Inhoud Woord vooraf Dankwoord VII IX DEEL 1. ALGEMEEN DEEL 1 Hoofdstuk 1. Inleiding 3 Paragraaf 1. Aanleiding, onderzoeksvraag en opzet 3 1.1. Inleidend 3 1.2. Onderzoeksvraag en opzet 4 1.2.1 Onderzoeksvraag 4 1.2.2 Deel 1: Algemeen deel 5 1.2.3 Deel 2: Privaatrechtelijke aspecten 5 1.2.4 Deel 3: Vennootschapsrechtelijke aspecten 6 1.2.5 Deel 4: Publiekrechtelijke en Europeesrechtelijke aspecten 6 1.2.6 Deel 5: Afsluiting 7 1.2.7 Einddatum onderzoek 7 1.3. Belang van het onderzoek 7 1.4. De VOF en de fiscus 8 Paragraaf 2. Historische beschouwingen 9 2.1. De VOF in de wetboeken van 1838 9 2.1.1 Ontwikkeling van de societas 9 2.1.2 Wettelijke grondslag in 1838 10 2.1.3 Na 1838 12 2.1.4 De rechtspersoonlijkheidsdiscussie 13 2.2. Het voorontwerp Van der Grinten 14 2.3. Het ontwerp Maeijer 16 Hoofdstuk 2. Hoofdkenmerken van de VOF 21 Paragraaf 1. Toepasselijk recht 21 1.1. Inleiding 21 1.2. De overeenkomst 21 1.3. Wetboek van Koophandel 22 1.4. Burgerlijk Wetboek 22 IX
Paragraaf 2. Bestaansvoorwaarden 23 2.1. Inleiding, definitie van de VOF 23 2.2. Ad 1) Overeenkomst tot samenwerking 24 2.2.1 Op rechtsgevolg gerichte wil 24 2.2.2 Vormvrije overeenkomst 26 2.2.3 Meerwaarde inschakeling notaris 28 2.2.4 Parallelle belangen 29 2.3. Ad 2) Vermogensrechtelijk voordeel 30 2.4. Ad 3) Inbreng 31 2.5. Ad 4) Bedrijfsuitoefening 32 2.6. Ad 5) Gemeenschappelijke naam 34 2.7. Niet constitutief: Inschrijving in handelsregister 35 2.7.1 Inschrijvingsplicht 35 2.7.2 Op te nemen gegevens 37 2.7.3 Sancties op schending inschrijvingsplicht 38 Paragraaf 3. Vertegenwoordiging en bestuur 39 3.1. Vertegenwoordiging 39 3.1.1 Wie is waartoe bevoegd? 39 3.1.2 Onbevoegde vertegenwoordiging 40 3.1.3 Namens zichzelf of namens de VOF? 41 3.2. Bestuur 42 3.3. Vertegenwoordigings- en bestuursbevoegdheid gaan vaak samen 43 Paragraaf 4. Aansprakelijkheid en draagplicht 44 4.1. Externe aansprakelijkheid 44 4.2. Interne draagplicht 46 Paragraaf 5. Hoofdkenmerken van de Duitse offene Handelsgesellschaft (OHG) 47 5.1. Op de OHG toepasselijk recht 47 5.2. Bestaansvoorwaarden 48 5.3. Vertegenwoordiging en bestuur 49 5.4. Aansprakelijkheid 51 5.5. Rechtsfähigkeit 52 Paragraaf 6. Hoofdkenmerken van de Belgische VOF 52 6.1. Op de VOF toepasselijk recht 52 6.2. Bestaansvoorwaarden 53 6.3. Bestuur en vertegenwoordiging 56 6.4. Aansprakelijkheid 56 6.5. Rechtspersoon 57 6.6. Weinig populaire rechtsvorm 57 X
DEEL 2. PRIVAATRECHTELIJKE ASPECTEN 59 Hoofdstuk 3. Vermogensrechtelijke aspecten 61 Paragraaf 1. Inleiding 61 Paragraaf 2. De status van het vennootschappelijk vermogen 62 2.1. Afgescheiden vermogen van de niet-ontbonden VOF 62 2.1.1 De erkenning van het afgescheiden vermogen 62 2.1.2 De betekenis van het afgescheiden vermogen voor de vennoten 64 2.1.3 Het afgescheiden vermogen en art. 3:276 BW 65 2.2. De vennootschappelijke gemeenschap(pen) bij de niet-ontbonden VOF 66 2.2.1 De gerechtigdheid tot de vennootschappelijke gemeenschap(pen) 66 2.2.2 Op de actieve gemeenschap toepasselijk recht 68 2.3. Gebonden gemeenschap bij de niet-ontbonden VOF 70 2.3.1 De betekenis van gebonden gemeenschap 70 2.3.2 Beschikken over een aandeel in een afzonderlijk goed 71 2.3.3 Beschikken over een aandeel in de gemeenschap 72 2.3.4 Afzonderlijke goederen of gehele gemeenschap? 73 2.4. Het vennootschappelijk vermogen na ontbinding van de VOF 73 2.4.1 Vereffening en verdeling 73 2.4.2 Op de ontbonden gemeenschap toepasselijk recht 76 2.4.3 Afgescheiden vermogen na ontbinding 77 2.4.4 Beperktere beschikkingsgebondenheid na ontbinding 77 2.4.5 Beschikken over een aandeel in een goed na ontbinding van de VOF 78 2.4.6 Beschikken over een aandeel in de gehele gemeenschap na ontbinding van de VOF 79 2.5. Tot slot 80 Paragraaf 3. De omvang van het vennootschappelijk vermogen 81 3.1. Het vennootschappelijk vermogen en de goederenrechtelijke gemeenschap(pen) 81 3.2. Het onderwerp van de inbreng 81 3.2.1 Geld, (genot van) goederen, arbeid 81 3.2.2 De verplichting tot inbreng 83 3.3. De gevolgen van verschillende wijzen van ter beschikking stellen van goederen 84 XI
3.3.1 Inleiding 84 3.3.2 Risico van waardefluctuaties 84 3.3.3 De bezitter en de gebruiker van het ingebrachte 85 3.4. Overdrachtsformaliteiten bij inbreng van juridische eigendom, de vordering tot nakoming 90 3.4.1 Inbreng van juridische eigendom 90 3.4.2 Inbreng van genot (zuiver genot en economische eigendom) 92 3.4.3 Vordering tot nakoming van de inbreng 95 3.5. Levering aan de VOF door een derde 95 Paragraaf 4. Economische deelgerechtigdheid 96 4.1. Wat is economische deelgerechtigdheid 96 4.2. Bepaling van de economische deelgerechtigdheid 97 4.3. De uitkering bij uittreden 99 Paragraaf 5. Faillissement 100 5.1. Faillissement van de VOF 100 5.2. Faillissement van een van de vennoten 103 5.2.1 (Gedeeltelijke) ontbinding van de VOF 103 5.2.2 Positie van zaakscrediteuren 103 Paragraaf 6. De positie van crediteuren 104 6.1. Zaakscrediteuren 104 6.1.1 Verhaal op het vennootschappelijk vermogen 104 6.1.2 Verhaal op privévermogens 105 6.2. Privécrediteuren 106 6.2.1 Inleiding 106 6.2.2 De privécrediteur tijdens het bestaan van de VOF 107 6.2.3 De privécrediteur na ontbinding van de VOF 110 Paragraaf 7. Conclusie en aanbevelingen 111 7.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 111 7.2. Knelpunten 112 7.3. Oplossen van de knelpunten en aanbevelingen 113 Hoofdstuk 4. Goederenrechtelijke aspecten van herstructurering 115 Paragraaf 1. Inleiding 115 Paragraaf 2. Verdeling en overgang 116 2.1. Wat is verdeling? 116 2.2. Wat is overgang? 119 Paragraaf 3. Verdeling en overgang van goederen na volledige ontbinding 120 3.1. (Beperkte rechten op) onroerende zaken 120 3.2. Aandelen in een NV of BV 122 XII
3.2.1 Leveringseisen 122 3.2.2 Blokkeringsregelingen bij de NV 122 3.2.3 Blokkeringsregelingen bij de BV 124 3.2.4 Verplichtingen na overgang 124 3.3. Vorderingen op naam 125 3.3.1 Leveringseisen 125 3.3.2 Uitsluiting krachtens partijbeding van de mogelijkheid van overgang? 126 3.4. Bestuursrechtelijke rechtsbetrekkingen 127 3.5. Overige goederen 127 Paragraaf 4. Verdeling en levering na gedeeltelijke ontbinding als gevolg van uittreding 129 Paragraaf 5. Overdracht van een aandeel in een vennootschappelijke gemeenschap 129 5.1. Inleiding 129 5.2. Onroerende zaken 130 5.3. Aandelen in een NV of BV 130 5.4. Vorderingen op naam 131 5.5. Bestuursrechtelijke rechtsbetrekkingen 132 5.6. Overige goederen 132 Paragraaf 6. Inbreng van het vennootschappelijk vermogen in een BV 133 6.1. De inbrenghandelingen 133 Paragraaf 7. Goederenrechtelijke problemen en mogelijke oplossingen bij verdeling en overdracht 134 7.1. Verdelingsperikelen 134 7.2. Te treffen maatregelen ter voorkoming/beperking van problemen rond verdeling 135 7.2.1 Onherroepelijke volmacht 135 7.2.2 Vermogensbedingen 135 7.2.3 Inbreng onder ontbindende voorwaarde? 140 7.3. Overdrachtsperikelen 141 Paragraaf 8. Conclusie en aanbevelingen 142 8.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 142 8.2. Knelpunten 143 8.3. Oplossen van de knelpunten en aanbevelingen 144 Hoofdstuk 5. Verbintenisrechtelijke aspecten 147 Paragraaf 1. Inleiding 147 Paragraaf 2. Overeenkomsten met derden 148 2.1. Twee- of meerpartijenovereenkomst? 148 2.2. De gevolgen voor een overeenkomst van wisselingen in het vennotenbestand 149 XIII
2.3. De gevolgen voor overeenkomsten van ontbinding van de VOF 151 2.3.1 Einde van de overeenkomst 151 2.3.2 Voortzetting van de overeenkomst 151 2.3.3 Is een wettelijke regeling nodig? 153 Paragraaf 3. Aansprakelijkheid voor verbintenissen 155 3.1. Aansprakelijkheid van de uittredende vennoot 155 3.2. Aansprakelijkheid van de toetredende vennoot 158 3.3. Aansprakelijkheid: de Duitse regeling 160 3.3.1 De uit een OHG tredende vennoot 160 3.3.2 De tot een OHG toetredende vennoot 161 3.3.3 Aansprakelijkheid bij toetreden tot eenmanszaak en daarmee ontstaan OHG 161 3.4. Aansprakelijkheid: de Belgische regeling 162 Paragraaf 4. Conclusie en aanbevelingen 162 4.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 162 4.2. Knelpunten 163 4.3. Oplossen van de knelpunten en aanbevelingen 163 Hoofdstuk 6. Mogelijkheden tot vereenvoudiging van het goederen- en verbintenisrechtelijk regime voor de VOF 165 Paragraaf 1. Inleiding 165 Paragraaf 2. Vereenvoudiging door toekenning van rechtspersoonlijkheid 165 2.1. Inleiding: het begrip rechtspersoon 165 2.2. Gelijkstelling wat vermogensrecht betreft en aanvullende wettelijke bepalingen 166 2.3. De Belgische VOF 167 2.4. Nieuwe vragen die rijzen 168 Paragraaf 3. Vereenvoudiging zonder toekenning van rechtspersoonlijkheid 169 3.1. Overdracht van een aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap en overdracht van de onderneming 169 3.2. Vermögensträgerschaft zonder rechtspersoonlijkheid 171 3.2.1 OHG is Vermögensträger 171 3.2.2 De nietige overeenkomst en die Lehre von der fehlerhaften Gesellschaft 172 3.3. Aanwas (Anwachsung) van rechtswege (Duitsland) 173 3.4. Beding van aanwas (België) 174 Paragraaf 4. Conclusie en aanbevelingen 177 4.1. Inleiding 177 4.2. Toekenning van rechtspersoonlijkheid 178 XIV
4.3. Overdracht van onderneming 179 4.4. De overige opties 180 Hoofdstuk 7. Privaatrecht capita selecta 181 Paragraaf 1. Inleiding 181 Paragraaf 2. De VOF in het burgerlijk proces 181 2.1. De VOF is procesbevoegd 181 2.2. Verhaalbaarheid 182 2.3. Verweermiddelen 184 2.4. Rechtsmiddelen 185 2.5. Griffierecht 187 2.6. Conclusie 189 Paragraaf 3. VOF als erfgenaam 189 3.1. Inleiding 189 3.2. De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid 190 3.3. Duidelijke omschrijving van legataris/erfgenaam 191 Paragraaf 4. Conclusie en aanbevelingen 192 4.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 192 4.2. Knelpunten 192 4.3. Oplossen van de knelpunten en aanbevelingen 192 DEEL 3. VENNOOTSCHAPSRECHTELIJKE ASPECTEN 195 Hoofdstuk 8. Vennootschapsrechtelijke aspecten van herstructurering 197 Paragraaf 1. Inleiding 197 Paragraaf 2. Hoofdregel: volledige ontbinding 197 Paragraaf 3. Afwijking: voortzettingsbeding i.v.m. uittreden 202 3.1. Wat is een voortzettingsbeding? 202 3.2. Voortzetting met terugwerkende kracht? 203 3.3. Het voortzettingsbeding en faillissement van een vennoot 207 3.4. Wettelijke regeling van voortzetting? 208 Paragraaf 4. Toetreding en opvolging 209 4.1. Inleiding 209 4.2. Aanvaarding van de toetreding/opvolging 209 4.3. Rechten en plichten van de nieuwe vennoot 210 4.4. Voortzetting met erfgenamen van de overleden vennoot 211 Paragraaf 5. Voortzetting als CV en vice versa 212 Paragraaf 6. Van VOF naar kapitaalvennootschap 213 6.1. Inleiding 213 6.2. De omzettingshandelingen 214 Paragraaf 7. Zijn de huidige regels nog van deze tijd? 218 Paragraaf 8. Duitsland 220 XV
8.1. Voortzetting van de OHG is hoofdregel 220 8.2. Herstructurering volgens het Umwandlungsgesetz 222 8.2.1 Inleiding 222 8.2.2 Omzetting van OHG in GmbH en vice versa 222 8.2.3 Fusie van twee OHG s 224 8.2.4 Bescherming van crediteuren en vennoten/aandeelhouders 225 8.3. Herstructurering buiten het Umwandlungsgesetz om 226 8.3.1 Omzetting van personenvennootschappen onderling 226 8.3.2 Fusie door aanwas 226 Paragraaf 9. België 227 9.1. Volledige ontbinding als hoofdregel 227 9.2. Omzetting, fusie en splitsing 228 Paragraaf 10. Nederlandse herstructureringsregelingen 230 10.1. Inleiding 230 10.2. Art. 2:18 BW: omzetting 233 10.2.1 Omzettingsbesluit en notariële tussenkomst 233 10.2.2 Extra waarborg? 234 Paragraaf 11. Conclusie en aanbevelingen 238 11.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 238 11.2. Knelpunten 238 11.3. Oplossen van de knelpunten en aanbevelingen 239 Hoofdstuk 9. De VOF als deelnemer in een vennootschap 241 Paragraaf 1. Inleiding 241 Paragraaf 2. De VOF als vennoot 242 Paragraaf 3. De VOF als bestuurder van een rechtspersoon 244 3.1. De figuur rechtspersoon-bestuurder 244 3.2. De VOF als bestuurder 245 Paragraaf 4. De VOF als aandeelhouder van een kapitaalvennootschap 247 Paragraaf 5. De VOF als lid van een vereniging 248 Paragraaf 6. Conclusie en aanbevelingen 250 6.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 250 6.2. Knelpunten 251 6.3. Oplossen van de knelpunten en aanbevelingen 251 DEEL 4. PUBLIEKRECHTELIJKE EN EUROPEESRECHTELIJKE ASPECTEN 253 Hoofdstuk 10. De VOF in het bestuursrecht 255 Paragraaf 1. Inleiding 255 Paragraaf 2. Belanghebbende 255 XVI
2.1. De VOF en de Awb 255 2.2. Het belang van de VOF 257 2.3. Vertegenwoordiging van de VOF 258 2.4. Het bestaan van de VOF 259 Paragraaf 3. De VOF als vergunninghouder 260 3.1. Vergunning is een vermogensrecht 260 3.2. Wie is volgens het bestuursrecht vergunninghouder? 261 3.3. Wijzen van overgang van een vergunning 263 3.3.1 Privaatrechtelijke overdracht en overgang van rechtswege 263 3.3.2 Wijziging tenaamstelling 264 3.3.3 Invloed van de privaatrechtelijke verhoudingen 266 Paragraaf 4. Handhaving 269 4.1. De VOF als overtreder 269 4.2. Sanctieoplegging aan de VOF en/of de vennoten 271 4.2.1 Bestraffende sanctie 271 4.2.2 Herstelsanctie 272 4.2.3 Sanctieoplegging samengevat 273 4.3. Aansprakelijkheid van de vennoten op grond van art. 18 WvK 274 4.4. Moment van sanctieoplegging 275 Paragraaf 5. Conclusie en aanbevelingen 277 5.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 277 5.2. Knelpunten, oplossingen en aanbevelingen 278 Hoofdstuk 11. De VOF en grondrechten 279 Paragraaf 1. Inleiding 279 Paragraaf 2. Slachtoffers in de zin van art. 34 EVRM 281 Paragraaf 3. De aard van het recht 284 Paragraaf 4. Bescherming van eigendom 285 4.1. De VOF als klager 285 4.2. De positie van de vennoten 288 4.3. Conclusie 291 Paragraaf 5. Vrijheid van meningsuiting 291 Paragraaf 6. Recht op onschendbaarheid van de woning 294 6.1. Natuurlijk persoon als klager 294 6.2. Bedrijf als klager 295 6.3. Standpunt van het HvJ EG (1989) 295 6.4. Conclusie 296 Paragraaf 7. Conclusie en aanbevelingen 296 7.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 296 XVII
Hoofdstuk 12. De VOF in de EU 299 Paragraaf 1. Inleiding 299 Paragraaf 2. Het belang van het MKB 301 Paragraaf 3. Oprichting van een filiaal, agentschap of dochtermaatschappij 303 Paragraaf 4. Verplaatsing van de werkelijke zetel 304 4.1. Verschillende aanknopingspunten 304 4.2. Nederlands IPR: incorporatiestelsel 306 4.3. Duitsland en België: werkelijke zetel met renvoi 309 Paragraaf 5. Grensoverschrijdende juridische fusie 310 5.1. Inleiding 310 5.2. Wanneer kan grensoverschrijdend worden gefuseerd? 311 Paragraaf 6. Grensoverschrijdende verplaatsing van de statutaire zetel 312 6.1. Outbound en inbound zetelverplaatsing 312 6.2. Rechtsvormcongruente en -incongruente omzettingen 315 6.3. Een buitenlands equivalent van de VOF kan zich omzetten in een VOF en vice versa 316 6.4. Een VOF kan zich niet omzetten in een buitenlandse niet-equivalente rechtsvorm en vice versa 317 Paragraaf 7. Conclusie en aanbevelingen 318 7.1. De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden 318 7.2. Knelpunten 319 7.3. Oplossen van de knelpunten en aanbevelingen 319 DEEL 5. AFSLUITING 321 Hoofdstuk 13. Samenvatting van bevindingen en aanbevelingen 323 Paragraaf 1. Inleiding 323 Paragraaf 2. Belangrijke voordelen van de VOF 323 Paragraaf 3. De zelfstandigheid van de VOF 324 Paragraaf 4. Knelpunten 325 Paragraaf 5. Een perfecte oplossing? 328 Paragraaf 6. Aanbevelingen 328 6.1. Voorwaarden van een nieuwe regeling 328 6.2. Aanbeveling 1: Optionele rechtspersoonlijkheid 329 6.2.1 Gerezen bezwaren 329 6.2.2 Vormvereiste 330 6.2.3 Duidelijkheid over voordelen van rechtspersoonlijkheid 330 6.2.4 Nietige/vernietigbare VOF 331 XVIII
6.3. Aanbeveling 2: Overdracht van een (aandeel in de) onderneming 331 6.4. Aanbeveling 3: Continuïteit van de onderneming 332 6.5. Aanbeveling 4: Beperking in de tijd van de na-aansprakelijkheid 332 6.6. Aanbeveling 5: Dwingende aanzuiveringsplicht 332 6.7. Aanbeveling 6: Faciliteren van grensoverschrijdende bewegingen 333 6.8. Aanbeveling 7: Duidelijke afspraken 333 6.9. Aanbeveling 8: Duidelijkheid over de onvermogende VOF in het burgerlijk proces 333 Summary 335 Verkort aangehaalde literatuur 345 Jurisprudentieregister 383 Trefwoordenregister 397 Curriculum vitae 403 XIX