Fiscaal Recht. Sebastiaan Van Severen 2014-2015



Vergelijkbare documenten
1. Inleiding. 2. Uitgangspunt

Relatie Vennootschap Bedrijfsleider Recente fiscale ontwikkelingen. Luc Maes 24/11/2016

SPECIMEN. Bankinformatie. Contactpersoon. AANGIFTE IN DE RECHTSPERSONENBELASTING AANSLAGJAAR 2016 (Inkomsten van het jaar 2015) BIJKOMENDE INFORMATIE


Voor welke belastingplichtigen geldt die vrijstelling? Iedere aan de Belgische personenbelasting onderworpen belastingplichtige komt in aanmerking.

Fiscaal recht FISCAAL RECHT N. DALMIJN 1

Vak III. inkomsten van onroerende goederen. uitgangspunt bij de belastbare grondslag. België. Kadastraal Inkomen. Brutohuur. Buitenland.

SPECIMEN. Bankinformatie. Contactpersoon. AANGIFTE IN DE RECHTSPERSONENBELASTING AANSLAGJAAR 2015 (Inkomsten van het jaar 2014) BIJKOMENDE INFORMATIE

Tax Shelter voor Starters - Checklist met betrekking tot RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN in Startersvennootschappen

Inkomstenbelasting. Academiejaar samenvatting syllabus - Jeroen De Mets 1

RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN

Contactcenter van de Federale Overheidsdienst Financiën: tel (normaal tarief) AFSCHRIFT. te bewaren door de belastingplichtige

FAQ Onroerende inkomsten Nieuwe versie

Bankinformatie. Contactpersoon. AANGIFTE IN DE RECHTSPERSONENBELASTING AANSLAGJAAR 2019 (Inkomsten van het jaar 2018) BIJKOMENDE INFORMATIE

Tax Shelter voor Starters - Checklist met betrekking tot RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN in Startersvennootschappen

Het wel en wee van de vzw Deel 4 De vzw en de fiscus

VERTALING. Artikel 2 van de Overeenkomst wordt opgeheven en vervangen door het volgende :

Fiscale aspecten bij éénmalige revisorale opdrachten. ViasDFK3 BEDRIJFSREVISOREN

Vak III: onroerende inkomsten

RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN

Deel 1 Basisbeginselen

ArtikeL 269. De tekst van art. 269, 1,

Algemene verhoging van het tarief van de roerende voorheffing tot 27% - Kunnen winsten nog voordelig worden uitgekeerd?

De fiscale begrotingsmaatregelen van de regering Di Rupo I: invloed op uw beleggingen

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN Algemene administratie van de FISCALITEIT Inkomstenbelastingen AANGIFTE IN DE ROERENDE VOORHEFFING

1. Titel 1: inleiding a. H1: begrippen i. Begrip belasting ii. Essentiële kenmerken 1. Publiekrechtelijke schuldvordering a. Tot belastingheffende

Deel 1 - Waarom zou een vennootschap hiervoor interessant kunnen zijn?

Tax Shelter voor Starters - Checklist met betrekking tot RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN in Startersvennootschappen

VOORBEREIDING VAN DE AANGIFTE IN DE PERSONENBELASTING

Tax Shelter voor Starters - Checklist met betrekking tot RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN in Startersvennootschappen

Federale Overheidsdienst FINANCIEN Algemene administratie van de FISCALITEIT Inkomstenbelastingen

Inhoudstafel. Vo o r wo o r d... 1

Fiscale aspecten bij éénmalige revisorale opdrachten

De aangifte in de personenbelasting inkomsten 2008

3 FISCALE ASPECTEN VAN HET VRUCHTGEBRUIK

Human Resources Sixco Policy

blz. 12 Vak XIII. - INKOMSTEN VAN KAPITALEN EN ROERENDE GOEDEREN - VERVOLG. B. NETTO-INKOMEN VAN VERHURING, VERPACHTING, GEBRUIK OF CONCESSIE VAN ROER

Auteur. Onderwerp. Datum

Fiscale aspecten van woningkredieten na de zesde staatshervorming. Luc De Greef

Tip voor de bedrijfsleider: Vergeet uw 640 belastingvrij dividend niet!

Personenbelasting - Optimale aangifte woonleningen. Forum for the Future - November Maurice De Mey

TITEL I: INLEIDING... 1

FAQ - TAX REFORM. 1. Hoe weet men of de drempel van de aan roerende inkomsten overschreden wordt?

VAK I. - BEREKENING VAN DE TE BETALEN ROERENDE VOORHEFFING (RV)

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN Algemene administratie van de FISCALITEIT Inkomstenbelastingen AANGIFTE IN DE ROERENDE VOORHEFFING

Algemene Administratie van de Fiscaliteit Operationele Expertise en Ondersteuning Dienst PB Personenbelasting

1 de uitgaven gedaan voor prestaties betaald met dienstencheques als bedoeld in de artikelen tot ;

Titel : Circulaire 2019/C/15 over de invoering van forfaitaire beroepskosten op winst

Tax shelter voor startende ondernemingen

1 Tariefwijzigingen inzake roerende voorheffing


FISCAAL RECHT IN ESSENTIE 2019

Met huidig bericht wordt enkel ingegaan op een aantal praktische vragen die voor dergelijke, in 2014 gesloten leningen, worden gesteld.

FISCAAL RECHT IN ESSENTIE 2018

Beknopte gids voor aangifte van auteursgerelateerde inkomsten in het kader van inkomstenbelasting aanslagjaar 2014 (inkomsten 2013)

Incorporatie van reserves aan 10% Vers KMO kapitaal. 14 november 2013

diverse inkomsten BBB info ajr onderhoudsuitkeringen: algemeen: andere soorten diverse inkomsten voorwaarden van aftrekbaarheid


Ontbinding en vereffening

FISCAAL RECHT IN ESSENTIE 2017

Optimaal gebruik van de managementvennootschap Inhoud

Schematisch overzicht van het taxatiestelsel dat van toepassing is op aanvullende pensioenen van werknemers, bedrijfsleiders en zelfstandigen.

Wijzigde uw (gezins)situatie in de loop van 2013? Ja Neen. Naam van de echtgeno(o)t(e) of van de wettelijk samenwonende 1

Inbrengrecht onroerend goed : 0,5 % of 10% Inbreng in natura gebeurt bij oprichting van een vennootschap of bij kapitaalverhoging.

Nieuwe fiscale maatregelen tweede pijler. 21 juni 2012 Koen Van Duyse

Impact begrotingsmaatregelen van Di Rupo op uw Personenbelasting

Inleiding in het Belgische belastingrecht

Auteur. Onderwerp. Datum

VASTGOED EN VENNOOTSCHAP AANKOOP VAN VASTGOED DOOR DE VENNOOTSCHAP

DE OORZAAK VAN EISBAARHEID VAN DE SUCCESSIERECHTEN...

DE VERPLICHTING TOT REGISTRATIE...

De roerende voorheffing op dividenden werd reeds opgetrokken van 15 % naar 25%.

FISCAAL RECHT IN ESSENTIE

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

4.2. Overhevelen van liquide middelen naar de privésfeer

De Fairness Tax: nieuwe minimumbelasting voor grote vennootschappen?

Het tariefverschil

2. Voordelen van een doktersvennootschap

Spoor A2: REGIONALISERING PERSONENBELASTING: VASTGOEDFISCALITEIT. Dr. Axel Haelterman. KULeuven 12 augustus 2008

Zaak C-446/04. Test Claimants in the FII Group Litigation tegen

blz. 16 B. ANDERE DIVERSE INKOMSTEN. Vak XVI. - DIVERSE INKOMSTEN - VERVOLG. 1. Winst of baten uit toevallige of occasionele prestaties, verrichtingen

Aftrek voor risicokapitaal

Fiscale aspecten van de zesde staatshervorming. Luc De Greef

De inkomsten uit de deeleconomie

AANVULLENDE OVEREENKOMST

LIJST VAN GEGEVENS NODIG OM DE AANGIFTE IN DE PERSONENBELASTING IN TE VULLEN VOOR INKOMSTENJAAR 2017

Inhoudstafel. Deel 1. Winstuitkeringen 11. Hoofdstuk 1. Vennootschapsrechtelijke aspecten winstuitkeringen 13

Datum van inontvangstneming : 28/05/2015

1.2. Aankoop door de vennootschap

FAQ belastingvermindering voor uitgaven voor de beveiliging van een woning tegen diefstal of brand

Tarieven personenbelasting

Home > Zoekresultaten > Circulaire AAFisc Nr. 27/2014 (nr. Ci.RH.331/ ) dd

Afdeling 6. Aftrekbaarheid van de uitkeringen in hoofde van de werkgever. Afdeling 7. Belastbaarheid van de uitkeringen in hoofde van de begunstigden

Geïndexeerde bedragen inzake inkomstenbelastingen voor het aanslagjaar 2015

Deel 1. Btw-analyse van het zakelijk recht in de drie fazen 11. Hoofdstuk 1. Waarom een analyse van de drie fazen? 13

Circulaire 2018/C/121 over het wijk-werken

Artikel WIB. (16 - aj. 2005) 518

Fiscaal recht ( ) Emine Özen

Niet verhuurde onroerende goederen die in het buitenland zijn gelegen Begrip huurwaarde.

I. INLEIDING.

Transcriptie:

Fiscaal Recht Sebastiaan Van Severen 2014-2015

Hoofdstuk 1: Algemeen Deel 1 Bevoegdheid om belastingen te heffen 1 Indeling van belastingen 2 Belastingheffende overheid 2 Wijze van heffing 2 Grondslag 2 Directe en indirecte belastingen 2 Beginselen van fiscaal recht 3 Algemene rechtsbeginselen 3 Legaliteitsbeginsel 3 Eenjarigheidsbeginsel 6 Gelijkheidsbeginsel 6 Niet-retroactiviteitsbeginsel 6 Non bis in idem 7 Rechtszekerheidsbeginsel 8 Vertrouwensbeginsel 8 Hoofdstuk 2: Personenbelasting 9 Toepassingsgebied van de personenbelasting 9 Woonplaats 9 Zetel van fortuin 9 Bewijslast 9 Overleden rijksinwoner 9 Bijzondere gevallen 10 Grondslag van de personenbelasting 10 Soorten inkomsten 10 Totaal netto-inkomen en belastbaar inkomen 10 Wereldwijd inkomen 10 Onroerende inkomsten 11 Belastbare personen 11 Goederen die onroerend inkomen opleveren 11 Opbrengsten uit te sluiten als onroerend inkomen 11 Kadastraal inkomen 11 Bruto-onroerend inkomen 12 Van het bruto-onroerend inkomen aftrekbare kosten 15 Roerende inkomsten 17 Belastbare roerende inkomsten 17 Opbrengsten uit te sluiten als roerend inkomen 17 Dividenden 17 Interesten 20 Verhuring, verpachting, gebruik en concessie 21 Inkomsten begrepen in lijfrenten of tijdelijke renten 21 Auteursrechten 22 Belastbaar tijdstip 22 Roerende voorheffing 23 Aangifte in de personenbelasting 23 Grondslag in de personenbelasting 24 Aanvullende gemeentebelasting 24 Verrekening en terugbetaling ingehouden roerende voorheffing 24

Beroepsinkomsten 25 Winsten 25 Baten 37 Soorten bezoldigingen 39 Bezoldigingen van werknemers 39 Bezoldigingen van bedrijfsleiders 44 Huwelijksquotiënt 45 Diverse inkomsten 46 Occasionele winsten of baten 46 Prijzen, subsidies, renten en pensioenen toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars 47 Uitkeringen tot onderhoud 47 Diverse inkomsten van roerende aard 47 Meerwaarden op onroerende goederen 49 Meerwaarden op aandelen 51 Vergoedingen voor uitvindingen 51 Totaal netto-inkomen 52 Aftrekbare bestedingen 52 Toepassen van de belastingtarieven 52 Progressieve tarieven 52 Afzonderlijke aanslagvoeten 52 Belastingvermindering voor de belastingvrije som 53 Basisbedrag 53 Verhoging voor kinderen en andere personen ten laste 53 Belastingvermindering voor buitenlandse inkomsten 54 Dubbelbelastingverdrag 54 Geen dubbelbelastingverdrag 54 Hoofdstuk 3: Vennootschapsbelasting 55 Toepassingsgebied van vennootschapsbelasting 55 Belastingplichtigen onderworpen aan vennootschapsbelasting 55 Uitgesloten van de vennootschapsbelasting 57 Grondslag van de vennootschapsbelasting 58 Regels van de winst 58 Belastbare winst 58 Beroepskosten 62 Aftrekken van de netto-winst 63 Tarieven in de vennootschapsbelasting 65

Hoofdstuk 1: Algemeen Deel I. Bevoegdheid om belastingen te heffen Soevereiniteit van de staat: Recht om belastingen te heffen en vrijheid om belastingstelsel volledig zelf te regelen, zolang soevereiniteit van andere staten niet aangetast wordt. Territorialiteitsbeginsel: de fiscale rechtsmacht van een staat strekt zich uit tot alle personen en goederen die zich op haar grondgebied bevinden. Ratio: iedereen die in een staat woont of aanwezig is, kan gebruik maken van de diensten die de overheid verleent. Daarom draagt de inwoner bij in de financiering daarvan. Aanknopingspunten België: Personeel aanknopingspunt: belastingheffing o.b.v. wereldinkomen Zakelijk aanknopingspunt: belastingheffing o.b.v. inkomen verworven in de staat Domiciliebeginsel: staat mag belasting heffen op iedereen die op haar grondgebied gevestigd is. Liggingsbeginsel (of bronstaatbeginsel) wordt gehanteerd voor de belasting van niet-inwoners. Belasting wordt geheven op de plaats waar een goed, een inkomen of een handeling zich bevindt. Nationaliteitsbeginsel: een staat heeft fiscale rechtsmacht over onderdanen, ongeacht waar zij zich ook mogen bevinden. 1

II. Indeling van belastingen A. Belastingheffende overheid Soorten belasting: Rijksbelastingen: geheven door de federale staat Regionale belastingen: gemeenschappen en gewesten Lokale belastingen: provincies, agglomeraties en gemeenten Soorten bevoegdheden: Eigenlijke fiscale bevoegdheden: Gemeenschappen en gewesten kunnen bevoegdheden putten uit art. 170, 2 Gw. Oneigenlijke fiscale bevoegdheden: bevoegdheden ex Titel III van de Bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 B. Wijze van heffing Vaste belastingen: bedrag is steeds hetzelfde, ongeacht de omvang van het belastbaar feit Evenredige belastingen: vast percentage op belastbare grondslag Progressieve belastingen: percentage dat toeneemt naarmate de belastbare grondslag toeneemt. C. Grondslag Zakelijke belastingen: objectieve maatstaven, zonder rekening te houden met de persoon. Persoonlijke belastingen: Er wordt rekening gehouden met de persoonlijke toestand van de belastingplichtige (bv. draagkracht, gezinstoestand,...) D. Directe en indirecte belastingen 1. Omschrijving Directe belasting: treft een voortdurende of permanente toestand en wordt periodiek geïnd (Bv. inkomstenbelasting) Indirecte belasting: Belasting op handelingen of feiten van toevallige of voorbijgaande aard Bv. btw, registratierechten, successierechten Niet op een bepaalde periode geheven, maar punctueel opeisbaar, telkens een belastbare handeling wordt gesteld. 2. Opdeling directe belastingen 2 Resultaatsbelastingen: belastingen die reeks van verrichtingen treffen in hun geheel en over zeker tijdperk beschouwd. De belasting pas opeisbaar als alle verrichtingen gekend zijn. Directe belastingen op een uit hun aard duurzame toestand: Toestanden die worden geacht duurzaam te zijn Bv. uitoefenen van economische activiteit, eigenaar of bewoner onroerend goed Aanslagvoorwaarden vervuld => aan de jaarlijkse belasting onderworpen.

III. Beginselen van fiscaal recht SVS Formele rechtsbescherming: mogelijkheid zich te wenden tot de rechter wanneer men zich onrechtmatig getroffen acht door een belasting. Materiële rechtsbescherming: Belastingwetten moeten aan bepaalde principes voldoen. A. Algemene rechtsbeginselen Ongeschreven regels met een algemene strekking. Zeer abstract en onderhevig aan maatschappelijke evolutie Erkend door Cassatie als vernietigingsgronden Onderscheid tussen algemene rechtsbeginselen met grondwettelijke en wettelijke waarde. B. Legaliteitsbeginsel 1. Art. 170 van de Grondwet 1 Geen belasting ten behoeve van de staat kan worden ingevoerd dan door een wet 2 Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest (...) 3 Geen last of belasting kan door de provincie of bovengemeentelijk bestuur (...) 4 Geen last of belasting kan door de agglomeratie of gemeente worden ingevoerd (...) 2. Rol van het legaliteitsbeginsel Veruitwendiging van het principe No taxation without representation => democratische controle op de geldzucht van de uitvoerende macht Bescherming tegen willekeurige of lichtzinnige inbreuken op het eigendomsrecht 3. Art. 172, tweede lid van de Grondwet Geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet Bescherming van het gelijkheidsbeginsel 4. Legaliteitsbeginsel geldt voor belastingen Definitie belastingen (Cassatie): een door de staat, gemeenten en provincies, verrichte heffing, op de geldmiddelen van de personen die hun grondgebied bewonen, of aldaar belangen bezitten, om te worden aangewend voor de diensten van openbaar nut. Geen rechtstreekse tegenprestatie verplicht Vergoedingsretributie is dus geen belasting Vergoedingsretributie: de vergoeding die de overheid van bepaalde belastingplichtigen eist als tegenprestatie voor een bijzondere dienst die zij in hun persoonlijk belang heeft geleverd of voor een rechtstreeks en bijzonder voordeel dat zij hun heeft toegestaan. Bedrag van een retributie staat in verhouding met de verleende dienst Voorbeeld: geld betaald voor een nieuwe identiteitskaart 3

Sociale zekerheidsbijdrage: Bijdragen die uitsluitend bestemd zijn voor de financiering van stelsels van tegemoetkomingen ter vervanging of aanvulling van het inkomen. Grondwettelijk Hof: sociale zekerheidsbijdragen = belasting 5. Delegatie van essentiële bestanddelen Principe: geen delegatie van essentiële bestanddelen mogelijk Bv. aanwijzing van belastingplichtigen, materie, grondslag, aanslagvoet, tarief, bedrag,... Delegatie van niet-essentiële bestanddelen kan wel Bv. wijze van aangifte, aangiftetermijn,... UITZONDERING: in bepaalde gevallen kan delegatie van essentiële bestanddelen toch. Er moet voldaan zijn aan de volgende vier voorwaarden: 1. Noodzaak 2. Machtiging duidelijk en ondubbelzinnig 3. Bekrachtiging binnen korte termijn door wetgevende macht 4. Zonder bekrachtiging geen uitwerking 6. Delegatie aan de minister van financiën of fiscale ambtenaren Art. 108 G.W.: delegatie mogelijk omwille van dringende redenen of noodzaak Delegatie is ook toegelaten voor bepaalde detailkwesties. 7. Wetstoepassing a. De fiscale schuld ontstaat niet uit een overeenkomst De fiscale administratie en de belastingplichtige kunnen geen overeenkomsten sluiten over rechtskwesties. Over feitelijke elementen kunnen wél overeenkomsten worden gesloten. Belastingplichtigen kunnen onderling geen overeenkomsten sluiten die wijzigingen aanbrengen in de wettelijke verplichtingen m.b.t. de fiscale schuld. b. De fiscale administratie mag niet afwijken van de fiscale wet De fiscus moet zich houden aan de fiscale wetten en mag daar niet van afwijken door welwillende interpretaties. De administratie maakt gebruik van circulaires: Indicatieve circulaire: ambtenaren inlichten over nieuwe wetgeving/rechtspraak Interpretatieve circulaire: duidelijkheid verschaffen over bepaalde wetgeving Verordenende circulaire: voegt iets toe aan de wet, vult wettelijke lacunes op, versoepelt toepassingsmodaliteiten,... 4

c. Strikte interpretatie van de wetgeving In België is alles vrij van belasting, tenzij de wet anders bepaalt. Verbod op analogische interpretatie: in tegenstelling tot het gemeen recht is het niet toegestaan om op vergelijkbare situaties dezelfde wetgeving toe te passen. De rechter kan zich in het fiscaal recht niet schuldig maken aan rechtsweigering. Teleologische interpretatie is wel soms toegestaan. In dubio contra fiscum: Als de rechter alle interpretatiemethoden heeft uitgeput, moet de fiscale wet worden uitgelegd in de voor de belastingplichtige meest voordelige zin. In dubio pro fisco: Het tegengestelde geldt dus ook voor vrijstellingen en belastingsverminderingen. Indien er daarbij onduidelijkheid bestaat, is het de fiscus niet toegestaan deze vrijstellingen of verminderingen ruim te interpreteren. 8. Van belastingontduiking tot wetsontduiking a. Keuze van de minst belaste weg Enkel de juridische werkelijkheid is van belang, niet de bedoeling van de belastingplichtigen. Brepolsleer: Akten opstellen, zonder enige wettelijke verplichting te schenden, waarvan partijen alle fiscaal- en civielrechtelijke gevolgen aanvaarden, is toegestaan. b. Belastingontduiking Een inbreuk op de belastingwet kan gebeuren door dissimulatie of simulatie Dissimulatie: de belastingplichtige verbergt de belastbare materie. Bv. geen aangifte doen van bedrijfsinkomsten, verkoop zonder factuur,... Simulatie: opzettelijke discrepantie tussen de werkelijke en de verklaarde wil. Men kwalificeert een gestelde rechtshandeling bewust verkeerd. Er is geen algemeen rechtsbeginsel dat stelt dat rekening moet worden gehouden met de bedrijfseconomische werkelijkheid die anders zou zijn dan wat de partijen zonder veinzing overeengekomen zijn. c. Algemene anti-misbruikbepaling (art. 344, 1 WIB) (22 juli 1993) Geflopt wetgevend initiatief om belastingontwijking aan te pakken De juridische kwalificatie van een rechtshandeling is niet-tegenwerpelijk aan de fiscus als die louter dient ter ontwijking van belastingen. Uiteindelijk kwam het er op neer dat de administratie een rechtshandeling slechts kon herkwalificeren als die dezelfde essentiële elementen en rechtsgevolgen had. => zeldzaam d. Art. 344, 1 WIB zoals vervangen door wet van 29 maart 2012 Theorie van de wetsontduiking of fraus legis in het Belgisch fiscaal recht ingevoerd. Fiscale wetsontduiking: de belastingplichtige creëert met ontduikingsopzet een rechtstoestand die de door de wet belastbaar gestelde toestand zo benadert dat doel en strekking van de fiscale wet worden miskend. Deze methode kan enkel worden toegepast wanneer de gewone interpretatiemethodes en andere mechanismen in de wet geen hulp bieden. 5

Analyse: Objectief element: de belastingplichtige kiest een rechtshandeling die hem in een met de wet strijdige toestand plaatst. [Fiscus moet dit element bewijzen] Subjectief element: het wezenlijke doel is het verkrijgen van belastingvoordeel. Fiscus moet dit element niet bewijzen, het wordt vermoed Belastingplichtige kan tegendeel bewijzen Legaliteitsbeginsel: niet geschonden volgens Grondwettelijk Hof C. Eenjarigheidsbeginsel Ratio: macht bij wetgever houden => bescherming van de burger door volksvertegenwoordigers Art. 171 G.W.: De belastingen worden jaarlijks gestemd De regelen die ze invoeren zijn slechts voor een jaar van kracht indien niet vernieuwd. Wetgever heeft exclusieve bevoegdheid om belastingen in te voeren. De wetgevende macht moet jaarlijks de bevoegdheid van de uitvoerende macht om de belastingen in te vorderen bevestigen. Art. 174 G.W.: De wetgever is verplicht om jaarlijks een begroting goed te keuren die alle staatsontvangsten en -uitgaven bevat. D. Gelijkheidsbeginsel De bevoegdheid om belastingen in te voeren of vrijstellingen en verminderingen te verlenen is de exclusieve bevoegdheid van de wetgever. Algemene rechtsgrond: Art. 10 G.W. Specifiek fiscaal: Art. 172 G.W. Inhoud van het gelijkheidsbeginsel: iedereen betaalt naar draagkracht Gelijkheid = geen ongerechtvaardigd onderscheid, noch in de norm, noch in de toepassing. Art. 172 G.W. staat vrijstellingen toe, maar verbiedt privileges. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Toetsing aan grondwettelijke bepalingen: steeds marginale toetsing E. Niet-retroactiviteitsbeginsel 1. Beperking van de fiscale autonomie Art. 2 B.W.= wet beschikt alleen over het toekomende; zij heeft geen terugwerkende kracht. Grondwettelijk Hof: principe met grondwettelijke waarde Hof van Cassatie: principe zonder grondwettelijke waarde 6

2. Onmiddellijke inwerkingtreding en juridische retroactiviteit Het is mogelijk feiten, toestanden en handelingen te belasten die zich situeren na de inwerkingtreding van de norm, maar ook de gevolgen van de vóór de nieuwe norm te situeren feiten, toestanden en handelingen Onderscheid: Belastbaar feit met onmiddellijke voltrekking Bv. BTW, registratierechten, successierechten, roerende voorheffing,... Belastbaar feit dat zich na een periode voltrekt => resultaatsbelastingen Bv. inkomstenbelastingen Voor resultaatsbelastingen wordt de materiële belastingschuld bepaald aan de hand van de fiscale wetgeving zoals die bestaat op het ogenblik dat de referentieperiode wordt afgesloten. 3. Aanvullende gemeentebelastingen Art. 468, vierde lid WIB: Het percentage van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting wordt vastgesteld door een belastingreglement dat van toepassing is vanaf een welbepaald aanslagjaar en dat uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, in werking treedt. F. Non bis in idem Geen fiscaal algemeen rechtsbeginsel, maar slechts een richtlijn voor de wetgevende macht, een principe van redelijkheid en gezond verstand. Constitutieve elementen: Dezelfde belastbare materie bv. belasting op huisvuilzakken én jaarlijkse forfaitaire huisvuilbelasting Dezelfde persoon Hetzelfde jaar Dezelfde overheid Dezelfde belasting bv. hoekwoning die twee maal belast wordt voor rioleringswerken in de twee straten 7

G. Rechtszekerheidsbeginsel 1. Inhoud De inhoud van het recht moet voorzienbaar en toegankelijk zijn. Rechtssubjecten kunnen vertrouwen op een zekere standvastigheid van het bestuur Vertrouwensbeginsel: de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen contra legem moeten worden gehonoreerd. (komt soms in conflict met Rechtszekerheid) 2. Objectief rechtszekerheidsbeginsel Een belastingplichtige moet met minimale voorzienbaarheid de gevolgen van zijn handelingen kunnen voorzien. Van de belastingplichtige wordt wel verwacht dat hij nauwgezet tewerk gaat en contractueel de nodige voorwaarden opneemt en de nodige controle uitoefent op de handelingen van een derde. H. Vertrouwensbeginsel Omschrijving: het recht op rechtszekerheid waarvan het vertrouwensbeginsel een aspect vormt. Voorwaarden: (1) Vaste gedragslijn van de fiscale administratie (2) De belastingplichtige moet zich gedragen hebben overeenkomstig deze gedragslijn van de fiscale administratie. (3) Later blijkt dat de gedragslijn van de fiscus niet in overeenstemming is met de correcte toepassing van de fiscale wet. Rechtspraak Hof van Cassatie: 27 maart 1992: Het recht op zekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Latere rechtspraak: Afwijking van dit principe. Als de burger moet weten dat een overheid handelingen in principe niet mag stellen => geen schending van rechtszekerheidsbeginsel zijn. De administratie kan enkel afwijken van de wet als zij een discretionaire bevoegdheid heeft in de materie. Rechtspraak Hof van Justitie: Het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel maken deel uit van de communautaire rechtsorde. Het vertrouwensbeginsel kan contra legem werken als de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen heeft in de handelingen van de administratie. 8

Hoofdstuk 2: Personenbelasting I. Toepassingsgebied van de personenbelasting Art. 2, 1, 1, eerste lid, a) WIB: definitie van Belgische rijksinwoners => onderworpen aan PB Hoedanigheid van Belgisch rijksinwoner is niet afhankelijk van de nationaliteit A. Woonplaats Woonplaats = de plaats waar de belastingplichtige werkelijk woont, gekenmerkt door een zekere bestendigheid en continuïteit. Fiscale woonplaats = plaats waar een persoon effectief en duurzaam verblijft, waar zijn gezin gehuisvest is en waar hij zijn wezenlijke contacten met zijn medemensen onderhoudt. Niet-rijksinwoner in België = iemand wiens verblijf in het buitenland gekenmerkt wordt door een zeker bestendigheid of continuïteit. B. Zetel van fortuin Zetel van fortuin = plaats van waaruit een persoon zijn fortuin beheert of van waaruit hij toezicht houdt op het beheer van zijn fortuin. Woonplaats en zetel van fortuin zijn twee verschillende begrippen. Iemand met een woonplaats in het buitenland kan alsnog Belgisch Rijksinwoner zijn. Voorrang wordt gegeven aan de plaats waar het gezin woont. C. Bewijslast De fiscale administratie moet het bewijs leveren dat een persoon onderworpen is aan PB Weerlegbaar vermoeden voor in het Rijksregister ingeschreven natuurlijke personen. Onweerlegbaar vermoeden: voor gehuwden is de fiscale woonplaats bepaald door de plaats waar het gezin is gevestigd. D. Overleden rijksinwoner Bezoldigingen die door een werknemer zijn verkregen zijn belastbaar in de personenbelasting, ook na het overlijden. Na het overlijden wordt de aanslag gevestigd op naam van de overleden belastingplichtige maar voorafgegaan door het woord nalatenschap. 9

E. Bijzondere gevallen Geacht Belgisch rijksinwoner te zijn: Belgische diplomatieke en consulaire beroepsambtenaren + gezinsleden Andere leden van Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten Alle ambtenaren, vertegenwoordigers, en afgevaardigden van de Belgische staat (...) die de Belgische nationaliteit bezitten en hun werkzaamheden in het buitenland uitoefenen. Geacht NIET Belgisch rijksinwoner te zijn: Buitenlandse diplomatieke en consulaire beroepsambtenaren in België + gezin Andere leden van buitenlandse diplomatieke zendingen en consulaire posten in België + gezinsleden Ambtenaren, vertegenwoordigers of afgevaardigden van vreemde Staten, (...) Ambtenaren van internationale organisaties genieten exceptie van fiscale woonplaats bv. EU, NAVO, IMS, SHAPE II. Grondslag van de personenbelasting A. Soorten inkomsten Onroerende inkomsten: inkomsten uit onroerende goederen Roerende inkomsten: inkomsten van roerende goederen en kapitalen Beroepsinkomsten: winsten, baten, bezoldigingen, pensioenen Diverse inkomsten: occasionele prestaties, speculatiewinsten, ontvangen onderhoudsgelden, meerwaarden op onroerende goederen B. Totaal netto-inkomen en belastbaar inkomen De inkomsten worden geglobaliseerd. Belastingen worden immers geheven op het totaal van de vier bovenstaande categorieën. Hierbij bekomt men het totale netto-inkomen. Nadat van het netto-inkomen de aftrekbare bestedingen zijn afgetrokken, bekomt men het belastbaar inkomen. (Onroerende ink. + roerende ink. + beroepsink. + diverse) aftrekbare best. = Belastbaar inkomen C. Wereldwijd inkomen De personenbelasting wordt geheven op het totaal inkomen van de rijksinwoner, ongeacht de plaats waar de inkomsten genoten of verkregen worden. Non bis in idem: Er bestaan verdragen ter voorkoming van dubbele belasting 10

III. Onroerende inkomsten SVS A. Belastbare personen Art. 11 WIB: De eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van onroerende goederen is personenbelasting verschuldigd op de inkomsten die deze goederen opleveren. Eigenaar = persoon die het goed in volle eigendom bezit Bezitter = houder van het goed die opbrengst geniet Art. 9 Erfpachtwet: Personenbelasting wordt geheven in hoofde van de erfpachter Art. 608 B.W.: Vruchtgebruiker is gehouden alle jaarlijkse lasten van het erf te dragen B. Goederen die onroerend inkomen opleveren Gebouwde en ongebouwde onroerende goederen Materieel en outillage die onroerend zijn uit hun aard of door bestemming C. Opbrengsten uit te sluiten als onroerend inkomen Meerwaarden: de opbrengst van de verkoop van een onroerend goed is geen onroerend inkomen. Onroerende inkomsten met beroepskarakter: Wanneer een onroerend goed dat tot het beroepsvermogen behoort, wordt verhuurd, vormen de ontvangen huurgelden een beroepsinkomen. D. Kadastraal inkomen 1. Vaststelling Art. 471, 1 WIB: Forfaitair vastgesteld onroerend inkomen => geschatte gemiddelde normale netto-inkomen gedurende een jaar van ene in België gelegen perceel. Netto-inkomen: kosten voor onderhoud en herstelling worden forfaitair vastgesteld op 40% voor gebouwde onroerende goederen en op 10% voor ongebouwde. Bepaald door Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie Vanaf 1 januari 1991: jaarlijkse indexatie in plaats van algemene perequatie 2. Schatting, herschatting, herziening Schatting en herschatting: Art. 494, 1, 1 WIB: Nieuw opgerichte gebouwen en materieel of outillage Art. 494, 1, 2 WIB: Herschatting vergrote, herbouwde of aanzienlijk gewijzigde onroerende goederen. Hiervan moet aangifte gedaan worden (art. 473 WIB) Buitengewone en speciale herziening: Art. 488 WIB: Bij belangrijke schommelingen in huurwaarde van onroerende goederen, kan men overgaan tot herziening. Art. 419 WIB: Bij verhoging of verlaging van ten minste 15% in waarde (...) 11

E. Bruto-onroerend inkomen 1. Niet verhuurd Art. 7, 1, 1 WIB: onroerende goederen gelegen in België Ongebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI Eigen woning: geïndexeerd KI Andere gebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI + 40% Art. 7, 1, 2 WIB: onroerende goederen gelegen in het buitenland 2. Verhuurd Onroerend goed dat niet wordt verhuurd: Huurwaarde van het goed a. Onroerende goederen in België (1) Verhuurd aan een natuurlijke persoon voor privégebruik: Ongebouwd onroerend goed: geïndexeerd KI Gebouwd onroerend goed: geïndexeerd KI + 40% (2) Verhuurd cf. pachtwetgeving voor land- of tuinbouw: geïndexeerd KI (3) Verhuurd aan een rechtspersoon voor bewoning: geïndexeerd KI + 40% (4) Verhuurd in andere omstandigheden: Ongebouwd onroerend goed: geïndexeerd KI Gebouwd onroerend goed: geïndexeerd KI + 40% (5) Combinatie van privé- en beroepsmatig gebruik door huurder Huurprijs en huurlasten worden opgenomen in geschreven huurcontract Huurcontract wordt geregistreerd (6) Verhuur en onderverhuur Er wordt steeds gekeken naar de huurder en niet naar de onderhuurder. Er kan wel sprake zijn van simulatie (bv. onderverhuren aan vennootschap). In dat geval wordt dan geherkwalificeerd. (7) Herkwalificatie in bezoldigingen van bedrijfsleiders Wanneer een bestuurder een gebouw verhuurt aan zijn vennootschap, dan worden de huurprijs en huurvoordelen slechts als onroerend inkomen aangemerkt in zover ze niet meer bedragen dan 5/3 van het (ongeïndexeerde) KI, gerevaloriseerd met een coëfficiënt 4,23 (jaar 2015) Gedeelte dat die grens overschrijdt wordt geherkwalificeerd als beroepsinkomen. b. Onroerende goederen gelegen in het buitenland Bruto-onroerend inkomen wordt bepaald door de huurprijs en de huurvoordelen (art. 7, 1, 2, d) WIB) 3. Combinatie van onroerende en roerende verhuur Wanneer niets anders bepaald: 60% van de huurprijs = onroerend, 40% = roerend 12

4. Vestiging of overdracht van erfpacht, opstal of gelijkaardige rechten Toepassingsgebied Art. 7, 1, 3 WIB: bedragen die de belastingplichtige verkrijgt wanneer hij bepaalde zakelijke rechten op een onroerend goed verleent of overdraagt. Ook onroerende leasing valt onder deze regeling. Art. 10, 2 WIB: geen onroerend inkomen bij deze voorwaarden: Gebruiksrechten verleend ter uitvoering van niet-opzegbare overeenkomst van erfpacht of van opstal of een gelijkaardig onroerend recht. Overeengekomen vergoedingen maken het eigenaar mogelijk om het in het gebouw belegde kapitaal of de verkoopwaarde ervan weer samen te stellen, alsmede de rentelast en de andere kosten van de verrichting te dekken. Eigendom van gebouw gaat bij het einde van de overeenkomst van rechtswege over op de gebruiker of de overeenkomst bevat voor hem een aankoopoptie (bv. leasing) Art. 19, 1, 1 : leasingovereenkomst kan aanleiding geven tot roerend inkomen. Vergoedingen en voordelen Bruto-onroerend inkomen = erfpacht- of opstalvergoedingen en alle voordelen die de overdrager bij de vestiging of overdracht van het recht worden betaald. Voor de personenbelasting hebben de voordelen dezelfde waarde als die van de registratierechten 5. Bijzonderheden bij het vaststellen van het bruto onroerend inkomen Art. 494, 5 WIB: Een nieuw KI bestaat vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de gebeurtenis die de belastingplichtige moet aangeven. Wanneer een onroerend goed in de loop van een belastbaar tijdperk wordt verkocht, moet het belastbaar onroerend inkomen in hoofde van de opeenvolgende eigenaars vanaf aanslagjaar 2015 worden vastgesteld in verhouding tot het aantal dagen dat zij eigenaar waren. Wanneer de bestemming van een goed gewijzigd wordt in de loop van het belastbaar tijdperk, moet rekening gehouden worden met elke functie in verhouding tot de werkelijke duur van beide bestemmingen uitgedrukt in dagen. 6. Vrijstellingen en verminderingen a. Eigen woning Art. 12, 3 WIB: het inkomen van de eigen woning wordt vrijgesteld Het vrijgesteld inkomen bestaat uit: Het geïndexeerd kadastraal inkomen (woning in België) Huurwaarde van de woning (woning in het buitenland) De vrijstelling geldt niet voor het deel van de woning dat wordt gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige. Of een woning een eigen woning is, wordt van dag tot dag beoordeeld. Wanneer de belastingplichtige verhuist, blijft de oude woning de eigen woning tot hij de nieuwe betrekt. Meerdere woonplaatsen => fiscale woonplaats = eigen woning 13

b. Onroerende goederen bestemd voor bepaalde doeleinden Art. 12, 1 WIB: Vrijstelling voor Openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening Onderwijs Vestiging van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of soortgelijke weldadigheidsinstellingen Voorwaarden: Afwezigheid van winstbejag Rechtstreeks of onrechtstreeks bijdrage leveren aan het doel Soortgelijke weldadigheidsinstellingen c. Verhuur onder loopbaanpacht Art. 12, 2 WIB: vrijstellingen voor inkomsten uit onroerend goed gelegen in een lidstaat van de EER dat bij loopbaanpacht of bij een gelijkaardige pachtovereenkomst wordt verhuurd. In België gelegen onroerende goederen blijven onderworpen aan onroerende voorheffing. d. Onproductieve en vernielde onroerende goederen Art. 15, 1 WIB: Het KI wordt proportioneel verminderd overeenkomstig de duur en de grootte van de onproductiviteit Niet-gemeubileerd gebouw dat niet gebruikt wordt Wanneer een onroerend goed geheel of voor een gedeelte (25%+) is vernietigd Niet-gemeubileerd gebouw: In de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik genomen en volstrekt geen inkomen opgeleverd. Buiten de wil van de belastingplichtige Te Koop zonder Te huur : voor de periode waarin een gebouw te koop wordt aangeboden zonder huuraanbod wordt in principe geen vermindering van het KI toegestaan. De rechtspraak is hierin mild. Afbraak- of verbouwingswerken geven geen recht op vermindering. Vermindering kan wel wanneer de werken nodig zijn om de bewoning en verhuring objectief mogelijk te maken. Volstrekt niet in gebruik Volstrekt geen inkomen opgeleverd 90 dagen Vernielde onroerende goederen: Alle onroerende goederen ongeacht hun aard Zowel voor leegstaand als gemeubeld gebouw, als voor een ongebouwd goed Een ongebouwd onroerend goed is vernield als de bodem is aangetast buiten de wil van de eigenaar door een buitengewone gebeurtenis. 14

F. Van het bruto-onroerend inkomen aftrekbare kosten 1. Onderhouds- en herstellingskosten Brutobedrag = werkelijke huurprijs en huurvoordelen of de huurwaarde Forfaitair: brutobedrag verminderd met... 40% voor gebouwde onroerende goederen 10% voor ongebouwde onroerende goederen De forfaitaire aftrek mag niet meer bedragen dan 2/3 van het ongeïndexeerde kadastraal inkomen, gerevaloriseerd met de coëfficiënt 4,23 (art. 1 KB/WIB) 2. Interestaftrek Van het bruto-onroerend inkomen worden afgetrokken de interesten van leningen die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden. Het onroerend goed waarvoor de lening is aangegaan moet aanleiding geven tot een belastbaar bruto-onroerend inkomen. a. Verwerven of behouden Verwerven = Zowel aankoop als nieuwbouw Behouden = waarde van het goed verhogen of op hetzelfde peil houden. b. Lening voor een woning Eigen woning op het ogenblik van de betaling Aanslagjaar 2015: gewesten exclusief bevoegd voor het verlenen van fiscale voordelen voor de uitgaven voor het verwerven of het behouden van de eigen woning Gewesten kunnen geen fiscale voordelen verlenen onder de vorm van aftrekken van de belastbare grondslag Wanneer bevoegd moeten ze fiscale voordelen verlenen in de vorm van belastingverminderingen of belastingkredieten de eigen woning op ogenblik van de betaling Niet de eigen woning op ogenblik van betaling Federale overheid bevoegd voor het verlenen van het fiscaal voordeel Wanneer de lening werd aangegaan voor een woning moet worden nagegaan of de lening al dan niet voldoet aan de (strengere) voorwaarden van de federale belastingvermindering voor de woonbonus Federale belastingvermindering voor de woonbonus wordt slechts in een overgangsregeling toegepast voor leningen die uiterlijk op 31-12-2013 werden aangegaan en op basis van destijds geldende fiscale regels zijn ingestapt in het stelsel van de woonbonus c. Belastbaar onroerend inkomen Het onroerend goed waarvoor de lening is aangegaan, moet aanleiding geven tot een belastbaar bruto-onroerend inkomen. Niet aftrekbaar zijn de interesten van een lening aangegaan om de blote eigendom van een onroerend goed te verkrijgen of voor een nieuwbouw waarvoor nog geen onroerend inkomen moet worden aangegeven 15

Wanneer onroerend goed slechts gedurende een gedeelte van het belastbaar tijdperk aanleiding geeft tot een belastbaar bruto-oi: enkel interesten aftrekbaar die zijn betaald in het gedeelte van het belastbaar tijdperk waarin het onroerend goed aanleiding geeft tot een belastbaar bruto-oi d. Aftrekbaar van totaal bruto-onroerend inkomen Interesten m.b.t. een lening aangegaan voor een bepaald onroerend goed worden afgetrokken van het totaalbedrag van de belastbare OI Aftrek blijft dus niet beperkt tot de inkomsten voortgebracht door het onroerend goed waarvoor de lening werd aangegaan Interesten worden evenredig afgetrokken van de inkomsten van de verschillende onroerende goederen Totale bedrag van de aftrekbare interesten is beperkt tot het bedrag van het bruto-oi Interestaftrek kan niet tot een negatief onroerend inkomen leiden e. Privé-interesten Interesten die worden betaald voor een onroerend goed dat de belastingplichtige beroepsmatig gebruikt worden niet in aftrek gebracht van het OI Komen wel in aanmerking bij het bepalen van de aftrekbare beroepskosten 3. Aftrek door erfpachter of opstalhouder De termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten m.b.t. de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten die in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen, zijn aftrekbaar van de onroerende inkomsten Voorwaarde: inkomen van deze onroerende goederen na toepassing van art. 12 WIB is begrepen in de belastbare onroerende inkomsten Aftrek geldt niet bij een onroerende leasing die in hoofde van de leasinggever geen aanleiding geeft tot een onroerend inkomen Aftrek wordt eveneens evenredig aangerekend op onroerend inkomen van de verschillende onroerende goederen en kan geen aanleiding geven tot een negatief onroerend inkomen Goederen worden beroepsmatig gebruikt: vergoedingen die hierop betrekking hebben kunnen niet in aftrek worden gebracht van het onroerend inkomen 16

IV. Roerende inkomsten SVS A. Belastbare roerende inkomsten Dividenden Interesten Inkomsten van verhuring (...) van goederen Inkomsten uit lijfrenten of tijdelijke renten Inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten (...) B. Opbrengsten uit te sluiten als roerend inkomen 1. Meerwaarden Meerwaarden zijn in beginsel geen roerend inkomen. Daarom maken belastingplichtigen vaak constructies teneinde hun inkomsten te verwerven onder vorm van meerwaarden. Hiertegen treedt de wetgever op door middel van ficties 2. Roerende inkomsten met beroepskarakter Art. 37, eerste lid WIB: Inkomsten uit roerende goederen worden als beroepsinkomst aangemerkt wanneer ze gebruikt worden voor uitoefening van een beroepswerkzaamheid. Uitzondering: inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, wettelijke en verplichte licenties. Enkel het bedrag dat hoger is dan 37.500 vorm belastbaar beroepsinkomen C. Dividenden 1. Belastbare dividenden a. Eigenlijke inkomsten Art. 18 WIB: Eigenlijke inkomsten: alle voordelen die een vennootschap toekent aan aandelen en winstbewijzen, vormen een belastbaar dividend. De schuldenaar van het inkomen is een vennootschap. Stockdividenden: Beslist de vennootschap om een bepaald bedrag aan dividenden uit te keren, dan kunnen aandeelhouders ervoor opteren het bedrag van de dividenden niet effectief te laten uitkeren, maar aan te wenden tot verhoging van het maatschappelijk kapitaal. Bonusaandelen: geen belastbaar inkomen. De waarde van aandelen is over meer aandelen verdeeld. De aandeelhouder is niet verrijkt. Dividenden in natura: belastbaar = verkoopwaarde van goederen Inschrijvingsrechten: geen belastbaar inkomen 17

b. Terugbetaling van maatschappelijk kapitaal Art. 18, eerste lid, 2 WIB: de terugbetaling van het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap vormt in principe een belastbaar dividend. Niet belastbaar: de terugbetalingen van gestort kapitaal op voorwaarde dat de terugbetaling gebeurt ingevolge een regelmatige beslissing van de algemene vergadering tot kapitaalvermindering overeenkomstig de voorschriften van de vennootschappenwet. Gestort kapitaal: het gedeelte van het maatschappelijk kapitaal dat gevormd is door de werkelijk gestorte inbrengen. Wanneer een vennootschap haar maatschappelijk vermogen verdeelt is niet langer het gunsttarief van 10% van toepassing, maar wel het gewone tarief van 25% roerende voorheffing. c. Aflossing van maatschappelijk kapitaal Art. 615 W. Venn.: vennootschappen kunnen in hun statuten opnemen dat een gedeelte van de winst zal worden besteed aan de aflossing van het maatschappelijk kapitaal door terugbetaling a pari van door het lot aan te wijzen aandelen, zonder vermindering van het in de statuten vastgestelde kapitaal. Terugbetaling wordt gekwalificeerd als het uitkeren van belastbare dividenden De terugbetaalde aandelen worden vervangen door winstbewijzen. d. Terugbetaling van uitgiftepremies De uitgiftepremies moeten op het passief van de balans worden vermeld onder het eigen vermogen, op een rekening die de waarborg voor derden vormt en alleen kan worden verminderd ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de algemene vergadering. Terugbetaling van uitgiftepremies gebeurt belastingvrij op voorwaarde dat een regelmatige beslissing van de algemene vergadering wordt genomen. e. Verdeling van een vennootschap of verkrijging van eigen aandelen Wanneer? => bij de vereffening van een vennootschap (art. 209 WIB) Vroeger: Aanvankelijk geen belastbaar roerend inkomen Daarna belastbaar geworden aan een tarief van 10% => verhoogd nar 25% (2014) Vanaf 1 januari 2015 Nieuwe bijkomende vrijstelling als roerende inkomsten: wanneer voor de toekenning of betaalbaarstelling de liquidatiereserve wordt aangesproken. Liquidatiereserve: afzonderlijke reserve aangelegd op basis van art. 184quater WIB 18

f. Interesten van voorschotten (1) Geldlening Interesten van rentegevende voorschotten worden geherkwalificeerd tot dividenden Voorschotten : alle al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldleningen (2) Berekening Art. 18, eerste lid, 4 WIB: Herkwalificatie onder voorwaarden: De interest is hoger dan de geldende marktrente Totaalbedrag van de rentegevende voorschotten is hoger dan de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk, verhoogd met het gestorte kapitaal bij het einde van dit tijdperk (3) Hoedanigheid van de verstrekker (Art. 18, tweede lid WIB) De herkwalificatie vindt plaats voor voorschotten die werden verstrekt door... Natuurlijke persoon die aandelen bezit Persoon die in de vennootschap bestuurder, zaakvoerder,... is Echtgenoot of partner van deze personen (4) Hoedanigheid van de vennootschap 2. Vrijstellingen Enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig is opgericht Uitdrukkelijk uitgesloten (art. 18, tweede lid WIB) Niet aan te merken als dividenden: Obligaties uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen Geldleningen aan coöperatieve vennootschappen die door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn erkend. Art. 21, 2 WIB: Inkomsten van aandelen bij verdeling maatschappelijk vermogen Art. 21, 6 WIB: de eerste schijf van 125 dividenden van erkende coöperatieven Art. 21, 10 WIB: de eerste schijf van 125 dividenden van erkende vennootschappen met een sociaal oogmerk in bepaalde sectoren Art. 21, 11 WIB: uitkering van de liquidatiereserve bij verdeling vennootschap 3. Roerende voorheffing Principe: 25% (art. 269, 1, 1 WIB) Uitzonderingstarieven: art. 269, 2 WIB => 20% of 15% Voorwaarden: Kleine vennootschap (art. 15 W. Venn.) Nieuwe aandelen op naam Aandelen verworven n.a.v. nieuwe inbrengen in geld Kapitaalverhoging volledig gestort Geen preferente aandelen gecreëerd Aandelen ononderbroken in volle eigendom Latere kapitaalvermindering prioritair afgehouden van nieuw ingebrachte kapitalen 19

Tarief van 15%: dividenden toegekend door een vastgoedbevak of een gereglementeerde vastgoedvennootschap Tarief van 15% of 5%: belastbare dividenden uitgekeerd waarvoor de liquidatiereserve wordt aangesproken. Vrijstellingen: D. Interesten Vennootschap verkrijgt eigen beursgenoteerde aandelen. Bij gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij het verkrijgen van eigen aandelen door een erkende coöperatieve vennootschap. 1. Leningen, gelddeposito s en elke andere schuldvordering a. Belastbare interesten Art. 19, 1, eerste lid, 1 WIB: interesten, premies en alle andere opbrengsten van leningen, gelddeposito s en andere schuldvorderingen Vastrentende effecten: Kapitalisatie- en zerobons: beiden genereren ze in feite louter meerwaarden (want geen periodieke uitbetaling), maar door wettelijke fictie toch belastbaar Betaling vóór de vervaldag door de emittent: wettelijke fictie om meerwaarden te belasten. Overdracht aan een derde Gelddeposito s: Vorm van geldlening waarbij de geldsommen op de rekening het belastbaar roerend inkomen vormen. Art. 19, 3 WIB: opbrengsten uit gelddeposito s gedefinieerd als belastbaar roerend inkomen. b. Vrijstellingen Art. 21, 10 WIB: Eerste schijf van 125 interesten betaald door erkende vennootschap met sociaal oogmerk Art. 21, 5 WIB: Eerste schijf van 1.250 interesten uit zogenaamde gewone spaardeposito s geplaatst bij kredietinstellingen in de Europese Economische Ruimte 2. Kapitalen uit individuele levensverzekeringscontracten Belastbare kapitalen: Contracten die een gewaarborgd rendement bepalen Art. 19, 1, eerste lid, 3, b) WIB: Contracten die verbonden zijn aan één of verschillende beleggingsfondsen (...) Vrijgestelde kapitalen (art. 21, 9 WIB => cumulatieve voorwaarden): Belastingplichtige heeft alleen zichzelf verzekerd Bij leven zijn de voordelen van het contract bedongen ten eigen gunste Bij overlijden voorziet het contract in het betalen van een kapitaal gelijk aan ten minste 130% van het totaal van de gestorte premies 20

Belastbaar bedrag = verschil tussen: Betaalde kapitalen of afkoopwaarden met uitsluiting vrijgestelde winstdeelnamen Totaal van de gestorte premies 3. Instellingen voor collectieve belegging Art. 19bis WIB Art. 19, 1, eerste lid, 4 WIB 4. Roerende voorheffing Principe: tarief van 25% (art. 269, 1, 1 WIB) Uitzondering: Interesten uit spaardeposito s: 15% Interesten uit kasbonnen en staatsbons: 15% E. Verhuring, verpachting, gebruik en concessie 1. Belastbare inkomsten Royalty s = inkomsten uit verhuring, verpachting,... van roerende goederen Voorbeelden: Verhuring van meubels Verhuring van een handelsfonds Licentieovereenkomsten Concessie voor eetstandje op festivalweide 2. Belastbaar bedrag Brutobedrag verminderd met de uitgaven en lasten gedaan om de betrokken inkomsten te verkrijgen of behouden: Principe: forfaitair 15% van het brutobedrag 50% bij verhuring van toneeldecors en -kostuums 85% bij verhuur van orkestmateriaal, etc. 3. Roerende voorheffing Art. 269, 1, 1 WIB: 25% SVS F. Inkomsten begrepen in lijfrenten of tijdelijke renten 1. Belastbare inkomsten De schuldenaar van de lijfrente moet een rechtspersoon of een onderneming zijn. De verkoop van een woning op lijfrente aan een particulier geeft dus geen aanleiding tot een belastbaar roerend inkomen. 21

2. Belastbaar bedrag Rente aangelegd zonder prijsgave van het kapitaal (kapitaal moet worden terugbetaald): volledig bedrag van de rente is belastbaar als roerend inkomen. Renten ontvangen ter uitvoering van een levensverzekeringscontract: prijsgegeven kapitaal gelijk aan het bedrag van de gestorte premies op het ogenblik dat de rente ingaat. 3. Roerende voorheffing Art. 269, 1, 1 WIB: 25% G. Auteursrechten 1. Belastbare inkomsten Art. 17, 1, 5 WIB: Inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van... Auteursrechten en naburige rechten Wettelijke en verplichte licenties Wet van 30 juni 1994: Computerprogramma s Enkel het bedrag dat hoger is dan 37.500 is belastbaar inkomen 2. Belastbaar bedrag Brutobedrag mag verminderd worden met uitgaven en lasten die werden gedaan om de betrokken inkomsten te verkrijgen of te behouden. Dit is ofwel te staven met bewijsstukken, ofwel forfaitair: 50% op eerste schijf van 10.000 25% op schijf van 10.000-20.000 3. Roerende voorheffing Inhouding van roerende voorheffing gebeurt ook in schijven: Eerste schijf van 37.500: 15% Alles daarboven: 25% Wanneer de inkomsten die meer bedragen dan 37.500 een roerend inkomen vormen, worden zij in de personenbelasting eveneens belast aan 15% De ingehouden 25% wordt dan gedeeltelijk terugbetaald. H. Belastbaar tijdstip Inkomsten uit roerende goederen en kapitaal zijn belastbaar in het jaar waarin ze worden toegekend of betaalbaar worden gesteld. Het ogenblik waarop ze ontvangen worden is niet belangrijk. Bij aandelen is de roerende voorheffing verschuldigd vanaf de betaalbaarstelling Art. 267 WIB: 22 Inkomen ingeschreven op rekening van genieter, zelfs indien onbeschikbaar => belastbaar Inkomsten van gelddeposito s belastbaar op laatste dag van tijdperk waarop ze betrekking hebben, zelfs wanneer ze pas na het verloop van dat tijdperk in rekening worden gebracht.

I. Roerende voorheffing 1. Schuldenaar Art. 261, eerste lid, 1 WIB: De roerende voorheffing op roerende inkomsten is in principe verschuldigd door de schuldenaar van de inkomsten. Art. 261, eerste lid, 2 WIB: Inkomsten op buitenlandse goederen => roerend voorheffing verschuldigd door tussenpersoon bij de betaling. 2. Inhouding Het bedrag van verschuldigde roerende voorheffing wordt ingehouden door de schuldenaar. Inkomsten toegekend in natura => schuldenaar doet zich het bedrag van de RV overhandigen, op welke manier ook. 3. Grondslag RV wordt berekend op toegekend of betaalbaar gesteld bedrag Vóór aftrek van de betaalde innings- en bewaringskosten Na aftrek van de in het buitenland afgehouden belastingen Eventueel verhoogd met de door de schuldenaar van de inkomsten gedragen voorheffing (art. 268 WIB) Art. 22, 3 WIB: Kosten ter verkrijging/behouden van inkomen, mogen worden afgetrokken. 4. Betalingstermijn Art. 412, eerste lid, 1 WIB: Binnen de vijftien dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling. 5. Vrijstelling of verzaking Art. 264-265 WIB: vrijstellingen voor inning van roerende voorheffing. Art. 266 WIB: Dit zijn de verzakingen van de roerende voorheffing J. Aangifte in de personenbelasting 1. Roerende inkomsten waarvoor roerende voorheffing is ingehouden Bevrijdende roerende voorheffing: De belastingplichtige is niet verplicht om zijn belastbare roerende inkomsten in zijn aangifte te vermelden, wanneer voor deze inkomsten roerende voorheffing werd ingehouden. Inkomsten uit auteursrechten moeten daarentegen altijd worden aangegeven, ook wanneer voldoende roerende voorheffing werd ingehouden. Roerende inkomsten toch aangeven? => belast tegen afzonderlijke tarieven. Als de toepassing van progressieve tarieven voordeliger uitvalt, worden deze tarieven toegepast. De roerende inkomsten worden in de PB enkel progressief belast wanneer de globalisatie van alle inkomsten voordeliger is voor de belastingplichtige. Aangiftevrijstelling geldt enkel voor roerende inkomsten. 23

2. Roerende inkomsten waarvoor geen roerende voorheffing ingehouden Voor deze inkomsten moet de belastingplichtige steeds aangifte doen. bv. inning van dividenden of interesten rechtstreeks in het buitenland Sommige roerende inkomsten zijn wettelijk vrijgesteld van roerende voorheffing: Inkomsten verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen Inkomsten begrepen in lijfrenten of tijdelijke renten Inkomsten uit gewone spaardeposito s in mate dat zij meer bedragen dan 1.250 en voor zover de roerende voorheffing op dat hogere gedeelte niet is geheven. Dividenden van coöperatieve vennootschappen boven de 125 Dividenden en interesten uitbetaald door vennootschappen met een sociaal doel K. Grondslag in de personenbelasting 1. Bruto roerend inkomen Het bruto roerend inkomen bestaat uit het toegekende of betaalbaar gestelde bedrag: Vóór aftrek van betaalde innings- en bewaringskosten en soortgelijke kosten. Na aftrek van de in het buitenland afgehouden belastingen Eventueel verhoogd met de door de schuldenaar van de inkomsten ter ontlasting van de genieter gedragen roerende voorheffing (art. 268 WIB) 2. Van het bruto roerend inkomen aftrekbare kosten Innings- en bewaringskosten Voorwaarden: de aangegeven belastbare roerende inkomsten worden onderworpen aan progressieve aanslagvoeten. De aftrek is niet van toepassing wanneer het roerend inkomen werkelijk belast wordt tegen een afzonderlijke aanslagvoet Interesten: afgeschaft Verhuring, verpachting, gebruik, concessie (...) Brutobedrag mag verminderd worden met kosten gedaan om deze inkomsten te verkrijgen of te behouden. Geen bewijskrachtige gegevens: uitgaven en lasten forfaitair bepaald L. Aanvullende gemeentebelasting M. Verrekening en terugbetaling ingehouden roerende voorheffing 24

V. Beroepsinkomsten A. Winsten 1. Belastbare personen Art. 24, eerste lid WIB: de inkomsten van nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen worden gekwalificeerd als winsten. Handelsonderneming: activiteit bestaat uit het stellen van daden van koophandel. Nijverheidsonderneming: stoffen delven, fabriceren omvormen en conditioneren. Landbouwonderneming: ondernemingen die het land bewerken of aan veeteelt doen. 2. Winstbegrip Netto-actiefbenadering: manier van de wetgever om winst te bepalen Toename van het netto-actief gedurende het belastbaar tijdperk, met uitsluiting van nieuwe kapitaalinbrengen. Verschil tussen totaal van de activa en het vreemd vermogen. Vergelijking tussen twee opeenvolgende jaarbalansen Niet elke verhoging van het actief leidt tot stijging in resultatenrekening bv. meerwaarde op materieel of financieel vast actief Niet elke daling van het actief staat gelijk met een kost bv. wanneer de herwaarderingsmeerwaarde niet meer bestaat, wordt de waardedaling rechtstreeks afgeboekt van de passiefrekening herwaarderingsmeerwaarden Opbrengsten hoger dan kosten = winst Kosten hoger dan opbrengsten = verlies Verhouding met het boekhoudrecht: Primauteit: boekhoudrecht wordt t.a.v. fiscaal recht beschouwd als gemeen recht De fiscale wet kan wel uitdrukkelijk afwijken van de boekhoudrechtelijke wet. Boekhoudverplichtingen van de natuurlijke persoon: Art. III.82 WER: elke onderneming voert een voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding. De natuurlijke persoon die koopman is, wordt ook beschouwd als onderneming. Zij mogen een vereenvoudigde boekhouding voeren, voor zover hun omzet 500.000 niet overschrijdt. Deze natuurlijke persoon is ook gehouden tot een jaarlijkse inventaris. 25