INTAKEFORMULIER ANDERS LEREN MET PAARDEN (IN TE VULLEN DOOR KIND EN OUDERS/BEGELEIDERS SAMEN) Datum van invullen: GEGEVENS VAN JOU Naam M V Geboortedatum Nationaliteit Adres Postcode en woonplaats GEGEVENS VAN JE OUDER(S)/VERTEGENWOORDIGER(S) EN JE GEZIN Naam moeder Naam vader Telefoonnummer: E-mailadres: Beroep: Telefoonnummer: E-mailadres: Beroep: Hoeveel kinderen zijn er in jouw gezin? Wat is jouw plaats in het gezin? 1e 2e 3e 4e kind Hoe oud zijn je evt. broertjes/zusjes en hoe heten ze? Zijn je ouders getrouwd/samenwonend gescheiden? Als je ouders gescheiden zijn, hoe is de omgang geregeld voor jou (en je evt. broers/zussen)?
In geval van nieuwe partners/samengestelde gezinnen, hoe ziet dit eruit? INTAKEGEGEVENS VRIJETIJDSBESTEDING Welke hobby's/interesses heb je? Wat doe je als je vrij bent? Van welke sporten, clubs ben je lid? WIE BEN JIJ? Wat is je karakter? Welke talenten en kwaliteiten heb je? Wat zijn je minder sterke punten? LEERDOELEN Wat is op dit moment de grootste zorg? Waar heb je begeleiding bij nodig? Wat is je doel met ANDERS LEREN MET PAARDEN? Is dat ook wat je ouders willen dat je leert of hebben zij (nog) een andere wens? Wat heb je (of hebben je ouders) er al aan gedaan? Wat was daarvan het resultaat? Heeft je daarbij hulp gehad van*: orthopedagoog psycholoog remedial teacher intern begeleider logopedist
kindercoach kindertherapeut schoolbegeleidingsdienst huisarts specialist bureau jeugdzorg gemeente/wijkteam anders, nl Met welk resultaat? SCHOOL Dit onderdeel bij voorkeur invullen met je leerkracht. Naam en adresgegevens school *) Soort onderwijs Groep Leerkracht(en) Hoe ervaar je school? Past het soort onderwijs bij je? Van welke extra faciliteiten maakt je gebruik op school? Wat zijn je leerprestaties/lvs/cito scores? Rekenen-Wiskunde I II III VI V DMT I II III VI V Woordenschat I II III VI V Spelling I II III VI V Begrijpend lezen I II III VI V Technisch lezen I II III VI V AVI-niveau S 3 4 5 6 7 P Is dit beeld gelijkmatig over de afgelopen jaren of is er een verandering te zien? Waar ben je goed in? taal lezen dictee spelling rekenen (welke onderdelen?) topografie schrijven andere vakken, nl. Waar heb je problemen mee?
taal lezen dictee spelling rekenen (welke onderdelen?) topografie schrijven LEERVOORWAARDEN A Het hebben van een goed IQ is niet voldoende om goed te kunnen leren. Daar speelt nog veel meer bij mee. Graag krijgen we een breder beeld van je. Wil je onderstaande vragen daarvoor invullen? Emotionele veiligheid Is de thuissituatie een veilige situatie voor jou? Zijn er belangrijkste gebeurtenissen in je leven van geweest (denk aan ingrijpende gebeurtenissen zoals echtscheiding van de ouders, ziekte binnen het gezin, een overlijden, een verhuizing of een andere gebeurtenis die veel impact heeft gehad). Zo ja, welke en wanneer? Word je thuis geholpen (gemotiveerd en gestimuleerd) om te leren? Gezondheid en ontwikkeling Hoe is je gezondheid? Heb je lichamelijke klachten? Zijn er bijzonderheden met betrekking tot voeding, zindelijkheid, lichamelijke ontwikkeling? Bijzonderheden omtrent zwangerschap/geboorte (natuurlijke bevalling of niet, evt. complicaties, evt. couveuse, hoe verliepen eerste maanden voor zowel moeder, kind als gezin,...) Sociale vaardigheden Welke positie heb je in de groep/klas? Hoe is het contact tussen jou en je medeleerlingen? Hoe is het contact tussen jou en de leerkrachten? IQ en diagnose Wat is je IQ? dat weet ik niet precies, ik denk laag gemiddeld hoog dat weet ik precies, nl. totaal IQ, verbaal IQ, performaal IQ Heb je een diagnose (ADD, ADHD, hechtingsproblemen, dyslexie, dyscalculie, autisme, Asperger, PDD-NOS, NLD, ODD-CD, MCDD, anders...)?
Zo ja, door wie is de diagnose gesteld? Wanneer is de diagnose gesteld? Gebruik je hiervoor medicatie? Gebruik je medicatie voor iets anders, waarvoor en welke medicatie? Horen en zien Is je gehoor goed? Hier meer vragen over gehoor, hoofdgeluiden en bijgeluiden? Kun je een langere, gesproken instructie goed volgen of niet? Zie je goed? Draag je een bril/lenzen? Heb je weleens last van geïrriteerde, tranende of vermoeide ogen? Heb je wel eens hoofdpijn? Zo ja, wanneer (op school, aan het eind van de dag, alleen in het weekend, anders, nl )? Zie je letters weleens bewegen? Verdwijnen de letters weleens? Zie je dingen weleens dubbel? Wrijf je vaak in je ogen? Dek je tijdens het lezen wel eens één oog of? Of sluit je wel eens één oog? Als je leest, hou je dan het boek op een normale afstand? Of jou je het te dichtbij of te ver weg? Als je schrijft, schrijf je dan vaak boven of onder de lijnen? Motoriek en ontwikkeling Hoe is je grove motoriek (denk aan sporten)? Hoe is je fijne motoriek (schrijven, knutselen, kleine dingetjes, oog-hand coördinatie)? Heb je vroeger gekropen? Hoe ging het aanleren van fietsen? Hoe ging het aanleren van zwemmen? Ruimtelijke oriëntatie Hoe is je ruimtelijke oriëntatie? Spraak- en taalontwikkeling Hoe is je spraak- en taalontwikkeling? Stress en spanning Waar heb je last van?
negatief zelfbeeld faalangst gedachten hebben over dom zijn gedachten hebben over het perfect moeten doen gespannenheid dichtklappen met toetsen motivatie werkhouding anders, nl. LEERVOORWAARDEN B: EXECUTIEVE FUNCTIES (BRON: SLIM MAAR) Lees elk item en beoordeel hoe goed het jou beschrijft. Gebruik de scoreschaal hieronder. Tel de drie scores per item bij elkaar op. Gebruik de lijst helemaal onderaan om te bepalen wat je sterke en zwakke executieve functies zijn. 1 Geen probleem 4 Redelijk groot probleem 2 Niet zo'n groot probleem 5 Heel groot probleem 3 Gemiddeld probleem Item 1 Ik kan zonder te vechten een conflict met een leeftijdsgenoot afhandelen (ik krijg misschien wel een driftbui). Score 2 Ik hou me in afwezigheid van een volwassenen aan huis- en schoolregels. 3 Ik word snel rustig na een gebeurtenis met een grote emotionele lading, na aansporing van een volwassene. Totaalscore 4 Ik onthoud dat ik na schooltijd een huishoudelijke klus moet verrichten, zonder dat ik daaraan herinnerd hoef te worden. 5 Ik neem boeken, werkstukken en opdrachten mee naar school en naar huis. 6 Ik hou een dagelijks veranderende planning in de gaten (bijvoorbeeld andere activiteiten na schooltijd). Totaalscore 7 Ik vertoon geen overdreven reactie na het verlies van een spelletje of als ik geen prijs win. 8 Ik accepteer het als ik niet krijg wat ik wil bij een groepsactiviteit.
9 Ik kan me beheersen als ik geplaagd wordt. Totaalscore 10 Ik kan dertig tot zestig minuten achter elkaar aan een opdracht werken. 11 Ik kan een huishoudelijke klus afmaken die dertig tot zestig seconden duurt (ik heb misschien wel een pauze nodig). 12 Ik kan zestig tot negentig minuten lang meedoen aan een sporttraining, een kerkdienst, enzovoort. Totaalscore 13 Ik kan een eerder geoefende activiteit bestaande uit drie tot vier stappen afmaken. 14 Ik kan in de klas drie tot vier opdrachten achter elkaar afmaken. 15 Ik kan de van tevoren vastgestelde huiswerkplanning volgen (ik moet er misschien aan herinnerd worden om te beginnen). Totaalscore 16 Ik kan plannen maken om iets speciaals met een vriend(in) te gaan doen, bijvoorbeeld naar de bioscoop gaan). 17 Ik weet hoe ik geld kan verdienen of sparen voor een duurdere aankoop. 18 Ik kan een lange termijn project voor school maken, waarbij de verschillende stappen door iemand anders zijn vastgesteld. Totaalscore 19 Ik kan mijn spullen op de juiste plek in mijn slaapkamer of andere plaatsen in huis opbergen. 20 Ik neem mijn spullen/speelgoed aan het eind van de dag mee naar binnen (ik heb misschien een herinnering nodig). 21 Ik hou huiswerkmateriaal en opdrachten in de gaten. Totaalscore 22 Ik kan binnen gestelde tijdslimieten zonder hulp dagelijkse activiteiten afmaken. 23 Ik kan mijn huiswerkplanning aanpassen om andere activiteiten mogelijk te maken (bijvoorbeeld vroeg beginnen als er 's avonds een sporttraining is). 24 Ik kan op tijd met langetermijnprojecten beginnen zodat er geen tijdsdruk ontstaat (ik heb daar misschien wel hulp bij nodig). Totaalscore
25 Ik kan drie tot vier weken zakgeld opsparen om iets moois te kopen. 26 Ik kan me aan een oefenschema houden om ergens beter in te worden (sport, een muziekinstrument) - ik heb misschien wel af en toe een herinnering nodig. 27 Ik kan maanden achtereen met dezelfde hobby bezig zijn. Totaalscore 28 Ik blijf nergens 'in hangen' (dat wil zeggen teleurstellingen en dergelijke). 29 Ik kan het over een andere boeg gooien als plannen aangepast moeten worden als gevolg van onvoorziene omstandigheden. 30 Ik kan opdrachten met een open einde maken (waarbij ik misschien wel hulp nodig heb. Totaalscore 31 Ik kan anticiperen op de uitkomst van een handeling en zo nodig aanpassingen maken (bijvoorbeeld om problemen te voorkomen). 32 Ik kan verschillende oplossingen voor problemen verwoorden en uitleggen welke de beste is. 33 Ik heb plezier bij het oplossen van problemen bij schoolopdrachten of games. Totaalscore Sterkst ontwikkelde executieve functies (laagste scores, min. 2, max. 3) Zwakst ontwikkelde executieve functies (hoogste scores min. 2, max. 3) Items Executieve functie 1-3 Responsinhibitie Dit is het vermogen om je gedrag te remmen. Deze rem zorgt ervoor dat je gedrag kunt inhouden, onsuccesvol gedrag kunt stoppen en je kunt verzetten tegen afleidende prikkels, zelfs als die leuker zijn. Je inhibitie heb je dus nodig om te kunnen leren, maar ook in de omgang met anderen heb je deze rem nodig. Een jong kind kan al een korte tijd wachten zonder de orde te verstoren. Een tiener
kan een ingreep van een scheidsrechter zonder morren accepteren. 4-6 Werkgeheugen Met het werkgeheugen kun je informatie letterlijk bewerken. Het werkgeheugen regelt de informatiestromen in je geheugen. Het bepaalt wat nu relevant is, wat later en wat meteen overboord kan. Het zorgt er ook voor dat informatie uit het lange termijn geheugen op het juiste moment beschikbaar is. Het werkgeheugen draagt dus bij aan de organisatie van je kennis en de bereikbaarheid er van. Dit heeft grote impact op je schools presteren. Een jong kind kan aanwijzingen van een of twee stappen onthouden en opvolgen. Een kind uit de bovenbouw onthoudt wat verschillende leraren van hem verwachten. 7-9 Emotieregulatie Sommige kinderen hebben moeite om hun emoties te beheersen. Ze worden er als het ware door overspoeld. Heel sterk zie je dat terug bij kinderen met oppositioneel opstandige gedragsstoornis (ODD), maar ook andere kinderen kunnen hier last van hebben. Hoewel die gebrekkige regulatie geldt voor alle emoties (dus ook bijvoorbeeld verdriet of angst), springen de woede uitbarstingen vaak het meest in het oog. Je kent vast wel de uitspraak: Het leek wel of er een knopje omging, hij kreeg een rode waas voor ogen. Een jong kind dat deze vaardigheid meester is, kan zich binnen korte tijd van een teleurstelling herstellen. Een tiener weet hoe hij zijn zenuwen voor een wedstrijd of een toets moet beheersen om vervolgens goed te presteren. 10-12 Volgehouden aandacht / Aandacht richten en concentratie en volhouden Je aandacht op iets richten betekent dat je prikkels kunt indelen naar belangrijkheid en je dan kunt richten op de meest relevante. Sommige wetenschappers zeggen dan ook dat aandacht richten en inhibitie (je gedrag remmen) zich samen ontwikkelen. In de klas herken je deze kinderen gemakkelijk: ze letten meestal niet meteen op, je moet ze erbij slepen. Aandacht volhouden is, zeker bij saaie taken erg moeilijk. Deze kinderen herken je aan snel afgeleid zijn, maar ook aan het afraffelen van hun werk. Een voorbeeld voor een jong kind is een karweitje van vijf minuten voltooien, onder enig toezicht. Een tiener kan met korte pauzes en tot twee uur vol aandacht aan zijn huiswerkopdrachten werken. 13-15 Taakinitiatie (beginnen aan de opgedragen taak) Kinderen die moeite hebben met taakinitiatie herken je wel in je klas. Ze gaan vrijwel nooit meteen aan het werk, maar gaan nog even een potlood slijpen, naar het toilet of beginnen iets anders, als het maar niet hun werk is. Een jong kind kan meteen nadat het aanwijzingen heeft gekregen met een karweitje op een opdracht beginnen. Een tiener wacht niet tot het laatste moment om met een opdracht te beginnen. 16-18 Planning/prioritering (plannen en organiseren van lesstof of agenda) Kinderen die moeite hebben met planning, vergeten aan hun werkstuk te beginnen, hebben aan het eind van de week hun weektaak nog niet af of laten hun huiswerk thuis liggen, waarbij de vraag is of het wel af is. Door gebrek aan overzicht kunnen zij hun taken moeilijk organiseren. Ze weten niet wanneer ze moeten beginnen en ook niet waarmee. Hun spullen zijn vaak een rommeltje. Een jong kind kan onder enige begeleiding bedenken hoe het een conflict tussen leeftijdsgenootjes kan oplossen. Een tiener kan een plan opstellen om een vakantiebaan te krijgen. 19-21 Organisatie Het vermogen om dingen volgens een bepaald systeem te arrangeren of te ordenen) Het vermogen om systemen te ontwikkelen en te onderhouden om op de hoogte te blijven van informatie of benodigde materialen. Een jong kind kan, na aansporing, speelgoed op de juiste plek terug leggen. Een tiener kan benodigdheden voor een sport ordenen en lokaliseren.
22-24 Timemanagement Wordt ook vaak genoemd als executieve functie. Kinderen die hier niet goed in zijn, schatten de tijd die ze voor hun (huis)werk nodig hebben totaal verkeerd in. Deze tijd schatten ze te kort, terwijl ze hun vrije tijd als veel te lang inschatten. Een jong kind kan een korte taak binnen de door een volwassene aangegeven tijdslimiet voltooien. Een tiener kan een schema opstellen om bepaalde deadlines te behalen. 25-27 Doelgericht gedrag Het vermogen om een doel te formuleren, dat te realiseren en daarbij niet afgeleid of afgeschrikt te worden door tegengestelde belangen. Een kind uit groep 5 kan tot de pauze doorwerken aan een taak. Een tiener kan gedurende langere tijd geld verdienen en sparen om iets belangrijks te kopen. 25-27 Flexibiliteit Dit vermogen stelt je in staat om van aanpak te wisselen als de omstandigheden veranderen of als je merkt dat je aanpak niet succesvol is. Kinderen met een (zeer) gebrekkige cognitieve flexibiliteit raken ernstig van slag als je onverwachte dingen doet in je klas. Een jong kind kan zich zonder al teveel problemen aanpassen aan een verandering in de plannen. Een tiener accepteert een alternatief, bijvoorbeeld een andere taak als de eerste niet mogelijk is. 31-33 Metacognitie Het vermogen om een stapje terug te doen om jezelf en de situatie te overzien, om te bekijken hoe je een probleem aanpakt. Het gaat daarbij om zelfmonitoring en zelfevaluatie (door je bijvoorbeeld af te vragen: 'Hoe breng ik het ervan af?' of 'Hoe heb ik het gedaan?'). Een jong kind kan zijn gedrag veranderen als reactie op de feedback van een volwassene. Een tiener kan zijn prestaties evalueren en deze verbeteren door anderen te observeren die meer ervaring hebben. VERDERE INFORMATIE OVER JOU DIE VAN BELANG ZOU KUNNEN ZIJN WELKE DAGEN/TIJDEN BEN JE BESCHIKBAAR VOOR ANDERS LEREN MET PAARDEN? 1. 2. 3. * Contact met school en evt. eerdere hulpverlening wordt uitsluitend opgenomen na toestemming.