Van vangnet tot fuik?



Vergelijkbare documenten
PENSIOEN 2.0 REGIOBIJEENKOMSTEN FEBRUARI EN MAART 2011

RESULTATEN ENQUÊTE CONSULTATIE NIEUW FTK ACTUARIEEL. Vraag 1

De toekomst van het Nederlandse pensioenstelsel Dick Sluimers Voorzitter Raad van Bestuur APG

De Ultimate Forward Rate Methodiek

Korte termijn: onnodig korten van rechten voorkomen. Lange termijn: naar een nieuw FTK op basis van nieuwe pensioencontracten

Veel gestelde vragen kwartaalcijfers pensioenfondsen

Extra informatie pensioenverlaging

134 De Pensioenwereld in 2015

Persbericht. ABP verlaagt pensioen in 2013 met 0,5% Ondanks goed rendement stijgt dekkingsgraad in 2012 onvoldoende

Verslag bijeenkomst SVG 9 maart 2016

Deelnemersbijeenkomst

Pensioenbijeenkomst Abvakabo FNV Het pensioen van nu en de toekomst in zicht November Welkom

OWASE Pensioenforum 26 juni juli 2013 OWASE. Welkom. bij

Pensioen in beweging. Lenteakkoord 2012, Hoofdlijnennota herziening FTK en Septemberpakket

Het Nedlloyd Pensioenfonds van nu en in de toekomst

Aanpassing pensioenregeling een must. Presentatie: Marcel Brussee / voorzitter SPH Kees Lekkerkerker / directeur HRM

Bij de opstelling van de notitie is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de positie van de VCP, waarbij ANBO is aangesloten.

WAT SPEELT ER ROND UW PENSIOEN BIJ SPUN?

Dekkingsgraad 121,8% per 30 september 2012, toename van 9,3%-punt ten opzichte van 30 juni 2012.

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM

Huidige stand van zaken nftk. drs. Lonneke Thissen AAG

Kwartaalbericht. 4e kwartaal 2014 Den Haag, 30 januari Samenvatting cijfers per 31 december 2014

ONDERWERP PRESENTATIE IS EEN STELSELWIJZIGING IN BELANG VAN U ALS DEELNEMER? GENOEMDE ONTWIKKELINGEN / PROBLEMEN OM ONS PENSIOEN STELSEL TE WIJZIGEN

Beleggingsaspecten voorontwerp van wet herziening ftk

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM

Nieuw pensioencontract. DIRK BROEDERS, Toezichtstrategie Seminar voor vermogensbeheerders, 27 juni 2012

Onderstaande tabel toont de nieuwe parameters ( ), waarbij tussen haakjes de oude waarden ( ) zijn opgenomen.

Betreft: De Ultimate Forward Rate Methodiek / Notitie van het AG

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Aan: Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen

Addendum. Ultimate Forward Rate

De doorsneepremie ZO DENKEN WIJ ER OVER. De doorsneepremie. De doorsneepremie

De fiscale aspecten van het pensioenakkoord: het is lastiger dan het lijkt. Workshop 9 mei 2012

Ten eerste: afschaffing van de al genoemde doorsneesystematiek en ten

Pensioennieuwsbrief AC Rijksvakbonden. Februari Ferry Pereboom Angelique Kansouh

Datum 24 november 2015 Betreft Kamervragen van het lid Krol over het bericht 'In 2020 veel meer mensen gekort dan ufr-rapport veronderstelt'

Update! WIJZIGINGEN PENSIOENREGELING PER 1 JANUARI bpfhibin.nl

reëel financieel toetsingskader (FTK2)

Samenvatting: positief sentiment en gewijzigde rekenrente (UFR) stuwen dekkingsgraad

Pensioenfonds Robeco. Populair Jaarverslag 2014

Informatiebijeenkomst Pensioenfonds KPN Pensioengerechtigden. Oktober 2013

Geef elke Nederlander een persoonlijke pensioenrekening. Position paper: Toekomst pensioenstelsel

Wat is er aan de hand moet onze pensioenen?

PENSIOENEN ONDER DRUK

RBS pensioen update. Van premie tot pensioen

Nederland had en heeft nog steeds het beste pensioensysteem ter wereld

P O S I T I O N P A P E R

Doel is om voor deelnemers een beeld te schetsen van hoe het pensioen in elkaar steekt en hoe hun eigen pensioen er voorstaat.

Gelden de kortingen op het pensioen per en voor beide regelingen?

datum onze referentie uw referentie doorkiesnummer

PENSIOEN IN BEWEGING! KLAAR VOOR DE TOEKOMST? SAMEN DELEN, EEN STERKE KEUZE

Stichting Pensioenfonds Smurfit Kappa Nederland Nieuwsbrief

Verder in deze nieuwsbrief een samenvatting van het rapport van de visitatiecommissie.

Persbericht. Kwartaalbericht: vierde kwartaal 2011

Pensioenfonds DSM Nederland

Deutsche Bank Nederland Stichting Pensioenfonds Deutsche Bank Nederland

- 1. afschaffing van doorsneepremiesystematiek

Mag ik dan nooit meer stoppen met werken?

De resultaten van de deelnemersenquête DNB & DNB Pensioenfonds. mei, 2014

De financiële situatie van Pensioenfonds UWV vanaf 31 augustus 2014

Pensioenfondsen lopen niet leeg, ondanks vergrijzing

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal oktober 2013 t/m 31 december Samenvatting: stijgende aandelen

Advies Commissie Parameters

P O S I T I O N P A P E R

De Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Eerste Kamer

Pensioeninformatiebijeenkomst over herstelplan 2009

No.W /III 's-gravenhage, 31 januari 2019

30 september /LJ/AH. FNV-beleid bij vaststellen van de pensioenpremie. FNV-beleid bij vaststellen van de pensioenpremie

Pensioenactualiteiten

Fiscale aspecten pensioenmaatregelen

Reactie op het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader (FTK)

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE. Datum Betreft Financiële positie pensioenfondsen

Pensioenregeling 2015 en nieuw FTK

DNBulletin: Pensioenfondsen gaan in herstelplannen uit van hoge rendementen

WAT U ALS WERKNEMER WILT WETEN OVER DE ABP-PENSIOENREGELING

De meest gestelde vragen over het pensioenakkoord van de Stichting van de Arbeid (StvdA).

Algemene Ledenvergadering Vereniging (VeLP) 17 februari 2011

Advies Commissie Parameters 2019 En de effecten naar de situatie per 31 mei 2019

2013 verkort in beeld. Ontwikkelingen. Pensioenen Beleggingen Organogram

Stichting Pensioenfonds Deutsche Bank Nederland

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog

Naar een nieuw pensioencontract

Stichting Pensioenfonds Xerox

Te behalen uitkering varieert bij DC-pensioen sterker dan bij DB

1. Waarom moet het pensioenfonds ANWB extra maatregelen nemen?

Informatiebijeenkomst Pensioenen: actueler dan ooit. Oktober 2013

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/6 TWEEDE KWARTAAL 2017

UW PENSIOEN BIJ SPUN. Bijeenkomst voor pensioengerechtigden Dick Vis, voorzitter Stichting Pensioenfonds Urenco Nederland 22 mei 2018

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM

Een nieuwe pensioenregeling

Wat is er aan de hand met uw pensioen?

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal januari 2017 t/m 31 maart Samenvatting:

In de Pensioenwet is vastgelegd dat wanneer een pensioenfonds niet langer voldoet aan de gestelde eisen ten aanzien van:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal april 2015 t/m 30 juni Samenvatting:

14 augustus 2014 Behandeling Wet BL aanpassing financieel. Geachte leden van de Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Overzicht vragen gesteld tijdens inloopsessies met betrekking tot de nieuwe pensioenregeling

Kort jaarverslag Stichting Pensioenfonds nv Linde Gas Benelux

Debatmanifestatie Pensioenen WELKOM. Senioren

Transcriptie:

Van vangnet tot fuik?

Pensioenessays Deel 8 Van vangnet tot fuik? De serie Pensioenessays staat onder redactie van: prof. dr. mr. Robert N.J. Kamerling RA mr. Roy R. Kramer RA

Omslag: Gouache Nyenrode 2008 Guus van Eck Bungalow12@mac.com Omslagontwerp, druk en productie: Eva de Hilster grafische vormgeving en uitvoering ISBN: 978-90-79647-15-6 Nyenrode Tax Academy Press, maart 2015 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Nyenrode Business Universiteit.

Aan de lezer(es): Waar in deze uitgave de mannelijke voornaamwoorden hij, hem of zijn worden gebruikt in een context die met evenveel recht en reden het gebruik van vrouwelijke voornaamwoorden zou rechtvaardigen, gelieve u naar eigen inzicht zij of haar te lezen. Mutatis mutandis geldt dat ook voor het gebruik van mannelijke beroepsnamen en soortgelijke aanduidingen.

Inhoud Van vangnet tot fuik? 9 Pensioensector in een diepe crisis? 15 Toine Aarts en Dirk Jan de Bruijn Waar blijft de belanghebbende in de pensioendiscussie? 35 Henk van Drunen Een ander gezicht van intern toezicht 51 Linda Hobbelt en Marianne Treur-Frumau Meten is weten 67 Janette Kuiper-Rietbergen en Karin Nierop Is de houdbaarheidsdatum van onze financiële modellen verstreken? 81 Robert van Loon Pensioen verdient reclame 95 Arno Reekers Geen vrijheid maar verplichting: de zzp er en zijn pensioen 105 Leo Rolf Het nieuwe pensioen: op twee pijlers kun je niet bouwen 125 Peter van Wageningen Tijd voor een toekomstbestendig stelsel: de persoonlijke pensioenrekening (PPR) 137 Mark Willems 7

Pensioen, je hebt het pas als je het krijgt 151 Wim van Woudenberg en Volker Wytzes Niets is meer zeker dan dat niets zeker is 165 In gesprek met Paul de Ruijter 8

Van vangnet tot fuik? De pensioenproblematiek kan vanuit diverse perspectieven worden beschouwd. Doorgaans voeren de juridische (rechten en verplichtingen) en financiële (kosten en financiering) de boventoon. Maar ons wereldbeeld is natuurlijk wel iets groter dan de juridische of financiële lenzen op onze camera ons willen laten geloven. Al eerder wezen wij er in de vijfde bundel Pensioenessays Het beloofde land (2012) op dat de psychologische aspecten van pensionering de beloning na een leven van hard werken een niet te onderschatten rol spelen. En misschien verdiende ook het ethisch-sociologische perspectief wel iets meer aandacht, zoals we al bepleitten in de derde bundel met de titel Solidair of solitair (2011). Dat laatste nu dringt zich steeds nadrukkelijker op de voorgrond. En niet ten onrechte. Want aan de vraag wie wat moet betalen en voor hoe lang, is natuurlijk een veel wezenlijker vraag gekoppeld: En waarom dan wel? De vraag of, en zo ja met wie, we solidair moeten zijn, is niet zo vanzelfsprekend meer als eeuwen geleden. Deskundigen zullen ons direct corrigeren, maar in de beleving van ons niet-ingewijden bestaat solidariteit bij gratie van een aantal factoren. De groep mensen die iets voor elkaar over hebben, kenmerkt zich in de regel door eenzelfde taal, geschiedenis, af komst, belangen, gewoonten en gebruiken, de zogeheten ongeschreven regels. Dat is het cement dat een samenleving bijeenhoudt; waar ook ter wereld. Wat een van de groepsleden overkomt, raakt de anderen. Men komt voor elkaar op en rekent daar ook op. Wat dat alles betreft is er niets nieuws onder de zon. Vogels van gelijke veren, vliegen het liefste samen, noteerde Jacob Cats al in de zeventiende eeuw, een oude volkswijsheid die zonder academische onderbouwing nog altijd geloofwaardig overkomt. En dat is iets wat veel wijsheden die wél pretenderen academisch onderbouwd te zijn, nog weleens ontberen. Groepen die tot elkaar veroordeeld waren op schepen in nood, tijdens verdwaalde poolexpedities of in belegerde steden ondergingen gezamenlijk hun lot en doorstonden gezamenlijk de ontberingen. Dan werd er maar gerantsoeneerd en dan deed men het maar met wat minder. De belangen waren namelijk dezelfde: overleven. 9

Pensioenessays 8 Ook in minder gevaarlijke tijden had men oog voor elkaar. Middeleeuwse gilden waren zo ingericht dat beroepsgenoten gezamenlijk een kas vulden waaruit vakbroeders die arbeidsongeschikt raakten, of hun nabestaanden, een bijdrage konden ontvangen. En zo hielpen ook welgestelde leden van een kerkgenootschap hun minder fortuinlijke broeders en zusters in tijden van nood. Wellicht mogen we de pensioenregelingen die sommige industriëlen eind negentiende eeuw voor hun personeel ontwierpen, ook tot die categorie sociale vangnetten rekenen. Anders gezegd: de huidige tweede pijler is zo modern niet. In elk geval ouder dan de eerste pijler, het staatspensioen. Maar andere tijden, andere zeden. Ooit zo hechte collectieven zijn geërodeerd of zelfs opgelost. Staten hebben hun grenzen opengesteld of zelfs opgeruimd om op te gaan in statenverbanden. Oude steden en dorpen, die voorheen elkaars concurrenten waren, soms op leven en dood, zijn in nieuwe gemeenten ondergebracht. Solide bedrijven blijken niet bestand tegen grote usurpators die zelf na enige tijd fuseren of worden ingelijfd door andere entiteiten. Scholen, ziekenhuizen en andere instellingen die hun bestaansrecht ontleenden aan hun speciale identiteit, werden vanwege vermeende schaalvoordelen opgeslokt in grote conglomeraten waarin niemand elkaar meer lijkt te (her)kennen. En families en gezinnen? De kleine sociale eenheden waarin men zich verbonden voelt door verwantschap, afkomst en emotionele banden? De ooit zo verstrengelde relaties worden inmiddels niet zelden ontvlochten door scheidingen of lossere omgangsvormen; soms met vervreemding tot gevolg. Waar zijn de zekerheden gebleven? Waarom nog solidair zijn? En met wie dan wel? Waarom een deel van de eigen arbeid ingezet of in geld omgezet voor het welzijn en welbevinden van mensen aan wie wij geen boodschap hebben? Hier komen we aan ongemakkelijke vragen die niet als onfatsoenlijk mogen worden weggewuifd. Niemand mag of kan hier immers de morele superioriteit claimen. Met rationele argumenten moeten wij ons, eerlijk en open, overtuigen van de een of andere waarheid. Die zal het uitgangspunt moeten worden van een ander beleid, of een aangepast beleid. Want dat doorgaan op deze weg zinloos is, lijkt vrijwel iedereen wel te beseffen. Tenzij sterke argumenten om dat wel te doen, aangevoerd worden. Zolang dat echter niet gebeurt, moeten we ons realiseren dat een andere lens wellicht een groothoeklens? op de camera ons een beeld kan opleveren dat een oplossing voor de komende periode kan bieden. Het vangnet van ooit, le- 10

Van vangnet tot fuik? vens reddend, nood lenigend, pijn verzachtend, is voor velen een fuik geworden, een vang-net waar men wel in, maar niet meer uit komt. Zo voelen velen het die het liefste zelf willen zorgen voor hun oude dag. En waarom zouden we iemand het recht willen ontzeggen om zelf te bepalen hoe hij zijn leven wil inrichten? Die vraag veronderstelt een antwoord op een andere vraag: als pensioenen ten diepste berusten op solidariteit, is dat dan een harnas of een korset, pantser of dwangbuis, bunker of bajes? Waar wordt betrokkenheid bedillerij? Wanneer wordt zorgzaam bemoeizuchtig? Waar ligt het evenwicht? In deze achtste bundel Pensioenessays komen tal van aspecten in de pensioenproblematiek aan de orde. Prikkelend in zorgvuldig beargumenteerde stellingen die uitnodigen tot reflectie en discussie. Want laat dit duidelijk zijn: niemand heeft hier de wijsheid in pacht; ook de criticasters niet. Daarbij: de pensioenproblematiek gaat ons allen vroeg of laat ter harte. Mogen wij ons er dan alsjeblieft ook zelf een mening over vormen? Die handschoen hebben de deelnemers aan het achtste Nyenrode Executive Pensions Program opgenomen. Tijdens een bijeenkomst op 18 november 2014 over de huidige nationale pensioendialoog boog de groep zich over tal van vragen betreffende de toekomst van ons pensioenstelsel. 1 Aanleiding voor de pensioendialoog is de conclusie uit de Beleidsdoorlichting pensioenbeleid van 2012, waarin wordt geconcludeerd wat velen al eerder hadden geconstateerd: dat het draagvlak onder het huidige pensioenstelsel onder druk staat. 2 Demografische, economische, sociaal-culturele ontwikkelingen en effecten die aan de arbeidsmarkt gerelateerd zijn, vragen om een hernieuwde blik op het stelsel. Niet zonder enige zelfgenoegzaamheid concludeert de Beleidsdoorlichting dat gepensioneerden tevreden zijn met hun pensioen en dat dit met name komt doordat er aanvullende uitkeringen zijn. Bovendien, zo klinkt het enigszins aanmatigend: het Nederlandse pensioenstelsel behoort tot de top-5 van alle pensioenstelsels ter wereld. Tegenspraak uitgesloten. Verder wordt geconcludeerd dat collectief beheer een beter pensioen oplevert en dat 1 Met dank aan Jolanda van Heijningen (De Ruijter Strategie) die het desbetreffende verslag maakte op basis van de sessie van Paul de Ruijter, executive lecturer Executive Pensions Program 8 van de Nyenrode Business Universiteit. 2 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Beleidsdoorlichting pensioenbeleid. Een document behorend bij artikel 8 van de begroting SZW. Aangeboden aan de Tweede Kamer op 20 december 2013. 11

Pensioenessays 8 er een groter vertrouwen is in pensioenfondsen dan in banken en verzekeraars waar het gaat om pensioenen. 3 Waarom dan nog een discussie? Toch klinkt er enige aarzeling door in de geruststellende woorden: mocht er dan toch reden zijn om te stellen dat het draagvlak onder het stelsel onder druk is komen te staan, dan noemt de Beleidsdoorlichting enkele (mogelijke) oorzaken. Bijvoorbeeld de veranderingen op de arbeidsmarkt, met name de groei van het aantal zelfstandigen dat geen pensioen opbouwt. Ook wordt een toenemende wens van keuzevrijheid waargenomen. Iets wat ook het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds constateert: het merendeel van degenen die daarnaar gevraagd werden, heeft geen bezwaar tegen verplichte deelname. 4 Wel groeit de (vooralsnog kleine) groep die ook daar tegen is. De ABP-verkenning wijst eveneens op veranderde vormen van collectiviteit en solidariteit (trend 5). De Beleidsdoorlichting meent evenals het ABP dat het principe van gezamenlijke deling van financiële risico s op een breed draagvlak kan rekenen. De kritiek op het stelsel die de Beleidsdoorlichting veronderstelde, wordt geweten aan het gebrek aan vertrouwen in de praktische uitwerking. Wellicht dat de recente kortingen daarop van invloed waren. Niettemin, beide analyses komen erop uit dat de solidariteit in omgekeerde richting van jong naar oud haarscheurtjes vertoont en dat werkgevers er steeds meer toe neigen risico s te verschuiven naar de deelnemers. De groep deelnemers aan het pensioenprogramma de meesten hebben aan deze bundel een bijdrage geleverd volgt met meer dan gewone belangstelling de discussie over de pensioenen voor zzp ers: verplicht collectief of vrijwillig individueel? Of mengvormen? Opmerkelijk is ook dat er geen eenduidigheid in de discussies is. De sector heeft het vooral over dekkingsproblemen, terwijl de werkgevers en -nemers een geheel andere agenda voeren. Waarom zou men via de distributeur (lees: de werkgever) pensioen opbouwen, als men ook rechtstreeks naar de producent kan? En wat of wie is een deelnemer? De vak- 3 Overigens blijkt uit een peiling van De Nederlandsche Bank in 2014 dat het vertrouwen van het publiek in de pensioensector aanzienlijk lager scoort dan in banken en verzekeraars. 4 Publicatie van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds uit 2013 met de titel: Trendrapport ten behoeve van de visie van ABP op 2020; 22 trends rondom de deelnemer. Vierde trend is volgens het ABP: Flexibiliteit op de arbeidsmarkt neemt toe. 12

Van vangnet tot fuik? bonden zien de deelnemer als iemand die van hen is en met wie het fonds niet in gesprek behoeft te gaan. Aan de pensioendialoog doen bovendien alleen 50-plussers mee, een beperkt deel van de totale populatie. De kwalificatie pensioendialoog is enigszins misleidend, want een tweegesprek is deze dialoog allerminst. Meer partijen laten zich horen. Maar afgezien daarvan: een polyloog is het evenmin. Veeleer gaat het om meningen peilen en inventariseren en niet om overtuigen of weerleggen. Vragen zijn er genoeg en begrijpelijk ook, gezien de onzekerheid die er is over pensioenen. En ligt niet daar de kern van de wetenschappelijke benadering? Van het besef dat een dogma ook maar een uitgangspunt is. Het is wellicht de Cartesiaanse twijfel waarvan we in de vierde bundel Hoofd of hart van 2011 spraken: Kort samengevat komt het erop neer dat de mens moet uitgaan van zijn gezonde verstand, zijn ratio of rede(lijkheid). De vele drogredeneringen die elke logische discussie vervuilen, de vele schijnzekerheden die als taboe worden gepresenteerd, en de talrijke waanwijsheden van zogenaamde autoriteiten en deskundigen, dat alles zou met gezond boerenverstand, gewoon helder nadenken en rustig natellen, moeten worden aangepakt. Want hoe vaak gebeurt het niet dat wij blijven ronddwalen op paden die anderen voor ons hebben uitgezet, terwijl wij beter een andere bestemming hadden kunnen kiezen? De redactie dankt eenieder die zich met deze bundel heeft beziggehouden en er, op persoonlijke titel, bijdragen aan heeft geleverd, voor de inzet en betrokkenheid. Voor op- en aanmerkingen houdt zij zich van harte aanbevolen. Breukelen, maart 2015 prof. dr. mr. Robert N.J. Kamerling RA mr. Roy R. Kramer RA 13

Pensioensector in een diepe crisis? Toine Aarts en Dirk Jan de Bruijn 1 Van Wet Brede Herwaardering tot doorvoering kortingen pensioenaanspraken wat ging er mis en waarom zijn we als sector zo slecht in staat de boodschap helder over te brengen? Inleiding Sinds 2007 teisteren financiële crises de wereldeconomie. Tal van sectoren bevinden zich daardoor in zwaar weer. Zo ook de pensioensector. Maar die lijkt door meer factoren te worden beproefd. Zo blijkt op basis van recente statistieken dat deelnemers ouder worden dan verwacht en zo langer aanspraak maken op verworven rechten. Niet alleen de verplichtingen die dat meebrengt, zetten de financiële reserves onder druk. Ook tegenvallende rendementen en zeg maar gerust falend (vermogens)beheer hebben ervoor gezorgd dat het o zo vetgemeste nationale spaarvarken tot ongezonde zo wordt het althans voorgesteld omvang is gekrompen. En dus richt de maatschappelijke en politieke discussie zich op de basisvraag: hoe kunnen de ooit zo veilig geachte pensioenreserves voor onze oude dag zo aangetast zijn? We hebben toch gespaard en betaald! voor een welvaartsvast pensioen? Hoe anders waren de discussies eind jaren tachtig van de vorige eeuw. De politiek kwam met de Wet Brede Herwaardering om een einde te maken aan de veel te ruime fiscale mogelijkheden om pensioenen op te bouwen. De sociale partners en de overheid richtten hun blik op de zeer hoge dekkingsgraden, destijds gedefinieerd als hoger dan 104%. Dat was aanleiding genoeg om pensioenregelingen (tijdelijk) premievrij te maken. Letterlijk werden er grepen in de pensioenkassen gedaan om andere leuke dingen mee te financieren. 1 Drs. A.J.M.C. Aarts is (gepensioneerd) radioloog, verbonden aan Diagnostiek voor U en Diagnostiek Brabant en als bestuurslid verbonden aan het Pensioenfonds UWV. Drs. D.J.H. de Bruijn RC is CFO Thales Nederland B.V. en als bestuursvoorzitter verbonden aan Stichting Pensioenfonds Thales Nederland. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven. 15

Pensioenessays 8 Beide discussies hebben zich voorgedaan in een tijdsbestek van ongeveer twintig jaar, vanuit pensioenperspectief beschouwd een zeer korte periode overigens. Rationele reacties lijken niet mogelijk zodra het gaat over onze oude dag, die ons wordt voorgesteld als een periode van rust en (zelf )genoegzaamheid na een leven van hard werken voor onze zuur verdiende centen. Hoe jaloers waren de ploeteraars niet op diegenen die al op hun 55 ste met de vut gingen? Dat was nog eens een lange vakantie die je in de bloei van je leven op kosten van de gemeenschap mocht vieren. De pensionering werd tot voor kort aangezien voor de veilige haven, maar nu? Schraalhans is keukenmeester geworden. Onze oosterburen kennen hiervoor een zeer typerende uitspraak: Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt. 2 Aangezien we nu ten dode lijken te zijn opgeschreven als pensioensector bestuursleden zijn regelmatig weggezet als incapabele graaiers en de sector houdt zich niet aan de belofte die ze tientallen jaren gedaan heeft door deelnemers een risicovrij, waardevast pensioen te beloven bestaat het gevaar dat de regie over de sector wordt overgenomen door de overheid en haar toezichthouders. Maar staat de sector er wel zo slecht voor? Is de complete voorsprong op de rest van de wereld die we decennia gehad hebben met ons kapitaalgedekte stelsel nu compleet verdampt? Is onze inleg op de verkeerde wijze geïnvesteerd en kunnen we fluiten naar die zuurverdiende centjes? Is er sprake van volksverlakkerij? Worden beloften uit het verleden niet nagekomen? Kortgezegd: is er reden voor maatschappelijke teleurstelling? In deze bijdrage willen wij betogen dat het niet zo slecht gesteld is met de sector. De deelnemers hoeven niet bang te zijn dat hun inleg in waarde is verminderd. De beleidsmakers hebben met instemming van pensioenspecialisten de afgelopen jaren de spelregels continu veranderd. We bevinden ons in de wurggreep van de conservatieve boekhouders die prudentie op prudentie wensen te stapelen. 3 Wanneer we succesvol uitleggen dat aan risicovrije pensioenen hogere prijskaartjes zijn verbonden en dat we met beheersbare risico s 2 Freudvoll und leidvoll, Egmont, Johann Wolfgang von Goethe, 1787. 3 Vakcentrales FNV, CNV en VCP hebben in november 2014 de Eerste Kamer opgeroepen niet te kiezen voor een pechgeneratie als zij een besluit vormen over het nieuw Financieel Toetsingskader. Deze generatie zou ontstaan door bestaande buffers in pensioenregelingen te verhogen ten koste van geïndexeerd geambieerd pensioenresultaat voor jong en oud (Nic van Holstein, bestuurder VCP, 4 november 2014). 16

Pensioensector in een diepe crisis? een fatsoenlijk pensioen kunnen opbouwen indien we een daarbij behorend risico accepteren, maken we een grote stap voorwaarts. Niet moeten we het verhaal vertellen van: gaat u maar rustig slapen, wij zorgen dat alles automatisch goed komt wanneer u maar 20% van uw arbeidsvoorwaarden aan ons afstaat. Zo n boodschap past niet meer in deze tijd, waarin de mensen mondiger dan ooit zijn geworden en slechts de beste, meest geloofwaardige informatie accepteren. Laten we de deelnemers serieus nemen en met één mond praten, de regie terugpakken en verantwoordelijkheid nemen. Het gaat niet aan als sector terug te deinzen wanneer zij weerwoord krijgt van de samenleving en de politiek. Het is gepast dan juist uit te leggen waar de sector mee bezig is en hoe dynamisch de omgeving is. Schets het langetermijnperspectief. Laat de politiek haar handen af houden van wat haar niet toekomt: pensioenfondsen zijn eigendom van de deelnemers en van niemand anders. Men kan geen rechten ontlenen aan wat men niet heeft. Laten we ervoor zorgen dat de jonge, pensioenpremie betalende deelnemers niet in de waan worden gebracht dat zij achter het net vissen wanneer zij aan de beurt zijn om te genieten van alle premies die zij hebben ingelegd. Zij moeten niet tot de conclusie worden gebracht dat de overheid door allerlei ingrepen, prudentie-excuses, procyclisch monetair beleid en allerlei sociale en ethische we noemen solidariteit stokpaardjes, een deel van het toekomstige inkomen heeft laten verdwijnen. Afbakening en probleemstelling Het pensioenstelsel wordt vaak onderverdeeld in drie pijlers. Elders in deze bundel wordt dat systeem al uitvoeriger beschreven. Wij willen ons in dit essay alleen richten op de tweede pijler van ons pensioensysteem, het aanvullende pensioen, in veel gevallen een levenslange uitkering na pensioneringsdatum die wordt gefinancierd met een kapitaaldekkingssysteem. De maatschappelijke discussie heeft zich de afgelopen jaren beperkt tot deze pensioenvorm. Helaas is de vraag of en in hoeverre de eerste en tweede pijler kunnen worden samengevoegd en wat de hoogte is van een acceptabel pensioen, gerelateerd aan het inkomen tijdens dienstverband of een nominaal maximum, nooit ter sprake gebracht. 17

Pensioenessays 8 Uitgangspunt voor de opbouw van pensioenen is dat circa 1/3 deel moet komen uit pensioenpremie, circa 1/3 uit rendement tijdens het dienstverband en circa 1/3 uit rendement tijdens de pensioenperiode van een deelnemer. Maar deze verhouding was ten tijde van een hogere disconteringsfactor van de verplichtingen respectievelijk 20%, 40% en 40%. Dat wil zeggen dat toepassing van een lagere disconteringsfactor feitelijk betekende dat men verwachtte een lager rendement op de bezittingen te zullen halen. De tweede pijler bestaat in zijn huidige vorm en met (grotendeels) verplichte deelname sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw. In ruim 60 jaar tijd hebben we als spaarzaam volk ruim 1.086.500.000.000 euro, zegge: duizend en zesentachtig en een half miljard euro, bij elkaar gespaard in pensioenfondsen. 4 Ter indicatie: in 2003 bedroeg de activazijde van alle pensioenfondsen minder dan 500 miljard euro. In elf jaar tijd zijn onze pensioenbezittingen dus meer dan verdubbeld, maar onze gouden indicator de dekkingsgraad is niet naar rato meegestegen. 5 Met andere woorden: de verplichtingen zijn met ongeveer dezelfde factor zwaarder geworden. In 1992 is de Wet Brede Herwaardering door de Eerste Kamer aangenomen. Aanleiding voor deze wet was een, in de ogen van de toenmalige politici, te ruimhartige fiscale facilitering van de opbouw van het pensioenvermogen. Pensioenen worden namelijk opgebouwd ten laste van het bruto-inkomen in het jaar van opbouw en belast op het moment dat de pensioenen worden uitgekeerd ( omkeerregeling ). Er is dus uitstel van belastingbetaling. Uitgaande van de maatschappelijke acceptatie van de omkeerregeling vragen wij ons af hoe men kwam bij het idee van een te ruimhartige facilitering. Ook dat heeft te maken met de dekkingsgraden van de pensioenfondsen. Wanneer deze zich structureel bevinden boven het vereiste eigen vermogen, trekt het de aandacht van politiek Nederland en de werkgevers. 6 De Nederlandsche Bank heeft zelfs de stelregel gehanteerd dat een dekkingsgraad boven de 104% dat was een excessieve dekking een reden zou zijn om actief af te romen. Ruim twintig 4 DNB 2014. 5 Dekkingsgraad van een pensioenfonds is de verhouding tussen de bezittingen en de verplichtingen van een fonds. Wanneer deze bijvoorbeeld 105% bedraagt, wil dat zeggen dat het fonds 1,05 euro in kas moet hebben op het moment dat er een euro uitgekeerd moet worden. 6 Vereist eigen vermogen (VEV): afhankelijk van het risicoprofiel van de beleggingen van een pensioenfonds, globaal tussen de 110% en 120% dekkingsgraad. 18

Pensioensector in een diepe crisis? jaar geleden was de discussie: hoe kunnen we de BV Nederland stimuleren met de bovenmatige reserves van de pensioenfondsen? Werkgevers opteerden compensatie voor de te veel betaalde premies in de vorm van tijdelijke premievrijstellingen of zelfs directe grepen uit de kas : waar kan het geld beter gebruikt worden dan binnen het bedrijfsleven zelf? Bedrijven als Philips en Imtech hebben deze tactiek in de praktijk gebracht ( cash back ), maar ook de overheid heeft een greep uit de kas gedaan bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. 7 De politiek dreigde met belastingmaatregelen: een hoge staatsschuld gecombineerd met dekkingsgraden van pensioenfondsen rond de 200% in 1989 was een politiek uiterst aanlokkelijk scenario om een nieuwe vorm van belasting te gaan heffen. Het kabinet-lubbers was van plan een Wet op de heffing vermogensoverschotten pensioenfondsen in te voeren. Deze wet is later (2002 2003) door toenmalig minister Zalm van Financiën ingetrokken. In het eerste decennium van deze eeuw doemden, zoals wij al eerder opmerkten, echter donkere wolken op voor de pensioensector. De onzekerheid aangaande de houdbaarheid van aanspraken en de (veer)kracht van het financiële systeem bewogen de beleidsmaker en zijn waakhonden AFM en DNB ertoe prudentere regels en rekenmethodieken in te voeren en het toezicht te intensiveren. Dit leidde op basis van de dekkingsgraad van 31 december 2012 tot aanzienlijke kortingen op pensioenaanspraken vanaf 1 april 2013. In totaal moesten 68 fondsen kortingen van gemiddeld 1,9% doorvoeren. Op een totaal van destijds 410 fondsen lijkt dit percentage mee te vallen, maar aangezien het de pensioenrechten betrof van 5,6 miljoen deelnemers, was er sprake van een financieel drama dat veel mensen raakte. Een jaar later herhaalde deze actie zich: 29 fondsen verlaagden de aanspraken voor 1,1 miljoen deelnemers met 1,5%. Daarnaast besloot het merendeel van de pensioenfondsen de ooit zo vanzelfsprekende indexering achterwege te laten. Men wilde of kon de pensioenen niet langer gelijke tred laten houden met de prijs- en loonontwikkeling. Dit had een nog sterker negatief effect op de aanspraken. Dit gebeurde na een in pensioentermen relatief korte periode van vijf jaar om tot herstel van de dekkingsgraden te komen. 8 De meeste fondsen bleken vijf jaar na een reeks economische crises 7 Het kabinet onttrok 32,6 miljard gulden uit het fonds om vroegpensionering mogelijk te maken voor deelnemers. 8 Wettelijk was de periode drie jaar. Veel pensioenfondsen slaagden er toen op voorhand al niet in om zonder pensioenverlaging binnen drie jaar te herstellen. DNB heeft toen de herstelperiode verlengd tot vijf jaar. 19

Pensioenessays 8 nog steeds niet in staat om uit een situatie van onderdekking te komen. 9 Na het verstrijken van de termijn van het zogeheten kortetermijnherstelplan was er geen ontsnappen meer aan: de nominale pensioenrechten werden gereduceerd. Het nieuw Financieel Toetsingskader zoals ingevoerd per 1 januari 2015 heeft de regels nog verder aangescherpt en wel zodanig dat inflatiecorrectie voor de komende tien jaar welhaast onmogelijk wordt. Wanneer we de dekkingsgraad nader beschouwen, zien we als teller van de deelsom het pensioenvermogen. Simpel gezegd is dit de beleggingsportefeuille van een fonds. De noemer is de pensioenverplichting. Dit zijn alle uitkeringen van het fonds op basis van de toezeggingen die het zijn deelnemers heeft gedaan. Meestal gaat het om een vaste levenslange, nominale uitkering vanaf het moment van pensionering. De ambitie is om deze uitkering in euro s waardevast te laten zijn: de prijsstijgingen (inflatie) zouden gecompenseerd moeten worden om de deelnemer na pensionering dezelfde koopkracht te laten behouden. Voor de activazijde van de balans zijn geen fundamentele bezwaren in te brengen tegen de huidige manier van waarderen. Voor de liquide activa, waar een effectieve marktwaardering voor bestaat, is de marktwaarde evident. Voor de wat minder liquide activa wordt met de nodige voorzichtigheid ook een verdedigbare marktwaarde opgesteld, die door actuaris en accountant beoordeeld en al dan niet goed bevonden worden. Voor de passivazijde wordt ook getracht, in lijn met de activazijde, een marktwaarde van de verplichtingen op te stellen. Voor de berekening van de verplichtingen is een aantal elementen van belang, zoals: de nominale toezeggingen aan de deelnemers: hoogte van het bedrag, datum van eerste uitkering. Voor de indexering van de nominale rechten worden geen financiële buffers meegenomen, tenzij er geen sprake is van een indexeringsambitie, maar een harde toezegging is gedaan; de gemiddelde levensverwachting van de deelnemers; zo specifiek mogelijk: per leeftijdscohort, per inkomensklasse, per sekse, per beroepsgroep; de waarde van de euro op het moment dat de uitkeringen gedaan moeten worden; ofwel de disconteringsvoet die gebruikt moet worden om de verplichtingen contant te maken. 9 Dat wil zeggen: een dekkingsgraad van ongeveer 105%. 20

Pensioensector in een diepe crisis? Voor de factoren levensverwachting en disconteringsvoet hebben we gemeend een inschatting te moeten geven van de wijze waarop de huidige wet- en regelgeving aansluit op de term marktwaardering. Wat ons zeer heeft verbaasd, is dat men uiterst prudent met deze factoren omgaat. Het stapelen van zekerheden lijkt hier aan de orde van de dag en hoe slechter de macro-economische parameters er voor staan, des te conservatiever de regelgeving lijkt te worden. Ons betoog zoekt een antwoord op de vragen of er sprake is van een crisis in de beoogde uitkeringen aan deelnemers in een pensioenfonds, dan wel of er sprake is van een grote invloed van regelgeving op de waardering van de pensioenverplichtingen. Na een uiteenzetting over de belangrijkste parameters voor de bepaling van de technische voorziening (pensioenverplichting) en de gevoeligheid van de dekkingsgraad voor een wijziging in deze parameters zullen wij met een praktijkvoorbeeld aantonen dat met een gelijk bedrag aan bezittingen een compleet andere conclusie getrokken kan worden over de financiële gezondheid van een fonds; en daarmee over die van de sector als geheel. Andere uitgangspunten voor de waardering van verplichtingen leveren een compleet ander beeld op. Disconteringsfactor Jarenlang maakten de verzekerings- en pensioenfondsensector gebruik van een vaste nominale rekenrente van 4% om de verplichtingen te waarderen. Dit gaf veel stabiliteit en voorspelbaarheid in de cijfers. Maar vanwege ernstige boekhoudschandalen wereldwijd werd de roep om andere verslagleggings- en waarderingsregels sterker, wat resulteerde in onder andere de International Financial Reporting Standards (IFRS), die van grote invloed zijn geweest op vele nationale wet- en regelgevingen betreffende waarderingen (naar reële waarde of marktwaarde). Doordat andere rekenregels voorschreven bezittingen op marktwaarde te waarderen en verplichtingen tegen een vaste factor, gaf de dekkingsgraad ineens een ander, wellicht zelfs minder realistisch beeld van de financiële positie van een organisatie. Vanaf 2007 stapte men over op marktwaardering van verplichtingen door het Financieel Toetsingskader (FTK) in te voeren. Een aantal jaren na de implementatie van het FTK heeft het Actuarieel Genootschap & Actuarieel Instituut (AG& AI) een rapport uitgebracht over de 21

Pensioenessays 8 principes voor de rentetermijnstructuur. 10 Daarin zijn vier criteria gedefinieerd om de rentetermijnstructuur te kunnen vaststellen. Deze maatstaven zijn: 1. risicovrijheid: onaf hankelijk van beleggingsbeleid en financiële positie van een pensioenfonds en algemeen toepasbaar; 2. observeerbaarheid: informatie moet direct, dagelijks en zonder interpretatie beschikbaar zijn voor alle relevante looptijden; 3. verhandelbaarheid: het renterisico moet in de markt afgedekt kunnen worden; 4. robuustheid: de rentecurve mag in de loop van de tijd niet gevoelig blijken voor marktverstoringen. Bij het overwegen van de verschillende opties is de conclusie dat er geen enkele curve als ideaal onder alle omstandigheden kan worden aangemerkt. Het AG& AI geeft er de voorkeur aan de curve aan te passen naarmate marktomstandigheden zich voordoen en gaat uit van een benadering die gebaseerd is op principes in plaats van op regels. Wanneer de toezichthouder toch een curve adviseert, kan een pensioenfonds dat hieraan niet wil of kan voldoen, zijn beleid toelichten. Tijdens economische crises komt met name de robuustheid van een rentetermijnstructuur ( swapcurve ) ter discussie te staan. Hier geeft een op staatsobligaties gebaseerde curve dan het meeste houvast, maar deze kan door de politiek en centrale banken door middel van monetair beleid sterk beïnvloed worden. De Europese beleidsmakers maken gebruik van de ECB om met name de inflatie te sturen (stabiele lage inflatie van 2%) en hebben weinig interesse in de rente die als stuurmiddel voor dit beleid wordt gebruikt. Doordat de rente en de inflatie eind jaren negentig sterk daalden, werd er naarstig gezocht naar een alternatief voor de vaste rekenrente. Met name DNB was een van de aanjagers van deze discussie in Nederland om te komen tot een nieuw FTK voor verzekeraars en pensioenfondsen. De rekenrente werd vanaf 2007 door de daling van de rente op de kapitaalmarkt, door allerlei verschillende factoren waaronder het ingevoerde monetaire beleid, steeds verder verlaagd, waardoor de verplichtingen stegen. Als gevolg hiervan daalde de dekkingsgraad steeds verder en de verplichtende greep van de toezichthouder werd steeds meer voelbaar. Historisch was de rente slechts kort zo laag, maar 10 Actuarieel Genootschap & Actuarieel Instituut 2009. 22

Pensioensector in een diepe crisis? de langetermijngevolgen waren omgekeerd evenredig groot. Het verkapt procyclisch monetaire beleid dat de nationale en Europese centrale banken voerden, is hier van eminent belang gebleken. Er zou naar onze mening en naar de mening van Teulings en De Vries een anticyclisch begrotingsbeleid moeten worden gevoerd waarmee kapitaal en arbeid in economisch zware tijden juist niet zwaarder zouden moeten worden belast. 11 Het FTK zoals nu door de overheid gehanteerd, schrijft een berekeningswijze voor door middel van de risicovrije rekenrente. De rekenrente wordt via mathematische modellen afgeleid van speculatieve handel in renteswaps, die de in onze ogen onmogelijke pretentie heeft om 60 jaar vooruit het verloop van de rentestand te kunnen voorspellen. Interessant is daarbij in ogenschouw te nemen dat de rente vanaf 1580 tot heden gemiddeld ongeveer 4% was (over langetermijngemiddelde gesproken). Eind 1992 was de tienjaarsrente 7,52%. Iemand die toen gezegd zou hebben dat in 2014 die rente 1,76% zou zijn, zou door de hele financiële wereld niet serieus zijn genomen. Nu durven de overheid en DNB te beweren dat zij de rente 60 jaar vooruit kunnen voorspellen. Met deze glazenbolgedachte gaat men de pensioenwereld te lijf en baseert daarop dwingend beleid. Wij willen ons niet laten leiden door dogmatische economen die ervan uitgaan dat schuld, boete en verelendung de weg wijzen naar een betrouwbaar pensioen. Wij geloven dat we hoop hebben (gebaseerd op ervaringen uit het verleden) op een positieve Nederlandse, lees Europese, toekomst. Een alternatief voor de vaste rekenrente, die naar onze mening op basis van historische analyse met een ingebouwde risicobuffer op 3% vastgesteld zou mogen worden, is echter niet zo eenvoudig gevonden. Wij menen dat een risicovrije disconteringsvoet feitelijk een continu liquidatiescenario construeert waarin de verplichtingen zonder enig risico bij een andere partij worden ondergebracht. Men gaat dan compleet voorbij aan het beoogde rendement dat met een beleggingsportefeuille die specifiek op het fonds is afgestemd, gegenereerd kan worden. Wellicht dat de uitkomsten van de Commissie Parameters hier van pas komen. 12 In haar rapport geeft deze onderzoekscommissie een overzicht van verwachte rendementen in de diverse categorieën in een beleggingsmix met bijbehorende standaarddeviatie. Naast het gebruik van deze parameters om de 11 Teulings & De Vries 2003, p. 100, met verwijzing naar Van Ewijk 2003. 12 Commissie Parameters onder voorzitterschap van T.W. Langejan, 27 februari 2014, Den Haag. 23

Pensioenessays 8 herstelkracht van pensioenfondsen te bepalen, een kostendekkende premie vast te stellen en indexering toe te passen zouden ook de pensioenverplichtingen met een specifieke, op de beleggingsportefeuille gebaseerde disconteringsvoet contant gemaakt kunnen worden. Men heeft dan wel rekening te houden met een aftrek voor de indexatieambitie. De overrendementen (het surplus aan rendement boven wat noodzakelijk is om de nominale uitkeringen te betalen) kunnen worden gebruikt om indexatie te financieren. Dit geeft naar onze mening een betere bepaling van de marktwaarde van de verplichtingen dan wat de huidige regelgeving opdraagt. Levensverwachting Een andere belangrijke factor om de verplichtingen van een pensioenfonds adequaat te kunnen waarderen, is de levensverwachting. Door een toenemende levensverwachting voor de deelnemers worden, als de pensioenleeftijd niet verandert, de verplichtingen voor een fonds zwaarder. De algemene trend is dat we in Nederland steeds ouder lijken te worden. En dat is reden te over voor paniek, zo lijkt het. Maar waarop zijn deze levensverwachtingen eigenlijk gebaseerd? Globaal zijn er twee instituten die in Nederland zogeheten overlevingstabellen publiceren: het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Actuarieel Genootschap (AG). Hoewel zij een licht afwijkende methodiek toepassen, komen zij tot globaal dezelfde trends, die uit deze tabellen zijn af te leiden. De afgelopen jaren is meermalen geconstateerd dat Nederlanders langer leven dan eerder werd verondersteld. En dat dit gevolgen heeft voor de duur van de pensioenverplichtingen laat zich raden: er komen steeds meer gasten aan tafel. In totaal heeft een pensioenfonds tussen de 10 en 15% verhoging van de verplichtingen gezien door de gestegen levensverwachting tussen 2007 en 2012. De nieuwe prognosetafel 2014 van het AG heeft voor een gemiddeld pensioenfonds nauwelijks invloed op de dekkingsgraad. Maar bij de publicatie van de nieuwe prognosetafels van het AG plaatsen wij wel enige kritische kanttekeningen. Ten eerste is de stijging van de levensverwachting de afgelopen twee jaar achtergebleven bij eerdere prognoses. Deze trendbreuk is echter niet als zodanig in de sterftekansen verwerkt. Daarnaast was er in het verleden altijd een afvlakking van de levensverwachting. De aanname was dat voor mannen 24

Pensioensector in een diepe crisis? de maximumlevensverwachting op termijn zou uitkomen op 87 jaar, voor vrouwen zou dit marginaal hoger zijn. In de nieuwe tabellen is men echter uitgegaan van een lineair geëxtrapoleerde lijn die aangeeft dat vrouwen omstreeks het jaar 2100 gemiddeld 93 jaar zullen worden en mannen ongeveer 91 jaar. Dat deze structurele wijziging de media niet heeft gehaald, noch tot enig effect in de dekkingsgraad heeft geleid, komt doordat de mensen voor wie dit effect zal hebben in de pensioenverplichtingen, nog niet geboren zijn, of zeer beperkt meetellen. Wanneer de maximumleeftijd op 87 jaar was gehandhaafd, had dit geleid tot een afname van de pensioenverplichting. Ook hier is derhalve onze conclusie dat er voorzichtigheid op voorzichtigheid wordt gestapeld. Dit is niet in het belang van de deelnemers in het pensioenfonds. De volgende figuren geven een indicatie van de wijziging AG overlevingstabellen 2014 ten opzichte van AG overlevingstabellen 2012: 93,0 91,0 89,0 87,0 85,0 83,0 81,0 79,0 77,0 75,0 Levensverwachting (mannen) 2011 2016 2021 2026 2031 2036 2041 2046 2051 2056 2061 2066 2071 2076 2081 2086 2091 2096 Trend 2012 Trend 2014 95,0 93,0 91,0 89,0 87,0 85,0 83,0 81,0 79,0 77,0 75,0 Levensverwachting (vrouwen) 2011 2016 2021 2026 2031 2036 2041 2046 2051 2056 2061 2066 2071 2076 2081 2086 2091 2096 Trend 2012 Trend 2014 25

Pensioenessays 8 Daarnaast is het de vraag of ongelimiteerd ouder worden, ofwel een levensverwachting lineair extrapoleren, vanuit fysisch oogpunt überhaupt wel mogelijk is. Zo n factor vereist allerlei randvoorwaarden, zoals: gezonder leven, leven in een gezond milieu, aanvaardbare psychische (stress) en fysieke belastingen van het lichaam, een hoog niveau van zorg en faciliteiten dienaangaande, waarop een aanvaardbare druk gelegd kan worden, en een geavanceerde stand van de medische wetenschap. Vanuit de verplichtingenkant van de balans van een pensioenfonds geredeneerd is ouder worden geen probleem. In het Regeerakkoord van oktober 2012 is namelijk verankerd dat de AOW-leeftijd zal stijgen in lijn met de levensverwachting en dat ook de pensioenleeftijd zal aansluiten bij deze trend. Voor de al opgebouwde rechten van de deelnemers geldt dat deze bij een aanpassing van de pensioenleeftijd actuarieel neutraal worden gecompenseerd. Dit kost het pensioenfonds uiteraard wel degelijk geld. De stelling dat het risico beperkt wordt, heeft met name betrekking op de nieuw op te bouwen rechten. Door de aangepaste methodiek zijn de schokken die we met name tussen 2007 en 2010 hebben gezien, niet meer in deze mate te verwachten. Let wel: dit is op basis van de huidige politieke afspraken. Aangezien de horizon van politiek Nederland hooguit vier jaar bedraagt en vaak achter mistbanken verdwijnt, geeft dit weinig houvast voor de pensioensector, die een horizon heeft van ongeveer 60 jaar. Praktijkvoorbeeld: Stichting Pensioenfonds Thales Nederland (SPTN) Voor deze bijdrage hebben wij een klein onderzoek uitgevoerd op basis van de gegevens van Stichting Pensioenfonds Thales Nederland (SPTN) op 31 december 2013. De volgende cijfers zijn uit het jaarverslag van SPTN: 13 SPTN, 31-12-2013 Bedragen in k Pensioenvermogen 958.995 Technische voorziening 916.798 Dekkingsgraad 104,6% 13 www.thales-nl-pensioenfonds.nl/?q=jaarverslag. 26

Pensioensector in een diepe crisis? De disconteringsvoet op eind 2013 (UFR 14 met driemaandsmiddeling) bedroeg 2,71%. Op basis van deze uitkomst was het niet nodig een tweede keer te korten op de pensioenrechten van de deelnemers, aangezien de ondergrens 104,2% bedroeg. In samenwerking met onze actuaris Towers Watson hebben we het volgende onderzocht: 1. Wat zou de dekkingsgraad zijn geweest wanneer we de effecten van de laatste gegevens naar aanleiding van de nieuwe overlevingstabellen zouden uitsluiten? Deze vraag is met name onderzocht om inzicht te verschaffen in de feitelijke effecten van de aanpassingen van de levensverwachting. Deze uitkomst is ook interessant in het licht van het nieuwe adagium dat de pensioenleeftijd wordt aangepast aan de levensverwachting. Dit is eigenlijk de uitkomst die er geweest zou zijn wanneer het huidige politieke beleid eind 2006 zou zijn ingevoerd en de overheid pensioenfondsen had toegestaan om zonder compensatie de ingangsleeftijd van opgebouwde pensioenen te verhogen. 2. Wat zou de dekkingsgraad zijn geweest wanneer we een vaste rekenrente gehad zouden hebben van 4%? Hiermee wordt de set van rekenregels gesimuleerd die van toepassing was voor de invoering van het FTK in 2007. 3. Wat zou de dekkingsgraad zijn geweest wanneer we een vaste rekenrente gehad zouden hebben van 3%? Deze optie is onderzocht als alternatief wanneer een vaste rekenrente van 4% als te risicovol zou worden betiteld. 4. Wat zou de dekkingsgraad zijn geweest wanneer we de Rente Termijn Structuur (met UFR) op 31 december 2014 zouden hebben toegepast zonder de driemaandsmiddeling? Deze optie is onderzocht om te bepalen wat de gevolgen zouden zijn geweest wanneer we eind 2013 de huidige rekenregels van het nieuw Financieel Toetsingskader zouden toepassen; met fictief de rentetermijnstructuur met UFR zonder driemaandsmiddeling op 31 december 2014. Hier dient in herinnering te worden gebracht dat het bestuur van SPTN op basis van de finale dekkingsgraad op 31 december 2013 een besluit moest nemen: zou er, ja dan nee, na de toegepaste afstempeling per 1 april 2013, een extra korting op de pensioenrechten per 1 april 2014 moeten worden toegepast? 14 Ultimate Forward Rate: een modelmatige afleiding van de langetermijnrente (voor perioden langer dan 20 jaar) naar een vast rentepercentage van 4,2%. 27

Pensioenessays 8 De uitkomsten per deelvraag: 1. Dekkingsgraad zonder de toepassing van de overlevingstabellen vanaf 1 januari 2007: SPTN, 31-12-2013 Bedragen in k Pensioenvermogen 958.995 Technische voorziening 794.503 Dekkingsgraad 102,7% Deze dekkingsgraad toont aan dat het verlies aan dekking door het ouder worden van de gemiddelde deelnemer ruim 16 procentpunt verlies oplevert. Het doel van een dekkingsgraad boven de 100% is nooit geweest om schokken op te vangen voor het risico van langer leven. De buffers zijn uitsluitend bedoeld voor het opvangen van schokken in de financiële markten. Wanneer de huidige afspraken, die gemaakt zijn in het regeerakkoord in 2012, eerder waren uitgevoerd, was er geen noodzaak geweest om kortingen door te voeren en had men anders tegen de robuustheid van het pensioenfonds aangekeken. 2. Dekkingsgraad met een vaste rekenrente van 4%: a. Met de toepassing van meest recente overlevingstabellen: SPTN, 31-12-2013 Bedragen in k Pensioenvermogen 958.995 Technische voorziening 750.603 Dekkingsgraad 127,8% Uit de getallen kunnen we concluderen dat er door een verandering in de rekenregels ruim 23 procentpunt aan dekkingsgraad is verdampt. Dit komt doordat de boekhoudkundige regels zijn veranderd. Dit maakt dekkingsgraden uit het verleden volledig onvergelijkbaar met de huidige. b. Zonder de toepassing van de overlevingstabellen vanaf 1 januari 2007: SPTN, 31-12-2013 Bedragen in k Pensioenvermogen 958.995 Technische voorziening 663.372 Dekkingsgraad 144,6% 28

Pensioensector in een diepe crisis? De getallen tonen aan dat, ceteris paribus, er geen fundamentele verschillen zijn in de dekkingsgraad van eind 2013 dat is midden in een economische crisis en de dekkingsgraden van vóór de financiële crises. 3. Dekkingsgraad met een vaste rekenrente van 3% (met de toepassing van de meest recente overlevingstabellen): SPTN, 31-12-2013 Bedragen in k Pensioenvermogen 958.995 Technische voorziening 874.045 Dekkingsgraad 109,7% Dit scenario levert een marginaal hogere dekkingsgraad op dan de gepubliceerde dekkingsgraad. Dat komt doordat de toegepaste disconteringsvoet van 2,71% dicht bij de 3% ligt. Voordeel van een vaste disconteringsvoet die enigszins lager ligt dan de optimistische vaste rente van 4% ooit was, is dat de nodige complexiteit ontweken had kunnen worden. Probeer een deelnemer het nut en de noodzaak maar eens uit te leggen van een driemaandsmiddeling van een rente die deels bepaald wordt door de markt, maar op langere termijn vervangen wordt door een fictieve rentevoet van maximaal 4,2%. 4. Dekkingsgraad met de methodiek conform het nieuw Financieel Toetsingskader: Een momentopname op 31 december 2014, ofwel: we houden geen rekening met de twaalfmaands-beleidsdekkingsgraad. SPTN, 31-12-2013 Bedragen in k Pensioenvermogen 958.995 Technische voorziening 1.116.934 Dekkingsgraad 85,9% Dit is het meest dramatische scenario. Om tot een dekkingsgraad van 104,2% (om uit dekkingstekort) te komen, zouden de rechten met ruim 18 procentpunt gekort moeten worden. De disconteringsvoet van 1,55% is historisch gezien de laagste ooit gemeten (per maandeinde). Hier had ook de driemaandse middeling geen oplossing meer geboden (disconteringsvoet 29

Pensioenessays 8 1,78%, dekkingsgraad 89,5%). Doordat de kortetermijn-herstelplannen in 2014 afliepen, is de pensioensector voor een ramp behoed. Dit bewijst dat met een disconteringsvoet die op de korte termijn gebaseerd is en door extreme marktomstandigheden een zeer volatiel karakter heeft, verkeerde besluiten genomen kunnen worden. Kortom, we kunnen stellen dat er een scala aan beelden kan worden opgeroepen omtrent de financiële gezondheid van SPTN, wanneer we draaien aan de knoppen van de disconteringsvoet en het langlevenrisico. Ergo: de beeldvorming is per definitie subjectief, zoals die altijd al is geweest. Variaties tussen de 87% en 128% dekkingsgraad, beïnvloed door de disconteringsfactor van de pensioenverplichtingen, zijn enorm. Stuitend is om te moeten constateren dat we alle smaken in een periode van tien jaar verankerd terugvinden in de relevante wet- en regelgeving. Dit, terwijl ook gekozen kan worden voor een disconteringsvoet die af hankelijk is van verwachte rendementen, met de nodige afslagen voor risico en eventuele indexeringsambities. Het is gevaarlijk een zo volatiele factor, die sterk afhankelijk is van de economische situatie in de wereld op korte termijn, als leidraad te nemen voor de langetermijnverplichtingen van een pensioenfonds. Als de huidige disconteringsvoet wordt toegepast, wordt ook continu een liquidatiescenario toegepast: hoe kan ik mijn verplichtingen op ieder willekeurig moment risicoloos bij een andere partij onderbrengen? Dit is een extreem voorzichtig en niet-realistisch uitgangspunt voor een sector die een zo belangrijke maatschappelijke functie vervult en die een stabiele langetermijnfocus heeft en behoort te hebben. Als kanttekening dienen we wel te vermelden dat we rekenen met het hogere vermogen en obligaties momenteel overgewaardeerd zijn door de lage rente. Voor veranderingen in de levensverwachting is nu een adequaat instrument gevonden in het aanpassen van de pensioendatum aan de veranderende levensverwachting. De korting die SPTN heeft toegepast, had voorkomen kunnen worden wanneer dit aanpassingsmechanisme eerder was geïntroduceerd. Er zal naar onze mening een mechaniek moeten worden ontwikkeld dat de trendontwikkeling toetst met een breder gremium dan louter actuarieel geschoolde analisten. Het is onwaarschijnlijk dat de toename van de levensverwachting een continu stijgende lijn zal zijn. 30

Pensioensector in een diepe crisis? Communicatie: uitdaging van de nabije toekomst Door de onrust op de financiële markten, de onzekere toekomst en de aanscherping van de rekenregels voor pensioenfondsen bevinden wij ons nu in een situatie waarin de dekkingsgraden van pensioenfondsen weinig meer te maken hebben met de feitelijke situatie van de sector. Er zit meer geld dan ooit in onze pensioenreserves, voor een deel veroorzaakt door de waardegroei van obligaties met een hogere historische coupon. De condities zijn ernstig verslechterd voor de opbouw en het moment van uitkering. 15 Het communicatiebeleid van de pensioensector faalt. Dat alles heeft geleid tot grote maatschappelijke ontevredenheid en verlies aan vertrouwen in de sector. Het is niet gelukt de status van vandaag over te brengen zonder te vervallen in actuarieel-technische explicaties, waar ruim 16 miljoen niet-ingewijde Nederlanders eerder argwanend van worden dan gerustgesteld. Het gevolg is dat de regie van het pensioendossier inmiddels volledig politiek bepaald wordt. De Nationale Pensioen Dialoog wordt gevoerd over de as van het ministerie van Sociale Zaken. Dat bepaalt welke onderwerpen er op de agenda komen en in welke volgorde ze besproken zullen worden. Dit is een zorgelijke ontwikkeling, waar niemand baat bij heeft: de politiek niet, de toezichthouders niet, de sector niet en uiteraard het publiek niet. Wat de politiek betreft: politici hebben veel te weinig pensioendossierkennis en richten zich, politici eigen, te veel op de korte termijn van de verkiezingsperiode. En dat terwijl een langetermijnvisie noodzakelijk is voor een sector als deze. Toezichthouders, zowel AFM als DNB, worden aangestuurd door de eerdergenoemde politici en hebben, vanwege hun op risicoreductie geënte ervaring, een natuurlijke drang tot conservatisme in de vorm van zekerheden stapelen. Dat dit verkeerd uitpakt voor de pensioensector, laat zich raden. De sector heeft wel kennis in huis, maar heeft geen wezenlijke invloed op de agenda. En het publiek? Het is niet goed voor de deelnemers, doordat de verplichtingenkant van de balans uit het verband wordt getrokken. Dat komt mede door kortetermijnpaniek, waardoor de dekkingsgraad daalt, kortingen op de opgebouwde pensioenrechten en bestaande uitkeringen worden toegepast, terwijl indexaties uitblijven. 15 Dit komt door 1) middelloon in plaats van eindloon, 2) maximering van het pensioengevend salaris op 100.000 euro, 3) verhoging van de pensioenleeftijd van 65 jaar naar 67 jaar en 4) een opbouw van maximaal 1,875% per jaar tegenover 2,25% in 2013. 31