Gottlob Frege, Der Gedanke, 1918. Achtergrond Na de enorme teleurstelling die de ontdekking door Russell van de verzamelingtheoretische paradox was Frege lange tijd niet in staat te werken. Hij besloot het ambitieuze logicistische programma te laten varen en nam zich voor een boek op het gebied van de filosofische logica te schrijven. Der Gedanke zou één van de eerste hoofdstukken van een dergelijk boek zijn. De andere twee artikelen Die Verneinung en Gedankengefüge. Der Gedanke is opnieuw een meesterlijk essay. Frege introduceert een reeks problemen waar taalfilosofen tot op de dag van vandaag mee worstelen: wat is een assertie?, wat houdt het in om in de eerste persoon enkelvoud over jezelf na te denken?, wat is de relatie tussen taal en denken?, verkrijgen we in het leren spreken van een taal een beeld op de werkelijkheid?, wat is de logisch structuur van zinnen waarin woorden voor propositionele houdingen voorkomen?, wat is logica? Hier volgt eerst een samenvatting van de belangrijkste redeneringen die in dit rijke essay voorkomen. Samenvatting Frege opent zijn essay met de stelling dat het woord waar logica de richting wijst. Logica houdt zich bezig met het bestuderen van de wetten van het waar-zijn. Het woord kan echter op twee manieren worden opgevat: als beschrijvende (descriptieve) en als voorschrijvende (prescripitieve/normatieve) wetten. Frege s opvatting over wat logische wetten zijn kan gemakkelijk aanleiding zijn voor misverstanden. Hij stelt dat logische wetten beschrijven. Ze beschrijven echter niet de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, maar de logische relaties binnen het abstracte derde rijk (te vergelijken met Plato s abstracte ideeënrijk). Logische wetten zijn dus objectief waar of wij mensen dat nu weten of niet. Die objectieve waarheid wordt gegarandeerd door het feit dat logische wetten verankerd zijn in dat abstracte derde rijk. Zijn logische wetten dus in abstracte zin beschrijvend, voor ons mensen zijn logische wetten voorschrijvend. Wij moeten logische wetten gehoorzamen, omdat we anders ongeldige redeneringen construeren.
Logische wetten zijn dus per se geen wetten die ons daadwerkelijke denken beschrijven. Frege heeft zijn leven lang gefulmineerd tegen deze opvatting, het zogenaamde psychologisme. Als Frege het over denken en gedachten heeft, verwijst hij niet naar concrete neurofysiologische of psychologische processen in ons hoofd, maar naar de objectieve inhoud van ons denken. Je kunt dit vergelijken met een dans. Een dansend paar maakt bewegingen op de dansvloer; wat zij dansen is de foxtrot. Dit brengt ons bij de vraag van welke entiteiten wij nu eigenlijk zeggen dat ze waar of onwaar zijn. Welke dingen zijn waar? De meningen hierover lopen uiteen. Sommigen zeggen dat beweerzinnen waar of onwaar zijn. Dan doet zich de vraag voor of we het hebben over type-zinnen of token-zinnen. Het antwoord luidt natuurlijk: Token zinnen! Maar zijn token-zinnen zelf waar of onwaar of juist datgene wat door een token-zin tot uitdrukking wordt gebracht? Deze vraag stelt Frege aan de orde. We moeten eerst echter vaststellen dat Frege het woord waar niet gebruikt in de zin van Anselmus in zijn dialoog De Veritate. Daar heeft Anselmus het over het gebruik van het woord waar in samenstellingen als een ware vriend, echte liefde. Waar betekent dan zoiets als waarachtig. Frege onderzoekt nu of het woord waar een eigenschap uitdrukt en zo ja, waarvan dan wel. Om met dat laatste te beginnen: Frege bespreekt vier kandidaten: beelden voorstellingen zinnen gedachten Hij stelt dat in het geval van de eerste twee kandidaten er alleen sprake kan zijn van waarheid, indien een bedoeling met deze beelden en voorstellingen geassocieerd wordt. Op zichzelf betekent een afbeelding volgens Frege niet. De vraag wordt dan: welke bedoeling? Het antwoord luidt: de bedoeling dat er een bepaalde overeenstemming bestaat tussen het beeld en het afgebeelde. Indien dat zo is, bestaat waarheid dus uit een overeenstemming tussen een beeld en het afgebeelde. Dit is de welbekende correspondentie-theorie van de waarheid.
Frege wijst deze theorie af. Hij heeft daarvoor de volgende argumenten: waarheid is geen woord dat een relatie uitdrukt, maar een eigenschap. overeenstemming is 1) onvolmaakt, 2) kan alleen bestaan tussen vergelijkbare dingen hetgeen 3) a fortiori geldt voor zintuiglijke voorstellingen, terwijl waarheid daarentegen 1) absoluut is en 2) juist een verschil vereist tussen voorstelling en afgebeelde stand van zaken. Frege gaat nog een stap verder en wijst iedere waarheidsdefinitie af om de volgende reden: Iedere waarheidsdefinitie is circulair. Immers, wanneer we waarheid definiëren door middel van het geven van eigenschappen, dan moet het waar zijn dat het waarheidsbegrip die eigenschappen heeft. Ergo: waarheid is niet definieerbaar. Frege vervolgt met de stelling dat beelden en zintuiglijke voorstellingen te grof zijn om dragers van een waarheidswaarde te zijn. Zinnen zijn daartoe veel beter geschikt en zijn bij uitstek de entiteiten waarvan wij zeggen dat ze waar of onwaar zijn. Voorzichtigheid is echter opnieuw geboden. Wat is immers een zin? Een zin is een syntactische eenheid met Sinn! Een reeks schrifttekens op papier heeft geen betekenis, dat heeft die reeks pas als ze een gedachte uitdrukt. De vraag wordt dus: wat is de Sinn van een zin precies? Wat zijn gedachten? Frege betreurt het in een voetnoot dat hij gedachten niet zuiver kan tonen, ze komen altijd geheuld in het kleed van de taal. Hij meent dus dat denken talig is en dat we om die reden taal moeten analyseren. Die taalanalyse wordt echter gemotiveerd door zijn wens gedachten te analyseren. Een belangrijk verschil tussen objectieve gedachte-inhouden en zinnen is dat objectieve gedaagdeninhouden niet, maar zinnen wel zintuiglijk zijn. Waarheid is nu volgens Frege niet een eigenschap van zintuiglijke dingen, zoals gekleurd zijn dat wel is. Waarheid is iets anders. Hij illustreert dit met het volgende voorbeeld. We zien dat de zon opgaat. De zon is rood. Dit is een zintuiglijke eigenschap van de zon. Wij zeggen nu: Dat de zon opgaat is waar. Dat de zon opgaat is de Sinn van de zin De zon gaat op.
Conclusie: de gedachte die in de zin wordt uitgedrukt heeft de eigenschap waar te zijn. Deze bevinding introduceert nu een probleem. Want wat voegt het begrip waarheid nu eigenlijk toe? Wat is het verschil tussen Dit ding heeft deze eigenschap en Het is waar dat dit ding deze eigenschap heeft? Waarheid lijkt haast overbodig (redundant) te zijn, ofschoon het zo n helder begrip lijkt! Wat zijn nu Gedanken precies? Om te beginnen stelt Frege dat alleen beweerzinnen (asserties/oordelen) gedachten uitdrukken. Taaldaden als wensen, bevelen, gebeden, verzoeken, doopacten, etc. doen dat niet. Een beweerzin kan opgevat worden als een antwoord op een vraag. Een vraag is iets dat om bevestiging of ontkenning vraagt. Dit betekent dat een oordeel ook twee elementen moet bevatten: een oordeelsinhoud een bevestiging dat deze oordeelsinhoud waar is. Frege stelt nu dat iedere oordeelsact drie elementen bevat: het vatten van de oordeelsinhoud (gedachte) het mentale oordelen (judgement) het uiten van dat oordeel, het beweren (asserteren/oordelen) Zonder het mentale oordeel hebben we geen echte bewering, maar slechts de schijn van een bewering. Dit gebeurt bijvoorbeeld in een toneelspel, waar geen echte oordelen worden uitgesproken, maar gedaan alsof. wat is het verschil? Het mentale oordeel ontbreekt. Nu is het zo dat een bewering ook gevoelens kan uitdrukken. Volgens Frege is dat vanuit logisch oogpunt niet van belang. Hoe strenger de wetenshap hoe minder gevoelens de uitspraken van die wetenschap uitdrukken. Das ~Lob der wissenschaftliche Trockenheit! Hij waarschuwt ons nu voor de volgende twee verschijnselen: dezelfde gedachte kan door verschillende woorden worden uitgedrukt. dezelfde woorden kunnen verschillende gedachten uitdrukken.
Het eerste geval is bekend. Of je nu zegt Daar loopt een paard. of Daar loopt een ros. maakt hooguit voor het uitgedrukte gevoel wat uit, maar niet voor de feitelijke gedachte die in die zin wordt uigedrukt. Het tweede geval doet zich voor bij zinnen in de tegenwoordige tijd. Zinnen in de tegenwoordige tijd (tempus praesens) kunnen tijdloos zijn, zoals Metalen zetten bij verhitting uit, of juist verwijzen naar het hier en nu, zoals Het regent. Wanneer iemand dat zegt is de gedachte die hij uitdrukt dat het op het tijdstip van zijn uitspraak in zijn omgeving regent. De gedachte is dus rijker aan inhoud dan de woordenboekbetekenis van de zin. Dit probleem wordt nog nijpender als we zinnen beschouwen waarin het ogenschijnlijk simpele woordje ik voorkomt. Frege brengt dit probleem te berde door de notoite figuur Dr Lauben aan ons voor te stellen. Neem het volgende geval. Dr Lauben zegt: Ik ben gewond. Leo Peter zegt: Dr Lauben is verwond. Wordt in deze twee zinnen nu dezelfde gedachte uitgedrukt? Nee, zegt Frege, want het is goed mogelijk dat Rudolf Lingens beide uitspraken heeft aangehoord, maar niet weet wie Dr. Lauben is, zodat hij twee verschillende gedachten met de twee uitspraken verbindt, namelijk: de man die nu spreekt is gewond de man die Leo Peter Dr Lauben noemt is gewond. Het kan zelfs zo zijn dat een zekere Herbert Garner dr Lauben kent en dat Leo Peter Gustav Lauben kent. Beiden verbinden ze een verschillende gedachte met die zin, want het kan zijn dat Herbert Garner niet weet dat de persoon die hij eerbiedig aanspreekt met Herr dr Lauben! dezelfde persoon is die Leo Peter zo oneerbiedig aanduidt met de naam Gustav Lauben. Dit brengt ons bij een belangrijk criterium die Frege zo en passent introduceert.
Twee gedachten S en S* zijn verschillend, indien en alleen indien het rationeel mogelijk is S voor waar te houden en s* niet. Dit wordt het criterium van cognitieve significantie voor de identiteit van gedachten genoemd. Problemetisch voor Frege s stelling dat Sinne objectief zijn en door meerdere denkers gedacht kunnen worden is nu zijn uitspraak dat iedereen aan zichzelf gepresenteerd is op een unieke en primitieve manier, waarin hij aan niemand anders gegeven is. Dr Lauben zou de enige zijn die kan denken Ik, dr Lauben, ben gewond. Is dat zo? Is de gedachte die in die zin wordt uitgedrukt nu Ik ben gewond of Degene die nu aan het woord is is gewond. Kunnen wij gedachten op een dergelijke manier beschouwen. Kunnen we gedachten als entiteiten opvatten, net zoals we dat met bomen en paarden ook kunnen doen? Deze vraag brengt ons bij een volgende episode in dit essay. Sinds Descartes zijn wij vertrouwd met het onderscheid tussen een binnenwereld van de geest en een buitenwereld van materiële objecten. Waar behoren gedachten aan toe: de binnenwereld of de buitenwereld. Onze intuïtie zegt aan de binnenwereld, maar Frege gaat deze intuïtie als volgt te lijf. Hij vergelijkt voorstellingen met materiële objecten. voorstellingen zin niet zintuiglijk gegeven; materiële objecten wel voorstellingen worden bezeten als inhouden van het bewustzijn; materiële objecten worden niet op een dergelijke manier bezeten voorstellingen hebben een drager nodig, dat is essentieel voor voorstellingen; materiële objecten hebben geen drager nodig
iedere voorstelling heeft maar één drager; wij kunnen onze voorstelling niet delen; dit geldt voor materiële objecten niet Neem de uitdrukking die linde daar. Waar verwijst die uitdrukking daar in de zin Die linde daar is mijn voorstelling.? Indien dielinde daar naar een object in de werkelijkheid verwijst, dan in ieder geval niet naar iets in mijn bewustzijn. Dan is deze zin dus onwaar. Indien die uitdrukking niet verwijst naar iets in de werkelijkheid, dan is de zin onwaar en hooguit een regel poëzie. Zijn gedachten nu voorstellingen? Neem bijvoorbeeld de gedachte de stelling van Pythagoras. Indien gedachten voorstelligen zijn, dan hebben gedachten ook de eigenschap dat iedereen zijn eigen gedachte heeft; in dit geval iedereen heeft zijn eigen stelling van Pythagoras. De consequentie daarvan zou zijn dat iedereen zijn eigen wiskunde, zijn eigen wetenschap en zijn eigen waarheid erop na zou houden. Die consequentie is absurd, dus kunnen gedachten geen voorstellingen zijn. Gedachten zijn dus noch materiële objecten, noch voorstellingen, maar behoren toe aan een eigen, abstract rijk, waarin, bijvoorbeeld, de stelling van Pythagoras tijdloos waar is. Die stelling heeft drager nodig om waar te zijn. Tegen deze opvatting brengt Frege nu een bezwaar naar voren van de kant van de idealist die zegt dat alles een droom is. Frege weerlegt dit bezwaar als volgt: Neem de stelling Ik alleen kan nadenken onder wat mijn voorstellingen zijn Is die uitspraak waar of onwaar? Iemand die onwaar zegt heeft daarmee meteen zijn idealisme opgegeven. de idealist zegt dus Waar!. Maar dit antwoord leidt tot een paradoxale conclusie. Indien ik zelf mijn eigen voorstelling ben, dan moet ik mij zelf de vraag stellen wie de drager van die voorstelling is. Immers, het was een essentiële eigenschap van voorstellingen dat ze dragers nodig hebben. Wie is dus de drager van de voorstelling ik? Wie ben ik dan, welke voorstelling? Op deze vragen moet de idealist het antwoord schuldig blijven en de conclusie luidt: ik kan niet mijn eigen voorstelling zijn.
Dit brengt Frege ertoe om nogmaals te benadrukken dat we altijd en overal de inhoud van ons bewustzijn moeten onderscheiden van het onderwerp waarover we nadenken. Hij vergelijkt het met de pijn van een zieke. Artsen kunnen daarover praten, zonder dat ze zelf die pijn hebben. Zodoende bereidt Frege de weg voor om zijn stelling aannemelijk te maken dat we ook gedachten als onafhankelijk van ons bestaand kunnen erkennen. Gedachten hebben ons niet als drager nodig. We vatten gedachten, wij maken ze niet! Dit is een realistisch standpunt. Frege zegt nu immers dat gedachten onafhankelijk van ons bestaan en dat zij een waarheidswaarde hebben of wij dat nu weten of niet. Een feit is een gedachte die waar is. Het ontdekken van feiten is het ontdekken van gedachten die waar zijn. Frege s standpunt heeft echter ook een idealistisch kenmerk. Dit blijkt uit zijn bespreking van de waarneming. Hij stelt dat het hebben van zintuiglijke indrukken nog niet hetzelfde is als het waarnemen van iets als iets. Die waarneming impliceert dat we kunnen oordelen over wat we zien. Oordelen drukken gedachten uit, dus gedachten (Sinne) zijn essentieel om te kunnen waarnemen. We leren die Sinne pas, door een taal te leren spreken. Met andere woorden: in het leren spreken van een taal, verkrijgen we een beeld op de werkelijkheid. Dit is een vorm van idealisme en wel van linguïstisch idealisme. Discussiepunten is logica de wetenschap van de waarheid of de kunst van het geldig redeneren? zijn de wetten van de logica objectief waar? wat is er verkeerd aan het psychologisme? hebben beelden een bedoeling nodig om waar of onwaar te kunnen zijn? Alle beelden? is waarheid ondefinieerbaar? wat is een oordeel? wat betekent het woordje ik? kun je het woordje ik correct gebruiken, wanneer je geen besef van een ik hebt? is dr Lauben aan zichzelf op een unieke en primitieve manier gegeven? zijn gedachten niet door ons geconstrueerd? is de stelling van Pythagoras een uitvinding of een ontdekking?
hebben we in de waarneming begrippen nodig? is linguïstisch idealisme, de stelling dat we in het leren spreken van onze moedertaal een beeld van de werkelijkheid verkrijgen, houdbaar?