Persoonsvorm en voegwoord P.C. Paardekooper bron P.C. Paardekooper, Persoonsvorm en voegwoord. In: De Nieuwe Taalgids 54 (1961), p. 296-301. Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/paar001pers01_01/colofon.htm 2002 dbnl / P.C. Paardekooper
296 Persoonsvorm en voegwoord 1) 0. Inleiding Het voegwoord (vw) zet ons voor een stel problemen die niet op slag op te lossen zijn. Ik wil er nu maar een van bespreken: de verhouding tussen vw en pv 2). Eigenlijk is de zaak iets ingewikkelder: het betreft nl. de verhouding tussen pv en alle verbindende woorden aan het begin van bijzinnen, d.w.z.: vw, betrekkelijke en vragende woorden. Maar omwille van de overzichtelijkheid beperk ik me tot pv en vw. Ik zal laten zien dat de plaatsmogelijkheden van het t.o.v. de pv (altans bij inversie) precies gelijk zijn aan die van het t.o.v. het vw. Syntaktisch zijn pv en vw dus heel na verwant. Hiermee zou m'n artikel eigenlijk af moeten zijn, want hiermee is de verhouding tussen pv en vw in het ABN in hoofdzaak besproken. Maar ik ben bezweken voor de verleiding om een kort supplement te geven waarin een dialektverschijnsel besproken wordt: de kongruerende vw's (nummer 5). In sommige dialekten blijken pv en vw namelijk behalve syntaktisch ook nog morfologisch verwant te zijn doordat het vw net als de pv met het kan kongrueren. 1. De pv als kriterium voor zinsindeling Zinsindeling is mogelijk op basis van twee kriteria: binnenbouw of buitenbouw 3). Sluiten we de nominale zin en enkele andere weinig frekwente types even 1) Onder voegwoord versta ik in dit artikel gemakshalve onderschikkend voegwoord. - De oude spraakkunst had onder- en nevenschikkend voegwoord nooit mogen beschouwen als twee zo nauw verwante woordsoorten dat ze eenzelfde achternaam verdienden. Nevenschikking is een uniek verschijnsel dat in tegenstelling met de mogelijkheden van het onderschikkende voegwoord, helemaal niet gebonden is aan zinsbegrenzing: vgl. klein en groot, mannen en vrouwen, op of onder enz. Terecht wijst v. d. Berg op de overeenkomst tussen onderschikkend voegwoord en voorzetsel naar hun plaats in de woordgroep. Maar het lijkt me iets te radikaal om daarom het onderschikkend voegwoord voorzetsel te noemen: B. van den Berg, Beknopte Nederlandse spraakkunst 3 50. 2) In m'n proefschrift heb ik het heel even genoemd: 7.1.4,2e. 3) De binnenbouw van een element omvat de verhouding tussen z'n delen plus die tussen elk deel en het geheel; z'n buitenbouw die tussen dat element en het grotere geheel waar het een deel van is plus die tussen dat element en z'n kollega's. - Een uitvoeriger uiteenzetting van de begrippen binnen- en buitenbouw staat in P.C. Paardekooper, Inleiding tot de ABN-Syntaksis 0.4.9 (den Bosch 1960).
297 uit, dan wordt het begrip zin identiek met ww-patroon. Een hoofdzin is nu een ww-patroon dat zelf geen patroondeel is (geen deel dus van een groter patroon), een bijzin een ww-patroon dat zelf wel patroondeel is 1). Het is duidelijk dat de buitenbouw hier indelingskriterium geweest is. Maar is een ww-patroondéél (dus een zinsdeel) indelingskriterium voor ww-patronen, dan gaan we uit van een eigenaardigheid in de binnenbouw. Als ww-patroondeel kiezen we de pv, en dan krijgen we zoals bekend, in eerste instantie twee zinstypes: dat met voor- en dat met achterplaatsing van die pv. Verreweg de meeste hoofdzinnen vertonen voorplaatsing, verreweg de meeste bijzinnen achterplaatsing, maar een klein aantal uitzonderingen dwingt ons tot een scherp onderscheid tussen binnen- en buitenbouw-kriteria. - Een voorbeeld: als ie toch maar z'n trein (haalt) Dit is een hoofdzin met achterplaatsing. Een tweede voorbeeld vormt het schuingedrukte deel van de zin: hij zegt: ik (geloof) er niks van Dit is een bijzin met voorplaatsing. (De traditie gebruikt voor deze twee voorbeelden de termen hoofdzin met bijzinsvolgorde en bijzin met hoofdzinsvolgorde, maar termen die zó'n tegenspraak bevatten zijn wetenschappelijk noch didaktisch bruikbaar. Daarom zie ik geen mogelijkheid om ze te handhaven, hoe vervelend een termverandering in de spraakkunst ook is). Bij voorplaatsing zijn zoals bekend twee mogelijkheden: de pv is eerste of tweede zinsdeel. En het eerste type, het niet-konstaterende 2) heeft nu onze speciale aandacht in verband met de vergelijking met het vw. Het heeft ermee gemeen dat het eerste zinsdeel is. 2. De plaats van het t.o.v. de pv bij inversie 2.1. Het type je Er zijn twee types die we in dit verband moeten onderscheiden: het onbeklemtoonde pers. vn en alle andere 3). Is een onbeklemtoond pers. vn, dan kan geen enkel zinsdeel het van de pv scheiden: (werk) (je) daarom morgen erg hard (werk) daarom (je) morgen erg hard (werk) morgen (je) daarom erg hard 1) Vgl. P.C. Paardekooper, Kleine ABN-Syntaksis 2 25. 2) Vgl. P.J. Merckens, De plaats van de persoonsvorm: een verwaarloosd code-teken, NT 53.253. 3) Om heel precies te zijn: enkele beklemtoonde pers. vn's - vooral ik en jij - sluiten zich bij de onbeklemtoonde aan altans in mijn idiolekt.
(werk) daarom morgen (je) erg hard (werk) erg hard (je) daarom morgen Intussen houdt de plaats direkt na de pv heel sterk de voorkeur bij élk : frekwentieproeven bewijzen het. (Het plaats er 4) sluit zich helemaal aan bij het type je). 4) Vgl. Kleine ABN-Syntaxis 2, antwoord 14, 4e.
298 2.2. >Het type jouw vriend Dezelfde scheidbaarheid die we zoëven bij de beklemtoonde pers. vn's hij, wij enz. aangetroffen hebben, vinden we eveneens bij allerlei andere en. We nemen jouw vriend hier als type, en gaan nu aan de hand van enkele voorbeelden na, hoe het met de scheidbaarheid staat: (werkt) (jouw vriend) daarom morgen erg hard (werkt) daarom (jouw vriend) morgen erg hard (werkt) morgen (jouw vriend) daarom erg hard (werkt) daarom morgen (jouw vriend) erg hard (werkt) erg hard (jouw vriend) daarom morgen (uitgesloten) (geeft) aan zo'n kind (jouw vriend) dat boek (geeft) een boek (jouw vriend) Zonder dat we deze kwestie hier uitvoerig bespreken, kunnen we toch alvast dit konkluderen: het stype jouw vriend heeft bij inversie een voorkeur voor de plaats direkt achter de pv, maar desnoods kan een bw bep. van een bepaald aantal types (daarom of morgen bv.) het daarvan scheiden. Een bw bep. van het type erg hard kan het niet; evenmin een mv zoals in ons voorbeeld aan zo'n kind of een lv (een boek in ons voorbeeld). 3. De plaats van het t.o.v. het vw Afgezien van het type een halve eeuw nadat is het vw altijd eerste zinsdeel. De plaatsregels van het na een halve eeuw nadat zijn weer identiek met die van het na nadat alleen, zoals die voor het na morgen werkt identiek zijn met die na werkt alleen. Ook nu behandelen we achtereenvolgens de types je en jouw vriend. 3.1. Het type je Is het in een zin met achterplaatsing (en met een vw) een onbeklemtoond pers. vn, dan kan geen enkel zinsdeel het van het vw scheiden: <als> (je) daarom morgen erg hard werkt <als> daarom (je) morgen erg hard werkt <als> morgen (je) daarom erg hard werkt <als> daarom morgen (je) erg hard werkt
<als> erg hard (je) daarom morgen werkt Ook nu bewijzen frekwentieproeven dat de voorkeurplaats van élk direkt achter het vw ligt. 3.2. Het type jouw vriend Ook de scheidbaarheid van het type jouw vriend t.o.v. het vw is gelijk aan die t.o.v. de pv: <als> (jouw vriend) daarom morgen erg hard werkt <als> daarom (jouw vriend) morgen erg hard werkt <als> morgen (jouw vriend) daarom erg hard werkt <als> daarom morgen (jouw vriend) erg hard werkt <als> erg hard (jouw vriend) daarom morgen werkt (uitgesloten) <als> aan zo'n kind (jouw vriend) dat boek geeft <als> een boek (jouw vriend) geeft
299 Opnieuw kunnen we zonder uitvoerige bespreking van alle details konkluderen dat het stype jouw vriend een voorkeurplaats heeft: die direkt achter het vw. Maar desnoods kan een bw bep. van een bepaald aantal types (daarom of morgen bv.) het daarvan scheiden. Een bw bep. van het type erg hard kan het niet; evenmin een mv zoals in ons voorbeeld aan zo'n kind of een lv (een boek in ons voorbeeld). 4. Konklusies voor het ABN De plaatsregels van het t.o.v. de pv bij inversie zijn dus identiek met die van het t.o.v. het vw. Het vw is dus een zinsdeel. Zonder dat ik nu een volledige beschrijving wil geven van alle vorm- en betekenis-eigenaardigheden van pv en vw, wil ik nog enkele andere feiten noemen die de verwantschap van die twee bevestigen. Zoals de pv soms achter in de zin nog een of meer verwante elementen heeft (ow, vd enz.), zo heeft het vw de pv als verwant element achter in de zin. Die verwantschap blijkt o.a. uit het feit dat toen ik kom uitgesloten is: toen vereist kwam of algemener uitgedrukt de tweede hoofdvorm van pv 1). Niet in elk maar wel in veel opzichten gaat de vergelijking op: toen (vw) : nu (vw) = kwam : kom Semantisch vertoont de pv tijds- en modaliteitselementen, - om het nu maar even grof uit te drukken. Semantisch vertoont het vw diezelfde elementen plus dat van de binding met elementen van de buitenbouw (dat laatste heeft het gemeen met het vzaz). Ik geef een paar voorbeelden van vw's: als wanneer } ( in de tijd dat of indien : tijds- of modaliteitsaanduiding ) ( in...ng ) } ( in de tijd dat of indien : tijds- of modaliteitsaanduiding ) ( in...ng ) nou terwijl ( omdat nu of omdat : tijd en modaliteit) ( op hetzelfde ogenblik dat of ofschoon : tijd en modaliteit) nadat voordat toen } ( tijdsaanduiding ) } ( tijdsaanduiding ) } ( tijdsaanduiding ) dat } ( modaliteitsaanduiding ) 1) Het vrij zeldzame aparte type toen ik gekomen ben blijft nu buiten beschouwing; hier hebben we de eerste hoofdvorm van de pv + een vd.
of } ( modaliteitsaanduiding ) Een vw als doordat heeft niet per se modaliteitsaanduiding; wel moet het altijd verbinden. Tot slot nog een paar typische vergelijkingen tussen een pv als eerste zinsdeel en een vw: (komt) <als> ie vlug, ie vlug komt, dan is ie misschien nog op tijd } ( voorwaarde ) dan is ie misschien nog op tijd } ( voorwaarde ) (kwam) <als> ie maar ie maar kwam } ( wens ) } ( wens ) Deze fragmentarische verzameling feiten is misschien voldoende om te laten zien dat de gegevens uit de vorige nummers niet alleen staan en uiteindelijk ook niet alleen mogen blijven staan, wil ons inzicht in de feiten hier scherp genoeg worden.
300 Wat het ABN betreft, kunnen we nu het artikel besluiten, maar zoals gezegd: hier is een aardige gelegenheid om een verschijnsel uit bepaalde dialekten in een groter verband te zetten, nl. dat van de kongruerende vw's. 5. Kongruerende vw's in onze dialekten Sinds v. Haeringen jaren geleden dit verschijnsel uitvoerig besproken heeft 1) zijn hierover talrijke morfologische feiten bekend geworden die ik hier niet hoef te vermelden. Het gaat nu enkel om de samenhang met de syntaktische feiten die in de vorige nummers beschreven zijn. Zoals de pv soms door getals- en ook door persoonskongruentie z'n syntaktische verwantschap met het morfologisch nog 's ekstra aksentueert in het ABN, zo doet het vw die twee dingen in sommige dialekten: (komme) (die mense) dan morge weer (komp) (die man) dan morge weer <azze> (die mense) dan morge weer komme <as> (die man) dan morge weer komp We zouden het Afrikaans, het ABN en bv. het Leids naast elkaar kunnen zetten: Afrikaans: pv en syntaktisch Afrikaans: vw en syntaktisch ABN: pv en syntaktisch en morfologisch ABN: vw en syntaktisch Leids: pv en syntaktisch en morfologisch Leids: vw en syntaktisch en morfologisch 6. Konklusies In de voorbeelden van zoëven ontbreekt de syntaktische betrekking nergens, de morfologische soms wel. Maar zelfs waar de morfologische aanwezig is, daar omvat 1) C.B. van Haeringen, Congruerende voegwoorden, Ts 58.161-176, herdrukt in Neerlandica 246-259. Een bibliografietje hierover geeft Vanacker in TT 1.32 vv. - Ik signaleer hier een drukfout in Neerlandica dat Ts 68 geeft i.p.v. 58.
hij soms minder gevallen als de syntaktische. Zo ontbreekt de persoonskongruentie bv. in het hele meervoud in het ABN, de getalskongruentie is afwezig in de tweede hoofdvorm van alle regelmatige ww's: ik plukte jij plukte u plukte hij plukte zij plukte wij plukte jullie plukte zij plukte In dit voorbeeld hebben en pv morfologisch dus niets gemeen. Van Haeringen heeft erop gewezen in z'n zojuist genoemde artikel, dat de vervoeging van de vw's nergens even volledig is als die van de pv's. Bij vw's omvat de morfologische kongruentie dus nóg minder gevallen. Bovendien worden zoals v. H. zegt, de vormen zonder buiging ook als mogelijk erkend 2). Dat alles brengt ons net als zoveel andere feiten tot de konklusie dat de morfologie een bijkomstig verschijnsel is, vergeleken met de syntaksis. Strikt 2) Resp. Neerlandica 259 en 247 v.
301 genomen geldt dat alleen voor de taaltoestanden die we nu op een enkel punt onderzocht hebben, maar het mag ons niet verbazen als het op den duur een algemeen-taalkundig feit zal blijken te zijn 1). Eindhoven, januari 1961. P.C. PAARDEKOOPER 1) Ik bedank Prof. van Haeringen voor enkele kritische opmerkingen die dit artikel ten goede gekomen zijn.