Sociale stratificatie Hoofdstuk 6 6.1 Sociale Stratificatie wat? open en gesloten samenlevingen: plaats van sociale mobiliteit sociale exogamie en sociale endogamie: plaats van demografische allianties
6.2 Ontstaan van stratificatie: Eerst overvloed, dan schaarste 1. jagers verzamelaars -> > hogere opbrengst, worden sedentair; afname collectief delen; toename complexiteit familiestructuren; delen enkel nog binnen families 2. bevolkingsdruk; schaars worden van landbouwland; demografische verschillen tussen families; demografische allianties tussen families; ongelijk bezit productiemiddelen 6.2 Landebouwmaatschappij Toename economische productiviteit Toename sociale ongelijkheid 3 startificatiestelsels Slavernij Kasten Standen
6.2.1 Slavernij landbouwsamenlevingen slavernij maakt deel uit van een legaal kader slaven krijgen religieuze Untermensch status; natuurlijke en sociale minderwaardigheid mobiliteit is mogelijk, bijv. Rome 6.2.2 Kasten etnie 1 STATUS RANGORDE etnie 2 etnie 3 geen doordringing sociale endogamie gescheiden wonen
Quasi Kasten etnie 1 STATUS RANGORDE etnie 2 etnie 3 tussen NP: statusongelijkheid beperking groepscontacten en groepsmobiliteit Quasi-kasten etnische herkomst en status hangt samen (correlatie tss.. nominale en graduele parameters) gemiddelde status in etnie 1 is veel hoger dan in etnie 2 (nominale parameter vertoont statusverschillen) doch kleine overlapping geen contacten noch overgang van etnie 1 naar 2 (bv( bv.. verbod op interetnisch huwelijk)
6.2.3 Standen volgt slavernij op; een deel mensen is onvrij namelijk lijfeigenen sociale positie op basis van geboorte, landbezit, militaire vaardigheden contractuele basis: arbeid voor bescherming; contract dus legale aanspraken 6.3 Stratificatie in industriële samenlevingen Sociale klasse
6.3.1 Karl Marx (1818-1883) 1883) onderbouw en bovenbouw onderbouw: : technologische basis en arbeidsverdeling bovenbouw: : sociale instituties zoals recht, religie, staat Economie, de basis productiekrachten: arbeid, kapitaal, grond drie sociale groepen: arbeiders, kapitalisten, grondbezitters sociale klassen: identieke economische omstandigheden, gelijklopende belangen en cultuur, identieke antagonistische plaats tegenover andere sociale groepen
Klassebewustzijn Klasse an sich,, Klasse für sich het bewustzijn van een klasse is niet noodzakelijk een klassenbewustzijn De logica van het kapitalisme overlevingseconomie: gebruikswaarde logica: goed geld goed kapitalisme: winststreven ruilwaarde logica: geld goed geld
Geld ---> > goed ---> > Geld Gebruikswaarde: het nut Ruilwaarde: met wat is het gelijkwaardig? Gebruikswaarde arbeid: toegevoegde waarde Ruilwaarde arbeid: kostprijs de waarde van een goed: arbeid (arbeidscapaciteit versus eenheid arbeid) de surpluswaarde Gevolgen: Verelendung van de arbeiders; verpaupering van de kleine burgerij 6.3.2 Max Weber (1864-1920) 1920) stratificatie: 3 dimensies sociale klasse: economie statusgroepen: gemeenschapsleven machtsgroepen: politieke sfeer
Klassenposities mensen met vergelijkbare levenskansen voortvloeiende uit het bezit van goederen of van de mogelijkheid tot verkrijgen van inkomen waarde van goederen of inkomen wordt bepaald door de werking van de goederen- of arbeidsmarkt Sociale Klasse (Weber( Weber) gemeenschappelijk handelen op basis van gelijkaardige klassepositie volgend uit inzicht in de gegeven distributie van eigendom
Statusgroepen leefgemeenschappen gemeenschappelijke leefstijl specifieke consumptiepatronen status endogamie Sociale klassen en statusgroepen statusgroepen kunnen samenvallen met sociale klassen economische stabiliteit: toename belang statusgroepen economische verandering: klemtoon op sociale klasse
Machtsgroepen veilig stellen van belangen organisatie van sociale klassen en statusgroepen in machtsgroepen vb. vereniging van geneesheren, syndicaten, VBO, beperken toegang, zorgen voor onderlinge bescherming (vb. tuchtregeling) 6.3.3 Stratificatie/Ongelijkheid Marx: : volgt uit ongelijk bezit productiemiddelen (éé( één n dimensie) Weber: : volgt uit positie op de marktsituatie (economisch), status (sociale eer), macht (politiek)
Strijd en ongelijkheid de revolutie de intelligentsia invloed nationalisme, religie, ethnie tegenstelling: bezit productiemiddelen (twee conflictgroepen) Weber: : plaats binnen de marktsituatie (grotere versplintering) 6.4 Ralf Dahrendorf ( 1929) Klassen ongelijke verdeling productiemiddelen Klassen ongelijke verdeling autoriteit Soc. conflict heeft structurele oorzaak Dichotomisering rollen en posities in organisatie
6.4 Dahrendorf rollendifferentiatie: bestuur en eigendom autoriteit (machtsbron->macht >macht->gezag) >gezag) autoriteitsverschillen overal aanwezig conflictgroepen of quasi-groepen van quasi-groepen naar belangengroepen De Revolutie van de Managers? in staat en economie: groei bureaucratie machtsbasis: niet eigendom doch de macht van bevel over middelen van eigendom naar controle over bezit: bourgeoisie verdrongen door managers niet enkel economie doch ook staat: belang van sociale planning
6.5 Elitetheorieën: positionering gericht tegen het marxistisch socialisme en ook (Pareto)) tegen democratische ideeën contesteren idee van heersende klasse op basis van bezit productiemiddelen heersende groepen: beschikken over superieure kwaliteiten; hun dominantie is onvermijdelijk (darwinisme?) 6.5.1 Bevelsituaties en elites Mosca (1858-1941) 1941) : politieke elite en leidende elite politieke elite: politieke autoriteit en staat Mosca wijst op de onvermijdelijkheid van een elite mensen in bevelsituaties organiseren zich
6.5.2 Pareto (1848-1923) 1923) circulatie van individuen in en uit bevelsituaties leidt tot de opkomst en val van elites in elk domein van het sociale leven dienen de besten de macht te hebben dit moet gedragen worden door een meritocratisch systeem er is echter sociale afsluiting (social( closure) 6.5.3 C. Wright Mills (1916-1962) 1962) Power Elite de verbondenheid van legertop, industriële elite en regeringstop in USA mobiliteit tussen leger, industrie en federale regering
6.6 Van economische groepen naar sociale klassen Mobiliteitskansen Bezit/niet bezitten van productiemiddelen kenmerken van de arbeidsdeling: manueel versus niet manueel kenmerken van de autoriteitsstructuur: arbeiders versus management Golthorpe schema, beroepsprestigeschalen 6.7 Man-vrouw ongelijkheid Patriarchaat sociaal systeem waarin mannen vrouwen exploiteren, domineren en onderdrukken verschillende rol kenmerken bij mannen en vrouwen onder invloed van gender systeem gender: : sociaal geconstrueerde geslachtsrol die vrouwen in verzorgende rol brengt
Materiële basis onbetaalde huisarbeid ongelijk loon voor gelijk werk Moeilijke toegang tot topjobs controle van vrouwenarbeid: verbod op nachtwerk en werk in bepaalde sectoren Gezinsinkomen vrouwen en kinderen bedreiging voor loon van mannen in USA en Engeland eind 19e eeuw: syndicale acties om vrouwen uit betaalde jobs te houden (vooral lagere klasse jobs) principe van gezinsinkomen maakt man tot gezinshoofd
6.8 Is stratificatie noodzakelijk? functionele verklaring: ongelijkheid is nodig om mensen te belonen die centrale taken op zich nemen welke veel opleiding en training vereisen slechts weinig mensen zijn in staat centrale taken op zich te nemen kritiek: centrale taken, wat? levenslange voordelen? is talent schaars? 6.9 Sociale mobiliteit inter- en intragenerationeel structurele oorzaken: migratie, technologische innovatie, differentiële vruchtbaarheid, differentiële sterfte in leeftijdsgroepen
Status verwerving sociale achtergrondskenmerken: : status van de ouders binnen families: ouderlijke aanmoediging vriendenkringen: beïnvloeding peers verschil jongens en meisjes individuele kenmerken: diploma Arbeidsmarkt primaire goed betaald carrière re mogelijkheid arbeidsdiscipline hoge punctualiteit profiteert van secundaire markt? secundaire slecht betaald promotie moeilijk hoog absenteïsme sme lage punctualiteit schept laag arbeidsethos nodig als goedkope dienstverlening?