Éventail-junior. woordkaarten

Vergelijkbare documenten
UNITE 26 : On a joué, on a nagé, on a chanté!

Woordenschat van unité 21 tot en met 32

U21 mezelf en anderen voorstellen. Ik heet Ric. / M n naam is Verdonk. Wat is je voornaam? M n voornaam is Luc. Ziehier m n vriend. Hij heet Yvon.

la mer un pays un village parler à Je parle un peu français. Le père de Vic est seul.

Woordenschat van unité 21 tot en met 36

Jaarwerkplan voor En action 6

pendant le mieux serait de il vaut mieux

En action 6. Woordtrainer. Salut! Ga naar voor meer informatie.

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

Wie helpt? Weet je het nog? Luister en kies de juiste foto. Datum:... Klas:... Naam:... Voornaam:...

k ga naar school e vais à l ecole

Q U K G D T P E H B Z L R W C I F J M S X. Maman est allée au supermarché. Elle a acheté beaucoup et elle a tout mis. en plastique.

Bijlage 1: levensloop kind

Aantekening Frans les pronoms personnels

Een ideale school. Tijd voor een toets! Luister en vul aan of teken Naam:... Voornaam:... Klas:... Datum:...

pagina 1 van 5 VAN IN

BEGINNERSCURSUS DAG 2

Herhalingsoefeningen. Thema 3 Familie en relaties. 1 Woorden. Familie

J' à Amersfoort, Lindenlaan 23.

MÉTRO, BOULOT, DODO. Unité 1. Vocabulaire 1 Lees de zinnen en kruis het juiste woord / de juiste uitdrukking aan.

Bien sûr! 6 - Handleiding voor de leerkracht - Bijlage 5 - Alfabetische lijsten Unités Woordenschat van unité 21 tot en met unité 36

Ik stel me voor VOCABULAIRE RAPPEL. een huis (het) une maison. een meisje (het) une ville. een huisdier (het) un animal domestique A RETENIR

Mijn vriendenboek. Voornaam: Gewicht:

ONTBIJT ONTBIJT ONTBIJT ONTBIJT ONTBIJT ONTBIJT ONTBIJT Pistolets Honing Confituur Choco Smeerkaas Peperkoek Poiret Confituur

Quel travail font tes parents? Ma mère travaille à la maison et mon père travaille dans une office. Welk

GEZONDHEID (La santé)

Le transfert de la magnifique collection des livres français vers l OBA de cette année est une énorme valeur ajoutée pour tous les Amstellodamois!

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

TAALDORP FICHES: À L OFFICE DE TOURISME

J aimerais savoir. Que je suis content! Pourrais-tu parler plus lentement? Bouger me fait mal.

bij, dichtbij, ongeveer à travers door ( heen ) tijdens, gedurende met betrekking tot, over, n.a.v. beletten, evrhinderen

l'argent Donne. L'argent! pris J'ai pris mon suppositoire. Dépêche-toi! sûr - T'es sûr? Je connais quelqu'un qui peut. Merci Merci. Au revoir.

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen

Praktische zaken omtrent de vakantieregeling EGOV SELECT

- - Enkele vragen over jou. D7. Welke taal spreek je meestal thuis? D1. In welk jaar ben je geboren?

Comprendre et se faire comprendre commence par s exprimer en néerlandais

Frans grammatica hoofdstuk 1 en 2

basiszinnen spreekvaardigheid

6,6. Begrippenlijst door Jessy 1095 woorden 25 juni keer beoordeeld. Grandes Lignes Phrases Clés. Hoofdstuk 1. Ça va? = Hoe gaat het?

du lundi 20 octobre jusqu au vendredi 24 oktober 2014

Taalregels. Praten, hebben, zijn, gaan, De werkwoorden

Oefeningen over de woordvolgorde

Mogelijke 'vragen' mondelinge examens zesde leerjaar (per 4 contacten):

Ik stel me voor VOCABULAIRE RAPPEL A RETENIR. domestique. Je suis en quatrième année. Ik zit in het vierde leerjaar. un cobaye, un cochon d Inde

Voudriez-vous me faire savoir si vous pouvez nous recevoir dans votre hôtel le 16 août dans l après-midi?

Objectif général J aime lire ce livre O O O O O. Je peux comprendre un roman sous forme de récit de voyage de quelqu un de mon âge

Spreekopdrachten thema 4 Wonen

AAN DE ANDERSTALIGE OUDERS VAN KINDEREN IN DE SCHOLEN VAN TERVUREN

Unité 6 Diagnose Kopieerblad 1

III. L adjectif. III. L adjectif. 1. Accord de l adjectif 1.1 L adjectif prend s 1.2 L adjectif + E 1.3 L adjectif substantivé

elke hap telt! 11 mei 2012 doe mee! participe! Chaque bouchée compte! 11 mai 2012 World Fair Trade Day

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

Exercice 18a De Franse schooldagen zijn lang (omdat er meer lesuren zijn dan in andere landen).

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

Eetgewoonten van schoolkinderen Vragenlijst voor kinderen

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Vous pouvez m'aider, s'il vous plaît?

Unité 5 Diagnose Kopieerblad 1

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie

VOCABULAIRE FRANCOFAN 1 MODULE 1 5. bonjour goeiedag voilà daarzo. salut hallo voici hierzo. oui ja aussi ook. non nee d accord ok.

INDIAN HEAD MILITARY VEHICLE CONSERVATION GROUP BELGIUM TOP HAT

Kies jij Frans? Docentenhandleiding afbuigers havo en vwo. Differentiatie 3 havo/vwo. SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling

Le Français des vacances. Niveau

!"#$%#&'('!"#$%#$)'('*#+,-$'('!"#$%#./"!"#$%#&$"'('*#+"&/'('*##%+0--'('*#/+"-/!"#$%1/"'(' '859:;<8= X

Kies jij Frans? Docentenhandleiding havo en vwo. Differentiatie 3 havo/vwo. SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling

Spreekopdrachten thema 4 Wonen

Juin Juni Avril April Mai Mei 2019

Voorbeelden van examenopgaven moderne vreemde talen op niveau A2

SECTION 7. LES PRONOMS PERSONNELS de persoonlijke voornaamwoorden

Bonjour, Amicalement. Peter SE PRÉSENTER (2DE GRAAD BSO)

Inhoudsopgave LES 1: NAAR SCHOOL LES 2: VRIJE TIJD LES 3: THUIS LES 4: NEDERLAND LES 5: TOEKOMST 126

Néerlandais. Schoolmateriaal WOORDENSCHAT. Prépositions utiles. met avec op. sur in. dans.

écoutez, lisez, jouez

4 nummer 1 nummer 2 nummer 3

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

Reizen Accommodatie. Accommodatie - Vinden. Accommodatie - Boeking. Où puis-je trouver? Om de weg naar je accommodatie vragen

Woordenschat van unité 1 tot en met 36

Woordenschat van unité 1 tot en met 36

Unité 6 Diagnose Kopieerblad 1

Vendredi le dix-huit de cembre 2015.

Zich voorstellen. Hoofdstuk 1 Chapitre 1. Se présenter OBJECTIFS

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

Tekst 1 Hoe laat vertrekt de trein?

Veertien leesteksten. Leesvaardigheid A1. Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek. Ad Appel

Herhalingen over grammatica (voor de examens)

Transcriptie:

Éventail-junior En action 6 woordkaarten

2

Unité 21 un oncle une tante l anglais (m.) 21 la mer un pays un village une ville jouer de la guitare jouer du piano parler (anglais) parler à (Sam) travailler venir Je parle un peu français. Le père de Vic est divorcé. La mère de Vic est divorcée. Le père de Vic est seul. La mère de Vic est seule. 3

Unité 21 21 het Engels een tante een oom een dorp een land de zee piano spelen gitaar spelen een stad werken spreken met/tegen (Sam) (Engels) spreken De vader van Vic is gescheiden. Ik spreek een beetje Frans. komen De moeder van Vic is alleen(staand). De vader van Vic is alleen(staand). De moeder van Vic is gescheiden. 4

Unité 21 près de la mer beaucoup de chats peu de chiens 21 C est un garçon méchant. C est une fille méchante. Je parle beaucoup. Je parle peu. J ai encore un frère. 5

Unité 21 21 weinig honden veel katten dicht bij de zee Ik praat veel. Het is een stout meisje. (boosaardig, slecht) Het is een stoute jongen. (boosaardig, slecht) Ik heb nog een broer. Ik praat weinig. 6

Unité 22 un jour une semaine un week-end 22 un film un match (de foot) à la télé donner (à Luc) je vois tu vois il voit on donne 7 h et demie minuit (m.) il est minuit à minuit de 20 à 21 h jusqu à 19 h commencer tard 7

Unité 22 22 een weekend een week een dag op de televisie een (voetbal)wedstrijd een film, speelfilm jij ziet ik zie geven (aan Luc) half acht (7.30 uur) men geeft, we geven, ze geven hij ziet om middernacht het is middernacht middernacht laat beginnen tot 19 u van 20 tot 21 u 8

Unité 22 le matin l après-midi (m.) le soir 22 la nuit ce matin cet après-midi ce soir cette nuit lundi mardi mercredi jeudi vendredi samedi dimanche voir vouloir 9

Unité 22 22 s avonds s (na)middags s ochtends vanmiddag vanochtend s nachts maandag vannacht vanavond donderdag woensdag dinsdag zondag zaterdag vrijdag willen zien 10

Unité 23 un agent (de police) un directeur une directrice 23 un docteur une année un mois le mois de (mai) un mot un million de (DVD) une route Paris aider avoir besoin de (stylos) passer prendre plus vite Je donne tout. en juillet 11

Unité 23 een directrice een directeur een (politie)agent 23 een maand een jaar (duur) een dokter een miljoen (dvd s) een woord de maand (mei) helpen Parijs een baan, weg nemen voorbijgaan, langskomen (pennen) nodig hebben in juli Ik geef alles. meer + snel = sneller 12

Unité 23 pendant la leçon jusqu à l école parce que (Tim est ici) 23 un avion un camion en avion en camion un autre directeur une autre directrice chaque jour chaque semaine le dernier film la dernière chanson 13

Unité 23 omdat (Tim hier is) tot aan de school tijdens de les 23 met het vliegtuig een vrachtwagen een vliegtuig een andere directrice een andere directeur met de vrachtwagen de laatste film elke week, iedere week elke dag, iedere dag het laatste lied 14

Unité 24 un magasin C est trop loin. Il y a trop de (lapins). Bravo! acheter manger 24 tomber comprendre pouvoir avoir peur avoir peur de (ce chien) avoir peur de (tomber) faire attention un fruit un légume une banane une carotte un champignon 15

Unité 24 Er zijn te veel (konijnen). Het is te ver. een winkel 24 eten kopen Bravo! kunnen, mogen begrijpen vallen bang zijn om te (vallen) bang zijn voor (die hond) bang zijn, schrik hebben een groente een vrucht, stuk fruit opletten, oppassen een paddenstoel een wortel een banaan 16

Unité 24 un kiwi une orange une poire une pomme une pomme de terre une salade 24 une tomate 17

Unité 24 een peer een sinaasappel een kiwi 24 een sla een aardappel een appel een tomaat 18

Unité 25 une journée la gymnastique (la gym) un repas un petit déjeuner un dîner un souper 25 un voisin une voisine après le repas dormir partir sortir se laver se lever s habiller sortir de (l école) lire je lis 19

Unité 25 een maaltijd het turnen een dag (duur) 25 een avondmaal een middagmaal, lunch een ontbijt na de maaltijd een buurvrouw een buur buitengaan vertrekken slapen zich aankleden opstaan zich wassen ik lees lezen (de school) buitengaan, gaan uit (de school) 20

Unité 25 tu lis il lit 25 21

Unité 25 hij leest jij leest 25 22

Unité 26 une balle un bateau en bateau une carte un doigt un e-mail, mail 26 une jambe une main une promenade à bientôt arriver tôt avant la leçon hier arriver gagner nager passer (le dimanche) raconter 23

Unité 26 met de boot een boot, schip een (kleine) bal een e-mail een vinger een kaart 26 een wandeling een hand een been voor de les vroeg aankomen tot binnenkort winnen komen, aankomen gisteren vertellen (de zondag) doorbrengen zwemmen 24

Unité 26 faire une promenade avoir chaud avoir froid jouer à la balle jouer aux cartes d abord 26 puis enfin un pull chaud une veste chaude un repas froid une maison froide des bateaux 25

Unité 26 het koud hebben het warm hebben een wandeling maken eerst, vooreerst met de kaarten spelen met de bal spelen 26 een warme trui ten slotte, eindelijk daarna, dan een koud huis een koude maaltijd een warme vest boten, schepen 26