Natuurkunde Lj2P4 Beweging
Vrije val
Welk voorwerp is het eerst beneden? Steen Veer
Welk voorwerp is het eerst beneden? Kogel Sjaal 400 g 400 g
Welk voorwerp is het eerst beneden? Voetbal Bowlingbal 24 cm
Krachten Wrijving: F w F w = η c w A v 2 vorm snelheid 2 Opwaartse kracht: F opw F opw = m vloeistof g Zwaartekracht: F z F z = m g m = 5,0 kg F z = 5,0 9,81 = 49,05 N
Snelheid v = a t = 9,81 10 = 98,1 m/s v (m/s) 100 75 50 25 zwaar en gestroomlijnd licht en niet gestroomlijnd 0 0 5 10 15 20 t (sec)
Welk voorwerp is het eerst beneden? Kogel Sjaal 400 g 400 g Dezelfde massa, dus dezelfde kracht F z. Maar andere vorm dus andere wrijving F w. F z = 3,9 N F z = 3,9 N
Welk voorwerp is het eerst beneden? Voetbal Bowlingbal 24 cm F z = 4,0 N Dezelfde vorm, dus dezelfde luchtweerstand. Maar andere massa dus andere kracht F z. Daardoor ook andere snelheid v en dus F w F z = 60 N
Als we de luchtwrijving NIET meetellen vallen alle voorwerpen even snel!
Als we de luchtwrijving NIET meetellen Afgelegde weg: s = ½ g t2
Projec]elbanen
ProjecPelbanen Voorwerpen die zich in een boog verplaatsen
ProjecPelbanen Voorwerpen die zich in een boog verplaatsen verticale component horizontale component Constante snelheid Constante versnelling 9,81 m/s 2
ProjecPelbanen Stel: De voetbal hee` op een hoogte van 10 m een horizontale snelheid van 72 m/s Vraag: Hoeveel meter legt hij horizontaal af, voordat hij de grond raakt? 10 m g = 9,81 m/s 2 s = ½ g t 2 10 = ½ 9,81 t 2 t = 1,4 s v = 72 m/s? s = v t s = 72 1,4 s = 102,8 m
OEFENINGEN
Oefening 16 Klaas weegt 81,3 kg en hij gaat bungeejumpen. Hij laat zich vanuit s]lstand vanaf een brug naar beneden vallen. De hoogte tot het water is 120 m. Verwaarloos de luchtwrijving. Bereken hoeveel meter Klaas is gevallen na 3 s.
Oefening 17 Een paar bouwvakkers hebben lunchpauze ]jdens het bouwen van een wolkenkrabber. Ze ziden op 321 m hoogte. Eén van de werklieden laat per ongeluk zijn thermosfles vallen. De thermosfles weegt 0,75 kg. Verwaarloos de luchtwrijving. Bereken hoeveel meter de thermosfles is gevallen na 3 s.
Oefening 18 Een glazenwasser laat op 101,4 m hoogte zijn spons vallen. De spons hee` een massa van 53 g. Verwaarloos de luchtwrijving. Bereken hoeveel meter de spons is gevallen na 3 s.
Oefening 19 Een skiër met een massa van 79,6 kg valt uit de skili` 53,7 m naar beneden. Verwaarloos de luchtwrijving. Bereken hoe lang het duurt voordat hij de sneeuw raakt.
Oefening 20 Een man laat zich van een rots vallen op een hoogte van 25 m. a) Bereken hoe lang het duurt voordat hij het water raakt. b) Bereken de snelheid waarmee hij het water raakt.
Oefening 21 Een loden kogel van 200 g wordt met een geweer afgevuurd op 1,75 m hoogte. De kogel raakt 150 m verderop de grond. Wat was de horizontale snelheid van de kogel? (verwaarloos de luchtwrijving)
Oefening 22 (verwaarloos de luchtwrijving) Het leger dropt een voedselpakket uit een vliegtuig, dat op 1 km hoogte vliegt met een snelheid van 280 km/h. Het voedselpakket weegt 50 kg en valt eerst 100 m in vrije val naar beneden. Dan gaat een parachute open en valt het pakket met een constante snelheid van 15 m/s verder. a) Hoe lang duurt de totale val van het voedselpakket? b) Op welke afstand voor het doel moet men het pakket uit het vliegtuig laten vallen?
ANTWOORDEN
Oefening 16 Klaas weegt 81,3 kg en hij gaat bungeejumpen. Hij laat zich vanuit s]lstand vanaf een brug naar beneden vallen. De hoogte tot het water is 120 m. Verwaarloos de luchtwrijving. Bereken hoeveel meter Klaas is gevallen na 3 s. Afgelegde weg: s = ½ g t 2 s = ½ 9,81 3 2 s = 44,1 m
Oefening 17 Een paar bouwvakkers hebben lunchpauze ]jdens het bouwen van een wolkenkrabber. Ze ziden op 321 m hoogte. Eén van de werklieden laat per ongeluk zijn thermosfles vallen. De thermosfles weegt 0,75 kg. Verwaarloos de luchtwrijving. Bereken hoeveel meter de thermosfles is gevallen na 3 s. Afgelegde weg: s = ½ g t 2 s = ½ 9,81 3 2 s = 44,1 m
Oefening 18 Een glazenwasser laat op 101,4 m hoogte zijn spons vallen. De spons hee` een massa van 53 g. Verwaarloos de luchtwrijving. Bereken hoeveel meter de spons is gevallen na 3 s. Afgelegde weg: s = ½ g t 2 s = ½ 9,81 3 2 s = 44,1 m
Oefening 19 Een skiër met een massa van 79,6 kg valt uit de skili` 53,7 m naar beneden. Verwaarloos de luchtwrijving. Bereken hoe lang het duurt voordat hij de sneeuw raakt. Afgelegde weg: s = ½ g t 2 53,7 = ½ 9,81 t 2 53,7 = 4,905 t 2 t 2 = 53,7 / 4,905 = 10,948 t = 10,948 = 3,3 s
Oefening 20 Een man laat zich van een rots vallen op een hoogte van 25 m. a) Bereken hoe lang het duurt voordat hij het water raakt. b) Bereken de snelheid waarmee hij het water raakt. Afgelegde weg: s = ½ g t2 25 = ½ 9,81 t2 t2 = 25 / ( ½ 9,81 ) t = 5,0968 = 2,3 s v = a t = 9,81 2,3 = 22,1 m/s N.B. Gebruik hier het onafgeronde getal, dus 2,257618205.
Oefening 21 ver]caal: (hoe lang is de kogel onderweg?) s = ½ g t2 1,75 = ½ 9,81. t t = 0,6 s horizontaal: (met welke snelheid was dat?) s=v t 150 = v 0,6 v = 251,1 m/s m = 200 g h = 1,75 m s = 150 m
h = 1 km v = 280 km/h m = 50 kg 100 m val 900 m 15m/s Oefening 22 (verwaarloos de luchtwrijving) ver]caal: (hoe lang is het pakket onderweg?) s = ½ g t 2 100 = ½ 9,81 t t 1 = 4,51 s s = v t 900 = 15. t t 2 = 60 s t = t 1 + t 2 = 64,51 s horizontaal: (afstand tot het doel) v = 280 km/h = 77,78 m/s s = v t s = 77,78 64,51 s = 5,0 km