LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS Vak: TV Toegepaste informatica Complementair gedeelte 1/1 lt/w Studierichtingen: Studiegebieden: Onderwijsvorm: Graad: Leerjaar: Bio-esthetiek, Bouw- en houtkunde, Bouwtechnieken, Dek, Dierenzorgtechnieken, Elektriciteit-elektronica, Elektromechanica, Elektrotechnieken, Fotografie, Handel, Handel-talen, Handel-topsport, Hotel, Houttechnieken, Industriële wetenschappen, Lichamelijke opvoeding en sport, Mechanische technieken, Motoren, Slagerij en vleeswaren, Sociale en technische wetenschappen, Toerisme, Topsport Tuinbouwtechnieken Bouw, Fotografie, Handel, Hout, Land- en tuinbouw, Lichaamsverzorging, Maritieme opleidingen, Mechanicaelektriciteit, Personenzorg, Sport, Toerisme, Voeding TSO tweede graad eerste en tweede leerjaar Leerplannummer: 2008/053 (vervangt 2004/033) Nummer inspectie: (vervangt 2004 / 36 // 1 / G / SG / 1 / II / / D/)
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 2 INHOUDSOPGAVE Beginsituatie... 3 Algemene doelstellingen... 4 Leerplandoelstellingen en leerinhouden... 5 Deel 1: netwerken... 5 Deel 2: tekstverwerking... 6 Deel 3: rekenblad... 8 Deel 4: gegevensbeheer... 9 Deel 5: presentatie (U)... 11 Deel 6: multimedia... 12 Pedagogisch-didactische wenken... 13 Minimale materiële vereisten... 18 Evaluatie... 19 Bibliografie... 21
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 3 BEGINSITUATIE Bij het nastreven van de vakoverschrijdende ICT-doelstellingen hebben de leerlingen in de eerste graad al een aantal ICT-vaardigheden verworven. Dit leerplan bouwt hierop verder. Indien de leerlingen de vereiste voorkennis niet bezitten, kunnen passende maatregelen genomen worden.
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 4 ALGEMENE DOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen 1 werken in een netwerkomgeving; 2 de voordelen en risico's van computernetwerken opsommen; 3 vlot en efficiënt informatie zoeken op internet; 4 kritisch omgaan met informatie; 5 inzien dat voor het oplossen van bepaalde problemen bepaalde programma's meer of minder geschikt zijn; 6 de fasen doorlopen die moeten gevolgd worden bij het oplossen van een probleem; 7 inzichtelijk en efficiënt een tekstverwerker toepassen in een realistische context; 8 inzichtelijk en efficiënt een rekenblad toepassen in een realistische context; 9 inzicht hebben in het concept van een eenvoudige databank. 10 inzichtelijk en efficiënt een pakket voor gegevensbeheer toepassen in realistische voorbeelden; 11 ICT hanteren op een veilige, weerbare en ethisch correcte wijze; 12 samenwerken om een probleem op te lossen; 13 gestructureerd werken met de nodige nauwkeurigheid, orde en zorg.
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 5 LEERPLANDOELSTELLINGEN EN LEERINHOUDEN De doelstellingen en leerinhouden die cursief zijn weergegeven en aangeduid zijn met (U), zijn te beschouwen als facultatieve uitbreidingen. DEEL 1: NETWERKEN LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen 1 1.1 enkele voor- en nadelen van netwerken opsommen. 1.2 de minimale hardware- en softwarevereisten specificeren. 1.3 enkele voorbeelden geven van een LAN en een WAN. 1.4 het doel van de server en een werkstation omschrijven en de opstellingen met en zonder server schematisch voorstellen. 1.5 enkele mogelijkheden van het delen van bronnen formuleren. 1.6 de wijze waarop een netwerk beveiligd wordt, toelichten. 1.7 zich aanmelden op een netwerk. LEERINHOUDEN 1 Netwerken 1.1 Voor- en nadelen 1.2 Vereiste hard- en software (o.a. router, draadloze verbinding) 1.3 Lokaal en wereldwijd netwerk 1.4 Configuratiemogelijkheden (met en zonder server) 1.5 Delen van (hardware en software) bronnen 1.6 Beveiliging 1.7 Aanmelden 2 2.1 gericht en efficiënt opzoeken. 2.2 gerichter zoeken door gebruik maken van operatoren voorzien door de zoekmachine. 2.3 hun computer beveiligen. 2.4 de gevaren en/of risico s die gepaard gaan met het gebruik van het internet, inschatten. 2 Internet 2.1 Efficiënt zoeken 2.2 Operatoren (en, of, etc) 2.3 Beveiliging 2.4 Gevaren en risico s
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 6 DEEL 2: TEKSTVERWERKING LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen LEERINHOUDEN 1 1.1 de noodzaak van het correct en efficiënt gebruik van een tekstverwerkingsprogramma toelichten. 1.2 de helpmogelijkheden van het pakket gebruiken. 2 2.1 de belangrijkste opmaakkenmerken op het niveau van teken, alinea en pagina vlot en efficiënt toewijzen en ongedaan maken. 2.2 het nut van opmaakprofielen inzien en een bestaand opmaakprofiel toepassen. 3 3.1 teksten efficiënt reviseren en corrigeren. 3.2 tekstfragmenten in een document zoeken en evt. vervangen en de risico s verbonden aan automatisch vervangen, inzien. 3.3 spellingcontrole en grammaticale controle toepassen, de aanwijzingen interpreteren en verbeteringen aanbrengen. 3.4 automatische tekstcorrectie uitvoeren. 4 4.1 met de tabelgenerator een eenvoudige tabel opbouwen. 4.2 basishandelingen uitvoeren. 4.3 de opmaak van een tabel aanpassen. 5 5.1 autovormen gebruiken om een eenvoudige figuur te tekenen. 5.2 tekenen met verschillende werktuigen. 5.3 figuren opmaken. 1 Basis 1.1 Correct en efficiënt gebruik 1.2 Helpfunctie 2 Opmaak 2.1 Teken, alinea- en paginaopmaak, o.a. o alineaovergang (alinea-einde) o opmaak van een tekstfragment kopiëren o marges o opsommingen o tabulator (basisinstellingen) o koptekst, voettekst met paginanummering o afdrukstand 2.2 Opmaakprofielen o nut o gebruik 3 Aanpassingen 3.1 Revisie en correctie 3.2 Zoeken en vervangen 3.3 Spellings- en grammaticacontrole 3.4 Automatische tekstcorrectie 4 Tabellen 4.1 Opbouw 4.2 Basishandelingen (o.a. rijen en kolommen wissen, invoegen) 4.3 Opmaak 5 Tekenen 5.1 Autovormen 5.2 Werktuigen (bijv. potlood, kwast, spuitbus, roller) 5.3 Opmaak
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 7 LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen LEERINHOUDEN 6 6.1 een rekenblad of grafiek in een tekst invoegen. 6.2 een tekst(deel) van een ander document of webpagina invoegen. 6.3 een afbeelding invoegen en eenvoudige aanpassingen aan de lay-out aanbrengen. 6 Geïntegreerde toepassingen 6.1 Invoeging van rekenblad en grafieken 6.2 Integratie van een tekst 6.3 Invoegen en aanpassen van een afbeelding (onder meer vergroten, verkleinen, verplaatsen en de tekstomloop aanpassen)
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 8 DEEL 3: REKENBLAD LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen 1 1.1 structuurelementen elementen herkennen. 1.2 een werkblad invoegen, benoemen en verwijderen, navigeren tussen verschillende werkbladen. 1.3 rijen en kolommen invoegen, verwijderen en in resp. hoogte en breedte aanpassen. 1.4 een eenvoudige opmaak realiseren. 1.5 formules gebruiken. 1.6 de helpmogelijkheden gebruiken. LEERINHOUDEN 1 Basiselementen 1.1 Structuurelementen: werkmap, (actief) werkblad, rij, kolom, celbereik, cel en celadres 1.2 Werkbladen 1.3 Rijen en kolommen 1.4 Opmaak (o.a. lettertype, -grootte, weergave) 1.5 Formules (operatoren +, -, * en /) 1.6 Helpfunctie 2 2.1 verschillende gegevenstypes herkennen en efficiënt invoeren en wijzigen. 2.2 cellen automatisch vullen met een opeenvolgende reeks waarden. 2.3 verschillende notatievormen op een cel of groep cellen toepassen. 3 3.1 het principe van relatieve en absolute adressering toepassen. 3.2 formules efficiënt kopiëren. 2 Celinhoud 2.1 Alfanumerieke en numerieke gegevens 2.2 Automatisch vullen 2.3 Getalnotatie (o.a. aantal decimalen, datum, valuta en percentage) 3 Relatieve en absolute adressering 3.1 Principe 3.2 Formules 4 4.1 de voornaamste rekenkundige functies efficiënt gebruiken. 4.2 de niet-geneste ALS-functie opstellen. 5 5.1 op basis van de gegevens uit een of meer kolommen de rijen sorteren. 6 6.1 gegevens analyseren en interpreteren door de meest geschikte grafiek op te stellen. 6.2 de opmaak van de grafiek aanpassen. 4 Functies 4.1 Rekenkundige functies (o.a. som, gemiddelde, aantal, minimum en maximum) 4.2 Logische functie: ALS 5 Sorteren 5.1 Oplopend, aflopend rangschikken 6 Grafische voorstelling 6.1 Soorten grafieken (bijv. lijn-, staaf-, cirkeldiagram) 6.2 Opmaak
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 9 DEEL 4: GEGEVENSBEHEER LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen LEERINHOUDEN 1 1.1 het doel en de mogelijkheden van een databankprogramma omschrijven. 1.2 de begrippen tabel, record en veld onderling in verband brengen aan de hand van een bestaande tabel. 1.3 een record uniek identificeren d.m.v. een primaire sleutel. 1.4 de relaties tussen 2 of meer tabellen inzien d.m.v. een uitgewerkt voorbeeld (U). 2 2.1 een bestaande databank openen, sluiten, opslaan. 2.2 records aanpassen, toevoegen en verwijderen. 2.3 records sorteren. 2.4 met behulp van een filter records selecteren. 2.5 met een selectiequery zoekvoorwaarden opstellen voor één of meerdere velden. 2.6 gegevens groepsgewijs wijzigen of verwijderen (U). 1 Algemeenheden 1.1 Databankprogramma 1.2 Databank, tabel, record en veld 1.3 Primaire sleutel 1.4 Databank met meerdere tabellen (U) 2 Gebruik van een bestaande databank 2.1 Databank openen, sluiten, opslaan 2.2 Records bewerken 2.3 Records sorteren 2.4 Filter 2.5 Selectiequery 2.6 Actiequery (U) 3 3.1 het geschikte gegevenstype van een veld bepalen. 3.2 enkele eigenschappen van velden instellen en aanpassen. 3.3 een sleutelveld vastleggen. 3 Een nieuwe tabel maken (U) 3.1 Gegevenstype (o.a. tekst, getal, datum, logisch) 3.2 Veldeigenschappen (o.a. lengte, notatie, validatie) 3.3 Primaire sleutel 4 4.1 de functie van een formulier toelichten. 4.2 een bestaand formulier gebruiken als databankinterface. 4.3 een nieuw formulier ontwerpen aan de hand van de wizard (U). 4.4 besturingselementen verplaatsen en bijhorende labels wijzigen (U). 4 Formulieren 4.1 Doel 4.2 Gebruik 4.3 Aanmaak met de wizard (U) 4.4 Beperkte aanpassingen (U)
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 10 LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen LEERINHOUDEN 5 5.1 de functie van een rapport toelichten. 5.2 een bestaand rapport gebruiken. 5.3 een nieuw rapport aanmaken aan de hand van de wizard en gepaste groepering en sortering van de gegevens toepassen (U). 5.4 besturingselementen verplaatsen en bijhorende labels wijzigen (U). 5 Rapporten 5.1 Doel 5.2 Gebruik 5.3 Aanmaak met de wizard (U) 5.4 Beperkte aanpassingen (U)
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 11 DEEL 5: PRESENTATIE (U) LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen LEERINHOUDEN 1 1.1 het doel en de mogelijkheden van een presentatieprogramma omschrijven. 1.2 criteria i.v.m. inhoud, vorm en opmaak toepassen in functie van het onderwerp en het doelpubliek. 1.3 de verschillende beeldweergaven gebruiken. 1 Algemeenheden 1.1 Doel en mogelijkheden 1.2 Criteria voor een goede presentatie 1.3 Bouwsteen (dia) en de verschillende weergaven 2 2.1 de verschillende vormen van schermopbouw (titeldia, opsomming, genummerde lijst ) gebruiken. 2.2 de opmaak van de presentatie kiezen, aanbrengen en aanpassen. 2.3 ontwerpsjablonen gebruiken. 2.4 op sobere wijze gebruik maken van de animatieeffecten. 2.5 grafische vormen (pijl, cirkel ), afbeeldingen en tabellen invoegen. 2 Maken 2.1 Soorten dia s 2.2 Letterbeeld, opsommingtekens, achtergrond 2.3 Ontwerpsjablonen 2.4 Beeldopbouw, diaovergang, animatie-effecten 2.5 Grafische vormen en objecten 3 3.1 weten op welke manier een hand-out kan afgedrukt worden. 3.2 de presentatie doorlopen. 3 Presenteren 3.1 Afdrukken 3.2 Gebruiken (o.a. automatisch en doorlopende voorstelling, volgende en vorige dia selecteren...)
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 12 DEEL 6: MULTIMEDIA LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen LEERINHOUDEN 1 1.1 de beeldformaten onderscheiden en de voor- en nadelen van elk type ervaren. 1.2 beelden invoeren. 1.3 beeldmateriaal bewerken. 1.4 beeldmateriaal publiceren. 1 Beeldverwerking 1.1 Formaten (o.a. bmp, gif, jpg, tif) 1.2 Invoer (van bijv. scanner, digitale camera, Internet, cd, dvd) 1.3 Bewerken 1.4 Publicatie (bijv. op cd of dvd, via presentatie, afdruk) 2 2.1 geluid- en videofragmenten maken of downloaden. 2.2 geluid- en videofragmenten bewerken. 2.3 geluid- en videofragmenten synchroniseren. 2.4 geluid- en videofragmenten publiceren. 2 Geluid en video 2.1 Invoer (bijv. eenvoudige stemopname, muziek) 2.2 Bewerking 2.3 Synchronisatie 2.4 Publicatie (bijv. cd, dvd, presentatie)
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 13 PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE WENKEN 1 Algemene pedagogisch-didactische wenken 1.1 Begeleid zelfgestuurd leren 1.1.1 Wat? Met begeleid zelfgestuurd leren bedoelen we het geleidelijk opbouwen van een competentie naar het einde van het secundair onderwijs, waarbij leerlingen meer en meer het leerproces zelf in handen gaan nemen. Zij zullen meer en meer zelfstandig beslissingen leren nemen in verband met leerdoelen, leeractiviteiten en zelfbeoordeling. Dit houdt onder meer in dat; - de opdrachten meer open worden; - er meerdere antwoorden of oplossingen mogelijk zijn; - de leerlingen zelf keuzes leren maken en die verantwoorden; - de leerlingen zelf leren plannen; - er feedback is op proces en product; - er gereflecteerd wordt op leerproces en leerproduct. De leraar is ook coach, begeleider. De impact van de leerlingen op de inhoud, de volgorde, de tijd en de aanpak wordt groter. 1.1.2 Waarom? Begeleid zelfgestuurd leren sluit aan bij enkele pijlers van ons PPGO, o.m. - leerlingen zelfstandig leren denken over hun handelen en hierbij verantwoorde keuzes leren maken; - leerlingen voorbereiden op levenslang leren; - het aanleren van onderzoeksmethodes en van technieken om de verworven kennis adequaat te kunnen toepassen. Vanaf het kleuteronderwijs worden werkvormen gebruikt die de zelfstandigheid van kinderen stimuleren, zoals het gedifferentieerd werken in groepen en het contractwerk. Ook in het voortgezet onderwijs wordt meer en meer de nadruk gelegd op de zelfsturing van het leerproces in welke vorm dan ook. Binnen de vakoverschrijdende eindtermen, meer bepaald Leren leren, vinden we aanknopingspunten zoals; - keuzebekwaamheid; - regulering van het leerproces; - attitudes, leerhoudingen, opvattingen over leren. In onze (informatie)maatschappij wint het opzoeken en beheren van kennis voortdurend aan belang. 1.1.3 Hoe te realiseren? Het is belangrijk dat bij het werken aan de competentie de verschillende actoren hun rol opnemen; - de leraar als coach, begeleider; - de leerling gemotiveerd en aangesproken op zijn leer kracht; - de school als stimulator van uitdagende en creatieve onderwijsleersituaties. De eerste stappen in begeleid zelfgestuurd leren zullen afhangen van de doelgroep en van het moment in de leerlijn Leren leren, maar eerder dan begeleid zelfgestuurd leren op schoolniveau op te starten is klein beginnen aan te raden. Vanaf het ogenblik dat de leraar zijn leerlingen op min of meer zelfstandige manier laat - doelen voorop stellen; - strategieën kiezen en ontwikkelen; - oplossingen voorstellen en uitwerken; - stappenplannen of tijdsplannen uitzetten; - resultaten bespreken en beoordelen; - reflecteren over contexten, over proces en product, over houdingen en handelingen; - verantwoorde conclusies trekken;
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 14 - keuzes maken en die verantwoorden; - is hij al met een of ander aspect van begeleid zelfgestuurd leren bezig. 1.2 Vakoverschrijdende eindtermen 1.2.1 Wat? Vakoverschrijdende eindtermen (VOET) zijn minimumdoelstellingen, die in tegenstelling tot de vakgebonden eindtermen niet gekoppeld zijn aan een specifiek vak, maar door meerdere vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. De VOET worden volgens een aantal vakoverschrijdende thema's geordend; leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie, milieueducatie en muzisch-creatieve vorming. De school heeft de maatschappelijke opdracht om de VOET volgens een eigen visie en stappenplan bij de leerlingen na te streven (inspanningsverplichting). 1.2.2 Waarom? Het nastreven van VOET vertrekt vanuit een bredere opvatting van leren op school en beoogt een accentverschuiving van een eerder vakgerichte ordening naar meer totaliteitsonderwijs. Door het aanbieden van realistische, levensnabije en concreet toepasbare aanknopingspunten, worden leerlingen sterker gemotiveerd en wordt een betere basis voor permanent leren gelegd. VOET vervullen een belangrijke rol bij het bereiken van een voldoende brede en harmonische vorming en behandelen waardevolle leerinhouden, die niet of onvoldoende in de vakken aan bod komen. Een belangrijk aspect is het realiseren van meer samenhang en evenwicht in het onderwijsaanbod. In dit opzicht stimuleren VOET scholen om als een organisatie samen te werken. De VOET verstevigen de band tussen onderwijs en samenleving, omdat ze tegemoetkomen aan belangrijk geachte maatschappelijke verwachtingen en een antwoord proberen te formuleren op actuele maatschappelijke vragen. 1.2.3 Hoe te realiseren? Het nastreven van VOET is een opdracht voor de hele school, maar individuele leraren kunnen op verschillende wijzen een bijdrage leveren om de VOET te realiseren. Enerzijds door binnen hun eigen vakken verbanden te leggen tussen de vakgebonden doelstellingen en de VOET, anderzijds door thematisch onderwijs (teamgericht benaderen van vakoverschrijdende thema's), door projectmatig werken (klas- of schoolprojecten, intra- en extramuros), door bijdragen van externen (voordrachten, uitstappen). Het is een opdracht van de school om via een planmatige en gediversifieerde aanpak de VOET na te streven. Ondersteuning kan gevonden worden in pedagogische studiedagen en nascholingsinitiatieven, in de vakgroepwerking, via voorbeelden van goede school- en klaspraktijk en binnen het aanbod van organisaties en educatieve instellingen. 1.2.4 VOET in het vak informatica Sommige VOET worden binnen zo goed als elke les nagestreefd en hoeven in principe niet telkens in de jaarplannen, agenda, VOET-document worden opgenomen. Andere VOET kunnen eventueel aan bod komen door onderwerpen behandelen die met een of meer VOET te maken hebben. Indien dat het geval is, is het aan te bevelen om deze expliciet in de hierboven genoemde documenten op te nemen. Uiteraard moet de leraar ook tijd vrijmaken om inhoudelijk die VOET te bespreken. Natuurlijk worden hierover afspraken gemaakt met andere vakleraren zodat een evenwichtige spreiding kan nagestreefd worden. VOET die impliciet in nagenoeg elke les worden nagestreefd, zijn bijv.: binnen de cluster gezondheidseducatie: de leerlingen o verzorgen en gedragen zich hygiënisch; o passen veiligheidsvoorschriften toe en nemen veiligheidsvoorzorgen; o kunnen omgaan met taakbelasting, examenstress en teleurstellingen; o tonen het belang aan van ergonomie en nemen een gevarieerde zithouding aan in leef- en werkomgeving;
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 15 binnen de cluster leren leren: de leerlingen o o o kunnen diverse informatiebronnen en -kanalen kritisch kiezen en raadplegen met het oog op te bereiken doelen; oefenen zinvol in, memoriseren, herhalen en passen toe; kunnen probleemoplossingsstrategieën toepassen en de resultaten evalueren; binnen de cluster milieueducatie: de leerlingen o o kunnen milieuaspecten op school identificeren en gericht zoeken naar informatie m.b.t. tot omgaan met middelen, grondstoffen en verbruiksgoederen; zijn bereid tot een duurzaam gebruik van grondstoffen, goederen, energie en vervoermiddelen; binnen de cluster sociale vaardigheden: de leerlingen o o oefenen zich in relatievormen die ze minder goed beheersen, bijv.: zich dienstvaardig opstellen, om hulp vragen en dankbaarheid tonen; kunnen het belang aangeven van volgende kenmerken van relaties: afspraken, regels, rolpatronen, machtsverhoudingen en gelijkwaardigheid. VOET die in aanmerking komen om via gepaste opdrachten te bespreken, zijn deze uit de clusters: gezonde en actieve leefstijl, relaties en seksualiteit, milieuzorg, natuurzorg, verkeer en mobiliteit, mensenrechten, actief burgerschap en besluitvorming. De leraar kan bijv. binnen het onderdeel tekstverwerking teksten selecteren die een van bovenstaande thema s behandelen. Ook is het mogelijk om via een rekenblad of databank realistische data te verwerken die op een van de VOET betrekking hebben. 2 Specifieke pedagogisch-didactische wenken 2.1 Tijdsbesteding Het leerplan wordt opgevat als een halfopen leerplan. Dit betekent dat naast het minimumpakket de school vrij is om afhankelijk van de studierichting keuzes te maken en dit in functie van de voorkennis van de leerlingen. Onderstaande tabel geeft het aantal uur weer dat minimaal aan elk onderdeel moet besteed worden. Er wordt ervan uitgegaan dat een schooljaar 25 lesweken per jaar bedraagt.
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 16 Netwerken 3 Tekstverwerking 10 1 Rekenblad 10 Gegevensbeheer 8 Multimedia 6 Vrij te kiezen 13 o Uitbreidingsdoelstellingen (U) o Uitdieping van de opgegeven leerplandoelstellingen o Presentatie o Ondersteuning van vakoverschrijdende projecten o Actuele evoluties Het spreekt vanzelf dat het jaarplan met zorg moet opgemaakt worden. De leraar zal opmerken dat voor het onderdeel O&I het jaarplan in geen geval een kopie kan zijn van het leerplan, maar in tegendeel de voorziene toepassingen (met opgave van de te behandelen ontwerp- en implementatie-elementen) zal bevatten. 2.2 Tekstverwerking Voor de lessen tekstverwerking is het van belang dat de leerlingen teksten intypen met correcte lay-out: bijv. het consequent gebruik van 6 pt. alineawit (volgens de aanbevelingen van het Bin-boekje, zie bibliografie); nooit meer dan één spatie, nooit meer dan één alinea-einde, nooit meer dan één tabuleeropdracht na elkaar intikken. Een correct ingestelde tabulatie en het gebruik van een gepast opmaakprofiel kan die problemen vermijden. Het spreekt vanzelf dat de leerlingen kunnen gebruik maken van documenten voorzien van aangepaste opmaakprofielen of geschikt sjabloon die vooraf door de leraar werden voorbereid. Bij de aanvang zijn volgende werkwijzen mogelijk: de leerlingen tikken enkel een tekst in als aanvulling op een document dat zich al in de correcte lay-out bevindt; het standaard opmaakprofiel wordt vooraf aangepast; elk nieuw document wordt gecreëerd vanuit een eigen sjabloon met correcte opmaak dat ter beschikking van de leerlingen gesteld wordt. De leerlingen kunnen getraind worden om op systematische wijze de correcte procedure toe te passen bij het intikken en opmaken van een tekst. Deze procedure bestaat uit: de platte tekst intypen (inclusief titel, ondertitels ); de tekst in een verantwoorde map opslaan; de tekst bewerken door gebruik te maken van opmaakprofielen (bijv. Kop 1, Kop 2, kop- en voettekst ). Nadat deze routine verworven is, kan eventueel (als uitbreiding) een eenvoudige sjabloon ontworpen worden. Bijzondere aandacht moet geschonken worden aan de Bin-normen, niet enkel in de lessen tekstverwerking, maar ook in alle andere onderdelen. De leraar moet er ook voor zorgen dat bijv. toetsen en examens de Binnormen volgen. 1 Voor de richtingen Handel en Handel-talen valt de module tekstverwerking weg gelet op het apart vak Dactylografie. De vrij gekomen lestijden kunnen over de andere modules verdeeld worden.
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 17 2.3 Gegevensbeheer Het kunnen inzichtelijk werken met een databank primeert op het aanleren van een specifiek databankprogramma. Het doel is immers de leerlingen te laten kennis maken met de mogelijkheden en voordelen van databanken in het algemeen. Hierbij kunnen aspecten aan bod komen zoals de gebruiksvriendelijkheid van een (invoer)formulier, de noodzakelijke nauwkeurigheid bij het formuleren van selectiecriteria bij een query of de relevantie bij de publicatie van gegevens in een rapport. Wat het werken met meerdere tabellen betreft (is als uitbreiding in het leerplan voorzien), moeten de leerlingen enkel het nut ervan inzien. Dit kan door de structuur te tonen (niet zelf te laten ontwikkelen) van een databank met 2 tot 3 tabellen. De leerlingen kunnen de samenhang inzien tussen enerzijds een welbepaalde informatiebehoefte en anderzijds de hiervoor benodigde tabellen/velden. Ook kan aandacht gaan naar algemene kwaliteitscriteria zoals de data-integriteit (bijv. via het toepassen van validatieregels bij de invoer van gegevens), consistentie (als een zelfde gegeven meermaals voorkomt, dient dit telkens identiek te zijn), het opheffen van redundantie (geen herhaald invoeren van eenzelfde gegeven) en het vermijden van invoer van procesgegevens (omdat deze gegevens kunnen afgeleid worden uit eerder ingevoerde gegevens). 2.4 Presentatie Dit gedeelte is volledig facultatief omdat we ervan kunnen uitgaan de leerlingen al voldoende ervaring hebben opgedaan in de eerste graad (of zelfs vroeger). Alleen als die voorkennis niet aanwezig is, kan de leraar aan dit onderwerp enkele lessen besteden. 2.5 Multimedia Het is niet de bedoeling om dit gedeelte diepgaand te behandelen. Het is belangrijk dat de leerlingen weten in welk formaat foto s en afbeeldingen (afkomstig van een scanner, van een fototoestel, van het internet...) moeten verwerkt worden ten einde ze te kunnen integreren in een presentatie of tekst (al dan niet voor publicatie op papier, voor opname in een website of om door te sturen via het internet). Indien geluidsopnamen moeten bewerkt worden, kunnen die opgenomen worden met een eenvoudige microfoon of camera, maar ze kunnen evengoed gedownload worden.
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 18 MINIMALE MATERIËLE VEREISTEN 1 Het basisprincipe houdt in dat elk lesuur er per leerling één computer aanwezig is. Het is tevens noodzakelijk dat de leerlingen kunnen gebruik maken van een scanner en toegang hebben tot het internet. De computer moet in staat zijn om zonder problemen professionele pakketten met grafische interface te kunnen draaien. Het is vanzelfsprekend dat de school beschikt over legale versies van de te gebruiken software. Vanuit louter didactisch standpunt is de keuze van de versie van het pakket niet belangrijk (maar alle items van het leerplan moeten wel kunnen aan bod komen). De toestellen moeten zo opgesteld staan dat er naast de computer nog voldoende ruimte is voor een boek of schrift. Tevens moeten volgende ergonomische eisen vervuld zijn; het scherm moet van goede kwaliteit (stabiel beeld zonder reflecties) en verstelbaar zijn, voor het toetsenbord moet er voldoende ruimte zijn voor de polsen. Het is aangewezen dat in de mediatheek een aantal basiswerken over informatica en vaktijdschriften aanwezig zijn. Leerlingen van deze studierichting beschikken normaal over een eigen computer. Indien er leerlingen zijn die hierbij problemen hebben, moeten zij maximale faciliteiten krijgen om op school (binnen en buiten de normale lestijden) te kunnen oefenen. De vakgroep zal zich regelmatig beraden over de keuze en het gebruik van cursussen en handboeken. 1 Inzake veiligheid is de volgende wetgeving van toepassing: Codex, ARAB, AREI, Vlarem. Deze wetgeving bevat de technische voorschriften die in acht moeten genomen worden m.b.t. de uitrusting en inrichting van de lokalen en de aankoop en het gebruik van toestellen, materiaal en materieel. Zij schrijven voor dat duidelijke Nederlandstalige handleidingen en een technisch dossier aanwezig moeten zijn, alle gebruikers de werkinstructies en onderhoudsvoorschriften dienen te kennen en correct kunnen toepassen, de collectieve veiligheidsvoorschriften nooit mogen gemanipuleerd worden en de persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig moeten zijn en gedragen worden, daar waar de wetgeving het vereist.
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 19 EVALUATIE 1 Algemene principes Evaluatie wordt niet meer beschouwd als een afzonderlijke activiteit louter gericht op beoordelen, maar wordt in tegendeel meer en meer verweven met het leerproces zelf. Het doel van de evaluatie is de leerling beter te kunnen begeleiden in zijn leerproces m.a.w. de leerling (maar ook de leraar) moet uit de evaluatie iets kunnen leren. Naast de evaluatie door de leraar, kunnen ook de leerlingen bij de evaluatie betrokken worden via peerevaluatie (leerlingen evalueren elkaar), zelfevaluatie (de leerling evalueert zichzelf) of co-evaluatie (samen met de leraar). De school is bevoegd voor alles wat met evaluatie te maken heeft. Het spreekt dus vanzelf dat de individuele leraar zijn evaluatie moet afstemmen op het evaluatiebeleid van de school en dat de in het leerplan opgenomen aanbevelingen hieraan ondergeschikt zijn. 2 Kwaliteitscriteria Zoals alle meetapparatuur, moet ook het evaluatie-instrument aan bepaalde kwaliteitscriteria voldoen. Het is vanzelfsprekend dat er een sterke overeenkomst moet bestaan tussen de onderwezen doelstellingen (op niveau van kennis, vaardigheden en attitudes) en de opgaven van toetsen en examens. Elke opgave moet communicatief eenduidig zijn (slechts voor één interpretatie vatbaar, goed afgebakend en met een beperkt aantal kettingopdrachten). Indien de leerling bij een complexe oefening niet verder kan, zal de leraar hulp bieden. Het spreekt vanzelf dat de leerlingen op toetsen en examens enkel te maken krijgen met opgaven waaraan ze zich min of meer verwachten. Vermits vooral vaardigheden getest worden, moeten bij voorkeur de kennisinhouden beschikbaar gesteld worden (bijv. cursus, handboek of handleiding). Hoe groter het aantal vragen, hoe groter de betrouwbaarheid van het resultaat. Verschillende soorten vragen die gerangschikt zijn in bijv. stijgende moeilijkheidsgraad, motiveert de leerlingen. Een handige vuistregel is: ongeveer 3/4 van de vragen hebben betrekking op kennis en vaardigheden die voor de leerstofvooruitgang onmisbaar zijn en die voor het opleidingsprofiel functioneel zijn. De overige vragen zijn dan (moeilijkere) differentieervragen. De analyse van de antwoorden en de resultaten (ook de samenhang van het aantal onvoldoendes met andere vakken) geven aanleiding tot bijsturingen en tot leeradviezen. Toetsen en examens worden besproken met en zijn ter inzage van de leerlingen. Ten slotte zal de leraar erop letten dat de evaluatie op geen enkel moment demotiverend werkt. 3 Proces- en productevaluatie Het onderscheid tussen proces- en productevaluatie is niet altijd even duidelijk: bij procesevaluatie wordt de leerling tijdens het leerproces zelf geëvalueerd en gaat men na in welke mate de doelstellingen al bereikt zijn en of de gebruikte werkvormen wel efficiënt waren; de productevaluatie is eerder gericht op het resultaat, wordt afgenomen na een afgesloten geheel van de leerstof en spreekt een oordeel uit over de prestaties van de leerling, dus in welke mate de doelstellingen bereikt werden. In beide gevallen gaat het (afhankelijk van het leerplan) over een mix van kennis, vaardigheden en attitudes. 4 Hoe moet de leraar evalueren? Meestal maakt de leraar gebruik van volgende evaluatievormen: permanente evaluatie waar kennis, vaardigheden en attitudes geëvalueerd worden; schriftelijke toetsen en praktijkexamens waar doorgaans vooral de productevaluatie aan bod komt; volledigheidshalve moeten nog de mondelinge toetsen vermeld worden, maar de praktijk wijst uit dat die steeds minder voorkomen.
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 20 Het is aan de leraar om bij elke evaluatievorm een evenwichtige puntenverdeling op te stellen voor alle in aanmerking komende evaluatie-elementen (en die ook aan de leerlingen mee te delen). Het gebruik van de helpfaciliteiten van het softwareprogramma is vanzelfsprekend. Ook het laten gebruiken van eigen nota s of handboeken kan geen probleem vormen. 5 Permanente evaluatie De belangrijkste doelstellingen van het leerplan zijn de vaardigheden. De werkvorm die gebruikt wordt om deze doelen te bereiken, is hoofdzakelijk het onder begeleiding individueel werken aan de computer. De evaluatievorm die hiervoor in aanmerking komt, is de zgn. permanente evaluatie. Permanente evaluatie is per definitie de evaluatie van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leerlingen tijdens hun opleiding. De leraar of vakgroep kan uitgaande van de doelstellingen van het leerplan een hanteerbare lijst opmaken van de te evalueren criteria (op niveau van kennis, vaardigheden en attitudes). Er kan gewerkt worden met een fiche per klas of per leerling, waarop de leraar gedurende een rapportperiode of korter (bijv. de duur van een thema of project) zijn observaties noteert (dat is de registratiefase) 1. De mate waarin een criterium bereikt werd, kan op de fiche genoteerd worden door middel van een schaal: bijv. + bereikt, + niet helemaal bereikt, niet bereikt; ZG (zeer goed), G (goed), V (voldoende), ZW (zwak), ZZW (zeer zwak); cijfercode bijv. 1 tot 3. Het gebruik van schalen met meer dan 5 indelingen moet absoluut vermeden worden omdat het niet mogelijk is om waargenomen observaties zo sterk te nuanceren. Wat de attitudes betreft onderscheiden we de vakgerichte attitudes (die in het leerplan vermeld staan) en de vakoverschrijdende attitudes. De vakgerichte attitudes worden mee verrekend met het vakcijfer, maar voor de vakoverschrijdende is dat niet aangewezen (die worden bij voorkeur apart geëvalueerd en gerapporteerd via een zgn. attituderapport). Er moet wel over gewaakt worden dat attitude niet verward wordt met gedrag, waarvoor het lokale tuchtreglement toepasselijk is. Nadien moet de leraar al de observaties adequaat rapporteren (met woorden of vertaald naar een cijfer). Ten slotte moet dit proces leiden tot een aangepaste remediëring. 6 Specifieke richtlijnen voor de pakketten Alle vragen hebben betrekking op praktische voorbeelden (toetsen en examens worden dus aan de computer opgelost). Willekeurige cijfergegevens of abstracte namen moeten vermeden worden (de link met een werkelijke situatie moet steeds bewaard worden). Voor de traditionele pakketten zijn details niet belangrijk en worden dus niet geëvalueerd. De helpmogelijkheden van het pakket kunnen steeds worden geraadpleegd. Het is aan te bevelen om zoveel mogelijk aandacht te schenken aan de creativiteit van de leerling. Zo zijn bijv. opgaven waarbij de leerlingen enkel een tekst, rekenblad of databank moeten namaken (kopiëren) te vermijden. Ook zijn teksten die een samenraapsel zijn van korte zinnen met verschillende lettertypes en opmaak maar zonder zinvol verband totaal uitgesloten. 1 Voorbeelden van evaluatiedocumenten zijn te vinden op de website van de PBD: www.gemeenschapsonderwijs.be/pbd
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 21 BIBLIOGRAFIE Netwerken BODERÉ, C. e.a., Digit, Communicatie, Pelckmans, 2008. DE ROOVER C. e.a., Computers en systeemsoftware, Averbode, 2007. DE ROOVER C. e.a., Internet, Averbode, 2007. D HAENENS B., HERTVELDT F., Uitbouw van een netwerk in de klas, op school of op kantoor, Standaard Uitgeverij. GENBRUGGE H., VAN BAUWEL L., GIGA Informatica In en om de pc, Wolters Plantyn, 2007. Tekstverwerking BODERÉ, C., DEVOOGHT R., DE RAEDT W., Digit, Tekstverwerking, Pelckmans, 2007. DE BROUWER, H., HOSTYN, M., LEMAITRE, D., LOONES, J., MAASSEN, J., VOLDERS, V., Tekstverwerking MS Word en XP basis en gevorderden, 2003, http://pbd.gemeenschapsonderwijs.net/ DE GEYTER-DIEPENDAELE, T., Wegwijs in ICT basis, WWW-Soft, 2005. DE ROOVER C. e.a., Tekstverwerking, Averbode, 2007. DEVRIENDT, D. en DE GEYTER-DIEPENDAELE, T. Werk wijzer Met Word 2000 en XP, deel 1 en deel 2, WWW-Soft, 2000 en 2003, www.wwwsoft.be GEMEENSCHAPSONDERWIJS, PEDAGOGISCHE BEGELEIDINGSDIENST, Het Bin-Boekje, Nevelland, 2007. GENBRUGGE H., VAN BAUWEL L., GIGA Informatica Word en PowerPoint, Wolters Plantyn, 2007. MESDOM F., STEPPE G., VANDERBIESEN G., Via Informatica, Tekstverwerking, Die Keure, 2004. Vaardige Vingers, driemaandelijks tijdschrift van de Academie voor Bureauwetenschappen, www.abw.be VAN DEN BROECK E., CUYPERS E., MS Word 2007, De Boeck, 2007. Rekenblad BODERÉ, C. e.a., Digit, Rekenblad, Pelckmans, 2007. DE ROOVER C. e.a., Rekenblad, Averbode, 2007. FRANS R., Excel XP, Campinia Media, Geel. GENBRUGGE H., VAN BAUWEL L., GIGA Informatica Excel, Wolters Plantyn, 2007. MESDOM F., STEPPE G., VANDERBIESEN G., Via Informatica, Rekenblad, Die Keure, 2004. VAN DEN BROECK E., CUYPERS E., MS Excel 2007, De Boeck, 2008. Gegevensbeheer BEHIELS, K., GILS, J., GOOSSENS, E., Gegevensbeheer en algoritmen in Access en Excel (basis), Infobooks, 2005. BODERÉ, C. e.a., Digit Databeheer, Pelckmans, 2007. DE ROOVER C. e.a., Gegevensbeheer, Begrippenkader, Averbode, 2007. DE ROOVER C. e.a., Gegevensbeheer, Begrippenkader, Inzichtelijk werken, Averbode, 2007. FRANS R., Access XP (2 delen beginners en gevorderden), Campinia Media, Geel.
TV Toegepaste informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week) 22 GENBRUGGE H., VAN BAUWEL L., GIGA Informatica Access, Wolters Plantyn, 2007. MESDOM F., STEPPE G., VANDERBIESEN G., Via Informatica, Gegevensbeheer, Die Keure, 2004. Presentatie DE ROOVER C. e.a., Presentaties, Averbode, 2007. GENBRUGGE H., VAN BAUWEL L., GIGA Informatica Word en PowerPoint, Wolters Plantyn, 2007. VAN DEN BROECK E., CUYPERS E., MS PowerPoint 2003, De Boeck, 2005. Multimedia MESDOM F., STEPPE G., VANDERBIESEN G., Via Informatica, Digitale fotobewerking, Die Keure, 2006. VAN HETEREN M., Windows wijzer, Multimedia, Ten Hagen en Stam, 2000.