCL VAR(&VPOBJ) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Objectnaam */ DCL VAR(&VPLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Objectbibliotheeknaam */ DCL VAR(&VPLEN) TYPE(*DEC) LEN(5 0) /* Lengte an olgende elden*/ DCL VAR(&VPOUTQ) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Naam uitoerwachtrij */ DCL VAR(&VPQLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Bibliotheeknaam an de uitoerwachtrij */ /* TRANSFER FUNCTION DECLARES */ DCL VAR(&TFOBJ) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Objectnaam */ DCL VAR(&TFLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Naam objectbibliotheek */ DCL VAR(&TFMBR) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Sectienaam */ DCL VAR(&TFFMT) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Naam recordindeling */ DCL VAR(&TFLEN) TYPE(*DEC) LEN(5 0) /* Lengte an de opdracht */ DCL VAR(&TFREQ) TYPE(*CHAR) LEN(1925) /* Instructie oerdrachtsopdracht*/ /* FILE SERVER DECLARES */ DCL VAR(&FSFID) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Functie-ID */ DCL VAR(&FSFMT) TYPE(*CHAR) LEN(8) /* Parameterindeling */ DCL VAR(&FSREAD) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Open oor lezen */ DCL VAR(&FSWRITE) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Open oor schrijen */ DCL VAR(&FSRDWRT) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Open oor lezen/schrijen */ DCL VAR(&FSDLT) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Open oor wissen */ DCL VAR(&FSLEN) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* lengte fnaam */ DCL VAR(&FSNAME) TYPE(*CHAR) LEN(2000) /* Gekwalificeerde bestandsnaam */ /* DATA QUEUE DECLARES */ DCL VAR(&DQQ) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Naam gegeenswachtrij */ DCL VAR(&DQLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Bibliotheeknaam gegeenswachtrij */ DCL VAR(&DQLEN) TYPE(*DEC) LEN(5 0) /* Totale lengte an opdracht */ DCL VAR(&DQROP) TYPE(*CHAR) LEN(2) /* Relationeel bewerkingsteken */ DCL VAR(&DQKLEN) TYPE(*DEC) LEN(5 0) /* Sleutellengte */ DCL VAR(&DQKEY) TYPE(*CHAR) LEN(256) /* Sleutelwaarde */ /* REMOTE SQL DECLARES */ DCL VAR(&RSOBJ) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Objectnaam */ DCL VAR(&RSLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Naam objectbibliotheek */ DCL VAR(&RSCMT) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Besturingsnieau oor astleggen an wijzigingen */ DCL VAR(&RSMODE) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Blokkeren/Bijwerken an modusindicator */ DCL VAR(&RSCID) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Cursor-ID */ DCL VAR(&RSSTN) TYPE(*CHAR) LEN(18) /* Naam instructie */ DCL VAR(&RSRSU) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Geresereerd */ DCL VAR(&RSREQ) TYPE(*CHAR) LEN(1925)/* SQL-instructie */ /* NETWORK PRINT SERVER DECLARES */ DCL VAR(&NPFMT) TYPE(*CHAR) LEN(8) /* Naam indeling */ DCL VAR(&NPFID) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Functie-ID */ /* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE SPLF0l00-INDELING */ DCL VAR(&NPJOBN) TYPE(*CHAR) LEN(10)/* Taaknaam */ Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 131
138 DCL VAR(&NPUSRN) TYPE(*CHAR) LEN(10)/* Gebruikersnaam */ DCL VAR(&NPJOB#) TYPE(*CHAR) LEN(6) /* Taaknummer */ DCL VAR(&NPFILE) TYPE(*CHAR) LEN(10)/* Bestandsnaam */ DCL VAR(&NPFIL#) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Bestandsnummer */ DCL VAR(&NPLEN) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Lengte gegeens */ DCL VAR(&NPDATA) TYPE(*CHAR) LEN(2000) /* Gegeens */ DCL VAR(&DBNUM) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Aantal bibliotheken */ DCL VAR(&DBLIB2) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Bibliotheeknaam */ /* DATA QUEUE SERVER DECLARES */ DCL VAR(&DQFMT) TYPE(*CHAR) LEN(8) /* Naam indeling */ DCL VAR(&DQFID) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Functie-ID */ DCL VAR(&DQOOBJ) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Objectnaam */ DCL VAR(&DQOLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Bibliotheeknaam */ DCL VAR(&DQOROP) TYPE(*CHAR) LEN(2) /* Relationeel bewerkingsteken */ DCL VAR(&DQOLEN) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Sleutellengte */ DCL VAR(&DQOKEY) TYPE(*CHAR) LEN(256) /* Sleutel */ /* CENTRAL SERVER DECLARES */ DCL VAR(&CSFMT) TYPE(*CHAR) LEN(8) /* Naam indeling */ DCL VAR(&CSFID) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Functie-ID */ /* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE ZSCL0100-INDELING */ DCL VAR(&CSCNAM) TYPE(*CHAR) LEN(255) /* Unieke clientnaam */ DCL VAR(&CSLUSR) TYPE(*CHAR) LEN(8) /* Licentiegebruikerspoort */ DCL VAR(&CSPID) TYPE(*CHAR) LEN(7) /* Product-ID */ DCL VAR(&CSFID) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Voorzienings-ID */ DCL VAR(&CSRID) TYPE(*CHAR) LEN(6) /* Release-ID */ DCL VAR(&CSTYPE) TYPE(*CHAR) LEN(2) /* Type ereiste informatie */ /* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE ZSCS0100-INDELING */ DCL VAR(&CSCNAM) TYPE(*CHAR) LEN(255) /* Unieke clientnaam */ DCL VAR(&CSCMTY) TYPE(*CHAR) LEN(255) /* Groepsnaam */ DCL VAR(&CSNODE) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Type knooppunt */ DCL VAR(&CSNNAM) TYPE(*CHAR) LEN(255) /* Knooppuntnaam */ /* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE ZSCN0100-INDELING */ DCL VAR(&CSFROM) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Vanaf CCSID */ DCL VAR(&CSTO) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Tot CCSID */ DCL VAR(&CSCTYP) TYPE(*CHAR) LEN(2) /* Conersietype */ /* DATABASE SERVER DECLARES */ DCL VAR(&DBFMT) TYPE(*CHAR) LEN(8) /* Naam indeling */ DCL VAR(&DBFID) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Functie-ID */ /* THE FOLLOWING PARAMETERS ADDITIONAL FOR FORMAT ZDAD0100 */ DCL VAR(&DBFILE) TYPE(*CHAR) LEN(128) /* Bestandsnaam */ DCL VAR(&DBLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Bibliotheeknaam */ DCL VAR(&DBMBR) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Sectienaam */ DCL VAR(&DBAUT) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Machtiging oor doelbestand */ DCL VAR(&DBBFIL) TYPE(*CHAR) LEN(128) /* Naam uitgangsbestand */ DCL VAR(&DBBLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Naam uitgangsbibliotheek */ DCL VAR(&DBOFIL) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Bestandsnaam erangen */ DCL VAR(&DBOLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Bibliotheeknaam erangen */ DCL VAR(&DBOMBR) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Sectienaam erangen */ /* THE FOLLOWING PARAMETERS ADDITIONAL FOR FORMAT ZDAD0200 */ DCL VAR(&DBNUM) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Aantal bibliotheken */ DCL VAR(&DBLIB2) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Bibliotheeknaam */ /* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE ZDAQ0100-INDELING */ DCL VAR(&DBSTMT) TYPE(*CHAR) LEN(18) /* Naam instructie */ DCL VAR(&DBCRSR) TYPE(*CHAR) LEN(18) /* Cursornaam */ DCL VAR(&DBOPT) TYPE(*CHAR) LEN(2) /* Optie gereedmaken DCL VAR(&DBATTR) TYPE(*CHAR) LEN(2) /* Open kenmerken */ DCL VAR(&DBPKG) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Pakketnaam */ DCL VAR(&DBPLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Pakketbibliotheeknaam */ 132 iseries: Client Access Express Beheer
139 DCL VAR(&DBDRDA) TYPE(*CHAR) LEN(2) /* DRDA-indicator */ DCL VAR(&DBCMT) TYPE(*CHAR) LEN(1) /* Vastleggen an wijzigingen in stuurnieau */ DCL VAR(&DBTET) TYPE(*CHAR) LEN(512) /* Eerste 512 bytes an stmt */ /* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE ZDAR0100-INDELING */ DCL VAR(&DBLIBR) TYPE(*CHAR) LEN(20) /* Bibliotheeknaam */ DCL VAR(&DBRDBN) TYPE(*CHAR) LEN(36) /* Naam relationele database */ DCL VAR(&DBPKGR) TYPE(*CHAR) LEN(20) /* Pakketnaam */ DCL VAR(&DBFILR) TYPE(*CHAR) LEN(256) /* Bestandsnaam (SQL-alias) */ DCL VAR(&DBMBRR) TYPE(*CHAR) LEN(20) /* Sectienaam */ DCL VAR(&DBFFMT) TYPE(*CHAR) LEN(20) /* Naam indeling */ /* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE ZDAR0200-INDELING */ DCL VAR(&DBPLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Toetstabelbibliotheek DCL VAR(&DBPTBL) TYPE(*CHAR) LEN(128) /* Toetstabel */ DCL VAR(&DBFLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Externe sorteerkolom tabelbibliotheek */ DCL VAR(&DBFTBL) TYPE(*CHAR) LEN(128) /* Externe sorteerkolom tabel */ /* REMOTE COMMAND SERVER DECLARES */ DCL VAR(&RCFMT) TYPE(*CHAR) LEN(8) /* Naam indeling */ DCL VAR(&RCFID) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Functie-ID */ DCL VAR(&RCPGM) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Programmanaam */ DCL VAR(&RCLIB) TYPE(*CHAR) LEN(10) /* Programmabibliotheeknaam */ DCL VAR(&RCNUM) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Aantal parms of cmdlen */ DCL VAR(&RCDATA) TYPE(*CHAR) LEN(6000)/* Opdrachtreeks nor parms */ /* SIGNON SERVER DECLARES */ DCL VAR(&SOFMT) TYPE(*CHAR) LEN(8) /* Naam indeling */ DCL VAR(&SOFID) TYPE(*CHAR) LEN(4) /* Functie-ID */ /***********************************/ /* */ /* OTHER DECLARES */ /* */ /**********************************/ DCL VAR(&WRKLEN) TYPE(*CHAR) LEN(5) DCL VAR(&DECLEN) TYPE(*DEC) LEN(8 0) /**********************************/ /* */ /* ETRACT THE VARIOUS PARAMETERS FROM THE STRUCTURE */ /* */ /*************************/ /* HEADER */ CHGVAR VAR(&USER) VALUE(%SST(&REQUEST 1 10)) CHGVAR VAR(&APPLIC) VALUE(%SST(&REQUEST 11 10)) CHGVAR VAR(&FUNCTN) VALUE(%SST(&REQUEST 21 10)) /* VIRTUAL PRINTER */ CHGVAR VAR(&VPOBJ) VALUE(%SST(&REQUEST 31 10)) CHGVAR VAR(&VPLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 41 10)) CHGVAR VAR(&WRKLEN) VALUE(%SST(&REQUEST 71 5)) CHGVAR VAR(&VPLEN) VALUE(%BINARY(&WRKLEN 1 4)) CHGVAR VAR(&VPOUTQ) VALUE(%SST(&REQUEST 76 10)) CHGVAR VAR(&VPQLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 86 10)) /* TRANSFER FUNCTION */ CHGVAR VAR(&TFOBJ) VALUE(%SST(&REQUEST 31 10)) CHGVAR VAR(&TFLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 41 10)) CHGVAR VAR(&TFMBR) VALUE(%SST(&REQUEST 51 10)) CHGVAR VAR(&TFFMT) VALUE(%SST(&REQUEST 61 10)) Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 133
140 CHGVAR VAR(&WRKLEN) VALUE(%SST(&REQUEST 71 5)) CHGVAR VAR(&TFLEN) VALUE(%BINARY(&WRKLEN 1 4)) CHGVAR VAR(&TFREQ) VALUE(%SST(&REQUEST )) /* FILE SERVER */ CHGVAR VAR(&FSFID) VALUE(%SST(&REQUEST 21 4)) CHGVAR VAR(&FSFMT) VALUE(%SST(&REQUEST 25 8)) CHGVAR VAR(&FSREAD) VALUE(%SST(&REQUEST 33 1)) CHGVAR VAR(&FSWRITE) VALUE(%SST(&REQUEST 34 1)) CHGVAR VAR(&FSRDWRT) VALUE(%SST(&REQUEST 35 1)) CHGVAR VAR(&FSDLT) VALUE(%SST(&REQUEST 36 1)) CHGVAR VAR(&FSLEN) VALUE(%SST(&REQUEST 37 4)) CHGVAR VAR(&DECLEN) VALUE(%BINARY(&FSLEN 1 4)) CHGVAR VAR(&FSNAME) VALUE(%SST(&REQUEST 41 &DECLEN)) /* DATA QUEUES */ CHGVAR VAR(&DQQ) VALUE(%SST(&REQUEST 31 10)) CHGVAR VAR(&DQLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 41 10)) CHGVAR VAR(&WRKLEN) VALUE(%SST(&REQUEST 71 5)) CHGVAR VAR(&DQLEN) VALUE(%BINARY(&WRKLEN 1 4)) CHGVAR VAR(&DQROP) VALUE(%SST(&REQUEST 76 2)) CHGVAR VAR(&WRKLEN) VALUE(%SST(&REQUEST 78 5)) CHGVAR VAR(&DQKLEN) VALUE(&WRKLEN) CHGVAR VAR(&DQKEY) VALUE(%SST(&REQUEST 83 &DQKLEN)) /* REMOTE SQL */ CHGVAR VAR(&RSOBJ) VALUE(%SST(&REQUEST 31 10)) CHGVAR VAR(&RSLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 41 10)) CHGVAR VAR(&RSCMT) VALUE(%SST(&REQUEST 51 1)) CHGVAR VAR(&RSMODE) VALUE(%SST(&REQUEST 52 1)) CHGVAR VAR(&RSCID) VALUE(%SST(&REQUEST 53 1)) CHGVAR VAR(&RSSTN) VALUE(%SST(&REQUEST 54 18)) CHGVAR VAR(&RSRSU) VALUE(%SST(&REQUEST 72 4)) CHGVAR VAR(&RSREQ) VALUE(%SST(&REQUEST )) /* NETWORK PRINT SERVER */ CHGVAR VAR(&NPFMT) VALUE(%SST(&REQUEST 21 8)) CHGVAR VAR(&NPFID) VALUE(%SST(&REQUEST 29 4)) /* IF FORMAT IS SPLF0100 */ IF COND(&NPFMT *EQ 'SPLF0100') THEN(DO) CHGVAR VAR(&NPJOBN) VALUE(%SST(&REQUEST 33 10)) CHGVAR VAR(&NPUSRN) VALUE(%SST(&REQUEST 43 10)) CHGVAR VAR(&NPJOB#) VALUE(%SST(&REQUEST 53 6)) CHGVAR VAR(&NPFILE) VALUE(%SST(&REQUEST 59 10)) CHGVAR VAR(&NPFIL#) VALUE(%SST(&REQUEST 69 4)) CHGVAR VAR(&NPLEN) VALUE(%SST(&REQUEST 73 4)) CHGVAR VAR(&DECLEN) VALUE(%BINARY(&NPLEN 1 4)) CHGVAR VAR(&NPDATA) VALUE(%SST(&REQUEST 77 &DECLEN)) ENDDO /* DATA QULUE SERVER */ CHGVAR VAR(&DQFMT) VALUE(%SST(&REQUEST 21 8)) CHGVAR VAR(&DQFID) VALUE(%SST(&REQUEST 29 4)) CHGVAR VAR(&DQOOBJ) VALUE(%SST(&REQUEST 33 10)) CHGVAR VAR(&DQOLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 43 10)) CHGVAR VAR(&DQOROP) VALUE(%SST(&REQUEST 53 2)) CHGVAR VAR(&DQOLEN) VALUE(%SST(&REQUEST 55 4)) CHGVAR VAR(&DQOKEY) VALUE(%SST(&REQUEST )) /* CENTRAL SERVER */ CHGVAR VAR(&CSFMT) VALUE(%SST(&REQUEST 21 8)) CHGVAR VAR(&CSFID) VALUE(%SST(&REQUEST 29 4)) 134 iseries: Client Access Express Beheer
141 /* IF FORMAT IS ZSCL0100 */ IF COND(&CSFMT *EQ 'ZSCL0100') THEN(DO) CHGVAR VAR(&CSCNAM) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&CSLUSR) VALUE(%SST(&REQUEST 288 8)) CHGVAR VAR(&CSPID) VALUE(%SST(&REQUEST 296 7)) CHGVAR VAR(&CSFID) VALUE(%SST(&REQUEST 303 4)) CHGVAR VAR(&CSRID) VALUE(%SST(&REQUEST 307 6)) CHGVAR VAR(&CSTYPE) VALUE(%SST(&REQUEST 313 2)) ENDDO /* IF FORMAT IS ZSCS0100 */ IF COND(&CSFMT *EQ 'ZSCS0100') THEN(DO) CHGVAR VAR(&CSCNAM) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&CSCMTY) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&CSNODE) VALUE(%SST(&REQUEST 543 1)) CHGVAR VAR(&CSNNAM) VALUE(%SST(&REQUEST )) ENDDO /* IF FORMAT IS ZSCN0100 */ IF COND(&CSFMT *EQ 'ZSCN0100') THEN(DO) CHGVAR VAR(&CSFROM) VALUE(%SST(&REQUEST 33 4)) CHGVAR VAR(&CSTO) VALUE(%SST(&REQUEST 37 4)) CHGVAR VAR(&CSCTYP) VALUE(%SST(&REQUEST 41 2)) ENDDO /* DATABASE SERVER */ CHGVAR VAR(&DBFMT) VALUE(%SST(&REQUEST 21 8)) CHGVAR VAR(&DBFID) VALUE(%SST(&REQUEST 29 4)) /* IF FORMAT IS ZDAD0100 */ IF COND(&CSFMT *EQ 'ZDAD0100') THEN(DO) CHGVAR VAR(&DBFILE) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBLIB) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBMBR) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBAUT) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBBFIL) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBBLIB) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBOFIL) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBOLIB) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBOMBR) VALUE(%SST(&REQUEST )) ENDDO /* IF FORMAT IS ZDAD0200 */ IF COND(&CSFMT *EQ 'ZDAD0200') THEN(DO) CHGVAR VAR(&DBNUM) VALUE(%SST(&REQUEST 33 4)) CHGVAR VAR(&DBLIB2) VALUE(%SST(&REQUEST 37 10)) ENDDO /* IF FORMAT IS ZDAQ0100 */ IF COND(&CSFMT *EQ 'ZDAQ0100') THEN DO CHGVAR VAR(&DBSTMT) VALUE(%SST(&REQUEST 33 18)) CHGVAR VAR(&DBCRSR) VALUE(%SST(&REQUEST 51 18)) CHGVAR VAR(&DBSOPT) VALUE(%SST(&REQUEST 69 2)) CHGVAR VAR(&DBATTR) VALUE(%SST(&REQUEST 71 2)) CHGVAR VAR(&DBPKG) VALUE(%SST(&REQUEST 73 10)) CHGVAR VAR(&DBPLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 83 10)) CHGVAR VAR(&DBDRDA) VALUE(%SST(&REQUEST 93 2)) CHGVAR VAR(&DBCMT) VALUE(%SST(&REQUEST 95 1)) CHGVAR VAR(&DBTET) VALUE(%SST(&REQUEST )) ENDDO Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 135
142 /* IF FORMAT IS ZDAR0100 */ IF COND(&CSFMT *EQ 'ZDAR0100') THEN DO CHGVAR VAR(&DBLIBR) VALUE(%SST(&REQUEST 33 20)) CHGVAR VAR(&DBRDBN) VALUE(%SST(&REQUEST 53 36)) CHGVAR VAR(&DBPKGR) VALUE(%SST(&REQUEST 69 2)) CHGVAR VAR(&DBATTR) VALUE(%SST(&REQUEST 89 20)) CHGVAR VAR(&DBFULR) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBMBRR) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBFFMT) VALUE(%SST(&REQUEST )) ENDDO /* DE VOLGENDE PARAMETERS ZIJN ETRA VOOR DE ZDAR0200-INDELING */ /* IF FORMAT IS ZDAR0200 */ IF COND(&CSFMT *EQ 'ZDAR0200') THEN DO CHGVAR VAR(&DBPLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 33 10)) CHGVAR VAR(&DBPTBL) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBFLIB) VALUE(%SST(&REQUEST )) CHGVAR VAR(&DBFTBL) VALUE(%SST(&REQUEST )) ENDDO /* REMOTE COMMAND SERVER */ CHGVAR VAR(&RCFMT) VALUE(%SST(&REQUEST 21 8)) CHGVAR VAR(&RCFID) VALUE(%SST(&REQUEST 29 4)) CHGVAR VAR(&RCPGM) VALUE(%SST(&REQUEST 33 10)) CHGVAR VAR(&RCLIB) VALUE(%SST(&REQUEST 43 10)) CHGVAR VAR(&RCNUM) VALUE(%SST(&REQUEST 33 10)) CHGVAR VAR(&RCDATA) VALUE(%SST(&REQUEST )) /* SIGNON SERVER DECLARES */ CHGVAR VAR(&SOFNT) VALUE(%SST(&REQUEST 21 8)) CHGVAR VAR(&SOFID) VALUE(%SST(&REQUEST 29 4)) /***********************************/ /* */ /* HOOFDPROGRAMMA STARTEN */ /* */ CHGVAR VAR(&STATUS) VALUE('1') /* INITIALIZE RETURN + VALUE TO ACCEPT THE REQUEST */ /* ADD LOGIC COMMON TO ALL SERVERS */ /* PROCESS BASED ON SERVER ID */ IF COND(&APPLIC *EQ '*VPRT') THEN(GOTO CMDLBL(VPRT)) /* IF VIRTUAL PRINTER */ IF COND(&APPLIC *EQ '*TFRFCL') THEN(GOTO CMDLBL(TFR)) /* IF TRANSFER FUNCTIO*/ IF COND(&APPLIC *EQ '*FILESRV') THEN(GOTO CMDLBL(FLR)) /* IF FILE SERVERS */ IF COND(&APPLIC *EQ '*MSGFCL') THEN(GOTO CMDLBL(MSG)) /* IF MESSAGING FUNCT */ IF COND(&APPLIC *EQ '*DQSRV') THEN(GOTO CMDLBL(DATAQ)) /* IF DATA QUEUES */ IF COND(&APPLIC *EQ '*RQSRV') THEN(GOTO CMDLBL(RSQL)) /* IF REMOTE SQL */ IF COND(&APPLIC *EQ '*SQL') THEN(GOTO CMDLBL(SQLINIT)) /* IF SQL */ IF COND(&APPLIC *EQ '*NDB') THEN(GOTO CMDLBL(NDB)) /* IF NATIVE DATABASE */ IF COND(&APPLIC *EQ '*SQLSRV') THEN(GOTO CMDLBL(SQLSRV)) /* IF SQL */ IF COND(&APPLIC *EQ '*RTVOBJINF') THEN(GOTO CMDLBL(RTVOBJ)) /* IF RETRIEVE OB*/ IF COND(&APPLIC *EQ '*DATAQSRV') THEN(GOTO CMDLBL(ODATAQ)) /* IF D*/ IF COND(&APPLIC *EQ '*QNPSERVR') THEN(GOTO CMDLBL(NETPRT)) /* IF NETWORK PRI*/ IF COND(&APPLIC *EQ '*CNTRLSRV') THEN(GOTO CMDLBL(CENTRAL)) /* IF CENTRAL SER*/ IF COND(&APPLIC *EQ '*RMTSRV') THEN(GOTO CMDLBL(RMTCMD)) /* IF RMTCMD/DPC */ IF COND(&APPLIC *EQ '*SIGNON') THEN(GOTO CMDLBL(SIGNON)) /* IF SIGNON */ GOTO EIT 136 iseries: Client Access Express Beheer
143 /***********************/ /* SUBROUTINES */ /* */ /***********************/ /* VIRTUAL PRlNTER */ VPRT: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* TRANSFER FUNCTION */ TFR: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* FILE SERVERS */ FLR: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* MESSAGING FUNCTION */ MSG: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* DATA QUEUES */ DATAQ: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* REMOTE SQL */ RSQL: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* DATABASE INIT */ SQLINIT: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* NATIVE DATABASE */ NDB: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* DATABASE SQL */ SQLSRV: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* RETRIEVE OBJECT INFORMATION */ RTVOBJ: Hoofdstuk 8. Beheer an hostserer 137
144 /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* DATA QUEUE SERVER */ ODATAQ: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* NETWORK PRINT SERVER */ NETPRT: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* CENTRAL SERVER */ CENTRAL: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT /* REMOTE COMMAND/DISTRIBUTED PROGRAM CALL */ RMTCMD: /* IN THIS CASE IF A USER ATTEMPTS TO DO A REMOTE COMMAND/DISTRIBUTED */ /* PROGRAM CALL AND HAS A USERID OF userid THEY WILL NOT BE ALLOWED TO */ /* CONTINUE. */ IF COND(&USER *EQ userid ) THEN(CHGVAR VAR(&STATUS) VALUE( 0 )) GOTO EIT /* SIGNON SERVER */ SIGNON: /* SPECIFIC LOGIC GOES HERE */ GOTO EIT EIT: ENDPGM 138 iseries: Client Access Express Beheer
145 Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator Met Client Access Express kunt u nieuwe of gewijzigde secties met codes, aangepaste toepassingen of nieuwe functies integreren en distribueren in de Express-client. Deze nieuwe functies heten plug-ins of inoegtoepassingen. U kunt deze functies opnemen in een installatie of migratie an Client Access Express, of u kunt ze distribueren met behulp an Selectiee installatie. Na de installatie kunt u ze onderhouden met behulp an Sericenieau controleren. Plug-ins installeren, erwijderen en onderhouden Met plug-ins kunt u nieuwe functies of toepassingen integreren in Operations Naigator. Deze nieuwe functies zijn een apart te installeren component die de olgende elementen toeoegt: Mappen en objecten aan de hiùrarchische boomstructuur Keuzen aan Operations Naigator-menu s Eigenschappagina s oor een map of object aan het eigenschappenenster Raadpleeg oor meer informatie oer plug-ins, en hoe ze te gebruiken, Operations Naigator plug-in s ontwikkelen. Inoegtoepassingen installeren, erwijderen en onderhouden Inoegtoepassingen erlenen een makkelijke methode oor het distribueren an secties an codes ia een netwerk met behulp an Client Access Express. Inoegtoepassingen kunnen bestaan uit: Door gebruikers geschreen programma s Ongecomprimeerde bestanden Installatieprogramma s en -images oor het product Alle inoegtoepassingen hebben het bestand ADDIN.INI nodig om de inoegtoepassing te beschrijen in de functies oor installatie an Client Access Express, Selectiee installatie en Sericenieau controleren. Opm:. Inoegtoepassingen erlenen een eenoudige methode oor het distribueren an bestanden oer uw netwerk. Voor het opnemen an programma s of installatieprogramma s in een inoegtoepassing moet u rekening houden met de olgende ereisten oor inoegtoepassingen en aspecten. Plug-ins integreren Plug-ins moeten deel uitmaken an een brondirectory op de host. U kunt erolgens de plug-in distribueren naar uw gebruikers als onderdeel an de installatieprocedure of met behulp an Selectiee installatie. Na de installatie kunt u met Sericenieau controleren upgrades erwerken. Raadpleeg Plug-ins distribueren oor meer gegeens. Plug-ins installeren en erwijderen: Als de plug-in op de installatiebron staat, wordt de plug-in afgebeeld als een subcomponent an Operations Naigator. Staat de plug-in niet op de installatiebron, dan kunt u de plug-in na afloop an de installatie installeren met Selectiee installatie. Geef bij het starten an Selectiee installatie de locatie op an de plug-in die u wilt installeren (zie de onderstaande tabel). Alle plug-ins die op die locatie beschikbaar zijn, worden in Selectiee installatie afgebeeld. Bepaalde facultatiee componenten an Client Access Express erschijnen echter niet als de ersie an OS/400 op de client afwijkt an die op de host. Copyright IBM Corp. 1998,
146 De plug-ins oor Client Access Express beinden zich in de olgende directory s: Plug-ins IBM Geleerd door derden Locatie (Naam AS/400 NetSerer)\QIBM\ProdData\OpNaPlugin (Naam AS/400 NetSerer)\QIBM\UserData\OpNaPlugin De plug-ins oor Client Access oor Windows NT/95 beinden zich in de olgende directory s: Plug-ins IBM Geleerd door derden Locatie (Naam AS/400 NetSerer)\QIBM\ProdData\GUIPlugin (Naam AS/400 NetSerer)\QIBM\UserData\GUIPlugin Opm:. Client Access Express kan plug-ins anaf deze locaties installeren. Er erschijnt een waarschuwingsbericht als de plug-in niet expliciet wordt ondersteund door Client Access Express. U kunt deze plug-in desgewenst toch installeren. Plug-ins upgraden of onderhouden: Voor het bijwerken an een plug-in kopieert u de bijgewerkte bestanden naar het installatiebronbestand op de host. Sericenieau controleren onderhoudt de ersie an de plug-in. Als de optie Sericenieau controleren begint, wordt het installatiebronbestand an de plug-ins op de host gecontroleerd om te zien of de plug-ins een upgrade nodig hebben. Als er een upgrade nodig is oor de plug-in, start Versiecontrole het programma Selectiee installatie an Client Access Express in een speciale werkstand. Selectiee installatie werkt erolgens de plug-in bij. Raadpleeg oor meer informatie: Sericenieau controleren. Inoegtoepassingen integreren U kunt inoegtoepassingen installeren en erwijderen tijdens een installatie of migratie, of met behulp an Selectiee installatie. Nadat u de inoegtoepassingen hebt geunstalleerd, kunt u ze onderhouden met Sericenieau controleren. Het bestand ADDIN.INI. beschrijft de inoegtoepassingen oor deze functies. Inoegtoepassingen installeren of erwijderen Als u een inoegtoepassing wilt opnemen in de installatie an Client Access Express, dient u deze in de ooraf gedefinieerde directory op de serer of in een andere installatiebron te plaatsen. Tijdens de installatie an Client Access Express of tijdens de Selectiee installatie wordt naar de inoegtoepassing gezocht in de directory: \QIBM\UserData\Ca400\Express\Install\Addin\ U kunt bij meerdere inoegtoepassingen aanullende subdirectory s opnemen. Voor het installeren an een inoegtoepassing oert u de olgende stappen uit: 1. Start de installatie an Client Access Express of oer de Selectiee installatie uit. 2. Volg de schermen en installeer of erwijder Client Access Express-componenten. Nadat de Client Access Express-componenten zijn geunstalleerd of erwijderd, wordt het dialoogenster Aanullende bestanden en programma s installeren afgebeeld. De inoegtoepassingen die door Client Access Express worden geonden in de ooraf gedefinieerde directorystructuur worden afgebeeld met een aankruisakje. 3. Klik op het akje naast elke inoegtoepassing die u op de PC wilt installeren. 140 iseries: Client Access Express Beheer
147 4. Volg de resterende schermen en de door u geselecteerde inoegtoepassingen worden door Client Access Express geunstalleerd. Voor het erwijderen an een inoegtoepassing moet u Selectiee installatie starten: Nadat het dialoogenster oor de selectie an componenten wordt afgebeeld, beeldt Selectiee installatie alle geunstalleerde inoegtoepassingen af die u kunt selecteren oor erwijdering. Opm:. Selectiee installatie erwijdert mogelijk niet alle onderdelen an de inoegtoepassing. Dit probleem treedt op als de inoegtoepassing programma s beat die gegeens schrijen naar de PC, die meer bestanden installeren of die waarden schrijen naar het register. In die geallen moet u een programma toeoegen aan de inoegtoepassing die door Client Access Express wordt uitgeoerd oordat de inoegtoepassingsbestanden worden gewist. Zie ADDIN.INI oor het toeoegen an programma s aan de inoegtoepassing. Inoegtoepassingen upgraden of onderhouden Voor het bijwerken an een inoegtoepassing kopieert u de bijgewerkte bestanden naar het installatiebronbestand an de inoegtoepassing op de host:\qibm\userdata\ca400\express\install\addin. Sericenieau controleren onderhoudt de ersie an de inoegtoepassing. Als de optie Sericenieau controleren begint, wordt het installatiebronbestand an de inoegtoepassing op de host gecontroleerd om te zien of de inoegtoepassing een upgrade nodig heeft. Als er een upgrade nodig is oor de inoegtoepassing, start de ersiecontrole het programma Selectiee installatie an Client Access Express in een speciale werkstand. Selectiee installatie werkt erolgens de inoegtoepassing bij. Raadpleeg oor meer informatie: Sericenieau controleren. Opm:. Het installatiebronbestand an de inoegtoepassing moet aanwezig zijn wanneer Sericenieau controleren actief is. Door gebruikers geschreen programma s: Inoegtoepassingen kunnen programma s beatten waaran u kunt opgeen dat ze op erschillende tijdstippen tijdens het installatie-, upgrade- of erwijderingsproces worden uitgeoerd. U kunt een willekeurig aantal programma s opgeen die in de olgende situaties kunnen worden uitgeoerd: Voor de installatie. Programma s die worden uitgeoerd oordat de in de bestandsgroepen gedefinieerde inoegtoepassingsbestanden worden gekopieerd. Na de installatie. Programma s die worden uitgeoerd nadat de in de bestandsgroepen gedefinieerde bestanden zijn gekopieerd naar de PC. Voor de upgrade. Programma s die worden uitgeoerd oordat de in de bestandsgroepen gedefinieerde inoegtoepassingsbestanden worden gekopieerd. Na de upgrade. Programma s die worden uitgeoerd nadat de in de bestandsgroepen gedefinieerde bestanden zijn gekopieerd naar de PC. Verwijderen. Programma s die worden uitgeoerd oordat de inoegtoepassingsbestanden worden erwijderd an de PC. U kunt meerdere erschillende kenmerken en opdrachtregelcriteria opgeen oor de programma s die worden uitgeoerd tijdens de installatie, upgrade of erwijdering an de inoegtoepassingen. De olgende parameters bepalen welk programma wordt uitgeoerd: De locatie an het programma. De bestandsnaam en -toeoeging an het programma. De opdrachtregelcriteria die aan het programma moeten worden doorgegeen als het wordt geladen. Of er een retourcode an het programma moet worden gecontroleerd om te bepalen of de installatie, upgrade of erwijdering an de inoegtoepassingen moet doorgaan. Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 141
148 Of het installatieprogramma an Client Access Express moet wachten tot het programma is oltooid, oordat het erder gaat met de installatie, upgrade of erwijdering an de inoegtoepassing. Opm:. U kunt een parameter instellen die bepaalt dat de retourcode oor het programma moet worden gecontroleerd. Als u dat doet, wacht het installatieprogramma an Client Access Express totdat het programma is oltooid, oordat het erder gaat met de installatie, upgrade of erwijdering an de inoegtoepassing. Ongecomprimeerde bestanden: Inoegtoepassingen kunnen bestanden beatten die an de directorystructuur oor het installeren an inoegtoepassingen moeten worden gekopieerd naar de PC. Deze bestanden beinden zich in de directory oor inoegtoepassingen. De bestandsdefinities staan in het bestand ADDIN.INI. Deze definities erschijnen in bestandsgroepen. Een bestandsgroep beat bestanden die de olgende kenmerken met elkaar gemeen hebben: Het doelpad op de PC Het kenmerk oor oerschrijen (mag een reeds bestaand bestand wel of niet worden oerschreen) Het kenmerk oor het erwijderen an de installatie (mag de installatie worden erwijderd, of mag deze nooit worden erwijderd) Het kenmerk oor wissen (moeten alle bestanden in de bestandsgroep worden gewist in plaats an gekopieerd) Opm:. Als u het kenmerk oor het wissen an bestanden gebruikt om bestanden op de PC te wissen, kunt u de waarden oor oerschrijen en oor het erwijderen an de installatie negeren. Installatieprogramma s en -images oor het product: Inoegtoepassingen kunnen bestaan uit installatieprogramma s en installatie-images oor het product. Het installatie-image en het installatieprogramma oor het product kunnen zich beinden in de hoofddirectory an de inoegtoepassing of in een subdirectory. Een inoegtoepassing kan worden gebruikt om het installatieprogramma an een ander product te starten. De inoegtoepassing hoeft geen bestanden of bestandsgroepen te definiùren die moeten worden geunstalleerd. U kunt het installatieprogramma oor het product opgeen als PreInstallProgram of PostInstallProgram. Wanneer het installatieprogramma an Client Access Express de inoegtoepassing installeert, wordt het installatieprogramma oor het product gestart zoals gedefinieerd door de inoegtoepassing. Als het installatie-image an het product zich in de directorystructuur an de inoegtoepassing beindt, zal het installatieprogramma an het product het image tegelijk met de inoegtoepassing installeren. Als u het erwijderingsprogramma an Client Access Express gebruikt om een inoegtoepassing te erwijderen, kan het zijn dat de producten die door de inoegtoepassing zijn geunstalleerd, niet olledig worden erwijderd. Om dat product olledig te erwijderen, moet de inoegtoepassing wellicht een erwijderingsprogramma opgeen. Het erwijderingsprogramma an Client Access Express kan dit programma aanroepen om het Opmerkingen oer de implementatie an inoegtoepassingen: Inoegtoepassingen ormen een betrekkelijk eenoudige manier om bestanden an een serer naar een PC te kopiùren. Inoegtoepassingen kunnen echter ingewikkeld worden wanneer ze bestaan uit programma s of uit een combinatie an installatie-images en installatieprogramma s oor producten. U moet ooraf met erschillende zaken rekening houden oordat u programma s of installatieprogramma s toeoegt aan een inoegtoepassing. U dient elk type inoegtoepassing grondig te testen in dierse omgeingen, oordat u de inoegtoepassing op meerdere client-pc s installeert. 142 iseries: Client Access Express Beheer
149 Er zijn erschillende zaken die u moet oerwegen als de inoegtoepassing programma s of installatieprogramma s oor een product beat: 16 bits-installaties maken gebruik an de functie WinExec om de opgegeen toepassing te starten. 32 bits-configuraties maken gebruik an de functie CreateProcess. Nadat het installatieprogramma an Client Access Express de toepassing start, wordt er gezocht naar de ensterhandle an de gestarte toepassing. Als de ensterhandle wordt geonden, wacht het installatieprogramma totdat het toepassingsenster is erdwenen oordat erder wordt gegaan. Als een waarde oor WAIT wordt gebruikt, wacht het installatieprogramma an Client Access Express niet altijd tot de gestarte toepassing stopt alorens erder te gaan. Als dit gebeurt, controleer dan of de gestarte toepassing pas stopt nadat de subtoepassingen die door de toepassing zijn gestart, eeneens zijn gestopt. Het installatieprogramma an Client Access Express bewaakt de ensterhandle an de primaire gestarte toepassing. Als de toepassing de besturing oerdraagt aan een secundaire toepassing of een secundair proces en erolgens stopt, gaat het installatieprogramma onmiddellijk erder met de installatie. Het lijkt dan alsof het installatieprogramma an Client Access Expres niet heeft gewacht hoewel er toch een waarde oor het programma was opgegeen bij de parameter WAIT in het bestand ADDIN.INI. Het installatieprogramma an Client Access Express kan een toepassing die geen ensters maakt niet bewaken. Als de opgegeen toepassing geen enster maakt, gaat het installatieprogramma onmiddellijk erder nadat de toepassing is gestart. Het enster oor de toepassing hoeft niet per se zichtbaar te zijn, maar moet wel bestaan, anders wacht het installatieprogramma niet. Sommige toepassingen proberen DLL s te laden en zullen niet correct worden uitgeoerd als deze DLL s niet worden geonden. De erwijderingsprogramma s en het installatieprogramma an Client Access Express moeten eroor zorgen dat de toepassingen de ereiste DLL s kunnen inden. Daartoe gaan deze programma s naar de directory met het uitoerbaar bestand an de toepassing oordat de toepassing wordt gestart. Mogelijk wordt de gestarte toepassing niet beùindigd terwijl er een waarde oor WAIT oor het programma is opgegeen in ADDIN.INI. Als dit gebeurt, wacht het installatieprogramma an Client Access Express net zo lang totdat de gestarte toepassing is oltooid. Het installatieprogramma an Client Access Express start DOS-programma s met een DOS-enster dat het olledige scherm ult. Als u een DOS-programma met een ander type enster wilt starten, dient u de Windows API s rechtstreeks aan te roepen anuit een andere 32-bits Windows-toepassing. Als u een inoegtoepassing erwijdert kan het gebeuren dat niet alle inoegtoepassingsbestanden an de PC worden gewist als de inoegtoepassing een installatieprogramma oor een product start. Als u het product dat tijdens de installatie an een inoegtoepassing werd geunstalleerd, wilt erwijderen, moet u UninstallProgram opgeen oor de inoegtoepassing. Als u oor een product een installatieprogramma aanroept en de installatie mislukt, kunnen er problemen optreden. Het kan zijn dat de installatieprogramma s an Client Access Express eran uitgaan dat de installatie gelukt is, ook als dat niet het geal was. Bij de upgrade an een inoegtoepassing kan het nodig zijn een 16-bits installatieprogramma te gebruiken terwijl u de functie oor controle an het sericenieau an Client Access Express gebruikt. De 16-bits installatieprogramma s, die gebruik maken an de secties PreUpgradeInstallx of PostUpgradeInstallx an het bestand ADDIN.INI, werken mogelijk niet juist op alle Windows-platformen. Identificatie an de inoegtoepassing oor Client Access Express met ADDIN.INI: De sleutel tot de installatie, upgrade en erwijdering an een inoegtoepassing met behulp an de installatie- en sericefuncties an Client Access Express is het bestand ADDIN.INI. Het bestand ADDIN.INI beschrijft de inoegtoepassing gedurende de installatieprocedure en oor de functie Sericenieau controleren. Het bestand ADDIN.INI olgt de afspraken en syntaxis oor normale Windows INI-bestanden. Het bestand ADDIN.INI bestaat uit secties met waarden die door de installatiefuncties an Client Access Express worden geunterpreteerd. In eel an de secties in het bestand ADDIN.INI komt u waarden tegen waarin paden worden aangegeen. Dit kunnen bronpaden zijn, doelpaden of paden naar programma s die moeten worden uitgeoerd. U kunt Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 143
150 de paden ast opgeen in ADDIN.INI. Dat wil zeggen dat u een pad als C:\Program Files\IBM\Client Access kunt gebruiken om het standaard installatiepad an Client Access Express op te geen. Omdat eel paden per PC erschillen, is het echter erstandig om het pad op te geen met behulp an de oorgedefinieerde padsymbolen oor ADDIN.INI. De padsymbolen die u in een ADDIN.INI-bestand kunt opgeen, zijn: Padsymbool WINDRIVE[\pad] CAEDRIVE[\pad] CAEPATH[\pad] WINPATH[\pad] WINSYSPATH[\pad] PROGRAMFILESPATH[\pad] COMMONFILESPATH[\pad] SRCPATH[\pad] Beschrijing Windows-station met facultatief pad Client Access Express-station met facultatief pad Client Access Express-pad met facultatief pad Windows-pad met facultatief pad Windows System-pad met facultatief pad Pad oor programmabestanden met facultatief pad Pad oor gemeenschappelijke bestanden met facultatief pad Bronpad oor inoegtoepassing met facultatief pad Het bestand ADDIN.INI bestaat uit een aantal secties, te weten: 1. Informatiegedeelte inoegtoepassing 2. Sectie bestandsgroep 3. Sectie PreInstallProgram 4. Sectie PostInstallProgram 5. Sectie PreUpgradeProgram 6. Sectie PostUpgradeProgram 7. Sectie UninstallProgram 8. Sectie MRI29xx Zie Voorbeeld an een ADDIN.INI-bestand Voorbeeld: ADDIN.INI: Hieronder olgt een oorbeeld an een ADDIN.INI-bestand. U ziet hoe de erschillende secties kunnen worden samengeoegd om een inoegtoepassing te beschrijen. Opm:. Dit ADDIN.INI-bestand ormt :hp1.geen:ehp1. werkelijk functionerende inoegtoepassing. Het commentaar rechts an de tabel (na het ; -teken) biedt alleen uitleg; er hoort geen tekst te staan achter de werkelijke gegeens. ; ; ; Addin INI file sample. ; ; The path that the Addin is installed to on the Host serer ; will be used to identify that particular Addin. The path name ; should be meaningful for that Addin, and it should be used ; consistently for that Addin when it is installed on more than ; one serer. ; ; All entries in the Addin Info section are required except for the ; list of FileGroups to use. That way, an Addin can be used to just ; start a Setup program simply by specifying the Setup in one ; of the Program sections. ; ; Files can be installed from any path to any path as defined by ; the following path symbols: ; ; WINDRIVE[\path] Windows drie with optional path ; CAEDRIVE[\path] Client Access Express drie with optional path 144 iseries: Client Access Express Beheer
151 ; CAEPATH[\path] Client Access path with optional path ; WINPATH[\path] Windows path with optional path ; WINSYSPATH[\path] Windows System path with optional path ; PROGRAMFILESPATH[\path] Program Files path with optional path ; COMMONFILESPATH[\path] Common Files path with optional path ; SRCPATH[\path] Addin source path with optional path ; c:\whereeer A hardcoded path is OK too. ; ; [Addin Info] ; Section required ; KeyName must match the directory in which the Addin is stored on the Host KeyName=AddinSample ; Unique registry identifier Name=Addin Sample Description=I am the Addin Sample Version=1 FileGroup1=Update these FileGroup2=Only add new FileGroup3=More files FileGroup4=Remoe these ; Displayed on install panel ; if current language not ; found in this file ; Displayed on install panel ; if current language not ; found in this file ; Increment this to trigger ; CheckVersion to initiate a ; serice or upgrade of this ; Addin. Only a Version ; alue is required. ; Sericing ; can be accomplished by ; incrementing the Version ; and adding/remoing the ; appropriate file groups ; Any number of user ; defined file groups ; ; ; Files to be installed ; ; [Update these] TargetPath=CAEPATH\Addin1 ; Required OerwriteExisting=Y NeerUninstall=Y File1=file1.ext File2=SRCPATH\Update\file2.ext ; Optional. Default to Y ; Optional. Default to N ; Default is SRCPATH ; Any number of files ; ; ; More files to be installed ; ; [Only add new] TargetPath=CAEPATH\Addin1 OerwriteExisting=N File1=addfile.ext File2=SRCPATH\Update\addfile2.ext Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 145
152 ; ; ; More files to be installed ; ; [More files] TargetPath=CAEPATH\Addin1\More File1=another.ext File2=more.ext ; ; ; Files to be remoed if they exist ; ; [Remoe these] TargetPath=CAEPATH\Addin1 ; Required RemoeFiles=Y ; The default is N. If ; RemoeFiles=Y the other ; file group install ; parameters are ignored, as ; well as paths specified ; in the file declarations. ; This proides a way to ; clean up files een if ; those files were installed ; with NeerUninstall=Y. File1=nomore.ext File2=alldone.ext ; The files are in the target path ; Any number of files ; Paths are ignored on the ; files specified. ; ; ; Optional programs to be called before files are installed. ; ; [PreInstallProgram1] Path=SRCPATH ; Required. Any of the predefined path entries Program=whateer.exe ; Required. Only file name used CmdLine= ; Optional. Whateer they want CheckReturnCode=Y ; Optional. Defaults to N. Install of ; this addin will not continue if this is ; setup to Y and the return is non-zero. Wait=Y ; Optional. Wait for program to terminate ; before continuing to execute. The default ; is Y. If CheckReturnCode=Y, then Wait=Y ; is used no matter what is specified here. ; ; ; Optional programs to be called after files are installed. ; ; [PostInstallProgram1] Path=CAEPATH\Addin1 ; Required. Any of the predefined path entries Program=morestuff.exe ; Required. Only file name used CmdLine= ; Optional. Whateer they want ; ; 146 iseries: Client Access Express Beheer
153 ; Optional programs to be called before files are upgraded (Version changed). ; ; [PreUpgradeProgram1] Path=SRCPATH ; Required. Any of the predefined path entries Program=whateer.exe ; Required. Only file name used CmdLine= ; Optional. Whateer they want ; ; ; Optional programs to be called after files are upgraded (Version changed). ; ; [PostUpgradeProgram1] Path=CAEPATH\Addin1 ; Required. Any of the predefined path entries Program=morestuff.exe ; Required. Only file name used CmdLine= ; Optional. Whateer they want ; ; ; Programs to be called before files are uninstalled. ; ; [UninstallProgram1] Path=CAEPATH\Addin1 ; Required. Any of the predefined path entries Program=cleanup.exe ; Required. Only file name used CmdLine= ; Optional. Whateer they want CheckReturnCode=N ; Optional. Defaults to No Wait=Y ; Optional. Wait for program to terminate ; before continuing to execute. The default ; is Y. If CheckReturnCode=Y, then Wait=Y ; is used no matter what is specified here. ; ; ; MRI sections optional sections used to specify the Addin Name and ; Description shown on the install panel. The currently selected CAE ; language will be used, if a section is found that matches it. Otherwise ; the DefaultName and DefaultDescription will be used. This gies ; the administrator the capability of rolling out one Addin for ; multiple languages (at least as far as the Install panel goes). ; ; [MRI2924] Name=Addin Sample Description=I am the Addin Sample [MRI2999] Name=LKASJ LKJDAS Description=LKAJASDJKSLAJSHSDH FLSH ; Name translated to MRI2999 language ; Description translated to MRI2999 ; language Het olgende ADDIN.INI-bestand kan worden gebruikt oor het installeren an IBM enetwork Personal Communications 4.3 als een inoegtoepassing an Client Access Express: ; ; ; Client Access Express - PCOMM Add-in INI file. ; ; The path that the Add-in is installed to on the Host serer ; will be used to identify that particular Add-in. The path name ; should be meaningful for that Add-in, and if should be used Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 147
154 ; consistently for that Addin when it is installed on more than ; one serer. ; ; All entries in the Add-in Info section are required except for the ; list of FileGroups to use. That way, an Add-in can be used to just ; start a Setup program simply by specifying the Setup in one ; of the Program sections. ; ; Files can be installed from any path to any path as defined by ; the following path symbols: ; ; WINDRIVE[\path] Windows drie with optional path ; CAEDRIVE[\path] Client Access Express drie with optional path ; CAEPATH[\path] Client Access path with optional path ; WINPATH[\path] Windows path with optional path ; WINSYSPATH[\path] Windows System path with optional path ; PROGRAMFILESPATH[\path] Program Files path with optional path ; COMMONFILESPATH[\path] Common Files path with optional path ; SRCPATH[\path] Addin source path with optional path ; c:\whereeer A hardcoded path is OK too. ; ; ; ; IBM grants you a nonexclusie license to use this as an example ; from which you can generate similar function tailored to your own ; specific needs. This sample is proided in the form of source ; material which you may change and use. ; If you change the source, it is recommended that you first copy the ; source to a different directory. This will ensure that your changes ; are presered when the tool kit contents are changed by IBM. ; ; DISCLAIMER ; ; ; This sample code is proided by IBM for illustratie purposes only. ; These examples hae not been thoroughly tested under all conditions. ; IBM, therefore, cannot guarantee or imply reliability, ; sericeability, or function of these programs. All programs ; contained herein are proided to you "AS IS" without any warranties ; of any kind. ALL WARRANTIES, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO THE ; IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR ; PURPOSE, ARE EPRESSLY DISCLAIMED. ; ; Your license to this sample code proides you no right or licenses to ; any IBM patents. IBM has no obligation to defend or indemnify against ; any claim of infringement, including but not limited to: patents, ; copyright, trade secret, or intellectual property rights of any kind. ; ; COPYRIGHT ; ; 5769-E1 (C) Copyright IBM CORP ; All rights resered. ; US Goernment Users Restricted Rights - ; Use, duplication or disclosure restricted ; by GSA ADP Schedule Contract with IBM Corp. ; Licensed Material - Property of IBM ; ; ; ; Addin Info ; ; KeyName should match the directory the Add-in is stored into on the ; Host. ; Name is the name of the Add-in if an MRI29xx section is not proided. ; Description is the description of the Add-in if an MRI29xx section is not 148 iseries: Client Access Express Beheer
155 ; proided. ; Version is initially set to 1. It should be incremented with each new ; release. ; ; [Addin Info] KeyName=PCOMM Name=eNetwork Personal Communications 4.3 Description=eNetwork Personal Communications 4.3 Version=1 ; ; ; Optional programs to be called before files are installed. ; ; Path the path where the program should be run from. ; Program the program to run. ; CmdLine command line parameters passed to the program. ; CheckReturnCode specifies whether to check the return of the called program. ; Wait specifies whether to wait for execution to complete ; before continuing. ; ; NOTE: InstallShield SETUP programs should not be passed the -SMS command ; line parameter. Doing so will hang the Client Access Express ; install. Also, InstallShield SETUP programs are only in memory ; long enough to uncompress and start the real install program. ; It is not possible to launch an InstallShield SETUP program and ; suspend the Client Access Express install until the launched ; install has finished. ; ; [PreInstallProgram1] Path=SRCPATH\enu\disk1 Program=setup.exe CmdLine= CheckReturnCode=N Wait=Y ; ; ; MRI sections optional sections used to specify the Addin Name and ; Description shown on the install panel. The currently selected CAE ; language will be used, if a section is found that matches it. Otherwise ; the Name and Description will be used. This gies an administrator the ; capability of rolling out one Add-in for multiple languages (at least ; as far as the Install panel goes). ; ; [MRI2924] Name=eNetwork Personal Communications 4.3 Description=eNetwork Personal Communications 4.3 ; ; ; Uninstall program to be called by the Client Access Express ; uninstall program which will uninstall enetwork Personal ; Communications ; ; Note: This will only work if enetwork Personal Communications ; is installed to the default location ; (C:\Program Files\Personal Communications) on the PC. ; ; Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 149
156 [UninstallProgram1] Path=WINPATH Program=pcsunist.exe CmdLine=C:\WINDOWS\UNINST.EE -fc:\prograx1\personx1\delsl1.isu -y CheckReturnCode=N Wait=Y Opm:. De sectie UninstallProgram1 in het oorbeeld werkt alleen als IBM enetwork Personal Communications 4.3 (PCOMM) is geunstalleerd in de standaardlocatie op de PC. Er is een betere manier om PCOMM te erwijderen: Door een ander UninstallProgram1 op te geen. Dit nieuwe UninstallProgram1 bepaalt op basis an de omgeing waaronder de PC actief is hoe PCOMM moet worden erwijderd. Dit UninstallProgram1 roept PCSUNIST.EE aan en geeft de juiste opdracht door op basis an de locatie waar PCOMM op de PC geunstalleerd is. Voor IBM enetwork Personal Communications 4.3 kan deze informatie worden erkregen uit het Windows-register in de sleutel HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\Microsoft\Windows\CurrentVersion\Un Personal Communications De-install Key. Informatiegedeelte Inoegtoepassing an ADDIN.INI: Het informatiegedeelte Inoegtoepassing is een ereiste sectie in het bestand ADDIN.INI. De sectie beat de olgende parameters: Parameter Beschrijing Vereiste waarde KeyName Een uniek ID oor de inoegtoepassing. De waarde oor KeyName Ja moet oereenkomen met de directory an de inoegtoepassing op de installatiebron. Name De naam an de inoegtoepassing die wordt afgebeeld in het Client Ja Access Express-dialoogenster oor het installeren an de inoegtoepassing. U kunt deze waarde oerschrijen met de sectie MRI29xx oor een bepaalde taal. Beschrijing De beschrijing an de inoegtoepassing die wordt afgebeeld in het Ja Client Access Express-enster oor het installeren an de inoegtoepassing. U kunt deze waarde oerschrijen met de sectie MRI29xx oor een bepaalde taal. Version Het ersienummer an de inoegtoepassing. Dit wordt bepaald door de Ja leerancier an de inoegtoepassing. Verhoog de waarde als u wilt dat de Client Access Express-functie oor het controleren an de ersie een upgrade oor de inoegtoepassing installeert. FileGroup1 De naam an de eerste sectie in de bestandsgroep. Er moet een sectie Nee met deze sectienaam zijn in het bestand ADDIN.INI. FileGroupx De naam an sectie x in de bestandsgroep, waarbij x een getal is. U kunt een willekeurig aantal bestandsgroepen definiùren oor een inoegtoepassing. Nee Bekijk een oorbeeldbestand ADDIN.INI oor De sectie File group in ADDIN.INI: Gebruik de sectie File Group om een groep bestanden te definiùren die bepaalde kenmerken gemeen hebben. De sectie File Group beat de olgende parameters: 150 iseries: Client Access Express Beheer
157 Parameter Beschrijing Vereiste waarde TargetPath Het pad waarnaar de bestanden in de bestandsgroep moeten Ja worden gekopieerd, of het pad waar de bestanden zich beinden als u een waarde opgeeft bij de parameter RemoeFiles. OerwriteExisting Hier kunt u opgeen of bestaande bestanden met dezelfde Nee naam in de doeldirectory moeten worden oerschreen. De standaardwaarde is Y (Ja). NeerUninstall Hier kunt u opgeen of de bestanden die naar het doelpad zijn Nee gekopieerd, kunnen worden erwijderd. Als u hier de waarde Y (Ja) opgeeft worden de bestanden niet an de PC erwijderd als de inoegtoepassing wordt erwijderd. De standaardwaarde is N (Nee). RemoeFiles Hier kunt u opgeen of de bestanden in de bestandsgroep Nee moeten worden gewist uit het doelpad in plaats an ze te kopiùren anaf het bronpad. Als u hier de waarde Y (Ja) opgeeft, worden de oerige parameters oor de bestandsgroep genegeerd, eenals het pad dat is opgegeen in de bestandsdeclaraties. Hierdoor kunt u bestanden opschonen, zelfs wanneer bij het installeren an deze bestanden de waarde Y (Ja) is opgegeen bij de parameter NeerUninstall. De standaardwaarde is N (Nee). File1 De bestandsnaam en de bestandstoeoeging an het bestand Ja dat moet worden gekopieerd of gewist als de waarde bij de parameter RemoeFiles Y (Ja) is. Het bronpad oor het bestand is standaard het padsymbool SRCPATH. U kunt desgewenst andere waarden oor het bronpad opgeen. File Een bestandsgroep kan een willekeurig aantal bestanden beatten. Aan elk bestand dient u een waarde toe te kennen. Jokertekens oor in bestandsnamen worden niet ondersteund. Voor elk bestand in de bestandsgroep wordt de waarde erhoogd (File1, File2, File3 enzooorts). Nee Opm:. De waarde TargetPath kan niet hetzelfde zijn als het installatiepad of SRCPATH wanneer bestanden worden gekopieerd. Zie Voorbeeld an een ADDIN.INI-bestand De sectie PreInstallProgram an ADDIN.INI: Gebruik deze sectie om programma s op te geen die moeten worden uitgeoerd oordat inoegtoepassingsbestanden uit bestandsgroepen worden gekopieerd. U kunt een willekeurig aantal oorafgaand aan de installatie uit te oeren programma s definiùren. Definieer elk aan de installatie oorafgaand programma in de bijbehorende sectie met de naam PreInstallProgram1, PreInstallProgram2, enz. De sectie PreInstallProgram beat de olgende parameters: Parameter Beschrijing Vereiste waarde Path Het pad waarin het programma staat. U dient oor deze Ja parameter de oorgedefinieerde padsymbolen te gebruiken. Program De bestandsnaam en de bestandstoeoeging an het Ja programma dat moet worden uitgeoerd. CmdLine De facultatiee opdrachtregelcriteria die moeten worden doorgegeen aan het programma als dit wordt gestart. Deze parameter is afhankelijk an het programma. Nee Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 151
158 Parameter Beschrijing Vereiste waarde CheckReturnCode Hier kunt u opgeen of er moet worden gezocht naar een Nee retourcode als het programma is oltooid. Als de waarde bij deze parameter Y (Ja) is, wordt de waarde bij de parameter Wait automatisch Y (Ja). Als het programma een andere retourcode dan 0 terugstuurt, wordt de installatie an de inoegtoepassing beùindigd en is de inoegtoepassing niet geunstalleerd. De standaardwaarde is N (Nee). Wait Hier kunt u opgeen of het installatieprogramma an Client Access Express moet wachten totdat het programma is uitgeoerd oordat het erder gaat. Deze waarde wordt genegeerd (of intern op Y [Ja] gezet) als de waarde bij de parameter CheckReturnCode is ingesteld op Y (Ja). De standaardwaarde is Y (Ja). Nee. Zie Voorbeeld an een ADDIN.INI-bestand De sectie PostInstallProgram an ADDIN.INI: In deze sectie kunt u programma s opgeen die moeten worden uitgeoerd nadat inoegtoepassingsbestanden uit bestandsgroepen zijn gekopieerd tijdens de eerste installatie an de inoegtoepassing. Het programma is actief oordat de PC opnieuw wordt gestart. U kunt een willekeurig aantal achteraf uit te oeren programma s definiùren. Definieer elk achteraf uit te oeren programma in de bijbehorende sectie met de naam PostInstallProgram1, PostInstallProgram2, enz. Parameter Beschrijing Vereiste waarde Path Het pad waarin het programma staat. U dient oor deze parameter de Ja oorgedefinieerde padsymbolen te gebruiken. Program De bestandsnaam en de bestandstoeoeging an het programma dat Ja moet worden uitgeoerd. CmdLine De facultatiee opdrachtregelcriteria die moeten worden doorgegeen Nee aan het programma als dit wordt gestart. Deze parameter is afhankelijk an het programma. CheckReturnCode Hier kunt u opgeen of er moet worden gezocht naar een retourcode Nee als het programma is oltooid. Als de waarde bij deze parameter Y (Ja) is, wordt de waarde bij de parameter Wait automatisch Y (Ja). De retourcode die door het programma wordt teruggezonden is in dit geal nauwelijks an belang. Het installatieprogramma an Client Access Express houdt op dit punt rekening met de geunstalleerde inoegtoepassing, zelfs wanneer er een retourcode door de achteraf uit te oeren programma s wordt teruggestuurd die niet 0 is. Een retourcode an een achteraf uit te oeren programma die niet 0 is, heeft niet het beùindigen an de installatie an een inoegtoepassing tot geolg. De standaardwaarde is N (Nee). Wait Hier kunt u opgeen of het installatieprogramma an Client Access Express moet wachten totdat het programma is uitgeoerd oordat het erder gaat. Deze waarde wordt genegeerd (of intern op Y [Ja] gezet) als de waarde bij de parameter CheckReturnCode is ingesteld op Y (Ja). De standaardwaarde is Y (Ja). Nee Zie Voorbeeld an een ADDIN.INI-bestand De sectie PreUpgradeProgram an ADDIN.INI: In deze sectie kunt u programma s opgeen die moeten worden uitgeoerd oordat inoegtoepassingsbestanden uit bestandsgroepen worden gekopieerd tijdens een upgrade an de inoegtoepassing. U kunt een willekeurig aantal aan de upgrade oorafgaande programma s definiùren. Definieer elk aan de upgrade oorafgaand programma in de bijbehorende sectie met de naam PreUpgradeProgram1, PreUpgradeProgram2, enz. 152 iseries: Client Access Express Beheer
159 Parameter Beschrijing Vereiste waarde Path Het pad waarin het programma staat. U dient oor deze parameter de Ja oorgedefinieerde padsymbolen te gebruiken. Program De bestandsnaam en de bestandstoeoeging an het programma dat Ja moet worden uitgeoerd. CmdLine De facultatiee opdrachtregelcriteria die moeten worden doorgegeen Nee aan het programma als dit wordt gestart. Deze parameter is afhankelijk an het programma. CheckReturnCode Hier kunt u opgeen of er moet worden gezocht naar een retourcode Nee als het programma is oltooid. Als de waarde bij deze parameter Y (Ja) is, wordt de waarde bij de parameter Wait automatisch Y (Ja). Als de door het programma teruggestuurde retourcode niet 0 is, wordt de upgrade an de inoegtoepassing beùindigd en wordt er geen upgrade uitgeoerd oor de inoegtoepassing. De standaardwaarde is N (Nee). Wait Hier kunt u opgeen of het installatieprogramma an Client Access Express moet wachten totdat het programma is uitgeoerd oordat het erder gaat. Deze waarde wordt genegeerd (of intern op Y [Ja] gezet) als de waarde bij de parameter CheckReturnCode is ingesteld op Y (Ja). De standaardwaarde is Y (Ja). Nee Zie Voorbeeld an een ADDIN.INI-bestand De sectie PostUpgradeProgram an ADDIN.INI: In deze sectie kunt u programma s opgeen die moeten worden uitgeoerd nadat inoegtoepassingsbestanden uit bestandsgroepen zijn gekopieerd tijdens de upgrade an de inoegtoepassing. U kunt een willekeurig aantal na de upgrade uit te oeren programma s definiùren. Definieer elk na de upgrade uit te oeren programma in de bijbehorende sectie met de naam PostUpgradeProgram1, PostUpgradeProgram2, enz. Parameter Beschrijing Vereiste waarde Path Het pad waarin het programma staat. U dient oor deze parameter de Ja oorgedefinieerde padsymbolen te gebruiken. Program De bestandsnaam en de bestandstoeoeging an het programma dat Ja moet worden uitgeoerd. CmdLine De facultatiee opdrachtregelcriteria die moeten worden doorgegeen Nee aan het programma als dit wordt gestart. Deze parameter is afhankelijk an het programma. CheckReturnCode Hier kunt u opgeen of er moet worden gezocht naar een retourcode Nee als het programma is oltooid. Als de waarde bij deze parameter Y (Ja) is, wordt de waarde bij de parameter Wait automatisch Y (Ja). De retourcode die door het programma wordt teruggezonden is in dit geal nauwelijks an belang. De installatiefuncties an Client Access Express houden op dit punt rekening met de geunstalleerde inoegtoepassing, zelfs wanneer er door de na de upgrade uit te oeren te programma s een retourcode wordt teruggezonden die niet 0 is. Een retourcode die niet 0 is, heeft niet tot geolg dat de upgrade an een inoegtoepassing wordt beùindigd. De standaardwaarde is N (Nee). Wait Hier kunt u opgeen of het installatieprogramma an Client Access Express moet wachten totdat het programma is uitgeoerd oordat het erder gaat. Deze waarde wordt genegeerd (of intern op Y [Ja] gezet) als de waarde bij de parameter CheckReturnCode is ingesteld op Y (Ja). De standaardwaarde is Y (Ja). Nee Zie Voorbeeld an een ADDIN.INI-bestand De sectie UninstallProgram an ADDIN.INI: In deze sectie kunt u de programma s opgeen die moeten worden uitgeoerd oordat inoegtoepassingsbestanden worden erwijderd door het erwijderingsprogramma an Client Access Express. U kunt een willekeurig aantal erwijderingsprogramma s Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 153
160 definiùren. Definieer elk erwijderingsprogramma in de bijbehorende sectie met de naam UninstallProgram1, UninstallProgram2, enz. Parameter Beschrijing Vereiste waarde Pad Het pad waarin het programma staat. U dient oor deze parameter de Ja oorgedefinieerde padsymbolen te gebruiken. Programma De bestandsnaam en de bestandstoeoeging an het programma dat Ja moet worden uitgeoerd. CmdLine De facultatiee opdrachtregelcriteria die moeten worden doorgegeen Nee aan het programma als dit wordt gestart. Deze parameter is afhankelijk an het programma. CheckReturnCode Hier kunt u opgeen of er moet worden gezocht naar een retourcode Nee als het programma is oltooid. Als de waarde bij deze parameter Y (Ja) is, wordt de waarde bij de parameter Wait automatisch Y (Ja). Als de door het programma teruggestuurde retourcode niet 0 is, wordt de installatie an de inoegtoepassing beùindigd en wordt er geen upgrade uitgeoerd oor de inoegtoepassing. De standaardwaarde is N (Nee). Wait Hier kunt u opgeen of het erwijderingsprogramma an Client Access Express moet wachten totdat het programma is uitgeoerd oordat het erder gaat. Deze waarde wordt genegeerd (of intern op Y [Ja] gezet) als de waarde bij de parameter CheckReturnCode is ingesteld op Y (Ja). De standaardwaarde is Y (Ja). Nee Zie Voorbeeld an een ADDIN.INI-bestand De sectie MRI29xx an ADDIN.INI: De MRI29xx-secties zijn facultatief. 29xx staat oor de taalersie an de iseries-serer. Gebruik deze secties om de naam en de beschrijing an de inoegtoepassing in het Client Access Express-enster oor het installeren an de inoegtoepassing op te geen. De naam an de sectie MRI29xx geeft aan welke taal moet worden gebruikt. Het systeem gebruikt de op dit moment geselecteerde Client Access Express-taal als er een bijbehorende sectie oor die taal wordt geonden in het oereenkomende bestand ADDIN.INI. Anders wordt gebruikgemaakt an de waarden bij de parameters Name en Description an de sectie Addin Info an het bestand ADDIN.INI. Hierdoor kunt u ÚÚn inoegtoepassing maken oor meerdere talen, althans oor zoer het het Client Access Express-enster oor de installatie an inoegtoepassingen betreft. U moet de parameters Name en Description opgeen oor elke MRI29xx-sectie in het bestand ADDIN.INI. Parameter Beschrijing Vereiste waarde Name De naam an de inoegtoepassing die wordt afgebeeld in het Client Nee Access Express-dialoogenster oor het installeren an de inoegtoepassing. Gebruik deze waarde om de waarde bij de parameter Name in de sectie Addin Info an het bestand ADDIN.INI te oerschrijen oor de taal die is gedefinieerd in de sectie MRI29xx. De standaardwaarde is de naam in de sectie Addin Info. Description De beschrijing an de inoegtoepassing die wordt afgebeeld in het Client Access Express-enster oor het installeren an de inoegtoepassing. Gebruik deze waarde om de waarde bij de parameter Description in de sectie Addin Info an het bestand ADDIN.INI te oerschrijen oor de taal die is gedefinieerd door de sectie MRI29xx. De standaardwaarde is de beschrijing in de sectie Addin Info. Nee Zie Voorbeeld an een ADDIN.INI-bestand AS/400 NetSerer-beheer Client Access Express profiteert an een functie in het IBM Operating System/400 (OS/400): IBM AS/400- ondersteuning oor Windows Netwerkomgeing (AS/400 NetSerer) Deze functie biedt zowel 154 iseries: Client Access Express Beheer
161 bestands- als printerserices. De functie is beschikbaar anaf OS/400 Versie 4, Release 2. Vorige clients, zoals Client Access for Windows 95/NT, werden geleerd inclusief deze bestands- en printerserices, maar wel tegen een hogere prijs. Gebruik an de mogelijkheden an AS/400 NetSerer en weglaten an deze ondersteuning in de Express-client biedt erschillende oordelen: Een lagere belasting oor de PC-client. Achtergrondtaken en daemons zijn niet langer nodig Client Access Express profiteert an AS/400 NetSerer oor: De installatie an Client Access Express op de PC anaf de iseries-serer. Bestandsserices Printerserices Voor een olledige documentatie oer de installatie, het beheer en het gebruik an de AS/400 NetSerer, raadpleegt u AS/400 NetSerer. De informatie is ook bereikbaar ia de hoofdnaigatiebalk an het Informatiecentrum. Om de informatie weer te geen, selecteert u Netwerken> TCP/IP> AS/400 Beheer an Secure Sockets Layer SSL (Secure Sockets Layer) is een populaire beeiligingsopzet waarmee de PC-client de serer kan erifiùren en waarmee alle gegeens en opdrachten kunnen worden ersleuteld. Gebruik het bij het ersturen an ertrouwelijke gegeens tussen de clients en de serers. Client/serer-transacties waarbij aak gebruik wordt gemaakt an SSL zijn bijoorbeeld het oerdragen an gegeens met betrekking tot creditcards en bankafschriften. Systeemprestaties erminderen door SSL omdat alle gegeens nu ook moeten worden ersleuteld en weer gedecodeerd. Client Access Express beschikt oer ondersteuning oor SSL, die u apart kunt installeren en boendien oer een methode om sleuteldatabases te beheren met IBM Key Management. Alle functies an Client Access Express kunnen ia SSL communiceren, behale Inkomende opdracht op afstand, MAPI en Ultimedia. Client Access Express staat SSL-communicatie met het iseries-systeem toe op twee erschillende ersleutelingsnieaus, 56-bits of 128-bits. Voor 5r1 is clienterificatie beschikbaar oor PC5250. Gebruikers beperken met Beleidsbeheer en Toepassingenbeheer Client Access Express ondersteunt twee primaire methodes oor de implementatie an de besturing an uw netwerk: Toepassingenbeheer en beleidsinstellingen. Toepassingenbeheer baseert beperkingen op het gebruikersprofiel an de iseries en wordt bestuurd met behulp an Operations Naigator. Toepassingenbeheer is beschikbaar ia V4R3 in OS/400; bepaalde functies worden echter alleen ondersteund in V4R4 of een hogere ersie. Beleidsinstellingen staat configuratie-instellingen en beperkingen toe en kunnen an toepassing zijn op bepaalde PC s en indiiduele Windows-gebruikersprofielen. Beleidsinstellingen bieden grotere granulatie dan Toepassingenbeheer, maar ze zijn een stuk moeilijker te installeren en te beheren. Als u beleidsinstellingen wilt gebruiken, moet u de Microsoft Editor oor systeembeleid downloaden en uw PC s en iseries-serer configureren oor de opslag, het ophalen en het toepassen an beleidsinstellingen die u instelt. Oer het algemeen geniet Toepassingenbeheer de oorkeur als alle functies waaran u het gebruik wilt erhinderen, actief zijn in Toepassingenbeheer, en als de gebruikte OS/400-ersie Toepassingenbeheer ondersteunt. Raadpleeg oor meer gegeens oer Toepassingenbeheer Toepassingenbeheer. Raadpleeg de olgende onderwerpen als u meer wilt weten oer beleidsinstellingen: Oerzicht an beleidsinstellingen an Client Access Express Het systeem instellen oor het gebruik an beleidsinstellingen Beleidslijst an Client Access Express Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 155
162 : Oerzicht an beleidsinstellingen an Client Access Express U kunt beleidsinstellingen gebruiken om de mogelijkheden an gebruikers te beperken oor de uitoering an bepaalde bewerkingen en teens kunt u beleidsinstellingen gebruiken om bepaalde configuratiekenmerken oor te stellen of te erkrijgen. Beleidsinstellingen kunnen an toepassing zijn op Windowsgebruikersprofielen en bepaalde PC s. Beleidsinstellingen bieden echter geen besturing an de iseriessererresources en erangen niet de iseries-beeiliging. Raadpleeg oor een beschrijing an wat u kunt doen met beleidsinstellingen Beleidsinstellingen - typen en bereik. Beleidsondersteuning in uw netwerk Beleidsinstellingen worden opgeslagen op een bestandsserer. Telkens wanneer een gebruiker zich aanmeldt bij zijn Windows-werkstation, wordt het beleid dat op die Windows-gebruiker an toepassing is, gedownload naar het werkstation. Het beleid wordt door de gebruikers-pc toegepast op het register oordat de gebruiker iets op zijn werkstation doet. De besturingssystemen Windows 95/98/Me/NT/2000 worden geleerd met de code oor het downloaden an beleidsinstellingen. Als u de olledige mogelijkheden an beleidsinstellingen wilt benutten, hebt u het olgende nodig: Een primaire aanmeldingsserer Een beleidsserer U kunt IBM iseries-ondersteuning oor Netwerkomgeing an Windows (AS/400 NetSerer) gebruiken als beleidsserer. Windows NT/2000 en Noell Netware kunnen als beide typen serers fungeren. Raadpleeg Het systeem instellen oor het gebruik an beleidsinstellingen oor meer gegeens. Beleidsbestanden Definities an beleidsinstellingen beinden zich in beleidssjablonen, die de beleidsinstellingen organiseren op categorie. Client Access Express biedt ijf beleidssjablonen, ÚÚn oor elk an de olgende functies: Client Access Express-functies beperken oor een bepaald systeem (sysname.adm) Bepaalde Client Access Express-functies beperken bij de uitoering (caerestr.adm) Beperken welke componenten gebruikers kunnen installeren of erwijderen (caeinrst.adm) Configuratie-instellingen oor specifieke omgeingen erplicht stellen, oor de systemen binnen die omgeingen en oor bepaalde configureerbare waarden oor die systemen (config.adm) Algemene configureerbare waarden oorstellen of erplicht stellen (caecfg.adm) De beleidssjablonen moeten worden gemaakt met het hulpprogramma CWBADGEN oordat specifieke beleidsinstellingen worden gemaakt of aangepast. Verolgens kunt u met de Microsoft Editor oor systeembeleid de sjablonen actieren en hun gezamenlijke beleidsinstellingen. Nadat u de beleidsinstellingen hebt ingesteld, moeten de wijzigingen worden opgeslagen in een beleidsbestand, bijoorbeeld (nt)config.pol. Opm:. U moet de beleidsinstellingen oor Windows 95/98/Me en Windows NT/2000 afzonderlijk maken en onderhouden. (Beleidsinstellingen die oor Windows 95 zijn gemaakt, werken niet op een NT-systeem.) Raadpleeg Beleidsinstellingen maken oor meer informatie. 156 iseries: Client Access Express Beheer
163 Typen en bereik an beleidsinstellingen: Elk beleid dat u met Client Access Express maakt, is een beperkingsbeleid, of een configuratiebeleid en dit beleid kan geldig zijn oor een of meerdere nieaus. Beperkingsbeleid Een beperkingsbeleid kan oer het algemeen op ieder gewenst nieau worden ingesteld en beat een an de olgende gebruiksopties: Gebruik an een Client Access Express-functie toestaan of erhinderen. Beperkingen opleggen oor installeren of erwijderen an componenten, sericepakketten, upgrades of het gehele product. Andere beperkingen toeoegen. U kunt bijoorbeeld een bepaald soort gegeensoerdracht naar de iseries tegenhouden of u kunt alle soorten gegeensoerdracht erhinderen, met behulp an Geen gegeensoerdracht naar iseries toestaan. Eroor zorgen dat knoppen of opties die normaal geselecteerd kunnen worden, anwege een beperkingsbeleid erborgen of grijs worden weergegeen. De gebruiker waarschuwen als een functie door een beperkingsbeleid niet meer kan worden gebruikt. Dit wordt meestal duidelijk gemaakt door een bericht in een enster of console. Configuratiebeleid Beleidsinstellingen oor de configuratie kunnen alleen zijn ingesteld op een gebruikersnieau en kunnen de olgende gebruiksopties hebben. Vooraf instellingen configureren die eindgebruikers anders zelf zouden instellen. Waarden instellen, om oorzieningen in of uit te schakelen, de weergae an lijsten met omgeingen en erbindingen instellen. Verplichte waarde grijs afbeelden. Als een configuratiebeleid een erplichte waarde oorschrijft oor een instelling, kan er in het eld oor die instelling niets worden ingeoerd. Configuratiebeleid kan worden oorgesteld of erplicht. Voorgesteld: De erstrekte waarde wordt gebruikt tenzij deze apart wordt ingeoerd door een gebruiker of ingesteld door een toepassingsprogramma. Hiermee wordt de normale standaardinstelling die Client Access Express zou gebruiken, oerschreen, maar gebruik an die waarde is niet erplicht er kan een nieuwe waarde worden opgegeen die de oorgestelde waarde oerschrijft. Verplicht: De erstrekte waarde wordt gebruikt noch de gebruiker, noch een toepassingsprogramma kan de waarde wijzigen. Beleidsnieaus Een ingesteld beleid kan op drie erschillende nieaus an toepassing zijn: machinenieau, gebruikersnieau en iseries-erbindingsnieau. Een beleid kan oor meerdere nieaus worden ingesteld, maar dit geldt niet oor ieder beleid. Nieau Machinenieau Gebruikersnieau Beschrijing Een beleid dat is ingesteld oor dit nieau geldt oor alle gebruikers an die PC. De enige uitzondering is als een bepaald beleid oor een specifieke gebruiker wordt ingesteld op oerschrijen an de instelling op machinenieau. Een beleid dat is ingesteld oor dit nieau kan per indiiduele gebruiker worden toegepast. Het beleid kan oor sommige gebruikers worden toegepast, maar oor anderen weer niet. Het kan ook worden ingesteld oor de Standaardgebruiker (elke gebruiker zonder een eigen beleidsconfiguratie). Het is ook mogelijk dat een beleid op gebruikersnieau een instelling biedt die een functie toestaat, onafhankelijk an het beleid op machinenieau. Als u deze instelling gebruikt, wordt het beleid op machinenieau genegeerd. Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 157
164 Nieau iserieserbindingsnieau (of per systeem ) Beschrijing Een beleid dat op gebruikersnieau of machinenieau kan worden ingesteld, kan in sommige geallen nauwkeuriger worden ingesteld op iseries-erbindingsnieau. Als het beleid is ingesteld op iseries-erbindingsnieau, wordt dit alleen uitgeoerd als er wordt gewerkt met het betreffende iseries-systeem. Als er bijoorbeeld binnen een gebruikersnieau een beperkingsbeleid is ingesteld op iseries-erbindingsnieau, en hierin wordt het iseries-systeem SYS1 genoemd en de gebruiker USER1, dan zal de beperking an de functie alleen gelden als USER1 werkt op SYS1. Opm:. Opm:. Als er een beleid is ingesteld op iseries-erbindingsnieau, heeft deze instelling oorrang oer de instellingen op machine- of gebruikersnieau. Als de standaardgebruikerswerkstand oor USER1 bijoorbeeld erplicht is ingesteld op Standaard gebruikers-id, maar oor SYS1 is ingesteld op Gebruikers-ID en wachtwoord an Windows gebruiken, dan worden het Windows-ID en het Windows-wachtwoord gebruikt als USER1 erbinding maakt met SYS1. Als USER1 een erbinding maakt met een ander systeem, wordt het opgegeen standaard gebruikers-id gebruikt. Om het instellen an een beleid op dit nieau mogelijk te maken, dient u een of beide an de olgende beleidssjablonen te genereren en te gebruiken. config.adm Sjabloon oor geconfigureerde omgeingen en erbindingen sysname.adm Sjabloon oor systeemspecifiek beleid (oor een iseries-systeem) Het systeem instellen oor het gebruik an beleidsinstellingen Om een Client Access-beleid te kunnen gebruiken dient u de olgende stappen uit te oeren: 1. De iseries-serer configureren 2. De client-pc configureren zodat deze een beleid kan downloaden anaf de iseries-serer. 3. Beleidsbestanden maken Een iseries-serer configureren oor beleidsdoeleinden: Volg de olgende stappen oor het configureren an uw iseries-serer ten behoee an beleidsdoeleinden. Deze stappen gaan eran uit dat u Windows 95/98/NT/2000 PC s op uw netwerk hebt geunstalleerd. Configureer uw iseries-serer als een AS/400-NetSerer, als dit tenminste al niet gebeurd is. Maak een geuntegreerde bestandssysteem-map oor uw beleidsbestanden. Client-PC s configureren oor beleidsdoeleinden: De client-pc s in uw netwerk moeten worden geconfigureerd oor het downloaden an een beleid anaf het iseries-systeem. Windows 95/98/Me-systemen Windows NT/2000-systemen Wanneer u het beleidsbestand plaatst op de NETLOGON-share op de iseries 400-aanmeldingsserer, wordt het beleidsbestand automatisch door de PC an de gebruiker gedownload wanneer de gebruiker zich aanmeldt bij een iseries-domein. Windows NT/2000-PC s configureren oor het accepteren an een beleid: Elk Windows NT/2000- werkstation in uw netwerk dient het zojuist gemaakte beleidsbestand te downloaden. U kunt ook een hulpprogramma downloaden dat dit oor u kan doen. Haal cwbpoluz binnen anaf Windows 95/98-PC s configureren oor het accepteren an een beleid: Voer deze stappen uit oor het downloaden en accepteren an een beleid oor uw Windows 95/98-PC s. 1. Maak de AS/400 NetSerer, anaf uw PC, toegankelijk ia TCP/IP. Als u gebruikmaakt an een DNS, dient u eroor te zorgen dat de AS/400 NetSerer-naam zich in de hosttabel op de DNS beindt. Als u een LMHOSTS-bestand gebruikt, dient u eroor te zorgen dat er een item oor de AS/400 NetSerer is. Zorg er ook oor dat de #PRE-instructie hierin wordt opgegeen, bijoorbeeld als olgt: 158 iseries: Client Access Express Beheer
165 QYOURSYS#PRE 2. Controleer of uw PC kan communiceren met de iseries-serer. 3. Actieer de gebruikersprofielen op het bureaublad an Windows zodat het beleid anaf de serer naar elke gebruiker kan worden gestuurd. a. Ga naar Start > Instellingen > Configuratiescherm > Wachtwoorden. b. Ga naar het tabblad Gebruikersprofielen. c. Zorg dat de knop Gebruikers kunnen hun oorkeuren en bureaubladinstellingen aanpassen is geselecteerd. d. Klik op OK en start de computer opnieuw op. Wijzig het register zodat alle Windows 95/98/ME-PC s in het netwerk het door u te maken beleidsbestand kunnen downloaden. U kunt ook een hulpprogramma downloaden dat dit oor u kan doen. Haal cwbpoluz binnen anaf: Beleidsbestanden maken: Om bepaalde bepaalde beleidsinstellingen te maken of aan te passen moet u de Microsoft beleidseditor downloaden, de beleidssjablonen maken en tenslotte het beleidsbestand maken of aanpassen. 1. Moet de editor oor systeembeleid op uw systeem geunstalleerd zijn. 2. Moet u sjabloonbestanden oor Client Access Express maken. 3. Moet u beleidsbestanden maken. Opm:. U moet de beleidsinstellingen oor Windows 95/98/Me en Windows NT/2000 afzonderlijk maken en onderhouden. (Beleidsinstellingen die oor Windows 95/98/Me zijn gemaakt, werken niet op een NT/2000- systeem en ice ersa.) Microsoft Editor oor systeembeleid: Om uw eigen beleidsbestanden te kunnen maken, dient u te beschikken oer de editor oor systeembeleid an Microsoft. De huidige ersie an deze editor oor systeembeleid wordt geleerd bij Windows NT Serer, Windows NT Workstation Resource Kit en Office 97 Resource Kit. De editor oor systeembeleid is ook erkrijgbaar ia de website an Microsoft: Windows 2000 heeft een eigen ersie an de editor oor systeembeleid. Deze wordt meegeleerd met Windows 2000 Serer. Zoek de Editor oor systeembeleid op. Een oudere ersie an de editor oor systeembeleid staat op de installatie-cd oor Windows 95. Gebruik die ersie niet. U kunt dan slechts ÚÚn beleidssjabloon per keer laden. Volg de aanwijzingen an de editor oor het uitpakken an het bestand en het installeren an de editor oor systeembeleid en de sjablonen. Client Access Express-beleidssjablonen maken: Client Access Express beschikt oer een programma dat beleidssjablonen maakt. U hebt deze sjablonen nodig om het Client Access Express-beleid te beheren. 1. Open een MS-DOS-sessie. 2. Ga naar de Client Access-directory, gewoonlijk: [C:]\Program Files\IBM\Client Access\ 3. Typ de opdracht en de parameter oor de sjablonen die nodig zijn oor het beleid dat u wilt instellen. Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 159
166 Opdrachten oor beleidssjablonen Opdracht cwbadgen met parameters cwbadgen /ps S (hierin is s de systeemnaam). cwbadgen /std cwbadgen /cfg config.adm Beschrijing Genereert het sjabloon waarmee systeemspecifiek beleid wordt ingesteld, S adm. Genereert caecfg.adm (behelst de algemene configuratie), caeinrst.adm (behelst de installatiebeperkingen) & caerestr.adm (behelst de uitoeringsbeperkingen). Genereert config.adm (configuratiebeleid, gebaseerd op systeemconfiguraties die zijn ingesteld op de PC an waaruit deze opdracht wordt uitgeoerd). Geef de naam an het bestand op na de specificatie /cfg. In dit oorbeeld is het sjabloonbestand config.adm. Voor meer informatie oer het hulpprogramma cwbadgen kunt u het Beleidsbestanden maken en bijwerken: Met beleidsbestanden kunt u de standaard computer- of gebruikersacties beheren. 1. Dubbelklik op poledit.exe om de Editor oor systeembeleid te starten. 2. Ga naar Opties > Beleidssjabloon > Toeoegen. 3. Ga naar de locatie waar de.adm-bestanden zich beinden, die het resultaat zijn an het maken an de beleidssjablonen. 4. Selecteer de.adm-bestanden die u wilt toeoegen en klik op Toeoegen. Ga hier mee door totdat u alle door u gewenste.adm-bestanden hebt toegeoegd. Klik erolgens op OK. 5. Selecteer Bestand > Nieuw beleid. 6. Stel het beleid in en sla het beleidsbestand op in: \\QYOURSYS\BELEID\config.pol (oor Windows 95/98) Of: \\QYOURSYS\BELEID\ntconfig.pol (oor Windows NT) Hierin is: QYOURSYS de naam an uw AS/400 NetSerer. POLICIES de naam an de gemeenschappelijke bestandsmap op de AS/400 NetSerer. (nt) config.pol de naam an het beleidsbestand. U kunt het beleidsbestand bijwerken door het te openen met behulp an de editor oor systeembeleid, uw wijzigingen aan te brengen en het bestand weer op te slaan op de(zelfde) boenstaande locatie. Opm:. U moet de beleidsinstellingen oor Windows 95/98/Me en Windows NT/2000 afzonderlijk maken en onderhouden. (Beleidsinstellingen die oor Windows 95 zijn gemaakt, werken niet op een NT-systeem en ice ersa.) Beleidslijst an Client Access Express Client Access Express ondersteunt Microsoft-systeembeleid. Beheerders kunnen een beleid gebruiken om te bepalen tot welke functies en instellingen een gebruiker toegang heeft. In dit gedeelte worden de erschillende beleidstypen beschreen die door Client Access worden geboden. De erschillende beleidsgroepen worden gedefinieerd met sjabloonbestanden. U kunt Client Accessbeleidssjablonen genereren op een PC waarop Client Access Express geunstalleerd is, met gebruik an de opdracht cwbadgen. Zie Beleidsmodellen maken oor nadere informatie. Beleidsfuncties Beleidsinstellingen afbeelden gesorteerd op de functie die ze beunloeden. Beleid met behulp an sjablonen De sjablonen afbeelden en hun bijbehorende beleidsinstellingen. 160 iseries: Client Access Express Beheer
167 Raadpleeg oor een algemene beschrijing an beleidsinstellingen in Client Access Express Beleidsinstellingen - Oerzicht. Beleid met behulp an sjablonen: Gebruik deze sjabloonbestanden oor beleidsbeheer. Raadpleeg oor meer informatie beleidssjablonen maken. Sjabloonbestand caecfg.adm caerestr.adm config.adm caeinrst.adm sysname.adm Beschrijing Met dit beleid stelt u specifieke configureerbare waarden oor of u stelt u deze erplicht. Voer het programma cwbadgen uit met de optie /std, om dit bestand te genereren. Met dit beleid erhindert u het gebruik an specifieke Client Access Expressfuncties. Voer het programma cwbadgen uit met de optie /std, om dit bestand te genereren. Met dit beleid stelt u bepaalde configuratie-instellingen erplicht oor specifieke omgeingen, oor de systemen binnen die omgeingen en oor bepaalde configureerbare waarden oor die systemen. Voer het programma cwbadgen uit met de optie /cfg, om dit bestand te genereren. Met dit beleid legt u ast wat gebruikers wel en niet kunnen installeren of erwijderen. Ook het gebruik an andere functies die zijn gerelateerd aan installatie, kunnen ermee worden erhinderd. Voer het programma cwbadgen uit met de optie /std, om dit bestand te genereren. Met dit beleid erhindert u het gebruik an specifieke Client Access Expressfuncties oor een bepaald systeem. Voer het programma cwbadgen uit met de optie /ps, om dit bestand te genereren. Caecfg.adm: Met dit beleid stelt u specifieke configureerbare waarden oor of u stelt u deze erplicht. Functie Beleid Communicatie Standaard gebruikerswerkstand TCP/IP-adres opzoeken Werkstand oor opzoeken an poort Secure sockets ereist Time-out oor erbinding (seconden) Actiee omgeing Wachtwoorden Gebruikers waarschuwen dat iseries-wachtwoorden erallen. Caching an iseries-wachtwoorden toestaan Inkomende opdracht op afstand Alle inkomende opdrachten op afstand toestaan wanneer wachtwoordcache is uitgeschakeld Als systeem uitoeren Opdrachtwerkstand Beeiliging in cache opslaan Generieke beeiliging toestaan Generieke beeiliging werkt zoals het is aangemeld bij de gebruiker National language support (NLS) ANSI-codetabel OEM-codetabel EBCDIC-codetabel Bidirectionele omzetting an gegeens toestaan Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 161
168 Functie Beleid Serice Wanneer controleren Vertraging Frequentie Image naar PC kopiùren Uitoeren op achtergrond Sericepad Sericetaak op achtergrond automatisch starten Installeren Licentiebeheer Selectiee installatie an brondirectory Periode oordat Client Access-licentie wordt rijgegeen Caerestr.adm: Beperkingen oor uitoeringstijd an Client Access Express: erhindert u het gebruik an bepaalde Client Access-functies. Met deze beleidsinstelling Functie Gerelateerd beleid Actie-automatiseringsobjecten Automatiseringsobject oor het uploaden an gegeens niet toestaan Automatiseringsobject oor het downloaden an gegeens niet toestaan Automatiseringsobject oor opdrachten op afstand niet toestaan Automatiseringsobject oor programma op afstand niet toestaan Automatiseringsobject oor gegeenswachtrij niet toestaan Gegeensoerdracht: Uploaden Geen gegeensoerdracht naar een iseries-serer toestaan Toeoegen of erangen an hostbestanden niet toestaan Gegeensoerdracht ia GUI niet toestaan Gebruik an RFROMPCB niet toestaan Automatisch starten an uploads niet toestaan Geen Excel-inoegtoepassingen toestaan Gegeensoerdracht: Downloaden Geen gegeensoerdracht an een iseries-serer toestaan Gegeensoerdracht ia GUI niet toestaan. Gebruik an RTOPCB niet toestaan Automatisch starten an downloads niet toestaan Geen Excel-inoegtoepassingen toestaan Gegeensoerdracht: iseries-sererbestanden maken Maken an hostbestanden niet toestaan Maken an iseries-sererbestand met wizard niet toestaan Maken an iseries-sererbestand met non-wizard niet toestaan Directory bijwerken Directory bijwerken niet toestaan Wachtwoorden Wijzigingen in Client Access-wachtwoorden niet toestaan Operations Naigator Gebruik an Operations Naigator niet toestaan Communicatie Wijzigingen in actiee omgeing niet toestaan Wijzigingen in de lijst met actiee omgeingen niet toestaan Nog niet gedefinieerde erbindingen met systemen niet toestaan Alleen gebruik an erordende omgeingen toestaan 162 iseries: Client Access Express Beheer
169 Functie Gerelateerd beleid ODBC Gegeensbronnen met naam Door programma s gegenereerde gegeensbronnen niet toestaan OLE DB Proider Gebruik an OLE DB Proider niet toestaan PC5250 Emulatie Configuratie an beeldstationsessies niet toestaan Configuratie an printersessies niet toestaan Gebruik an PC5250-emulator niet toestaan Configuratie an beelstationsessies niet toestaan Configuratie an printersessies niet toestaan Gebruik an PC5250-emulator niet toestaan Maximumaantal PC5250-sessies Het wijzigen an.ws-profielen niet toestaan Menuconfiguratie niet toestaan Werkbalkconfiguratie niet toestaan Configuratie an meerdere sessies niet toestaan Toetsenbordconfiguratie niet toestaan Muisconfiguratie niet toestaan Uitoering an Jaa-applet niet toestaan Toegang tot macro s niet toestaan PC-opdrachten Cwblogon Cwbcfg Cwbback Cwbrest Cwben cwbundbs cwbrxd Wrksplf wrkmsg wrkprt wrkusrj Gebruikersinterface Maken an bureaubladpictogrammen niet toestaan Config.adm Vereiste erbindingen oor Client Access Express: Met dit beleid stelt u bepaalde configuratie-instellingen erplicht oor specifieke omgeingen, oor de systemen binnen die omgeingen en oor bepaalde configureerbare waarden oor die systemen. Deze sjabloon slaat alleen de omgeingen en systemen op die op uw PC geconfigureerd zijn op het moment dat u het sjabloon maakt. Als u omgeingen en systemen aan het sjabloon wilt toeoegen of eruit wilt erwijderen, oer cwbadgen met de optie /cfg dan nogmaals uit. Met de optie /cfg kunt u ook een bestandsnaam oor het configuratiesjabloon opgeen. Op deze manier kunt u enkele erschillende ersies an het bestand bewaren, allen met een andere configuratie. Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 163
170 Opm:. Verplichte systemen erschijnen niet in Operations Naigator, tenzij u minstens ÚÚn beleid oor dat systeem opgeeft. Functie Gerelateerd beleid Omgeing1: systeem1: Communicatie Standaard gebruikerswerkstand TCP/IP-adres opzoeken Werkstand oor opzoeken an poort Secure sockets ereist Omgeing1: systeem2: Omgeing2: systeem1: Caeinrst.adm: Installatiebeperkingen: Met dit beleid bepaalt u welke items door gebruikers geunstalleerd en erwijderd mogen worden. Ook het gebruik an andere, aan installatie gerelateerde, functies kan worden erhinderd. Functie Gerelateerd beleid Installatie Installatie niet toestaan Selectiee installatie niet toestaan Verwijderen niet toestaan Nieau Sericepakket controleren niet toestaan Sericepakket installeren niet toestaan Upgrades niet toestaan Migratie an Client Access-instellingen ouder dan V4R4M0 niet toestaan Installatie an inoegtoepassingen niet toestaan Installatie an afzonderlijke componenten niet toestaan Sysname.adm: Beleidsinstellingen per systeem: Met dit beleid erhindert u het gebruik an specifieke Client Access Express-functies oor een bepaald systeem. Functie Gerelateerd beleid Gegeensoerdracht: Uploaden Geen gegeensoerdracht naar een iseries-serer toestaan Toeoegen of erangen an hostbestanden niet toestaan Gegeensoerdracht ia GUI niet toestaan Gebruik an RFROMPCB niet toestaan Automatisch starten an uploads niet toestaan Geen Excel-toepassingen toestaan 164 iseries: Client Access Express Beheer
171 Functie Gerelateerd beleid Gegeensoerdracht: Downloaden Geen enkele gegeensoerdracht an een iseriesserer toestaan Gegeensoerdracht ia GUI niet toestaan. Gebruik an RTOPCB niet toestaan Automatisch starten an downloads niet toestaan Geen Excel-inoegtoepassingen toestaan Gegeensoerdracht: iseries-sererbestanden maken Maken an hostbestanden niet toestaan Maken an iseries-sererbestand met wizard niet toestaan Maken an iseries-sererbestand met non-wizard niet toestaan ODBC Gegeensbronnen met naam Door programma s gegenereerde gegeensbronnen niet toestaan OLE DB Proider PC5250-emulatie Gebruik an OLE DB Proider niet toestaan Maximumaantal PC 5250-sessies Beleidsfuncties: functies. De olgende tabel geeft een lijst an Client Access Express beleidsormen en hun Functie Gerelateerd beleid Actie-automatiseringsobjecten Automatiseringsobject oor het uploaden an gegeens niet toestaan Automatiseringsobject oor het downloaden an gegeens niet toestaan Automatiseringsobject oor opdrachten op afstand niet toestaan Automatiseringsobject oor programma op afstand niet toestaan Automatiseringsobject oor gegeenswachtrij niet toestaan Communicatie Standaard gebruikerswerkstand TCP/IP-adres opzoeken Werkstand oor opzoeken an poort Secure sockets ereist Wijzigingen in actiee omgeing niet toestaan Wijzingen in de lijst met omgeingen niet toestaan Nog niet gedefinieerde erbindingen met systemen niet toestaan Alleen gebruik an erordende omgeingen toestaan Time-out oor erbinding (seconden) Gegeensoerdracht: Uploaden Geen enkele gegeensoerdracht naar een iseries-serer toestaan Toeoegen of erangen an hostbestanden niet toestaan Gegeensoerdracht ia GUI niet toestaan Gebruik an RFROMPCB niet toestaan Automatisch starten an uploads niet toestaan Uploaden an Excel-inoegtoepassingen niet toestaan Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 165
172 Functie Gerelateerd beleid Gegeensoerdracht: Downloaden Geen enkele gegeensoerdracht an een iseries-serer toestaan Gegeensoerdracht ia GUI niet toestaan. Gebruik an RTOPCB niet toestaan Automatisch starten an downloads niet toestaan Downloaden an Excel-inoegtoepassing niet toestaan Gegeensoerdracht: iseriessererbestanden maken Maken an hostbestanden niet toestaan Maken an iseries-sererbestand met wizard niet toestaan Maken an iseries-sererbestand alleen met wizard toestaan Directory bijwerken Het gebruik an directory bijwerken niet toestaan Inkomende opdracht op afstand Alle inkomende opdrachten op afstand toestaan wanneer wachtwoordcache is uitgeschakeld Als systeem uitoeren Opdrachtwerkstand Cachebeeiliging Generieke beeiliging toestaan Generieke beeiliging oert opdrachten uit zoals het is aangemeld bij de gebruiker Installeren Brondirectory Selectiee installatie Installatie niet toestaan Selectiee installatie niet toestaan Verwijderen niet toestaan Nieau Sericepakket controleren niet toestaan Sericepakket installeren niet toestaan Upgrades niet toestaan Migratie an Client Access-instellingen ouder dan V4R4M0 niet toestaan Installatie an afzonderlijke componenten niet toestaan Installatie an inoegtoepassingen niet toestaan Licentiebeheer Periode oordat Client Access-licentie wordt rijgegeen Taalondersteuning ANSI-codetabel OEM-codetabel EBCDIC-codetabel Bidirectionele omzetting an gegeens ODBC Gegeensbronnen met naam Door programma s gegenereerde gegeensbronnen niet toestaan OLE DB Gebruik an OLE DB Proider niet toestaan Operations Naigator Gebruik an Operations Naigator niet toestaan Wachtwoorden Gebruiker waarschuwen dat iseries-wachtwoord eralt Caching an iseries-wachtwoorden toestaan Wijzigingen in Client Access-wachtwoorden niet toestaan 166 iseries: Client Access Express Beheer
173 Functie Gerelateerd beleid PC5250 Emulatie Configuratie an beelstationsessies niet toestaan Gebruik an PC5250-emulator niet toestaan Maximumaantal PC5250-sessies Het wijzigen an.ws-profielen niet toestaan Menuconfiguratie niet toestaan Werkbalkconfiguratie niet toestaan Configuratie an meerdere sessies niet toestaan Toetsenbordconfiguratie niet toestaan Muisconfiguratie niet toestaan Uitoering an Jaa-applet niet toestaan Toegang tot macro s niet toestaan PC-opdrachten Cwblogon Cwbcfg Cwbback Cwbrest Cwben cwbundbs cwbrxd Wrksplf wrkmsg wrkprt wrkusrj Serice Wanneer controleren Vertraging Frequentie Image naar PC kopiùren Uitoeren op achtergrond Sericepad Sericetaak op achtergrond automatisch starten Gebruikersinterface Maken an bureaubladpictogrammen niet toestaan Beleidsfuncties: Actie-automatiseringsobjecten: Met dit beleid beheert u de olgende functies: Automatiseringsobject oor het uploaden an gegeens niet toestaan Automatiseringsobject oor het downloaden an gegeens niet toestaan Automatiseringsobject oor opdrachten op afstand niet toestaan Automatiseringsobject oor programma op afstand niet toestaan Automatiseringsobject oor gegeenswachtrij niet toestaan Actie-beleid: Het automatiseringsobject oor het uploaden an gegeens niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt wordt an het automatiseringsobject oor het uploaden an gegeens Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 167
174 Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Actie-beleid: Automatiseringsobject oor het downloaden an gegeens niet toestaan.: Dit beleid zorgt eroor dat gebruikers geen gebruik kunnen maken an het automatiseringsobject oor het downloaden an gegeens. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Actie-beleid: Automatiseringsobject oor programma op afstand niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het automatiseringsobject oor programma s op afstand Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Actie-beleid: Automatiseringsobject oor opdrachten op afstand niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het automatiseringsobject oor opdrachten op afstand. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding 168 iseries: Client Access Express Beheer
175 Beleidsnieau Actie-beleid: Automatiseringsobject oor gegeenswachtrijen niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat gebruikers geen gebruik kunnen maken an het automatiseringsobject oor gegeenswachtrijen Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: Communicatie: Met een dergelijk beleid kunt u de olgende communicatiefuncties beheren: Standaard gebruikerswerkstand TCP/IP-adres opzoeken Werkstand oor opzoeken an poort Secure sockets ereist Wijzigingen in actiee omgeing niet toestaan Wijzingen in de lijst met omgeingen niet toestaan Nog niet gedefinieerde erbindingen met systemen niet toestaan Alleen gebruik an erordende omgeingen toestaan Time-out oor erbinding (seconden) Communicatiebeleid: Standaard gebruikerswerkstand: Met dit beleid configureert u de standaard gebruikerswerkstand, bij het maken an een erbinding met een iseries-serer. U kunt oor de standaard gebruikerswerkstand de olgende opties instellen: Altijd ragen om inoer an een gebruikers-id en -wachtwoord. Werken met een standaard gebruikers-id, die u samen met dit beleid moet opgeen. Gebruikers-ID en wachtwoord an Windows an de aangemelde gebruiker gebruiken. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 169
176 Communicatiebeleid: Werkstand oor zoeken an TCP/IP-adres: In dit beleid kunt u een oorstel of erplichting astleggen oor de frequentie waarmee moet worden gezocht naar iseries-adressen. Met dit beleid kan de zoekfrequentie oor het TCP/IP-adres als olgt worden ingesteld: Altijd opzoeken (geen cache oor het adres) Ieder uur opzoeken Iedere dag opzoeken Iedere week opzoeken Opzoeken bij opstarten Nooit opzoeken Opm:. Als u de laatste optie (Nooit opzoeken) kiest, dient u ook een te gebruiken IP-adres op te geen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Communicatiebeleid: Werkstand oor opzoeken an poort: Met dit beleid stelt u een oorstel of een erplichting in oor de methode die wordt gebruikt en de plaats waar moet worden gezocht naar het TCP/IP-poortnummer oor een specifiek sererprogramma op de iseries-serer. Voor deze werkstand wordt een globale (machinenieau) erplichting of een door de gebruiker ingestelde waarde altijd oerschreen door een systeemspecifieke (iseries-erbindingsnieau) erplichting. Met dit beleid kunt u de Werkstand oor opzoeken an poort instellen op: Plaatselijk zoeken Op de serer zoeken Standaardpoort gebruiken Beperking Type beleidpolicy Type Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Communicatiebeleid: Secure sockets ereist: Met dit beleid kunnen gebruikers ertoe worden erplicht erbinding te maken met de iseries-serer met behulp an SSL (Secure Sockets Layer). 170 iseries: Client Access Express Beheer
177 Als u dit beleid wilt gebruiken, moet SSL zowel op de iseries-serer als op de client-pc geunstalleerd en geconfigureerd zijn. Uitschakelen an SSL kan niet erplicht worden gesteld. Een gebruiker heeft altijd de mogelijkheid om te kiezen oor gebruik an SSL, mits dit is geunstalleerd en geconfigureerd op de iseriesserer en op de client-pc. Als dit beleid het gebruik an SSL erplicht stelt, zal iedere poging tot het maken an een erbinding zonder SSL mislukken. Dit betekent dat er geen erbinding kan worden gemaakt met iseries-systemen als er geen SSL is geunstalleerd op de PC an de gebruiker, of als het iseries-systeem geen SSL kan gebruiken of als er geen hostserer is gestart die geschikt is oor SSL. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Communicatiebeleid: Wijzigingen in de actiee omgeing niet toestaan: Met dit beleid erhindert u het oerschakelen tussen actiee omgeingen. U kunt gebruikers ermee dwingen alleen binnen een specifieke omgeing te werken. Als er geen actiee omgeing is opgegeen of als er oor de actiee omgeing een ongeldige waarde is ingeoerd, gebruikt Client Access Express de omgeing Uw iseries-erbindingen. Als die omgeing niet bestaat, gebruikt Client Access Express de boenste uit de lijst met omgeingen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Communicatiebeleid: Wijzigingen in de lijst met omgeingen niet toestaan: Met dit beleid wordt oorkomen dat een gebruiker, of een groep gebruikers an een PC, wijzigingen kan aanbrengen in de lijst met omgeingen. De gebruiker kan met name geen omgeingen toeoegen of bestaande omgeingen hernoemen of wissen. Dit beleid is er alleen maar op gericht om manipulatie an de lijst met omgeingen te erhinderen. De gebruiker kan de inhoud an een omgeing nog steeds bewerken. Hij of zij kan bijoorbeeld systemen in een omgeing toeoegen/hernoemen/erwijderen. Deze beleidsfunctie is handig oor beheerders die duidelijk willen astleggen tot welke iseries-serers de Client Access Express-gebruikers toegang hebben. Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 171
178 Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Communicatiebeleid: Nog niet gedefinieerde erbindingen met systemen niet toestaan: Met dit beleid kunt u oorkomen dat gebruikers erbinding maken met systemen die nog niet zijn gedefinieerd. Met dit beleid kunnen echter geen systemen of omgeingen erplicht worden gesteld. Verplicht stellen an omgeingen of systemen kunt u doen door het beleidssjabloon config.adm te maken en te gebruiken. Raadpleeg oor meer informatie hieroer Express-beleidssjablonen maken. Als dit beleid an kracht is: Nog niet gedefinieerde systemen kunnen niet worden gebruikt oor een an de Client Access-functies. Nieuwe systemen kunnen niet worden gedefinieerd. Systemen kunnen worden gewist maar kunnen daarna niet weer worden gedefinieerd. Een omgeing kan nog steeds toegeoegd, hernoemd of gewist worden. Als omgeingen en systemen erplicht zijn gesteld: Systemen die nog niet zijn gedefinieerd, kunnen worden gebruikt oor Client Access-functies. Nieuwe systemen en omgeingen kunnen worden gedefinieerd. Reeds gedefinieerde systemen en omgeingen kunnen niet worden gewist. Dit beleid kan, naast het erplicht stellen an omgeingen en systemen, worden gebruikt om eroor te zorgen dat een gebruiker een erzameling omgeingen en systemen gebruikt, maar niet wijzigt. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Communicatiebeleid: Alleen gebruik an erordende omgeingen toestaan: Hiermee kan de beheerder bepalen tot welke omgeingen gebruikers toegang hebben. Deze beleidsfunctie is handig oor beheerders die duidelijk willen astleggen tot welke iseries-serers de gebruikers toegang hebben. Om het gebruik af te dwingen an een groep omgeingen, en systemen binnen deze omgeingen, dient u een beleidssjabloon te maken met behulp an cwbadgen.exe en de optie /cfg. Hierna gebruikt u deze sjabloon bij het maken an het beleidsbestand. Maak dit sjabloon alleen als de omgeingen en systemen die op de PC zijn geconfigureerd, exact degenen zijn waar u de gebruikers toegang tot wilt erlenen. 172 iseries: Client Access Express Beheer
179 Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Communicatiebeleid: Time-outwaarde: Dit beleid dwingt een time-outwaarde af. De gebruiker kan echter het beleid programmatisch oerschrijen, of handmatig de waarde configureren oor het systeem waarmee de gebruiker wordt erbonden. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: Gegeensoerdracht naar de iseries-serer: Met dit beleid kunnen functies oor Gegeensoerdracht naar de iseries-serer worden beheerd: Geen gegeensoerdracht naar een iseries-serer toestaan Toeoegen of erangen an hostbestanden niet toestaan Gegeensoerdracht naar de iseries-serer ia GUI niet toestaan Gebruik an RFROMPCB niet toestaan Automatisch starten an uploads niet toestaan Geen Excel-inoegtoepassingen toestaan Gegeensoerdrachtbeleid: Geen gegeensoerdracht naar iseries-serer toestaan: Met dit beleid kunt u het ersturen an gegeens naar een iseries-serer met Gegeensoerdracht erhinderen. Gebruik an deze beleidsfunctie is equialent aan gebruik an de olgende ier functies tezamen. Toeoegen of erangen an hostbestanden niet toestaan Gegeensoerdracht naar de iseries-serer ia GUI niet toestaan Gebruik an RFROMPCB niet toestaan Automatisch starten an uploads niet toestaan Geen Excel-inoegtoepassingen toestaan Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 173
180 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Toeoegen en erangen an hostbestanden niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat gebruikers Gegeensoerdracht gebruiken om een nieuw bestand aan de iseries-serer toe te oegen of een bestaand bestand te erangen. Deze beperking wordt ook geactieerd als u het meer algemene beleid Geen gegeensoerdracht naar de iseries-serer toestaan instelt. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Gegeensoerdracht naar iseries-serer ia GUI niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat gebruikers ia de GUI oor Gegeensoerdracht, gegeens naar een iseries-serer ersturen. Gebruik an het meer algemene beleid Geen gegeensoerdracht toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Gebruik an RFROMPCB niet toestaan: Gebruik dit beleid als u het gebruik an de opdracht RFROMPCB niet wilt toestaan. Het meer algemene beleid Geen gegeensoerdracht naar de iseries-serer toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) 174 iseries: Client Access Express Beheer
181 Gegeensoerdrachtbeleid: Automatisch starten uploads niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat een gebruiker opdrachten tot automatisch starten an gegeensoerdracht naar de iseries-serer geeft of dat deze opdrachten anaf een bepaalde PC opgegeen kunnen worden. Gebruik an het meer algemene beleid, Geen gegeensoerdracht naar een iseries-serer toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Gebruik an Excel-inoegtoepassing niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat gebruikers gegeens an een iseries naar een PC ersturen met behulp an de Excelinoegtoepassing oor Gegeensoerdracht. Gebruik an het meer algemene beleid Geen gegeensoerdracht an de iseries-serer toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Beleidsfuncties: Gegeensoerdracht an iseries-serer: Met dit beleid beheert u de functies an Gegeensoerdracht an de iseries-serer: Geen gegeensoerdracht an een iseries-serer toestaan Gegeensoerdracht an iseries-serer ia GUI niet toestaan. Gebruik an RTOPCB niet toestaan Automatisch starten an downloads niet toestaan Geen Excel-inoegtoepassingen toestaan Gegeensoerdrachtbeleid: Geen gegeensoerdracht an een iseries-serer toestaan: Met dit beleid kunt u het ersturen an gegeens anaf een iseries-serer met Gegeensoerdracht erhinderen. Gebruik an deze beleidsfunctie is equialent aan gebruik an de olgende ier functies tezamen. Gegeensoerdracht an iseries-serer ia GUI niet toestaan. Gebruik an RTOPCB niet toestaan Automatisch starten an downloads niet toestaan Geen Excel-inoegtoepassingen toestaan Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 175
182 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Gegeensoerdracht an iseries-serer ia GUI niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat gebruikers ia de GUI oor gegeensoerdracht gegeens anaf een iseries-serer kunnen binnenhalen. Gebruik an het meer algemene beleid Geen gegeensoerdracht an iseries-serer toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Gebruik an RTOPCB niet toestaan: Gebruik dit beleid als u het gebruik an de opdracht RTOPCB niet wilt toestaan. Het meer algemene beleid Geen gegeensoerdracht an de iseries-serer toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Automatisch starten an downloads niet toestaan.: Met dit beleid oorkomt u dat door een gebruiker of PC, ia automatisch startende opdrachten in Gegeensoerdracht, gegeens anaf de iseries-serer worden opgehaald. Gebruik an het meer algemene beleid, Geen gegeensoerdracht an de iseries-serer toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding 176 iseries: Client Access Express Beheer
183 Beleidsnieau Beleidsfuncties: Gegeensoerdracht an iseries-sererbestanden maken: oor het maken an iseries-sererbestanden: Maken an hostbestanden niet toestaan Maken an iseries-sererbestand met wizard niet toestaan Maken an iseries-sererbestand met non-wizard niet toestaan Dit beleid kan worden gebruikt Gegeensoerdrachtbeleid: Maken an hostbestanden niet toestaan: Met dit beleid erhindert u het maken an iseries-hostsererbestanden met behulp an Gegeensoerdracht. Gebruik an dit beleid is equialent aan gebruik an de olgende twee functies tezamen: Maken an iseries-sererbestand met wizard niet toestaan Maken an iseries-sererbestand met non-wizard niet toestaan Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Maken an iseries-sererbestanden met wizard niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat gebruikers iseries-sererbestanden maken met de wizard oor Gegeensoerdracht. Gebruik an het meer algemene beleid Maken an hostbestanden niet toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Gegeensoerdrachtbeleid: Maken an iseries-sererbestanden met non-wizard niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat gebruikers iseries-sererbestanden maken met de non-wizard-ersie an Gegeensoerdracht. Gebruik an het meer algemene beleid Maken an hostbestanden niet toestaan biedt dezelfde beperking. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 177
184 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Beleidsfuncties: Directory bijwerken: toestaan. Dit beleid biedt de instelling Gebruik an Directory bijwerken niet Beleid oor directory bijwerken: Directory bijwerken niet toestaan: an de functie Directory bijwerken. Met dit beleid erhindert u het gebruik Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: Inkomende opdracht op afstand: Met dit beleid kunt u onder andere de olgende bewerkingen uitoeren: Alle inkomende opdrachten op afstand toestaan wanneer wachtwoordcache is uitgeschakeld Als systeem uitoeren Opdrachtwerkstand Beeiliging in cache opslaan Generieke beeiliging toestaan Generieke beeiliging oert opdrachten uit zoals het is aangemeld bij de gebruiker Beleid Inkomende opdracht op afstand: Alle inkomende opdrachten op afstand toestaan wanneer wachtwoordcache is uitgeschakeld: Opm:. Dit beleid wordt alleen ondersteund in Windows 95/98! Met dit beleid kan de handelwijze an het programma Inkomende opdracht op afstand (cwbrxd.exe) worden geconfigureerd, als de Windows-wachtwoordcache is uitgeschakeld. Wachtwoorden oor Inkomende opdracht op afstand kunt u instellen in het tabblad Inkomende opdracht op afstand an het enster Eigenschappen Client Access. De ingestelde wachtwoorden worden opgeslagen in de Windowswachtwoordcache (en niet in de Client Access-wachtwoordcache). Als de Windows-wachtwoordcache is uitgeschakeld, kan Inkomende opdracht op afstand geen wachtwoorden opslaan of ophalen. Om deze reden kunnen wachtwoorden die meekomen met inkomende opdrachten op afstand, niet worden gecontroleerd. Deze opdrachten moeten of allemaal worden uitgeoerd of allemaal worden genegeerd. De actie die wordt ondernomen door Inkomende opdracht op afstand als de Windows-wachtwoordcache is uitgeschakeld, kan worden ingesteld in het tabblad Client Access an het wachtwoord-applet in het Configuratiescherm. De instelling bepaalt of Inkomende opdracht op afstand alle opdrachten uitoert of deze geen an allen accepteert. Als dit beleid niet wordt gebruikt om deze instelling te bepalen en de gebruiker heeft zelf geen instelling opgegeen, geldt de standaardinstelling. Inkomende opdracht op afstand accepteert dan geen enkele opdracht. 178 iseries: Client Access Express Beheer
185 Als Windows-wachtwoordcaching is ingeschakeld, zal noch dit beleid, noch de gebruikersinstelling enig effect hebben omdat de geldigheid an het wachtwoord kan worden gecontroleerd. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid Inkomende opdracht op afstand: Als systeem uitoeren: Opm:. Dit beleid wordt alleen ondersteund in Windows NT/2000! Dit beleid oorkomt het gebruik an de optie Als systeem uitoeren oor Inkomende opdracht op afstand. Raadpleeg oor meer informatie de tab IRC in de interface Eigenschappen an Client Access Express. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid Inkomende opdracht op afstand: Opdrachtwerkstand: Dit beleid oorkomt het gebruik an de optie Opdrachtwerkstand oor Inkomende opdracht op afstand. Raadpleeg oor meer informatie de tab IRC in de interface Eigenschappen an Client Access Express. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid Inkomende opdracht op afstand: Cachebeeiliging: Opm:. Dit beleid wordt alleen ondersteund in Windows NT/2000! Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 179
186 Dit beleid oorkomt het gebruik an de optie Cachebeeiliging oor Inkomende opdracht op afstand. Raadpleeg oor meer informatie de tab IRC in de interface Eigenschappen an Client Access Express. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid Inkomende opdracht op afstand: Generieke beeiliging toestaan: Opm:. Dit beleid wordt alleen ondersteund in Windows NT/2000! Dit beleid oorkomt het gebruik an de optie Generieke beeiliging toestaan oor Inkomende opdracht op afstand. Raadpleeg oor meer informatie de tab IRC in de interface Eigenschappen an Client Access Express. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Communicatiebeleid: Werkstand oor zoeken an TCP/IP-adres: In dit beleid kunt u een oorstel of erplichting astleggen oor de frequentie waarmee moet worden gezocht naar iseries-adressen. Met dit beleid kan de zoekfrequentie oor het TCP/IP-adres als olgt worden ingesteld. Altijd opzoeken (geen cache oor het adres) Ieder uur opzoeken Iedere dag opzoeken Iedere week opzoeken Opzoeken bij opstarten Nooit opzoeken Opm:. Als u de laatste optie (Nooit opzoeken) kiest, dient u ook een te gebruiken IP-adres op te geen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting 180 iseries: Client Access Express Beheer
187 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: Installatie: Met beleidsinstellingen kunnen ook de installatiefuncties worden beheerd: Brondirectory Selectiee installatie Installatie niet toestaan Selectiee installatie niet toestaan Verwijderen niet toestaan Nieau Sericepakket controleren niet toestaan Sericepakket installeren niet toestaan Upgrades niet toestaan Migratie an Client Access-instellingen ouder dan V4R4M0 niet toestaan Installatie an afzonderlijke componenten niet toestaan Installatie an inoegtoepassingen niet toestaan Installatiebeleid: Brondirectory Selectiee installatie: Met dit beleid legt u een erplicht pad ast waaranaf componenten geunstalleerd kunnen worden met Selectiee installatie. Het pad waaranaf Client Access oorspronkelijk is geunstalleerd, wordt opgeslagen in de Client Access-configuratie ten tijde an de installatie. Dit pad is oer het algemeen het pad dat wordt gebruikt door Selectiee installatie. Omdat een pad is geconfigureerd, heeft gebruik an dit beleid, uitsluitend om een nieuw pad oor te stellen, geen effect. Voorgestelde waarden worden immers oerschreen door ingestelde waarden. Een geconfigureerd pad wordt echter oerschreen door een erplicht gesteld pad. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Installatiebeleid: Installatie niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat het Client Accessinstallatieprogramma wordt uitgeoerd oor de installatie an Client Access op een PC waarop dit nog niet is geunstalleerd. Opm:. Andere soorten installatie zoals het installeren an een nieuwe release oer een oudere (upgraden), worden wel toegestaan. Voor het beheer an andere soorten installatiehandelingen, bestaan er ook nog andere beleidsinstellingen: Verwijderen niet toestaan Sericepakket installeren niet toestaan Upgrades niet toestaan Selectiee installatie niet toestaan Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 181
188 Installatie an afzonderlijke componenten niet toestaan Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Installatiebeleid: Selectiee installatie niet toestaan: Met dit beleid erhindert u het gebruik an Selectiee installatie an Client Access. Als Client Access eenmaal is geunstalleerd, kunnen er later niet alsnog andere Client Access-componenten op de PC worden geunstalleerd. Als u slechts de installatie an bepaalde componenten ia Selectiee installatie wilt erhinderen, kunt u beter het beleid oor afzonderlijk te installeren componenten gebruiken. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Met dit beleid erhindert u dat gebruikers Client Access er- Installatiebeleid: Verwijderen niet toestaan: wijderen an hun PC. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Installatiebeleid: Nieau Sericepakket controleren niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat het hulpprogramma Sericenieau controleren wordt uitgeoerd. Normaal gesproken wordt dit hulpprogramma een bepaalde tijd na het opstarten an Windows gestart, of niet gestart, afhankelijk an de instellingen die de gebruiker in Client Access heeft gemaakt. (De instellingen oor dit programma maakt u in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access.) U kunt dit hulpprogramma ook zelf handmatig starten, op ieder gewenst tijdstip. Als dit beleid wordt geactieerd, kan Sericenieau controleren noch automatisch, noch handmatig worden gestart. 182 iseries: Client Access Express Beheer
189 Als het beleid oor Sericepakket installeren niet toestaan is geactieerd, is het raadzaam om ook Sericenieau controleren niet toestaan in te schakelen. Als u dit niet doet en de controle begint, kan er een bericht worden weergegeen dat het Sericepakket geunstalleerd kan worden, terwijl dit niet het geal is. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Installatiebeleid: Sericepakket installeren niet toestaan: Met dit beleid erhindert u de installatie an een Client Access-sericepakket. Er is geen enkele andere installatiebeperking waarmee de installatie an een sericepakket kan worden erhinderd. Als u oor dit beleid kiest is het raadzaam om teens Nieau Sericepakket controleren niet toestaan in te stellen. Als u dit niet doet, zal de controle leiden tot een bericht waaruit de gebruiker kan opmaken dat hij of zij het Client Access Sericepakket kan installeren terwijl dit niet het geal is. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Installatiebeleid: Upgrades niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat er een nieuwere ersie an Client Access Express oer een oudere wordt geunstalleerd, of dat dezelfde ersie nogmaals wordt geunstalleerd. Het beleid erhindert echter niet dat Client Access Express op een PC wordt geunstalleerd waar Client Access nooit op heeft gestaan of waaran dit olledig erwijderd is. Als u wilt erhinderen dat Client Access Express wordt geunstalleerd op PC s waar geen Client Access op staat, gebruikt u het beleid Installatie niet toestaan. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 183
190 Installatiebeleid: Migratie an Client Access-instellingen ouder dan V4R4M0 niet toestaan: Gebruik dit beleid als u de migratie an instellingen wilt erhinderen, bij de migratie an een Client Access-ersie ouder dan V4R4M0 ( Client Access for Windows 95/NT ) naar Client Access-ersie V4R4M0 of nieuwer ( Client Access Express ). Als dit beleid wordt ingesteld op het tegenhouden an de migratie an de instellingen, geldt het olgende: Bij installatie an een Client Access-ersie V4R4M0 of nieuwer oer een ersie ouder dan V4R4M0, krijgt de gebruiker geen kans om de instellingen te migreren. Na een dergelijke installatie kan de gebruiker de wizard Migratie niet gebruiken om instellingen ouder dan V4R4M0 te migreren. Als u hebt gekozen oor de automatische installatie, indt er geen migratie an instellingen ouder dan V4R4M0 plaats. (Oer het algemeen wordt de migratie automatisch uitgeoerd aan het einde an een automatische installatie.) Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Installatiebeleid: Installatie an afzonderlijke componenten niet toestaan: Met dit beleid erhindert u de installatie an afzonderlijke componenten of subcomponenten an Client Access. Oer het algemeen kunnen deze componenten worden geunstalleerd tijdens een eerste installatie an Client Access, bij een upgrade naar een nieuwere ersie of bij gebruik an Selectiee installatie nadat het product is geunstalleerd. Als een beleid wordt gebruikt oor het erhinderen an de installatie an een bepaalde component, kan geen an deze installatiemethoden worden gebruikt oor de installatie an die component. De betreffende component erschijnt niet eens als installatieoptie. Als een component echter eenmaal geunstalleerd is, wordt deze niet erwijderd door dit beleid. Als de component later wordt erwijderd, kan deze niet opnieuw worden geunstalleerd, anwege de beperking an het beleid. Dit gebeurt onder andere tijdens een upgrade naar een nieuwere release. De eerste release wordt erwijderd en als de nieuwe release geunstalleerd wordt, kunnen componenten waaroor ia het beleid een beperking is ingesteld, niet nogmaals worden geunstalleerd. Sommige componenten zijn opgebouwd uit meerdere subcomponenten. In deze geallen bestaat er aak een beleid om de installatie an de gehele component tegen te houden en er bestaan weer andere beleidsopties oor het erhinderen an de installatie an subcomponenten binnen de component zelf. Hieronder indt u een lijst met alle afzonderlijke componenten en subcomponenten waaran de installatie door een beleid kan worden erhinderd: Afzonderlijke component Subcomponent Basiscomponent Post-API s Online gebruikershandleiding Inkomende opdracht op afstand Directory bijwerken 184 iseries: Client Access Express Beheer
191 Afzonderlijke component Subcomponent Operations Naigator Basisbewerkingen Taakbeheer Systeemconfiguratie Netwerk Beeiliging Gebruikers en groepen Database Bestandssystemen Multimedia Backup Toepassingsontwikkeling Centraal beheer Toepassingenbeheer Onbekende plug-ins oor Operations Naigator Gegeenstoegang: Gegeensoerdracht Excel-inoegtoepassing WK4-ondersteuning Gegeenstoegang: OLE DB Proider ODBC AFP Workbench Viewer Jaa Toolbox PC5250-beeldscherm en -printeremulatie en lettertypen Printerstuurprogramma s AFP-printerstuurprogramma SCS-printerstuurprogramma Operations Console Toepassingsontwikkeling Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid an hulpprogramma oor opdrachtregels: Gebruik an Cwbrest.exe oorkomen: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma Cwbrest. Voor meer informatie oer dit hulpprogramma oor opdrachtregels kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 185
192 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: Licentiebeheer: U kunt deze beleidsfuncties gebruiken oor het beheer an Periode oordat licentie wordt rijgegeen Communicatiebeleid: Werkstand oor zoeken an TCP/IP-adres: In dit beleid kunt u een oorstel of erplichting astleggen oor de frequentie waarmee moet worden gezocht naar iseries-adressen. Met dit beleid kan de zoekfrequentie oor het TCP/IP-adres als olgt worden ingesteld. Altijd opzoeken (geen cache oor het adres) Ieder uur opzoeken Iedere dag opzoeken Iedere week opzoeken Opzoeken bij opstarten Nooit opzoeken Opm:. Als u de laatste optie (Nooit opzoeken) kiest, dient u ook een te gebruiken IP-adres op te geen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-systeem Dit beleid gebruikt u oor het beheer an de taal- Beleidsinstellingen: NLS (National Language Support): ondersteuningsfunctie (National Language Support): ANSI-codetabel OEM-codetabel EBCDIC-codetabel BiDi-omzetting an gegeens NLS-beleid: ANSI-codetabel: Met dit beleid geeft u op welke ANSI-codetabel door een specifieke gebruiker oor de Client Access-functies moet worden gebruikt. Normaal gesproken maakt u deze instelling in het tabblad Taal an het enster Eigenschappen Client Access. Als er geen waarde is ingesteld die gebruik maakt an dit beleid en er ook geen waarde geconfigureerd is door de gebruiker, zal de oor de PC standaard ANSI-codetabel gebruikt worden. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting 186 iseries: Client Access Express Beheer
193 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding NLS-beleid (National Language Support): OEM-codetabel: Met dit beleid geeft u op welke OEMcodetabel door de Client Access-functies moet worden gebruikt. Normaal gesproken maakt u deze instelling in het tabblad Taal an het enster Eigenschappen Client Access. Als er met dit beleid geen waarde wordt ingeoerd en de gebruiker heeft zelf ook geen instelling gemaakt, wordt de standaard OEMcodetabel an de PC oergenomen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding NLS-beleid: EBCDIC-codetabel: Met dit beleid geeft u op welk EBCDIC CCSID door de Client Accessfuncties moet worden gebruikt. Normaal gesproken maakt u deze instelling in het tabblad Taal an het enster Eigenschappen Client Access. Als er met dit beleid geen waarde wordt ingesteld en de gebruiker heeft zelf ook geen instelling gemaakt, dan wordt het EBCDIC CCSID oergenomen an de iseries-taak die de client bedient. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Taalbeleid: Bidirectionele transformatie: Dit beleid suggereert of schrijft de waarde dwingend oor an de instelling oor bidirectionele transformatie op het configuratiescherm an Client Access Express. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 187
194 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: ODBC: Deze beleidsinstellingen kunnen worden gebruikt oor het besturen an ODBCfuncties: Gegeensbronnen met naam Door programma s gegenereerde gegeensbronnen niet toestaan ODBC-beleid: Gebruik an gegeensbronnen met naam niet toestaan: Met dit beleid kunt u het gebruik an gegeensbronnen met naam erhinderen als Client Access ODBC-ondersteuning wordt gebruikt. Een gegeensbron met naam is een gegeensbron die: Is gemaakt door de gebruiker of door een programma en waaraan een specifieke naam is gegeen Is opgegeen met behulp an de DSN-optie toen de erbinding tot stand werd gebracht. Een gebruiker kan een gegeensbron met naam maken met behulp an het Client Access-programma ODBC Beheren. Ook een programma kan een gegeensbron met naam maken bijoorbeeld door het oproepen an SQLCreateDataSource. Een programma kan een ODBC-erbinding tot stand brengen door SQLDrierConnect op te roepen. Als de optie DSN wordt gebruikt, geeft deze op welke gegeensbron met naam gebruikt kan worden. Als de optie FILEDSN wordt gebruikt, wordt de naam opgegeen an een bestand dat erbindingsopties beat. De bestandsnaam is geen gegeensbronnaam en daarom is het gebruik an FILEDSN geen gebruik an een gegeensbron met naam. Hieronder indt u de beperkingsopties an dit beleid: Alles toestaan Gebruik an alle gegeensbronnen met naam is toegestaan. Afgebeelde bronnen toestaan Alleen gebruik an de bronnen die zijn opgenomen in dit beleid, is toegestaan. Als u de lijst wilt bekijken of wijzigen, klikt u op de knop Afbeelden. Gebruik gegeensbronnen met naam niet toestaan: Gebruik an gegeensbronnen met naam is niet toegestaan. Als er bij het tot stand brengen an een erbinding geen gegeensbron met naam wordt opgegeen, wordt er een tijdelijke gegeensbron gebruikt, een zogenaamde door programma gegenereerde gegeensbron. Gebruik an door programma s gegenereerde gegeensbronnen kan worden erhinderd met het beleid Door programma gegenereerde gegeensbronnen niet toestaan. Dit beleid is een erangende waarde an machine-instelling inschakelen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) 188 iseries: Client Access Express Beheer
195 ODBC-beleid: Door programma gegenereerde gegeensbronnen niet toestaan: Met dit beleid erhindert u het gebruik an door een programma gegenereerde gegeensbronnen, bij gebruik an de Client Access ODBC-ondersteuning. Een door programma gegenereerde gegeensbron is een gegeensbron die wordt gemaakt oor tijdelijk gebruik als er een ODBC-erbinding tot stand wordt gebracht, zonder dat de DSNoptie wordt gebruikt om de naam an de gegeensbron op te geen. Gebruik an de FILEDSN-optie betekent echter niet dat de gebruikte gegeensbron een naam heeft. FILEDSN geeft de naam aan an een bestand dat erbindingsopties beat, niet de naam an een gegeensbron. Als een programma eerst een gegeensbron maakt (bijoorbeeld met gebruik an SQLCreateDataSource) en daarna een erbinding tot stand brengt met behulp an de DSN-optie, wordt de gegeensbron niet beschouwd als een door een programma gegenereerde gegeensbron maar als een gegeensbron met naam. Om het gebruik an gegeensbronnen met naam te erhinderen, kiest u het beleid Gebruik an gegeensbronnen met naam niet toestaan. Dit beleid is een erangende waarde an machine-instelling inschakelen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Beleidsfuncties: OLE DB: Dit beleid biedt de instelling Gebruik an OLE DB Proider niet toestaan. Beleid OLE DB Proider: Gebruik an OLE DB Proider niet toestaan: Met dit beleid erhindert u het gebruik an Client Access OLE DB Proider. Als het gebruik an OLE DB Proider niet wordt erhinderd door dit beleid, kan het worden gebruikt oor toegang tot iseries-databasebestanden, opgeslagen procedures, gegeenswachtrijen, CL-opdrachten en programma s. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan Per iseries-erbinding de instelling oor de PC oerschrijen) Beleidsfuncties: Operations Naigator: toestaan. Dit beleid biedt de instelling Gebruik an Operations Naigator niet Operations Naigator-beleid: Gebruik an Operations Naigator niet toestaan: gebruik an Operations Naigator niet wilt toestaan. Gebruik dit beleid als u het Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 189
196 Type beleid Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: Wachtwoorden: Met dit beleid kunt u de wachtwoordfuncties beheren: Gebruiker waarschuwen dat iseries-wachtwoord eralt Caching an iseries-wachtwoorden toestaan Wijzigingen in Client Access-wachtwoorden niet toestaan Wachtwoordbeleid: Gebruiker waarschuwen dat het iseries-wachtwoord eralt: Met dit beleid stelt u in of Client Access een gebruiker waarschuwt als het iseries-wachtwoord bijna is erlopen en zo ja, hoe lang an te oren. Als u dit beleid inschakelt, moet u ook opgeen hoeeel dagen oor het erallen an het wachtwoord de gebruiker wordt gewaarschuwd. Deze instellingen kunnen door de gebruiker worden gemaakt met de applet Wachtwoord in het Configuratiescherm an Windows 95/98 of in het tabblad Wachtwoorden an het enster Eigenschappen Client Access in Windows NT/2000. Als er ia het beleid geen waarde is ingesteld en de gebruiker heeft zelf geen waarde ingeoerd, geldt de standaardinstelling. De gebruiker wordt dan 14 dagen an te oren gewaarschuwd dat het wachtwoord eralt. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Wachtwoordbeleid: Caching an iseries-wachtwoorden toestaan: Gebruik dit beleid om Client Access wel of niet toe te staan iseries-wachtwoorden in het wachtwoordcachegeheugen an Windows 95/98 op te slaan. Dit beleid werkt niet oor Windows NT. Dit is een configuratiebeleid omdat de gebruiker instelt of iseries-wachtwoorden wel of niet in de Windows 95/98-wachtwoordcache kunnen worden opgeslagen. Gebruikers kiezen deze optie in het tabblad Client Access an de applet Wachtwoord, in het Configuratiescherm. Als er geen beleid is ingesteld en de gebruiker heeft Client Access niet geconfigureerd op het wel of niet toestaan an deze wachtwoordcaching, dan geldt de standaardinstelling, namelijk toestaan an wachtwoordcaching. Als Client Access een gebruikers-id of een wachtwoord nodig heeft om een erbinding tot stand te brengen, erschijnt er een enster met het erzoek om een gebruikers-id en/of wachtwoord in te oeren. Als wachtwoordcaching in de Windows 95/98-wachtwoordcache is toegestaan, erschijnt in dit enster een selectieakje. Als de gebruiker het akje selecteert, wordt zijn wachtwoord opgeslagen in de Windowswachtwoordcache. Wachtwoorden worden nu in het cachegeheugen opgeslagen en blijen hierin, ook nadat de gebruiker zich heeft afgemeld, de PC heeft uitgeschakeld of Windows opnieuw heeft opgestart. Als het gebruik an deze wachtwoordcache is uitgeschakeld, erschijnt er geen selectieakje met de raag een wachtwoord in te oeren, en caching an het wachtwoord oor meerdere sessies en het opnieuw opstarten an Windows is dan niet mogelijk. 190 iseries: Client Access Express Beheer
197 Dit beleid heeft geen inloed op het gebruik an cachegeheugens oor het gebruikerswachtwoord binnen ÚÚn aanmeldingssessie. Het wachtwoord wordt wel in het cachegeheugen opgeslagen, maar als de gebruiker zich afmeldt, gaat het wachtwoord erloren omdat dit niet was opgeslagen. Binnen ÚÚn sessie zal u meestal niet nog aker om een wachtwoord worden geraagd als u erbinding maakt met hetzelfde iseries-systeem, omdat het wachtwoord in de cache is astgelegd oor de duur an de gehele sessie. Als u er zeker an wilt zijn dat gebruikers an de PC hun iseries-wachtwoord bij ieder gebruik an een Client Access-functie moeten opgeen, gebruikt u het beleid Standaard gebruikerswerkstand om de raag om een wachtwoord altijd te laten erschijnen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Wachtwoordbeleid: Wijzigingen in Client Access-wachtwoorden niet toestaan: Met dit beleid erhindert u dat iseries-wachtwoorden ia Client Access worden gewijzigd. Normaal gesproken kunnen gebruikers anaf hun PC hun wachtwoord wijzigen oor iseries-systemen waarmee zij ia Client Access zijn erbonden. Dit kan worden gedaan in het tabblad Client Access an de applet Wachtwoord in Windows 95/98, of in het tabblad Wachtwoorden an het enster Eigenschappen Client Access in Windows NT/2000. Dit beleid kan echter niet erhinderen dat gebruikers hun iseries-wachtwoord kunnen wijzigen in een PC5250- emulatiesessie. Boendien kan de iseries-systeembeheerder de gebruiker erhinderen het iserieswachtwoord te wijzigen, ook als dit beleid niet is geactieerd. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: PC5250-emulatie: Met deze beleidsinstellingen beheert u PC5250-functies: Configuratie an beelstationsessies niet toestaan Configuratie an printersessies niet toestaan Gebruik an PC5250-emulator niet toestaan Maximumaantal PC5250-sessies Het wijzigen an.ws-profielen niet toestaan Menuconfiguratie niet toestaan Werkbalkconfiguratie niet toestaan Multi-session-configuratie niet toestaan Toetsenbordconfiguratie niet toestaan Muisconfiguratie niet toestaan Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 191
198 Uitoering an Jaa-applet niet toestaan Toegang tot macro s niet toestaan PC5250-emulatiebeleid: Configuratie an beeldstationsessies niet toestaan: Met dit beleid erhindert u de configuratie an nieuwe PC5250-beeldstationsessies. De instellingen an de beeldstationsessies die u reeds heeft geconfigureerd, kunnen worden bekeken maar niet gewijzigd. Dit beleid is niet oor het beheer an het gebruik an beeldstationsessies, maar oor het configureren an nieuwe. Met dit beleid wordt de configuratie an nieuwe PC5250-printersessies niet erhinderd. Als u een dergelijke configuratie niet wilt toestaan, schakelt u het beleid Configuratie an printersessies niet toestaan in. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Configuratie an printersessies niet toestaan: Met dit beleid kunt u de configuratie an nieuwe PC5250-printersessies erhinderen. De instellingen an de printersessies die u reeds hebt geconfigureerd, kunnen worden bekeken maar niet worden gewijzigd. Dit beleid is niet oor het beheer an het gebruik an printersessies, maar oor het configureren an nieuwe sessies. Met dit beleid wordt de configuratie an nieuwe PC5250-beeldstationsessies niet erhinderd. Als u een dergelijke configuratie niet wilt toestaan, schakelt u het beleid Configuratie an beeldstationsessies niet toestaan in. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Gebruik an PC5250-emulator niet toestaan: Gebruik dit beleid als u het gebruik an de PC5250-emulator niet wilt toestaan. Als het beleid is ingeschakeld, zijn zowel beeldstationsessies als printersessies niet beschikbaar. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting 192 iseries: Client Access Express Beheer
199 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Maximumaantal PC5250-sessies: Met dit beleid erhindert u een te groot aantal erbindingen met een specifiek iseries-systeem met behulp an PC5250-emulatie. Gebruikers oor wie dit beleid is ingesteld, kunnen slechts erbinding maken met een beperkt aantal PC5250-emulatiesessies per keer oor erbinding met de opgegeen iseries. Zowel beeldstation- als printersessies worden in deze telling meegerekend. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Wijzigen an WS-profielen niet toestaan: Met dit beleid kunt u de mogelijkheden an de gebruiker beperken oor het wijzigen an configuratiegegeens die betrekking hebben op communicatie. Hieronder wordt emulatieconfiguratie erstaan (het menuitem Communicatie > Configuratie). Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Menuconfiguratie niet toestaan: Met dit beleid kunt u de mogelijkheden an de gebruiker beperken oor het lezen en wijzigen an configuratiegegeens die betrekking hebben op het menu. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 193
200 PC5250-emulatiebeleid: Configuratie an werkbalk niet toestaan: Met dit beleid kunt u de mogelijkheden an de gebruiker beperken oor het lezen en wijzigen an configuratiegegeens die betrekking hebben op de werkbalk. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Configuratie an meerdere sessies niet toestaan: Met dit beleid kunt u de mogelijkheden an de gebruiker beperken oor het lezen, uitoeren en besturen an gegeens die betrekking hebben op meerdere sessies. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Toetsenbordconfiguratie niet toestaan: Met dit beleid kunt u de mogelijkheden an de gebruiker beperken oor het lezen en wijzigen an configuratiegegeens die betrekking hebben op het toetsenbord. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Muisconfiguratie niet toestaan: Met dit beleid kunt u de mogelijkheden an de gebruiker beperken oor het lezen en wijzigen an configuratiegegeens die betrekking hebben op de muis. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting 194 iseries: Client Access Express Beheer
201 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Uitoering an Jaa-applet niet toestaan: Met dit beleid kunt u de mogelijkheden an de gebruiker beperken oor het uitoeren an Jaa-applets ia het menu Acties > Jaa-applet uitoeren. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding PC5250-emulatiebeleid: Toegang tot macro s niet toestaan: Met dit beleid kunt u de mogelijkheden an de gebruiker beperken oor het astleggen of afspelen an macro s. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: PC-opdrachten: Cwblogon Cwbcfg Cwbback Cwbrest Cwben cwbundbs cwbrxd Wrksplf wrkmsg wrkprt wrkusrj Met deze beleidsfuncties kunt u PC-opdrachten beperken: Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an Cwblogon.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma Cwblogon. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 195
202 Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an Cwbcfg.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma Cwbcfg. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an Cwbback.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik kan worden gemaakt an het programma Cwbback. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an Cwbrest.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma Cwbrest. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting 196 iseries: Client Access Express Beheer
203 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an Cwben.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma Cwben. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an cwbundbs.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma cwbundbs. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an cwbrxd.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma cwbrxd. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Dit beleid geldt alleen oor Windows 95/98/Me-systemen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 197
204 Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an Wrksplf.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma Wrksplf. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an wrkmsg.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma wrkmsg. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an wrkprt.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma wrkprt. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleid PC-opdrachten: Het gebruik an wrkusrj.exe niet toestaan: Dit beleid zorgt eroor dat geen gebruik gemaakt kan worden an het programma wrkusrj. Voor meer informatie oer deze PC-opdracht kunt u de online gebruikershandleiding an Client Access Express raadplegen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting 198 iseries: Client Access Express Beheer
205 Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Beleidsfuncties: Serices: Met dit beleid beheert u de sericefuncties: Wanneer controleren Vertraging Frequentie Image naar PC kopiùren Uitoeren op achtergrond Sericepad Sericebeleid: Wanneer controleren: Met dit beleid bepaalt u wanneer het hulpprogramma Client Access Sericenieau controleren wordt uitgeoerd. Deze instelling kan normaal door de gebruiker worden gemaakt in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access. De instelopties oor dit beleid zijn hetzelfde als die in Eigenschappen Client Access. Als er ia het beleid geen waarde is ingesteld en de gebruiker heeft zelf geen waarde ingeoerd, geldt de standaardinstelling Periodiek en de instelling oor Frequentie bepaalt hoeeel dagen er wordt gewacht tussen twee controles. Als u oor dit beleid kiest, is het raadzaam om teens het beleid Verwerkingstijd en het beleid Frequentie in te stellen. Afhankelijk an de instelling an het beleid Wanneer controleren, kunnen deze beleidsinstellingen ook functioneel zijn. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Sericebeleid: Vertraging: Met dit beleid geeft u op hoe lang Client Access na het opstarten an Windows wacht, oordat het hulpprogramma Sericenieau controleren automatisch wordt gestart. Deze instelling kan normaal door de gebruiker worden gemaakt in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access. Houd er rekening mee dat deze instelling geen effect heeft als de optie Wanneer controleren is ingesteld op Nooit, aangezien Sericenieau controleren in dat geal nooit zal worden uitgeoerd. De waarde die oor dit beleid kan worden ingesteld is het aantal seconden dat Client Access dient te wachten. Als er ia het beleid geen waarde is ingesteld en de gebruiker heeft zelf geen waarde ingeoerd, geldt de standaardinstelling. Client Access wacht dan 60 seconden oordat Sericenieau controleren wordt uitgeoerd. Hoewel u in dit beleid een waarde in seconden kunt inoeren, wordt de waarde in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access in minuten afgebeeld. Hier worden de seconden die zijn opgegeen afgerond naar het dichtstbijzijnde aantal hele minuten. Als u oor dit beleid kiest, is het raadzaam om teens het beleid Wanneer controleren en het beleid Frequentie in te stellen. Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 199
206 Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Sericebeleid: Frequentie: Met dit beleid stelt u in hoe aak Client Access Sericenieau controleren wordt uitgeoerd. Deze instelling kan normaal door de gebruiker worden gemaakt in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access. Als er ia het beleid geen waarde is ingesteld en de gebruiker heeft zelf geen waarde ingeoerd, geldt de standaardinstelling. De controle wordt dan eens in de 28 dagen uitgeoerd. Houd er rekening mee dat dit beleid geen effect heeft tenzij de optie Wanneer controleren is ingesteld op Periodiek. Als u oor dit beleid kiest, is het raadzaam om teens het beleid Wanneer controleren Sericebeleid: Wanneer controleren op pagina 199 en het beleid Vertraging te installeren. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Sericebeleid: Image naar PC kopiùren: Met dit beleid bepaalt u of de Client Access-installatiefuncties de image-bestanden naar de PC kopiùren oordat de installatie begint. Deze instelling kan normaal door de gebruiker worden gemaakt in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access. Als er ia het beleid geen waarde is ingesteld en de gebruiker heeft zelf geen waarde ingeoerd, geldt de standaardinstelling de bestanden worden niet naar de PC gekopieerd. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Sericebeleid: Uitoeren op achtergrond: Met dit beleid stelt u in of updates en release upgrades an Client Access-software op de achtergrond worden uitgeoerd dus zonder ingrijpen an de gebruiker. Deze instelling kan normaal door de gebruiker worden gemaakt in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access. Als er ia het beleid geen waarde is ingesteld en de gebruiker heeft zelf geen waarde ingeoerd, geldt de standaardinstelling. Updates en upgrades worden dan interactief. 200 iseries: Client Access Express Beheer
207 Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Sericebeleid: Sericepad: Met dit beleid geeft u de locatie op waar Client Access zoekt naar upgrades en sericepakketten bij het controleren an nieaus en het installeren. Deze instelling kan normaal door de gebruiker worden gemaakt in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access. Als er ia het beleid geen waarde is ingesteld en de gebruiker heeft zelf geen waarde ingeoerd, geldt de locatie anaf waar Client Access is geunstalleerd. Opm:. Client Access configureert deze waarde als eerste installatiepad tijdens de installatie. Omdat geconfigureerde waarden altijd worden gebruikt oordat wordt gecontroleerd of er oorgestelde waarden zijn, heeft het geen effect om met dit beleid een waarde oor te stellen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Sericebeleid: Sericetaak op achtergrond automatisch starten: Met dit beleid geeft u op of de sericetaak op de achtergrond automatisch wordt gestart bij het opstarten an Windows. Deze instelling wordt oer het algemeen gemaakt in het tabblad Serice an het enster Eigenschappen Client Access. Als er met dit beleid geen waarde wordt ingeoerd en de gebruiker heeft zelf ook geen instelling gemaakt, wordt de sericetaak op de achtergrond niet automatisch gestart. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding Hoofdstuk 9. Integratie an nieuwe functies in Client Access Express en Operations Naigator 201
208 Dit beleid beschikt oer de optie Maken an bureaublad- Beleidsfuncties: Gebruikersinterface: pictogrammen niet toestaan. Gebruikersinterfacebeleid: Maken an bureaubladpictogrammen niet toestaan: Met dit beleid erhindert u het maken an Client Access iseries-bureaubladpictogrammen. Deze pictogrammen bieden een methode om een specifieke toepassing, bijoorbeeld Operations Naigator of een door de gebruiker gedefinieerd programma, direct te openen en direct een erbinding tot stand te brengen met een specifiek iseriessysteem. Deze pictogrammen kunt u maken door in Operations Naigator met de rechtermuisknop te klikken op de naam an het iseries-systeem en Pictogram op bureaublad maken te selecteren. Een bureaubladpictogram kan ook worden gemaakt door met de rechtermuisknop op het Windows-bureaublad te klikken, en erolgens Nieuw en iseries-bureaubladpictogram te selecteren. Terwijl u met dit beleid het maken an dat soort pictogrammen kunt erhinderen, kunnen er nog steeds wel andere soorten bureaubladpictogrammen worden gemaakt met Operations Naigator, zoals: Exemplaren an printeruitoerbestanden. Snelkoppelingen naar Operations Naigator-mappen, zoals Berichten. Bestanden of mappen an het iseries-ifs (Integrated File System). Er bestaat geen Client Access-beleid dat het maken an deze pictogrammen kan erhinderen. Beperking Type beleid Voorstel Configuratie Verplichting Beleidsnieau Per PC (alle gebruikers) Per gebruiker Per gebruikersinstelling (kan de instelling oor de PC oerschrijen) Per iseries-erbinding 202 iseries: Client Access Express Beheer
209
210 Gedrukt in Nederland
ThinkVantage System Migration Assistant 5.0. Handboek voor de gebruiker
ThinkVantage System Migration Assistant 5.0 Handboek oor de gebruiker ThinkVantage System Migration Assistant 5.0 Handboek oor de gebruiker Opmerking: Lees eerst Bijlage F, Kennisgeingen, op pagina 137.
Voor alle printers moeten de volgende voorbereidende stappen worden genomen: Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom
Windows NT 4.x In dit onderwerp wordt het volgende besproken: "Voorbereidende stappen" op pagina 3-24 "Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom" op pagina 3-24 "Andere installatiemethoden" op pagina
ERserver. iseries Access for Web. iseries. Versie 5 Release 3
ERserer iseries iseries Access for Web Versie 5 Release 3 ERserer iseries iseries Access for Web Versie 5 Release 3 Opmerking: Voordat u deze informatie en het product gebruikt, leest u eerst de informatie
Installatie SQL Server 2014
Installatie SQL Server 2014 Download de SQL Server Express net advanced Services van de website: https://www.microsoft.com/en-us/download/details.aspx?id=42299 klik op Download. Als u een 64 bit variant
Power Systems. Live Partition Mobility
Power Systems Lie Partition Mobility Power Systems Lie Partition Mobility Opmerking Lees oordat u deze informatie en het product gaat gebruiken de informatie in Kennisgeingen op pagina 161. Deze uitgae
Windows 98 en Windows ME
Windows 98 en Windows ME In dit onderwerp wordt het volgende besproken: Voorbereidende stappen op pagina 3-29 Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom op pagina 3-30 Andere installatiemethoden op pagina
VMware Identity Manager Desktop gebruiken. VMware Identity Manager 2.8 VMware Identity Manager 2.9.1
VMware Identity Manager Desktop gebruiken VMware Identity Manager 2.8 VMware Identity Manager 2.9.1 VMware Identity Manager Desktop gebruiken U vindt de recentste technische documentatie op de website
OneTouch ZOOM Pro Diabetes Management Software met SnapShot. Installatiehandleiding. Installatieprocedure
OneTouch ZOOM Pro Diabetes Management Software met SnapShot Installatiehandleiding Installatieprocedure 1. Plaats de OneTouch Zoom Pro installatie-cd in de cd-rom-lezer. OPMERKING: Als u het programma
Installatiehandleiding. Facto minifmis
Installatiehandleiding Facto minifmis 1. Installatie Facto MiniFMIS 1.1 Achtergrond Facto MiniFMIS biedt facilitaire organisaties een eenvoudige en gebruikersvriendelijke hulpmiddel bij het uitvoeren van
INSTALLATIE-INSTRUCTIE VIDA INHOUD
VIDA INSTALLATIE-INSTRUCTIES VIDA 2015 INHOUD 1 INLEIDING... 3 2 VOOR DE INSTALLATIE... 4 2.1 Checklist Voor de installatie... 4 2.2 Producten van derden... 4 2.2.1 Adobe Reader... 5 2.3 Microsoft Windows-gebruikersaccount...
Samengesteld door: Xerox Corporation Global Knowledge and Language Services 800 Phillips Road, Bldg. 0845-17S Webster, New York 14580-9791 USA
Windows-printerdrivers voor Xerox Production Print Services en CentreWare voor de Xerox Nuvera 100/120 Digitale kopieerapparaat/printer en het Xerox Nuvera 100/120 Digitale productiesysteem Aan de slag
Installatiegids Command WorkStation 5.6 met Fiery Extended Applications 4.2
Installatiegids Command WorkStation 5.6 met Fiery Extended Applications 4.2 Fiery Extended Applications Package (FEA) v4.2 bevat Fiery-toepassingen voor het uitvoeren van taken die zijn toegewezen aan
Installatie SQL Server 2012
Installatie SQL Server 2012 Download de SQL Server express net Advanced Services van de website: https://www.microsoft.com/en-us/download/details.aspx?id=29062 klik op Download. Als u een 64 bit variant
Installatie SQL: Server 2008R2
Installatie SQL: Server 2008R2 Download de SQL Server 2008.exe van onze site: www.2work.nl Ga naar het tabblad: Downloads en meld aan met: klant2work en als wachtwoord: xs4customer Let op! Indien u een
Handleiding Internet Veiligheidspakket Windows & Mac Versie april 2014
Handleiding Internet Veiligheidspakket Windows & Mac Versie april 2014 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Inleiding 3 Hoofdstuk 2. Bestellen van het Internet Veiligheidspakket 4 Hoofdstuk 3. Installatie 9 3.1
KeyLink B.V. KeyLink CTI Client Installation Manual - Dutch
KeyLink B.V. KeyLink CTI Client Installation Manual - Dutch Product(en): Versie: KeyLink CTI software V4.13.1 Document Versie: 1.16 Datum: 8 januari 2013 Auteur: Technical Support Overzicht Dit document
Nieuwe Installatie/Factuur2King bijwerken
Nieuwe Installatie/Factuur2King bijwerken Volg de onderstaande stappen om een nieuwe versie van Factuur2King 2.1 te installeren of een bestaande installatie bij te werken. 1. Uitpakken zipbestanden Pak
System Updates Gebruikersbijlage
System Updates Gebruikersbijlage System Updates is een hulpprogramma van de afdrukserver dat de systeemsoftware van uw afdrukserver met de recentste beveiligingsupdates van Microsoft bijwerkt. Het is op
Handleiding Update PM-Record 8 naar 9
Handleiding Update PM-Record 8 naar 9 Pro Management biedt de nieuwe versie van een totaaloplossing aan Voor alle kantoorprocessen, behalve de boekhouding en salarisverwerkingen, beschikt u over een geïntegreerde
Handleiding Migratie. Bronboek Professional
Handleiding Migratie Bronboek Professional Laatste wijziging: 25/02/2015 Inhoudsopgave Controles en acties vooraf pag. 1 Installatie en configuratie Microsoft SQL met de Bronboek Helpdesk Tool pag. 3 Migratie
Een upgrade uitvoeren van Windows Vista naar Windows 7 (aangepaste installatie)
Een upgrade uitvoeren van Windows Vista naar Windows 7 (aangepaste installatie) Als u geen upgrade kunt uitvoeren voor uw computer met Windows Vista naar Windows 7 voert u een aangepaste installatie uit.
2 mei 2014. Remote Scan
2 mei 2014 Remote Scan 2014 Electronics For Imaging. De informatie in deze publicatie wordt beschermd volgens de Kennisgevingen voor dit product. Inhoudsopgave 3 Inhoudsopgave...5 openen...5 Postvakken...5
Factuur2King 2.1 installeren (ook bij upgrades)
Factuur2King 2.1 installeren (ook bij upgrades) Pak het Factuur2King.zip bestand uit en plaats de bestanden op de gewenste locatie op de PC (de locatie maakt niet uit). Controleer dat de volgende twee
Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition
IBM DB2 Connect Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition Versie 8.2 GC14-5544-01 IBM DB2 Connect Aan de slag met DB2 Connect Personal Edition Versie 8.2 GC14-5544-01 Lees eerst Kennisgeingen. Deze
Installatie Remote Backup
Juni 2015 Versie 1.2 Auteur : E.C.A. Mouws Pagina 1 Inhoudsopgave BusinessConnect Remote Backup... 3 Kenmerken... 3 Beperkingen... 3 Gebruik op meerdere systemen... 3 Systeemeisen... 4 Support... 4 Installatie...
Verkorte handleiding. 1. Installeren van Readiris TM. 2. Opstarten van Readiris TM
Verkorte handleiding Deze Verkorte handleiding helpt u bij de installatie en het gebruik van Readiris TM 15. Voor gedetailleerde informatie over alle mogelijkheden van Readiris TM, raadpleeg het hulpbestand
Crystal Reports Gebruikershandleiding. Crystal Reports XI R2 installeren
Crystal Reports Gebruikershandleiding Crystal Reports XI R2 installeren Crystal Reports XI R2 installeren Crystal Reports XI R2 installeren U wordt bij het installatieproces begeleid door de Crystal Reports-wizard
Technische nota AbiFire5 Rapporten maken via ODBC
Technische nota AbiFire5 Rapporten maken via ODBC Laatste revisie: 29 juli 2009 Inhoudsopgave Inleiding... 2 1 Installatie ODBC driver... 2 2 Systeeminstellingen in AbiFire5... 3 2.1 Aanmaken extern profiel...
IBM Network Station Manager voor AS/400 V2R1 - Installatiehandleiding, September 1999
IBM Network Station IBM Network Station Manager oor AS/400 V2R1 - Installatiehandleiding, September 1999 Op http://www.ibm.com/nc/pubs indt u de meest recente update SC14-5508-00 IBM Network Station IBM
MEDIA NAV navigatiesysteem Handleiding voor het downloaden van content via internet
MEDIA NAV navigatiesysteem Handleiding voor het downloaden van content via internet Dit document beschrijft hoe u de software of content van uw navigatiesysteem kunt bijwerken. De screenshots die in deze
Handleiding installatie Rental Dynamics
Handleiding installatie Rental Dynamics Versie: 1.1 Datum: 9 januari 2015 1. Inleiding Deze handleiding beschrijft de procedure voor de installatie van Rental Dynamics en de benodigde software. In hoofdstuk
iseries Aan de slag met iseries
iseries Aan de slag met iseries iseries Aan de slag met iseries Copyright IBM Corp. 1998, 2001. Inhoudsopgae Hoofdstuk 1. Aan de slag met de iseries 400...................... 1 EZ-Setup oltooien: oer
INSTALLATIE-INSTRUCTIES VIDA VIDA ON WEB
INSTALLATIE-INSTRUCTIES VIDA VIDA ON WEB INHOUD 1 INLEIDING... 3 2 INSTALLATIE... 4 2.1 Installatie vanaf de VIDA-DVD... 4 2.2 Installatie van de website Workshop Support Guide of Dealer Development Platform...
Installatie King Task Centre
Installatie King Task Centre In deze handleiding wordt beschreven hoe u de King Task Centre moet installeren. King Task Centre is de nieuwe naam van de King MaatwerkBox. In alle documentatie en communicatie
Het installeren van Microsoft Office 2012-09-12 Versie: 2.1
Het installeren van Microsoft Office 2012-09-12 Versie: 2.1 INHOUDSOPGAVE Het installeren van Microsoft Office... 2 Informatie voor de installatie... 2 Het installeren van Microsoft Office... 3 Hoe te
INSTALLATIE-INSTRUCTIES VIDA VIDA ON WEB
INSTALLATIE-INSTRUCTIES VIDA VIDA ON WEB INHOUD 1 INLEIDING... 3 2 INSTALLATIE... 4 2.1 Installatie vanaf de VIDA-DVD... 4 2.2 Installatie van de website VIDA ISS of Dealer Development Portal... 5 3 VERIFIEER
Korte installatiehandleiding voor de datakabel CA-42
Korte installatiehandleiding voor de datakabel CA-42 9234594 Nummer 2 Nokia, Nokia Connecting People en Pop-Port zijn gedeponeerde handelsmerken van Nokia Corporation. Copyright 2005 Nokia. Alle rechten
Nero AG SecurDisc Viewer
Handleiding SecurDisc Nero AG SecurDisc Informatie over auteursrecht en handelsmerken De handleiding en de volledige inhoud van de handleiding worden beschermd door het auteursrecht en zijn eigendom van
Handleiding Sportlink Club
Handleiding Sportlink Club Dit document is automatisch gegenereerd. We raden u aan de handleiding online te raadplegen via www.sportlinkclub.nl/support. 1. Installatiehandleiding.........................................................................................
ii LotusLive beheren
LotusLie beheren ii LotusLie beheren Inhoudsopgae Hoofdstuk 1. LotusLie: info...... 1 Hoofdstuk 2. Systeemereisten oor LotusLie.............. 3 Hoofdstuk 3. LotusLie aanpassen oor uw organisatie............
Fiery Remote Scan. Fiery Remote Scan openen. Postvakken
Fiery Remote Scan Met Fiery Remote Scan kunt u scantaken op de Fiery-server en de printer beheren vanaf een externe computer. Met Fiery Remote Scan kunt u het volgende doen: Scans starten vanaf de glasplaat
Nieuwe Installatie/Factuur2King 2.1 MU bijwerken
Nieuwe Installatie/Factuur2King 2.1 MU bijwerken Volg de onderstaande stappen om Factuur2King 2.1 MU te installeren of een bestaande installatie bij te werken. Werkt u op dit moment nog met Factuur2King
1 INTRODUCTIE...5 2 SYSTEEMVEREISTEN...6. 2.1 Minimum Vereisten...6 2.2 Aanbevolen Vereisten...7
NEDERLANDS...5 nl 2 OVERZICHT nl 1 INTRODUCTIE...5 2 SYSTEEMVEREISTEN...6 2.1 Minimum Vereisten...6 2.2 Aanbevolen Vereisten...7 3 BLUETOOTH VOORZIENINGEN...8 4 SOFTWARE INSTALLATIE...9 4.1 Voorbereidingen...10
Fiery Command WorkStation 5.8 met Fiery Extended Applications 4.4
Fiery Command WorkStation 5.8 met Fiery Extended Applications 4.4 Fiery Extended Applications (FEA) v4.4 bevat Fiery software voor het uitvoeren van taken met een Fiery Server. In dit document wordt beschreven
LotusLive. LotusLive Handleiding voor de beheerder
LotusLie LotusLie Handleiding oor de beheerder LotusLie LotusLie Handleiding oor de beheerder Opmerking Lees eerst Kennisgeingen op pagina 87. Deze uitgae heeft betrekking op LotusLie(tm) en op alle olgende
Updateprocedure in vogelvlucht... 2. Stap 1: Updatebestanden downloaden... 3. Stap 2: Controle vooraf... 4
Updatehandleiding versie 2.14 Administratie- en leerlingvolgsysteem LVS2000 Inhoud van dit document: Updateprocedure in vogelvlucht... 2 Stap 1: Updatebestanden downloaden... 3 Stap 2: Controle vooraf...
ITware maakt een directe verbinding met de database van uw webwinkel. Hiervoor Is een MySQL ODBC connector nodig, specifiek versie 5.1.11 32 bit.
Handleiding: Installeren ITware en ODBC driver ITware wordt ondersteund op de volgende besturingssystemen: - Windows Vista - Windows 7 (32 en 64 bit) - Windows 8 (32 en 64 bit) - Windows server 2003 -
Problemen 2Work. Foutmeldingen die 2Work bij het opstarten kan geven
Problemen 2Work Foutmeldingen die 2Work bij het opstarten kan geven Object width is niet ingesteld Installeer/Herinstalleer de Extra Windows Bibliotheken. Deze kan van onze website onder Downloads afgehaald
INSTALLATIEHANDLEIDING
INSTALLATIEHANDLEIDING Update van uw Mamut programma EEN GEDETAILLEERDE STAP-VOOR-STAP BESCHRIJVING VAN HOE U EEN UPDATE KUNT MAKEN VAN UW MAMUT BUSINESS SOFTWARE PROGRAMMA (VAN VERSIE 9.0 OF NIEUWER).
WorldShip Upgrade op een enkel werkstation of een werkstation voor werkgroepen
INSTRUCTIES VOORAFGAAND AAN DE INSTALLATIE: Dit document bespreekt het gebruik van de WorldShip-dvd om WorldShip bij te werken. U kunt ook WorldShip installeren vanaf het web. Ga naar de volgende webpagina
Upgrade Accowin van versie 1 naar versie 2
Upgrade Accowin van versie 1 naar versie 2 Versie 2.0.2 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 2 2. AccowinUpgrade uitvoeren... 2 2.1 Taalkeuze... 2 2.2 Belangrijke opmerking... 2 2.3 Selecteren map waarin de huidige
Rodin installatiehandleiding (vanaf versie 2.1.xxx.x)
Rodin installatiehandleiding (vanaf versie 2.1.xxx.x) Introductie De Rodin applicatie bestaat uit een programma en een database. Het programma zal altijd lokaal op uw computer worden geïnstalleerd, terwijl
Update Infine Jaarrekening Versie 3.9.1
Update Infine Jaarrekening Versie 3.9.1 Telefoon 085-7600500 Email [email protected] Website www.infine.nl Infine Jaarrekening v.3.9.1 Januari 2017 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Installatie Infine Office
P-touch Editor starten
P-touch Editor starten Versie 0 DUT Inleiding Belangrijke mededeling De inhoud van dit document en de specificaties van dit product kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden aangepast. Brother behoudt
IBM Maximo Everyplace Versie 7 Release 5. Installatiehandleiding
IBM Maximo Everyplace Versie 7 Release 5 Installatiehandleiding Opmerking Lees eerst Kennisgevingen op pagina 5. Deze publicatie heeft betrekking op versie 7, release 5, modificatie 0 van het programma
Power Systems. Live Partition Mobility IBM
Power Systems Lie Partition Mobility IBM Power Systems Lie Partition Mobility IBM Opmerking Lees oordat u deze informatie en het product gaat gebruiken de informatie in Kennisgeingen op pagina 181. Deze
Installatie King Task Centre
Installatie King Task Centre In deze handleiding wordt beschreven hoe u het King Task Centre moet installeren. Deze handleiding geldt voor zowel een nieuwe installatie, als voor een upgrade van een bestaande
// Mamut Business Software
// Mamut Business Software Eenvoudige installatiehandleiding Inhoud Voor de installatie 3 Over het programma 3 Over de installatie 4 Tijdens de installatie 5 Voorwaarden voor installatie 5 Zo installeert
INHOUDSOPGAVE. VIRUSSCANNER 2 Tijdelijk uitschakelen 2 Configuratie virusscanner 2
INHOUDSOPGAVE VIRUSSCANNER 2 Tijdelijk uitschakelen 2 Configuratie virusscanner 2 LOKALE INSTALLATIE 3 imuis installeren via download 3 imuis voor de eerste keer starten 8 HELPFUNCTIE EN SCHRIFTELIJKE
Back-up Online van KPN Handleiding Mac OS X 10.6 en hoger. Mac OS X Client built 2013 13.0.0.13196
Back-up Online van KPN Handleiding Mac OS X 10.6 en hoger Mac OS X Client built 2013 13.0.0.13196 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 3 1.1 Systeemeisen... 3 2 Installatie... 4 3 Back-up Online configureren...
De Fiery-software installeren voor Windows en Macintosh
13 De Fiery-software installeren voor Windows en Macintosh Op de cd-rom met gebruikerssoftware bevinden zich softwareinstallatieprogramma s voor Fiery Link. Fiery-hulpprogrammasoftware wordt ondersteund
Handleiding Reinder.NET.Tasks.SQL versie 2
Handleiding Reinder.NET.Tasks.SQL versie 2 Reinder Stolte Tramstraat 33 8771RR Nijland Inhoudsopgave 1 Algemeen... 2 2 Installeren en configureren... 3 3 Taken instellen... 4 3.1 Taskname (Taaknaam) verplicht
Handleiding voor het installeren van VBA scripts in Outlook
Handleiding voor het installeren van VBA scripts in Outlook Brondocument E:\OutLook\InstallerenVBAScriptOutlook.odt Versiebeheer Versie Datum Uitleg 1.0v 21-03-12 1e versie na draaien prototype klant 1.1v
Installatiegids Command WorkStation 5.5 met Fiery Extended Applications 4.1
Installatiegids Command WorkStation 5.5 met Fiery Extended Applications 4.1 Fiery Extended Applications Fiery Extended Applications (FEA) 4.1 is een pakket met de volgende toepassingen voor gebruik met
Hoe download en installeer ik de software 15.2? Lees voordat u begint dit document volledig door en sluit alle programma s af.
Hoe download en installeer ik de software 15.2? Lees voordat u begint dit document volledig door en sluit alle programma s af. Let op! Als u nog offertes hebt opgeslagen in CBS 14.2, kunt u deze alleen
mobile PhoneTools Gebruikershandleiding
mobile PhoneTools Gebruikershandleiding Inhoudsopgave Vereisten...2 Voorafgaand aan de installatie...3 mobile PhoneTools installeren...4 Installatie en configuratie mobiele telefoon...5 On line registratie...7
Configuratiesoftware voor NetWare-netwerken
Novell NetWare In dit onderwerp wordt het volgende besproken: "Configuratiesoftware voor NetWare-netwerken" op pagina 3-38 "Stappen voor snelle installatie" op pagina 3-38 "Geavanceerde installatie" op
HP Easy Tools. Beheerdershandleiding
HP Easy Tools Beheerdershandleiding Copyright 2014 Hewlett-Packard Development Company, L.P. Microsoft en Windows zijn in de Verenigde Staten gedeponeerde handelsmerken van de groep bedrijven onder de
Installatie nieuwe build van Alure (alle componenten)
Installatie nieuwe build van Alure (alle componenten) Versie 1.1 (5 september 2014) Copyright 2014 INNOLAN B.V. Alle rechten zijn gereserveerd. Reproductie, geheel of gedeeltelijk, zonder schriftelijke
Fleet Pack Scan2FleetPack
Fleet Pack Scan2FleetPack Inhoudsopgave INHOUDSOPGAVE... 1 WAAROM SCAN2FLEETPACK?... 1 INSTALLATIE... 2 DOWNLOADEN... 2 CONFIGURATIE... 4 GEBRUIK... 5 Het programma openen... 5 Inscannen en uploaden...
WAVIX Installatie Handleiding
Modelit Rotterdamse Rijweg 126 3042 AS Rotterdam Telefoon +31 10 4623621 [email protected] www.modelit.nl in opdracht van RIKZ WAVIX Installatie Handleiding Modelit KvK Rotterdam 24290229 Datum 27 September
Nokia C110/C111 draadloze LAN-kaart Installatiehandleiding
Nokia C110/C111 draadloze LAN-kaart Installatiehandleiding CONFORMITEITSVERKLARING NOKIA MOBILE PHONES Ltd. verklaart op eigen verantwoordelijkheid dat de producten DTN-10 en DTN-11 conform zijn aan de
Handleiding FileZilla
Handleiding FileZilla Deze handleiding beschrijft de installatie en configuratie van FileZilla. Met dit programma is het mogelijk om bestanden van uw computer te verplaatsen naar een zogeheten (web)server.
Mamut Business Software
Mamut Business Software Eenvoudige installatiehandleiding Inhoud Voor de installatie 3 Over het programma 3 Over de installatie 3 Tijdens de installatie 5 Voorwaarden voor installatie 5 Zo installeert
Installatiehandleiding Windows 98
Installatiehandleiding Windows 98 Installatiehandleiding voor de systeembeheerder Arno Schoon IO1D4.1 Installatiehandleiding Windows 98 ICT Beheerder BOL-4 leerjaar 1 Koning Willem I College Project 2
Handleiding Standalone-installatie NIEUWE DIAS-VERSIES OP WINDOWS PC
Handleiding Standalone-installatie NIEUWE DIAS-VERSIES OP WINDOWS PC Oktober 2015 Hoofdstuk 1, Standalone-installatie nieuwe Dias versie op Windows PC Inhoud 1 Standalone-installatie nieuwe Dias versie
Uw gebruiksaanwijzing. SHARP AL-1633/1644 http://nl.yourpdfguides.com/dref/1289396
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,
Standaard Asta Powerproject Client Versie 12 Installatiedocument v1
Standaard Asta Powerproject Client Versie 12 Installatiedocument v1 4 september 2012 Voor vragen of problemen kunt u contact opnemen via telefoonnummer 030-2729976. Of e-mail naar [email protected].
AZO@Home installatie
AZO@Home installatie OPGELET Deze nieuwe technologie kan enkel gebruikt worden op de door Microsoft courant ondersteunde versies van Windows. Momenteel is dit: Windows 7, Windows 8 en 8.1 0. Registratie
IBM DB2 9.7 voor Linux, UNIX en Windows
IBM DB2 9.7 oor Linux, UNIX en Windows IBM Data Serer-clients installeren GC14-2065-00 IBM DB2 9.7 oor Linux, UNIX en Windows IBM Data Serer-clients installeren GC14-2065-00 Opmerking Lees eerst Bijlage
Handleiding voor aansluitingen
Pagina 1 van 6 Handleiding voor aansluitingen Windows-instructies voor een lokaal aangesloten printer Opmerking: Wanneer u een lokaal aangesloten printer installeert en het besturingssysteem niet wordt
Planbord installatie instructies
Planbord installatie instructies Uit Comprise Wiki Inhoud 1 Basis installatie 1.1 Installeren 1.1.1 Microsoft Data Access Components 1.2 De eerste keer starten 2 Veelgestelde vragen 2.1 "Network resource
MEDIA NAV. Handleiding voor het online downloaden van content
MEDIA NAV Handleiding voor het online downloaden van content In deze handleiding leest u hoe u software- en contentupdates voor het navigatiesysteem kunt uitvoeren. Hoewel de schermafbeeldingen nog niet
LearnOSM. PostgreSQL & PostGIS. PostgreSQL en PostGIS installeren. Bijgewerkt
PostgreSQL & PostGIS Bijgewerkt 10-09-2016 LearnOSM In dit hoofdstuk zullen we laten zien hoe PostgreSQL in te stellen op Windows en hoe een database te maken waarin u geografische gegevens kunt opslaan.
Installatie handleiding Telefoon Assistent lite v0.1
Installatie handleiding Telefoon Assistent lite v0.1 Inhoudsopgave Voorbereiding Pagina 3. Installatie Pagina 4. Configuratie Pagina 9. - 2 - Voorbereiding Bedankt dat u heeft gekozen voor de Telefoon
Problemen met HASP oplossen
Problemen met HASP oplossen Hoofdvestiging: Trimble Geospatial Division 10368 Westmoor Drive Westminster, CO 80021 USA www.trimble.com Copyright en handelsmerken: 2005-2013, Trimble Navigation Limited.
1 Nieuw in de Filr 2.0 Desktop-toepassing
Versie-informatie voor de Filr 2.0 Desktop-toepassing Februari 2016 Filr 2.0 Desktop-toepassing introduceert de functie Bestanden op aanvraag. Deze functie biedt een geconsolideerde of virtuele weergave
FIREBIRD DE SAFESCAN TA EN TA+ SOFTWARE OP MEER DAN ÉÉN COMPUTER GEBRUIKEN
FIREBIRD DE SAFESCAN TA EN TA+ SOFTWARE OP MEER DAN ÉÉN COMPUTER GEBRUIKEN Deze handleiding beschrijft het installatieproces voor en het inrichten van één centrale database voor alle computers waar u de
IBM Security Access Manager for Enterprise Single Sign- On Versie 8.2.1. Handleiding SC14-2064-05
IBM Security Access Manager for Enterprise Single Sign- On Versie 8.2.1 Handleiding SC14-2064-05 IBM Security Access Manager for Enterprise Single Sign- On Versie 8.2.1 Handleiding SC14-2064-05 Opmerking
Installatie van sqlserver
Installatie van sqlserver Download SQLserver 2005 Express basis van de website van 2work: www.2work.nl, tabblad downloads; beveiligde zone. De inlog gegevens kunnen via de helpdesk aangevraagd worden.
Internet Veiligheidspakket van KPN Handleiding Windows XP, Vista, 7,8 Versie 13.04.19
Internet Veiligheidspakket van KPN Handleiding Windows XP, Vista, 7,8 Versie 13.04.19 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 3 2 Systeemeisen... 4 3 Installatie... 5 4 Gebruik en instellingen... 12 4.1 Algemeen...
Inhoudsopgave. Deze verkorte handleiding helpt u om aan de slag te gaan met de IRIScan TM Mouse 2.
Deze verkorte handleiding helpt u om aan de slag te gaan met de IRIScan TM Mouse 2. De procedures in deze handleiding zijn gebaseerd op de besturingssystemen Windows 7 en Mac OS X Mountain Lion. Lees deze
