De (in)formele sociale netwerken van eerste en tweede generatie migrantenondernemers.

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "De (in)formele sociale netwerken van eerste en tweede generatie migrantenondernemers."

Transcriptie

1 De (in)formele sociale netwerken van eerste en tweede generatie migrantenondernemers. Katja Rusinovic* Samenvatting Vele studies naar het migrantenondernemerschap zijn gebaseerd op ervaringen van eerste generatie migranten. Onderzoek naar de tweede generatie is vooralsnog beperkt. Op basis van intensief onderzoek onder 252 eerste en tweede generatie migrantenondernemers wordt in dit artikel de betekenis van (in)formele sociale netwerken in de bedrijfsvoering van tweede generatie migrantenondernemers onderzocht. De resultaten laten zien dat formele netwerken in belang zijn toegenomen onder de tweede generatie, maar dat ook onder de tweede generatie informele familienetwerken nog altijd een rol van betekenis in de bedrijfsvoering spelen. 1. Inleiding De netwerken van allochtone ondernemers blijven veelal beperkt tot de eigen groep en omvatten maar in beperkte mate winkeliersverenigingen of brancheorganisaties. Bovendien steunen etnische ondernemers uitgebreid op het eigen sociale (familie) netwerk. Hiermee kunnen zij hun startfase vergemakkelijken, maar uiteindelijk blijken zij het slechter te doen dan ondernemers met een geringe binding aan een uitgebreid (familie)netwerk. (EIM, 2004: 45) Het bovenstaande citaat illustreert het belang van informele familienetwerken voor ondernemers in het algemeen, maar voor migranten in het bijzonder (zie ook Granovetter, 1985, 1995; Waldinger, 1986; Uzzi, 1999). Familieleden kunnen bijvoorbeeld een belangrijke rol spelen bij de financiering van de start van het bedrijf of in de bedrijfsvoering door het verlenen van onbetaalde of laagbetaalde hulp. Het citaat maakt eveneens duidelijk dat de afhankelijkheid van informele familienetwerken ook keerzijden heeft. Ten eerste wordt het belang van informele familienetwerken niet zelden gezien als een noodzakelijk alternatief wegens het ontbreken van formele netwerken buiten de eigen groep (cf. Gold, 1995; Hagan, MacMillan & Wheaton, 1996; Portes, 1998:14). Zo laten verschillende studies zien dat, wegens culturele en/of taalbarrières, migranten minder goed toegang krijgen tot banken of andere financiële instanties dan autochtone ondernemers en dat zij daarnaast ook minder vaak lid zijn van zakelijke netwerken, zoals winkeliersverenigingen of brancheorganisaties (EIM, 2004:45; Van den Tillaart, 2001). Ten tweede, informele familienetwerken kunnen niet alleen voordelige, maar ook nadelige effecten hebben op de bedrijfsvoering (zie Portes & Sensenbrenner, 1993; Gargiulo & Benassi, 2000). Deze nadelige effecten worden ook wel beschreven als the dark side of embeddedness (Borgatti & Foster, 2003: 993). Portes en Sensenbrenner (1993) beschrijven bijvoorbeeld hoe succesvolle ondernemers in eerste instantie hun voordeel doen met de ondersteuning en de middelen die zij vanuit hun informele netwerken verkrijgen, maar dat zij uiteindelijk niet in staat blijken door te groeien met het bedrijf vanwege familieleden en kennissen die willen delen in de winst. De studie van Portes en Sensenbrenner is, evenals veel andere studies over migrantenondernemerschap, gebaseerd op ervaringen van eerste generatie migranten. In Nederland is echter een groeiende groep van tweede generatie migranten die er voor kiest om zelfstandig ondernemer te worden (zie ook de inleiding en de bijdrage van Van den Tillaart in dit nummer). Over deze groep is vooralsnog weinig bekend en op basis van de bestaande literatuur is dan ook geen antwoord te geven op de 1

2 vraag welke betekenis (in)formele sociale netwerken hebben in de bedrijfsvoering van tweede generatie migrantenondernemers. In dit artikel zal deze vraag op basis van intensief veldwerk onder 252 eerste en tweede generatie migrantenondernemers worden beantwoord. De verwachting is dat, aangezien de tweede generatie geboren en/of getogen is in Nederland, zij beter in staat is dan de eerste generatie om aanspraak te maken op, en ingebed te zijn in, formele netwerken. Om te onderzoeken in hoeverre deze veronderstelling juist is, wordt geïnventariseerd op welke wijze de ondernemers drie soorten schaarse goederen, namelijk financieel kapitaal, personeel en informatie, hebben verkregen. Hierbij wordt in kaart gebracht in hoeverre ondernemers deze schaarse goederen via formele dan wel informele sociale netwerken hebben verkregen. In dit artikel worden formele sociale netwerken gedefinieerd als zakelijke relaties met formele instituties zoals banken of andere (overheids)instanties (cf. Granovetter, 1995; Misztal, 2000). Onder informele sociale netwerken, aan de andere kant, worden zakelijke relaties met familieleden, vrienden en/of informele instituties verstaan (ibid.). Op basis van dit onderscheid tussen formele en informele sociale netwerken, kan ook een onderscheid worden gemaakt tussen formeel sociaal kapitaal en informeel sociaal kapitaal. Formeel sociaal kapitaal kan worden gezien als het vermogen van migrantenondernemers om schaarse goederen te verkrijgen vanuit formele sociale netwerken. Informeel sociaal kapitaal daarentegen is het vermogen van migrantenondernemers om schaarse goederen vanuit een informeel netwerk te verkrijgen (cf. Portes, 1995, 1998). Tevens zal in dit artikel worden gekeken naar de relatie tussen formele en informele netwerken. Namelijk, als het inderdaad zo is dat de tweede generatie vaker een beroep doet op formele netwerken, betekent dit dat het belang van informele netwerken is afgenomen? Of zijn de ondernemers ingebed in zowel formele als informele netwerken? Met andere woorden, is het zo dat de formele en informele netwerken elkaar overlappen, vervangen of aanvullen (Komter, Burgers & Engbersen, 2000)? Tot slot wordt onderzocht wat de inbedding in formele en/of informele netwerken betekent voor het bedrijfssucces. Maar voordat de empirische resultaten worden beschreven in paragraaf 3 en 4, volgt allereerst een korte uiteenzetting over de onderzoeksgroep en het veldwerk. 2. Onderzoekspopulatie en methode van onderzoek Het aantal ondernemers met een migrantenachtergrond is in Nederland de laatste decennia sterk gestegen. Zo waren er in 1989 nog slechts niet-westerse migrantenondernemers; in 2004 zijn dit er ruim (Dagevos & Gesthuizen, 2005). Met de groei van het aantal migrantenondernemers is ook het (sociaal-wetenschappelijke) onderzoek naar het zelfstandig ondernemerschap onder migranten toegenomen. De bestaande nationale en internationale studies naar het zelfstandig ondernemerschap onder migranten zijn vrijwel uitsluitend gebaseerd op de ervaringen van eerste generatie migranten. Uit beschikbare kwantitatieve data blijkt evenwel dat er in Nederland sprake is van een toenemend aantal tweede generatie migranten dat kiest voor het zelfstandig ondernemerschap. In 2002 behoorden ruim van de ondernemers tot de tweede generatie - mensen die in Nederland zijn geboren, maar van wie een of beide ouders afkomstig is uit een niet-westers land (EIM, 2004). Wanneer ook degenen worden meegeteld die op zeer jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen, dan zou dit aantal met ruim toenemen. Volgens een laatste schatting zouden er in 2006 ruim tweede generatie migrantenondernemers zijn (Van der Velden, 2006:18). Afgezien van de beperkte kwantitatieve data is weinig bekend over deze groep ondernemers. Het doel van het dissertatieproject waarop dit artikel is gebaseerd, was dan ook om meer zicht te krijgen op deze nieuwe groep van migrantenondernemers en op welke wijze(n) de tweede generatie verschilt van eerste generatie migrantenondernemers (zie Rusinovic, 2006) 1. 2

3 Het veldwerk bestond enerzijds uit interviews met ruim vijftig sleutelfiguren in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Deze sleutelfiguren zijn werkzaam binnen organisaties die zich bezighouden met de ondersteuning en/of begeleiding van (migranten)ondernemers. Daarnaast zijn in dezelfde vier steden tussen 2000 en 2003 interviews afgenomen met 252 migrantenondernemers, waaronder 115 tweede generatie migranten 2. De interviews zijn zowel bij respondenten thuis als in het bedrijf van de respondent afgenomen en zowel na als onder werktijd. Een enkele keer is het interview 'op locatie' afgenomen. Met name tijdens de interviews die zijn afgenomen in het bedrijf van de respondent, was voldoende gelegenheid tot observeren. Een aantal keren was in het bedrijf niet alleen de respondent, maar ook personeel, vrienden en/of de zakelijke partner aanwezig, die af en toe deelnamen aan het gesprek. Vanaf 2003 lag de nadruk van het veldwerk op het volgen van de reeds geïnterviewde ondernemers, in plaats van het verwerven van nieuwe respondenten. In totaal zijn 85 ondernemers meerdere keren geïnterviewd. Het doel van deze vervolginterviews was om meer zicht te krijgen op de dynamiek van de bedrijven. Tot slot is in 2005 onderzocht in hoeverre alle 252 bedrijven nog bestaan. Door deze onderzoeksmethode heeft het onderzoek een longitudinaal karakter gekregen. Voor de analyse van het datamateriaal is gebruik gemaakt van zowel kwalitatieve als kwantitatieve analyses. Voordat het veldwerk van start ging, is besloten de onderzoekspopulatie te beperken tot ondernemers afkomstig uit niet-westers georiënteerde landen 3. De reden voor dit onderscheid is het verschil in de sociaal-economische en culturele positie van westerse en niet-westerse migranten (zie onder meer Dagevos, Gijsberts & van Praag, 2003). Zoals uit de onderstaande tabel is op te maken, is het grootste deel van zowel de eerste als de tweede generatie migrantenondernemers afkomstig uit Turkije, gevolgd door Surinamers, hetgeen overeenkomt met nationale gegevens betreffende het migrantenondernemerschap (zie Van den Tillaart, 2001; EIM, 2004). Tabel 1 Generatie naar etniciteit (N=252) Eerste generatie Tweede generatie Totaal N % N % N % Turkije Marokko Suriname China/Hong Kong Anders, waaronder: Indonesië Egypte India Nederlandse Antillen Ghana Iran Kaap Verdië Andere landen Totaal Gekozen is om het veldwerk te beperken tot ondernemers in vier sectoren, te weten de zakelijke dienstverlening, kappers, groothandel (levensmiddelen) en afhaal/catering. De keuze voor deze vier sectoren was ingegeven door de beschikbare kwantitatieve data, waaruit blijkt dat in alle vier de steden zowel de eerste als de tweede generatie in deze sectoren voldoende is vertegenwoordigd (zie o.a. Van den Tillaart & Poutsma, 1998; Van den Tillaart, 2001). Daarnaast is bewust gekozen om het onderzoek te richten op meer klassieke sectoren waarin migranten actief zijn, zoals de 3

4 groothandel en kappersbranche, maar tegelijkertijd ook rekening te houden met de sectoren waar juist de laatste jaren een grote groei waarneembaar is, zoals de zakelijke dienstverlening (ibid). Onder de zakelijke dienstverlening worden bedrijven verstaan, die niet-tastbare producten, oftewel diensten, verkopen aan andere bedrijven (VSO, 2005). Hiertoe behoren onder andere accountancy, adviesbureaus, internetbedrijven en andere professionele diensten. Hoewel de meeste eerste generatie migranten nog altijd kiezen voor een horecabedrijf, is dit percentage afgenomen van ruim 40 procent in 1989 naar minder dan een derde in 2002 (ibid). Daarentegen kiezen steeds meer eerste generatie migranten voor een bedrijf in de zakelijke dienstverlening. In 2002 was 15 procent van de eerste generatie migrantenondernemers actief in de zakelijke dienstverlening (EIM, 2004). Onder de tweede generatie kiest ruim een kwart van de ondernemers voor een bedrijf in deze sector (ibid.) Zoals uit onderstaande tabel blijkt, zijn de meeste ondernemers in de onderzoeksgroep actief in de zakelijke dienstverlening. Tabel 2 Keuze sector respondenten Eerste generatie Tweede Totaal generatie N % N % N % Zakelijke dienstverlening: Computer/ internet Adviesbureau Uitzendbureau Administratie/accountancy Marketing/reclame bureau Evenementen bureau Verzekeringskantoor Anders Kappers Afhaal/catering Groothandel Anders Totaal Verkrijgen van schaarse goederen Aan de hand van het interviewmateriaal zal in deze paragraaf worden onderzocht op welke wijze(n) de ondernemers drie soorten schaarse goederen hebben verkregen, namelijk financieel kapitaal, informatie en personeel. Financieel kapitaal Uit verschillende onderzoeken blijkt dat migrantenondernemers minder vaak dan autochtone ondernemers een beroep op financiële instanties zoals banken (Wolff & Rath, 2000). In de literatuur worden hiervoor verschillende redenen gegeven. Zo ontbreekt het migranten vaker dan autochtonen aan eigendom, zoals een huis, dat gebruikt kan worden als onderpand (Flap, Kumcu & Bulder, 2000:153). Ook kiezen migranten vaker voor branches met onvoldoende groeimogelijkheden, zoals bijvoorbeeld de detailhandel. Het ontbreken van kennis over bepaalde markten kan eveneens een reden zijn voor afwijzing door banken (ibid.). 4

5 Op basis van de bestaande onderzoeken is niet duidelijk in hoeverre bovenstaande van toepassing is op de tweede generatie, of dat de tweede generatie beter in staat is dan de eerste generatie een beroep te doen op financiële instellingen. Om deze vraag te beantwoorden, is een onderscheid gemaakt tussen formele en informele vormen van financiering. Onder informele vormen van financiering wordt verstaan het verkrijgen van startkapitaal middels een lening van familie, vrienden of kennissen. Onder formele financiering wordt verstaan het verkrijgen van een lening via financiële instanties, zoals banken of overheidsinstanties 4. In de onderstaande tabel zijn de resultaten van deze analyse weergegeven. Tabel 3 Financiering naar generatie (N=239) Eerste Tweede generatie Totaal generatie N % N % N % Formele financiering Informele financiering Mix van formele en informele financiering Uitsluitend eigen middelen Totaal Zoals uit tabel 3 blijkt, is onder zowel de eerste als de tweede generatie informele financiering het meest populair. Wel blijkt dat informele financiering duidelijk in belang is afgenomen onder de tweede generatie. 5 Bijna een kwart van de tweede generatie heeft de start van het bedrijf gefinancierd via formele instanties, soms in combinatie met eigen middelen. Daarnaast zijn er ook ondernemers die zowel een beroep doen op formele als informele instanties voor de start van het bedrijf (N=18). Wanneer we deze categorieën samennemen, dan blijkt dat ongeveer 20 procent van de eerste generatie en bijna 30 procent van de tweede generatie (gedeeltelijk) een beroep doet op formele instanties. De resultaten van tabel 3 hebben uitsluitend betrekking op ondernemers die met succes een aanvraag voor financiering hebben ingediend bij banken of andere financiële instellingen. Er zijn ook ondernemers die getracht hebben een aanvraag in te dienen, maar van wie de aanvraag is afgewezen. Binnen de onderzoeksgroep hebben 39 ondernemers, waaronder 28 eerste en 11 tweede generatie migrantenondernemers, zonder succes een aanvraag bij een financiële instelling ingediend. Een voorbeeld hiervan is Mohammed die samen met zijn vrouw een cateringbedrijf heeft in Den Haag. Voor de financiering van de start van zijn bedrijf, heeft Mohammed tevergeefs een ondernemersplan opgesteld in de hoop financiering van de bank te krijgen. Hierover vertelt hij het volgende: R: Ja, we hebben toen wel een ondernemingsplan gemaakt. Dat was een heel boekwerk. Hiermee hebben we bij verschillende banken gevraagd om een lening. I: En met succes? R: Nee, we hebben niks gehad. Geen dubbeltje gekregen. Ze zeggen van jouw werk dat kennen we niet, en ze hebben niets gegeven. De respondenten die zonder succes een aanvraag hebben ingediend bij de bank, gaven verschillende redenen voor de afwijzing. Een van de redenen die werd gegeven, was dat de bank geen vertrouwen had in het ondernemersplan en/of de keuze van de sector. Daarnaast werd het ontbreken van een onderpand door de ondernemers als grond voor afwijzing genoemd. Ook gaven enkele ondernemers discriminatie als mogelijke reden van afwijzing. Andere ondernemers benadrukten dat ze zelf onvoldoende voorbereid waren op het gesprek met de bank. 5

6 Ondernemers die er niet in slagen om via formele weg de financiering van het bedrijf rond te krijgen, zijn veelal genoodzaakt een lening via familieleden en/of vrienden af te sluiten. Het kan echter ook een bewuste keuze van ondernemers zijn om via informele weg de financiering te regelen. Zo kan een informele lening aantrekkelijker zijn omdat er geen rente over het geleende bedrag hoeft te worden betaald. Ook is de terugbetalingsregeling met familieleden veelal flexibeler dan via formele instanties. Dit wordt overigens niet door alle ondernemers als voordeel gezien. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het verhaal van Pui-Yee. Pui-Yee is op zevenjarig leeftijd met haar ouders vanuit China naar Nederland gekomen. Na haar opleiding en enkele jaren werkervaring bij een bank, besluit zij in 2002 om haar eigen bedrijf, een adviesbureau, te beginnen. Voor de financiering van de start van het bedrijf wilde Pui-Yee geen geld lenen van familieleden of vrienden. Tijdens het interview geeft ze hiervoor de volgende verklaring: Mijn ouders leenden altijd heel veel bij familieleden en dat gebeurde ook andersom. Maar ik denk dat ik misschien een beetje te verwesterd ben daarvoor. Wat ik heb gezien bij mijn ouders, is op het moment dat je iemand geld leent en je hebt het zelf nodig, dan doet degene die geld heeft geleend, alles om zo snel mogelijk het geleende geld weer terug te geven. Desnoods wordt opnieuw geld bij iemand anders geleend. Je weet dat dat ook de consequenties zijn; als ik geld leen binnen de familie en iemand heeft het geld weer nodig, dan moet je eigenlijk morgen al weer klaar staan met terugbetalen. Dan is toch veel gemakkelijker om een lening bij de bank af te sluiten? Tot slot, 23 ondernemers hebben een lening bij familieleden of kennissen in het herkomstland. Omid bijvoorbeeld is in 1993 samen met zijn vrouw en kinderen gevlucht vanuit Iran. In 1998 besluit Omid om samen met zijn vrouw een kapperszaak over te nemen in Rotterdam-Zuid. De start van het bedrijf heeft Omid gefinancierd met geld dat zijn vader vanuit Teheran naar hem heeft opgestuurd. Zoals Omid zelf zegt mijn vader is 71 jaar, maar zorgt nog voor al zijn kinderen. Het bovenstaande maakt duidelijk dat informele vormen van financiering nog altijd het meest populair zijn onder zowel eerste als tweede generatie migranten. Hiermee verschilt ook de tweede generatie van autochtone ondernemers, die na eigen middelen het vaakst een beroep doen op banken (Wolff & Rath 2000). Dit neemt niet weg, dat in vergelijking met de eerste generatie, formele vormen van financiering onder tweede generatie migranten duidelijk aan belang hebben toegenomen. Informatie Sociale netwerken zijn niet alleen van belang voor de financiering van de start van het bedrijf, maar zijn eveneens een belangrijke informatiebron (Light, Bhachu & Karageorgis, 1993:38). Zoals ook in paragraaf 1 is aangegeven, worden migranten over het algemeen minder vaak lid van formele zakelijke netwerken en andere ondersteunende instanties. Volgens Kloosterman, Van der Leun en Rath (1998) is toegang tot dergelijke instanties, netwerken en instituties juist in het corporatistische Nederland van belang voor ondernemers. In deze paragraaf zal dan ook worden nagegaan in hoeverre de respondenten een beroep doen op ondersteunende instanties, en/of deel uitmaken van, formele zakelijke netwerken. Tijdens de interviews is gevraagd of de ondernemers voor de start van het bedrijf informatie of ondersteuning hebben gekregen van (overheids)instanties. Hierbij kan het gaan om verkrijgen van praktische informatie of ondersteuning bij het schrijven van een ondernemersplan. Daarnaast is onderzocht in hoeverre de ondernemers zijn aangesloten bij winkeliers- ondernemers- en/of andere 6

7 zakelijke verenigingen. In de onderstaande tabel zijn beide vormen van informatievoorziening samengenomen. Tabel 4 Beroep op ondersteunende instanties en/ of ingebed in formele zakelijke netwerken per generatie (N=244) Eerste generatie Tweede generatie Totaal N % N % N % Ja Nee Totaal Zoals blijkt uit tabel 4, heeft meer dan de helft van de ondernemers ondersteuning gevraagd voor de start van het bedrijf en/of is ingebed in een formeel zakelijk netwerk. Daarnaast laten de resultaten zien dat er sprake is van een significant verschil tussen de eerste en de tweede generatie. 6 Van de 126 ondernemers hebben er 77 ondersteuning gevraagd van instanties voor de start van het bedrijf. Een van hen is Ekber. Ekber is 28 jaar wanneer hij vanuit Turkije naar Nederland emigreert. Na zijn aankomst in Nederland, slaagt hij er niet in om een baan te vinden. Ekber besluit in 2000 dan ook dat hij zijn eigen bedrijf op wil richten, een reclamebureau. Om er achter te komen, hoe hij een bedrijf op moet richten, heeft Ekber verschillende cursussen gevolgd, waaronder een cursus voor startende ondernemers: Ik heb dus een cursus gevolgd voor startende ondernemers. Daar heb ik wel een aantal dingen geleerd. Ik weet niet meer van welke instantie die cursus was. Dat was erg positief, ik heb er wel wat aan gehad. Je leert hoe je je eigen boekhouding moet bijhouden. Het was speciaal voor mensen die een eigen zaak wilden beginnen. Ik wist er niks vanaf. Ze zullen vast wel pakketten hebben voor startende ondernemers, maar daar wist ik niets vanaf. Maar nu heb ik best veel contacten, en als ik zelf iets niet weet kan ik in ieder geval bij mensen terecht die het wel weten. Het gaat allemaal om informatie. Je moet de juiste contacten hebben. Hoewel Ekber aangeeft, tevreden te zijn geweest met de ondersteuning die hij heeft gekregen van de betreffende instantie, geldt dit niet voor iedere ondernemer. Bijna eenderde van de ondernemers was ontevreden over de hulp of informatie die zij hebben ontvangen. Hiervoor gaven de respondenten de twee voornaamste redenen. Ten eerste had een aantal ondernemers het gevoel niet serieus te worden genomen door de betrokken instanties. Zoals bijvoorbeeld Dianthus. Dianthus was vijf jaar toen hij met zijn ouders vanuit Kaap Verdië naar Nederland emigreerde. In 1998, besluit Dianthus om een reisbureau op te richten, gericht op reizen naar Kaap Verdië. Daarnaast wilde Dianthus een kapperszaak overnemen voor zijn vrouw, die een opleiding voor kapster heeft gevolgd. Dianthus vertelt tijdens het interview over zijn ervaringen met de ondernemerswinkel van de Kamer van Koophandel: Ik heb een gesprek gehad en dat was heel erg ontmoedigend. Er werd mij ontraden om een kapperszaak te openen, zo van begin er nu niet aan. Dus daar was ik heel snel weg. Na dat gesprek had ik zoiets van zoek het zelf maar uit, dit heeft geen zin. Het leek net alsof je ontmoedigd werd om in die branche te gaan zitten, maar het was iets wat ik wilde. Ik bepaal waar ik in ga zitten, dus vanaf dat moment heb ik eigenlijk helemaal geen steun meer gezocht. 7

8 Een tweede reden die voornamelijk door tweede generatie migranten is gegeven, was dat de informatie die zij uiteindelijk kregen, niet aansloot op hun behoeftes. Martin bijvoorbeeld is een geboren en getogen Rotterdammer. Begin jaren zeventig zijn de ouders van Martin vanuit Suriname naar Nederland geëmigreerd. Tijdens zijn opleiding besluit Martin om samen met zijn vriendin een bedrijf op te richten, gericht op het organiseren van evenementen. Voor de start van het bedrijf, heeft Martin hulp gevraagd van een adviesbureau. Hiervoor heeft hij ruim euro moeten betalen. Achteraf bezien heeft hij spijt dat hij hulp heeft gevraagd, omdat het niets opleverde: Ik heb euro weggegooid voor niets. Dit soort instanties zijn gericht op laagopgeleide, eerste generatie migranten en niet op ondernemers met een HBO-opleiding. Afgezien van de ondernemers die enige vorm van ondersteuning hebben gevraagd van instanties, heeft ongeveer tweederde van de ondernemers geen informatie van instanties gevraagd. Wederom zijn hiervoor twee redenen gegeven. Een eerste reden die door met name eerste generatie migranten werd genoemd, is dat zij niet op de hoogte waren van het bestaan van dergelijke organisaties en/of instanties. Een tweede reden, die met name door tweede generatie migranten werd genoemd, is dat de ondernemers bewust hebben gekozen geen beroep te doen op ondersteuning of informatie van dergelijke instanties. Deze ondernemers geven duidelijk aan dat zij prima in staat zijn om zelf de relevante informatie te vergaren of hierover reeds te beschikken. Deze uitkomst lijkt er dan ook op te wijzen dat het voor de tweede generatie vaker dan voor de eerste generatie een bewuste keuze is om van ondersteunende instanties weg te blijven. Tot slot van deze paragraaf zal onderzocht worden in hoeverre de ondernemers lid zijn van ondernemers-, winkeliers- of ander zakelijke verenigingen of netwerken. In tabel 5 zijn de resultaten opgenomen. Tabel 5 Lidmaatschap zakelijke verenigingen naar generatie (in absolute aantallen) (N=81) Eerste Tweede Totaal generatie generatie Lidmaatschap ondernemersvereniging, waaronder: Ondernemersvereniging Ondernemersvereniging - gericht op eigen groep Onbekend Lid van andersoortige zakelijke verenigingen Totaal Op basis van de uitkomsten van bovenstaande tabel is op te maken dat de meeste ondernemers lid zijn van een ondernemersvereniging (N=52). Uit tabel 5 is eveneens af te lezen dat de meeste ondernemers lid zijn van een ondernemersvereniging, gericht op ondernemers met dezelfde etnische achtergrond. Deze ondernemers zijn lid van een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Chinese ondernemersverenging. Een van de sleutelfiguren, die eveneens in het bestuur zit van een Turkse ondernemersvereniging in Utrecht, benadrukt dat de ondernemers lid zijn van deze vereniging omdat ze willen communiceren in het Turks: 8

9 De Nederlandse taal is een probleem voor ze. Daarom worden ze ook niet lid van een Nederlandse vereniging. Wat hebben ze daar te zoeken, als ze het antwoord op hun vraag niet begrijpen of de discussies niet kunnen volgen? Een verschil tussen de eerste en de tweede generatie dat niet uit de tabel is op te maken, is dat de tweede generatie veelal is betrokken bij de oprichting en/of de bestuurlijke organisatie van dergelijke netwerken en verenigingen. Zij kennen de barrières van de eerste generatie om lid te worden van meer algemene ondernemersverenigingen en zakelijke netwerken en willen hierop inspelen. Personeel Tot slot van deze paragraaf wordt de wijze waarop de ondernemers hun personeel hebben geworven, onderzocht. Hiervoor is een onderscheid gemaakt tussen formele en informele wegen. Formele manieren om personeel te vinden, zijn via uitzendbureaus, advertenties, scholen en/of andere (overheids)instanties. Informele wegen zijn via het eigen informele netwerk van de ondernemer (zie ook Zorlu, 1998:145). In de onderstaande tabel zijn de ondernemers opgenomen die betaald personeel in dienst hebben. Dit betekent dat de ondernemers die uitsluitend onbetaalde hulp ontvangen hier niet in zijn opgenomen. Tabel 6 Werving betaald personeel naar generatie (N=139) Eerste Tweede Totaal generatie generatie Formele strategie 13 16% 14 24% 27 19% Informele strategie 52 65% 32 54% 84 60% Mix van formele en informele strategieën 15 19% 13 22% 28 21% Totaal % Zoals uit de tabel blijkt, wordt zowel onder de eerste als de tweede generatie personeel voornamelijk via het eigen netwerk verkregen. De voornaamste reden die hiervoor door ondernemers wordt gegeven, is vertrouwen. Zoals bijvoorbeeld Kin Ping en zijn vriendin Soesja. Ze zijn beide geboren en getogen in Nederland. De familie van Kin Ping heeft al sinds drie generaties een groothandel in Chinese levensmiddelen in Amsterdam. Na hun opleiding aan de universiteit, besluiten Kin Ping en Soesja dat ze zich willen gaan richten op het familiebedrijf om het bedrijf uiteindelijk over te nemen. Zoals uit het onderstaande citaat blijkt, hebben ze een duidelijke voorkeur voor het werken met familieleden en/of bekenden in de zaak: I: Waarom werk je met familieleden? R: Het is gewoon makkelijker om met familie te werken omdat je ze kunt vertrouwen. Bijvoorbeeld achter de kassa. We zijn nog niet compleet geautomatiseerd en we vinden dan ook dat achter een kassa altijd familie moet staan. Afgezien van de voordelen, heeft het in dienst nemen van familieleden en vrienden ook bepaalde nadelen (zie Waldinger, 1986:34-37, ; Flap, Kumcu & Bulder, 2000:154). Ondernemers geven bijvoorbeeld aan dat ze het lastig vinden om een familielid of vriend op een zakelijke manier te behandelen (ibid.). Daarnaast kan ook de aard van de werkzaamheden een reden zijn om niet met familieleden te kunnen werken. Dit blijkt uit het volgende citaat, afkomstig uit een interview met een Surinaamse ondernemer die een accountancy bureau heeft in Amsterdam: 9

10 I: Hoe komt u aan uw personeel? R: Zoals een echte Hollander, via advertenties. I: Waarom? R: Als je een accountancy kantoor hebt, dan kan je niet met familieleden of met uitzendkrachten werken. Je hebt goed gekwalificeerde mensen nodig, die een bepaalde opleiding hebben gevolgd. Hoewel dergelijke formele strategieën voor het vinden van personeel in belang zijn toegenomen onder de tweede generatie, neemt dit niet weg dat zowel onder de eerste als de tweede generatie informele strategieën dominant zijn. 4. Formele versus informele sociale netwerken? In de vorige paragraaf is onderzocht in hoeverre ondernemers formele dan wel informele strategieën hanteren om aan kapitaal, informatie en personeel te komen. In deze laatste empirische paragraaf worden de uitkomsten uit de vorige paragraaf samengebracht (zie tabel 8). Hiervoor is een indeling gemaakt op basis van ondernemers die zijn ingebed in informele, formele en gemengde netwerken. De categorie informeel netwerk bestaat uit ondernemers die de drie schaarse goederen hebben verkregen via informele netwerken. Dit in tegenstelling tot de ondernemers die deze goederen hebben verkregen via de inbedding in formele netwerken en zijn ingedeeld in de tweede categorie. De categorie gemengd netwerk bestaat tot slot uit ondernemers die schaarse goederen zowel via formele als via informele netwerken hebben verkregen. Tabel 7 (in)formele netwerken naar generatie* (N=209) Eerste generatie Tweede generatie Totaal N % N % N % Informeel netwerk Formeel netwerk Gemengd netwerk Totaal * In de tabel zijn uitsluitend ondernemers opgenomen van wie bekend is hoe zij tenminste twee van de drie schaarse goederen hebben verkregen. De resultaten laten zien dat de eerste generatie vaker dan de tweede generatie is ingebed in en gebruik maakt van informele netwerken. Zo maakt ruim 40 procent van de eerste generatie uitsluitend gebruik van informele netwerken om de schaarse goederen te verkrijgen. Onder de tweede generatie is dit minder dan 30 procent. De meeste ondernemers van zowel de eerste als de tweede generatie zijn echter ingebed in een gemengd netwerk. Deze uitkomst is in overeenstemming met het werk van bijvoorbeeld Misztal (2000:118) en Putnam (2000), namelijk dat formele en informele netwerken elkaar niet lijken uit te sluiten, maar elkaar aanvullen. De ondernemers die zijn ingebed in een gemengd netwerk hebben veelal relevante informatie verkregen via ondernemersverenigingen of ondersteunde instanties, maar personeel en financieel kapitaal via het eigen informele netwerk (N=42). Dit kan verklaard worden vanuit het gegeven dat juist bij de laatste twee schaarse goederen vertrouwen een belangrijke rol speelt (vergelijk Greve & Salaff, 2003; Flap, Kumcu & Bulder, 2000) 7. Tot slot, in tabel 8 zijn de ondernemers opgenomen die een bedrijf zijn gestart in de periode en van wie in 2005 bekend was in hoeverre het bedrijf nog bestond, dan wel is opgeheven. 10

11 De resultaten van de tabel laten zien dat onder de ondernemers die uitsluitend afhankelijk zijn van informele netwerken de meeste opheffingen zijn geweest 8. Deze uitkomst lijkt er dan ook op te wijzen dat, hoewel in eerste instantie informele netwerken ondernemers kunnen helpen met de bedrijfsvoering, ondernemers op lange termijn hier mogelijk nadelige gevolgen van ondervinden (cf. Gargiulo & Benassi, 2000). Zoals in paragraaf 1 al werd aangegeven, worden deze negatieve gevolgen ook wel de dark side of embeddedness genoemd (Borgatti & Foster 2003:993). Anderzijds betekent dit niet dat informele netwerken niet van belang zijn of dat deze geen rol meer van betekenis spelen. Integendeel, de uitkomsten van tabel 8 wijzen er op dat ondernemers die zijn ingebed in gemengde netwerken, het meest succesvol zijn. Dit zou verklaard kunnen worden doordat de netwerken van ondernemers die beschikken over een gemengd netwerk, minder vastliggen en dat zij afhankelijk van de behoeften gebruik kunnen maken van formele dan wel informele netwerken en contacten (cf. Granovetter 1985; Burt 1992). Verder onderzoek naar de relatie tussen de aard van de netwerken waarin de ondernemers zijn ingebed en het bedrijfssucces is echter noodzakelijk. Tabel 8 Inbedding in netwerken versus opheffingen Informeel Formeel Gemengd Totaal netwerk netwerk netwerk Bedrijf bestaat nog 23 (62%) 12 (75%) 37 (79%) 72 (72%) Bedrijf is opgeheven 14 (38%) 4 (25%) 10 (21%) 28 (28%) Totaal 37 (100%) 16 (100%) 47 (100%) 100 (100%) 5. Conclusie Op basis van de bestaande literatuur wordt de suggestie gewekt dat met name voor migrantenondernemers de informele sociale netwerken - bestaande uit familieleden, vrienden en informele instituties - van cruciaal belang zijn voor de start en het draaiende houden van het bedrijf. Dit wordt veelal gezien als compensatie voor het ontbreken van meer formele netwerken, bestaande uit zakelijke relaties met formele instituties zoals banken of (overheids)instanties. Het is echter de vraag of dit ook voor de tweede generatie geldt, of dat het belang van de inbedding in formele netwerken onder de tweede generatie is toegenomen. Deze vraag is in dit artikel onderzocht. De resultaten laten zien dat onder de tweede generatie, zowel wat betreft de financiering, als bedrijfsinformatie en personeel, het belang van formele netwerken is toegenomen, in vergelijking met de eerste generatie. Bijna driekwart van de tweede generatie is (gedeeltelijk) ingebed in formele netwerken, onder de eerste generatie is dit iets meer dan de helft. De uitkomsten laten evenwel zien, dat hoewel de inbedding in formele netwerken is toegenomen onder de tweede generatie, dit niet betekent dat het belang van informele netwerken is verdwenen. Slechts een beperkt aantal ondernemers is volledig ingebed in formele netwerken. De meeste ondernemers doen namelijk niet alleen een beroep op formele netwerken, maar ook op informele netwerken om de schaarse goederen te verkrijgen. Dit betekent dat formele netwerken de informele netwerken elkaar niet vervangen, maar dat zij elkaar overlappen en soms aanvullen. De ondernemers die zijn ingebed in dergelijke gemengde netwerken doen een beroep op verschillende netwerken, afhankelijk van de behoefte (cf. Flap et al., 2000:155). Zij zijn hierdoor minder gevangen in hun eigen netwerken, en kunnen daardoor profiteren van de voordelen van de inbedding in zowel formele als informele netwerken. En met succes, aangezien de uitkomsten van dit artikel er op wijzen dat ondernemers die zijn ingebed in gemengde netwerken, het meest succesvol zijn. 11

12 Noten * Katja Rusinovic is als postdoc onderzoeker werkzaam aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Momenteel houdt zij zich bezig met een onderzoek naar de allochtone middenklasse in Rotterdam. Correspondentie: 1 Het dissertatieonderzoek waarvan in dit artikel verslag wordt gedaan maakt deel uit van het onderzoeksproject Immigrant Self-Employment Mixed Embeddedness and the Multicultural City. Dit internationale onderzoeksproject is gericht op migrantenondernemers in Den Haag, Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, die actief zijn in de zakelijke- of persoonlijke dienstverlening, groothandel, en/of afhaal-catering (Kloosterman, Van der Leun & Rath, 1999). 2 De onderzoeksgroep wordt gevormd door tweede generatie migranten. De definitie die gehanteerd is voor de tweede generatie wijkt enigszins af van de definitie zoals die veelal in Nederlandse studies wordt gebruikt. Gebruikelijk is om de tweede generatie te definiëren als in Nederland geboren met één of beide ouders met een migrantenachtergrond, of degenen die voor hun zesde levensjaar naar Nederland zijn gekomen. Wanneer echter de internationale literatuur ten aanzien van de tweede generatie wordt bestudeerd, dan blijkt dat er weinig consensus bestaat over de definitie van de tweede generatie migranten. Voor mijn onderzoek heb ik er voor gekozen de tweede generatie te definiëren als personen die in Nederland zijn geboren, met minimaal één ouder die in het buitenland is geboren, of personen die voor hun twaalfde levensjaar naar Nederland zijn gekomen. Aan de keuze om deze bredere definitie te hanteren ligt een aantal overwegingen ten grondslag. De eerste overweging is dat deze definitie aansluit op een aantal belangrijke Amerikaanse studies ten aanzien van tweede generatie migranten (zie onder meer Portes & Rumbaut, 2001:23). Een tweede overweging is geweest dat de ondernemers zichzelf ook als de tweede generatie zien, aangezien zij hun ouders, die veelal als gastarbeider naar Nederland kwamen, als de eerste generatie beschouwen. Ondanks deze brede definiëring, bestaat de onderzoeksgroep voor het merendeel uit ondernemers die vallen binnen de strikte definitie van tweede generatie migranten, namelijk personen die in Nederland zijn geboren (52) of voor hun zesde levensjaar naar Nederland gekomen (26). 3 Het CBS rekent tot de westerse herkomstlanden alle landen in Europa (maar zonder Turkije), Noord-Amerika, Oceanië, Japan en Indonesië (met inbegrip van het voormalig Nederlands-Indië). De niet-westerse herkomstlanden zijn Turkije en alle landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (met uitzondering van Japan en Indonesië). 4 Hierbij gaat het om ondernemers die een subsidie hebben ontvangen voor de start van het bedrijf, zoals de BBZregeling. Deze subsidieregeling was bedoeld om mensen vanuit een uitkeringssituatie een subsidie te verstrekken, zodat zij een eigen bedrijf kunnen starten. 5 Wanneer de sector in de analyse wordt betrokken en constant wordt gehouden, dan blijkt dat de verschillen tussen generaties zich ook in de vier sectoren voordoen. 6 Verwacht kan worden dat bovenstaande uitkomsten, afhankelijk zijn van de sector waarin de ondernemers actief zijn. Wanneer de sectorkeuze in de analyse wordt betrokken dan blijkt dat de inbedding in formele netwerken het meest voorkomt onder ondernemers in de zakelijke dienstverlening en het minst onder ondernemers in de kappersbranche. Echter, binnen deze sectoren, blijven de verschillen tussen de eerste en de tweede generatie bestaan. 7 Wanneer de sector in de analyse wordt betrokken en constant gehouden, dan blijkt dat er duidelijke verschillen bestaan tussen de verschillende sectoren. Meer dan 50 procent van de ondernemers die actief is in de groothandel, zijn ingebed in informele netwerken, terwijl 65 procent van de ondernemers in de zakelijke dienstverlening is ingebed in gemengde netwerken. Echter, binnen elk van deze sectoren, is, in vergelijking met de eerste generatie, het belang van informele netwerken onder de tweede generatie afgenomen. 8 Ook wanneer de sector in de analyse wordt betrokken, blijft dit verschil bestaan. Literatuur Borgatti, S. & P. Foster (2003). The Network Paradigm in Organizational Research: A Review and Typology. Journal of Management, 29 (6): Burt, R. (1992). Structural Holes. Cambridge, MA: Harvard University Press. Dagevos, J., M. Gijsberts & C. Van Praag (2003). Rapportage minderheden 2003: onderwijs, arbeid en sociaal-culturele integratie. Den Haag: SCP. Dagevos, J. & M. Gesthuizen (2005). Niet westerse allochtonen met een stabiele arbeidsmarktpositie: aantallen en ontwikkelen. Den Haag: SCP. 12

13 EIM (2004). Monitor Etnisch Ondernemerschap Zoetermeer: Ministerie van Economische Zaken. Flap, H., A. Kumcu & B. Bulder (2000). The social capital of ethnic entrepreneurs and their business success. In J. Rath (Red.) Immigrant businesses: the economic, political and social environment. New York: St. Martin s Press Inc.: Gargiulo, M. & M. Benassi (2000). Trapped in Your Own Net? Network Cohesion, Structural Holes, and the Adaptation of Social Capital. Organization Science, 11 (2): Gold, S. (1995). Gender and social capital among Israeli immigrants in Los Angeles. Diaspora 4: Granovetter, M. (1985). Economic action and social structures: the problem of embeddedness. American Journal of Sociology, 91 (3): Granovetter, M. (1995). The economic sociology of firms and entrepreneurs. In A. Portes (Red.) The economic sociology of immigration; essays on networks, ethnicity and entrepreneurship. New York: Russell Sage Foundation, Greve, A. & J. Salaff (2003). Social networks and entrepreneurship. In: Entrepreneurship, Theory and Practice, 28 (1): Hagan, J., R. MacMillan & B. Wheaton (1996). New Kid in town: social capital and the life course effects of family migration in children. American Sociological Review, 61 (3): Kloosterman, R., J. van der Leun & J. Rath (1998). Across the border: Economic opportunities, social capital and informal business activities of immigrants. Journal of Ethnic and Migration Studies, 24 (2): Kloosterman, R., J. van der Leun & J. Rath (1999). Mixed embeddedness: (In)formal Economic and Immigrant Business in the Netherlands. International Journal of Urban and Regional Research, 23 (2): Komter, A., J. Burgers, & G. Engbersen (2000). Het cement van de samenleving: een verkennende studie naar solidariteit en cohesie. Amsterdam: Amsterdam University Press. Light, I., P. Bhachu & S. Karageorgis (1993) Migration Networks and Immigrant Entrepreneurship. In I. Light & P. Bhachu (Red.) Immigration and Entrepreneurship: culture, capital and ethnic networks. New Jersey: Transaction Publishers: Misztal, B. (2000). Informality: social theory and contemporary practice. London and New York: Routledge. Portes, A. & J. Sensenbrenner (1993). Embeddedness and Immigration: Notes on the Social Determinants of Economic Action. American Journal of Sociology, 98 (6): Portes, A. (1995). Economic Sociology and the Sociology of Immigrations: A Conceptual Overview. In A. Portes (Red.) The economic sociology of immigration. New York: Russell Sage Foundation: Portes, A. (1998). Social capital: its origins and applications in modern sociology. Annual Review of Sociology, 24 (1): Portes, A. & R. Rumbaut (2001). Legacies: the story of the immigrant second-generation. New York: Russell Sage Foundation. Putnam, R. (2000). Bowling Alone: the collapse and revival of American community. New York: Touchstone Rusinovic, K. (2006). Dynamic Entrepreneurship: First and second-generation immigrant entrepreneurs in Dutch cities. Amsterdam: Amsterdam University Press. Tillaart, H. van den (2001). Monitor Etnisch Ondernemerschap Zelfstandig ondernemerschap van etnische minderheden in Nederland in de periode Nijmegen: Instituut voor Sociale Wetenschappen. Tillaart, H. van den & E. Poutsma (1998). Een factor van betekenis: zelfstandig ondernemerschap van allochtonen in Nederland. Nijmegen: Instituut voor Sociale Wetenschappen. 13

14 Uzzi, B. (1999). Embeddedness in the making of financial capital: how social relations and networks benefit firms seeking financing. American Sociological Review, 64 (4): Velden, W. van der (2006). Visie op provinciale dynamiek Rabobank. Vereniging voor Statistiek en Onderzoek (VS0) July Waldinger, R. (1986). Through the eye of the needle: immigrants and enterprise in New York s garment trades. New York: New York University Press. Wolff, R. & J. Rath (2000). Centen tellen: een inventariserende en verkennende studie naar de financiering van immigrantenondernemingen. Amsterdam: Het Spinhuis. Zorlu, A. (1998). Goedkope arbeid als wondermiddel? In J. Rath en R. Kloosterman (Red.) Rijp en Groen. Amsterdam: Het Spinhuis:

WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER?

WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER? WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER? Amsterdam, november 2011 Auteur: Dr. Christine L. Carabain NCDO Telefoon (020) 5688 8764 Fax (020) 568 8787 E-mail: c.carabain@ncdo.nl 1 2 INHOUDSOPGAVE Samenvatting

Nadere informatie

Thuis voelen in Nederland: stedelijke verschillen bij allochtonen

Thuis voelen in Nederland: stedelijke verschillen bij allochtonen Thuis voelen in Nederland: stedelijke verschillen bij allochtonen Jeroen Nieuweboer Allochtonen in, en voelen zich minder thuis in Nederland dan allochtonen elders in Nederland. Marokkanen, Antillianen

Nadere informatie

Gebruik van kinderopvang

Gebruik van kinderopvang Gebruik van kinderopvang Saskia te Riele In zes van de tien gezinnen met kinderen onder de twaalf jaar hebben de ouders hun werk en de zorg voor hun kinderen zodanig georganiseerd dat er geen gebruik hoeft

Nadere informatie

M200616. De winstpotentie van personeelsbeleid in het MKB

M200616. De winstpotentie van personeelsbeleid in het MKB M200616 De winstpotentie van personeelsbeleid in het MKB dr. J.M.P. de Kok drs. J.M.J. Telussa Zoetermeer, december 2006 Prestatieverhogend HRM-systeem MKB-bedrijven met een zogeheten 'prestatieverhogend

Nadere informatie

N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen.

N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen. ADHD Wachtkamerspecial Onderbehandeling van ADHD bij allochtonen: kinderen en volwassenen N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen. Inleiding

Nadere informatie

Isolement van allochtone ondernemers buiten de Randstad: keuze of dwang?

Isolement van allochtone ondernemers buiten de Randstad: keuze of dwang? Isolement van allochtone ondernemers buiten de Randstad: keuze of dwang? Levien Rademaker en Enno Masurel* Samenvatting Het aantal allochtone ondernemingen in Nederland groeit nog steeds, maar hun uitval

Nadere informatie

Allochtonen in Nijmegen Gezondheid en zorggebruik

Allochtonen in Nijmegen Gezondheid en zorggebruik Allochtonen in Nijmegen Gezondheid en zorggebruik ITS, Radboud Universiteit Nijmegen Roelof Schellingerhout 024 3653500 r.schellingerhout@its.ru.nl 5 februari 2013 Allochtonen in Nijmegen Gezondheid en

Nadere informatie

Resultaten WO-monitor 2013

Resultaten WO-monitor 2013 Resultaten WO-monitor 2013 Samenvatting: De WO-Monitor is een vragenlijst die wordt afgenomen onder recent afgestudeerden (1-1,5 jaar na afstuderen) van de universiteiten in Nederland. De WO-monitor wordt

Nadere informatie

4. Kans op echtscheiding

4. Kans op echtscheiding 4. Kans op echtscheiding Niet-westerse allochtonen hebben een grotere kans op echtscheiding dan autochtonen. Tussen de verschillende groepen niet-westerse allochtonen bestaan in dit opzicht echter grote

Nadere informatie

Grote dynamiek in kleinschalig ondernemerschap

Grote dynamiek in kleinschalig ondernemerschap Grote dynamiek in kleinschalig ondernemerschap J. Mevissen, L. Heuts en H. van Leenen SAMENVATTING Achtergrond van het onderzoek Het verschijnsel zelfstandige zonder personeel (zzp er) spreekt tot de verbeelding.

Nadere informatie

Familie Werkloosheid is de belangrijkste bron 2004-2011 voor hulp en steun

Familie Werkloosheid is de belangrijkste bron 2004-2011 voor hulp en steun Sociaaleconomische Economische trends Trends 2013 Familie Werkloosheid is de belangrijkste bron 2004-2011 voor hulp en steun Stromen en duren Werkloosheidsduren op basis van de Enquête beroepsbevolking

Nadere informatie

Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen

Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen nen geven veel vaker leiding dan vrouwen Astrid Visschers en Saskia te Riele In 27 gaf 14 procent van de werkzame beroepsbevolking leiding aan of meer personen. Dit aandeel is de afgelopen jaren vrijwel

Nadere informatie

10. Veel ouderen in de bijstand

10. Veel ouderen in de bijstand 10. Veel ouderen in de bijstand Niet-westerse allochtonen ontvangen 2,5 keer zo vaak een uitkering als autochtonen. Ze hebben het vaakst een bijstandsuitkering. Verder was eind 2002 bijna de helft van

Nadere informatie

Bevolkingstrends 2014. Allochtonen en geluk. Karolijne van der Houwen Linda Moonen Oktober 2014 CBS Bevolkingstrends oktober 2014 1

Bevolkingstrends 2014. Allochtonen en geluk. Karolijne van der Houwen Linda Moonen Oktober 2014 CBS Bevolkingstrends oktober 2014 1 Bevolkingstrends 2014 Allochtonen en geluk Karolijne van der Houwen Linda Moonen Oktober 2014 CBS Bevolkingstrends oktober 2014 1 1. Inleiding Economische welvaart draagt bij aan welzijn, maar ook niet-economische

Nadere informatie

Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun partners

Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun partners Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun s Karin Hagoort en Maaike Hersevoort In 24 verdienden samenwonende of gehuwde vrouwen van 25 tot 55 jaar ongeveer de helft van wat hun s verdienden. Naarmate het

Nadere informatie

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010 FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage

Nadere informatie

Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt

Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt s op de arbeidsmarkt Moniek Coumans De arbeidsdeelname van alleenstaande moeders is lager dan die van moeders met een partner. Dit verschil hangt voor een belangrijk deel samen met een oververtegenwoordiging

Nadere informatie

M200802. Vrouwen aan de start. Een vergelijking tussen vrouwelijke en mannelijke starters en hun bedrijven. drs. A. Bruins drs. D.

M200802. Vrouwen aan de start. Een vergelijking tussen vrouwelijke en mannelijke starters en hun bedrijven. drs. A. Bruins drs. D. M200802 Vrouwen aan de start Een vergelijking tussen vrouwelijke en mannelijke starters en hun bedrijven drs. A. Bruins drs. D. Snel Zoetermeer, juni 2008 2 Vrouwen aan de start Vrouwen vinden het starten

Nadere informatie

EIM onderdeel van Panteia

EIM onderdeel van Panteia EIM onderdeel van Panteia Monitor nieuw ondernemerschap 2006 Onderzoek voor Bedrijf & Beleid Monitor nieuw ondernemerschap 2006 Zoetermeer, 30 januari 2007 Dit onderzoek is gefinancierd door het Ministerie

Nadere informatie

Diversiteit in Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en Eerste Kamer in 2011

Diversiteit in Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en Eerste Kamer in 2011 Onderzoek Diversiteit in Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en Eerste Kamer in 2011 Het Huis voor democratie en rechtsstaat heeft na de verkiezingen van 2 maart 2011 de diversiteit in de nieuwe Provinciale

Nadere informatie

Diversiteit in de Provinciale Staten

Diversiteit in de Provinciale Staten Onderzoek Diversiteit in de Provinciale Staten Het Huis voor democratie en rechtsstaat heeft na de verkiezingen van 2 maart 2011 de diversiteit in de nieuwe Provinciale Staten (PS) onderzocht. Het gaat

Nadere informatie

Rapport. van Kamer van Koophandel Nederland. Startersprofiel 2012. Datum uitgave. Januari 2013. onderwerp Startende ondernemers in beeld

Rapport. van Kamer van Koophandel Nederland. Startersprofiel 2012. Datum uitgave. Januari 2013. onderwerp Startende ondernemers in beeld Rapport Startersprofiel 2012 van Datum uitgave Januari 2013 onderwerp Startende ondernemers in beeld Pagina 1 van 12 Inhoudsopgave 1 Samenvatting... 3 2 Kerncijfers startende ondernemers... 4 2.1 Meer

Nadere informatie

FORUM Factsheet Jeugdwerkloosheid,

FORUM Factsheet Jeugdwerkloosheid, FORUM Factsheet Jeugdwerkloosheid, @ FORUM, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling, september 29 Samenvatting De werkloosheid onder de 1 tot 2 jarige Nederlanders is in het 2 e kwartaal van 29 met

Nadere informatie

9. Werknemers en bedrijfstakken

9. Werknemers en bedrijfstakken 9. Werknemers en bedrijfstakken Niet-westerse allochtonen hebben minder vaak een baan als werknemer vergeleken met autochtonen. De positie van de tweede generatie is gunstiger dan die van de eerste generatie.

Nadere informatie

Factsheet Demografische ontwikkelingen

Factsheet Demografische ontwikkelingen Factsheet Demografische ontwikkelingen 1. Inleiding In deze factsheet van ACB Kenniscentrum aandacht voor de demografische ontwikkelingen in Nederland en in het bijzonder in de provincie Noord-Holland.

Nadere informatie

Mantelzorgers maken weinig gebruik van verlofregelingen

Mantelzorgers maken weinig gebruik van verlofregelingen Mantelzorgers maken weinig gebruik van verlofregelingen Martijn Souren Ongeveer 7 procent van de werknemers met een verleent zelf mantelzorg. Ze maken daar slechts in beperkte mate gebruik van aanvullende

Nadere informatie

FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009

FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009 FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 29 Groei van werkloosheid onder zet door! In het 2 e kwartaal van 29 groeide de werkloosheid onder (niet-westers)

Nadere informatie

Factsheet Maatschappelijke positie van Voormalig Antilliaanse / Arubaanse Migranten in Nederland

Factsheet Maatschappelijke positie van Voormalig Antilliaanse / Arubaanse Migranten in Nederland Factsheet Maatschappelijke positie van Voormalig Antilliaanse / Arubaanse Migranten in Nederland Onderwijs Het aandeel in de bevolking van 15 tot 64 jaar dat het onderwijs reeds heeft verlaten en hun onderwijscarrière

Nadere informatie

In: Migrantenstudies (2007), 23(2), pp 76-98

In: Migrantenstudies (2007), 23(2), pp 76-98 Etnisch ondernemerschap in Nederland: ontwikkelingen en perspectieven Harry van den Tillaart* Inleiding Het is bijna 25 jaar geleden dat in Intermediair het artikel Op eigen kracht omhoog: etnisch ondernemerschap

Nadere informatie

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald 7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van

Nadere informatie

Uit huis gaan van jongeren

Uit huis gaan van jongeren Arie de Graaf en Suzanne Loozen Jaarlijks verlaten bijna een kwart miljoen jongeren het ouderlijk huis. Een klein deel van hen is al vóór de achttiende verjaardag uit huis gegaan. De meeste jongeren gaan

Nadere informatie

MKB-ondernemer ziet zichzelf vooral als manager

MKB-ondernemer ziet zichzelf vooral als manager M201120 MKB-ondernemer ziet zichzelf vooral als manager drs. B van der Linden Zoetermeer, december 2011 MKB-ondernemer ziet zichzelf vooral als manager Ondernemers zijn te verdelen in managers, marktzoekers,

Nadere informatie

Afhankelijk van een uitkering in Nederland

Afhankelijk van een uitkering in Nederland Afhankelijk van een uitkering in Nederland Harry Bierings en Wim Bos In waren 1,6 miljoen huishoudens voor hun inkomen afhankelijk van een uitkering. Dit is ruim een vijfde van alle huishoudens in Nederland.

Nadere informatie

Van baan naar eigen baas

Van baan naar eigen baas M200912 Van baan naar eigen baas drs. A. Bruins Zoetermeer, juli 2009 Van baan naar eigen baas Ruim driekwart van de ondernemers die in de eerste helft van 2008 een bedrijf zijn gestart, werkte voordat

Nadere informatie

5. Onderwijs en schoolkleur

5. Onderwijs en schoolkleur 5. Onderwijs en schoolkleur Niet-westerse allochtonen verlaten het Nederlandse onderwijssysteem gemiddeld met een lager onderwijsniveau dan autochtone leerlingen. Al in het basisonderwijs lopen allochtone

Nadere informatie

8. Werken en werkloos zijn

8. Werken en werkloos zijn 8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,

Nadere informatie

CBS-berichten: Arbeidsmigratie naar en uit Nederland

CBS-berichten: Arbeidsmigratie naar en uit Nederland André Corpeleijn* Inleiding Arbeidsmigratie is de laatste tien jaar weer in de belangstelling gekomen. De uitbreiding van de Europese Unie en de komst van Oost-Europese werknemers naar Nederland hebben

Nadere informatie

Voortijdig schoolverlaten 0c het voortgezet et onderwijs in

Voortijdig schoolverlaten 0c het voortgezet et onderwijs in e088 Voortijdig schoolverlaten 0c olverlaten vanuit het voortgezet et onderwijs in Nederland en 21 gemeenten naar herkomstgroepering en geslacht Antilianen- Toelichting bij geleverde everde maatwerktabellen

Nadere informatie

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014 Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos

Nadere informatie

Scholen in de Randstad sterk gekleurd

Scholen in de Randstad sterk gekleurd Scholen in de Randstad sterk gekleurd Marijke Hartgers Autochtone en niet-westers allochtone leerlingen zijn niet gelijk over de Nederlandse schoolvestigingen verdeeld. Dat komt vooral doordat niet-westerse

Nadere informatie

Cultuurparticipatie in Dordrecht.

Cultuurparticipatie in Dordrecht. Cultuurparticipatie in Dordrecht. Bas Hoeing CMV 2 09018387 Inhoudsopgave: Aanleiding Blz. 3 Het probleem Blz. 3 De opdrachtgever Blz. 3 Vraagstelling Blz. 4 Deelvragen Blz. 4 Aanpak Blz. 4 Definities

Nadere informatie

Life event: Een nieuwe baan

Life event: Een nieuwe baan Life event: Een nieuwe baan Inhoudsopgave 1 Belangrijke bevindingen 2 Achtergrond en verantwoording 3 Onderzoeksresultaten Arbeidsvoorwaarden en pensioenregeling Pensioeninformatie Pensioenkennis Waardeoverdracht

Nadere informatie

EZ Microkrediet Onderzoek (aanbodzijde - Financiële instellingen)

EZ Microkrediet Onderzoek (aanbodzijde - Financiële instellingen) BIJLAGE A1: VRAGENLIJST BANKEN EZ Microkrediet Onderzoek (aanbodzijde - Financiële instellingen) 1 Hoeveel aanvragen voor bedrijfskrediet (dus niet consumentenkrediet of persoonlijke leningen) tot 25.000

Nadere informatie

Fact sheet. Dienst Wonen, Zorg en Samenleven. Eigen woningbezit 1e en 2e generatie allochtonen. Aandeel stijgt, maar afstand blijft

Fact sheet. Dienst Wonen, Zorg en Samenleven. Eigen woningbezit 1e en 2e generatie allochtonen. Aandeel stijgt, maar afstand blijft Dienst Wonen, Zorg en Samenleven Fact sheet nummer 1 januari 211 Eigen woningbezit 1e en Aandeel stijgt, maar afstand blijft Het eigen woningbezit in Amsterdam is de laatste jaren sterk toegenomen. De

Nadere informatie

Wat betekent het CBF-Keur voor het Nederlands publiek?

Wat betekent het CBF-Keur voor het Nederlands publiek? Wat betekent het CBF-Keur voor het Nederlands publiek? Rapportage van: Irene Mol Stichting Pequeno pequeno@planet.nl en René Bekkers Werkgroep Filantropische Studies Vrije Universiteit Amsterdam R.Bekkers@fsw.vu.nl

Nadere informatie

Wat betekent het CBF-Keur voor het Nederlands publiek?

Wat betekent het CBF-Keur voor het Nederlands publiek? Wat betekent het CBF-Keur voor het Nederlands publiek? Rapportage van: Irene Mol Stichting Pequeno pequeno@planet.nl en René Bekkers Werkgroep Filantropische Studies Vrije Universiteit Amsterdam R.Bekkers@fsw.vu.nl

Nadere informatie

Meer of minder uren werken

Meer of minder uren werken Meer of minder uren werken Jannes de Vries Een op de zes mensen die minstens twaalf uur per week werken (de werkzame beroeps bevolking) wil meer of juist minder uur werken. Van hen heeft minder dan de

Nadere informatie

Frequentie en kwaliteit van sociale contacten

Frequentie en kwaliteit van sociale contacten Bevolkingstrends 2013 Frequentie en kwaliteit van sociale contacten Rianne Kloosterman Karolijne van der Houwen februari 2014 CBS Bevolkingstrends februari 2014 1 Een groot deel van de Nederlandse bevolking

Nadere informatie

Fact sheet Overige niet-westerse allochtonen in Amsterdam Groei overige niet-westerse allochtonen, 1992-2005 (procenten)

Fact sheet Overige niet-westerse allochtonen in Amsterdam Groei overige niet-westerse allochtonen, 1992-2005 (procenten) Fact sheet nummer 2 februari 2006 Overige niet-westerse allochtonen in Amsterdam Tussen 1992 en 2005 is de groep overige niet-westerse allochtonen in Amsterdam met maar liefst 86% toegenomen. Tot deze

Nadere informatie

Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann

Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann Overwerken in Nederland Ingrid Beckers en Clemens Siermann In 4 werkte 37 procent de werknemers in Nederland regelmatig over. Bijna een derde het overwerk is onbetaald. Overwerk komt het meeste voor onder

Nadere informatie

Arbeidsparticipatie van vrouwen rond de echtscheiding

Arbeidsparticipatie van vrouwen rond de echtscheiding Anne Marthe Bouman Ooit gescheiden moeders werken even vaak als gehuwd gebleven moeders, ongeacht of ze na de geboorte van hun jongste kind werkten of niet. De cijfers laten zien dat gescheiden moeders

Nadere informatie

Hoofdstuk 13. Arbeidsmarkt

Hoofdstuk 13. Arbeidsmarkt Hoofdstuk 13. Arbeidsmarkt Samenvatting De potentiële beroepsbevolking wordt gedefinieerd als alle inwoners van 15-64 jaar en bestaat uit ruim 86.000 Leidenaren. Van hen verricht ruim zeven op de tien

Nadere informatie

Bijlage bij hoofdstuk 4 Opleiding en taal

Bijlage bij hoofdstuk 4 Opleiding en taal Jaarrapport integratie 7 Jaco Dagevos en Mérove Gijsberts Sociaal en Cultureel Planbureau, november 7 Bijlage bij hoofdstuk 4 Opleiding en taal Monique Turkenburg en Mérove Gijsberts B4.1 Een vergelijking

Nadere informatie

Update Financieringsmonitor MKB September 2009

Update Financieringsmonitor MKB September 2009 Update Financieringsmonitor MKB September Lia Smit Joris Meijaard Johan Snoei Pim van der Valk Zoetermeer, 10 september Financieringssituatie MKB blijft zorgelijk De vierde meting van de MKB-Financieringsmonitor

Nadere informatie

Samenvatting. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd:

Samenvatting. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd: Samenvatting In Westerse landen vormen niet-westerse migranten een steeds groter deel van de bevolking. In Nederland vertegenwoordigen Surinaamse, Turkse en Marokkaanse migranten samen 6% van de bevolking.

Nadere informatie

M200916. Parttime van start. drs. A. Bruins

M200916. Parttime van start. drs. A. Bruins M200916 Parttime van start drs. A. Bruins Zoetermeer, 24 september 2009 Parttime van start Van de startende ondernemers werkt een kleine meerderheid na de start fulltime in het bedrijf. Een op de vier

Nadere informatie

Wonen zonder partner. Arie de Graaf en Suzanne Loozen

Wonen zonder partner. Arie de Graaf en Suzanne Loozen Arie de Graaf en Suzanne Loozen In 25 telde Nederland 4,2 miljoen personen van 18 jaar of ouder die zonder partner woonden. Eén op de drie volwassenen woont dus niet samen met een partner. Tussen 1995

Nadere informatie

Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne. Onderzoek onder allochtone Nederlanders

Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne. Onderzoek onder allochtone Nederlanders Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne Onderzoek onder allochtone Nederlanders Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne Onderzoek onder allochtonen 1) Integratiecampagne

Nadere informatie

Rapport. van. Kamer v an Koophandel Nederland. Startersprofiel 2013. Datum uitgave Januari 2014. onderwerp Startende ondernemers in beeld

Rapport. van. Kamer v an Koophandel Nederland. Startersprofiel 2013. Datum uitgave Januari 2014. onderwerp Startende ondernemers in beeld Rapport Startersprofiel 2013 van Kamer van Koophandel Nederland Datum uitgave Januari 2014 onderwerp Startende ondernemers in beeld Pagina 1 v an 13 Inhoudsopgave 1 Samenvatting...3 2 Kerncijfers startende

Nadere informatie

Leo Witvliet. Instituut voor Interventie Management. Marktverkenning Interim Management. dr. mr. Leo Witvliet. juni 2008.

Leo Witvliet. Instituut voor Interventie Management. Marktverkenning Interim Management. dr. mr. Leo Witvliet. juni 2008. Leo Witvliet Instituut voor Interventie Management Marktverkenning Interim Management juni 2008 dr. mr. Leo Witvliet Deskresearch: Michaëla Wevers Sandra van Meijel Marktdefinitie Definities Van Dale:

Nadere informatie

Eerst De Hulp Bij Ondernemen. Een onderzoek naar het gebruik van hulpinstanties door autochtone en allochtone ondernemers in Rotterdam

Eerst De Hulp Bij Ondernemen. Een onderzoek naar het gebruik van hulpinstanties door autochtone en allochtone ondernemers in Rotterdam Eerst De Hulp Bij Ondernemen Een onderzoek naar het gebruik van hulpinstanties door autochtone en allochtone ondernemers in Rotterdam Barbara Arts van der Zanden Afstudeerscriptie Sociologie Universiteit

Nadere informatie

Vakantiewerkonderzoek 2014 FNV Jong

Vakantiewerkonderzoek 2014 FNV Jong Vakantiewerkonderzoek 2014 FNV Jong Leon Pouwels 11 juni 2014 Achtergrond Achtergrond 2 Achtergrond - onderzoeksopzet Doelstelling Steekproef Methode De doelstelling van dit onderzoek is het verkrijgen

Nadere informatie

Samenvatting. Wat is de kern van de Integratiekaart?

Samenvatting. Wat is de kern van de Integratiekaart? Samenvatting Wat is de kern van de Integratiekaart? In 2004 is een begin gemaakt met de ontwikkeling van een Integratiekaart. De Integratiekaart is een project van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie

Nadere informatie

Informele interetnische contacten in Nederland

Informele interetnische contacten in Nederland Informele interetnische contacten in Nederland Een overzicht van bestaande studies en suggesties voor vervolgonderzoek Borja Martinovic* Er is steeds meer aandacht in de wetenschap voor het fenomeen van

Nadere informatie

B.U.N. Boeddhistische Unie Nederland Vereniging van boeddhistische groeperingen in Nederland

B.U.N. Boeddhistische Unie Nederland Vereniging van boeddhistische groeperingen in Nederland Amsterdam, 24-11-2014 Boeddhisten in Nederland een inventarisatie Er zijn twee vragen die boeddhisten in Nederland al jaren bezig houden: 1. Wat is een boeddhist 2. Hoeveel boeddhisten zijn er in Nederland

Nadere informatie

HOOFDSTUK 2 ORIENTATIE OP HET LAND VAN HERKOMST EN NEDERLAND

HOOFDSTUK 2 ORIENTATIE OP HET LAND VAN HERKOMST EN NEDERLAND HOOFDSTUK 2 ORIENTATIE OP HET LAND VAN HERKOMST EN NEDERLAND In dit hoofdstuk zullen we een beschrijving geven van verschillende cultuurspecifieke kenmerken naar sekse, leeftijd, opleiding, SES, religie

Nadere informatie

Hoofdstuk 12. Arbeidsmarkt

Hoofdstuk 12. Arbeidsmarkt Hoofdstuk 12. Arbeidsmarkt Samenvatting De potentiële beroepsbevolking wordt gedefinieerd als alle inwoners van 15-64 jaar en bestaat uit ruim 86.000 Leidenaren. Van hen verricht 7-74% betaald werk voor

Nadere informatie

Peiling Flexibel werken in de techniek 2015

Peiling Flexibel werken in de techniek 2015 Peiling Flexibel werken in de techniek 2015 Peiling Flexibel werken in de techniek 2015 Inleiding Voor goede bedrijfsresultaten is het voor bedrijven van belang om te kunnen beschikken over voldoende goede,

Nadere informatie

Zie De Graaf e.a. 2005 voor een uitgebreide onderzoeksverantwoording van het onderzoek Seks onder je 25ste.

Zie De Graaf e.a. 2005 voor een uitgebreide onderzoeksverantwoording van het onderzoek Seks onder je 25ste. 6 Het is vies als twee jongens met elkaar vrijen Seksuele gezondheid van jonge allochtonen David Engelhard, Hanneke de Graaf, Jos Poelman, Bram Tuk Onderzoeksverantwoording De gemeten aspecten van de seksuele

Nadere informatie

Administratieve correcties in de bevolkingsstatistieken

Administratieve correcties in de bevolkingsstatistieken Maarten Alders en Han Nicolaas Het saldo van administratieve afvoeringen en opnemingen is doorgaans negatief. Dit saldo wordt vaak geïnterpreteerd als vertrek naar het buitenland. Het aandeel in het totale

Nadere informatie

M200614. Exporterende starters: starters met meer ambities en betere prestaties

M200614. Exporterende starters: starters met meer ambities en betere prestaties M200614 Exporterende starters: starters met meer ambities en betere prestaties Jolanda Hessels Dick Snel Zoetermeer, november 2006 Exporterende starters: starters met meer ambities en betere prestaties

Nadere informatie

Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam. nummer 5 maart 2013

Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam. nummer 5 maart 2013 Fact sheet nummer 5 maart 2013 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam Er zijn ruim 133.000 jongeren van 15 tot en met 26 jaar in Amsterdam (januari 2012). Met de meeste jongeren gaat het goed in het onderwijs

Nadere informatie

Allochtonenprognose 2002 2050: bijna twee miljoen niet-westerse allochtonen in 2010

Allochtonenprognose 2002 2050: bijna twee miljoen niet-westerse allochtonen in 2010 Allochtonenprognose 22 25: bijna twee miljoen niet-westerse allochtonen in 21 Maarten Alders Volgens de nieuwe allochtonenprognose van het CBS neemt het aantal niet-westerse allochtonen toe van 1,6 miljoen

Nadere informatie

Klanttevredenheidsonderzoek Wmo - de kanteling. Gemeente Groesbeek Juni 2014

Klanttevredenheidsonderzoek Wmo - de kanteling. Gemeente Groesbeek Juni 2014 Klanttevredenheidsonderzoek Wmo - de kanteling Gemeente Groesbeek Juni 2014 Colofon Uitgave : I&O Research BV Zuiderval 70 7500 AN Enschede Tel. (053) 4825000 www.ioresearch.nl Rapportnummer : 2014/050

Nadere informatie

De integratie van Antillianen in Nederland. Presentatie 9 juni: De Caribische demografie van het Koninkrijk der Nederlanden

De integratie van Antillianen in Nederland. Presentatie 9 juni: De Caribische demografie van het Koninkrijk der Nederlanden De integratie van Antillianen in Nederland Presentatie 9 juni: De Caribische demografie van het Koninkrijk der Nederlanden De integratie van Antillianen in Nederland Willem Huijnk - Wetenschappelijk onderzoeker

Nadere informatie

Constructie van de variabele Etnische afkomst

Constructie van de variabele Etnische afkomst Constructie van de variabele Etnische afkomst Ter inleiding geven we eerst een aantal door verschillende organisaties gehanteerde definities van een allochtoon. Daarna leggen we voor het SiBO-onderzoek

Nadere informatie

Allemaal Opvoeders Voorlopige resultaten van de meting onder ouders uit de pilotgemeenten

Allemaal Opvoeders Voorlopige resultaten van de meting onder ouders uit de pilotgemeenten Allemaal Opvoeders Voorlopige resultaten van de meting onder ouders uit de pilotgemeenten Universiteit Utrecht December 2010 Hoe te verwijzen naar deze publicatie?: Kesselring, M.C., Schouten, M.A., Horjus,

Nadere informatie

Eindexamen maatschappijleer 2 vmbo gl/tl 2006 - I

Eindexamen maatschappijleer 2 vmbo gl/tl 2006 - I Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op. DE MULTICULTURELE SAMENLEVING 1p 1 Het aantal asielaanvragen is sinds 2000 gedaald. Waardoor is het aantal asielzoekers in Nederland

Nadere informatie

Betrokkenheid van onderzoekscholen bij het ontwikkelen van onderzoeksgerichte masteropleidingen

Betrokkenheid van onderzoekscholen bij het ontwikkelen van onderzoeksgerichte masteropleidingen Een groot aantal ingevulde vragenlijsten is per 15 augustus 2003 (de deadline) geretourneerd. Een rappel leverde nog eens een aantal ingevulde vragenlijsten op. Uiteindelijk hebben 29 decanen en 22 directeuren

Nadere informatie

Startende ondernemers in Moerdijk 2005

Startende ondernemers in Moerdijk 2005 Startende ondernemers in Moerdijk 2005 I. Ontwikkeling startende ondernemers Aantal startende ondernemers licht gedaald In 2005 zijn in Moerdijk 136 personen een onderneming gestart 1. Dit zijn er 6 minder

Nadere informatie

Landelijke Jeugdmonitor 1/1010. Jongeren in het hoger onderwijs en hoogopgeleiden op de arbeidsmarkt

Landelijke Jeugdmonitor 1/1010. Jongeren in het hoger onderwijs en hoogopgeleiden op de arbeidsmarkt Landelijke Jeugdmonitor 1/1010 Jongeren in het hoger onderwijs en hoogopgeleiden op de arbeidsmarkt Landelijke Jeugdmonitor Rapportage 1e kwartaal 2010 Centraal Bureau voor de Statistiek Den Haag/Heerlen,

Nadere informatie

Analyse van de instroom van allochtone studenten op de pabo 1

Analyse van de instroom van allochtone studenten op de pabo 1 Analyse van de instroom van allochtone studenten op de pabo 1 Inleiding Hoeveel en welke studenten (autochtoon/allochtoon) schrijven zich in voor de pabo (lerarenopleiding basisonderwijs) en blijven na

Nadere informatie

Vrijwilligersonderzoek 2011. Een onderzoek naar vrijwilligersorganisaties in de gemeente Groningen Meting 2 Samenvatting

Vrijwilligersonderzoek 2011. Een onderzoek naar vrijwilligersorganisaties in de gemeente Groningen Meting 2 Samenvatting Vrijwilligersonderzoek 2011 Een onderzoek naar vrijwilligersorganisaties in de gemeente Groningen Meting 2 Samenvatting Vrijwilligersonderzoek 2011 Een onderzoek naar vrijwilligersorganisaties in de gemeente

Nadere informatie

Opkomst en stemgedrag van Amsterdammers met een migratie-achtergrond tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014

Opkomst en stemgedrag van Amsterdammers met een migratie-achtergrond tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014 Opkomst en stemgedrag van Amsterdammers met een migratie-achtergrond tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014 Maria Kranendonk, Laure Michon, Hannah Schwarz & Floris Vermeulen 2014 IMES Report

Nadere informatie

Zelfstandig ondernemerschap onder immigranten in Nederland

Zelfstandig ondernemerschap onder immigranten in Nederland Zelfstandig ondernemerschap onder immigranten in Nederland Begeleider: Drs. A. Kanas Universiteit Utrecht, Faculteit Sociale Wetenschappen Bachelor Sociologie, juni 2009 Auteurs: M.H. Brak 3147118 S.S.

Nadere informatie

Allochtoon ondernemerschap in de taxibranche in Rotterdam. Fred Dekker *

Allochtoon ondernemerschap in de taxibranche in Rotterdam. Fred Dekker * Allochtoon ondernemerschap in de taxibranche in Rotterdam Fred Dekker * Samenvatting Een kleinschalig kwantitatief en kwalitatief onderzoek in de Rotterdamse taxibranche in 2005 vormt de basis voor dit

Nadere informatie

Financieringsmonitor Groei

Financieringsmonitor Groei M200908 Financieringsmonitor Groei Gevestigde bedrijven en snelle groeiers vergeleken Lia Smit Joris Meijaard Zoetermeer, 20 mei 2009 Financieringsmonitor groei Terugval financieringsbehoefte snelle groeiers

Nadere informatie

Erratum. In dit artikel zijn helaas enkele onnauwkeurigheden geslopen.

Erratum. In dit artikel zijn helaas enkele onnauwkeurigheden geslopen. Erratum In dit artikel zijn helaas enkele onnauwkeurigheden geslopen. In figuur 1, pagina 19, is de legenda onjuist weergegeven, waardoor de categorieën en verwisseld zijn. De juiste grafiek is hieronder

Nadere informatie

SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH)

SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) Sinds de jaren zestig is het aandeel migranten in de Nederlandse bevolking aanzienlijk gegroeid. Van de totaal 16,3 miljoen inwoners in

Nadere informatie

Maatschappelijke participatie

Maatschappelijke participatie 9 Maatschappelijke participatie Maatschappelijke participatie kan verschillende vormen hebben, bijvoorbeeld de mate waarin mensen met elkaar omgaan en elkaar hulp verlenen binnen familie, vriendengroepen

Nadere informatie

szw0001052 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid s-gravenhage, 23 november 2000 Aanleiding

szw0001052 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid s-gravenhage, 23 november 2000 Aanleiding szw0001052 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid s-gravenhage, 23 november 2000 Aanleiding Naar aanleiding van vragen over de hoge arbeidsongeschiktheidspercentages

Nadere informatie

Rapportage Enquête Mantelzorgondersteuning 2012

Rapportage Enquête Mantelzorgondersteuning 2012 Rapportage Enquête Mantelzorgondersteuning 2012 November 2012 Inhoudsopgave Samenvatting... 3 Inleiding... 4 Onderzoeksopzet... 4 Doel... 4 Aanpak... 4 Blok I: Algemene gegevens... 5 Figuur 1: Leeftijd...

Nadere informatie

Ziekteverzuim het laagst bij werknemers met een hoge mate van autonomie en veel steun van collega's en leidinggevenden

Ziekteverzuim het laagst bij werknemers met een hoge mate van autonomie en veel steun van collega's en leidinggevenden Ziekteverzuim het laagst bij werknemers met een hoge mate van autonomie en veel steun van collega's en leidinggevenden Martine Mol en Jannes de Vries Een hoge werkdruk onder werknemers komt vooral voor

Nadere informatie

Geboorteplaats en etnische samenstelling van Surinamers in Nederland

Geboorteplaats en etnische samenstelling van Surinamers in Nederland Chan Choenni 1) en Carel Harmsen Anders dan het geval is voor de bevolking in Suriname zelf, is er geen gedetailleerde informatie beschikbaar over de etnische samenstelling van de Surinaamse bevolking

Nadere informatie

Binnensteden en hun bewoners

Binnensteden en hun bewoners Binnensteden en hun bewoners 11 Bert Raets Publicatiedatum CBS-website: 23 september 211 Den Haag/Heerlen Verklaring van tekens. = gegevens ontbreken * = voorlopig cijfer ** = nader voorlopig cijfer x

Nadere informatie

FLEVOMONITOR 2006 Kwetsbare Groepen en Huiselijk Geweld. Annemieke Benschop, Susan Place, Marije Wouters & Dirk J. Korf

FLEVOMONITOR 2006 Kwetsbare Groepen en Huiselijk Geweld. Annemieke Benschop, Susan Place, Marije Wouters & Dirk J. Korf FLEVOMONITOR 2006 Kwetsbare Groepen en Huiselijk Geweld Annemieke Benschop, Susan Place, Marije Wouters & Dirk J. Korf Dit onderzoek is uitgevoerd door het Bonger Instituut voor Criminologie van de Universiteit

Nadere informatie

Duurzaamheid uitstroom uit een Abw- en WW-uitkering

Duurzaamheid uitstroom uit een Abw- en WW-uitkering Duurzaamheid uitstroom uit een Abw- en WW-uitkering verschillen tussen uitstroom naar Bedrijf en Loondienst Inspectie Werk en Inkomen (februari 2006) 1 Inhoud \ Managementsamenvatting 3 1 Inleiding 4 2

Nadere informatie

Grafiek 26.1a Het vóórkomen van verschillende vormen van discriminatie in Leiden volgens Leidenaren, in procenten 50% 18% 19% 17% 29%

Grafiek 26.1a Het vóórkomen van verschillende vormen van discriminatie in Leiden volgens Leidenaren, in procenten 50% 18% 19% 17% 29% 26 DISCRIMINATIE In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het vóórkomen en melden van discriminatie in Leiden en de bekendheid van en het contact met het Bureau Discriminatiezaken. Daarnaast komt aan de orde

Nadere informatie

Allochtonen in de politiek

Allochtonen in de politiek Allochtonen in de politiek In dit dossier kunt u informatie vinden over de participatie van allochtonen in de Nederlandse politiek. Wie heeft recht om te stemmen? Hoeveel allochtonen zijn volksvertegenwoordiger?

Nadere informatie

Ambities van ZZP ers. Een verkennend onderzoek.

Ambities van ZZP ers. Een verkennend onderzoek. Ambities van ZZP ers. Een verkennend onderzoek. Ambities van ZZP ers. Wat drijft hen, wat vinden zij belangrijk? In hun ondernemerschap, in de manier waarop ze zichzelf willen ontwikkelen. Een onderwerp

Nadere informatie