MODULE 19. THERMISCHE STRALING EN DIRECT VLAMCONTACT Deze module beschouwt de effecten ten gevolge van warmtestraling en van direct contact met een vlam of brandende wolk. De warmtestralingsfenomenen plasbrand, fakkelbrand en vuurbal worden beschouwd. Deze fenomenen leiden tot een stralingswarmteflux in de omgeving, waardoor letaal letsel kan ontstaan. Deze module beschrijft voor elk warmtestralingsfenomeen de manier waarop de stralingsintensiteit op een bepaalde afstand moet worden bepaald. Deze kan vervolgens in de probitfunctie gestoken worden om het letaliteitspercentage op die afstand te berekenen. Voor plasbrand, fakkelbrand en vuurbal wordt daarnaast ook steeds 100% letaliteit binnen de vlam verondersteld, zoals aangegeven in de schademodellen voor letaliteit ( 1.6). De afmetingen van de vlam worden bepaald met de opgegeven formules. Bij wolkbrand wordt enkel letaliteit ten gevolge van direct vlamcontact beschouwd. Warmtestralingseffecten worden verwaarloosbaar geacht. Wanneer welk fenomeen dient beschouwd te worden, is beschreven in Module 14. 19.1 SYMBOLEN A [m²] Vlamoppervlakte B [m] Lift-off van de kegel, zijnde de afstand van de as van het gat tot het punt met de intersectie van de kegelas c p [J/kg.K] Specifieke warmte bij constante druk d j [m] Diameter van de fakkel na expansie D [m] Diameter van de brandende plas; vlamdiameter; diameter van de vuurbal D [m] Uitgerokken vlamdiameter in windafwaartse richting D s [m] Effectieve brondiameter E [W/m²] Gemiddelde (uitgezonden) stralingswarmteflux over het ganse vlamoppervlak E max [W/m²] Maximale stralingswarmteflux van de heldere delen van de vlam E roet [W/m²] Stralingswarmteflux van de door roet bedekte delen van de vlam F [-] Viewfactor F s [-] Fractie van de warmte-energie die naar straling gaat Fr [-] Froudegetal (u /g D) g [m/s²] Valversnelling (9,81 m/s²) H [m] Hoogte van het centrum van de vuurbal I [W/m²] Stralingsintensiteit (invallend) L [m] Lengte van de vlam 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-1
L 0 [m] Lengte van de vlam bij windstille condities L B [m] Lengte van de vlam bij een windsnelheid u w m [kg] Massa van de vuurbal m [kg/s] Vrijzettingsdebiet m i [-] Molaire fractie van component i in de vloeistoffase m [kg/m².s] Specifiek verbrandingsdebiet m, [kg/m².s] Maximaal verbrandingsdebiet (oneindig grote plas) M W [g/mol] Molaire massa P [MPa] Barstdruk, faaldruk P v,w [Pa] Verzadigingsdruk van water Pr [-] Probitwaarde behorende bij de sterftekans r [m] Afstand van het vlamoppervlak (plasbrand, fakkelbrand) of het centrum van de vuurbal tot het ontvangende oppervlak (i.e. de padlengte) R [-] Snelheidsverhouding (u w /u j ) R L [m] Lengte van de afgeknotte kegel RH [-] Relatieve luchtvochtigheid S [1/m] Extinctiecoëfficiënt m.b.t. stralingswarmteflux t d [s] Duurtijd van de vuurbal t [s] Blootstellingsduur T a [K] Temperatuur van de omgevingslucht T k [K] Kookpunt van de vloeistof T p [K] (Initiële) Temperatuur van de plas u j [m/s] Pseudosnelheid van de fakkel (na expansie), snelheid van het gas u w [m/s] Windsnelheid (op 10 m hoogte) W [kg/s] Massafractie van brandstof in een stoechiometrisch mengsel met lucht W 1 [m] Breedte van de basis van de afgeknotte kegel W 2 [m] Breedte van de top van de afgeknotte kegel Griekse symbolen α [ ] Hoek tussen de as van de vlam en de as van de uitstromingsopening H c [J/kg] Verbrandingswarmte H v [J/kg] Verdampingswarmte θ [ ] Hellingshoek van de vlam t.o.v. de verticale (plasbrand); Hoek tussen de richting van de uitstroming en de horizontale (fakkelbrand) θ 1 [ ] Hoek tussen de normale naar de ontvanger en de lijn tussen de ontvanger en de straler θ 2 [ ] Hoek tussen de normale van het stralende oppervlak in een bepaald punt en de lijn tussen dat punt en de ontvanger ν [m²/s] Kinematische viscositeit van de omgevingslucht (1,5.10-5 m²/s bij 1 bar en 20 ºC) 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-2
ξ(d s ) [-] Richardsongetal o.b.v. D S ( D ) ρ a [kg/m³] Dichtheid van de lucht ρ g [kg/m³] Dichtheid van het gas ρ j [kg/m³] Dichtheid van de stof na expansie ρ l [kg/m³] Dichtheid van de vloeistof τ [-] Atmosferische transmissiviteit van de lucht 19.2 ALGEMENE ASPECTEN VOOR WARMTESTRALINGSFENOMENEN Hieronder worden enkele algemene aspecten besproken die van belang zijn voor de verschillende warmtestralingsfenomenen (plasbrand, fakkelbrand, vuurbal), zoals de hoogte waarop de effectberekening dient te gebeuren en de probitfunctie voor warmtestraling. In de probitfunctie wordt gebruik gemaakt van de blootstellingsduur en de stralingsintensiteit op een bepaalde plaats, waarvoor dan weer de atmosferische transmissiviteit dient gekend te zijn. Met behulp van de probitfunctie kan dan de letaliteit op elke plaats en de maximale effectafstand berekend worden. De verdere invulling van de parameters die hiervoor nodig zijn, zoals de warmtestralingsflux en de viewfactor, worden achteraf per fenomeen besproken. 19.2.1 Receptorhoogte De receptorhoogte voor plasbrand, fakkelbrand en vuurbal wordt vastgelegd op 0 m. 19.2.2 Probitfunctie voor warmtestraling De probitfunctie voor doding van mensen door warmtestraling (VROM, 2005c) luidt Pr = 36,38 + 2,56.ln(I.t) De probit wordt vervolgens omgerekend naar een kans op doding met behulp van de formule uit 1.5. De blootstellingsduur van 20 seconden geeft een stralingsintensiteit van 9,8 kw/m² bij een sterftekans van 1% (Pr = 2,67). 19.2.3 Blootstellingsduur Er wordt uitgegaan van een volledig ontwikkelde brand. De blootstellingsduur voor warmtestraling wordt beperkt tot 20 s. 19.2.4 Stralingsintensiteit De stralingsintensiteit I, de invallende straling in een bepaald punt, kan voor een oppervlaktestraler met behulp van de atmosferische transmissiviteit τ ( 19.2.5), de vorm van de vlam (viewfactor F) en de uitgestraalde warmtestralingsflux E berekend worden via 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-3
= De viewfactor en de uitgestraalde warmtestralingsflux worden hierna per fenomeen besproken. De stralingsintensiteit wordt vervolgens ingevuld in de probitfunctie (zie 19.2.2) om de letaliteit te bepalen. 19.2.5 Atmosferische transmissiviteit De atmosferische transmissiviteit houdt rekening met de absorptie van de straling door de omgevende lucht en wordt bepaald met de correlatie van (Wayne, 1990) =1,006 0,01171 log 2,165, 19.2.6 Maximale effectafstand 0,02368 log 2,165, 0,03188 log 273 +0,001164 log 273 Voor plasbrand, fakkelbrand en vuurbal wordt de maximale effectafstand opgemeten vanaf het punt van vrijzetting tot op het verste punt waar een letaliteit van 1% bekomen wordt. 19.3 PLASBRAND Het effect van plasbrand wordt bepaald door uit te gaan van een cirkelvormige plas, indien de plas niet beperkt wordt door bv. een inkuiping. De stralingswarmteflux wordt berekend op basis van de diameter van de vlam. Op basis van de afmetingen van de vlam kan de viewfactor bepaald worden. Hiermee kan dan de stralingsintensiteit (zie 19.2.4) op een bepaald punt bepaald worden. Eerst worden de afmetingen van de vlam besproken (zie Figuur 19-1). Dit zijn de vlamlengte L, de hellingshoek θ en de vlamrek D /D. Deze worden hoofdzakelijk bepaald door de producteigenschappen van de brandbare vloeistof, de omvang van de plas (vlamdiameter D) en door de heersende windsnelheid. Meer concreet speelt het specifieke verbrandingsdebiet m van de vloeistof, zijnde de snelheid waarmee de hoogte van de vloeistofplas afneemt, hierin een belangrijke rol. 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-4
θ L D Figuur 19-1: Karakteristieken van een plasbrand De methodiek voor cirkelvormige plassen wordt hieronder beschreven. Voor het scenario kuipbrand wordt echter met de werkelijke vorm van de inkuiping gewerkt (zie 16.4.2.2). Voor het berekenen van de effecten van kuipbrand wordt wel uitgegaan van onderstaande methodiek voor cirkelvormige plassen. De methodiek voor de omvorming van een cirkelvormige plas naar een plas in de vorm van de inkuiping wordt beschreven in het veiligheidsdocument. 19.3.1 Massa Voor plasbrand bij vrijzetting van vloeistoffen wordt uitgegaan van de volledig vrijgezette hoeveelheid (zie 15.2) en bij vrijzetting van tot vloeistof verdichte gassen wordt uitgegaan van de rain-outfractie voor het bepalen van de plasgrootte. 19.3.2 Vlamdiameter De plasbrand wordt berekend met een vlamdiameter D die gelijk is aan de plasdiameter na de volledige uitstromingsduur (zie 15.2.2.1). 19.3.3 Verbrandingsdebiet Het specifiek verbrandingsdebiet m wordt gelijkgesteld aan het maximaal verbrandingsdebiet m, (LNE, 2016). Voor zuivere C1 tot en met C4-koolwaterstoffen (C x H y ) en voor waterstof wordt het maximale verbrandingsdebiet voor een plasbrand op land bepaald met (LNE, 2016),=0,1672 2 10 Voor andere stoffen wordt het maximale verbrandingsdebiet bepaald a.d.h.v. de formule van (Burgess & al, 1961), zijnde,=1,27 10 + ( ) 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-5
waarbij de dichtheid van de vloeistof ρ bij de temperatuur van de plas en de verdampingswarmte H bij het kookpunt worden bepaald (Rew & Hulbert, 1996). Voor een plasbrand op water worden deze formules bijkomend vermenigvuldigd met de factor 2,5 (DNV Software, 2005). 19.3.4 Vlamlengte Voor het bepalen van de vlamlengte L wordt de correlatie van (Thomas, 1963) met invloed van de wind gebruikt: 19.3.5 Hellingshoek van de vlam, =55 ( ), Het berekenen van de hellingshoek θ van de vlam onder invloed van de wind gebeurt aan de hand van de correlatie van (Rew & Hulbert, 1996) 19.3.6 Vlamrek tan cos =3,13, Vlamrek wordt niet meegenomen in de berekeningen van een plasbrand. 19.3.7 Viewfactor De viewfactor F wordt weergegeven door = Voor het ontvangende oppervlak wordt uitgegaan van een oppervlakte van 1 m². De viewfactor wordt ingevoerd in de formule voor de stralingsintensiteit (zie 19.2.3) om de warmtestralingseffecten van een plasbrand te berekenen. 19.3.8 Stralingswarmteflux van de vlam De stralingswarmteflux E van grootschalige plasbranden is niet uniform over het gehele vlamoppervlak. De heldere delen van een vlam stralen immers aan een hogere stralingswarmteflux dan de delen van de vlam die bedekt zijn door zwarte rook (roet). Roetproductie wordt beschouwd indien de stof 5 of meer koolstofatomen bevat. In de andere gevallen wordt een volledig heldere vlam beschouwd. Indien de deskundige van oordeel is dat een welbepaalde stof niet correct wordt ingedeeld volgens dit criterium, dan wordt dit gemeld aan de dienst VR (inclusief vermelding van de bron). De dienst VR zal daarna in onderling overleg met de erkende VR-deskundigen de 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-6
indeling voor deze stof vastleggen, waarna deze hier als uitzondering op deze regel zullen worden opgenomen en kunnen gebruikt worden in veiligheidsdocumenten. Voor branden met roetproductie wordt voor het berekenen van de stralingswarmteflux gebruik gemaakt van de formule van (Mudan & Croce, 1988) = ( )+ (1 ( )) Voor heldere vlammen wordt de stralingswarmteflux berekend met = (1 exp( )) De maximale stralingswarmteflux E max voor de heldere delen van de vlam bedraagt 140 kw/m² voor vloeistoffen, m.u.v. methanol waarvoor 70 kw/m² wordt gebruikt, en 265 kw/m² voor gassen (o.b.v. (Rew & Hulbert, 1996)). De stralingswarmteflux E roet van de door roet bedekte delen van de vlam bedraagt 20 kw/m². Voor de extinctiecoëfficiënt S wordt een waarde van 0,12/m aangenomen. De stralingswarmteflux wordt ingevoerd in de formule voor de stralingsintensiteit (zie 18.2.2) om de warmtestralingseffecten van een plasbrand te berekenen. 19.3.9 Aangrijpingspunt De effecten van warmtestraling worden uitgezet vanaf de rand van de plas. Tussen het vrijzettingspunt en de rand van de plas wordt gerekend met 100% letaliteit ten gevolge van verbranding (zie 1.6). De maximale effectafstand wordt gegeven t.o.v. het vrijzettingspunt (zie 16.5), zoals aangegeven in 19.2.6. 19.4 FAKKELBRAND Het effect van een fakkelbrand wordt bepaald door uit te gaan van een oppervlaktestraler in de vorm van een afgeknotte kegel. Het berekeningsmodel voor het bepalen van de vlamgeometrie en de uitgestraalde warmteflux wordt gekozen op basis van de richting van de fakkelbrand en het type product. Vrijzetting van gas, richting fakkelbrand verticaal: model van Chamberlain; Vrijzettingen van tot vloeistof verdichte gassen, alle richtingen fakkelbrand: model van Cook. Eerst worden de richting en het massadebiet vastgelegd voor alle types fakkelbranden. Daarna worden het model van Chamberlain en het model van Cook uitgebreid behandeld. 19.4.1 Richting van de fakkelbrand Voor alle installaties wordt uitgegaan van een verticale fakkel. Verder wordt uitgegaan van een ongehinderde uitstroming. 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-7
19.4.2 Massadebiet Het massadebiet m voor de fakkel wordt gelijkgesteld aan het volledige uitstromingsdebiet, zoals bepaald in 15.2.2.4. 19.4.3 Model van Chamberlain Het model van (Chamberlain, 1987) wordt gebruikt bij vrijzettingen uit de gasfase waarbij de richting van de fakkel verticaal (hoek t.o.v. de verticale < 45 ) is. De stralingswarmteflux wordt berekend op basis van de vlamoppervlakte en het massadebiet. Op basis van de afmetingen van de vlam kan de viewfactor bepaald worden. Hiermee kan de stralingsintensiteit (zie 19.2.4) op een bepaald punt bepaald worden. Eerst worden de geometrische componenten van het model besproken. Deze zijn de lengte van de vlam bij de geldende condities (L B ), hoek tussen de as van de kegel en de uitstromingsopening (α), de hoogte van de vlam boven de uitstroomopening (lift-off afstand) (B), de lengte van de kegel (R L ), de breedte van de basis van de afgeknotte kegel (W 1 ), de breedte van de top van de afgeknotte kegel (W 2 ) en de oppervlakte van de vlam (A). Deze zijn weergegeven in Figuur 19-2. Daarnaast worden ook de effectieve diameter van de bron (D s ) en de lengte van de vlam bij windstil weer (L 0 ) gebruikt als tussenresultaten. Figuur 19-2: Karakteristieken van de vlam volgens het model van Chamberlain 19.4.3.1 Effectieve brondiameter van de fakkel Alvorens de geometrie van de fakkelbrand kan bepaald worden, dient eerst de bronterm berekend te worden. Dit houdt in dat de snelheid van het gas u j en de dichtheid van het gas ρ j na de expansie van de jet 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-8
dienen gekend te zijn. Deze waarden worden berekend uitgaande van een isentrope expansie tot op atmosferische druk. De fakkeldiameter d j na expansie wordt vervolgens als volgt bepaald = 4 / De effectieve brondiameter van de fakkel D s, de diameter van een imaginair gat van waaruit lucht (met dichtheid bij atmosferische condities) vrijkomt met hetzelfde debiet en snelheid als de brandstof, wordt als volgt berekend. 19.4.3.2 Vlamlengte = De lengte van de vlam L B bij een windsnelheid u w kan worden berekend via Voor verticale fakkelbranden is = 90. = (0,51, +0,49) 1 0,00607 ( 90) De vlamlengte bij windstil weer L 0 is iteratief te bepalen uit 2,85 =0,2+0,024 19.4.3.3 Hoek tussen de as van de vlam en de as van de uitstromingsopening Onder invloed van de wind zal de fakkel afbuigen. De hoek tussen de as van de vlam en de as van de uitstromingsopening α wordt berekend in functie van de snelheidsverhouding R, zijnde de verhouding van de windsnelheid u w ten opzichte van de fakkelsnelheid u j. Voor R 0,05 geldt: 8000 = +1, ( 90) Voor R > 0,05 geldt: 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-9
= 134+1726 0,026 +1, ( 90) 19.4.3.4 Lift-off De lift-off van de kegel B wordt berekend als functie van α en R in het bereik van 0 < α < 180. = (0,185 +0,015) Bij ondergrondse leidingen dient rekening gehouden te worden met kratervorming, hetgeen leidt tot een kleinere lift-off. De gebruikte methode wordt beschreven in het veiligheidsdocument. 19.4.3.5 Lengte van de afgeknotte kegel De lengte van de afgeknotte kegel R L volgt uit = 19.4.3.6 Basis van de afgeknotte kegel en de breedte van de top van de kegel De breedte van de basis van de afgeknotte kegel W 1 en de breedte van de top van de kegel W 2 worden als volgt bepaald. met 19.4.3.7 Stralingswarmteflux = (13,5 +1,5) 1 1 1 15 ( ) = (0,18, +0,31) (1 0,47 ) =1000 +0,8 De stralingswarmteflux E van de vlam wordt berekend als een fractie van de totale verbrandingsenergie = met de vlamoppervlakte A, zijnde de oppervlakte van de afgeknotte kegel, = 4 ( + )+ 2 ( + ) + 2 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-10
De correlatie tussen de fractie stralingswarmte en de gassnelheid wordt weergegeven door volgende vergelijking. =0,21, +0,11 De stralingswarmteflux wordt beperkt tot 400 kw/m². De stralingswarmteflux wordt vervolgens ingevoerd in de formule voor de stralingsintensiteit (zie 19.2.4) om de warmtestralingseffecten van een fakkelbrand te berekenen. 19.4.3.8 Viewfactor De viewfactor F wordt weergegeven door = De viewfactor wordt vervolgens ingevoerd in de formule voor de stralingsintensiteit (zie 19.2.4) om de warmtestralingseffecten van een fakkelbrand te berekenen. 19.4.4 Model van Cook Fakkelbranden bij tot vloeistof verdichte gassen worden berekend met het model van (Cook, Bahrami, & Whitehouse, 1990), hetgeen een aanpassing is van het Chamberlain model om de gevolgen van de drijfkracht ten gevolge van tweefasige uitstroom in rekening te brengen. In hetgeen volgt worden enkel de wijzigingen t.o.v. het Chamberlain model gespecifieerd. 19.4.4.1 Effectieve brondiameter Voor fakkels die het gevolg zijn van tweefasige of vloeistofuitstromingen wordt de effectieve brondiameter D s berekend via 19.4.4.2 Lift-off De lift-off B wordt gegeven door 19.4.4.3 Basis van de afgeknotte kegel = =0,015 De breedte van de basis van de afgeknotte kegel W 1 is vereenvoudigd tot = (13,5 +1,5) 1 1 1 15, 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-11
19.4.4.4 Uitgestraalde warmtefractie De warmtefractie uitgestraald vanuit het vlamoppervlak F s wordt berekend in functie van het moleculair gewicht 19.4.5 Aangrijpingspunt 0,21, +0,11, <21 =( )= 0,21, +0,11 21, 21 60 1,69 0,21, +0,11, 60< De effecten van warmtestraling worden uitgezet vanaf het vlamoppervlak. Tussen het vrijzettingspunt en het vlamoppervlak wordt gerekend met 100% letaliteit ten gevolge van verbranding (zie 1.6). De maximale effectafstand wordt gegeven t.o.v. het vrijzettingspunt (zie 16.5), zoals aangegeven in 19.2.6. 19.5 VUURBAL Het effect van een vuurbal wordt bepaald door uit te gaan van een oppervlaktestraler in de vorm van een sfeer. De stralingswarmteflux wordt berekend op basis van de massa in de houder en de faaldruk van de houder. Op basis van de afmetingen van de vlam wordt de viewfactor bepaald. Hiermee wordt dan de stralingsintensiteit (zie 19.2.4) op een bepaald punt bepaald. Eerst worden de karakteristieken van de vuurbal bepaald. Met het dynamisch model van (Martinsen & Marx, 1999) worden de massa in de vuurbal, de duurtijd, de diameter, de hoogte, de stralingswarmteflux en de viewfactor berekend in functie van de tijd. 19.5.1 Faalcondities Dezelfde faalcondities als voor het berekenen van een BLEVE (zie 18.3) of een fysische explosie ( 18.4) worden toegepast, afhankelijk van het feit of het een tot vloeistof verdicht gas respectievelijk samengeperst gas betreft. 19.5.2 Massa De massa m van de vuurbal wordt gelijkgesteld aan de vrijgestelde hoeveelheid, indien de adiabatische flash meer dan 33% bedraagt. Anders wordt de massa gelijkgesteld aan 3x de adiabatische flashfractie, berekend bij de faaldruk P van de houder. 19.5.3 Duurtijd De duurtijd van de vuurbal is =0,9, 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-12
19.5.4 Diameter De diameter van de vuurbal gedurende de groeitijd (eerste derde deel van de duurtijd) is ()=8,664 waarna hij zijn maximale diameter bereikt. Hierna blijft de diameter constant totdat de vuurbal volledig oplost op het einde van de duurtijd. De maximale diameter bedraagt 19.5.5 Hoogte =5,8 De hoogte H van de vuurbal, zijnde de afstand tussen het centrum van de vuurbal en de grond, is gedurende de groeitijd gelijk aan de straal van de vuurbal. Daarna stijgt de vuurbal op met een constante snelheid tot maximum 3 keer de maximale straal. 19.5.6 Stralingswarmteflux De stralingswarmteflux van de vuurbal gedurende de groeitijd is =0,003275, met een maximum van 400 kw/m². Daarna daalt de stralingswarmteflux lineair tot nul bij het einde van de duurtijd. De stralingswarmteflux wordt vervolgens ingevoerd in de formule voor de stralingsintensiteit (zie 19.2.4) om de warmtestralingseffecten van een vuurbal te berekenen. 19.5.7 Viewfactor De viewfactor volgt uit ()= (() 2 ) De viewfactor wordt vervolgens ingevoerd in de formule voor de stralingsintensiteit (zie 18.2.2) om de warmtestralingseffecten van een vuurbal te berekenen. 19.5.8 Aangrijpingspunt De effecten van warmtestraling worden uitgezet vanaf het centrum van de vuurbal. Voor het berekenen van het risico ten gevolge van een vuurbal wordt binnen het vlamgebied van de vuurbal (zie 1.6) 100% letaliteit verondersteld en wordt de letaliteit t.g.v. warmtestraling slechts meegenomen vanaf het vlamoppervlak. De maximale effectafstand wordt gegeven t.o.v. het vrijzettingspunt (zie 16.5), zoals aangegeven in 19.2.6. 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-13
19.6 WOLKBRAND Het effect van een wolkbrand wordt bepaald door de omvang en de vorm van de brandbare wolk, de hoeveelheid brandbare massa in de wolk en het tijdstip van ontsteking van de wolk. Voor het bepalen van de letaliteit ten gevolge van wolkbrand telt enkel de aanwezigheid binnen de brandbare wolk, omdat enkel direct vlamcontact en geen warmtestralingseffecten worden beschouwd. Binnen de brandbare wolk wordt 100% letaliteit verondersteld. 19.6.1 Effectgebied Het effectgebied voor wolkbrand, zijnde het gebied binnen de brandbare wolk met 100% letaliteit, wordt bepaald door de projectie van de brandbare wolk op de grond. Een uitzondering voor wolken waarvan het brandbaar gebied zich beduidend hoger situeert dan het maaiveld is mogelijk. Dit dient grondig gemotiveerd en beschreven te worden in het veiligheidsdocument. 19.6.2 Omvang van de wolk De omvang en de vorm van de brandbare wolk wordt bepaald door het dispersiemodel. 19.6.3 Brandbare wolk De brandbare wolk is het deel van de wolk dat binnen de LFL-contour gelegen is. 19.6.4 Tijdstip van ontsteking De ontsteking van de wolk vindt plaats op het moment dat het projectieoppervlak van de brandbare wolk op de grond maximaal is. Dit wordt verondersteld conservatief te zijn voor het bepalen van de maximale effectafstand. Een andere mogelijkheid is om te werken met ontsteking op verschillende tijdstippen. Dit wordt op dezelfde manier toegepast als bij gaswolkexplosie (zie 18.5.2). 19.6.5 Maximale effectafstand Voor een wolkbrand wordt 100% letaliteit binnen de brandbare wolk verondersteld. Voor de maximale effectafstand wordt de afstand vanaf het vrijzettingspunt tot het verste punt van de projectie van de wolk op de grond genomen. Een uitzondering voor wolken waarvan het brandbaar gebied zich beduidend hoger situeert dan het maaiveld is mogelijk (zie hoger). 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-14
19.7 VERSIEBEHEER Datum Versie Voornaamste aanpassingen April 17 1.0 1 e versie 28/04/2017 Handboek Risicoberekeningen pagina 19-15