Tussentijdse beoordeling stage Niveau 2 Moet ernstig verbeteren Moet verbeteren Voldoende Goed Uitstekend 1. Op tijd komen Zeer onbetrouwbaar met betrekking tot het op tijd komen. Ziet de noodzaak van het op tijd komen niet in. Ziet de noodzaak voor het op tijd komen wel in, maar slaagt daar vaak niet in. Ziet de noodzaak voor het op tijd komen in en slaagt daar in het algemeen ook in. Meestal zeer betrouwbaar als het gaat om op tijd komen. Altijd op tijd, vaak ook ietsje eerder aanwezig. Zeer betrouwbaar. 2. Aandacht voor veiligheid op het werk Totaal niet bewust van veiligheidsaspecten op het werk. Gering bewustzijn van veiligheidsaspecten op het werk. Werkt veilig onder supervisie. Werkt veilig; houdt rekening met risico s. Heeft altijd de veiligheid van zichzelf en anderen in het bewustzijn en houdt daar rekening mee bij het werk. 3. Werkhouding Legt geen interesse of enthousiasme aan de dag bij het werk. Moeizaam aan het werk te krijgen. Doet wat wordt gevraagd maar met weinig interesse of enthousiasme. Toont voldoende enthousiasme en interesse. Toont interesse in de meeste aspecten van het werk. Doet meestal moeite om het eigen niveau te verbeteren. Harde werker. Zeer enthousiast en heeft veel interesse in het vak. 4. Praktische vaardigheden en werkresultaat Levert werk af van slechte kwaliteit. Is niet trots op wat hij doet. De kwaliteit van het werk is op zijn best acceptabel. Duidelijk ruimte voor verbetering. Het werkresultaat is van voldoende kwaliteit. Levert werk van goede kwaliteit, heeft ook interesse. Heeft eer van zijn werk: levert topkwaliteit af. 5. Werken met anderen Kán als het moet met anderen samen werken. Heeft moeite met het contact met anderen en werkt het liefst alleen. Werkt met anderen maar is geen teamspeler. Werkt goed met anderen en is een goede teamspeler. Is echt een sterke aanwinst voor het team. Werkt uitstekend samen met anderen en is een bron van inspiratie voor de anderen in het team.
6. Aandacht bij het werk Geestelijk volkomen afwezig. Reageert nauwelijks op aanwijzingen. Draagt vaak koptelefoon en heeft geen aandacht voor het werk. Slecht concentratie-vermogen. Heeft weinig aandacht voor het werk. Heeft meestal de aandacht bij het werk. Merkt het als er wat mis gaat. Werkt aandachtig. Heeft het snel in de gaten als er iets mis gaat, en reageert dan adequaat. Weet meestal wel wat er moet gebeuren. Werkt zorgvuldig en geconcentreerd. Doorziet wat hij doet, en voordat het mis gaat, grijpt hij al in. 7. Overzicht Heeft geen overzicht. Moet ieder half uur opnieuw aangestuurd worden. Weinig overzicht. Moet op een middag regelmatig aangestuurd worden. Heeft een besef van het concept overzicht. Moet nog wel aangestuurd worden. Kan sommige werkzaamheden van de dag voorspellen en heeft enig overzicht van wat er staat te gebeuren. Heeft een goed overzicht van wat er die dag gedaan moet worden. Herinnert de leidinggevende soms aan klussen die gedaan moeten worden. 8. Initiatiefkracht Als hij niet weet wat hij moet doen, staat hij uit het zicht van de leidinggevende te kletsen of te roken. Als hij niet weet wat hij moet doen, wacht hij op de leidinggevende. Als hij niet weet wat hij moet doen vraagt hij de leidinggevende. Als hij niet weet wat er moet gebeuren, kan hij soms zelf een klus vinden. Als hij niet weet wat er moet gebeuren, kan hij altijd wel zelf een klus vinden. 9. Zelfvertrouwen Heeft weinig tot geen vertrouwen in het eigen kunnen. Kan een aantal taken goed uitvoeren maar uit gebrek aan zelfvertrouwen gaat het regelmatig mis. Pakt bekende taken met zelfvertrouwen aan. Is nog wel huiverig voor nieuwe/ onbekende taken. Routine taken worden vol zelfvertrouwen uitgevoerd. Heeft vertrouwen in zichzelf bij het aanleren van nieuwe taken. Heeft een positieve houding en pakt bekende en nieuwe taken vol zelfvertrouwen aan. 10. Contact met leidinggevende Negatieve houding tegenover leidinggevenden. Accepteert aanwijzingen van leidinggevenden maar vindt het moeilijk om adequaat te communiceren. Meestal goed. Soms ontbreekt nog het zelfvertrouwen om goed met leidinggevenden te communiceren. Werkt goed met leidinggevenden. Geeft de leidinggevende vertrouwen; uitstekende communicatie en professionele houding.
11. Communicatie Luistert niet naar instructies. Communiceert slecht. Kan eenvoudige aanwijzingen opvolgen. Redelijk goed in verbale communicatie. Kan een effectieve beschrijving geven. Luistert meestal goed naar instructies. Kan goede beschrijving geven, maar ook uitleg en instructies. Luistert aandachtig. Kan effectief communiceren met allerlei mensen in uiteenlopende situaties.
Niveau 3 Moet ernstig verbeteren Moet verbeteren Voldoende Goed Uitstekend 1. Vaardigheden vak Student heeft ernstige tekorten op het gebied van praktische vaardigheden zoals vaardigheid met machines en werktuigen, melken, etc Student mist enkele essentiële praktische vaardigheden en zal deze zo snel mogelijk moeten verkrijgen Student beheerst de belangrijkste praktische vaardigheden die in de dagelijkse praktijk van het bedrijf gevraagd worden; enige onzekerheid kan nog aanwezig zijn. Student let op veiligheid. Student beheerst alle voorkomende vaardigheden en is daar ook al behoorlijk zelfverzekerd in; student heeft goed oog voor veiligheid. Student voert alle voorkomende praktische vaardigheden zelfverzekerd en vakkundig uit en houdt altijd rekening met de geldende veiligheidsregels. 2. Overzicht en plannen Student heeft geen enkel idee wat er die dag staat te gebeuren Student kan, nadat hij daarna gevraagd is, enkele werkzaamheden opnoemen die die dag aan de orde zijn Student kan de werkzaamheden van de dag overzien en inplannen Student kan de werkzaamheden van de week overzien en inplannen Student kan de werkzaamheden over een maand overzien en inplannen 3. Werktempo Tempo ligt ver achter bij de minimum vereiste voor een vakbekwaam medewerker Werkzaamheden kosten te veel tijd, mogelijk door onzekerheid of gebrek aan ervaring Werkzaamheden worden in voldoende tempo uitgevoerd. Met het verkrijgen van meer werkervaring is de verwachting dat het tempo nog wel verder omhoog gaat Student voert de werkzaamheden in goed tempo uit voldoet ruimschoots aan de minimum eisen voor een vakbekwaam medewerker Nauwelijks bij te houden, zonder dat de kwaliteit van het werk daaronder lijdt
4. Voorbereiden begeleiden Student is lang niet altijd op tijd en heeft zich niet voorbereid op zijn begeleidingstaak. Hij is ook niet in staat om echt actief mee te denken over de taakverdeling van de middag. Student is weliswaar op tijd, maar heeft zich niet voorbereid op het begeleiden. Hij is ter plekke in staat mee te denken over de taakverdeling van de middag Student is van te voren aanwezig en heeft een helder beeld van de werkzaamheden van de middag; hij kan de medewerkers een taak geven Student is van tevoren aanwezig, heeft de werkzaamheden helder in beeld en kan medewerkers instrueren over wat ze die middag gaan doen; enige aandacht is al besteed aan gereedschappen en materialen Student is ruim tevoren aanwezig, heeft de werkzaamheden helder in beeld en heeft de medewerkers in gedachten ingedeeld voor alle taken die die middag plaatsvinden; benodigde gereedschappen en materialen zijn voorbereid en klaar voor gebruik 5. Uitvoeren begeleiden Medewerkers worden niet of nauwelijks geïnstrueerd en vervolgens aan hun lot overgelaten Medewerkers worden na instructie aan hun lot overgelaten Medewerkers worden helder geïnstrueerd over hun taken van de middag en tijdens de middag komt de student nog eens kijken hoe het gaat Medewerkers worden helder geïnstrueerd over hun taken van de middag. Student loopt regelmatig langs de medewerkers om voortgang en kwaliteit van het werk te controleren Medewerkers worden helder geïnstrueerd over hun taken van de middag. Student behoudt het overzicht van wie wat doet en wanneer dat ongeveer klaar zou moeten zijn. Student loopt regelmatig langs de medewerkers om voortgang en kwaliteit van het werk te controleren 6. Evalueren / feedback geven Student is niet in staat om medewerkers feedback te geven op hun werk Student kan, wanneer daartoe aangespoord, enkele positieve of negatieve aspecten van het werk mede delen aan de medewerker Student geeft tijdens het werk aanwijzingen aan medewerkers om het werk te verbeteren; ook is hij in staat om de medewerker aan het einde van de dag / periode goede en verbeterpunten te geven Student observeert zijn medewerkers bewust tijdens het werk, en geeft op een niet-confronterende manier feedback zodat ze hun werk kunnen verbeteren. Uit eigen initiatief spreekt hij knelpunten aan. Student heeft door bewuste observatie een uitstekend beeld van het functioneren van de medewerkers. Hij maakt uit eigen initiatief op nietconfronterende wijze duidelijk hoe medewerkers hun werk kunnen verbeteren. Aan het einde van de periode kan hij helder de ontwikkelingsboog van de medewerker schetsen en knelpunten benoemen.
Ondertekening Naam student: Handtekening: Datum: Praktijkbegeleider: Handtekening: Docent Warmonderhof: Handtekening: Is deze beoordeling gecommuniceerd met de student? Ja / Nee