Hier plaatsen we in welke deelcompetentie we ons bevinden. Dit document wordt regelmatig geupdate!! Wetenschappelijk onderzoek volgt 9 afzonderlijke stappen. Stap 1 Stap 2 Stap 3 Stap 4 Stap 5 Stap 6 Stap 7 Stap 8 Stap 9 Kies een onderzoeksprobleem Stel hoofd- en deelvragen op Noteer je verwachtingen Stel onderzoeksplan op Verzamel de gegevens Verwerk de gegevens Conclusie en verslag Reflectie Evaluatie Hier schrijven we telkens de leerlijnen uit voor het derde tot en met het zesde jaar
Oriënteren Stap 1: Onderzoeksonderwerp/onderzoeksprobleem Een onderzoeksprobleem kan vanuit verschillende hoeken bekeken worden. Dat heeft te maken met de doelstelling van het onderzoek. Wat is de reden van het onderzoek? Wanneer je een onderwerp bedenkt moet je voldoen aan de volgende voorwaarden: Is er genoeg informatie te vinden over het onderwerp? Ben je zelf voldoende geïnteresseerd in dit onderwerp om er de komende periode mee bezig te zijn? Wat wil je bereiken met het onderzoek? Wil je het probleem beschrijven of wil je onderzoeken hoe er iets aan kan gedaan worden? Je moet natuurlijk nagaan of het probleem onderzoekbaar is. Hierbij kunnen volgende vragen helpen. 1 Kan het probleem onderzocht worden? Veel is afhankelijk van de formulering van je vraag. Meer hierover zo dadelijk. Het thema of onderwerp wordt door de leraar aangeboden en afgebakend. Het thema of onderwerp wordt door de leraar aangeboden en afgebakend. De leraar geeft een aantal thema s of onderwerpen op. De leerlingen maken een keuze uit het aanbod. In het vijfde jaar opteer je best voor groepswerk. De leraar begeleidt. De leraar geeft een aantal thema s of onderwerpen op. De leerlingen maken een keuze uit het aanbod. In het zesde jaar opteer je best voor individueel werk. De leraar geeft advies, de leerling werkt zelfstandig. 2 Is het onderzoek ethisch verantwoord? Schendt het de privacy niet van de onderzoekseenheden? Zijn er eerlijke bedoelingen?
Oriënteren 3 Is mijn onderzoeksprobleem voldoende afgebakend? Als het onderzoeksprobleem erg ruim is (bijvoorbeeld armoedebestrijding ), dan wordt het onderzoek moeilijk: ofwel zal het erg duur en tijdrovend worden, ofwel zal je maar een aantal aspecten ervan kunnen belichten - en daardoor geef je geen goed antwoord op de ruime vraag. Een onderzoeksprobleem kan je inperken op verschillende manieren, bv. door de onderzochte periode te beperken: onderzoek de armoedebestrijding in de afgelopen vijf jaar door een ruimtelijke afbakening: onderzoek de armoedebestrijding in Vlaanderen gedurende de voorbije vijf jaar door welbepaalde groepen te onderzoeken: onderzoek de armoedebestrijding in Vlaanderen gedurende de voorbije vijf jaar, bij migrantenvrouwen van Afrikaanse origine Je merkt dat in bovenstaand voorbeeld verschillende beperkingen gecombineerd worden. Hierdoor wordt de vraag steeds enger geformuleerd, zodat de onderzoeker zijn terrein goed kan afbakenen. 4 Is er voldoende tijd en geld voor dit onderzoek? Indien je onderzoek te ruim is, zal het meer tijd (en geld kosten) om dit uit te voeren. 5 Zijn de onderzochten bereikbaar en bereid? Wanneer er personen in het onderzoek betrokken zijn, moet je deze natuurlijk makkelijk kunnen bereiken en ze moeten ook bereid zijn mee te werken.
Oriënteren Vooronderzoek Het is handig om je onderzoek te beginnen met het lezen van een of meerdere algemene artikels of andere bronnen. Vaak kom je dan tot meerdere ideeën om het onderwerp van je je onderzoek in te perken en aan te scherpen. Ook kun je met anderen praten over je mogelijke onderwerpen. Dat kan een leraar of begeleider zijn, maar ook medescholieren en medestudenten kunnen heel waardevol zijn. Ook googlen op mogelijke onderwerpen kan helpen. Door actief met het kiezen van je onderwerp bezig te zijn, zullen de contouren van wat je uiteindelijke rapportage zich steeds meer af gaan tekenen. In het derde jaar is dit niet noodzakelijk aangezien de leraar hier sterk begeleidt. Wel kan je als leraar eventueel een voorbeeld tonen. In het vierde jaar is dit niet noodzakelijk aangezien de leraar hier sterk begeleidt. Wel kan je als leraar eventueel een voorbeeld tonen. De leerlingen kunnen best een vooronderzoek doen. Anders zullen ze moeilijk hun onderzoeksvragen en deelvragen kunnen opstellen. De leerlingen kunnen best een vooronderzoek doen. Anders zullen ze moeilijk hun onderzoeksvragen en deelvragen kunnen opstellen.
Oriënteren Stap 2: Hoofdvraag en deelvragen Wanneer spreken we van een goede onderzoeksvraag? Hieronder een korte checklist. Een goede onderzoeksvraag is een vragende zin, bij voorkeur een open vraag, een eenduidige formulering met gedefinieerde kernbegrippen, een enkelvoudige vraag, niet vragen naar de bekende weg, geen foute vooronderstellingen, geen (deel van het antwoord) in de vraag, een relevante vraag, een acceptabele vraag, de antwoorden op de deelvragen geven het antwoord op de hoofdvraag Onderzoeksvragen hebben de vorm van open vragen, niet van ja/nee-vragen. In een beeldvormend onderzoek begint deze vraag bijvoorbeeld met 'wat', 'wie' of 'hoe', in een begripsvormend onderzoek met 'waarom', waardoor of hoe komt het dat. Het antwoord op deze vragen bestaat uit een (objectieve) beschrijving. In het derde jaar formuleert de leraar de hoofdvraag en de deelvragen. Wel dien je als leraar de leerlingen het onderscheid duidelijk te maken tussen hoofd- en deelvraag. In het vierde jaar formuleert de leraar de hoofdvraag. De leerlingen formuleren de deelvragen. Belangrijk is dat de leerlingen (meermaals) feedback krijgen op hun deelvragen en vervolgens hun deelvragen aanpassen. Leerlingen (in groep) stellen de onderzoeksvraag alsook de deelvragen. Belangrijk is dat je hen eerst toelicht op welke manier ze een goede onderzoeksvraag en goede deelvragen moeten stellen. De leraar dient eerst de onderzoeksvraag goed te keuren en feedback te geven alvorens de leerlingen aan de deelvragen beginnen. Ook op de deelvragen moet feedback volgen. De leerling (individueel) stelt de onderzoeksvraag alsook de deelvragen. Belangrijk is dat je hen eerst toelicht op welke manier ze een goede onderzoeksvraag en goede deelvragen moeten stellen. De leraar dient eerst de onderzoeksvraag goed te keuren en feedback te geven alvorens de leerling aan de deelvragen begint. Ook op de deelvragen moet feedback volgen.
Oriënteren Een goede onderzoeksvraag moet volgende eigenschappen hebben: 1 Een goede onderzoeksvraag is verankerd Dit betekent dat je onderzoeksvraag niet te ruim mag gedefinieerd worden en dus moet afgebakend zijn in een bepaald kennisgebied. 2 Een goede onderzoeksvraag is relevant Is er een goede reden voor mij of iemand anders om dit te onderzoeken? 3 Een goede onderzoeksvraag is precies De onderzoeksvraag moet aangeven waarnaar je op zoek bent. Je ov is precies als je het bedoelde domein precies hebt afgebakend naar eenheid/aantal/ruimte/tijd en als je in één uitspraak probeert te formuleren wat je over dit domein wilt beweren. 4 Een goede onderzoeksvraag is functioneel De ov geeft richting aan de strategie die gebruikt wordt om het antwoord te vinden. Vormen van onderzoeksvragen Je onderzoeksvraag kan meerdere vormen aannemen. Je moet natuurlijk nagaan welk type vraagstelling het best past bij jouw probleemstelling of onderzoek. Hieronder vind je enkele voorbeelden van onderzoeksvragen en deelvragen horende bij een bepaalde vorm.
Onderzoeksfunctie Typische vragen Voorbeeld van onderzoeksvraag Voorbeelden van deelvragen Beschrijvende vraagstelling Wat zijn de kenmerken? Welke eigenschappen heeft het? Hoe is het? Waaruit bestaat het? Wie of wat is er bij betrokken? Hoe ziet het er uit? Wat zijn de belangrijkste stappen? Waar in onze organisatie is er veel ziekteverzuim? Wat verstaan we onder ziekteverzuim? In welke afdelingen is het ziekteverzuim hoger dan een tijd geleden? Vergelijkende vraagstelling Wat zijn verschillen? Wat zijn gelijkenissen? Waar zijn ze anders? Welke verschillen zijn er in de evolutie van de werkloosheid in Vlaanderen en de werkloosheid in Wallonië de afgelopen 5 jaren? Wanneer spreken we van werkloosheid? Welke evolutie kende de werkloosheid in Vlaanderen de afgelopen 5 jaren? Welke initiatieven nam Vlaanderen in de bestrijding van de werkloosheid? Welke evolutie kende de werkloosheid in Wallonië de afgelopen 5 jaren? Welke initiatieven nam Vlaanderen in de bestrijding van de werkloosheid? Definiërende vraagstelling In welke klasse kan het ondergebracht worden? Wat is de plaats in het grotere geheel? Wat is de aard? Hoe kan het Is de internetmarkt in België een oligopolie? Wanneer spreek je van een oligopolie? Welke spelers zijn er in de internetmarkt in België?
getypeerd worden? Kunnen er makkelijk andere aanbieders toetreden tot deze markt? Evaluerende vraagstelling Wat is de waarde? Hoe goed werkt het? Wat zijn de positieve punten? Wat zijn de negatieve punten? Hoe wenselijk is het? Hoe geschikt is het? Wat zijn de voordelen? Wat zijn de nadelen? Welke aanbieder van mobiele telefoons is de beste voor wie jonger is dan 25? Welke tariefformules bieden de verschillende operatoren aan? Hoe ziet het belprofiel er uit van een min 25jarige? Verklarende vraagstelling Waarom is dat zo? Hoe komt dat? Wat zijn de oorzaken? Waar is dit een gevolg van? Welke redenen zijn er? Wat zijn de achtergronden? Waarom is de inflatie in België zo fel gestegen de afgelopen jaren? Hoeveel bedroeg de stijging van de inflatie in België tussen 2000 en 2009? Wat zijn de oorzaken van inflatie? Hoeveel bedroeg de stijging van de inflatie tussen 2000 en 2009 in de buurlanden? Ontwerpende/advise rende vraagstelling Wat kan er aan gedaan worden? Hoe kan het verbeterd worden? Hoe moet het? Wat zijn de geschikte maatregelen? Welke maatregelen zijn nodig om de Belgische staatsschuld versneld af te bouwen? Hoeveel bedraagt de Belgische staatsschuld? Aan wie heeft de Belgische staat schulden?
Oriënteren Een onderzoek is altijd een verzameling van kleinere onderzoeken. Je moet verschillende dingen onderzoeken. Dus ga je deelvragen stellen, die uiteraard verband houden met de hoofdvraag. De antwoorden op de deelvragen zullen je een globaal antwoord geven op de hoofdvraag. Wanneer we even een van bovenstaande vragen er uit pikken, dan kunnen we op basis hiervan deelvragen gaan stellen. Welke aanbieder van mobiele telefoons is de beste voor wie jonger is dan 25? Deelvragen zouden kunnen zijn: Welke aanbieders zijn er? Welk aanbod hebben de verschillende aanbieders voor wie jonger is dan 25 jaar? Hoe ziet het belgedrag er uit van min 25-jarigen? Stap 3: Noteren van de verwachtingen/formuleren van hypothesen Het is belangrijk dat je nadenkt over de te verwachten uitkomst van jullie onderzoek. Wat zou het antwoord zijn op jullie vragen. Je moet je verwachtingen duidelijk opschrijven want je moet namelijk aan het eind van jullie onderzoek ook duidelijk kunnen zeggen of de verwachting klopte of niet. Of m.a.w. stel een hypothese op voor iedere deelvraag. Dit geldt voornamelijk voor het 5 e en het zesde jaar.
Voorbereiden Stap 4: Stel een onderzoeksplan of werkplan op In een werkplan staat weergegeven hoe je tot het antwoord op je deelvragen denkt te komen. Dit is ook een voorbereiding op je verslag. Natuurlijk zul je niet alle delen van het werkplan hoeven te gebruiken. Het werkplan valt grofweg op te delen in volgende delen: 1 Algemeen Wie doet wat? Wie doet wat wanneer? Hoeveel tijd hebben jullie? Hoeveel tijd per persoon en per onderdeel hebben jullie? 2 Informatiebronnen Welke informatiebronnen ga je raadplegen? Welke kernwoorden ga je gebruiken om op zoek te gaan naar informatie? Bereid je goed voor, zodat je weet waar en hoe je gaat zoeken. Enerzijds zal je een literatuurstudie doen om informatie te bekomen. Anderzijds zal je zelf misschien zelf op onderzoek moeten gaan en een experiment uitvoeren of interviews afnemen. Er zijn verschillende soorten onderzoeksmethodes. Leraar geeft duidelijk de te volgen stappen aan. Leraar biedt een sjabloon aan waarbinnen de leerling de gestelde onderzoeksvraag behandelt. Je kan werken met een logboek waarin de leerling aangeeft welke taken hij wanneer uitvoert. Dit toont hij ter controle. De leerling werkt al zelfstandiger. Toch moet hij ook nu een stappenplan/werkplan bijhouden, eventueel in de vorm van een logboek. Groepswerk: Leerlingen verzamelen op zelfstandige wijze de informatie. Een stappenplan kan best worden aangeboden. Individueel werk: Volledig zelfstandig. Leerling kan eventueel gebruik maken van het aangereikte stappenplan in het 5de jaar. Stap 5: Gegevens verzamelen
Uitvoeren Soort onderzoek Omschrijving 1 2 Deskresearch Fieldresearch Verkennend onderzoek Beschrijvend onderzoek Verklarend onderzoek Hierbij ga je gegevens gebruiken die al voor andere doeleinden zijn verzameld en opgeslagen. Het verzamelen, analyseren en interpreteren van gegevens waarvoor men zelf onderzoek moet verrichten. Bij dit soort onderzoek doet een onderzoeker vaak aan terreinverkenning. Bij dit onderzoek ga je beschrijven wie de klanten zijn, wat zij verwachten, wie de concurrenten zijn. Bij dit soort onderzoek wordt er gezocht naar een mogelijke verklaring voor een bepaalde beweging op de markt. De leerlingen krijgen de opdracht van de leraar om op een bepaalde manier te werk te gaan. De leraar geeft de voorgeschreven werkwijze. De leerlingen trachten zelfstandig aan de slag te gaan, maar de leraar begeleidt nog sterk. De leraar overloopt eventueel de stappen met de leerlingen. In groep gaan de leerlingen zelfstandig te werk. Individueel gaat de leerling te werk 3 Kwalitatief onderzoek Kwantitatief onderzoek Hier wordt slechts een beperkte groep mensen bij het onderzoek betrokken. Het onderzoek bestaat meestal uit interviews of groepsdiscussies. Bij dit onderzoek ga je een grote groep mensen ondervragen via telefonische, schriftelijke of online vragenlijsten.
Uitvoeren Er zijn verschillende onderzoeksmethoden. We lichten er enkele toe. Literatuurstudie Dit kan onderzoek zijn door wetenschappelijke boeken en artikels te lezen, of door betrouwbare internetsites af te schuimen. Op deze manier vergaar je snel veel informatie. Observatie Hier gaat men de onderzoeksobjecten (personen bijvoorbeeld) waarnemen in een bepaalde situatie. Dit kan een natuurlijke omgeving zijn of een kunstmatige omgeving. Interview Een interview is eerder een kwalitatief onderzoek waarmee je dieper kan ingaan op de antwoorden van de respondent. Je kan een gestructureerd interview houden waarbij men zich houdt aan de vooraf opgestelde vragen. Of open interview waarbij men wel vragen voorbereid, maar deze niet noodzakelijk allemaal stelt en men op basis van de antwoorden van de respondent het verdere verloop bepaalt. De leerlingen krijgen de opdracht van de leraar om op een bepaalde manier te werk te gaan. De leraar geeft de voorgeschreven werkwijze. De enquête Dit is eerder een kwantitatieve vorm van onderzoek. Meestal zijn het gesloten vragen aangezien deze makkelijker te beantwoorden en te verwerken zijn. Enkele vraagvormen zijn: o Ja/Neen-vragen De leerlingen trachten zelfstandig aan de slag te gaan, maar de leraar begeleidt nog sterk. De leraar overloopt eventueel de stappen met de leerlingen. In groep gaan de leerlingen zelfstandig te werk. Individueel gaat de leerling te werk o Meerkeuzevragen o Schaalvragen o Vaak zal je meerdere methoden moeten combineren. Zo zal je misschien eerst een literatuuronderzoek moeten doen vooraleer je een enquête opstelt.
Uitvoeren o Frequentievragen o Open vragen Experiment Veldonderzoek Psychologische test De leerlingen krijgen de opdracht van de leraar om op een bepaalde manier te werk te gaan. De leraar geeft de voorgeschreven werkwijze. Simulatie Vaak zal je meerdere methoden moeten combineren. Zo zal je misschien eerst een literatuuronderzoek moeten doen vooraleer je een enquête opstelt. De leerlingen trachten zelfstandig aan de slag te gaan, maar de leraar begeleidt nog sterk. De leraar overloopt eventueel de stappen met de leerlingen. In groep gaan de leerlingen zelfstandig te werk. Individueel gaat de leerling te werk
Uitvoeren Stap 6: Verwerken van de gegevens Noteer wat van belang is. Maak berekeningen, ga op zoek naar gegevens, onderzoek verbanden enz. De bekomen resultaten moeten worden weergegeven in woorden, in een tabel, een grafiek, De leerlingen krijgen een voorbeeld (een sjabloon) van de leraar om op een bepaalde manier de gegevens weer te geven (tabel, grafiek, ). De leraar geeft aan op welke manier de leerlingen de gegevens moeten weergeven en doen dit dan ook zelfstandig. In groep gaan de leerlingen zelfstandig te de gegevens weergeven in tabel, grafiek Individueel gaat de leerling de resultaten weergeven.
Reflecteren Stap 7: Conclusie en verslag In deze laatste fase gaan we antwoord geven op de hoofdvraag en de deelvragen. Het is de bedoeling dat je hier een verslag of presentatie maakt van je onderzoeksvraag. Het verslag of de presentatie moeten aan de opgelegde voorwaarden voldoen. Er moeten conclusies getrokken en verbanden gezocht worden. Samen met de leraar gaan de leerlingen een conclusie trekken op basis van gegevens, waarnemingen of resultaten. Formuleer een besluit. Toets de hypothesen aan de bekomen resultaten. Onder begeleiding van de leraar gaan de leerlingen een conclusie trekken op basis van gegevens, waarnemingen of resultaten. Laat de leerlingen eerste zelf een besluit trekken. In groep trekken de leerlingen een besluit. De leerling trekt zelfstandig een conclusie op basis van gegevens, waarnemingen of resultaten. De leerling kan zijn/haar eigen mening weergeven.
Evalueren Evalueren Stap 8: Reflectie De leerlingen maken een zelfevaluatie, eventueel een peerevaluatie (bijv. in geval van groepswerk). Deze maakt deel uit van het terugkijkend reflecteren (weten over weten) op het hele proces. Hierbij dient enerzijds het eigen werk en anderzijds het werk dat de groep geleverd heeft geëvalueerd te worden. Hebben we een antwoord gekregen op onze deelvragen en onze hoofdvraag? Waren onze hypothesen correct? Daarnaast moet er ook over de aanpak gereflecteerd worden. Welke problemen hebben we ondervonden? Wat kunnen we beter doen volgende keer? Welke alternatieven zijn er? Klassikaal bespreken van de aanpak. Wat liep er mis? Wat kan beter? Is het verkregen resultaat het verwachte resultaat? Discussie over de aanpak. Is het verkregen resultaat het verwachte resultaat? Wat liep er eventueel mis? Discussie over de aanpak. Is het verkregen resultaat het verwachte resultaat? Wat liep er eventueel mis? De leerling is staat zijn/haar aanpak in vraag te stellen. Stap 9: Evaluatie Zowel het proces als het product kan door de leraar geëvalueerd worden. Dit kan op basis van duidelijke checklists en evaluatiecriteria? Maar aan de andere kant, kan dit ook beoordeeld worden door een jury (intern, dan wel extern).
Bron: M-VVKSO-2008-043-B02 http://www.tue.nl www.tilburguniversity.edu