Structurele diagnostiek en het structurele interview
|
|
|
- Rudolf Vos
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Structurele diagnostiek en het structurele interview door j. J. L. Derksen, J.W. Hummelen en J.M.P. Bouwens Samenvatting In dit artikel wordt de binnen de recente psychoanalytische traditie ontwikkelde structurele diagnostiek toegelicht. Binnen deze eerste stap in het psychodiagnostisch proces wordt het functioneren van het ego onderzocht en daarmee de persoonlijkheid gediagnostiseerd. Binnen de structurele diagnostiek, die vooral ontwikkeld is door Otto Kernberg, worden onderscheiden: de neurotische persoonlijkheidsorganisatie, de borderline-persoonlijkheidsorganisatie en de psychotische persoonlijkheidsorganisatie. De belangrijkste differentiatiecriteria zijn hier: identiteitsintegratie versus identiteitsdiffusie, ontwikkelde versus primitieve afweermechanismen en het al dan niet intact zijn van de realiteitstoetsing. Eveneens wordt in dit artikel het structurele interview beschreven waarmee informatie wordt verzameld om tot een diagnose te komen. In dit interview staan centraal: verheldering, confrontatie en interpretatie in het hier en nu van de drie hierboven genoemde criteria. Tot slot volgt een kritische bespreking van de structurele diagnostiek. Inleiding Sinds de introductie door Stem in 1938 van de term 'borderline' is deze benaming door clinici gebruikt om uiteenlopende stoornissen aan te duiden. In de praktijk werd en wordt nogal eens verlegenheidsdiagnostiek bedreven met behulp van deze term. Met haar boek Het borderline syndroom geeft Rohde-Dachser (1983) een goed overzicht van de diagnostiek en de behandeling maar ze wekt tegelijkertijd de indruk dat dit syndroom in zoveel gedragingen en belevingen van patiënten herkenbaar is dat alles wel een beetje 'borderline' wordt. Tegelijkertijd maakt ze in haar boek aannemelijk dat het idee dat het bij borderlineverschijnselen gaat om onduidelijke, vloeiende overgangsverschijnselen binnen een verondersteld continu um, dat van psychische 'normaliteit' via steeds zwaardere psychopathologische stoornissen tot psychosen loopt, verouderd is. Zij is van mening dat een correct gestelde diagnose borderline een ziektebeeld sui generis is, dat voor wat de verschijnselen betreft een plaats inneemt tussen de neurose, zware karakterstoornis en psychose en daarmee een relatief stabiel patroon vormt. 445
2 Het is vooral de Amerikaanse psychoanalyticus Otto Kernberg geweest die er met zijn werk voor heeft gezorgd dat het borderline-syndroom toenemend als een zelfstandige nosologische categorie wordt beschouwd. De ontwikkeling van hetgeen Kernberg de 'structurele diagnose' noemt ging gepaard met zijn onderzoek en theorievorming op het vlak van de borderline-stoornis (Kernberg e.a. 1972). Kernberg heeft aan de meer traditionele descriptieve diagnostiek, gericht op symptomen en observeerbaar gedrag, de structurele diagnostiek toegevoegd. Naar zijn idee (Kernberg 1984) is de borderlinepersoonlij kheidsstoornis op symptoomniveau niet adequaat van de psychotische en neurotische persoonlijkheidsstoornis te onderscheiden. Zijn structurele diagnostiek richt zich op de aan het manifeste gedrag ten grondslag liggende persoonlijkheidsorganisatie. Met name de volgende ik-functies stelt hij centraal: afweermechanismen, identiteitsintegratie en realiteitstoetsing. Kernberg gebruikt vaak de term persoonlijkheidsstoornis, waarmee hij bedoelt: '(...) I am using the term personality disorders to refer to constellations of abnormal or pathological character traits of sufficient intensity to imply significant disturbance in intrapsychic and/or interpersonal functioning. Regardless of the theoretical assumptions of psychoanalysis, the data derived from close involvement with patients supply, in my view, the strongest clinical evidence available for use in connection with any effort to classify personality disorders. This viewpoint is theoretically in harmony with the criteria spelled out by Spitzer in the introduction to DSM-III (...)' (Kernberg 1984, p. 77). Met het door Kernberg en zijn medewerkers ontworpen zogenaamde 'structurele' interview worden deze ik-functies op systematische wijze onderzocht. Kernberg verwerpt de descriptieve diagnostiek niet maar ziet deze als aanvullend op de structuur diagnose. Zijn bijdrage verheldert het borderline-concept door de essentie te verschuiven van het descriptieve niveau, zoals we dit onder andere aantreffen in de DSM-III en in het borderline-concept van Gunderson en Singer (1975), naar het niveau van functioneren van het ik. Door het zwaartepunt van de diagnose borderline-stoornis te situeren in het ontwikkelingsniveau van het ik is de kans op een meer consistente samenhang tussen diagnostiek en behandeling groter. De indicatiestelling voor een psychotherapeutische behandeling is immers adequater als men niet op de eerste plaats naar de symptomen kijkt, maar meer naar de structuur van het ik zoals die bepaald wordt door de ontwikkelingsstoornis en de mate waarin deze gevolgen heeft gehad voor de persoonlijkheidsontwikkeling (Jongerius 1983). In dit artikel, dat voortkomt uit een onderzoeksproject inzake de structurele diagnostiek op de afdeling psychiatrie van het St. Radboudziekenhuis te Nijmegen, stellen we ons als doel de structurele benadering en het daarbij behorende structurele interview onder de aandacht te brengen en kritisch te bespreken. 446
3 J.J.L. D erksen e.a. Structurele diagnostiek en het structurele interview Structurele diagnostiek Binnen de psychoanalyse (Kuiper 1984) kunnen we verschillende metapsychologische gezichtspunten onderscheiden: het topische, het genetische, het economische, het dynamische, het adaptieve en het structurele gezichtspunt. Deze representeren de onderscheiden optieken met behulp waarvan psychische fenomenen kunnen worden bestudeerd. Het structurele gezichtspunt vertegenwoordigt slechts één optiek en vindt daarin ook zijn beperking. In het structurele gezichtspunt wordt de persoonlijkheid gezien als samengesteld uit de drie door Freud (1923) beschreven instanties: Es, Ich en Uber-Ich (ook wel: Id, Ego, Superego). Structurele analyse verwijst naar het hanteren van dit gezichtspunt. In de ontwikkeling van het psychoanalytische denken heeft structurele analyse echter meer betekenissen gekregen die door Kernberg (1984) worden geïntegreerd. Kernberg gebruikt het begrip structuur op een eigen wijze waarbij hij naast het klassieke structurele gezichtspunt van Freud voortbouwt op de ego-psychologie van Hartmann (e.a ; Rapaport en Gill 1959). Hartmann beschreef het ik als een structuur met behulp waarvan de psychische processen gekanaliseerd worden en vorm krijgen, en die zorgt voor de stabiliteit van het psychisch apparaat. Binnen de structuur van het ik worden substructuren geïntegreerd zoals cognitieve functies en afweermechanismen. Kernberg voegt hier de substructuur aan toe die tot stand komt door het internaliseren van objectrelaties. Hierbij bepaalt de kwaliteit van de objectrelaties in belangrijke mate tot welk otwikkelingsniveau de substructuren van afweermechanismen en cognitieve functies komen. Daarbij ziet Kernberg de ontwikkeling in de organisatie van de substructuren van het ik niet als een lineair, continu, maar als een discontinu proces. Er zijn volgens zijn theorie diverse, kwalitatief van elkaar verschillende niveaus van organisatie van het ik te onderscheiden. Elk niveau van organisatie, door Kernberg structurele organisatie genoemd, wordt geconstitueerd door de dynamische integratie van de substructuren. Naast psychologische factoren onderscheidt Kernberg ook biologische factoren die bijdragen aan de uiteindelijke structurele organisatie van het Ik. Op de manier waarop biologische en psychologische factoren samengaan gaat Kernberg niet in. De structurele organisatie vat hij op als een tussenschakel tussen etiologische (psychologische, biologische) momenten enerzijds en gedragsmanifestaties anderzijds. Vanuit deze matrix ontwikkelen zich ook de symptomen. Kernberg onderscheidt drie typen structurele organisaties: de neurotische, de borderline- en de psychotische persoonlijkheidsorganisatie. Elk individu kan in principe binnen één van deze categorieën geplaatst worden. De structurele diagnostiek is erop gericht deze onbewuste dieptestructuur van de persoonlijkheid te beschrijven. Binnen de structurele diagnostiek overheersen drie structurele ka- 447
4 rakteristieken die te zamen de neurotische, de borderline en de psychotische organisatie differentiëren. Deze karakteristieken zijn de volgende: 1. identiteitsintegratie versus identiteitsdiffusie (en de eraan gerelateerde algehele kwaliteit van objectrelaties) ; 2. ontwikkelde versus primitieve afweermechanismen ; 3. aanwezigheid versus afwezigheid van realiteitstoetsing. Patiënten met een neurotische persoonlijkheidsstructuur laten een geïntegreerde identiteit zien in contrast met patiënten met een borderline- of psychotische structuur. Patiënten met een neurotische persoonlijkheidsstructuur beschikken over een afweerorganisatie gecentreerd rondom verdringing en andere ontwikkelde afweermechanismen. Borderline- en psychotische patiënten hanteren overheersend primitieve afweermechaïsmen met als belangrijkste de splijting. Realiteitstoetsing blijft gehandhaafd in de neurotische en de borderlineorganisaties, maar is ernstig aangetast bij de psychotische organisatie. Gepresenteerd in een schema krijgen we het volgende overzicht: Neurotische organisatie Identiteitsdiffusie Primitieve afweer Realiteitstoetsing gestoord Borderlineorganisatie Psychotische organisatie De persoonlijkheidsstructuur van een individu is in deze opvatting een onder de symptomen liggende hypothetische structuur. Het gaat hier om een construct en niet om iets dat men kan 'vaststellen'. De persoon kan mede door een succesvolle aanpassing aan de realiteit weinig manifeste symptomen hebben en hierdoor wordt het identificeren van de persoonlijkheidsstructuur verder bemoeilijkt. Dit geldt met name voor de psychotische en borderline-structuren die bij symptoomarmoede tijdens de psychodiagnostiek over het hoofd kunnen worden gezien. Het praktisch toepassen van de structurele diagnostiek is niet een eenvoudige kwestie van vragen stellen en die beantwoord krijgen. Door Kernberg en zijn medewerkers is het zogenaamde structurele interview ontwikkeld waarmee de hiervoor genoemde criteria systematisch worden geëvalueerd om tot een besluitvorming te komen omtrent de onderliggende persoonlijkheidsstructuur. Voordat 448
5 J.J.L. Derksen e.a. Structurele diagnostiek en het structurele interview we overgaan tot een bespreking van dit structurele interview weiden we nog nader uit over de structurele karakteristieken. Drie structurele karakteristieken De karakteristieken waar het hier om gaat zijn gerelateerd aan de functies van de diverse substructuren van het ego. Aan de beschrijving van deze karakteristieken voegen we enkele illustraties toe die we ontlenen aan het door ons verrichte onderzoek. 1. Identiteit In zijn ruimste betekenis laat het concept identiteit tamelijk veel overlapping zien met hetgeen de Engelse en Amerikaanse psychoanalytici 'het zelf' noemen. Het zelf is, als een intrapsychische structuur, deel van het ego maar geen psychische instantie op zichzelf (Freud 1914 ; Hartmann 1975). Het zelf bestaat uit verschillende zelfrepresentaties met de erbij horende affectieve disposities. Volgens Erikson (1968) tendeert het ego ernaar een eenheid te vormen in de diverse zelfrepresentaties en deze eenheid wordt gereflecteerd in het zelfconcept van de persoon. Onder identiteit wordt verstaan het geïntegreerde zelfconcept én de hieraan gerelateerde integratie van de objectrepresentaties. Een patiënt met een identiteitsdiffusie heeft een niet of slecht geïntegreerd concept van zichzelf en van belangrijke anderen. Deze patiënt heeft tegenstrijdige beelden over zichzelf en vertoont inconsistent gedrag. Beschrijvingen van belangrijke anderen zijn tegenstrijdig of lijken op karikaturen (Kernberg 1980). Diagnostisch gesproken wordt identiteitsdiffusie gezien als het onvermogen van de patiënt om zijn interacties met belangrijke anderen aan de onderzoeker op een emotioneel betekenisvolle wijze duidelijk te maken. Bij het onderzoek naar de identiteitsintegratie gaat het erom of de interviewer een coherente indruk kan krijgen van de persoon van de patiënt op basis van het beeld dat deze van zichzelf (zelfrepresentatie) en van belangrijke anderen (objectrepresentatie) geeft. Een voorbeeld van een niet geïntegreerd zelf concept vinden we bij de patiënt die zichzelf eerst beschrijft als een zorgzame huisvader die zijn kinderen nooit zal slaan en die vervolgens meedeelt dat hij een klant in zijn café bij een onenigheid letterlijk door de ruit kan drukken. Het essentiële hierbij is niet dat de patiënt tegenstrijdig gedrag vertoont, dat doet de neuroticus ook, maar dat het conflicterende in het gedrag niet wordt onderkend. Deze loochening ondersteunt de splijting waardoor de tegengestelde zelfrepresentaties uit elkaar worden gehouden. Het is een taak van de onderzoeker de patiënt te confronteren met zijn tegenstrijdige gedrag en te vragen om verheldering om te zien of deze tegenstrijdigheid alsnog wordt onderkend. Verder kunnen er aan de actuele interactie ontleende interpretaties gegeven worden zoals bij bovenstaande patiënt bij voorbeeld: 'U bent buitengewoon meegaand tijdens dit interview maar tegelijkertijd kwam u wel te laat 449
6 op onze afspraak ; kan het zijn dat u net als bij uw kinderen uw irritaties bedekt met vriendelijkheid?' Indien de patiënt zich bewust wordt van zijn probleem met betrekking tot het omgaan met agressie kan hij de tegenstrijdigheden in zijn gedrag herkennen als tegengestelde oplossingen van één bij zijn eigen persoonlijkheid behorend probleem. Een borderline-patiënt is hiertoe in staat en een psychotische patiënt niet of in een veel mindere mate. Ook de beschrijving van belangrijke anderen is bij een identiteitsdiffusie inconsistent. Voorbeeld: een patiënte beschrijft haar vader, die jarenlang incest met haar heeft bedreven, als de enige thuis die aandacht en zorg voor haar had. De onderzoeker confronteert patiënte vervolgens met het gegeven dat haar beschrijving van haar vader alleen positieve elementen bevat terwijl er nogal wat is voorgevallen tussen hen beiden. Ze reageert hierop met het schetsen van een beeld van haar vader waarin hij als een tiran naar voren komt die de meest afschuwelijke perversiteiten met haar bedreef. Als patiënte geconfronteerd wordt met deze geheel tegengestelde eigenschappen van haar vader en gevraagd wordt om verheldering, antwoordt zij dat het misschien voor de onderzoeker vreemd klinkt maar dat zij het verder ook niet weet. Nu kan het zijn dat een persoon die als inconsistent in zijn gedrag wordt beschreven in de realiteit ook dit gedrag vertoont. Het essentiële is echter niet hoe het gedrag van de ander in werkelijkheid is, maar welke voorstelling de patiënt van de ander heeft, ofwel hoe dit gedrag in de objectrepresentatie wordt geïntegreerd. De in dit voorbeeld beschreven vader kan dit geheel tegengestelde gedrag hebben vertoond maar patiënte heeft dit gedrag niet geïntegreerd tot een ambivalent beeld van haar vader als iemand met goede en slechte eigenschappen waarbij zij in haar waardering voor hem onzeker is. Er bestaan bij patiënte twee tegengestelde objectrepresentaties, een geheel goede en een juist slechte vader, die door splijting uit elkaar worden gehouden. Dit niet geïntegreerd zijn van de object- en zelfrepresentaties is kenmerkend voor een identiteitsdiffusie. Bij de identiteitsintegratie wordt het tegenstrijdige in het gedrag onderkend en dit bewustzijn daarvan blijkt uit de beschrijving waardoor deze wint aan coherentie. Het geïntegreerde zelfconcept en de eraan gerelateerde integratie van de objectrepresentaties vormen samen de ego-identiteit in de breedste zin van het woord. De kwaliteit van de identiteitsintegratie uit zich op symptoomniveau o.a. in de kwaliteit van de objectrelaties. Bij patiënten met een identiteitsdiffusie zijn objectrelaties weinig stabiel ; gratificaties leiden gemakkelijk tot geïdealiseerde afhankelijkheid, die in het tegendeel kan verkeren wanneer er conflicten en frustraties aan de orde zijn. Daarnaast kenmerken de relaties zich door een gebrek aan diepgang ; met name bestaat er moeite met het zich in de ander kunnen verplaatsen en op die manier begrip op kunnen brengen voor andermans gedrag en de eraan ten grondslag liggende motieven. 450
7 J.J.L. Derksen e.a. Structurele diagnostiek en het structurele interview 2. Afweermechanismen De integratie van de persoon wordt gehandhaafd door de ego-identiteit maar vooral door de afweermechanismen die het ik beschermen tegen wensen en eisen afkomstig van Es, Uber-Ich en realiteit. Freud zelf, maar zeker ook Anna Freud, beschreef veel afweermechanismen zoals: verdringing, rationalisatie, reactievorming, isolatie, ongedaan maken, projectie, ontkenning. Deze afweermechanismen worden door Kernberg gerekend tot de ontwikkelde afweermechanismen. Deze zijn ter beschikking van neurotici, maar ook van de zogenaamd normalen en zijn moeilijk te diagnostiseren in het begin van het contact met een patiënt. Primitieve afweermechanismen vallen meer op in het contact en kunnen daarom gemakkelijker gediagnostiseerd worden. Het overheersend gebruik van primitieve afweermechanismen past bij een borderline- en psychotische organisatie. Neurotici hanteren primitieve afweermechanismen slechts zeer incidenteel (Kernberg 1975, 1980). Deze afweermechanismen worden primitief genoemd omdat ze door het vroege en weinig autonome ego worden gehanteerd ; ontwikkelde afweermechanismen verwijzen naar een ontwikkelingsniveau van het ego waarbij het reeds in staat is conflicten buiten het bewustzijn te houden. Primitieve afweermechanismen vallen onder andere op doordat de buitenwereld sterk in de afweerconstellatie wordt betrokken. De diagnosticus overkomt dit ook en deze voelt zich vaak in een bepaalde rol gedwongen en daardoor minder vrij. De psychotherapeut wordt bij voorbeeld niet benaderd als een individu met allerlei eigenschappen en kwaliteiten maar wordt gemaakt tot iemand die alwetend is, of juist niets begrijpt waarbij datgene dat niet overeenstemt met dit beeld wordt geloochend. Als interviewer kan men bij zichzelf de neiging bemerken bepaalde onderwerpen te vermijden. Splijting is het centrale primitieve afweermechanisme. Door splijting worden introjecties en identificaties van tegengestelde kwaliteit actief uiteen gehouden. Tegenstrijdige ervaringen omtrent zichzelf of anderen worden binnen het bewustzijn uiteen gehouden. Splijting is goed zichtbaar in het opdelen van objecten in helemaal goed of helemaal slecht. Een ander wordt niet beleefd als iemand met goede en minder goede eigenschappen maar al naar gelang de interactie het ene moment als iemand met alleen goede eigenschappen en het volgende moment als iemand die helemaal slecht is. De hierbij optredende inconsequenties worden via loochening afgeweerd. De functie voor de patiënt van het uiteen houden van tegenstrijdige zelf- en objectrepresentaties bestaat uit het afweren van de angst die optreedt als deze beelden samenvloeien, het 'geliefde beeld' dreigt vernietigd te worden door het 'gehate beeld'. De in de ongestoorde ontwikkeling optredende fusie van libidineuze en agressieve driftderivaten is niet voltooid en meer in het bijzonder is het neutraliseren van agressie een probleem voor deze patiënten. Splijting is verantwoordelijk voor de tegenstrijdigheden in het karakter van de patiënt, voor ik-zwakte en kan ook 451
8 verantwoordelijk zijn voor het periodiek verlies van impulscontrole. Een trauma in de vroege kindertijd kan leiden tot een aantasting van de integratieve capaciteiten van het vroege ego. Splijting wordt dan geïnstitutionaliseerd en blijft actief als afweermechanisme. In de normale ontwikkeling is splijting een tijdelijk mechanisme. In de borderline- en psychotische organisaties heeft verdringing niet de plaats van splijting overgenomen. Projectieve identificatie is een ander belangrijk primitief afweermechanisme. Hier schrijft de patiënt aan de ander die strevingen toe welke hij niet kan tolereren in zichzelf en hij tracht de ander te controleren om te vermijden dat hetgeen hij niet in zichzelf kan verdragen hem toch weer bereikt. De patiënt gedraagt zich als een soldaat die beland is achter de vijandelijke linies en bang is in de macht te geraken van vreemde krachten. In combinatie met splijting kan men onderkennen: primitieve idealisatie, devaluatie, primitieve ontkenning (loochening) en omnipotentie. 3. Realiteitstoetsing Bij het onderzoek naar de realiteitstoetsing staat een andere functie van het ego centraal. Kernberg (1980) past bij dit structurele criterium de inzichten toe van Frosch (1983), die onder andere meer een onderscheid maakt in: a. de relatie tot de realiteit. Hierbij wordt met name het vermogen bedoeld tot differentiatie van het zelf en de ander, van binnenwereld en buitenwereld ; b. het vermogen om de realiteit te toetsen ; de capaciteit om realistisch eigen affecten, gedragingen en gedachteninhouden te evalueren en eventueel te corrigeren in termen van de vigerende sociale normen. Hier staat de mogelijkheid centraal om onjuiste percepties omtrent de interne en externe realiteit te corrigeren op grond van observaties en cognitieve processen. Iedereen heeft soms, min of meer ernstige, stoornissen in de relatie tot de realiteit ; bij voorbeeld bij projectie schrijft men gevoelens toe aan een ander in plaats van ze zelf te beleven. Echter zowel de neuroticus als de borderline-patiënt zijn in staat deze dwalingen te corrigeren door ze te toetsen aan de realiteit, dit in tegenstelling tot de psychotische patiënt. Realiteitstoetsing is klinisch gesproken aanwezig als het 'vermogen om de realiteit te toetsen' intact is. Dit betekent dat indien: 1. hallucinaties of wanen aanwezig zijn de patiënt daarover kan reflecteren en bezorgd is ; 2. inadequate of bizarre affecten, gedachteninhouden en gedragingen aanwezig zijn de patiënt in staat is empathie op te brengen en verheldering aan te brengen in observaties van de diagnosticus omtrent deze gevoelens en gedragingen. Bij de borderline-structuur is er, in tegenstelling tot de psychotische structuur, voldoende scheiding opgetreden tussen zelf- en objectrepre- 452
9 31.L. Derksen e.a. Structurele diagnostiek en het structurele interview sentaties zodat het vermogen tot toetsing van de realiteit zich heeft kunnen ontwikkelen. In vergelijking met de psychoticus heeft de borderline-patiënt steviger ego-grenzen en beschikt hij over een groter integratievermogen. Het verschil in integratievermogen levert een klinisch diagnostisch-criterium op: de borderline-patiënt verbetert in zijn functioneren als reactie op confrontatie en interpretatie van zijn primitieve afweer. Hij integreert deze inzichten en dit leidt tot verbetering van de relatie tot de realiteit ; de onderzoeker kan dit merken doordat hij zich vrijer gaat voelen in het contact met de patiënt. Psychotische patiënten reageren op dezelfde confrontatie en interpretatie met een verslechtering van de realiteitstoetsing en een regressie in het sociaal functioneren. Indien tijdens het interview psychotische symptomen worden geconstateerd is het essentieel om na te gaan of de patiënt bezorgd is over deze symptomen. Men onderzoekt of de patiënt zelf deze belevingen als vreemd en niet overeenkomstig de realiteit ervaart, anders gezegd of deze belevingen een ego-dystoon karakter hebben. Het ego-dystoon zijn van psychotische verschijnselen betekent dat, alhoewel de percipieerde realiteit sterk gekleurd wordt door de eigen emoties, de patiënt uiteindelijk zijn beleving als behorend tot de eigen binnenwereld kan herleiden. Het is belangrijk niet te snel genoegen te nemen met het antwoord van de patiënt, dat hij bezorgd is over zijn belevingen, de patiënt kan immers overtuigd zijn van de werkelijkheid van zijn ervaringen maar zich toch conformeren aan het oordeel van de buitenwereld om daarmee te voorkomen als geestesziek bestempeld te worden. Het kan in dit verband zinvol zijn om na te gaan welke consequenties een patiënt uit zijn belevingen trekt aangezien dit iets zegt over het werkelijkheidskarakter dat hij eraan toeschrijft. Zo vertelde een patiënt dat hij in huis steeds dezelfde grijze rat zag die hem ook op straat achtervolgde. Bij nadere exploratie gaf hij aan dit gek te vinden ; onze gedachten gingen uit naar een borderline-structuur totdat hij vertelde rattevallen te hebben gekocht om in zijn huis te plaatsen en hiermee aangevend uiteindelijk toch overtuigd te zijn van zijn waarneming. Naast het onderzoek van psychotische symptomen, in de zin van stoornissen in denken of waarnemen, dient aandacht te worden gegeven aan mogelijke inadequate gedragingen, affecten of gedachteninhouden van de patiënt gezien tegen het licht van de in onze cultuur vigerende normen. Ernstige stoornissen in relatie tot de realiteit kunnen leiden tot het onvermogen te zien welke plaats men in de sociale realiteit inneemt ; de patiënt gaat zich gedragen overeenkomstig zelf gecreeerde normen. Het vermogen tot realiteitstoetsing wordt hierbij onderzocht door na te gaan of de patiënt begrip kan opbrengen voor observaties van de onderzoeker met betrekking tot verwarrende aspecten van het gedrag van de patiënt. Een voorbeeld hiervan is de patiënt die verschijnt met twee forse rijzwepen in zijn laars. De onderzoeker kan reageren met: 'Het valt me op dat u zwepen bij u draagt, kunt u zich 453
10 voorstellen dat dit bij mij bevreemding wekt?' Als de patiënt begrip kan opbrengen voor de evaluatie van zijn gedrag betekent dit dat hij een onderscheid kan maken tussen interne en externe realiteit. Het structurele interview Kernberg (1981, 1984) ziet als het belangrijkste doel van het structurele interview het evalueren van de persoonlijkheidsorganisatie door de aandacht te richten op de observeerbare manifestaties van de identiteitsintegratie, de afweermechanismen en de realiteitstoetsing, zoals deze verschijnen in de 'hier en nu' interactie met de interviewer. Het structurele interview combineert: 1. kenmerken van het traditionele psychiatrisch onderzoek ; 2. een psychoanalytisch georiënteerd interview gericht op de patiënt-therapeut interactie, en 3. verheldering, confrontatie en interpretatie in het 'hier en nu' van identiteitsconflicten, afweermechanismen en realiteitsverstoringen die de patiënt laat zien in de interactie met de interviewer. Dit laatste dan nog speciaal wanneer deze interactie herkenbare overdrachtselementen laat zien. Dit structurele interview hebben we (Derksen 1985, 1986) verdeeld in vier stappen. Tijdens elke stap herhaalt de therapeut de cyclus van verheldering, confrontatie en interpretatie. Elke stap begint met één of meer vragen. Stap I: evaluatie van symptomen Een typische eerste vraag luidt aldus: Ik ben erin geïnteresseerd van u te vernemen wat u hier bracht, wat de aard van uw problemen is, wat u verwacht van behandeling en hoe ver u bent in dit opzicht? In het gelijktijdig stellen van deze vragen onderzoekt men de capaciteit van de patiënt om meerdere vragen tegelijk te onthouden en te begrijpen. Met de confrontaties die volgen tracht men het angstniveau te verhogen zodat de afweermechanismen geactiveerd en vervolgens geïdentificeerd kunnen worden. De centrale themata in deze stap zijn: kernsymptomen, concentratie, geheugen en hieraan gerelateerd cognitieve functies. De interviewer krijgt een eerste indruk van de descriptieve en structurele karakteristieken van de patiënt. Indien de patiënt wanen en hallucinaties vertoont reageert de interviewer met verhelderingen en confrontaties en tracht uit te zoeken of de patiënt bezorgd is over zijn ervaringen. Is dit laatste niet het geval, dan hebben we te maken met een psychotische organisatie. Stap II: onderzoek naar de pathologische karaktertrekken De eerste vraag kan zijn: u hebt me over uw symptomen verteld, ik wil nu graag meer over u als persoon horen. Kunt u uzelf beschrijven, uw persoon- 454
11 Derksen e.a. Structurele diagnostiek en het structurele interview lijkheid, wat u denkt dat voor mij belangrijk is om te weten zodat ik een goed idee van u als persoon krijg? Deze vraag tracht bij de persoon zelfreflectie op te roepen met als doel informatie over: gevoelens over zichzelf, een indruk van de belangrijkste relaties, een indruk van studie of werk, familie, sociaal leven, seksualiteit. De identiteitsintegratie staat centraal in deze vraag. Om de integratie van de objectrepresentaties te onderzoeken wordt een andere kernvraag gesteld: Ik zou u nu willen vragen iets te vertellen over mensen die het belangrijkste zijn in uw huidige leven. Kunt u me iets over hen vertellen op zo'n manier dat ik een reële, goede indruk van ze krijg? Middels verheldering, confrontatie en interpretatie reageert de therapeut op het door de patiënt gepresenteerde materiaal als dat niet helder of tegenstrijdig is. Indien de patiënt geen tekenen vertoont van wanen of hallucinaties, geen sterk onaangepaste of bizarre affecten, gedachteninhouden of gedragingen heeft, richt de interviewer zijn aandacht op de capaciteit van de patiënt om empathie op te brengen met en verheldering aan te brengen in de observaties van de therapeut. Het gaat hier dan vooral om aspecten waarvan de therapeut vindt dat ze inadequaat of verwarrend lijken. Een essentiële vraag van de therapeut is dan: is de patiënt in staat empathie op te brengen met de waarneming van deze kenmerken door de interviewer? De psychotische patiënt kan dit niet, de borderline-patiënt wel. Tevens identificeert en interpreteert de therapeut indien mogelijk in relatie tot zichzelf tijdens deze stap de primitieve afweermechanismen van de patiënt. De borderline-patiënt is in staat tot reflectie op zijn afweer en daardoor verbetert deze en gaat de realiteitstoetsing tijdelijk vooruit. Bij de psychotische patiënt leidt ditzelfde tot verslechtering van de kwaliteit van de afweer en de realiteitstoetsing gaat tijdelijk achteruit. Stap III: verleden en heden Het verleden van de neurotische patiënt wordt samengevat door de interviewer en hij tracht tentatieve samenhangen aan te brengen tussen verleden en heden. Op deze manier onderzoekt de therapeut het inzicht van de patiënt in de samenhang tussen zijn levensgeschiedenis en zijn actueel gedrag. De neurotische patiënt is meestal tot een dergelijk inzicht in staat. Borderline- en psychotische patiënten presenteren vaak weinig materiaal over het verleden en een samenhangend inzicht in hun levensloop ontbreekt. Stap IV: afsluiting Op dit moment nodigt de interviewer de patiënt uit om informatie te bieden over themata waarvan hij/zij denkt dat ze belangrijk zijn als aanvulling op hetgeen tot dan is besproken, of waarvan hij/zij vindt dat de interviewer het behoort te weten. Een vraag die hier gesteld kan worden is: wat denkt u dat ik u nog had moeten vragen? 455
12 Enkele kanttekeningen bij de structurele diagnostiek en het structurele interview A. Klasse of continuum Volgens Kernberg (1984) zijn de drie genoemde persoonlijkheidsorganisaties stabiele configuraties die kwalitatief verschillen en elkaar wederzijds uitsluiten. In zijn optiek kan een eenmaal gevormde structuur niet spontaan in een andere overgaan. Een neurotische patiënt kan niet psychotisch decompenseren. Tegenover deze structuuropvatting als klasse, stelt onder andere Meissner (1984) de continu um-gedachte ; in zijn optiek zijn persoonlijkheidsstructuren slechts kwantitatief van elkaar te onderscheiden, daarmee aangevend dat verschuivingen mogelijk zijn. Vóór de continuum-gedachte pleit het optreden van kortdurende psychotische episodes bij de borderline-patiënt. Kernberg onderkent dit probleem en tracht het op te lossen door te stellen dat de borderline-patiënt achteraf in staat dient te zijn een dergelijke psychotische fase als ego-dystoon te evalueren. De continuum-gedachte wordt voorts ondersteund door de bevindingen dat patiënten die langdurig psychotisch zijn geweest en tijdens een remissie onderzocht worden met het structurele interview, een borderline- of een neurotische structuur presenteren. Volgens Kernberg is er dan sprake van wat hij benoemt als 'sealing-over' en is de psychotische structuur in de diepte desalniettemin aanwezig. Met deze uitspraak relativeert Kernberg de sensitiviteit van het structurele interview. Een meer algemeen punt van kritiek betreft hier de terminologie. Kernberg zelf is een meester in het hanteren van niet gemakkelijk toegankelijke formuleringen en mechanistische terminologie. Heel moeilijk van elkaar te onderscheiden blijven bij voorbeeld de begrippen structuur, substructuur en functie. Goede definities ontbreken ook daar waar sprake is van ik, zelf, persoonlijkheid, zelfbeeld en identiteit. B.Structurele karakteristieken Volgens de theorie van de structurele diagnostiek zijn er verbanden tussen de structurele criteria realiteitstoetsing, afweermechanismen en identiteitsdiffusie. Een afwezige realiteitstoetsing correleert met de aanwezigheid van primitieve afweervormen en met het beeld van een identiteitsdiffusie. In de praktijk komt men echter patiënten tegen bij wie deze samenhang tussen de stucturele criteria ontbreekt. Bij een patïent bij voorbeeld met een monosymptomatische waan, kan men een geïntegreerde identiteit en ontwikkelde afweervormen aantreffen. De hypothese kan hier aangereikt worden dat deze patiënten erin geslaagd zijn een goede sociale adaptatie te bereiken maar dat bij voldoende belasting van de integratieve vermogens de identiteitsdiffusie alsnog aan de oppervlakte zal treden. Het probleem met dit type argumentatie is dat het moeilijk falsificeerbaar is: als de identiteitsdiffusie niet aan het 456
13 Derksen e.a. Structurele diagnostiek en het structurele intervi ew licht treedt, kan men volhouden dat de integratieve vermogens onvoldoende zijn belast. Een andere mogelijkheid oppert Derksen (1986), hij werpt de hypothese op dat bij deze gevallen sprake kan zijn van organisch gedetermineerde beelden, waarbij de fundamentele structuur intact blijft. Ten slotte kan uit de tegenstrijdigheid tussen theorie en praktijk uiteraard geconcludeerd worden dat de theorie niet voldoet. C. Psychofarmaca Het opsporen van afweermechanismen wordt een probleem wanneer de patiënt psychofarmaca gebruikt. Vaak hebben deze medicamenten een angstreducerend effect en oefenen ze in dit opzicht dezelfde functie uit als de afweermechanismen. De noodzaak tot activering van de afweer neemt af en daardoor zijn deze mechanismen minder gemakkelijk te onderkennen. De betrouwbaarheid van het structurele interview kan hierdoor verminderen. D. Intelligentie Beschrijvingen van zichzelf en belangrijke anderen zijn in een aantal gevallen slechts oppervlakkig en blijven bij een schets van enkele concrete activiteiten. Hoewel deze oppervlakkigheid het gevolg kan zijn van een identiteitsdiffusie, moet ook rekening gehouden worden met een gebrekkige intelligentie die verantwoordelijk kan zijn voor het onvermogen gedragingen te abstraheren tot karakteromschrijvingen. Bij een lage intelligentie is een adequaat structureel interview niet goed mogelijk. Besluit Op zich is het hooggestemd om te verwachten dat de complexe klinische praktijk te reduceren is tot een indeling in drie groepen zonder de werkelijkheid geweld aan te doen. De bruikbaarheid van de structurele diagnostiek is dan ook beperkt tot een eerste stap in het diagnostische proces. Het belang ervan ligt ons inziens in de aanvulling die ze geeft op de louter descriptieve benadering, waarbij voornamelijk op het niveau van de symptomen wordt gediagnostiseerd. Tevens is deze optiek waardevol daar de diagnostische categorieën op een redelijk coherente wijze samenhangen met een theorie over de persoonlijkheidsstructuur. Een probleem is dat dit type diagnostiek enigszins losstaat van de DSM-III-diagnostiek in haar algemeenheid en de DSM-III-borderlinestoornis in het bijzonder. De bijdrage die het hier beschreven structurele gezichtspunt te bieden heeft aan de diagnostiek zal in de klinische praktijk van de verschillende settings nader uitgewerkt moeten worden. Voorts is het zeker ook relevant dat deze manier van werken empirisch wordt onderzocht. Hierbij kan men denken aan betrouwbaarheidsonderzoek waarbij wordt nagegaan of het mogelijk is tot overeenstemming te komen tussen diagnostici in het hanteren van het structurele interview en in het interpreteren van het materiaal dat met dit 457
14 interview wordt verzameld over de persoonlijkheidsstructuur. Validiteitsonderzoek is eveneens zeer relevant. Het zou interessant zijn om na te gaan of men de diagnostische onderscheidingen ook kan terugvinden in een karakteristiek verloop van de behandeling. De structurele diagnostiek bewijst haar bijdrage als het inderdaad zo blijkt te zijn dat op deze manier als borderline gediagnostiseerde patiënten veel meer problemen geven in de loop van de behandeling dan neurotici en dus met behulp van specifieke methoden behandeld moeten worden. Met dank aan prof. dr. G.J. Zwanikken voor zijn commentaar op een eerdere versie van dit artikel. Literatuur Derksen, J. (1985), Over strukturele diagnostiek en het strukturele interview. Intern Rapport 85 KL 03 Vakgroep Klinische Psychologie, Nijmegen. Derksen, J. (1986), Strukturele diagnostiek van psychische stoornissen ; neurose, borderline, psychose. Nelissen, Baarn. Erikson, E. (1968), Identity, youth and crisis. Norton & Company, New York. Freud, S. (1975), Zur EinfUhrung des Narzissmus. In: Studienausgabe, Bd. III. Fischer Verlag, Frankfurt am Main [1914]. Freud, S. (1975), Das Ich und das Es. In: Studienausgabe, Bd. III. Fischer Verlag, Frankfurt am Main[1923]. Frosch, J. (1983], The psychotic process. International University Press, New York. Gunderson, J., en M. Singer (1975/, Defining borderline patients: an overview. American Journal of Psychiatry, 132, Hartmann, H. (1975), Ich-Psychologie und Anpassungsproblem. Stuttgart. Hartmann, H., E. Kris en R. Lowenstein (1946), Comments on the formation of psychic structure. Psychoanalytic Study of the Child, 2, Jongerius, P. (1983], Indicatiestelling van de categoriale functie Klinische Psychotherapie. Voordracht op een studiedag van het R.P.I. te Eindhoven. Kernberg, 0. (1975), Borderline conditions and pathological narcissism. Jason Aronson, New York. Kernberg, 0., The development of intrapsychic structures in the light of borderline personality organization. In S. Greenspan en G. Pollock (1980), The course of lif e: psychoanalytic contributions toward understanding personality development, Vol. III, Kernberg, 0. (1981), Structural interviewing. Psychiatric Clinics of North America, 4, 1, Kernberg, 0. (1984), Severe personality disorders: psychotherapeutic strategies. Yale University Press, New Haven. Kernberg, 0., E. Burstein, L. Coyne, A. Appelbaum, L. Horwitz en H. Voth (1972), Psychotherapy and psychoanalysis: final report of the Menninger Foundation's Psychotherapy Research Project. Bulletin of the Menninger Clinic, 36, Kuiper, P. (1984), Nieuwe neurosenleer. Van Loghum Slaterus, Deventer. Meissner, W. (1984), Clinical differentiation of borderline syndromes from the psychoses. Psychoanalytic Review, 71 (2),
15 J.J.L. Derksen e.a. Structurele diagnostiek en het structurele interview Rapaport, D., en M. Gill (1959), The point of view and assumptions of metapsychology. International foumal of Psycho-Analysis, 40, Rohde-Dachser, C. (1983), Het borderline-syndroom. Van Loghum Slaterus, Deventer. Stem, A. (1938), Psychoanalytic investigation of and therapy in the borderline group of neuroses. Psychoanalytic Quarterly, 7, Schrijvers zijn respectievelijk klinisch psycholoog, werkzaam op de vakgroep klinische psychologie van de Katholieke Universiteit van Nijmegen en in de eerstelijns gezondheidszorg, werkadres: Vakgroep Klinische Psychologie, Montessorilaan 3, Nijmegen ; destijds arts-assistent psychiatrie op de afdeling psychiatrie van het St. Radboudziekenhuis te Nijmegen, nu verbonden aan 'De Venne', psychiatrisch centrum 'De Wellen' te Apeldoorn ; en klinisch psycholoog, werkzaam op de afdeling psychiatrie en polikliniek psychiatrie van het St. Radboudziekenhuis, Geert Grooteplein Zuid 10 te Nijmegen. Het artikel is geaccepteerd voor publikatie op 19-1-'
Descriptieve en structurele psychodiagnostiek
Descriptieve en structurele psychodiagnostiek Prof. Dr. Jan Derksen, UHD psychodiagnostiek Universiteit van Nijmegen, Professor psychotherapie Vrije Universiteit Brussel Descriptieve en structurele diagnostiek
De Selfreportmethode in de Psychiatrie
De Selfreportmethode in de Psychiatrie Dhr..J.M.Klaver Spatie Apeldoorn Overzicht colleges 1 Algemeen - methodes - definities - Scl-90, UCL, VM 2 Stressmanagement - Kernberg - Indicatie behandeling/beleid
Tussenbeoordelaarsbetrouwbaarheid van het structurele interview
Tijdschrift voor Psychiatrie 31, 1989/10 Tussenbeoordelaarsbetrouwbaarheid van het structurele interview door J.J.L. Derksen, J. W. Hummelen en J.M.P. Bouwens Samenvatting Het structurele interview, ontwikkeld
Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud
Informatie voor Familieleden omtrent Psychose InFoP 2 Inhoud Introductie Module I: Wat is een psychose? Module II: Psychose begrijpen? Module III: Behandeling van psychose de rol van medicatie? Module
InFoP 2. Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. Inhoud. Inleiding
Informatie voor Familieleden omtrent Psychose InFoP 2 Inhoud Introductie Module I: Wat is een psychose? Module II: Psychose begrijpen? Module III: Behandeling van psychose de rol van medicatie? Module
Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation
Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Pouw, Lucinda Title: Emotion regulation in children with Autism Spectrum Disorder
PSYCHOLOGIE, WAARHEIDSVINDING & HET INTERVIEW ALS OPSPORINGSMIDDEL
Bram B. Van der Meer Recherchepsycholoog PIV Conferentie 2016 Onderweg naar overmorgen Apeldoorn, 18 Maart 2016 PSYCHOLOGIE, WAARHEIDSVINDING & HET INTERVIEW ALS OPSPORINGSMIDDEL INTRODUCTIE Recherchepsycholoog
Hoe relevant ook, het begrip wilsbekwaamheid is
Samenvatting 179 180 Autonomie is de afgelopen decennia centraal komen te staan binnen de geneeskunde en zorg. Daarmee samenhangend is ook de wilsbekwame beslissing van de patiënt steeds belangrijker geworden.
Summer University Psychoanalyse 2017
Summer University Psychoanalyse 2017 Sacha de Reuver 3 juli t/m 7 juli 2017 UvA Wat is psychoanalyse? Mensbeeld Verzameling theorieën over psychisch functioneren Therapeutisch proces Klassieke Psychoanalyse
Integrale lichaamsmassage
Integrale lichaamsmassage Eindtermen theorie: - De therapeut heeft kennis van anatomie/fysiologie en pathologie m.b.t. Integrale lichaamsmassage; - De therapeut is zich ervan bewust dat een massage behandeling
Omgaan met stemmen horen. Sigrid van Deudekom en Jeanne Derks
Omgaan met stemmen horen Sigrid van Deudekom en Jeanne Derks Hoort stemmen horen bij de Psychiatrie? Ja? Nee? JA Want: Het betreffen vocale, audiatieve hallucinaties. 85 % van de Mensen met een dissociatieve
2 De waarde van de Rorschach binnen het indicatieonderzoek gedemonstreerd aan de hand van de neurotische façade 10 Hanke de Haan
Inhoud Inleiding VII Ingrid Groenendijk & Jolien Zevalkink 1 Drie basale stellingen van de psychoanalyse: hoe staat het er nu mee? 1 Frans de Jonghe 2 De waarde van de Rorschach binnen het indicatieonderzoek
Sessie 1 19 Introductiebijeenkomst
Inhoud I Introductie op het begrip Theory of Mind 7 II Visie op de behandeling van de mens met autisme 9 III Overzicht van de ToM-behandeling 13 IV Programma ToM-behandeling 15 V Gebruik van het werkboek
Psychodynamische persoonlijkheidsdiagnostiek
Psychodynamische persoonlijkheidsdiagnostiek door J.M.J. Smorenburg, R.C. van der Mast en F. de Jonghe Gepubliceerd in 1994, no. 3 Samenvatting In dit artikel worden verschillende psychodynamische benaderingswijzen
Inhoud. Voorwoord 13 Inleiding 15
Inhoud Voorwoord 13 Inleiding 15 1 Een eerste oriëntatie 21 1 Algemene situering 21 2 Psychodynamische psychotherapie 29 3 De invloed van de setting 35 4 Steunende en ontdekkende groepstherapie 36 5 Daar
Woord vooraf Opbouw van deze studie
Woord vooraf Opbouw van deze studie XIII XVI DEEL I: PROBLEEMSTELLING 1 HOOFDSTUK I ONTWIKKELING EN STAGNATIE IN DE PSYCHIATRIE 2 Inleiding 2 1. 1 Psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg - stand van
Het psychologisch onderzoek
GGzE centrum ouderenpsychiatrie Het psychologisch onderzoek Voor inzicht in uw capaciteiten, vaardigheden, mogelijkheden en beperkingen informatie voor cliënten >> 1 Psychologisch onderzoek kan bijdragen
Slecht nieuws goed communiceren
Slecht nieuws goed communiceren M A N U K E I R S E F A C U L T E I T G E N E E S K U N D E, K U L E U V E N Waarheid is een van de meest krachtige medicamenten waarover men beschikt, maar men moet nog
Accepteren en betekenis geven aan stemmen. De Maastrichtse benadering
Accepteren en betekenis geven aan stemmen De Maastrichtse benadering praatkaffee psychose De Stem, 27-11-2018 Introductie Inhoud Uitgangspunten Een systematische aanpak, het Maastrichtse model Interview
Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie
Grensoverschrijdend gedrag Les 2: inleiding in de psychopathologie Programma Psychopathologie; wat is het? Algemene functionele psychopathologie DSM Psychopathologie = Een onderdeel van de psychiatrie
PSYCHIATRIE & PSYCHOLOGIE. Zelfbeeldmodule BEHANDELING
PSYCHIATRIE & PSYCHOLOGIE Zelfbeeldmodule BEHANDELING Zelfbeeldmodule introductie We werken in deze zelfbeeldmodule van 20 weken onder andere met dit boek, dat u eventueel zelf kunt aanschaffen, om het
Zorgpad Persoonlijkheidsproblematiek
Zorgpad Persoonlijkheidsproblematiek Iedereen heeft zo zijn eigenaardigheden. Echter, soms heeft iemand extreme persoonlijke eigenschappen en vertoont hij hinderlijk gedrag. Dit kan zo ernstig zijn dat
Eindtermen. Eindtermen Praktijk: Eindtermen Voetreflextherapeut.doc 1
Eindtermen Voetreflexzonetherapie: Eindtermen theorie: - De therapeut behandelt vanuit een holistische mensvisie en stelt binnen het kader van beroepsprofiel het lichamelijk en geestelijk functioneren
Kennismaking met Acceptance & Commitment Therapy (ACT) bij chronische pijn
Vernieuwend - Attent - Samen Kennismaking met Acceptance & Commitment Therapy (ACT) bij chronische pijn Anita Eijkelenkamp, GZ-psycholoog pijnrevalidatie Lisanne Heijboer, stagiaire psychologie Roessingh,
Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte.
Een chronische en progressieve aandoening zoals multiple sclerose (MS) heeft vaak grote consequenties voor het leven van patiënten en hun intieme partners. Naast het omgaan met de fysieke beperkingen van
Kortdurende psychodynamische psychotherapie
Kortdurende psychodynamische psychotherapie Prof. Dr. Jan J.L. Derksen Sectie Klinische Psychologie KUN Klinische Psychologie VUB KP opleiding 2003 Welke modellen bestaan er? Klassieke langdurige psychoanalytische
Reeks 14: Ik ben toch niet gek?! Dr. Maarten Bak, psychiater
Reeks 14: Ik ben toch niet gek?! Dr. Maarten Bak, psychiater Ziekte Gezondheid Gek Normaal Wat is een psychose? Waarnemen Denken Betekenis geven Wat is een psychose? Hallucinatie Waan Hallucinaties
VERBETERSLEUTEL MINI-EXAMEN STOP MET BLOKKEN
VERBETERSLEUTEL MINI-EXAMEN STOP MET BLOKKEN 1 Examen /20 1. Wat is binnen de theorie van de psychoanalyse belangrijk? Duid het juiste antwoord aan. ( /1) a. Het statistisch meten b. Het begrijpen c. Gemiddelden
Waar Bepaal ten slotte zo nauwkeurig mogelijk waar het onderwerp zich afspeelt. Gaat het om één plek of spelen meer plaatsen/gebieden een rol?
Hoe word ik beter in geschiedenis? Als je beter wilt worden in geschiedenis moet je weten wat er bij het vak geschiedenis van je wordt gevraagd, wat je bij een onderwerp precies moet kennen en kunnen.
Hoofdstuk 4: De Beleving uit zich in Gedrag en Vaardigheden
Hodstuk 4: Voor een geestelijk welbevinden van de wereld is het noodzakelijk dat we leren herkennen op welke manier onze capaciteiten en vaardigheden zijn beïnvloed, waardoor we bepaalde gedragingen onderdrukken
Psychisch functioneren bij het syndroom van Noonan
Psychisch functioneren bij het syndroom van Noonan drs. Ellen Wingbermühle GZ psycholoog / neuropsycholoog GGZ Noord- en Midden-Limburg Contactdag 29 september 2007 Stichting Noonan Syndroom 1 Inhoud Introductie
Samenvatting (Summary in Dutch)
Samenvatting (Summary in Dutch) Burnout, een toestand van mentale uitputting door chronische stress in de werksituatie, vormt een ernstig maatschappelijk probleem dat momenteel veel aandacht krijgt. In
Edwin Beld, psychiater. Werkzaam in Den Helder GGZ NHN
P S Y C H O S E Edwin Beld, psychiater Werkzaam in Den Helder GGZ NHN PSYCHOSE Psychose Krankzinnigheid Manie Schizofreen Schizoaffectief Borderline? Waanstoornis Maniak Psycho Geestesziek Bezeten Gek
Samenvatting Westerman_v3.indd 111 Westerman an v3.in _v3.indd dd 11 111 18-07-2007 13:01 8-07-2007 13:01:1 :12
Westerman_v3.indd Westerman an_v3.indd v3.indd 111 111 18-07-2007 8-07-2007 13:01 13:01:1 :12 2 112 In de klinische praktijk en met name in de palliatieve geneeskunde wordt kwaliteit van leven als een
Opgave 2 Doen wat je denkt
Opgave 2 Doen wat je denkt 7 maximumscore 2 een argumentatie waarom Swaab het bestaan van vrije wil verwerpt op grond van de experimenten van Libet: bewustzijn komt pas na de beslissingen van de hersenen
HIC, specialisatie kinderen
HIC, specialisatie kinderen Module Docent contact uren Zelfstudie Psychologie en psychopathologie 11 44 uur Ontwikkelingspsychologie 11 22 uur Inleiding in de Chakrapsychologie 11 36 uur Jungiaanse psychologie,
De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit. The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility.
RELATIE ANGST EN PSYCHOLOGISCHE INFLEXIBILITEIT 1 De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility Jos Kooy Eerste begeleider Tweede
Inleiding. Vergelijking met het algemeen medisch onderzoek
Inleiding Het doel van deze uitgave kan als volgt worden omschreven. Enerzijds is het een handleiding voor medische studenten, artsen en psychiaters al dan niet in opleiding) om hen vertrouwd te maken
Our brains are not logical computers, but feeling machines that think.
Drs. Fernando Cunha (Child Support Europe) Ontwikkelingspsycholoog Gezondheidspsycholoog (BIG) Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) Onderwijsspecialist http://www.child-support-europe.com In dienst van kinderen,
Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97
Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk
General Personality Disorder. A study into the Core Components of Personality Pathology J.G. Berghuis
General Personality Disorder. A study into the Core Components of Personality Pathology J.G. Berghuis SAMENVATTING General Personality Disorder H. Berghuis Hoofdstuk 1 is de inleiding van dit proefschrift.
OBJECT - RELATIE - THEORIE
OBJECT - RELATIE - THEORIE Kernberg: Wat is de relevantie van de object-relatie-theorie voor de sociale psychiatrie Inleiding Kernberg, who the hell is Kernberg. En wat heeft die Amerikaan Nederlandse
Stemmingsstoornissen. Bij mensen met een verstandelijke beperking Kentalis- 25 november 2016 Carmen van Bussel
Stemmingsstoornissen Bij mensen met een verstandelijke beperking Kentalis- 25 november 2016 Carmen van Bussel Inhoud 1. Casus Mark 2. De context: psychiatriebij mensenmet eenvb 3. Stemmingsstoornissen
Diagnose en classificatie in de psychiatrie
Diagnose en classificatie in de psychiatrie Klinische Validiteit Research Betrouwbaarheid Prof dr Bert van Hemert psychiater en epidemioloog Afdelingshoofd psychiatrie DBC Kosten-baten 2 Diagnosen in de
Borderline, waar ligt de grens?
Borderline, waar ligt de grens? Themadag georganiseerd door Friese werkgroep Labyrinth-In Perspectief 23 november 2002 Programma 10.00 10.15 10.20 11.00 11.15 11.45 12.15 13.00 14.00 15.00 Ontvangst met
filosofie vwo 2016-II
Opgave 2 Theoriegeladenheid van de waarneming 5 maximumscore 3 Een goed antwoord bevat een uitleg met de afbeelding van het eend-konijn van: Kuhns Aristoteles-ervaring: plotselinge perspectiefverandering
Persoonlijkheidsstoornissen
DSM-5 WHITEPAPER Persoonlijkheidsstoornissen Bij persoonlijkheidsstoornissen is sprake van manieren van over zichzelf en anderen denken en voelen die een aanzienlijke negatieve invloed hebben op het functioneren
voortkomt uit de aard van de ziekte.
Samenvatting Mensen uit verschillende cul-turen hebben vaak probleí[en met het verstaan van van elkaar. Dit onderzoek richt zich op moeilijkheden die zich voordoen r^ranneer Ethiopiers worden geconfronteerd
De Psychoanalytische Ruimte(n) Feestelijke Ontvangst. Olympiaplein 4
Symposium De Psychoanalytische Ruimte(n) en Feestelijke Ontvangst ter gelegenheid van de officiële opening van Olympiaplein 4 op zaterdag 6 juni 2015 De Psychoanalytische Ruimte(n) Psychoanalyse heeft
Autobiografisch geheugen in longitudinaal perspectief
Samenvatting Autobiografisch geheugen in longitudinaal perspectief Stabiliteit en verandering in gerapporteerde levensgebeurtenissen over een periode van vijf jaar Het belangrijkste doel van dit longitudinale,
DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014
DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 Inhoud DSM IV -> DSM 5 DSM IV: Schizofrenie als kernsyndroom Even stilstaan bij SCHIZOFRENIE Kritiek op DSM IV Overzicht DSM 5 Schizofrenie (1) Epidemiologie:
Acceptance &CommitmentTherapy (ACT) SASKIA TALBOOM EMILE VAN BELLINGEN JORIS CORTHOUTS. bij psychosegewaarwordingen: Zoeken naar wat werkt
Acceptance &CommitmentTherapy (ACT) SASKIA TALBOOM EMILE VAN BELLINGEN JORIS CORTHOUTS bij psychosegewaarwordingen: Zoeken naar wat werkt Wat gaan we doen? Psychose bekijken door een functioneel contextualistische
Observatie- en oefenlijst voor de 'algemene gespreksvaardigheden'
Observatie- en oefenlijst voor de 'algemene gespreksvaardigheden' Instructie Je treft hier een observatie- en oefenlijst aan voor het observeren van de algemene gespreksvaardigheden. Er zijn dertien clusters
Dementie per leeftijdscategorie 6-1-2010. Dementie Dementiesyndroom. = ontgeesting. Omvang dementie in Nederland. Matthieu Berenbroek
Dementie Dementiesyndroom de-mens = ontgeesting Matthieu Berenbroek Fontys Hogeschool Verpleegkunde Omvang dementie in Nederland 2005 180.000 / 190.000 dementerenden 2050 400.000 dementerenden Bron CBO
Spiegelingen uit diverse werelden
Spiegelingen uit diverse werelden De twee koningskinderen hadden elkaar zo lief, alleen het water, tussen hen, was zo diep. 1 Er zijn spiegelingen uit diverse werelden. Alles wat je niet wilt ervaren of
Inhoud. Deel I Veranderen 25
Inhoud Inleiding Psychoanalyse in ontwikkeling 13 Deel I Veranderen 25 1 Het psychoanalytisch kader 27 1.1 Inleiding 27 1.2 Bewust-onbewust 27 1.3 Intersubjectiviteit en innerlijk werkmodel 29 1.4 Twee
Cover Page. Author: Netten, Anouk Title: The link between hearing loss, language, and social functioning in childhood Issue Date:
Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/47848 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Netten, Anouk Title: The link between hearing loss, language, and social functioning
De PID-5 brengt het DSM-5 persoonlijkheidstrekkenmodel in kaart
DSM-5 whitepaper De PID-5 brengt het DSM-5 persoonlijkheidstrekkenmodel in kaart Prof. dr. Gina Rossi, Vakgroep Klinische en LEvensloopPsychologie (KLEP) aan de Vrije Universiteit Brussel De Personality
Omgaan met onaangepast gedrag in het Sociaal Raadsliedenwerk en Schuldhulpverlening. Sjaak Boon www.bureauboon.nl
Omgaan met onaangepast gedrag in het Sociaal Raadsliedenwerk en Schuldhulpverlening Sjaak Boon www.bureauboon.nl Sombere stemming Verminderde interesse in activiteiten Duidelijke gewichtsvermindering Slecht
Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation.
Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/38701 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Visschedijk, Johannes Hermanus Maria (Jan) Title: Fear of falling in older patients
Voel jij wat ik bedoel? www.psysense.be 17/5/2008
Voel jij wat ik bedoel? www.psysense.be 17/5/2008 Gevoel en emoties / definitie Emoties: in biologische zin: affectieve reacties. Prikkeling van dit systeem geeft aanleiding tot allerlei lichamelijke reacties.
Samenvatting. Samenvatting
Samenvatting 10 Samenvatting Samenvatting Hoe snel word je boos als iemand je provoceert? Het traditionele antwoord op deze vraag is dat het afhangt van je individuele neiging om boos te worden. Als je
Psychose. Ziektebeeld en concrete tips. Cluster-ring justitie en GGZ ontmoeten elkaar - 26 februari 2015
Psychose Ziektebeeld en concrete tips Cluster-ring justitie en GGZ ontmoeten elkaar - Thomas Zoveel perspectieven, zoveel rollen, zoveel oordelen.. Psychotische symptomen Hallucinaties Wanen Gedesorganiseerde
Ziekte van Huntington
Ziekte van Huntington Begrijpen van en omgaan met veranderend gedrag Niels Reinders en Henk Slingerland (psychologen) Huntington Café 27 september 2018 Ziekte van Huntington Erfelijke neurologische ziekte
Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch)
Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) 159 Ouders spelen een cruciale rol in het ondersteunen van participatie van kinderen [1]. Participatie, door de Wereldgezondheidsorganisatie gedefinieerd als
Nederlandse samenvatting. 1. Wat zijn trauma-gerelateerde stoornissen, dissociatieve stoornissen en
Nederlandse samenvatting 1. Wat zijn trauma-gerelateerde stoornissen, dissociatieve stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen? Van de trauma- en stressorgerelateerde (kortweg trauma-gerelateerde) stoornissen
De Shedler-Westen Assessment Procedure (SWAP) De brug tussen wetenschap en praktijk in persoonlijkheidsdiagnostiek
De Shedler-Westen Assessment Procedure (SWAP) De brug tussen wetenschap en praktijk in persoonlijkheidsdiagnostiek Inhoud Achtergrond en uitgangspunten van SWAP De SWAP, scoren en interpreteren Interview
AUTONOMIE: HOEKSTEEN OF STRUIKELBLOK?
AUTONOMIE: HOEKSTEEN OF STRUIKELBLOK? PATIËNTENRECHTEN EN ETHIEK IN DE PSYCHIATRIE AXEL LIÉGEOIS Inleiding Verschillende benaderingen van de zorgrelatie Ethische beschouwingen bij de Wet Patiëntenrechten
SOCIALE COMMUNICATIE 3. Les 6: Thema 9 Reageren op onvoorzien en crisissituaties
SOCIALE COMMUNICATIE 3 Les 6: Thema 9 Reageren op onvoorzien en crisissituaties Vorige les/ vandaag Tot en met hoofdstuk 19.6 Reageren op onvoorziene en crisissituaties Hoofdstuk 19.6 tot en met 20.5 Begeleiden
Nederlandse Samenvatting
Nederlandse Samenvatting Titel: Cognitieve Kwetsbaarheid voor Depressie: Genetische en Omgevingsinvloeden Het onderwerp van dit proefschrift is cognitieve kwetsbaarheid voor depressie en de wisselwerking
Format beoordelingsformulier FEM voor geschreven afstudeerwerk: de afstudeeropdracht Toelichting over het gebruik van het formulier:
Bijlage bij Andriessen, D. en Van der Marel, I. (2015) Beoordelingsmodel voor eindwerkstukken voor een Faculteit Economie & Manage-ment in het hbo. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, Jaargang 33, Nr. 2,
Oorzaken en achtergronden van delinquent gedrag in de huidige samenleving. HOVO 6 Klaas van Tuinen
Oorzaken en achtergronden van delinquent gedrag in de huidige samenleving HOVO 6 Klaas van Tuinen Wat is normaal? Levenscyclus Gevoel van identiteit Oplossen van problemen m.b.t. macht en afhankelijkheid
Au-tomutilatie. Een groot probleem, een grote uitdaging. Carmen van Bussel Orthopedagoog/GZ-psycholoog
Au-tomutilatie Een groot probleem, een grote uitdaging Carmen van Bussel Orthopedagoog/GZ-psycholoog Inhoud Waarom verwonden cliënten zichzelf? Handelingsverlegenheid en machteloosheid bij begeleiders
Positioneren van de SPV
Regiobijeenkomst SPV-en Friesland 27 november 2014 Positioneren van de SPV Gerard Lohuis Historie van SPV Eind jaren 60 vorige eeuw - Opnamebekorten - Opname voorkomen - Professional die in de thuissituatie
THE INVENTORY OF PERSONALITY ORGANISATION (IPO)
THE INVENTORY OF PERSONALITY ORGANISATION (IPO) John F. Clarkin, Pamela A. Foelsch, & Otto F. Kernberg IPO 001 Version (10/1/0 revised) Geautoriseerde Nederlandse vertaling april 00 Theo Ingenhoven, Frans
Nederlandse samenvatting
Addendum A 173 Nederlandse samenvatting Het doel van het onderzoek beschreven in dit proefschrift was om de rol van twee belangrijke risicofactoren voor psychotische stoornissen te onderzoeken in de Ultra
OEFENINGEN: NEEM UW GEDACHTEN ONDER DE LOEP
OEFENINGEN: NEEM UW GEDACHTEN ONDER DE LOEP Denken, voelen en doen staan sterk met elkaar in verband. Via uw gedachten kunt u invloed uitoefenen op hoe u zich voelt. Op deze manier kunt u ongewenste gevoelens
Persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen: Meten en weten. Prof. Dr. Bas van Alphen
Persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen: Meten en weten Prof. Dr. Bas van Alphen Inhoud Temporele stabiliteit Leeftijdsneutraliteit DSM-5 Behandelperspectief Klinische implicaties Casuïstiek Uitgangspunten!
Procesdiagnose in 4 perspectieven
Procesdiagnose in 4 perspectieven Árpi Süle Literatuur: Á. Süle, (2013) Procesdiagnose in vier perspectieven Een integratieve kijk op therapeutische verandering, Tijdschrift voor psychotherapie 39(2),
LPFS SR NL. Instructies: Lees de volgende stellingen aandachtig en omcirkel in welke mate elke uitspraak op u van toepassing is:
LPRS SR NL Pagina1 LPFS SR NL Naam/ID: Instructies: Lees de volgende stellingen aandachtig en omcirkel in welke mate elke uitspraak op u van toepassing is: niet waar Een beetje waar Vaak waar 1 Ik kan
Bedoeling van dit werkcollege:
PSYCHOLOGISCHE DIAGNOSTIEK Veld Klinische en Gezondheidspsychologie Oktober 2005 Cécile Vandeputte- v.d. Vijver Bedoeling van dit werkcollege: Bespreking van de stappen van het psychodiagnostisch proces
Eindexamen Filosofie havo I
Opgave 2 Denken en bewustzijn 8 Een goed antwoord bevat de volgende elementen: een omschrijving van het begrip bewustzijn 2 argumentatie aan de hand van deze omschrijving of aan Genghis bewustzijn kan
Inhoud. Aristoteles. Quotes over emotionele intelligentie. Rianne van de Ven Coaching & Consulting 1
Hoogbegaafdheid en Emotionele Intelligentie WUR 23-04-2018 Inhoud Wat is emotionele intelligentie? Relatie met IQ Waarom speciaal voor HB? Het EQi-2.0 model De vaardigheden www.riannevdven.nl Quotes over
THEMA SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Bovenbouw vmbo Bovenbouw havo-vwo
Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Zelf Gevoelens Verbaal en non-verbaal primaire gevoelens beschrijven en uiten. Kwaliteiten Verbaal en non-verbaal beschrijven dat fijne en nare
CHAPTER 7. Samenvatting
CHAPTER 7 Samenvatting Samenvatting (Summary in Dutch) De interacties die depressieve patiënten hebben met anderen, in het algemeen, en de interacties van depressieve patiënten met hun partner, in het
VAN ZORG NAAR PREVENTIE
VAN ZORG NAAR PREVENTIE Jaap van der Stel Jaap van der Stel Lector GGz Hogeschool Leiden Brijder-Parnassia GGZ ingeest Legitimatie psychische gezondheidszorg Legitimiteit van de psychische gezondheidszorg
HET WERKEN met GEZONDHEIDSPROFIELEN in de MANUELE THERAPIE
HET WERKEN met GEZONDHEIDSPROFIELEN in de MANUELE THERAPIE Prof.dr. Rob A.B. Oostendorp Vrije Universiteit Brussel UMC St Radboud, Nijmegen NPi, Amersfoort 1 NVMT 4e LUSTRUM VAN HARTE PROFICIAT 2 WAAROM
Mentaliseren Bevorderende Therapie (MBT) voor cliënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis
Mentaliseren Bevorderende Therapie (MBT) voor cliënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis Informatie voor cliënten en hun verwijzers Mentaliseren Bevorderende Therapie voor cliënten met een borderline
Handboek diagnostiek in de leerlingenbegeleiding: Kind en
Handboek diagnostiek in de leerlingenbegeleiding: Kind en context Recensie door Lien PLASSCHAERT 1 1 VERSCHUEREN, K. EN KOOMEN, H. Handboek diagnostiek in de leerlingenbegeleiding: Kind en context Uitgeverij
Delfin EMDR en hypnotherapie cognitieve therapie Page 1 of 5
Delfin EMDR en hypnotherapie cognitieve therapie Page 1 of 5 DE THEORIE DE PRAKTIJK OVEREENKOMSTEN Cognitieve therapie Naast een paar grote verschillen heeft de moderne hypnotherapie veel overeenkomsten
Oorzaken en achtergronden van delinquent gedrag in de huidige samenleving. HOVO 3 Klaas van Tuinen
Oorzaken en achtergronden van delinquent gedrag in de huidige samenleving HOVO 3 Klaas van Tuinen Wat is normaal? Coherent zelf Identiteit Effectieve relaties Macht en afhankelijkheid Erbij horen Tijdelijkheid,
Omgaan met weerstanden Gedreven mensen bevlogen scholen. 28 april 2017 Lieve Peeters
Omgaan met weerstanden Gedreven mensen bevlogen scholen 28 april 2017 Lieve Peeters Omgaan met weerstand Wie in huis de trekker is van veranderingen, weet dat je dan kunt rekenen op een hoeveelheid weerstand
Variaties van gedrag en beleving
Variatie in gedrag en beleving Tussen mensen Binnen mensen Frans Hoogeveen [email protected] www.dehaagsehogeschool.nl/lectoraatpg Variaties van gedrag en beleving binnen het individu Gedrag Individu
De PID-5 brengt het DSM-5 persoonlijkheidstrekkenmodel in kaart
DSM-5 whitepaper De PID-5 brengt het DSM-5 persoonlijkheidstrekkenmodel in kaart Prof. dr. Gina Rossi, Vakgroep Klinische en LEvensloopPsychologie (KLEP) aan de Vrije Universiteit Brussel De Personality
