jaar: 1990 nummer: 06

Vergelijkbare documenten
Mkv Dynamica. 1. Bereken de versnelling van het wagentje in de volgende figuur. Wrijving is te verwaarlozen. 10 kg

Welk van de onderstaande reeks vormt een stel van drie krachten die elkaar in evenwicht kunnen houden?

jaar: 1989 nummer: 17

jaar: 1989 nummer: 25

ATWOOD Blok A en blok B zijn verbonden door een koord dat over een katrol hangt. Er is geen wrijving in de katrol. Het stelsel gaat bewegen.

Rekenmachine met grafische display voor functies

Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5

Begripstest: Kracht en beweging (FCI)

Vlaamse Fysica Olympiade Eerste ronde

RBEID 16/5/2011. Een rond voorwerp met een massa van 3,5 kg hangt stil aan twee touwtjes (zie bijlage figuur 2).

Kracht en beweging (Mechanics Baseline Test)

Juli blauw Vraag 1. Fysica

Fysica. Indien dezelfde kracht werkt op een voorwerp met massa m 1 + m 2, is de versnelling van dat voorwerp gelijk aan: <A> 18,0 m/s 2.

Q l = 24ste Vlaamse Fysica Olympiade. R s. ρ water = 1, kg/m 3 ( ϑ = 4 C ) Eerste ronde - 24ste Vlaamse Fysica Olympiade 1

jaar: 1990 nummer: 03


Een bal wegschoppen Een veer indrukken en/of uitrekken Een lat ombuigen Een wagentjes voorduwen

TOELATINGSEXAMEN NATIN 2009

VAK: natuurkunde KLAS: Havo 4 DATUM: 20 juni TIJD: uur TOETS: T1 STOF: Hfd 1 t/m 4. Opmerkingen voor surveillant XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Theorie: Snelheid (Herhaling klas 2)

Inleiding kracht en energie 3hv

TECHNISCHE UNIVERSITEIT DELFT Faculteit der Civiele Techniek en Geowetenschappen

BIOFYSICA: Toets I.4. Dynamica: Oplossing

Herhalingsopgaven 6e jaar

In een U-vormige buis bevinden zich drie verschillende, niet mengbare vloeistoffen met dichtheden ρ1, ρ2 en ρ3. De hoogte h1 = 10 cm en h3 = 15 cm.

T G6202. Info: auteur: Examencommissie Toelatingsexamen Arts en Tandarts, bron: Juli 2015, id: 11941

TENTAMEN DYNAMICA (140302) 29 januari 2010, 9:00-12:30

Arbeid & Energie. Dr. Pieter Neyskens Monitoraat Wetenschappen pieter.neyskens@wet.kuleuven.be. Assistent: Erik Lambrechts

NATUURKUNDE. Figuur 1

Examen mechanica: oefeningen

Bergtrein. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage. a. Bepaal de afstand die de trein op t = 20 s heeft afgelegd.

eenvoudig rekenen met een krachtenschaal.

Een bal wegschoppen Een veer indrukken en/of uitrekken Een lat ombuigen Een wagentjes voorduwen

Leerstof: Hoofdstukken 1, 2, 4, 9 en 10. Hulpmiddelen: Niet grafische rekenmachine, binas 6 de druk. Let op dat je alle vragen beantwoordt.

Augustus blauw Fysica Vraag 1

Augustus geel Fysica Vraag 1

4. Maak een tekening:

Deel 4: Krachten. 4.1 De grootheid kracht Soorten krachten

IJkingstoets Wiskunde-Informatica-Fysica 29 juni Nummer vragenreeks: 1

We hebben 3 verschillende soorten van wrijving, geef bij elk een voorbeeld: - Rollende wrijving: - Glijdende wrijving: - Luchtweerstand:

Technische Universiteit Eindhoven Bachelor College

TENTAMEN DYNAMICA ( )

koper hout water Als de bovenkant van het blokje hout zich net aan het wateroppervlak bevindt, is de massa van het blokje koper gelijk aan:

Juli blauw Fysica Vraag 1

Naam : F. Outloos Nummer : 1302

Hoofdstuk 3 Kracht en beweging. Gemaakt als toevoeging op methode Natuurkunde Overal

Dit tentamen bestaat uit vier opgaven. Iedere opgave bestaat uit meerdere onderdelen. Ieder onderdeel is zes punten waard.

TENTAMEN NATUURKUNDE

Samenvatting Natuurkunde Syllabus domein C: beweging en energie

De hoogte tijd grafiek is ook gegeven. d. Bepaal met deze grafiek de grootste snelheid van de vuurpijl.

Begripsvragen: Cirkelbeweging

Hoofdstuk 3 Kracht en beweging. Gemaakt als toevoeging op methode Natuurkunde Overal

Begripsvragen: kracht en krachtmoment

Domein D: Kracht en beweging. Subdomein: Krachten, rust en eenparige beweging

Naam van de kracht: Uitleg: Afkorting: Spierkracht De kracht die wordt uitgeoefend door spieren van de mens. F spier

5 De plaatsfunctie van een bewegend punt P wordt gegeven door x = t + 2t2

Statica (WB/MT) college 1 wetten van Newton. Guido Janssen

Krachten (4VWO)

EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1977 MAVO4 NATUUR- EN SCHEIKUNDE I. Zie ommezijde. Vrijdag 19 augustus,

Essential University Physics Richard Wolfson 2 nd Edition

Deze Informatie is gratis en mag op geen enkele wijze tegen betaling aangeboden worden. Vraag 1

jaar: 1990 nummer: 08

a. Bepaal hoeveel langer. b. Bepaal met figuur 1 de snelheid waarmee de parachutist neerkomt.

Opgave 1 Afdaling. Opgave 2 Fietser

Elektro-magnetisme Q B Q A

TENTAMEN NATUURKUNDE

Advanced Creative Enigneering Skills

Opgave 2 Een kracht heeft een grootte, een richting en een aangrijpingspunt.

Juli geel Fysica Vraag 1

krachtenevenwicht Uitwerking:

Fysica. Een voorwerp wordt op de hoofdas van een dunne bolle lens geplaatst op 30 cm van de lens. De brandpuntsafstand f van de lens is 10 cm.

Samenvatting NaSk 1 Natuurkrachten

STUDIERICHTING:... NAAM:... NUMMER:... VOORNAAM:... SCHRIFTELIJKE OVERHORING VAN 23 JANUARI 2006 MECHANICA

Simulink. Deel1. Figuur 1 Model van het zonnepaneel in Simulink.

Auteur(s): Harry Oonk Titel: In de afdaling Jaargang: 10 Jaartal: 1992 Nummer: 2 Oorspronkelijke paginanummers: 67-76

Naam: Klas: Practicum veerconstante

Case Simulink EE4- Building a SSV - Team PM1 21 maart 2014

Samenvatting Natuurkunde Kracht

Veerkracht. Leerplandoelen. Belangrijke formule: Wet van Hooke:

Tentamen Fysica in de Fysiologie (8N070) deel AB herkansing, blad 1/5

a) Beargumenteer of behoud van impuls en behoud van mechanische energie van toepassing is op de schansspringer.

Woensdag 24 mei, uur

Uitwerkingen opgaven hoofdstuk 4

Begripsvragen: Elektrisch veld

Leerstofvragen. 1 Welke twee effecten kunnen krachten hebben op voorwerpen? 2 Noem 3 Soorten krachten

Werkblad 3 Bewegen antwoorden- Thema 14 (NIVEAU BETA)

DE AAP EN DE BANAAN. Figuur aap en banaan. 1. Bij evenwicht - aap en bananen in rust.

Oefentoets krachten 3V

Proef 1: - Leg een fiche op een drinkglas - Plaats een geldstuk op de fische - Schiet met je wijsvinger de fiche horizontaal weg

Opgave 2 Een sprong bij volleyball 2015 I

Begripsvragen: Arbeid en energieomzettingen

Antwoorden Natuurkunde Hoofdstuk 2

2.1 Onderzoek naar bewegingen

Als de trapper in de stand van figuur 1 staat, oefent de voet de in figuur 2 aangegeven verticale kracht uit op het rechter pedaal.

Een kogel die van een helling afrolt, ondervindt een constante versnelling. Deze versnelling kan berekend worden met de formule:

Deze opgaven zijn vastgesteld door de commissie bedoeld in artikel 24 van het Besluit eindexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.

a. Bepaal hoeveel langer. b. Bepaal met figuur 1 de snelheid waarmee de parachutist neerkomt.

SO energie, arbeid, snelheid Versie a. Natuurkunde, 4M. Formules: v t = v 0 + a * t s = v gem * t W = F * s E Z = m * g * h F = m * a

m C Trillingen Harmonische trilling Wiskundig intermezzo

Transcriptie:

jaar: 1990 nummer: 06 In een wagentje zweeft een ballon aan een koord en hangt een metalen kogel via een touw aan het dak (zie figuur). Het wagentje versnelt in de richting en in de zin aangegeven door de pijl. De bekomen situatie wordt dan het best weergegeven door:

jaar: 1991 nummer: 05 Twee blokken met respectievelijke massa's m 1 en m 2 rusten op een horizontaal vlak. De wrijving tussen de blokken en het horizontale vlak mag verwaarloosd worden. Op het blok met massa m l werkt een horizontale kracht F waardoor beide blokken in beweging komen. De kracht die blok 1 op blok 2 uitoefent is dan 0a. m m F 1 2 0b. m m m F 1 1 2 m2 0c. m m F 1 2 0b. F

jaar: 1992 nummer: 11 Op een massa van 5 kg werkt in de x-richting een kracht Fx die in het onderstaande diagram als functie van de positie wordt voorgesteld. Indien de massa vanuit rust vertrekt in x= 0 m, bedraagt zijn snelheid in het punt x=6 m O a. 3 m/s. O b. 6 m/s. O c. 9 m/s. 0 d. 12 m/s.

jaar: 1994 nummer: 05 Op de onderstaande figuren zijn telkens de krachten aangegeven die op de banden van de fiets inwerken. De krachten grijpen aan op de plaats waar de banden contact maken met de grond. De fiets versnelt in de richting en de zin aangegeven door de vector a. De figuur die een juiste weergave geeft van de krachtwerking op de banden is dan

jaar: 1996 nummer: 06 eu wagentje kan wrijvingsloos voortbewegen over een horizontale tafel. Het wagentje zit vast aan een touw. Het touw loopt via oen katrol op de rand van de tafel wrijvingsloos naar een plaatje P. Bij aanvang liggen op het wagentje zeven gelijke massa's. Men voert nu zeven metingen uit waarbij men telkens een massa m van het wagentje neemt en toevoegt aan het plaatje P. De totale massa op het wagentje vermindert dus bij iedere meting terwijl die van het plaatje P met eenzelfde bedrag toeneemt. Telkens laat men het wagentje starten vanuit eenzelfde positie en bepaalt de snelheid v die het plaatje P heeft op het ogenblik dat het op de grond botst. De massa van het lege wagentje is 2m. De massa van het plaatje P is verwaarloosbaar. Welke van de onderstaande grafieken geeft dan het best de snelheid v weer als functie van het aantal massa's op het plaatje P 1 De schaal van de v-as is lineair.

jaar: 1998 nummer: 04 Twee massa's van respectievelijk 4 kg en 12 kg zijn met elkaar verbonden via een touw. Het touw hangt over een ronde balk waarover het wrijvingsloos kan glijden. De massa van 12 kg bevindt zich aanvankelijk op 2 meter van een horizontale vloer. Deze situatie is weergegeven in de onderstaande figuur. De figuur stelt de beginsituatie voor. Als de massa's vanuit rust worden losgelaten, dan bereikt de massa van 12 kg de vloer met een snelheid van O a. O b. O c. O d. 20 m/s. 40 m/s. 20 m/s. 80 m/s.

jaar: 1998 nummer: 05 Een persoon van 80 kg hangt aan een luchtballon. De kracht in het opnangtouw wordt afgelezen op een dynamometer D. Als de persoon, gedurende een bepaald tijdsinterval, op de dynamometer 760 N afleest, dan kan men zeggen dat de ballon gedurende dat tijdsinterval: O a. stijgt met een constante snelheid. O b. daalt met een constante versnelling O c. stijgt met een constante versnelling. O d. daalt met een constante snelheid.

jaar: 1998 nummer: 06 Een op de achterwielen aangedreven auto rijdt met een toenemende snelheid achteruit. De horizontale componenten van de krachten die de voorste en de achterste banden op het wegdek uitoefenen kunnen dan best aangegeven worden door figuur:

jaar: 1999 nummer: 27 Een liftcabine zoals getekend in onderstaande figuur wordt opgehaald in de liftkoker aan een staalkabel. Verwaarloos alle wrijving. Wanneer de liftcabine naar omhoog beweegt met constante snelheid, kunnen we zeggen dat: O a. de grootte van de spankracht in de kabel groter is dan de grootte van de zwaartekracht. O b. de grootte van de spankracht in de kabel gelijk is aan de grootte van de zwaartekracht. O c. de grootte van de spankracht in de kabel kleiner is dan de grootte van de zwaartekracht. O d. de cabine naar omhoog gaat omdat de kabel ingekort wordt, en niet omwille van de kracht die de kabel uitoefent op de liftcabine.

jaar: 1999 nummer: 30 Vier massa's, oorspronkelijk in rust, zijn met massaloze touwen verbonden zoals voorgesteld op de figuur. De massa van ieder van de massa's is eveneens aangegeven op de figuur. Het touw tussen massa 4 en 3 loopt over een staaf S. Verwaarloos alle wrijving. De kracht in het touw tussen massa 1 en massa 2 is dan gelijk aan: O a. O b. O c. O d. 0,2 mg. 0,8 mg. 1,0 mg. 4,0 mg.

jaar: 2000 nummer: 23 De vier massa's uit de situatie voorgesteld door de figuur zijn identiek. Ze zijn verbonden door massaloze touwen. De ideale katrol (K) vertoont geen wrijving. De blokken bewegen wrijvingsloos over de tafel en elke andere vorm van wrijving wordt eveneens verwaarloosd. De grootte van de spankracht in het touw op plaats 1 noemen we F 1. De grootte van de spankracht in het touw op plaats 3 noemen we F 3. Er geldt dan: O a. F 1 /F 3 = 1/3. O b. F 1 /F 3 = 1. O c. F 1 /F 3 = 2. O d. F 1 /F 3 = 3.

jaar: 2001 nummer: 24 Twee stalen knikkers 1 en 2 worden gelijktijdig losgelaten uit een punt O op twee vlakken met verschillende helling (zie figuur). We bekijken de knikkers aan de voet van de hellingen. Dan geldt: O a. beide knikkers komen met even grote snelheid en op hetzelfde tijdstip aan. O b. de versnelling van 1 is groter dan van 2, maar 1 komt met een grotere snelheid eerst aan. O c. de massa's van 1 en 2 moeten gekend zijn om hun versnelling te kunnen berekenen en uitspraken te kunnen doen over hun snelheid. O d. knikker 1 komt eerder aan. De versnelling van 1 is groter dan deze van 2 maar zijn snelheid is even groot als deze van knikker 2.

jaar: 2001 nummer: 26 Twee voorwerpen (m = 10,0 kg en M = 15,0 kg) zijn verbonden met een niet uitrekbaar massaloos touw (zie figuur) dat breekt als de spankracht groter is dan 145N. Het systeem vertrekt vanuit stilstand. De versnelling is 2,00 m/s 2 zolang het touw niet breekt. De spankracht in het touw is dan gelijk aan: O a. 100 N. O b. 120 N. O c. 140 N. O d. de vraag heeft geen zin want het touw breekt.