TOETSTAAK 4: IK BEN IETS KWIJT



Vergelijkbare documenten
TOETSTAAK 9: HARD GEWERKT VANDAAG

TOETSTAAK 5: IK HEB EEN DOKTER NODIG

TOETSTAAK 12: KAN HET OP EEN ANDERE DAG?

TOETSTAAK 18: WANNEER IS DE WINKEL OPEN?

TOETSTAAK 3: MIJN ZOON IS ZIEK

TOETSTAAK 8: DAT IS LANG GELEDEN!

TOETSTAAK 16: REIZEN MET DE TREIN

TOETSTAAK 15: LUIDRUCHTIGE BUREN

TOETSTAAK 10: DE AFSPRAAK GAAT NIET DOOR

TOETSTAAK 1: ALLES KRIJGT EEN PLAATS

TOETSTAAK 2: NEEM DE EERSTE STRAAT RECHTS

TOETSTAAK 36: GEEF BLOED, RED EEN LEVEN

TOETSTAAK 44: NAAR DE TANDARTS

TOETSTAAK 39: ONGEVAL

TOETSTAAK 32: BRAND!!!!

TOETSTAAK 42: HALLO, MET DE POLITIE?

TOETSTAAK 38: A LA CARTE

TOETSTAAK 31: BABYSIT

TOETSTAAK 26: BRANDBLUSAPPARAAT

TOETSTAAK 19: MIJN ZUS GAAT TROUWEN!!!

Na het introducerend gesprek geeft u de cursisten de volgende instructie:

TOETSTAAK 23: ZOEKERTJE

TOETSTAAK 20: DANK U WEL!

TOETSTAAK 25: NEDERLANDSE LES

TOETSTAAK 28: IK BEN...EN IK HOU VAN...

TOETSTAAK 29: WAT VIND JIJ VAN BELGIE? DEEL 1

TOETSTAAK 24: ONGEVALLENVERZEKERING

TOETSTAAK 27: HET GEHEIME LAND

TOETSTAAK 8: SORTEREN

TOETSTAAK 4: EXAMEN NEDERLANDS

TOETSTAAK 15: PAS OP VOOR HET WATER!

TOETSTAAK 5: HOU HET VERS

TOETSTAAK 17: MET DE KINDEREN OP STAP

TOETSTAAK 14: FILE!!!

TOETSTAAK 7: SCHOOLREIS

TOETSTAAK 16: WATEROVERLAST

TOETSTAAK 10: ZAPPEN. 1. Materiaal nodig voor deze toetstaak. 2. Het afnemen van de toets taak

TOETSTAAK 18: TREINEN BIJ VERTREK

TOETSTAAK 1: GROETJES UIT BRAZILIE!!!

TOETSTAAK 2: EEN WEEKENDJE WEG...

TOETSTAAK 11: NICHTEN EN NEVEN

Checklist Gesprek voeren 2F - handleiding

GESPREKKEN VOEREN NEDERLANDS AAN HET EINDE VAN DEZE UITLEG:

TOETSTAAK 12: LUISTER NAAR DE RADIO

Algemene instructies voor de strategie: Vragen stellen. Introductiefase bij de eerste les:

Les 1 Integratie Leestekst: Een bankrekening. Introductiefase

$% & ' & , -., /.., 0 )+ # ""1 2 # ""! 3 & &&- $# 4$"4# ""! & /

Luisteractiviteit 3: Opzij, opzij, opzij...

Vrienden kun je leren

Beoordelingsmodellen PTIT Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid Voorbeeldexamen 2

2 Ik en autisme VOORBEELDPAGINA S

TOETSTIP 1 JANUARI 2006 TIP 1: HOE ONTWIKKEL IK EEN VALIDE TOETS?

WAAROM DE VOORBEELD- TOETSTAKEN?

TOETSTAAK 3: WEERBERICHT

Samenspraak Examen Nederlands Spreken en Gesprekken voeren 3F

Opleiding. Tolk Vlaamse Gebarentaal. Code + officiële benaming van de module. Module Vlaamse Gebarentaal B. Academiejaar

SCHRIJVEN Toetstaak een briefje voor de juf (Richtgraad 1.1)

Waarde-volle zorg is ook nog JONG!

Alles onder de knie? 1 Herhalen. Intro. Met de docent. 1 Werk samen. Lees het begin van de gesprekjes. Maak samen de gesprekjes af.

PROFIEL TOERISTISCHE EN INFORMELE TAALVAARDIGHEID

LEERKRACHTGEDEELTE ACTIVITEIT: ZEG HET MET EEN T- SHIRT

Spreken. Les 3: Wat zeg je? De supermarkt OPDRACHTKAART.

Dagelijks werkperiode 3

Aflevering 3: Werken en leren

Dwerggras 30, Rotterdam. 1. Schrijf tijdens het kijken dingen op die jou belangrijk lijken. Je hebt dit later nodig.

Wielewoelewool, ik ga naar school! Toelichting

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas

U leert in deze les "toestemming vragen". Toestemming vragen is vragen of u iets mag doen.

Les 1 Vragen stellen Leestekst: De tandarts

2009 Voorbeeldexamen NT2. Beoordelingsvoorschriften Spreken II. Staatsexamen Nederlands als tweede taal

Begeleide interne stage

Medewerker interne dienst. Persoonlijke effectiviteit: 2. Accuratesse

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND. Leeftijd 0 tot 4 jaar

Dit boekje is van... Mijn naam is: Mijn gezinsvoogd heet: Het telefoonnummer van de gezinsvoogd is:

ZIEN!-leerlingvragenlijst Instructies voor leerkracht en leerling

3 Hoogbegaafdheid op school

Lees voor gebruik eerst de uitgebreide handleiding, deel 2: Werken met beoordelingsmodellen productieve vaardigheden.

Spreken. Les 6: Wat zeg je? Telefoon OPDRACHTKAART.

Opdracht Soorten plannen

Wie praat wanneer met het kind? Methodisch Kind- Interview. Afstemming noodzakelijk. Voorwerk! Methodisch kind-interview.

Luisteractiviteit 4: Meisjes en wetenschap

ogen en oren open! Luister je wel?

Weekschema maken. Je gaat praten over de dingen die jij in één week doet. Deze activiteiten ga je in een schema op de computer uitwerken.

2.4 Tekstopbouw In deze paragraaf oefen je in het schrijven van een tekst met een indeling in inleiding, kern en slot.

TIPS VOOR HET COMMERCIËLE TELEFOONGESPREK

Transcriptie:

TOETSTAAK 4: IK BEN IETS KWIJT Vaardigheid: spreken. Doelstelling: eindterm 2 beheersen: de cursist kan een uitnodiging, een voorstel en een oproep verwoorden en erop reageren. Verwerkingsniveau: beschrijvend. Context: onthaal. INTRODUCTIE De toetsafnemer stelt de cursist gerust aan de hand van een kort introducerend gesprek over verloren voorwerpen. Het is belangrijk voor het goede verloop van de toetstaak dat de cursist even kan praten zonder dat hij daarop beoordeeld wordt. Vraag of de cursist weet wat verloren voorwerpen zijn. Is hij al eens iets kwijtgeraakt? Wat bijvoorbeeld? Geld, kleren, sleutels, boeken? INSTRUCTIE De toets: zie kopieerblad cursist, toets: spreken 4. De toetsafnemer leest de instructie voor: Je bent je handboek voor de Nederlandse les kwijt. Waarschijnlijk heb je het op school laten liggen, maar je weet niet meer precies waar.. Je vertelt aan iemand uit jouw klas dat je je boek kwijt bent. 2. Je vertelt waar je denkt dat je het boek hebt laten liggen. 3. Je vraagt aan de persoon uit jouw klas om ook te helpen zoeken en het boek terug te brengen naar jou als hij/zij het vindt. Tijdens het uitvoeren van de toetstaak mag de toetsafnemer op geen enkele wijze helpen. Eventueel kunnen de instructies nog eens op dezelfde wijze worden herhaald als ze niet goed begrepen zijn, maar extra uitleg (bijvoorbeeld, woordverklaringen) is uitgesloten. De maximale tijd voor het voeren van dit gesprek is 4 minuten.

Gespreksstramien (Toetsafnemer = T, Cursist = C) Dit een vrij gesloten gesprek. De toetsafnemer moet bijkomende vragen stellen als de cursist het item niet spontaan aanhaalt. De toetsafnemer moet wel opletten dat hij niet te snel hulpvragen stelt. De cursist moet de tijd krijgen om spontaan uitingen te formuleren. Het kan voorkomen dat een cursist onvoorziene dingen zegt of vraagt. De toetsafnemer reageert daarop naar eigen goeddunken en noteert dit voorval op het scoreblad van de cursist. Zo kan hij er achteraf naar teruggrijpen en op een vergelijkbare manier reageren bij andere cursisten. Maar de toetsafnemer moet er zich altijd van bewust zijn dat hoe meer hij tussenkomt of reageert, hoe meer verschillen hij creëert tussen de cursisten. En dat moet worden vermeden. T: Hey,, alles goed? T: Oei, dat is niet leuk. Weet je waar je het boek het laatst hebt gehad? T: Natuurlijk wil ik dat doen! Komt in orde, als ik het boek vind, breng ik het mee naar de volgende les. De cursist legt uit dat hij een probleem heeft. / Als de cursist enkel nee antwoordt, moet de toetsafnemer naar de reden vragen. De cursist vertelt waar hij denkt het boek te hebben verloren./ Als de cursist enkel ja antwoordt, moet de toetsafnemer naar een beschrijving van de plaats vragen. De cursist vraagt of de medecursist ook eens kan rondkijken en het boek aan hem kan bezorgen./ Als de cursist de vraag naar hulp niet spontaan stelt, moet de toetsafnemer polsen of de cursist hulp wil. De cursist neemt afscheid van de medecursist.

BEOORDELINGSMODEL De nadruk ligt op het overbrengen van de inhoud van de boodschap, niet de vorm. Op dit niveau zijn de vormelijke eisen die kunnen worden gesteld nog zeer laag. Voor vorm wordt dan ook een meer globaal criterium gehanteerd (zie model). Het spreektempo mag laag zijn, maar het gesprek moet in zijn geheel niet langer duren dan 4 minuten. De woordenschat mag omschrijvend zijn. Toetsitems Preconditie De cursist spreekt over het onderwerp. Inhoud Item. De cursist kan het probleem verwoorden. Item 2. De cursist kan verwoorden waar hij denkt dat hij het boek heeft laten liggen. Item 3. De cursist vraagt aan de medecursist om mee een oogje in het zeil te houden en het boek terug te brengen. Score Item 4. De cursist neemt afscheid van de medecursist. Spreekdurf De cursist doet actief mee aan het gesprek en wacht niet telkens hulpvragen van de toetsafnemer af om een goed antwoord te formuleren. Vorm De cursist kan zeer eenvoudige korte zinnen maken met stereotype formuleringen en standaarduitdrukkingen. De zinnen mogen op dit niveau nog af en toe fouten bevatten zoals: uitspraakfouten, fouten tegen de woordvolgorde,.... De fouten die gemaakt worden, hebben geen systematisch karakter; er worden niet steeds dezelfde fouten gemaakt. OF: De cursist kan woordgroepen formuleren, maar maakt systematisch dezelfde fouten, bijvoorbeeld tegen de woordvolgorde, vervoeging,... OF/EN De cursist maakt veel fouten, maar er ontstaat geen begripsverwarring. OF: De cursist formuleert uitingen van slechts woord, herhaalt enkel de instructie of kan helemaal geen antwoord geven. 0.5 0

Totaal 6

Naam:.. Datum:... TOETS Je bent je handboek voor de Nederlandse les kwijt. Waarschijnlijk heb je het op school laten liggen, maar je weet niet meer precies waar.. Je vertelt aan iemand uit jouw klas dat je je boek kwijt bent. 2. Je vertelt waar je denkt dat je het boek hebt laten liggen. 3. Je vraagt aan de persoon uit jouw klas om ook te helpen zoeken en het boek terug te brengen naar jou als hij/zij het vindt. kopieerblad cursist toets: spreken 4