Rapportage Normeringsonderzoek SCOL-VO

Vergelijkbare documenten
Samenvatting. Samenvatting

SCOL Sociale Competentie Observatielijst. Analyse doelen Jonge kind

Uitleg van de figuren PO 1

Taalresultaten Giessenlanden. Toetsresultaten basisscholen en

Schoolprestaties van oude en nieuwe gewichtenleerlingen

Kiezen na de basisschool

Schoolzelfevaluatie. Antoniusschool Kwaliteit & Zorg in de groepen

Beschrijving van de gegevens: hoeveel scholen en hoeveel leerlingen deden mee?

Belangrijkste data behorende bij de 1 e aanmeldingsperiode. Alle data zijn ook terug te vinden in het BOVO tijdpad

Commitment aan school

Resultaten eindtoets

Aandeel meisjes in de bètatechniek VMBO

Resultaten eindtoets

toetsresultaten vmbo en mbo in de regio Den Haag oktober 2011

De leerling heeft in groep 6 t/m 8 op de toetsen die deel uitmaken van het leerlingvolgsysteem over

Resultaten eindtoets

Op weg naar het voortgezet onderwijs

Onderzoek naar de opbrengsten van de methode Lijn

Check Je Kamer Rapportage 2014

Advieswijzer voor plaatsing in het voortgezet onderwijs

Onderzoek tevredenheid medewerkers FICTIEF Rapportage. Walvis ConsultingGroep Amersfoort, maart 2012 Onderzoeker: drs.

DESSA. Vragenlijst over sociaal-emotionele competenties. HTS Report. Liesbeth Bakker ID Datum Ouderversie

Samenvatting, conclusies en discussie

Inhoud VOORWOORD 11 INLEIDING 13 DEEL 1 HANDLEIDING 15 1 OPBOUW HANDLEIDING 17

OPBRENGSTENKAART 2015 ALGEMENE TOELICHTING

Verantwoording. ZIEN! als monitor voor sociale veiligheid op school. 6 juni 2017

/ aant. % aant. % aant. % aant. % aant. % aant. % ,3 5 3,3 8 5, , ,7 153

De Trompetter. Het laatste jaar op basisschool.. veel nieuwe zaken.. leren, leren..

Voorlichting Voortgezet Onderwijs

Opdrachten speciaal herontworpen voor eerstejaars studenten

Vergelijkingsrapport - De scholen

SCHORSINGEN EN VERWIJDERINGEN 2007/ /2012

Controle voorlopige gegevens eindtoets en schooladvies

Leerlingtevredenheidsonderzoek

HANDREIKING Advieswijzer voor plaatsing in het voortgezet onderwijs

TOETSPROTOCOL COLLEGE. vmbo (leerjaar 1 t/m 3) havo/vwo (leerjaar 1 t/m 4) praktijk

SCHOOLFEEDBACKRAPPORT ONDERZOEK WELBEVINDEN Bevraging van de leerlingen van het lager onderwijs

Groep 8: Informatiebrief

opbrengstgericht werken in en door de sectie Scan voor de sectie

DESSA. Vragenlijst over sociaal-emotionele competenties. HTS Report. Liesbeth Bakker ID Datum

Samenvatting. VSO De Piramide/ Den Haag. Resultaten Leerlingtevredenheidspeiling (LTP) VSO De Piramide

6 Psychische problemen

Gestruikeld voor de start

Stromen door het onderwijs

Tevredenheid leerlingen

Onder- en overadvisering in beeld 2006/ /2009 Gemeente Helmond

3.1 Itemanalyse De resultaten worden eerst op itemniveau bekeken. De volgende drie aspecten dienen bekeken te worden:

Rapportage sociaal-emotionele ontwikkeling Playing for Success. september 2012

Rommelen met je identiteit. Landelijk scholierenonderzoek naar de aard en de omvang van de falsificatie van legitimatiebewijzen door jongeren

Hoofdstuk 3. Het onderzoek van dyslectische leerlingen

De kwaliteit van educatieve activiteiten meten. Universiteitsmuseum Utrecht

Opdracht 2: Data analyseren en interpreteren op groepsniveau (technisch lezen voor leerkrachten van groep 3 (Opdracht 2a) en groep 4 (Opdracht 2b))

DATA-ANALYSEPLAN (20/6/2005)

Plaatsingswijzer. Versie mjp 1

HANDREIKING Advieswijzer voor plaatsing in het voortgezet onderwijs

VOORLICHTING VAN DE BASISSCHOOL NAAR HET VOORTGEZET ONDERWIJS

Uitwerking berekening prestatieanalyse (voortgezet) speciaal onderwijs 2017

Opbrengstgericht werken (OGW)

Werkbelevingsonderzoek 2013

Jaar 3: Deelrapportage 4. Werkbevlogenheid docenten Montaigne Lyceum, mei 2010

UITWERKING BEREKENING PRESTATIEANALYSE SECTOR SPECIAAL ONDERWIJS 2016

De waarde van eindtoetsen in het primair onderwijs

VMBO Voorbereidend Middelbaar Beroeps Onderwijs

VOORLICHTING VAN DE BASISSCHOOL NAAR HET VOORTGEZET ONDERWIJS

Aanvullende analyse Terugblik en resultaten 2013

Vitamine B12 deficiëntie

Margit van Aalst (CvTE) Iris Verbruggen (Cito) Overzicht presentatie. verantwoordelijkheden van het cvte

Betrokkenheid bij pesten op de basisschool en het sociaal functioneren in het voortgezet onderwijs. Een longitudinale studie.

Rapportage sociaal-emotionele ontwikkeling Playing for Success

Rapportage Ervaringsonderzoek WOT's

Overstap van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Rotterdamse plaatsingswijzer Schooljaar

Cultuursurvey. Betrouwbaarheidsonderzoek voor Stichting LeerKRACHT. Maaike Ketelaars Ton Klein

Rapportage onderzoek resultaten Lijn 3

Omnibusenquête deelrapport. Studentenhuisvesting

2.10 Resultaten van het ITS onderzoek naar leerlingen met autisme in het primair en voortgezet onderwijs in het schooljaar

Toelichting ouders Adviesbeleid VO groep 8

Berekening en correctie indicatoren leerresultaten

Hoofdstuk 2: De verschillende soorten onderwijsniveaus na de basisschool 3

Leerlingtevredenheidsonderzoek

christelijke school voor vmbo-gl-kbl-bbl Gewoon goed onderwijs!

5. Discussie. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens

Rapport Cliëntervaringsonderzoek. Zorgbureau Endless Almere. Zorg Thuis Verslagjaar Uitgevoerd door Bureau De Bok, Franeker

Joost Meijer, Amsterdam, 2015

ANALYSE PATIËNTERVARINGEN ELZ HAAKSBERGEN

Transcriptie:

Rapportage Normeringsonderzoek SCOL-VO Datum CED-Groep, oktober 2007 Afdeling O&O Auteur David Verschoor Project SCOL-VO

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 2/19

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 3/19 Inhoudsopgave 1. Inleiding 5 2. SCOL 7 2.1. Steekproef 7 2.2. Betrouwbaarheid 8 2.3. Validiteit 9 2.4. Normering 12 3. LeerlingSCOL 15 3.1. Steekproef 15 3.2. Betrouwbaarheid 15 3.3. Validiteit 15 3.4. Normering 17 4. Conclusies 19

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 5/19 1. Inleiding Dit rapport dient als uitleg over hoe de normscores van de SCOL-VO tot stand zijn gekomen en geeft bovendien aan wat de sterke en zwakke punten van de SCOL-VO zijn. Voor een groot deel is dit rapport gebaseerd op het promotie onderzoek Een maat om op te bouwen (Joosten, 2007), wat gedaan is op dezelfde vragenlijst, maar met een steekproef van basisschoolleerlingen (de SCOL-PO). In dit rapport zal vaak worden verwezen naar bovenstaand onderzoek, zowel voor verduidelijking als vooral ook voor verdieping. In dit rapport wordt ook beschreven hoe de SCOL-PO en de SCOL-VO zich tot elkaar verhouden, wat hun overeenkomsten en wat hun verschillen zijn. In hoofdstuk 2 van dit rapport worden de resultaten van het normeringsonderzoek naar de SCOL voor de eerste en tweede klas van het voortgezet onderwijs (SCOL-VO) beschreven. Er wordt gekeken naar de betrouwbaarheid en validiteit van de SCOL en zijn categorieën, om vervolgens te komen tot een normering. Ook wordt gekeken naar de verschillen tussen de categorieën van verschillende achtergrondkenmerken op de SCOL. In hoofdstuk 3 wordt op eenzelfde manier gekeken naar de LeerlingSCOL. Tot slot worden in hoofdstuk 4 enkele conclusies getrokken.

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 6/19

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 7/19 2. SCOL 2.1. Steekproef De SCOL bestaat uit 26 items die elk gescoord worden op een vijf-puntsschaal. Hierdoor kan de totaalscore van de SCOL variëren tussen 26 en 130. De SCOL bevat tevens acht categorieën, te weten: ervaringen delen (erv), aardig doen (aard), samen werken & doen (sam), een taak uitvoeren (taak), jezelf presenteren (pres), een keuze maken (keu), opkomen voor jezelf (opkom) en omgaan met ruzie (ruz). Dit onderzoek is uitgevoerd met de gegevens van 28 scholen. In totaal zijn gegevens bekend van 3564 leerlingen. Dit zijn allen leerlingen uit de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs. Tabel 2.1 toont het aantal leerlingen per onderwijstype en leerjaar. Tabel 2.1 Verdeling leerlingen naar onderwijstype en leerjaar Schoolniveau * Leerjaar Crosstabulation Leerjaar 1 2 Total Schoolniveau PO Count 319 362 681 % of Total 9,9% 11,2% 21,1% LWOO/KBL/BBL Count 703 508 1211 % of Total 21,8% 15,7% 37,5% VMBO - GT/TL Count 223 251 474 % of Total 6,9% 7,8% 14,7% HAVO/VWO Count 555 305 860 % of Total 17,2% 9,5% 26,7% Total Count 1800 1426 3226 % of Total 55,8% 44,2% 100,0% PO= Praktijkonderwijs, LWOO = Leerwegondersteunend onderwijs, KBL = Kaderberoepsgerichte leerweg, BBL = Basisberoepsgerichte leerweg, VMBO GT = VMBO Gemengde leerweg, VMBO TL = VMBO Theoretische leerweg, Havo = Hoger algemeen vormend onderwijs, VWO = Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs. De steekproef bevat meer jongens dan meisjes. Dit verschil is zowel in leerjaar 1 als in leerjaar 2 terug te zien, in leerjaar twee is het verschil iets groter. Tabel 2.2 laat de leerlingen per leerjaar zien, gesplitst naar geslacht. Tabel 2.2 Verdeling leerlingen naar geslacht en leerjaar Leerjaar 1 2 Totaal Geslacht jongen N 972 794 1766 % per leerjaar 53,8% 55,7% 54,6% meisje N 834 632 1466 % per leerjaar 46,2% 44,3% 45,4% Totaal N 1806 1426 3232 % per leerjaar 100,0% 100,0% 100,0%

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 8/19 Tot slot zijn alle scholen opgedeeld in de categorieën 4 grote steden en overig. Onder 4 grote steden worden hier alleen de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht gerekend. Tabel 2.3 laat zien dat het aantal leerlingen in de 4 grote steden ongeveer even groot is als het aantal leerlingen op de categorie overig. Tabel 2.3 Verdeling van leerlingen naar 4 grote steden/overig Plaats Ontbrekend Overig 4 grote steden Totaal N Percentage 121 3,4 1693 47,5 1750 49,1 3564 100,0 2.2. Betrouwbaarheid Om te kunnen bepalen of de verschillende items van de SCOL wel bij benadering hetzelfde concept meten is de interne consistentie van de SCOL bepaald. Dit is zowel gedaan voor het gehele instrument (om te bepalen hoe sterk elke item hetzelfde concept, in dit geval sociale competentie, meet als de overige items) als voor de items binnen de acht categorieën die de SCOL onderscheidt. Dit laatste onderzoekt of de items binnen een categorie hetzelfde meten en dus of deze groep items een betrouwbare categorie van de SCOL vormen. Als het instrument consistent is voor de gehele steekproef, betekent dit nog niet dat dit ook het geval is voor de verschillende, in paragraaf 2.1 genoemde, achtergrondkenmerken. Om te controleren of de SCOL ook betrouwbaar is binnen elk achtergrondkenmerk, is ook per achtergrondkenmerk de interne consistentie bepaald. De meest gangbare maat voor de interne consistentie is de Cronbach s α. Deze Cronbach s α geeft de gemiddelde samenhang tussen de items weer. Om te kunnen bepalen of de betrouwbaarheid van een schaal verbetert bij het weglaten van een bepaald item is gekeken naar de Cronbach s α if item deleted. Deze waarde geeft aan wat de Cronbach s α van de schaal zou zijn, bij weglating van het betreffende item. Tabel 2.4 geeft de Cronbach s α weer voor zowel de totale SCOL als voor alle categorieën. Ook toont tabel 2.4 de opsplitsing naar de verschillende achtergrondkenmerken. De Cronbach s α if item deleted is in de tabel niet opgenomen, maar als een schaal beter wordt door weglating van een bepaald item wordt hiervan apart melding gemaakt. Tabel 2.4 Betrouwbaarheid van de SCOL en zijn categorieën.

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 9/19 Uit tabel 2.4 blijkt dat de betrouwbaarheid van de gehele SCOL hoog is. Zowel voor alle leerlingen als per categorie is de betrouwbaarheid groter dan.90. De categorieën van de SCOL verschillen sterk in hun betrouwbaarheid. De categorieën aardig doen en een taak uitvoeren hebben een goede betrouwbaarheid, de betrouwbaarheid van de overige categorieën, met uitzondering van een keuze maken is redelijk. De betrouwbaarheid van de categorie een keuze maken is matig. Om van een schaal te kunnen spreken, moet de betrouwbaarheid minimaal.60 zijn. De lage betrouwbaarheid van een keuze maken is vooral te wijten aan het item denkt na voor hij/zij iets doet. Zonder dit item zou de betrouwbaarheid stijgen naar.57. Ook voor de categorieën geldt dat de betrouwbaarheid berekend voor de verschillende achtergrondkenmerken geen opvallende of systematische verschillen vertoond. Aangezien het niet mogelijk is om aan de items van de SCOL nog bijstellingen uit te voeren, is besloten om ondanks de lage betrouwbaarheid van de categorie een keuze maken, deze toch mee te nemen in de overige analyses om pas daarna te bepalen wat de beste oplossing is voor deze categorie. De betrouwbaarheid van de totale SCOL is hoog genoeg (>.90) om met deze totaalscore vijf niveaus van sociale competentie te onderscheiden. Dit maakt het mogelijk om hiervoor dezelfde indeling te gebruiken als bij de Cito-leerlingvolgsystemen. Dit is een bekende indeling en zal voor een vergemakkelijking van de interpretatie zorgen (zie verder paragraaf 2.4). Voor de categorieën is het in verband met een lagere betrouwbaarheid mogelijk om twee niveaus te onderscheiden. 2.3. Validiteit In deze paragraaf wordt gekeken naar twee validiteitsaspecten van de SCOL. Ten eerste is dit de interne structuur, waarbij nagegaan wordt of naast de overkoepelende factor sociale competentie, ook nog andere structuren te herkennen zijn. Ten tweede wordt gekeken naar de begripsvaliditeit. Hierbij wordt onderzocht of de resultaten samenhangen vertonen, die we op grond van andere theorieën of resultaten van ander onderzoek mogen verwachten. Er kan bijvoorbeeld een verschil in SCOL-score verwacht worden voor sekse (jongens scoren over het algemeen lager op sociale competentie dan meisjes) en schoolniveau (de sociale competentie is vermoedelijk beter onder jongeren die hoger worden opgeleid). Er zal dan ook worden gekeken naar de verschillen in SCOLscores tussen de categorieën van de verschillende achtergrondkenmerken. Daarnaast kan ook gekeken worden naar de overeenkomsten tussen de resultaten van dit onderzoek met de resultaten van het onderzoek naar de SCOL voor basisschoolleerlingen (SCOL-PO, zie ook de inleiding). Interne structuur Met behulp van een factoranalyse is onderzocht hoe de items van de SCOL samenhangen. Omdat we ervan uitgaan dat de gevonden factoren niet onafhankelijk zijn, is er gekozen voor een maximum likelihood-analyse met varimax rotatie, waarbij factoren kunnen correleren. De factoranalyse levert drie factoren met een eigenwaarde groter dan 1. Samen verklaren deze drie factoren 57% van de variantie. De factoranalyse geeft bijna exact hetzelfde beeld als de factoranalyse uitgevoerd tijdens het SCOL-PO onderzoek. De interpretatie van de factoren zal dan ook hieruit worden overgenomen. Het enige kleine verschil met het SCOL-PO onderzoek is dat het item verzint oplossing bij ruzie in dit geval niet in de factor Innemend en meelevend valt, maar in de factor Actief en betrokken.

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 10/19 In tabel 2.5 zijn de componentladingen te zien (de correlaties van de items met de factoren). Componentladingen onder de.30 zijn weggelaten om de overzichtelijkheid te bevorderen. Verder toont tabel 2.5 de communaliteiten. Deze waarden geven aan of een item door de drie factoren samen voldoende wordt gerepresenteerd. Deze waarde is alleen voor het eerder genoemde item verzint oplossing bij ruzie aan de lage kant. Dit verklaart waarschijnlijk ook waarom dit item zweeft tussen twee factoren. Ook was eerder in paragraaf 2.2 al te zien dat dit item een licht negatieve invloed had op de betrouwbaarheid van de categorie omgaan met ruzie. Tabel 2.5 Factoranalyse: communaliteiten en componentenmatrix. Begripsvaliditeit Om na te gaan of de categorieën van de verschillende achtergrondkenmerken van elkaar verschillen hebben we hun totaalscore en hun scores op de categorieën met elkaar vergeleken met de Mann- Whitney U toets (de non-parametrische variant van de t-toets) of de Kruskall-Wallis toets (de nonparametrische variant van de ANOVA, te gebruiken in het geval van een vergelijking van meer dan twee categorieën). De resultaten worden getoond in tabel 2.6 tot en met tabel 2.10.

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 11/19 Tabel 2.6 Mann-Whitney U toets voor sekse. Tabel 2.6 laat zien dat de vrouwen zowel op de totaalscore (93 punten vs. 88 punten) als op bijna alle categorieën significant hoger scoren dan de mannen. Dit effect is zoals verwacht. De IQR (inter quartile range) geeft de spreiding aan rond de mediaan. Tabel 2.7 Mann-Whitney U toets voor leerjaar In tabel 2.7 is te zien dat de totaalscores op de SCOL tussen leerjaar 1 en leerjaar 2 niet significant verschillen. Enkele categorieën verschillen wel significant, maar hierop zijn geen grote en/of structurele verschillen zichtbaar. Tabel 2.8 Mann-Whitney U toets voor plaats

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 12/19 Tabel 2.8 toont het significante verschil tussen de totaalscores op de SCOL voor overig en 4 grote steden. De 4 grote steden scoren significant hoger (92 punten vs. 89 punten). Ook op vier van de acht categorieën scoren de 4 grote steden beter dan de categorie overig. Tabel 2.9 Kruskall-Wallis toets voor schoolniveau Tabel 2.9 laat de verschillen op de SCOL-scores zien tussen de vier verschillende schoolniveaus. De verschillen zijn zowel voor de totaalscore als voor het merendeel van de categorieën significant. Om te kunnen bepalen welke schoolniveaus van elkaar verschillen is in tabel 2.10 het resultaat van de zes Mann-Whitney U toetsen weergegeven, telkens uitgevoerd op een set van twee van de schoolniveau categorieën. Hieruit blijkt dat alleen schoolniveau 1 (Praktijkonderwijs) significant afwijkt van de andere drie schoolniveaus (88 punten vs. Respectievelijk 91, 90 en 91 punten). Tabel 2.10 Mann-Whitney U toets voor telkens twee categorieën van schoolniveau. Vergelijk SCOL-PO en SCOL-VO Zoals al eerder is vermeld komen de resultaten van dit onderzoek erg sterk overeen met die van het onderzoek naar de SCOL-PO. Voor beide steekproeven werd dezelfde interne structuur gevonden en ook de betrouwbaarheid was overwegend vergelijkbaar. De zwakkere punten van de SCOL-VO (bijvoorbeeld de categorie een keuze maken ) zijn gelijk aan de zwakkere punten van de SCOL-PO. Dit geeft ook aan dat de SCOL stabiel is in de tijd en voor verschillende steekproeven. 2.4. Normering Zoals uitgebreid beschreven staat in Een maat om op te bouwen (Joosten, 2007) is een normering van de SCOL noodzakelijk om tot een interpretatie van de scores te kunnen komen. Wanneer is een score laag, wanneer is hij voldoende? Met een normering zijn deze vragen makkelijker te beantwoorden. Ons rest nog de vraag of deze normering hetzelfde kan zijn voor iedereen en voor alle categorieën. Eerder is al beschreven dat de totaalscore van de SCOL in verband met zijn hoge betrouwbaarheid in vijf niveaus kan worden onderscheiden, terwijl voor de categorieën twee

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 13/19 niveaus onderscheiden kunnen worden. Op grond van de significante verschillen op de SCOL binnen enkele achtergrondkenmerken, zoals beschreven in de vorige paragraaf, is er wat voor te zeggen om deze de categorieën van de achtergrondkenmerken niet dezelfde normering te geven. Dit is echter praktisch en pedagogisch onwenselijk, omdat dit bijvoorbeeld zou betekenen dat meisjes hoger moeten scoren om sociaal competent te zijn dan hun mannelijke klasgenoten. Bij gelijke normering zal het onderwijs zich meer moeten inspannen om jongens sociaal competenter te maken. Ook vonden we een verschil tussen praktijkonderwijs en de andere schoolniveaus. Een mogelijkheid zou dus zijn om voor praktijkonderwijs een andere normering door te voeren dan voor de overige onderwijstypen. Ook hier zijn de verschillen niet enorm groot en om praktische, maar ook om didactische redenen is ervoor gekozen één normering aan te houden. Deze normering volgt, zoals eerder gemeld, de niveau-indeling van Cito-leerlingvolgsystemen. Deze indeling en de indeling van de categorieën is te vinden in tabel 2.11. Tabel 2.11 Niveau-indeling voor de totaalscore en de categorieën De categorieën van de SCOL kunnen worden verdeeld in twee niveaus. Hierbij is ervoor gekozen om een onvoldoende en een voldoende niveau te hanteren, waarbij het onvoldoende niveau overeenkomt met de laagste twee niveaus van de normering van de totaalscore. Deze indeling is gebruikt voor alle acht de categorieën, ondanks dat de categorie een keuze maken (en in mindere mate de categorie omgaan met ruzie ) onvoldoende betrouwbaar waren om te worden gezien als een schaal. De keuze om alle acht de categorieën op dezelfde manier te behandelen is enerzijds gemaakt uit praktisch oogpunt en anderzijds omdat de drie losse items van de matig betrouwbare categorieën alle drie hetzelfde omslagpunt hadden tussen een onvoldoende en een voldoende score. Dit laatste is terug te zien in tabel 2.12. Tabel 2.12 De items van de matig betrouwbare categorieën los bekeken Tabel 2.13 toont de normscores voor de totaalscore op de SCOL en tabel 2.14 toont de normscores voor de categorieën.

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 14/19 Tabel 2.13 Normscores voor de SCOL Tabel 2.14 Normscores voor de categorieën van de SCOL

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 15/19 3. LeerlingSCOL 3.1. Steekproef Voor de analyse van de LeerlingSCOL is dezelfde steekproef gebruikt als voor de analyse van de SCOL. Op een enkeling na die de LeerlingSCOL niet heeft ingevuld, of voor wie juist de SCOL niet is ingevuld, zijn de steekproefgegevens daarom ook gelijk. De LeerlingSCOL bevat ook dezelfde items als de SCOL, de items zijn alleen geformuleerd in de ikvorm. Ook worden de items gescoord op een drie-puntsschaal in plaats van op een vijf-puntsschaal. Hierdoor ligt de totaalscore van de LeerlingSCOL tussen de 26 en de 78. De categorieën van de LeerlingSCOL komen overeen met die van de SCOL. 3.2. Betrouwbaarheid Om de interne consistentie van de SCOL te bepalen is opnieuw voor zowel de totale schaal als voor alle categorieën de Cronbach s α uitgerekend. Dit is voor de totaalscore ook gedaan voor de categorieën van de verschillende achtergrondkenmerken. Deze waarden zijn te zien in tabel 3.1. Tabel 3.1 Interne consistentie van de LeerlingSCOL In tabel 3.1 is duidelijk te zien dat de betrouwbaarheid van de categorieën van de LeerlingSCOL erg laag is. Op de categorie aardig doen na, liggen alle betrouwbaarheden ruim onder de.60, wat dus betekent dat deze categorieën niet als schaal kunnen worden gezien. Dit betekent ook dat de categorieën niet in niveaus ingedeeld kunnen worden. De totaalscore daarentegen heeft een betrouwbaarheid van.77. Dit is een redelijke betrouwbaarheid, die het toestaat om deze totaalscore in te delen in in ieder geval twee niveaus. De categorieën van de verschillende achtergrondkenmerken verschillen niet opvallend van elkaar. Het beeld is vergelijkbaar met het beeld van de LeerlingSCOL in het SCOL-PO onderzoek, hoewel de betrouwbaarheid van de LeerlingSCOL-VO iets hoger is, wat klopt met de literatuur, omdat data van oudere leerlingen een hogere interne consistentie hebben. 3.3. Validiteit De interne structuur van de LeerlingSCOL is matig. Er zijn vijf factoren met een eigenwaarde groter dan 1, twee hiervan steken duidelijk af (> 2) en zijn ook enigszins te interpreteren. Deze twee factoren verklaren samen 23% van de variantie. Ook aan de communaliteiten is te zien dat de items

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 16/19 slecht worden gerepresenteerd door de factoren. Slechts vier items hebben een communaliteit >.30. De interne structuur vertoont opnieuw op één item na ( ik praat over meemaken ) dezelfde structuur als de LeerlingSCOL-PO. Om deze reden zijn ook hier de interpretaties van de factoren overgenomen. De resultaten van de factoranalyse worden weergegeven in tabel 3.2. Tabel 3.2 Factoranalyse van de LeerlingSCOL Als we vervolgens kijken hoe de categorieën van de verschillende achtergrondkenmerken verschillen op hun LeerlingSCOL-score, zien we een iets ander beeld als bij de SCOL. Vrouwen scoren ook hier een klein beetje hoger dan mannen, maar op leerjaar is nu een significant effect: in leerjaar 1 vinden de leerlingen zichzelf sociaal iets competenter. Het significante effect wat bij de SCOL aanwezig was voor plaats is nu afwezig. Voor schoolniveau zien we bij de LeerlingSCOL wel het oplopende effect wat verwacht was. Havo/VWO scoort het hoogst en de sociale competentie scores lopen af naar het praktijkonderwijs. Alleen het verschil tussen Havo/VWO en theoretische leerweg is niet significant. Dit alles is te zien in tabel 3.3.

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 17/19 Tabel 3.3 De non-parametrische toetsen voor het verschil in totaalscore van de categorieën van de verschillende achtergrondkenmerken 3.4. Normering Op basis van bovenstaande informatie kan geconcludeerd worden dat van de LeerlingSCOL alleen de totaalscore geïnterpreteerd kan worden. Ook deze totaalscore moet zorgvuldig behandeld worden, aangezien de LeerlingSCOL weinig structuur vertoond. Wel is de structuur stabiel vergeleken met de LeerlingSCOL-PO. We hebben ervoor gekozen om de totaalscore van de LeerlingSCOL te verdelen in twee niveaus, vergelijkbaar met de niveaus van de categorieën van de SCOL. Ook is bepaald dat het, mede gezien de geringe verschillen, niet relevant is om voor verschillende categorieën van achtergrondkenmerken verschillende normscores te bepalen. In tabel 3.4 zijn de normscores van de LeerlingSCOL weergegeven. Tabel 3.4 Normscores van de LeerlingSCOL

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 18/19

Normeringsonderzoek SCOL-VO, 19/19 4. Conclusies De SCOL is, zeker als wordt gekeken naar de totale lijst, een zeer betrouwbaar, gestructureerd en stabiel instrument. Dat blijkt uit de hoge betrouwbaarheid en duidelijke structuur, zoals beschreven in dit onderzoek, maar ook uit de grote overeenkomst tussen de betrouwbaarheid, structuur en normering van de SCOL-VO en de SCOL-PO. Eerder zijn al de overeenkomsten in betrouwbaarheid en validiteit besproken, de overeenkomst in de normscores is ook aanwezig. De normscores voor de SCOL-PO liggen iets hoger dan die voor de SCOL-VO. Kennelijk moeten basisscholieren iets hoger scoren om sociaal competent te zijn dan leerlingen van de eerste en tweede klas van de middelbare school. Dit lijkt misschien onlogisch, maar er zijn hiervoor meerdere verklaringen mogelijk. Eén van die mogelijke verklaringen is dat een VO-docent minder kijk heeft op de sociale competentie van zijn/haar leerlingen. Een VO-docent ziet de leerlingen slechts enkele uren per week en het sociaal competente gedrag speelt zich waarschijnlijk ook voornamelijk buiten de klas af. Een andere mogelijke verklaring is dat VO-docenten de SCOL anders invullen omdat zij ofwel onbekender zijn met de leerlingen (wat kan leiden tot meer onuitgesproken, gemiddelde scores) ofwel omdat hun verwachtingen anders zijn. De categorieën van de SCOL zijn wat grilliger dan in het PO. Enkele categorieën zijn erg betrouwbaar en alle items van deze categorieën scoren hoog op dezelfde factor (ervaringen delen, opkomen voor jezelf en jezelf presenteren (allen vallen onder actief & betrokken), een taak uitvoeren (valt onder zorgvuldig & betrouwbaar) en aardig doen (valt onder innemend & meelevend)), terwijl andere categorieën minder structuur hebben en/of betrouwbaar zijn (samen werken & doen, maar vooral omgaan met ruzie en een keuze maken). Voor de interpretatie van deze categorieën betekent dit dat er uiterst zorgvuldig mee omgegaan moet worden. Het is belangrijk dat er slechts op groepsniveau beslissingen worden genomen op basis van deze categorieën en niet op individueel niveau. Wel kunnen de resultaten gebruikt worden om te bepalen waaraan gewerkt kan worden. Ze kunnen dienen als leidraad om het onderwijs gerichter af te stemmen of als signalering. Het onderzoek naar de LeerlingSCOL laat zien dat deze veel minder gestructureerd, betrouwbaar en stabiel is dan de SCOL. In de LeerlingSCOL is het niet mogelijk om categorieën te onderscheiden, maar de totaalscore is betrouwbaar genoeg om iets bij te dragen. Deze totaalscore kan goed laten zien hoe sociaal competent leerlingen zichzelf vinden en of zij zichzelf gemiddeld onvoldoende sociaal competent vinden. Ook met deze scores moet echter voorzichtig worden omgegaan. Er is niet voor niets slechts een indeling gemaakt in twee niveaus, een beslissing op individueel niveau is ook hier af te raden, maar zeker samen met de resultaten van de SCOL kunnen de LeerlingSCOL-scores goed dienen om de sociale competentie van de leerlingen in kaart te brengen en om te bepalen waaraan leerlingen kunnen werken.