Kaarten module 4 derde klas

Vergelijkbare documenten
Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) havo 5

2 Constante en variabele kosten

Samengevat bereken je de nettowinst van een onderneming zo:

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

-> Bereken de brutowinst en de nettowinst van Jeroen.

Samenvatting Economie Hoofdstuk 4

UITWERKINGEN OPGAVEN HOOFDSTUK 5

Uitwerkingen proefexamen II PDB kostencalculatie

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m juni 2009 proeftoets 100 minuten. In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing.

b. Materiaal Loonkosten Opslag indirecte kosten: 125%

b Economische voorraad: de voorraad waarover de onderneming prijsrisico

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

b Economische voorraad: de voorraad waarover de onderneming prijsrisico

Eindexamen economie 1 vwo I

Opgave 9.5 Variabele kosten per stuk: / = 3,75 Totale variabele kosten bij eenheden: ,75 =

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1

Reader Bedrijfseconomische berekeningen

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Samenvatting M&O periode 1. Hoofdstuk 13 8,4. Paragraaf 1. Samenvatting door G woorden 12 maart keer beoordeeld

Deze uitwerkingen horen bij het boek Examentraining basiskennis Calculatie BKC van de uitgeverij OBCO, ISBN VERSIE 2 dd

Domein D markt. Zie steeds de eenvoud!! Grafieken en rekenen Uitwerkingen. Frans Etman

Samenvatting Economie Module 2

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

TOELATINGSTOETS M&O. Datum

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5+6

M&O VWO 2011/

Inkoopprijs 100% + marge 10% = verkoopprijs 110% Stel de inkoopprijs bedraagt 800 en de winstmarge 10% van de

Een product begint als grondstof en daarna word het verwerkt tot een eindproduct.

Een overzicht van de factoren die de omvang van de gevraagde hoeveelheid van een artikel bepalen.

Samenvatting Economie Lesbrief Vervoer

Domein D: Concept markt. Havo 5 Module 2 en 3

Vraag Antwoord Scores

Eindexamen m&o havo I

2 Constante en variabele kosten

OPGAVEN HOOFDSTUK 6 ANTWOORDEN

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC)

Opnamekosten Boeterente, indien je je geld eerder opneemt dan de afgesproken looptijd dan moet je een boete rente betalen.

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Eindexamen m&o havo 2007-I

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p).

1 Kostprijsberekening en bezettingsresultaat

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

LESBRIEF VERVOER. havo 4 blok 3

Antwoorden Economie H1; Productie en Productiefactoren (Present)

OEFENOPGAVEN LESBRIEF INDUSTRIE

De antwoorden tussen haakjes zijn de antwoorden die wij VERMOEDEN die juist zijn.

Proefschoolexamen Management & Organisatie 5 vwo. Hoofdstuk 17 tot en met 28. Normering. Aantal punten x = cijfer 63

Lesbrief Vraag en Aanbod 1 e druk

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Toegepast Rekenen Opdrachten:

BIJLAGE 9.A: OPGAVE a2 UIT DE TEST KENNIS VAN PROCEDURES (Omwille van de leesbaarheid is bij het omzetten naar PDF de gulden vervangen door de.

Het aantal te behalen punten is 100. Bij elke vraag staat aangegeven hoeveel punten je daarvoor kunt behalen.

Hoofdstuk 1. Opgave , ,57. Opgave ,078. Opgave , ,

UITWERKINGEN OPGAVEN HOOFDSTUK 7

Hoofdstuk 26 Kosten en resultaten in de industriële onderneming Diagn.Toets


Direct costing en break even analyse

UITWERKINGEN OPGAVEN HOOFDSTUK 9

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Examen VMBO-GL en TL - COMPEX

MARKETING / 09A. HBO Marketing / Marketing management. Raymond Reinhardt 3R Business Development.

Financiële aspecten van de planning

UITWERKINGEN OPGAVEN HOOFDSTUK 8

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 6 tot en met 8.

Domein D markt. Opgaven. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

OPGAVEN HOOFDSTUK 6 UITWERKINGEN

Samenvatting Management & Organisatie Eenmanszaak deel 2

Economie Pincode klas 4 vmbo-gt 6 e editie Samenvatting Hoofdstuk 3: We gaan voor de winst Exameneenheid: Arbeid en productie

Samenvatting M&O De eenmanszaak deel 2

Bij een resultatenbegroting (ook wel exploitatiebegroting genoemd) wordt een overzicht gemaakt van de opbrengsten en van de kosten.

Eindexamen economie 1 vwo 2002-II

Samenvatting Economie Vervoer

ANTWOORDEN OPGAVEN HOOFDSTUK 9

v6mo2p oefentoets vwo M&O 2e periode blad 1 van 5

Het tentamen dien je te maken op het uitwerkingenpapier. Je doet dit als volgt!!

Beginner. Beginner. Beginner

Examenopgaven VMBO-KB 2004

De kostprijs en capaciteiten. De normale en werkelijke bezetting De integrale kostprijs Bezettingsresultaten Capaciteiten

Samenvatting Economie Rekonomie

M & O Case 3.10 Plentium De berekeningen staan in volgorde van hoe het op de begroting en op de balans staat.

Eindexamen m&o vwo II

Break-evenanalyse Het break-evenpunt is de afzet waarbij geen winst maar ook geen verlies wordt gemaakt.

Ruilen over de tijd (havo)

Hoofdstuk 1. Opgave , ,57. Opgave ,078. Opgave , ,

Bij het na-calculatorische budget bepalen we achteraf wat de kosten hadden mogen zijn op basis van de werkelijke productie/afzet.

7,5. Samenvatting door R woorden 24 juni keer beoordeeld. Hoofdstuk 1. De kledingmarkt. Omzet = prijs x afzet

* goed lezen! * let op terugrekenen!

Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op.

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I

Product 1 Misconceptie Opbrengst = Winst

Samenvatting Economie Hoofdstuk 3/7 samenvatting

UITWERKINGEN OPGAVEN HOOFDSTUK 6

consumentenprijs btw tarief Rekenvoorbeeld Een bakker heeft aan het eind van de ochtend de volgende artikelen verkocht.

Welke BTW tarieven zijn er? 21% luxe goederen 6% primaire levensbehoefte 0% vrijgesteld (export, overheidsdiensten)

Transcriptie:

1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef de formule van GTK. 6. Geef de omschrijving van marginale kosten (MK). 7. Wat houdt afnemende meeropbrengsten in? 8. Leg uit waarom de vaste kosten per product dalen als er meer producten gemaakt worden. 1. Totale variabele kosten en totale vaste (=constante) kosten. 2. Energiekosten, loonkosten per product grondstofkosten 3. Machinekosten, huur, loonkosten per maand. 4. Totale omzet totale kosten. 5. Totale kosten per product. 6. De toename van de totale kosten als er 1 product meer gemaakt wordt. 7. Bij een toename van het aantal gewerkte uren zal de toename van aantal gemaakte producten afnemen. 8. De vaste kosten is één bedrag dat over steeds meer producten verdeeld wordt. Daardoor zal de vaste kosten per product bij een toename van de productie afnemen.

1. Hoe groot zijn de totale vaste kosten? Hoe weet je dit? 2. Hoe groot is de totale winst als er 10 producten gemaakt wordt? Geef de berekening. 3. Hoe hoog is de prijs (per product)?geef de berekening. 4. Bij welke afzet is dit bedrijf voor het eerst uit de verliezen? Leg uit. 5. Bij welke afzet werkt dit bedrijf kostendekkend? 6. Is hier sprake van een afnemende meeropbrengsten? Leg uit. 1. Er wordt als geen afzet is al kosten gemaakt dit zijn de totale vaste kosten. Dus 40 euro 2. Kijk bij de afzet is 10. TW = TO TK = 100 90 = 10 euro. 3. Als er 10 producten gemaakt worden is de totale omzet 100 euro. De prijs is T)/q = 100 / 10 = 10 euro. 4. Bij een afzet van 8 producten. Daar geldt TO = TK. 5. Bij een afzet van 8 producten. Daar geldt TO = TK. 6. Nee, want de TK lijn loopt als een (lineaire) rechte lijn.

1. Hoe groot is de totale winst als er 10 producten gemaakt wordt? Geef de berekening. 2. Bij welke afzet is dit bedrijf voor het eerst uit de verliezen? Leg uit. 3. Leg uit waardoor de GTK-lijn dalend verloopt. 1. Kijk bij de afzet is 10. TO = 10 * 10 = 100 TK = 9 * 10 = 90 dus TW = TO TK = 10 euro. 2. Bij een afzet van 8 producten. Daar geldt p = GTK. 3. De vaste kosten is één bedrag dat over steeds meer producten verdeeld wordt. Daardoor zal de vaste kosten per product bij een toename van de productie afnemen. Dus ook de GTK.

1. In een winkel is per week voor 240 uur werk. Een voltijdbaan bestaat uit 40 uur per week. Bereken voor hoeveel voltijders er per week werk is in deze winkel. 2. In een winkel is per week voor 240 uur werk. Er werken per week 20 mensen in deeltijd. Hoeveel uur werkt iedere deeltijder gemiddeld per week? Geef de berekening. 3. Geef de omschrijving van welvaart. 4. Scholieren in deeltijd gaan werken. Leg uit dat hun welvaart zal gaan stijgen. 5. Scholieren in deeltijd gaan werken. Leg uit dat hun welvaart zal gaan dalen. 6. Leg uit dat meer consumptie kan leiden tot welvaart (in ruime zin). 7. Als een bedrijf een product wil verkopen voor 12 en de overheid gaat een accijns van 2 opleggen, hoe hoog zal de prijs voor de consument dan tenminste zijn? 8. Leg uit dat door het heffen van accijns de welvaart (in ruime zin) toeneemt. 9. Leg uit wat voor gevolg het heffen van accijns heeft voor de overheidsfinanciën. 1. 240 uur / 40 uur per mens = 6 voltijders. 2. 240 uur / 20 mensen = 12 uur per mens. 3. De mate waar je je behoefte kunt vervullen. 4. Scholieren verdienen dan geld, waarmee zij producten kunnen kopen om in hun behoefte te voorzien. Hun welvaart gaat stijgen. 5. Scholieren verdienen wel meer inkomen, maar als hun behoefte aan vrije tijd groter is dan zal hun welvaart gaan dalen. 6. Meer consumptie leidt tot meer productie door de bedrijven (= meer welvaart in enge zin), maar door de productie kunnen de natuurlijke hulpbronnen zo uitgeput (of milieu verontreinigd) raken dat de welvaart in ruime zin daalt. 7. 14 8. Door de heffing van accijns worden de milieuvervuilende producten duurder en minder gekocht door de consumenten. Hierdoor zullen deze producten minder gemaakt worden. Het milieu zal hierdoor verbeteren, waardoor de welvaart (in ruime zin) toeneemt. 9. Voor de overheid is accijns een inkomstenbron. Hierdoor zal de overheid meer ontvangen en al het tekort van de overheid afnemen.

1. Je hebt een i-pad gekocht voor 600. Je kunt hem verkopen over een half jaar voor 100. Dat ga je ook doen. Bereken hoeveel euro je per week moet reserveren om de i- pad (van dezelfde prijs) over een half jaar te vervangen. 2. Geef een voorbeeld van gebruikskosten van een i-pad. 3. Neem aan: de aanschaf van de fiets kost 950 (inclusief verlichting). Het slot kost 85. De verwachting is dat je 40 aan onderhoudskosten per jaar hebt. De fiets gaat 10 jaar mee. Je gebruikt de fiets voor woon-werkverkeer (15,5 km enkele reis). Je werkt in deeltijd, 3 dagen in de week. Bereken de fietskosten per kilometer per jaar. 4. Is een maandelijkse reiskosten vergoeding van 65 toereikend? Geef de berekening. 1. 600 100 = 500 500 /26 = 19,23 2. Elektriciteitskosten. 3. (950+85)/10 + 40 = 143,50 kosten per jaar. Het aantal kilometers: 2 *15,5 * 3 * 52 = 4836 km per jaar. Fietskosten per kilometer is 143,50 /4836 = 0,030 (dus 0,03) 4. Gemiddelde kosten per maand = 143,50/12 = 11,96. Ja, het is toereikend.

1. Wat betekent afzet? 2. Welke symbool gebruiken we voor het woord afzet? 3. Hoe bereken je de omzet? 4. Welk symbool gebruiken we voor het woord prijs? 5. Wie betalen de btw? 6. Wie ontvangt (uiteindelijk) de btw? 7. Leg uit dat een stijging van de omzet van de bedrijven zal leiden tot een afname van het tekort van de overheid. 8. De verkoopprijs exclusief btw is 85. Het btw-percentage is 19%. Bereken de consumentenprijs. 9. De verkoopprijs exclusief btw bedraagt 12,50. Het btw-percentage is 6%. Bereken de verkoopprijs inclusief btw. 10. De consumentenprijs is 45. Het btwpercentage is 19%. Bereken de verkoopprijs exclusief btw. 1. Aantal (verkochte) producten. 2. q 3. Prijs * afzet 4. p 5. Consumenten (in de winkel) 6. De (rijks)overheid. 7. Als de omzet stijgt, zal er ook meer btw betaald zijn. Btw is een inkomstenbron voor de overheid. De ontvangsten van de overheid stijgt. Het overheidstekort daalt. 8. 1,19*85 = 101,15 9. 1,06 * 12,50= 13,25 10. 45 / 1,19 = 37,82

1. Wat is de inkoopprijs? 2. Wat is de inkoopwaarde? 3. Hoe bereken je de inkoopwaarde? 4. Noem 2 voorbeelden van diensten van derden. 5. Hoe bereken je de brutowinst? 6. Hoe bereken je de nettowinst? 7. Noem 4 voorbeelden van bedrijfskosten. 8. Wat is het verschil tussen bedrijfstak en bedrijfskolom? 1. De prijs van één ingekochte product. 2. De waarde van de ingekochte producten 3. De inkoopprijs * aantal ingekochte producten. 4. Transport laten doen door een ander bedrijf; het schoonmaken laten doen door een ander bedrijf. 5. Omzet inkoopwaarde. 6. Brutowinst - bedrijfskosten 7. Loonkosten, kosten van huisvesting en inventaris, kosten van diensten van derden, verkoopkosten. 8. De bedrijven bij een bedrijfstak maken hetzelfde (soort) product. Bij een bedrijfskolom gaat het over een onderdeel in het totale productieproces van een product.

1. Hoe bereken je de bruto toegevoegde waarde? 2. Waar bestaan de onderlinge leveren uit? 3. Wat zijn maatschappelijke kosten? 4. Wat zijn externe effecten? 5. Zijn maatschappelijke kosten een voorbeeld van negatief of positief externe effecten? 6. Hoe hoog is ongeveer het modale inkomen in Nederland? 7. Is het gemiddelde inkomen in Nederland hoger of lager dan het modale inkomen? 8. Hoe bereken je het gemiddelde inkomen van een land? 9. Het nationaal inkomen steeg in 2006 met 1% en in 2007 met 2%. Bereken de (totale) procentuele stijging van het nationaal inkomen in de periode 2006 2007. 1. Omzet onderlinge leveringen. 2. Inkoop en diensten van derden. 3. Kosten van productie die op de samenleving worden afgewenteld. 4. Gevolgen voor anderen dan de producent of consument die niet in de prijs van een product verwerkt zitten. 5. Negatief 6. Ongeveer 33.000 7. Hoger. 8. Het totale inkomen / aantal mensen. 9. 100*1,01*1,02 = 103,02 dus 3,0% stijging. Ook goed: 100 * 101/100 = 101 101 * 102/100 = 103,02 dus 3,0 % stijging.