rekenboek 5a lessen 507006
De stad in Blok 2 21
770 1000 500 400 Blok 2 Week 1 Les 1 1 Tellen. atel verder. 396 397 598 797 Tel terug. 402 401 903 101 bmaak sprongen van 10. Maak sprongen van 50. 480 490 100 150 370 660 250 550 2 Waar staan de getallen? Tussen welke getallen staan 770, 820, 690, 960, 310, 130? Schrijf het antwoord op een blaadje. 820 960 800 700 900 100 200 300 600 690 3 Waar ligt het getal dichterbij? 700 of 800? 710 700 780 749 752 778 444 488 465 421 403 400 of 500? 895 959 903 834 922 800 of 1000? 22
Les 2 1 Blok 2 Maak de keersommen. 8 5 6 10 8 9 4 2 Week 1 4 3 3 2 2 7 8 6 0 4 6 De tafel van 8. De tafel van 8 ken je al bijna, want 1 8 = 8 1, dus Schrijf van elke som de omkeersom op een blaadje. Welke som vind je nog moeilijk? 3 2 8= 4 8= 6 8= 8 8= 3 8= 5 8= 7 8= 9 8= 10 8 = Maak de sommen. 1 8= 3 8= 5 8= 8 1= 2 8= 6 8= 8 10 = 4 8= 4 8= 7 8= 3 8= 8 2= 8 8= 10 8 = 8 6= 8 8= 9 8= 5 8= 7 8= 9 8= 23
Blok 2 Week 1 Les 3 1 Hoe laat rijdt de tram? a De tram rijdt elk half uur. Maak het lijstje af in je schrift. 12.00 15.00 b Schrijf de twee tijden in je schrift. tien uur 10.00 uur 22.00 uur half acht uur uur zes uur uur uur half vier uur uur half twaalf uur uur 2 Hoe lang is het? a 10 m is van de deur van de klas naar? 100 m is van de voordeur van de school naar? 1 km is van de school naar? 100 m is 10 10 m. 1 km is 10 100 m. b Met welke maat meet je? meter of kilometer? meter of kilometer? 3 Meten in de klas. a Schrijf de antwoorden in je schrift. Dit boek is cm lang. Mijn tafel is cm lang. Mijn potlood is cm lang. Het bord is cm lang. Dat is 1 m en cm lang. Het raam is m en cm lang. b Bedenk zelf 2 dingen die je kunt meten. Schrijf op wat je meet en hoe lang het is. 24 Ga verder met opgave 4 en 5 op pagina 13 van je werkboek.
Les 4 Week 1 Blok 2 1 Reken handig. 91 88 = 92 88 = 90 87 = 72 69 = 72 68 = 73 69 = 23 19 = 23 20 = 22 19 = 91 88 =, want 88 + = 91 91 87 = 73 68 = 22 18 = 92 87 = 75 68 = 23 17 = 2 Makkelijk of moeilijk? Dit is het schrift van Johan. makkelijk makkelijk moeilijk? of moeilijk 26 + 11 17 + 9? 37 + 33 54 + 6 92 + 2 48 + 10 27 + 38 47 + 16 55 + 27 17 + 17 Welke sommen vind jij makkelijk? 17 7 70 20 17 8 70 25 3 Maak makkelijke en moeilijke sommen. 13 + 37 13 + 59 68 + 4 68 + 34 Kies uit de getallen: 6 8 28 33 4 40 17 36 21 65 Je mag elk getal vaker gebruiken. makkelijk 60 + 82 + 79 47 13 + moeilijk 60 82 79 + 47 + 93 25
Week 2 Blok 2 1 2 Les 1 Maak de sommen. 3+8= 7+5= 12 3 = 11 5 = 3+9= 4+7= 12 4 = 14 8 = 9+3= 8+9= 13 5 = 15 7 = 7+7= 9+5= 16 7 = 13 9 = 7+6= 6+8= 18 9 = 17 8 = Hoeveel mandarijnen? a 21 b 3 H T E 5 6 H T E c 3 Honderdtallen, tientallen, eenheden. a Maak de sommen. 525 = 500 + 20 + 5 b Welke getallen staan onder de vlekken? 20 + 8 + 600 = 147 = 40 + 714 = 300 + 7 + 50 = 326 = 805 = 900 + 1 + 90 = 825 = 388 = 500 + 5 + 50 = 432 = 30 + 517 = 26 90 + 100 + 2= + 7 6 + 20 + + 800 + 5 + 2 263 = 200 + 60 +
Les 2 Week 2 Blok 2 1 Reken uit. Neem de tabellen over en vul ze in. 2 4 8 1 3 5 3 6 9 2 3 4 2 Hoe deel je eerlijk? a Verdeel 20 snoepjes over 4 kinderen. som 20 = 4 of 20 : 4 = b Verdeel 12 lolly s over 3 kinderen. som 12 = 3 of 12 : 3 = c Verdeel 8 spekkies over 2 kinderen. som = of : = 3 Maak de sommen. 35 = 7 28 = 7 48 = 6 24 = 8 35 = 5 28 = 4 48 = 8 24 = 3 35 : 7 = 28 : 7 = 48 : 6 = 24 : 8 = 35 : 5 = 28 : 4 = 48 : 8 = 24 : 3 = 27
Blok 2 Week 2 Les 3 1 Springen en meten. a Hoe ver spring je? Je staat achter een lijn. Je springt zonder aanloop zo ver als je kunt. Zet een streep waar je bent gekomen. Meet nu hoe ver je hebt gesprongen. Schrijf in je schrift hoeveel centimeter dat is. b Hoe lang is een meter? Kijk goed rond in de klas. Zoek 4 voorwerpen waarvan jij denkt dat ze 1 m lang zijn. Schrijf ze op in je schrift. Daarna ga je meten of je gelijk hebt. Schrijf de lengte in je schrift. 2 Weeg voorwerpen uit de klas. Schrijf in je schrift wat je weegt en hoeveel het weegt. 3 Welke gewichten kies je? Ik koop 1 kg appels. Ik koop een halve kg druiven. Welke gewichten kies je? Schrijf de gewichten op. groente en fruit 250 g tomaten 300 g prei 750 g peren snoep 200 g drop 150 g chocolaatjes 190 g schuimpjes 28 Ga verder met opgave 4 en 5 op pagina 15 van je werkboek.
Les 4 Week 2 Blok 2 1 Reken handig. 76 6 = 76 6 = 63 + 13 = 52 + 14 = 76 7 = 76 16 = 63 + 14 = 52 + 15 = 76 8 = 76 26 = 63 + 15 = 52 + 16 = 76 9 = 76 36 = 63 + 16 = 52 + 17 = 76 10 = 76 46 = 63 + 17 = 52 + 18 = 2 Zie je de verstopte sommen? a Er zitten 64 mensen in de tram. Bij de halte stappen 18 mensen in. Hoeveel mensen zitten er nu in de tram? 64 64 + 10 + 8 = b Bij het museum staan 43 mensen te wachten. Er mogen 16 mensen naar binnen. Hoeveel mensen staan er nu nog te wachten? 43 10 6 = 3 Verhaalsommen. Je mag een kladblaadje gebruiken. a In de tram zitten 48 mensen. Er stappen 25 mensen in. Hoeveel mensen zitten nu in de tram? d In de metro zitten 49 mensen. Bij het station stappen 5 mensen in. Bij het volgende station stappen 10 mensen uit. Hoeveel mensen zitten er nog in de metro? b In een zaal van het museum kijken 32 mensen naar de schilderijen. Er mogen 50 mensen tegelijk in deze zaal. Hoeveel mensen kunnen er nog bij? e Voor het museum staan 71 mensen te wachten. Er komen nog 27 mensen bij. Hoeveel mensen staan er nu in de rij? c In de rondvaartboot zitten 45 mensen. Er gaan 7 mensen uit omdat ze zeeziek zijn. Hoeveel mensen varen er nu nog? 29
Blok 2 Week 3 Les 1 1 Reken uit. 16 7 = 9 + 3 = 7 + 6 = 11 5 = 3 + 9 = 4 + 7 = 12 4 = 14 8 = 17 8 = 15 7 = 6 + 8 = 8 + 9 = 7 + 7 = 9 + 5 = 3 + 8 = 13 9 = 12 3 = 13 5 = 18 9 = 7 + 5 = 2 Ga je mee winkelen? Hoe kun je dit spel betalen? 33 Tineke Maarten 143 Wie kan de rollerskates kopen? 294 Anja 191 Blijft er meer of minder dan 100 euro over? Wie kan de basketbal kopen? Blijft er meer of minder dan 100 euro over? Wie kan de fiets kopen? Blijft er geld over? 169 96 335 3 Betaal met zo weinig mogelijk briefjes en munten. a Teken het geld in je schrift. 26 schoenen 68 spel 39 jas 197 fiets 375 camera 89 televisie 244 b Je betaalt met 50. Teken het geld dat je terugkrijgt in je schrift. dvd 26 spelletje 48 schoolbord 14 auto 37 30
Les 2 Week 3 Blok 2 1 Reken uit. 20 = 5 27 = 3 90 = 10 48 = 6 40 = 5 15 = 3 35 = 5 36 = 4 30 = 10 25 = 5 36 = 4 42 = 7 18 = 2 21 = 7 15 = 3 45 = 5 14 = 2 36 = 6 100 = 10 24 = 3 2 Hoe deel je eerlijk? a Verdeel 15 spekkies over 3 kinderen. De som is 15 = 3 Weet je de deelsom nog? : = b Verdeel 8 koekjes over 4 kinderen. Wat zijn de sommen? = : = c Deelsom en keersom. 24 24 24 = 4 24 : 4 = 24 = 8 24 : 8 = 3 Schrijf de deelsommen op. a 40 kauwgumpjes in pakjes van 10 b 45 repen chocola in pakjes van 5 c 54 dropjes in rolletjes van 6 d 18 bonbons in pakjes van 3 e 56 mandarijnen in netjes van 7 f 28 appels in zakken van 4 31
Blok 2 Week 3 Les 3 1 Wat krijg je terug? Teken het geld. a b c 7 72 23 d e f 15 18 9 2 Welke plaatjes horen bij elkaar? a b c d e f g h i j k l 3 Wat zou het zijn? a b c 32 Ga verder met opgave 4 op pagina 17 van je werkboek.
Les 4 Week 3 Blok 2 1 Reken handig. 216 9 230 416 + 5 19 + 22 430 + 19 616 29 830 160 56 16 260 40 66 36 116 8 460 76 216 2 Wat kan de prijs van de spelcomputer geweest zijn? a 9 3 5 b Welk bedrag kun je gepast betalen? 545 155 275 3 Maak de sommen. 300 + 40 = 300 + 5 = 320 + 60 = 350 + 200 = 370 + 100 = 260 + 300 = 260 + 40 = 410 + 8 = 410 + 80 = 448 + 400 = 770 70 = 740 300 = 740 4 = 745 40 = 755 5 = 705 5 = 700 7 = 758 700 = 752 50 = 798 90 = 33
Blok 2 Afsluiting Rekenpuzzel 1 Puzzel het uit. Zo begin je: Neem de puzzel over op ruitjespapier. Zo speel je het: In de puzzel staan nog zes lege plekken. Je moet getallen invullen op de lege plaatsen. Maar de antwoorden van alle sommen moeten wel kloppen, van boven naar beneden, en van links naar rechts. Vul deze getallen in: 5 6 7 8 8 9 Begin hier! 34