2 Constante en variabele kosten 2.1 Inleiding Bij het starten van een nieuw bedrijf zal de ondernemer zich onder andere de vraag stellen welke capaciteit zijn bedrijf moet hebben. Zal hij een productie/omzet realiseren van 250.000, of bijvoorbeeld 500.000,? De grootte van de productie/omzet is van belang voor de keuze van het bedrijfspand en bij de aanschaf van de overige productiemiddelen. De gekozen bedrijfscapaciteit staat in relatie met de kosten die hij op grond hiervan maakt. In het vorige hoofdstuk hebben we bijvoorbeeld gezien dat de aanschaf van duurzame productiemiddelen leidt tot het maken van afschrijvingskosten, rentekosten en complementaire kosten. De kosten van een onderneming kun je op verschillende manieren indelen. In dit hoofdstuk bespreken we de constante kosten (paragraaf 2.2) en de variabele kosten (paragraaf 2.3). In paragaaf 2.4 behandelen we het bezettingsresultaat waarin we de geraamde constante kosten vergelijken met de werkelijk gemaakte constante kosten, en bepalen we de integrale kostprijs. Naast de fabricagekosten maakt een ondernemer ook verkoopkosten. Deze verkoopkosten behandelen we in paragraaf 2.5, zodat we naast de integrale fabricagekostprijs ook de commerciële kostprijs kunnen uitrekenen. Aan de hand van de omzet en de kostprijs kunnen we ten slotte het verkoopresultaat bepalen. 2.2 Constante kosten Constante kosten zijn kosten die niet veranderen bij een toe- of afname van de productie of verkopen. Daarom noemen we deze kosten ook wel vaste kosten. Voorbeelden van constante kosten zijn rente en afschrijving die we in hoofdstuk 1 hebben behandeld. Maar ook huur is een voorbeeld van constante kosten. De hoogte van de verkoop (of productie) heeft geen invloed op deze kosten. Ongeacht of er veel of weinig producten verkocht worden, moet de huur worden betaald. Constante kosten kunnen wel veranderen, bijvoorbeeld door een verhoging van Constante en variabele kosten 19
het rentepercentage. Deze verandering wordt echter niet veroorzaakt door een verandering in de productieomvang. Constante kosten Kosten die niet afhankelijk zijn van de productie of van de omzet. In sommige gevallen veranderen de constante kosten wel door een verandering van de omzet. De omzet kan namelijk zo sterk toenemen dat de capaciteitsgrens wordt overschreden. Dit is de reden dat constante kosten ook wel capaciteitskosten worden genoemd. Als je bijvoorbeeld steeds meer omzet draait waardoor je op een gegeven moment het pand moet uitbreiden en meer personeel in dienst moet nemen, zullen de constante kosten de capaciteitsgrens overschrijden. In onderstaande grafiek is te zien dat de constante kosten bij een omzet van 0, tot 700.000, gelijk blijven. Op het moment dat de omzet de grens van 700.000, bereikt, gaan de constante kosten ook stijgen. & kosten capaciteitsgrens totale constante kosten 0 700.000 omzet in euro % In de grafiek is sprake van omzet. In plaats van met omzet kunnen we ook werken met productieomvang. Als een onderneming zo hard groeit dat er steeds meer producten moeten worden gemaakt, dan zullen de constante kosten (door bijvoorbeeld meer werknemers, meer fabrieken) toenemen. De constante kosten dienen, net zoals alle andere noodzakelijke kosten, via de verkoopprijs van de producten terug te vloeien in de onder neming. Om te kunnen vaststellen welk bedrag per artikel voor constante kosten moet worden ingecalculeerd, baseren we ons op de 20 Hoofdstuk 2
normale jaarproductie. Onder de normale productie wordt verstaan die productie die de onderneming onder normale omstandigheden denkt te behalen. De economische crisis die momenteel bijvoorbeeld de autoindustrie treft, zal tot gevolg hebben dat de normale productie/afzet van auto s niet wordt gerealiseerd. De constante kosten per artikel worden als volgt bepaald: constante kosten C constante kosten per artikel normale productie N Voorbeeld Van een onderneming zijn de volgende gegevens bekend: constante kosten 400.000, normale productie 50.000 stuks werkelijke productie 60.000 stuks Bereken de constante kosten per artikel. C 400.000, 8, N 50.000 Je kunt de zaak ook omdraaien: bij een normale productie worden de constante kosten volledig terugverdiend: 50.000 8, = 400.000,. 2.3 Variabele kosten Variabele kosten veranderen bij een toe- of afname van de productie of omzet. Ze ontstaan pas als er geproduceerd of verkocht wordt. Voorbeelden van variabele kosten zijn: grondstofkosten bij een productiebedrijf, de inkoopwaarde van de omzet van een detaillist, verbruik van verpakkingsmateriaal en reclamekosten. Kosten die afhankelijk zijn van de productie of de om- Variabele kosten zet. De variabele kosten zijn dus gerelateerd aan de werkelijke productie. De variabele kosten per artikel worden als volgt bepaald: Constante en variabele kosten 21
variabele kosten per artikel variabele kosten werkelijke kosten V W Voorbeeld 1 Van een onderneming zijn de volgende gegevens bekend: variabele kosten 420.000, normale productie 50.000 stuks werkelijke productie 60.000 stuks Bereken de variabele kosten per artikel. V 420.000, 7, W 60.000 Voorbeeld 2 Van een onderneming zijn de volgende gegevens bekend: variabele kosten 840.000, normale productie 100.000 stuks werkelijke productie 120.000 stuks Bereken de variabele kosten per artikel. V 840.000, 7, W 120.000 Bij bovenstaande voorbeelden veranderen de variabele kosten per artikel niet als de productie toeneemt. We noemen deze kosten proportioneel variabel. Het verloop van de variabele kosten hangt af van de productieomvang. De variabele kosten kunnen op drie manieren verlopen: proportioneel variabel; degressief variabel; progressief variabel. Proportioneel variabele kosten omzet stijgen of dalen. Kosten die evenredig met de productie/ 22 Hoofdstuk 2
totale kosten progressief variabel proportioneel variabel degressief variabel productieomvang Stijgt de productieomvang of omzet met 50%, dan nemen totale variabele kosten ook toe met 50%. Progressief variabele kosten Kosten die meer dan evenredig toenemen als de productie/omzet stijgt en meer dan evenredig afnemen bij een dalende productie/omzet. Stijgt de productieomvang of omzet met 50%, dan nemen de totale variabele kosten toe met meer dan 50%. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Bijvoorbeeld: Personeel moet steeds meer werken op zondagen en krijgt daarvoor een toeslag. Machines maken meer uren waardoor slijtage en onderhoud extra toenemen. Degressief variabele kosten Kosten die minder dan evenredig toenemen als de productie/omzet stijgt en minder dan evenredig afnemen bij een dalende productie/omzet. Stijgt de productieomvang of omzet met 50%, dan nemen totale variabele kosten toe met minder dan 50%. Dit kan zijn oorzaak bijvoorbeeld vinden in: De korting op inkopen stijgt door grotere afname. Het aannemen van kwalitatief beter personeel leidt tot lagere kosten. Constante en variabele kosten 23
Wanneer in opgaven niet anders wordt aangegeven, gaan we ervan uit dat de variabele kosten proportioneel stijgen of dalen. Voorbeeld Een bedrijf verkocht in 2008 25.000 artikelen. De variabele kosten waren in dat jaar 2.000,. In 2009 steeg de afzet naar 50.000 stuks. De variabele kosten bedroegen in dat jaar 2.500,. a. Bereken de variabele kosten per artikel voor 2008. b. Bereken de variabele kosten per artikel voor 2009. c. Is hier sprake van proportioneel variabele, degressief variabele of progressief variabele kosten? Motiveer je antwoord. V 2.000, a. 0,08 W 25.000 V 2.500, b. 0,05 W 50.000 c. De kosten stijgen met 500,. In procenten is dit: 500, 100% 25% 2.000, De afzet steeg met 25.000 stuks. In procenten is dit: 25.000 100% 100% 25.000 De variabele kosten stijgen minder dan evenredig met de afzet; er is dan sprake van degressief variabele kosten. 2.4 Integrale fabricagekostprijs en bezettingsresultaat Integrale fabricagekostprijs We hebben in de paragrafen 2.2 en 2.3 de variabele kosten en constante kosten per artikel als volgt berekend: constante kosten C constante kosten per artikel normale productie N 24 Hoofdstuk 2
variabele kosten per artikel Totale kosten variabele kosten werkelijke kosten V W Het totaal van constante kosten en variabele kosten. Totale kosten = constante kosten + variabele kosten TK = C + V De fabricagekostprijs oftewel de totale fabricagekosten per artikel berekenen we als volgt: integrale fabricagekostprijs constante kosten normale productie variabele kosten werkelijke productie C N V W Voorbeeld Onderneming Hinwol BV heeft over 2008 de volgende gegevens betreffende de fabricage verzameld: constante kosten 500.000, normale bezetting 50.000 stuks werkelijke bezetting 80.000 stuks variabele kosten 320.000, Bereken de integrale fabricagekostprijs. C V 500.000, 320.000, 10, 4, 14, N W 50.000 80.000 Er is bij de bovenstaande berekening rekening gehouden met alle fabricagekosten. We spreken daarom van de integrale (fabricage)kostprijs. Bezettingsresultaat Bij het bezettingsresultaat vergelijken we de doorberekende constante kosten met de werkelijke constante kosten. Bij de berekening van de integrale kostprijs delen we de constante kosten door de normale (verwachte) productieomvang. De normale productie omvang zal in de realiteit afwijken van de werkelijke productieomvang. Constante en variabele kosten 25
Overbezetting (positief bezettingsresultaat) Indien de werkelijke productieomvang hoger is dan de normale of verwachte productieomvang, is er sprake van een positief bezettingsresultaat. Met bestaande productiemiddelen is meer geproduceerd en dus zijn de kosten per eenheid product lager dan begroot. Onderbezetting (negatief bezettingsresultaat) Indien de werkelijke productieomvang lager is dan de normale of verwachte productieomvang, kunnen de constante kosten over minder eenheden per product worden terugverdiend. De constante kosten drukken zwaarder op elke eenheid product. Er is dan sprake van een negatief bezettingsresultaat. bezettingsresultaat werkelijke productie normale productie W N C N constante kosten normale productie Voorbeeld Boomkwekerij Cox bv heeft over 2009 de volgende gegevens verzameld: constante kosten 500.000, variabele kosten 700.000, normale productie 60.000 stuks werkelijke productie 50.000 stuks a. Bereken de integrale kostprijs. b. Bereken het bezettingsresultaat, en geef aan of dit resultaat een positief of negatief bezettingsresultaat betreft. a. Integrale kostprijs: C V 500.000, N W 60.000 700.000, 8,33 14, 22,33 50.000 26 Hoofdstuk 2
b. Bezettingsresultaat: C W N N 500.000, 50.000 60.000 10.000 8,33 83.300, 60.000 Er zijn in werkelijkheid 10.000 stuks minder geproduceerd dan was geraamd. Voor deze 10.000 producten is geen dekking voor constante kosten. Er is dus sprake van een negatief bezettingsresultaat oftewel is er sprake van onderbezetting. 2.5 Commerciële kostprijs, omzet en verkoopresultaat Commerciële kostprijs In paragraaf 2.4 hebben we de integrale kostprijs berekend. Deze kostprijs is gerelateerd aan de fabricage van goederen. Deze kostprijs wordt dan ook integrale fabricagekostprijs genoemd. Niet alleen bij de fabricage maar ook bij de verkoop worden kosten gemaakt. Deze verkoopkosten bestaan bijvoorbeeld uit kosten van verkopers en kosten van reclame. De verkoopkosten kunnen we net als bij de fabricage verdelen in constante en variabele kosten. Ook is er bij verkopen sprake van een normale afzet (verkoop) en een werkelijk aantal verkochte producten. Als we de fabricagekostprijs verhogen met de verkoopkosten per product ontstaat de commerciële kostprijs. Commerciële kostprijs = integrale fabricagekostprijs + verkoopkosten per product In het voorbeeld hierna is de fabricagekostprijs al berekend. Vervolgens worden de verkoopkosten per product bepaald. De verkoopkosten per product worden met dezelfde formule berekend als bij de vaststelling van de integrale fabricagekostprijs. Door de commerciële kostprijs te verhogen met een winstopslag wordt de nettoverkoopprijs per eenheid product bepaald. De nettoverkoopprijs wordt ook wel kortweg verkoopprijs genoemd. Dit is altijd een prijs exclusief btw. Soms wordt dat erbij vermeld, maar ook als het er niet bij staat, zit er géén btw in de (netto)verkoopprijs. Constante en variabele kosten 27
Voorbeeld De volgende gegevens zijn beschikbaar: fabricagekostprijs 6, variabele verkoopkosten 50.000, constante verkoopkosten 50.000, normale productie en verkopen in stuks 50.000 werkelijke productie en verkopen in stuks 40.000 winstopslag 25% van de commerciële kostprijs Bereken de nettoverkoopprijs. De (integrale) verkoopkosten per product zijn: C V 50.000, 50.000, 1, 1,25 N W 50.000 40.000 fabricagekostprijs 6, verkoopkosten 2,25 commerciële kostprijs 8,25 winstopslag 25% 8,25 2,06 nettoverkoopprijs 10,31 2,25 Stapsgewijs hebben we in dit voorbeeld eerst de commerciële kostprijs berekend, en door die te verhogen met de winstopslag hebben we de nettoverkoopprijs vastgesteld. Nettoverkoopprijs Commerciële kostprijs + winstopslag Schematisch ziet dit er als volgt uit: fabricagekostprijs nettoverkoopprijs verkoopkosten + winstopslag commerciële kostprijs commerciële kostprijs winstopslag + verkoopkosten nettoverkoopprijs fabricagekostprijs Omzet en verkoopresultaat (winst of verlies) Zojuist hebben we volgens het gegeven schema de nettoverkoopprijs van één artikel bepaald. Een ondernemer wil graag zijn omzet, de opbrengst van alle verkochte artikelen, weten. 28 Hoofdstuk 2
Omzet Nettoverkoopprijs per artikel het aantal verkochte artikelen Goederen worden geproduceerd met de bedoeling deze te verkopen. Elke commercieel ingestelde ondernemer streeft ernaar winst te maken. Het kan echter ook voorkomen dat er verlies wordt geleden. Het bedrag aan nettowinst of -verlies wordt verkoopresultaat genoemd. Verkoopresultaat Omzet commerciële kostprijs We zullen de bepaling van het verkoopresultaat illustreren met twee voorbeelden. Voorbeeld 1 Van een artikel worden 50.000 stuks verkocht voor 17, per stuk exclusief btw. De commerciële kostprijs bedraagt 11, per stuk. Bepaal het verkoopresultaat. Omzet (afzet nettoverkoopprijs) 50.000 17, = 850.000, Commerciële kostprijs: 50.000 11, = 550.000, Verkoopresultaat (50.000 6, ) = 300.000, Voorbeeld 2 De constante fabricagekosten van een artikel bedragen 6, en de variabele fabricagekosten 4, per stuk. De totale constante verkoopkosten bedragen 50.000, en de variabele verkoopkosten bedragen 100.000,. De normale afzet is 40.000 stuks en de werkelijke afzet bedraagt 50.000 stuks. De verkoopprijs exclusief btw is 20, per stuk. a. Bereken de fabricagekostprijs. b. Bereken de commerciële kostprijs. c. Bereken het verkoopresultaat. a. Fabricagekostprijs = C + V = 6, + 4, = 10, Constante en variabele kosten 29
b. Commerciële kostprijs = fabricagekostprijs + verkoopkosten Verkoopkosten: C V 50.000 100.000 1,25 2,00 3,25 N W 40.000 50.000 Commerciële kostprijs = 10, + 3,25 = 13,25 c. Omzet: 50.000 20, = 1.000.000, Commerciële kostprijs: 50.000 13,25 = 662.500, Verkoopresultaat 337.500, 2.6 Samenvatting Kosten die niet afhankelijk zijn van de productie of de om- Constante kosten zet. constante kosten per artikel constante kosten normale productie C N Variabele kosten Kosten die afhankelijk zijn van de productie of de omzet. variabele kosten per artikel variabele kosten werkelijke kosten V W Proportioneel variabele kosten stijgen of dalen. Kosten die evenredig met de productie/omzet Progressief variabele kosten Kosten die meer dan evenredig toenemen als de productie/omzet stijgt en meer dan evenredig afnemen bij een dalende omzet. Degressief variabele kosten Kosten die minder dan evenredig toenemen als de productie/omzet stijgt en minder dan evenredig afnemen bij een dalende omzet. Totale kosten Het totaal van constante kosten en variabele kosten. Integrale fabricagekostprijs = constante kosten variabele kosten C V normale productie werkelijke productie N W 30 Hoofdstuk 2
Bezettingsresultaat = constante kosten normale productie werkelijke productie normale productie W N C N Als W > N, ontstaat overbezetting (positief bezettingsresultaat). Als W < N, is er sprake van onderbezetting (negatief bezettingsresultaat). Als W = N, is er geen bezettingsresultaat. Integrale fabricagekostprijs + verkoopkosten per pro- Commerciële kostprijs duct Nettoverkoopprijs Commerciële kostprijs + winstopslag Bepaling nettoverkoopprijs fabricagekostprijs verkoopkosten + commerciële kostprijs winstopslag + nettoverkoopprijs Omzet Nettoverkoopprijs per artikel aantal verkochte artikelen Verkoopresultaat Omzet commerciële kostprijs Constante en variabele kosten 31