rekenboek 7a lessen 5383 FJ E E O R P VOORBLOK 2
Een voorproefje van groep 7 Het materiaal van De wereld in getallen voor de onderbouw is gereed. Dit schooljaar (2009-200) verschijnen alle materialen voor de bovenbouw. U kunt dus vanaf het schooljaar 200-20 met al het nieuwe materiaal vande wereld in getallen aan de slag. Dit boekje geeft u een voorproefje van groep 7. Kijk voor meer informatie ook op www.dewereldingetallen.nl. De wereld in getallen. Rekenen op z n best. Dit boek is speciaal gemaakt voor enkele scholen en kan nog kleine onvolkomenheden bevatten die in de definitieve versie (verschijning voorjaar 200) niet meer voorkomen. De kwaliteit van dit exemplaar is niet representatief voor de definitieve versie. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Malmberg s Hertogenbosch
Sport in beeld 2
Week Les Reken uit. 000 = 2000 2 = 3 000 3 = 000 0 = 2 000 20 = 3 000 30 = 008 0 = 2 008 20 = 3 05 30 = 0 000 = 20 000 2 = 30 000 3 = 0 000 0 = 20 000 20 = 30 000 30 = 2 Wat kost het? maat XS: 7,95 maat S: 8,98 maat M:,49 maat 52: 4,98 maat 58: 6,45 maat 64: 20,95 * verzendkosten 7,75 maat 37: 29,98 maat 38: 29,98 maat 39: 34,99 maat 40: 34,99 a Arjen bestelt een shirt in maat 58. Wat moet hij betalen? b Jos bestelt een shirt in maat 64, een broek in maat S envoetbalschoenen in maat 38. Wat moet hij betalen? c Marc is de kleinste van het team. Bestel voor Marc voetbalkleren en schoenen. Wat moet Marc betalen? d Bestel voorjezelfvoetbalklerenenschoenen. Schat eerst: heb je genoeg aan 00 euro? Reken het daarna precies uit. 3 Reken uit. 2,55 4,35 8,47 6,98 7,80 4,70 3,29 0,89 3,5 28,37 43,49 + 52,50 + 60,90 22,49 4,45 8,49 + 0,35 + 2,06 + 22
Les 2 Week Hoeveel kost het ongeveer? 4 shirts 2 shirts 8 shirts 2 shirts 5,45 2 shirts 8 shirts 7,95 6 shirts 0 shirts 5 shirts 5 shirts 2 Hoe ver spring je met de hink-stap-sprong? 0 5,2 m 5,3 m 2,92 m 3 m 5,2 m a Tooske zet haar voet precies tussen 5,2 m en 5,3 m in. Waar is dat? b Hoeveel meter is de helft van 2,9 m? 5,3 m c Tooske springt precies tussen 2,92 m en 3 m in. Waar is dat? d Noem 3 getallen die tussen 7,95 en 8 liggen. 3 Welk kommagetal ligt er precies tussenin? 6,6 - -6,8 8,6 - -9 3,5 - -3,9 0,6 - -0,8 2,4 - -2,8 0,2 - -0,3 4,9 - -5 9,6 - -9,7 6,8 - -6,9 3, - -3,2 Denk aan meters!,92 - -2 2,88 - -3,32 - -,4 3,98 - -4 5,5 - -5,54 23,5 - - 24 45,6 - - 45,7 67,2 - -67,28 3,08 - - 3, 90,4 - - 90,5 23
Week Hoeveel minuten duren de opnames? roeiwedstrijd 2 Les 3 van 9.53 uur tot 0.07 uur BMX-race van 3.35 uur tot 4.08 uur speedbootrace van 7.45 uur tot 8.3 uur crosscountry van 4.59 uur tot 5.50 uur zeilwedstrijd van 8.0 uur tot 9.0 uur hardlopen van 0.25 uur tot 0.45 uur motorcross van 5.25 uur tot 6.0 uur kanoën van 9.54 uur tot 0.4 uur speedway van 6.42 uur tot 7.05 uur voetbal van 9.00 uur tot 20.43 uur Hoe groot is het terrein? ha ha 00 m 00 m = dam = m hm = m km = m a Hoeveel hectare is de oppervlakte van de sportterreinen? Illustrator: illustratie ontbreekt b Hoeveel hectare is de oppervlakte van het voetbalveld? c Hoeveel hectare is de oppervlakte van het meer? d Wat is groter: het bos of het sportersdorp? bos 3 meer sportersdorp sportterreinen Wat is het verschil in oppervlakte? Hoe groot zijn de velden? voorbeeld 2/3 en /3 = vakje hm is ha. is ha. is ha. is ha. is ha. is ha. Wat is de oppervlakte van alle terreinen samen? Ga verder met opgave 4 en 5 op pagina 3 van je werkboek. 24
Les 4 Week Reken handig. + 99 26 325 65 247 703 + 98 420 338 478 562 633 99 38 427 635 554 758 2 Wat kost het ongeveer? 699, 98, 495, 02, a Stefan koopt een verrijdbarecameraen een microfoon. Hoeveel ongeveer betaalt hij? b Luca koopt een camera, een tas en een microfoon. Hoeveel ongeveer betaalt hij? c Fatima koopt een tv, een statief en een cameratas. Hoeveel ongeveer betaalt zij? d 596 293, 996, 306 298 + 3 Reken ongeveer uit. 395 402 49 88 289 06 60 302 307 + 392 + 299 + 4 + 693 890 206 298 25 505 398 697 98 + 296 + 503 + 295 + 25
Week 2 2 Les Wat is de 7 waard? 37 925 7,35 m 7,25 2 872 4,75 m 4,75 70 583 9,27 m 25,07 25 937 73,25 m 7.050,25 3 729 750,50 m.705,60 Grote getallen. 000 000 = miljoen aantal kijkers Weekend Sport: inwoneraantal: miljoen zaterdag,6 miljoen Amsterdam 0,8 miljoen 0 00.000, zondag 0,7 miljoen München,3 miljoen Keulen 0,9 miljoen prijzen van de sportloterij: 00 0.000, 000.000, Huizen te koop! Midstraat 48 995.000, Hoofdstraat 23 900.500, Er zijn 4 fanclubs met ieder Profvoetballer verkocht 250 000 leden. voor 6 miljoen. Dwarsstraat 45.095.000, 3 Getallen rond miljoen. a Hoeveel meer dan miljoen? 000 00 030 200 600 600 007 785 006 00 055 005 099 009 05 050 b Hoeveel minder dan miljoen? 26 00 000 650 000 990 000 800 500 900 000 250 000 825 000 300 750
Les 2 Week 2 Reken uit. zwemkaarten: betaal 3 deel: betaal 2 3 deel: zwemkaarten: betaal 4 deel: betaal 3 4 deel: 5,00 20,00 60,00 80,00 50,00 00,00 36,00 200,00 45,00 500,00 2 Welke twee maten horen erbij? 5 m m m 2 m m 2 m e Schrijf bij elke maat de breuk en bij elke breuk de maat. 0 m m 5 a Hoe hoog staan de kinderen op de trap? b Pieter staat op de onderste duikplank. Hoe hoog staat Pieter? c Brigit staat op de middelste plank. Hoe hoog staat Brigit? d Hoe hoog is de één na bovenste tree van de trap? 2 m 0, m m,4 m m 0 m m 4 2 m 0, m m,25 m m 3 Vul de lege kaartjes in. Maak opgave 2 op pagina 4 van je werkboek. 27
Week 2 Les 3 Hoeveel glazen en bakjes kun je vullen? 2 dl inhoud: van 2 dl: van dl: 25 cl inhoud: van 25 cl: van 50 cl: liter liter 2 liter 2 liter 3 liter 3 liter 4 liter 4 liter 2 Wat is de inhoud? m 3 c Kijk goed rond in het klaslokaal. Welke dingen hebben een inhoud groter dan dm³ en kleiner dan m³? m m m m m m d Een kastje is 8 dm lang, 3 dm breed en 6 dm hoog. Hoeveel blokken van dm³ passen erin? Watisdeinhoudvandekast? Is dat meer of minder dan m³? dm 3 dm dm dm a Reken uit hoeveel dm³ er in m³ past. b Hoeveel cm³ past er in dm³? m 3 e f Een kamer is 6 m lang, 4 m breed en 3 m hoog. Wat is de oppervlakte van de vloer? Hoeveel kratten van m³ passen er in die kamer? Wat is de inhoud van de kamer? 3 Meet met een groepje de oppervlakte en de inhoud. a Meet de lengte en de breedte van het lokaal. Wat is de oppervlakte van het lokaal in m 2? Meet de hoogte van het lokaal. Hoeveel kratten van m³ passen erin? Wat is ongeveer de inhoud van het lokaal? b Kies een ruimte waarvan jullie de oppervlakte en de inhoud gaan meten: de gang, de hal, de keuken, het magazijn, Schrijf de antwoorden in je schrift. Ga verder met opgave 4 en 5 op pagina 5 van je werkboek. 28
Les 4 Week 2 Reken handig. 6 36 = 26 5 28 = 9 45 = 23 44 = 2 36 = 0 28 = 280 8 45 = 80 24 44 = 8 36 = 20 28 = 9 45 = 25 44 = 00 60 36 = 25 28 = 27 45 = 0 44 = 30 36 = 50 28 = 36 45 = 35 44 = 2 Hoeveel van alles? sport voetbal volleybal hockey wielrennen basketbal a 2000kinderen doen aan sport. Hoeveel kinderen zitten op voetbal? Hoeveel kinderen zitten op basketbal en hockey samen? Hoeveel kinderen doen aan wielrennen? wedstrijden jeugd heren dames zaalvoetbal b Er zijn 30 000 wedstrijden gespeeld in een weekend. Bedenk 3 vragen bij dit diagram. 3 Hoeveel precies? 20 000 wielrenners 6-8 jaar 9-2 jaar 3-6 jaar 7-20 jaar 2400 zwemmers diploma A diploma A, B diploma A, B, C 32 leerlingen groep 8 volleybal voetbal hockey geen sport Ga verder met opgave 3 op pagina 4 van je werkboek. 29
Week 3 2 Les Zoek de foute antwoorden. Schrijf de verbeterde sommen op. 24 2 = 280 40 5 = 600 50 24 = 400 25 2 = 300 40 30 = 200 50 48 = 2400 25 24 = 580 20 60 = 200 25 48 = 200 50 2 = 600 2 60 = 220 26 48 = 228 49 2 = 588 39 30 = 40 3 48 = 624 Hoeveel kosten de nieuwe fietsen? 698, 2 7 5 4 3 2 7 5 6 3 0 38, 4 2 0 6 6 5 0 2 0 0 + 275, a Fietsclub Snel koopt 6 nieuwe racefietsen. Hoeveel kost dat samen? 475, b Koop voor de herenfietsclub 8 nieuwe fietsen. Hoeveel kost dat samen? c Welke fiets zou jij graag willen kopen voor 538, je vrienden of vriendinnen? Koop 7 dezelfde fietsen en reken uit. 3 Reken uit. 85 7 68 9 30 77 8 225 5 472 9 34 8 38 5 6 6
Les 2 Week 3 Reken uit. 2 jaar is maanden. 4 jaar is maanden. 3 jaar is maanden. 6 jaar is maanden. jaar is maand. 2 4 uur is minuten. 3 uur is minuten. 2 etmaal is uur. 4 etmaal is uur. 2 minuut is seconden. etmaal is uur. 3 minuut is seconden. 4 minuut is seconden. 2 3 etmaal is uur. 6 etmaal is uur. 2 Hoeveel water zit er in de bidons? Hoeveel is het samen? Welke sommen horen erbij? a b c liter d Jan drinkt een volle bidon voor de helft leeg. Hoeveel water zit er nog in de bidon? e Jan drinkt 4 l water uit een volle bidon. Hoeveel water zit er nog in de bidon? f Er zit nog 2 l water in de bidon. Els drinkt 4 l water uit de bidon. Hoeveel water blijft er over? 3 Reken uit. 3 l + 3 l = l l 2 5 l = l 4 l + 2 4 l = l l 3 4 l = l 5 l + 3 5 l = l l 3 l = l 8 l + 2 8 l = l l 6 l = l 4 5 5 = 3 4 4 = 5 8 2 8 = 6 9 4 9 = 6 l + 5 6 l = l l 4 8 5 l = l = 0 0 3
Week 3 Les 3 Hoeveel gram of kilogram? 00 g =, kg 2,5 kg = g,3 kg = g kg = 250 g + g 0,2 kg + 500 g = g 0,2 kg = g kg = 0, kg + g, kg + 200 g = kg,5 kg = g,5 kg = 0,7 kg + g 00 g + 500 g = kg 2, kg = g 2 kg = 350 g + g 0,3 kg +,4 kg = g 0,5 kg = g 2,2 kg = 0,9 kg + g 0,5 kg + 500 g = kg 2 Wat is de snelste tijd? a 00 m vrije slag baan Joeri 0.59,03 baan 2 Ian 0.47,87 baan 3 Mark 0.5,0 baan 4 Pieter 0.47,84 baan 5 Laszlo 0.49,36 Wie heeft gewonnen? Wie komt op de tweede plaats? Wie komt op de derde plaats? Hoeveel tijdverschilisertussen de eerste en de laatste plaats? b 00 m schoolslag baan.03,30 baan 2 0.59,99 baan 3 0.59,3 baan 4.0,99 baan 5 0.59,59 Wat is de snelste tijd? Wat is de langzaamste tijd? Hoeveel tijdverschil zit er tussen baan 2 en baan? In baan wordt 0.00,0 langzamer gezwommen. Wat is de tijd dan? 3 Wat zijn de rondetijden? Een rondje is 400 m. Kees rijdt de 5000 m tegen Ard. Na 000 m is de tijd van Kees.5,7. De tijd van Ard is.5,97. Na 400 m is de tijd van Kees.45,2. De tijd van Ard is.45,55. a Wie ligt er voor bij 000 m? b Wie ligt er voor bij 400 m? c Wat is de rondetijd van Kees? d Wat is de rondetijd van Ard? Ga verder met opgave 4, 5 en 6 op pagina 7 van je werkboek. 32
Les 4 Week 3 Hoeveel blikken? a Uit hoeveel blikken bestaat de stapel? b Hoeveel blikken zijn het als je er nog een laag onder zet? c Hoeveel blikken heb je nodig voor een stapel van 8 lagen? d Hoeveel lagen heb je met een stapel van 28 blikken? e Hoeveel lagen heb je met een stapel van 55 blikken? 2 Hoe lang duurt de race? Michael rijdt in.28,00 een rondje op het circuit. Een pitstop duurt 5 seconden. Hij rijdt 0 rondjes en heeft pitstop. Hoe lang duurt de race? Hoe lang duren 5 rondjes zonder pitstop? 3 Reken uit. a De Ferrari finisht in 4.0,58. b Vorig jaar kostte deze De Alfa Romeo finisht in 3.58,0. BMW 650.000,. Hoe groot is het verschil? Dit jaar is hij 50.000, duurder. Wat betaalt de coureur nu? c Welk getal ligt er precies 2,2 l 2,6 l Benzine Benzine tussenin? e Het racecircuit is 7500 m lang. Hoeveel rondjes heb je afgelegd als je d Aan het begin van de dag 45 km hebt gereden? staat de kilometerteller op 9 709. Na een paar uur 2 0 2 training staat de teller op 20 2. Hoeveel kilometer is er gereden in de training? 33
Afsluiting De Olympische ringen Hoe combineer jij de ringen? Dit heb je nodig: kleurpotloden of stiften papier De Olympische ringen stellen de vijf werelddelen voor: blauw voor Europa rood voor Amerika groen voor Australië zwart voor Afrika geel voor Azië Je kunt de ringen ook anders combineren. Teken en kleur met kleurpotloden of stiften nog een paar combinaties. Zoek daarna uit hoeveel combinaties er mogelijk zijn. 34