Windesheim zet kennis in werking Competentievenster 2015 TWEEDEGRAADS LERARENOPLEIDING WINDESHEIM
Inleiding 3 Het competentievenster van de tweedegraads lerarenopleidingen van Hogeschool Windesheim vormt het uitgangspunt in de beoordeling van de studenten in de leerwerkstages. In deze inleiding is beschreven welke SBL-competenties er zijn en op welke niveaus de studenten deze competenties moeten beheersen. Daarnaast komen in de inleiding de belangrijkste uitgangspunten van het competentievenster aan de orde. De inleiding wordt afgesloten met een leeswijzer. De zeven SBL-competenties Tijdens de lerarenopleiding werkt de student in vier leerwerkstages aan de ontwikkeling van zeven competentiegebieden. Deze competentiegebieden zijn: 1. Interpersoonlijk 2. Pedagogisch 3. Vakinhoudelijk en vakdidactisch 4. Organisatorisch 5. Samenwerken met collega s 6. Samenwerken met mensen en instellingen buiten de school 7. Ontwikkeling en reflectie
Niveaus 5 In alle leerwerkstages werkt de student aan de zeven competenties. In dit competentievenster is een onderscheid gemaakt in vier niveaus, te weten A tot en met D. Op niveau A laat de student zien over kennis en inzicht te beschikken binnen de verschillende competentiegebieden. Daarbij kan de student deze kennis toepassen binnen de context van de leerwerkstage. Op niveau B is de student in staat om op basis van analyse tot afgewogen keuzes te komen. De student laat zien dat hij bewust bekwaam handelt in verschillende situaties. Op niveau C kan de student de kennis van eigen ervaring en theorie integreren en bewust handelingsalternatieven benoemen en inzetten in de leerwerkstage. Op niveau D komt de student tot een gewogen oordeel over het eigen handelen en zet dit om in competent gedrag. De student laat daarmee zien over voldoende leervaardigheden en oordeelsvermogen te beschikken. Deze niveaus zijn afgeleid van de Dublin descriptoren en verschillende cognitieve beheersingsniveaus. Elk hoger niveau sluit de lagere niveaus in, dat wil zeggen dat de student op elk niveau moet aantonen over voldoende kennis te beschikken en dit te kunnen toepassen in de praktijk. Bij een aantal opleidingen zijn voor niveau C en D aanvullende vakspecifieke eisen van toepassing. Schematisch ziet bovenstaande er als volgt uit: Kennis, begrip en toepassing Kennis, begrip en toepassing + analyse Kennis, begrip en toepassing + synthese Kennis, begrip en toepassing + evaluatie Als de student aan de eisen voldoet, wordt een voldoende toegekend, een goed mag worden gegeven als de student op onderdelen op een hoger niveau functioneert.
Diversiteit en passend onderwijs Onder diversiteit verstaan we alle aspecten waarop mensen van elkaar verschillen. Hierbij gaat het om zichtbare dingen zoals bijvoorbeeld leeftijd en huidskleur maar ook minder zichtbare zaken zoals religieuze identiteit, sociale en culturele achtergrond, leer- en werkstijlen. We kunnen en mogen verschillen van elkaar op alle mogelijke manieren. Hierin geven we geen waardeoordeel maar we stellen een feitelijke situatie vast. Een situatie die misschien plezierig, boeiend en leerzaam kan zijn, maar evengoed verwarrend, vreemd of onaangenaam. Wanneer je goed om kunt gaan met diversiteit wil dat zeggen dat je om kunt gaan met heel verschillende mensen. Dit vormt een essentieel onderdeel van professioneel (docent-)gedrag. Onder andere door de invoering van de Wet Passend Onderwijs zal diversiteit in de klassen toenemen en zullen de onderlinge verschillen tussen leerlingen groter worden. Om de doelen van passend onderwijs te kunnen verwezenlijken, zijn leraren nodig die uitgaan van deze diversiteit en hiermee om kunnen gaan in hun onderwijs. Een leraar moet kunnen samenwerken binnen en buiten de school met collega s, ouders en instellingen of (leer)bedrijven. In het competentievenster is een opbouw te zien wat betreft de manier waarop (en de mate waarin) studenten leren omgaan met diversiteit. Dit doen ze door verschillen tussen leerlingen te herkennen en erkennen en in hun pedagogisch en didactisch handelen tegemoet te komen aan de onderwijsbehoeften van álle 7
COMPETENTIE 1 Interpersoonlijk Een goede leraar is interpersoonlijk competent. Hij kan op een goede, professionele manier met leelingen omgaan. Leeswijzer In het competentievenster staan de verschillende competenties en de vier niveaus waaraan studenten moeten voldoen uitgewerkt. Er worden voorbeelden gegeven van gedragsindicatoren die aangeven hoe de competentie zichtbaar wordt. De gedragsindicatoren zijn bedoeld om studenten, begeleiders en beoordelaars te helpen zich een beeld te vormen van hoe een competentie er in de praktijk uit kan zien en hoe invulling gegeven wordt aan de competentie. De invulling kan echter per context verschillen. De student maakt contact met leerlingen doormiddel van basis communicatievaardigheden; open houding, oogcontact en luisteren. Hij is zich bewust van het effect van zijn verbale en non-verbale technieken. De student toont initiatief om leiding te nemen. De student (h)erkent en benoemt diversiteit onder De student onderhoudt en bevordert effectief contact met leerlingen door te luisteren, door te vragen en samen te vatten en straalt hierbij enthousiasme en betrokkenheid uit. De student is zich bewust van de wijze waarop hij leiding kan geven aan een groep. De student houdt onder begeleiding rekening met diversiteit. De student communiceert op inhouds- en betrekkingsniveau en is zich bewust van het effect van deze communicatie voor zowel een individuele leerling als een groep. De student geeft leiding aan een groep. De student speelt in op diversiteit in een groep. De student maakt aantoonbaar gebruik van relevante De student communiceert effectief. op niveaus van inhoud, procedure en betrekking. De student stemt zijn manier van leiding geven af op de behoefte van een groep. De student gaat effectief om met diversiteit. 9 De student legt een verband tussen zijn handelen en relevante zijn interpersoonlijk handelen op basis van zelfstandige en kritische verwerking van
COMPETENTIE 2 Pedagogisch Een goede leraar is pedagogisch competent. Hij kan de leerlingen in een veilige werkomgeving houvast en structuur bieden om zich cognitief, sociaal-emotioneel en moreel te kunnen ontwikkelen. COMPETENTIE 2 Pedagogisch Een goede leraar is pedagogisch competent. Hij kan de leerlingen in een veilige werkomgeving houvast en structuur bieden om zich cognitief, sociaal-emotioneel en moreel te kunnen ontwikkelen. De student oriënteert zich op het pedagogisch klimaat van de school. Hij is zich bewust van zijn eigen waarden en normen. Hij is in staat gewenst en ongewenst gedrag op te merken en hierover te spreken met De student verkent interesses en ambities van leerlingen en is zich bewust van diversiteit. De student beziet zijn eigen normen en waarden in relatie tot die van de school. Hij stimuleert leerlingen tot gewenst gedrag en corrigeert ongewenst gedrag en bespreekt daarbij waarden en normen. De student toont vertrouwen in de capaciteit van Hij daagt, onder begeleiding, leerlingen uit mee te denken over keuzes in hun eigen leerproces. Hierbij houdt hij rekening met diversiteit. De student stimuleert een veilig en effectief leerklimaat. Hij is in staat waarden en normen in een groep bespreekbaar te maken. De student stimuleert leerlingen in hun leerproces verantwoordelijkheid en zelfstandigheid te nemen. Hierbij gaat hij uit van diversiteit. De student creëert een veilig en effectief leerklimaat voor zowel de individuele leerling als een groep. Hij biedt de leerlingen houvast en structuur bij de keuzes die ze maken. De student biedt een kader waarbinnen leerlingen hun eigen leerproces kunnen vormgeven en hij helpt de leerlingen hierbij. Hierbij gaat hij uit van diversiteit. De student kent op hoofdlijnen de zorgstructuur in de school. De student noemt relevante theorie in de school en handelt hiernaar onder begeleiding. De student legt een verband tussen zijn handelen en relevante van de school en handelt in samenspraak met anderen hiernaar. De student maakt aantoonbaar gebruik van relevante De student ontwikkelt in samenspraak met anderen een aanpak bij ontwikkelings- en gedragsproblemen en voert deze uit. zijn pedagogisch handelen op basis van zelfstandige en kritische verwerking van 11
COMPETENTIE 3 Vakinhoudelijk en vakdidactisch Een goede leraar is vakinhoudelijk en didactisch competent. Hij creëert een krachtige leeromgeving door het leren in verband te brengen met realistische en voor leerlingen relevante toepassingen van kennis in vak, beroep en maatschappij. COMPETENTIE 3 Vakinhoudelijk en vakdidactisch Een goede leraar is vakinhoudelijk en didactisch competent. Hij creëert een krachtige leeromgeving door het leren in verband te brengen met realistische en voor leerlingen relevante toepassingen van kennis in vak, beroep en maatschappij. De student bereidt eenvoudige onderwijsactiviteiten systematisch voor en voert deze uit. De student oriënteert zich op algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs. De student oriënteert zich op verschillende werkvormen gericht op kennis en/ of vak- of beroepsvaardigheden. De student maakt gebruik van leermiddelen. De student bereidt, zowel binnen als buiten de lesmethode om, betekenisvolle onderwijsactiviteiten voor en voert deze uit. De student houdt in de onderwijsactiviteiten rekening met de uitgangspunten van algemeen vormend onderwijs en/of beroepsonderwijs. De student zet verschillende werkvormen gericht op kennis en/of vak- of beroepsvaardigheden in. van verschillende leermiddelen. De student ontwerpt inhoudelijk correcte en betekenisvolle onderwijsactiviteiten en voert deze uit. Hij houdt daarbij rekening met diversiteit. De student stemt de onderwijsactiviteiten af op de uitgangspunten van algemeen vormend onderwijs en/of beroepsonderwijs. De student zet verschillende werkvormen gericht op kennis en/of vak- of beroepsvaardigheden in en maakt gebruik van relevante leermiddelen en leeromgevingen. Hij houdt daarbij rekening met diversiteit. De student ontwerpt, voet uit en evalueert de onderwijsactiviteiten aansluitend bij de uitgangspunten van algemeen vormend onderwijs en/of beroepsonderwijs. De student zet een breed repertoire van werkvormen gericht op kennis en/of vakof beroepsvaardigheden in en ontwerpt een krachtige leeromgeving. Hij houdt daarbij rekening met diversiteit. De student speelt in op verschillende onderwijsbehoeften van leerlingen en ontwikkelt in samenspraak met anderen een structurele planmatige aanpak. De student oriënteert zich op onderwijsbehoeften van De student verkent verschillende beoordelingsinstrumenten. De student herkent in onderwijs een didactisch model en kan deze expliciteren. De student noemt hierbij relevante De student stelt onderwijsbehoeften van leerlingen vast en handelt daar onder begeleiding naar. in de school en handelt hiernaar onder begeleiding. De student legt een verband tussen zijn handelen en relevante De student speelt planmatig in op individuele onderwijsbehoeften van van de school en handelt in samenspraak met anderen hiernaar. De student maakt aantoonbaar gebruik van relevante De student biedt betekenisvolle leerinhouden aan en houdt daarbij rekening met diversiteit. Hij biedt de leerinhouden inhoudelijk correct aan en legt relaties naar relevante vakken, beroepen en/of vervolgopleidingen. De student ontwikkelt in samenspraak met anderen een aanpak bij ontwikkelings- en gedragsproblemen en voert deze uit. zijn pedagogisch handelen op basis van zelfstandige en kritische verwerking van 13
COMPETENTIE 4 Organisatorisch Een goede leraar is organisatorisch competent. Hij kan zorgen voor een overzichtelijke en ordelijke leeromgeving. COMPETENTIE 4 Organisatorisch Een goede leraar is organisatorisch competent. Hij kan zorgen voor een overzichtelijke en ordelijke leeromgeving. De student bereidt eenvoudige onderwijsactiviteiten systematisch voor en voert deze uit. De student hanteert de binnen de school geldende regels en afspraken. De student hanteert regels en procedures en communiceert hierover met De student hanteert consequent concrete, functionele procedures en afspraken en communiceert hierover. De student verkent verschillende beoordelingsinstrumenten. in de school en handelt hiernaar onder begeleiding. De student organiseert en administreert onder begeleiding de beoordeling van De student hanteert consequent concrete, functionele procedures en afspraken en communiceert hierover. 15 van eenvoudige organisatievormen en leermiddelen. De student is zich bewust van het belang van prioriteiten stellen. De student oriënteert zich op de regels en afspraken binnen de school en kan het belang hiervan expliciteren. De student geeft aan wat de inhoud, de vorm, de opbouw en het doel van de onderwijsactiviteit is. van passende organisatievormen en leermiddelen en analyseert het effect daarvan op de groep. De student stelt prioriteiten en verdeelt de beschikbare tijd efficiënt voor zichzelf. De student zorgt voor een gestructureerde leeromgeving en draagt onder begeleiding zorg voor een verantwoorde omgang met leermiddelen. De student biedt effectieve organisatievormen en leermiddelen aan die het leren ondersteunen. Hij biedt daarbij ruimte aan initiatieven van De student stelt prioriteiten en verdeelt de beschikbare tijd efficiënt voor zichzelf en voor de De student zorgt voor een gestructureerde leeromgeving en draagt zorg voor een verantwoorde omgang met leermiddelen. De student biedt effectieve organisatievormen en leermiddelen aan die het zelfstandig leren van individuele leerlingen ondersteunen. De student gaat hierbij adequaat om met de beschikbare tijd. De student herkent in onderwijs een didactisch model en kan deze expliciteren. De student noemt hierbij relevante De student legt een verband tussen zijn handelen en relevante van relevante van de school en handelt in samenspraak met anderen hiernaar. De student maakt aantoonbaar gebruik van relevante De student organiseert en administreert de beoordeling van zijn organisatorisch handelen op basis van zelfstandige en kritische verwerking van De student ontwikkelt in samenspraak met anderen een aanpak bij ontwikkelings- en gedragsproblemen en voert deze uit. zijn pedagogisch handelen op basis van zelfstandige en kritische verwerking van
COMPETENTIE 5 Samenwerken met collega s Een goede leraar is competent in het samenwerken met collega s. Hij kan een professionele bijdrage leveren aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat op de school, aan een goede onderlinge samenwerking en aan een goede schoolorganisatie. De student is zich bewust van het belang van een goede samenwerking. Hij is in staat zich aan afspraken te houden en effectief te communiceren met begeleiders. De student participeert in intervisie, ontvangt en geeft feedback. De student werkt goed samen en is zich bewust van zijn rol daarin. Hij kan hierover helder met anderen communiceren. De student participeert in intervisie en neemt initiatief bij de samenwerking met medestudenten en begeleiders. De student neemt verantwoordelijkheid voor afgesproken taken en heeft oog voor het teambelang. De student participeert actief in intervisie en levert een bijdrage aan andere vormen van overleg en samenwerking. van relevante De student levert een constructieve bijdrage aan verschillende vormen van (team)overleg. Hij houdt zich aan de afspraken en procedures van de organisatie. Hij werkt met collega s samen aan de ontwikkeling van de school. De student neemt deel aan intervisie. Hij deelt informatie over het werk en consulteert collega s. zijn opvattingen en werkwijze op het gebied van samenwerken en functioneren in de schoolorganisatie vanuit theorie en ervaringen. COMPETENTIE 6 Samenwerking met de omgeving Een goede leraar is competent in het samenwerken met de omgeving van de school. Hij kan op een professionele manier communiceren met ouders en andere betrokkenen bij de vorming en opleiding van zijn De student onderkent het belang van goede contacten met ouder(s) en/of verzorger(s) en instellingen buiten de school. De student verkent de relaties van de school met ouder(s) en/of verzorger(s) en instellingen buiten de school. De student verkent het contacten met (leer)bedrijven waar zijn school mee samen werkt. De student heeft onder begeleiding contact met ouder(s) en/of verzorger(s) en instellingen buiten de school. De student onderhoudt onder begeleiding contact met (leer)bedrijven waar zijn school mee samenwerkt. De student stelt zich op de hoogte van informatie over leerlingen en maakt er gebruik van in zijn onderwijs. van relevante De student onderhoudt op een professionele manier contact met ouders en/of verzorgers en instellingen buiten de school. De student onderhoudt op een professionele manier contact met (leer)bedrijven waar zijn school mee samen werkt. De student geeft op een professionele manier informatie over leerlingen aan ouders en andere belanghebbenden en maakt gebruik van de informatie die hij van hen krijgt. zijn samenwerking met de omgeving van de school vanuit theorie en ervaring. 17
COMPETENTIE 7 Doorgroei Een goede leraar is competent in reflectie en ontwikkeling. Hij kan op een professionele manier over zijn bekwaamheid en beroepsopvattingen nadenken. Hij kan zijn professionaliteit ontwikkelen en bij de tijd houden. De student probeert nieuwe handelingen uit op basis van elementaire kennis en feedback. De student probeert bewust nieuwe handelingen uit. Daarbij maakt hij structureel gebruik van theorie en van feedback van begeleiders en De student probeert bewust nieuwe handelingen uit en slaagt daar meestal in. Daarbij maakt hij gebruik van theorie en van feedback van begeleiders en Hij formuleert een persoonlijke professionele visie op onderwijs. De student handelt bewust vanuit een eigen onderbouwde professionele visie. Hij verzamelt actief relevante gegevens over de beroepspraktijk en kan op basis daarvan een oordeel vormen. De student beschrijft betekenisvolle situaties en expliciteert het effect van zijn handelen in deze situaties. Op basis hiervan benoemt hij sterke en zwakke punten en formuleert hij leervragen. De student reflecteert op eigen handelen met aandacht voor de cyclus van ervaren, terugblikken, analyseren en experimenteren met een nieuwe aanpak. De student is aantoonbaar in staat om bij systematische reflectie de transfer te maken van theorie naar praktijk. De student is in staat om via systematische reflectie zelfstandig, met behulp van theorie, adequate antwoorden te formuleren op concrete praktijkvragen. De student beargumenteert of het beroep van docent bij hem past. De student beargumenteert welk type onderwijs het beste bij hem past. De student beargumenteert zijn voorkeur voor algemeen vormend onderwijs en/of beroepsonderwijs.