Eindbeoordeling Stage 2 Code: ST2 CIJFER: 7 Studiepunten: 20 Naam student: Amber Kampstra Stagebedrijf: Blink Uitgevers Bobo en Okki Docentbegeleider: Wiel Schmetz Praktijkbegeleider: Lonneke van Asseldonk Stageperiode: 01-06 t/m 31-08 Datum: 22 november 2016 Algemene indruk student (stage): De stageverlener is tevreden over de inzet van Amber. Ze heeft goed werk gemaakt van haar streven om kennis te maken met bladen maken voor een heel specifieke doelgroep van kleine kinderen. Om beter zicht te krijgen op die doelgroep is ze aangeschoven bij klasjes in het basisonderwijs. De stageverlener geeft aan dat de kwaliteit van haar werk beter kan. De focus ligt op veel doen en veel tegelijk (kwantiteit) waarbij de kwaliteit soms uit het oog wordt verloren. Rust en tijd nemen is geboden. Dit type stageplaats vraagt een heel specifiek soort creativiteit. Die heeft Amber zeker: spelletjes, quizjes, opdrachten, doedingetjes ze voelt haar lezers aan en weet wat ze op de maat van Bobo en Okki te bedienen. De journalistieke (onderzoekende) Hbo-component heeft ze voldoende gecompenseerd met een onderzoek dat ze in haar stageverslag heeft uitgewerkt. Algemene indruk student (verslag): Amber heeft in het kader van haar stage een klein onderzoek gedaan naar de Okki-doelgroep en hun internetgebruik. 261 respondenten hebben haar vragenlijst ingevuld. Het betreft ouders van de doelgroep van Okki. Amber heeft de resultaten in het stageverslag verwerkt. Het is een interessant onderzoekje geworden dat mooi ordent hoe ouders omgaan met het internetgebruik van hun kinderen en wat zij belangrijk vinden bij dat internetgebruik. Natuurlijk is er het risico dat ouders wenselijke antwoorden geven. Daar had in het verslag meer op kunnen worden gewezen. Interessant is de constatering dat deze jonge kinderen vooral naar YouTube trekken. En verder blijkt dat ouders een voorkeur hebben voor educatieve spelletjes. Daar kan Blink Media wel wat mee. Amber heeft uitgebreide tussenverslagen gemaakt. En ook het eindverslag is van de degelijke soort. Met een uitgebreide een leerzaam opgezette sterkte-zwakte-analyse. Amber geeft zelf aan dat ze meer uit haar schulp durft te kruipen en dat ze nu meer voor zichzelf durft op te komen. Een belangrijke slag.
Verantwoording voor de competenties die onvoldoende zijn: BIJ ONVOLDOENDE MOET DE STUDENT DE VOLGENDE REPARATIEOPDRACHTEN MAKEN: KIEZEN COMPETENTIE 1: Bepaalt zelf originele onderwerpen en invalshoeken binnen een gegeven en zelfgekozen journalistieke context. 1. Relevant voor en gericht op het medium 2. Gericht op de blad- of programmaformule 3. Gericht op (een) specifieke doelgroep(en) 4. Kiest ook minder voor de hand liggende invalshoeken PLANNEN EN ORGANISEREN COMPETENTIE 2; Maakt zelfstandig een passende planning bij de productie van journalistiek werk. Kan anderen instrueren en aansturen. Kan met deadlines werken. 1. Plant zijn werkzaamheden in overleg met anderen, op kortere en langere termijn, en houdt zich aan de gemaakte afspraken. 2. Communiceert over de planning met collega s en chefs. 3. Speelt flexibel in op veranderingen in de planning. VERZAMELEN COMPETENTIE 3: Kan over complexe onderwerpen doelgericht en kritisch informatie verzamelen uit binnen- en buitenlandse bronnen. 1. Haalt meer complexe informatie uit schriftelijke en mondelinge bronnen 2. Gebruikt ook bronnen in vreemde talen waaronder Engels 3. Stemt research af op (een) specifieke doelgroep(en), formules en op het medium 4. Stelt zich kritisch op t.a.v. bronnen; vraagt door SELECTEREN COMPETENTIE 4: Kan uit een grote hoeveelheid complexe informatie doelgericht selecteren en daarmee uiteenlopende doelgroepen vanuit verschillende invalshoeken over het onderwerp informeren. 1. Kan logische, samenhangende, relevante, evenwichtige informatie selecteren. 2. Doelgroepgericht. 3. Met aandacht voor opmerkelijke quotes en details (belang van sfeer onderkennen). ORDENEN COMPETENTIE 5: Kan materiaal ordenen op basis van een verscheidenheid aan genreconventies van een of meer media en kan daarop variëren. 1. Ordent ook meer complexe producten van zichzelf en van anderen logisch en samenhangend 2. Beheerst de ordeningsprincipes van de voor het medium relevante genres 3. Ordent gericht op medium, doelgroep en formule
VERWERKEN COMPETENTIE 6: Kan producten van een of meer media presenteren in verzorgd Nederlands taalgebruik en in taal en beeld vormgeven voor brede en specifieke doelgroepen. Toont daarbij je creativiteit. 1. Schrijft en spreekt goed Nederlands; is taalvaardig 2. Levert zijn producten publicabel/ presentabel aan 3. Levert zijn producten medium-, doelgroep- en formulegericht aan 4. Combineert tekst, beeld en/of geluid op bij medium en formule passende wijze EVALUEREN COMPETENTIE 7: Kan ook onder tijdsdruk op basis van de in het beroep gebruikelijke ethische en persoonlijke criteria reflecteren op eigen journalistieke producten en journalistiek handelen en op producten en handelen van anderen. 1. Kan uitleggen waarom hij voor een bepaalde aanpak en/of vorm (stijl) kiest, in relatie tot medium, formule en doelgroep 2. Kan uitleggen welke doelen en effecten hij beoogt bij de doelgroep 3. Past ethische normen toe op eigen producten en handelen 4. Kan reflecteren op producten en handelen van anderen bij het betreffende medium REFLECTEREN OP HET VAK COMPETENTIE 8: Kan op basis van methodisch en doelgericht literatuuronderzoek en onderzoek van de journalistieke werkelijkheid over een specifiek aspect van de journalistiek een persoonlijke visie verwoorden en onderbouwen. 1. Heeft inzicht in structuur en beleid van stageredactie en mediumorganisatie 2. heeft kennis van en visie op de vakdiscussies bij stageredactie en mediumorganisatie WERKEN IN TEAM- EN/OF REDACTIEVERBAND COMPETENTIE 9: Kan met anderen samenwerken in een journalistiek team van een specifiek medium en houdt zich daarbij aan de afspraken. Kan in een team verschillende rollen vervullen en stemt zijn activiteiten af op het door het team beoogde resultaat. Toont initiatief en kan zelfstandig werken. 1. Werkt in een journalistiek team samen met anderen zoals dat bij het betreffende medium verlangd wordt. 2. Houdt zich aan afspraken. 3. Vervult verschillende rollen/ functies in de redactie. 4. Stemt zijn activiteiten volledig af op het voor het medium en de formule beoogde resultaat. 5. Levert een actieve bijdrage aan het oplossen van onvoorziene problemen. WERKEN BINNEN EEN BEDRIJF COMPETENTIE 10: Kan zelfstandig journalistieke producten maken voor een zelfgekozen externe opdrachtgever in binnen- of buitenland. 1. Functioneert als werknemer in een journalistiek bedrijf naar tevredenheid van de werkgever.
2. Toont inzet en betrokkenheid. 3. Is betrouwbaar en accuraat. 4. Is sociaal vaardig en communicatief. 5. Heeft een eigen inbreng, neemt initiatieven en zoekt uitdagingen. 6. Is creatief. 7. Toont zelfstandigheid. 8. Heeft oog voor het belang van het bedrijf. Representeert zijn werkgever naar buiten. REFLECTEREN OP MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN EN VERSCHIJNSELEN COMPETENTIE 11: Beschikt over de op dit niveau vereiste algemene ontwikkeling. Heeft basale parate kennis van de dagelijkse onderwerpen die aan de orde zijn in een op een brede doelgroep gericht journalistiek medium en verwerkt zijn kennis van de wereld in inhoudelijk samenhangende producten. 1. Heeft voldoende algemene ontwikkeling om bij het medium te kunnen functioneren 2. Kan specifieke onderwerpen inhoudelijk aan 3. Kan complexe onderwerpen inhoudelijk aan Eindbeoordeling Stage 1 / 2 Praktijkbegeleider Naam student: Stagebedrijf: Amber Kampstra Blink Media Docentbegeleider: Wiel Schmetz Praktijkbegeleider: Lonneke van Asseldonk Stageperiode: juni augustus 2016 A. Algemeen Korte samenvatting van het verloop van de stage (ontwikkeling van de stagiair/e tijdens de stage): Amber heeft deze stage veel geleerd over hoe een blad gemaakt wordt op een drukke dynamische redactie. Ook heeft ze veel geleerd over de jonge doelgroep (4-8 jaar). Op persoonlijk vlak hebben we gewerkt aan kwantiteit vs. kwaliteit. Dit is iets wat aandacht verdient bij Amber. Ja, er zijn deadlines en lange to do lijst maar pak de rust en neem de tijd om, ondanks de drukte, kwalitatief goede producten te maken.
Kwaliteit van de productie Kwantiteit van de productie Journalistieke (mediumspecifieke) vaardigheden Inzicht in organisatie en werkwijze van de redactie Inzicht in de functie van het medium B. Hoe beoordeelt u de journalistieke competenties van de stagiair/e? Onderwerpen en invalshoeken bedenken Plannen en organiseren Research en gebruik bronnen Nieuwsgaring / professioneel communiceren Interviewtechniek (Nieuws)selectie Scheiden feiten en commentaar Structureren Productie korte (nieuws)berichten, rubrieken Productie meer omvattende producten (verslagen, interviews, langere artikelen) Productie complexe producten Schrijfcapaciteiten: spelling, stijl, zinsbouw Redigeren Koppen en intro s maken Mediumspecifieke aspecten (omgaan met beeld, geluid) Doelgroepgerichtheid Creativiteit Algemeen kennisniveau Mediumspecifiek kennisniveau Achtergronden en verbanden zoeken C. Hoe beoordeelt u de journalistieke attitude van de stagiair/e?
Inzet / motivatie Initiatief Deelname in vergaderingen Verantwoordelijkheidsgevoel Werktempo / werken onder tijdsdruk Doorzettingsvermogen Flexibiliteit Kritisch vermogen x Betrouwbaarheid Collegialiteit Communicatie Journalistieke ethiek D. Hoe beoordeelt u de geschiktheid van de stagiair/e voor de journalistiek/ dit medium? Amber is geschikt voor het journalistieke vlak maar denk niet dat ze gelukkig wordt van de snelle harde nieuwsverslaggeving. Achtergrondverhalen in een magazine oid. passen mijns inziens beter bij haar. E. Eindoordeel: uitgedrukt in een cijfer: O onvoldoende 4 en 5 O voldoende 6 ruim voldoende 7 O goed 8 O uitstekend 9 De vastgestelde competenties voor de eerste stage en tweede stage zijn: 1. Competentie Kiezen Stage 1: Kiest op aansturing van een redactiechef relevante onderwerpen die geschikt zijn voor de doelgroep en goede invalshoek hebben. De student draagt soms eigen onderwerpen aan. Stage 2: Bepaalt zelf originele onderwerpen en invalshoeken binnen een gegeven en zelfgekozen journalistieke context. 2. Competentie Plannen en Organiseren
Stage 1: Plant op basis van opdrachten en afspraken zijn werkzaamheden in het belang van het team en gaat daarbij systematisch aan het werk. De afgesproken deadline is het einddoel. Stage 2: Maakt zelfstandig een passende planning bij de productie van journalistiek werk. Kan anderen instrueren en aansturen. Kan met deadlines werken. 3. Competentie Verzamelen Stage 1: Kan over een alledaags actueel onderwerp relevante informatie verzamelen uit schriftelijke, elektronische en mondelinge bronnen. Kan daarvoor putten uit bronnen in de Nederlandse en Engelse taal. Stage 2: Kan over complexe onderwerpen doelgericht en kritisch informatie verzamelen uit binnen- en buitenlandse bronnen. 4. Competentie Selecteren Stage 1: Kan informatie selecteren om een breed publiek van relevante en actuele feiten te voorzien. Houdt daarbij rekening met de beschikbare ruimte. Stage 2: Kan uit een grote hoeveelheid complexe informatie doelgericht selecteren en daarmee uiteenlopende doelgroepen vanuit verschillende invalshoeken over het onderwerp informeren. 5. Competentie Ordenen Stage 1: De producties zijn logisch opgebouwd waarbij de student laat zien dat de ordeningsprincipes van bepaalde genres te beheersen. Stage 2: Kan materiaal ordenen op basis van een verscheidenheid aan genreconventies van een of meer media en kan daarop variëren. 6. Competentie Verwerken Stage 1: Kan compact presenteren in verzorgd Nederlands taalgebruik en in de juiste toon voor de doelgroep. Stage 2: Kan producten van een of meer media presenteren in verzorgd Nederlands taalgebruik en in taal en beeld vormgeven voor brede en specifieke doelgroepen. Toont daarbij je creativiteit. 7. Competentie Evalueren Stage 1: Kan reflecteren op eigen handelen en journalistieke attitude als professional. Kan ethischkritisch oordeel formuleren over journalistieke producten en de beroepspraktijk. Stage 2: Kan ook onder tijdsdruk op basis van de in het beroep gebruikelijke ethische en persoonlijke criteria reflecteren op eigen journalistieke producten en journalistiek handelen en op producten en handelen van anderen. 8. Competentie Reflecteren op het vak Stage 1: Toont inzicht in de betekenis en de context van de journalistiek en kan crossmediaal denken. Verwerkt kennis over het vak.
Stage 2: Kan op basis van methodisch en doelgericht literatuuronderzoek en onderzoek van de journalistieke werkelijkheid over een specifiek aspect van de journalistiek een persoonlijke visie verwoorden en onderbouwen. 9. Competentie Werken in Team/Redactieverband Stage 1: Kan met anderen samenwerken in een journalistiek team en houdt zich daarbij aan afspraken. Vertoont inzet en flexibiliteit. Stage 2: Kan met anderen samenwerken in een journalistiek team van een specifiek medium en houdt zich daarbij aan de afspraken. Kan in een team verschillende rollen vervullen en stemt zijn activiteiten af op het door het team beoogde resultaat. Toont initiatief en kan zelfstandig werken. 10. Competentie Werken binnen een bedrijf Stage 1: Functioneert naar tevredenheid van de werkgever en houdt zich aan de gemaakte afspraken. Stage 2: Kan zelfstandig journalistieke producten maken voor een zelfgekozen externe opdrachtgever in binnen- of buitenland. 11. Competentie Reflecteren op maatschappelijke ontwikkelingen en verschijnselen Stage 1: Heeft een breed niveau van algemene kennis. Heeft basale parate kennis van de dagelijkse onderwerpen die aan de orde. Stage 2: Beschikt over de op dit niveau vereiste algemene ontwikkeling. Heeft basale parate kennis van de dagelijkse onderwerpen die aan de orde zijn in een op een brede doelgroep gericht journalistiek medium en verwerkt zijn kennis van de wereld in inhoudelijk samenhangende producten.