Vademecum rapporteren Communicatie- en Informatiewetenschappen Radboud Universiteit Nijmegen versie september 2014 geldig voor academisch jaar 2014-2015
Inhoudsopgave 1. De regels van wetenschappelijk rapporteren p. 4 Gebruik vademecum in verschillende cursussen p. 4 2. Samenvatting p. 5 3. Inleiding p. 6 Functie p. 6 Inhoud p. 6 4. Methode: corpusanalyse p. 7 Materiaal p. 7 Procedure p. 7 Cohen s κ p. 7 Pearson s r p. 8 Statistische toetsing p. 9 5. Methode: experiment p. 10 Materiaal p. 10 Proefpersonen p. 10 Onderzoeksontwerp p. 10 Instrumentatie p. 11 Cronbach s α p. 11 Procedure p. 11 Statistische toetsing p. 12 6. Methode: kwalitatief onderzoek p. 13 Instrumentatie p. 13 Participanten p. 13 Procedure p. 14 7. Methode: survey p. 15 Instrumentatie p. 15 Factoranalyse p. 15 Procedure en respondenten p. 16 Statistische toetsing p. 16 8. Resultaten p. 17 Kwantitatief onderzoek: welke toets? p. 17 Descriptieve statistieken p. 17 Rapportage van p- waarden p. 17 Chi- kwadraat p. 18 Correlatie p. 18 Regressie p. 19 T- toets: onafhankelijke waarnemingen p. 21 T- toets: afhankelijke waarnemingen p. 21 Eenweg variantie- analyse p. 22 Tweeweg variantie- analyse met alleen tussenproefpersoonfactoren p. 23 Tweeweg variantie- analyses met tussen- en binnenproefpersoonfactoren p. 25 Multivariate variantie- analyse p. 27 Kwalitatief onderzoek p. 28 2
9. Conclusie en discussie p. 30 Conclusie p. 30 Discussie p. 30 10. Literatuurreferenties p. 31 Refereren in een tekst p. 31 Refereren in de literatuurlijst p. 31 11. Tabellen p. 34 12. Spelling, grammatica, stijl, symbolen en lay- out p. 36 Spelling p. 36 Grammatica p. 36 Stijl p. 36 Symbolen p. 37 Layout p. 37 13. Fraude en plagiaat p. 38 14. Checklist p. 39 3
1. De regels van wetenschappelijk rapporteren Het wetenschappelijk bedrijf is gericht op kennisvermeerdering. We willen beter begrijpen hoe de wereld om ons heen in elkaar zit. Om dat doel te bereiken, wordt onderzoek uitgevoerd. Maar pas als andere onderzoekers kennis hebben kunnen nemen van het onderzoek en de resultaten, is dat doel bereikt. Dat betekent dat onderzoek niet af is, zolang je er niet over hebt gerapporteerd. Onderzoek dat in de la blijft liggen, is even nutteloos als niet- uitgevoerd onderzoek. Voor het rapporteren over onderzoek gelden een aantal eisen, die zijn samen te vatten in vijf steekwoorden. Een onderzoeksverslag moet namelijk correct, coherent, doordacht, informatief en verzorgd zijn: Correct in de zin dat de literatuur en de opzet foutloos worden weergegeven. Coherent in de zin dat de onderzoeksvragen of hypothesen en de gekozen methode logisch op elkaar aansluiten. Doordacht in de zin dat gelegde verbanden en keuzes beredeneerd en steekhoudend zijn. Informatief in de zin dat er genoeg informatie wordt gegeven zodat een andere onderzoeker in staat is jouw onderzoek te repliceren. Verzorgd wat betreft conventies van literatuur, spelling en zinsbouw. In dit vademecum zijn deze vijf steekwoorden uitgewerkt in concrete regels voor het rapporteren over wetenschappelijk onderzoek. De structuur van dit vademecum is gebaseerd op de volgorde waarin de verschillende elementen in een onderzoeksverslag aan bod komen. Daarom volgen eerst de eisen over de samenvatting en inleiding en wordt afgesloten met de conclusie en discussie en met de literatuurlijst. Naast de inhoud van een onderzoeksverslag is ook de vorm belangrijk. Dit vademecum besteedt daarom ook aandacht aan spelling, grammatica, stijl, symbolen en lay- out. Aan het einde staat een checklist die je kunt gebruiken om na te gaan of je voldoet aan de globale richtlijnen. Gebruik vademecum in verschillende cursussen In dit vademecum staan de richtlijnen beschreven voor het rapporteren over onderzoek in de BA en MA van de opleiding Communicatie- en Informatiewetenschappen. Dit vademecum is geldig voor elke cursus waarin over onderzoek schriftelijk gerapporteerd moet worden. Er worden twee notaties in de kantlijn gebruikt: SPSS Een SPSS- instructie MA Bedoeld voor MA- niveau Voor elke cursus waarin over onderzoek schriftelijk gerapporteerd moet worden, gelden ook specifieke eisen, zoals het aantal woorden, de titel, de hoeveelheid bronnen waarnaar verwezen moet worden, de wetenschappelijke of maatschappelijke relevantie en de samenvatting. Dit soort eisen geeft de docent van de betreffende cursus. 4
2. Samenvatting De samenvatting moet een zo volledig mogelijk beeld van het onderzoek schetsen in maximaal 300 woorden. Het is raadzaam om de samenvatting als laatste te schrijven: je hebt dan namelijk het beste beeld van wat je precies hebt gedaan en gevonden. De samenvatting moet een beschrijving geven van: het verschijnsel waarin je geïnteresseerd bent (bv. betrokkenheid of argumentkwaliteit); de onderzoeksvraag die je wilt beantwoorden (of de hypothese die je wilt toetsen) met de redenering waarom dit een interessante vraag (of hypothese) is; de wijze waarop je te werk bent gegaan (methode); de resultaten met betrekking tot de onderzoeksvraag (het antwoord op die vraag) of hypothese; een interpretatie van de resultaten. 5
3. Inleiding De inleiding bestaat uit een aanleiding, de centrale vraagstelling met eventuele deelvragen, en het nut van het uit te voeren onderzoek. Als de stand van zaken binnen de theorie het toelaat, kunnen er hypothesen in plaats van onderzoeksvragen geformuleerd worden. Functie De inleiding heeft een drieledige functie: Zij moet de lezer snel duidelijk maken welk fenomeen je hebt onderzocht. Zij moet duidelijk maken bij welke theorie, model of benadering je wilt aansluiten. Zij moet duidelijk maken waarom de onderzochte onderzoeksvraag interessant genoeg is om dit onderzoek uit te voeren, of waarom de hypothese plausibel is. Inhoud Vaak wordt een driedeling gehanteerd: aanleiding, theoretisch kader, onderzoeksvragen of hypothesen. De inleiding begint met een aanleiding: Wat is het fenomeen dat je wilt onderzoeken en waarom? Die aanleiding kan voortkomen uit de theorie (bv. er is nauwelijks onderzoek gedaan) of uit de praktijk (bv. het verschijnsel komt steeds meer voor). Vervolgens plaats je het verschijnsel binnen een breder kader: Welke theorieën of modellen zijn er beschikbaar waarmee je het verschijnsel kunt beschrijven, verklaren of toetsen. Bespreek die theorieën en modellen voor zover je ze nodig hebt voor de ontwikkeling van je ideeën en verwachtingen. Gebruik de literatuur ook om je onderzoeksobject helder te definiëren. Vervolgens bespreek je empirisch onderzoek naar het verschijnsel: Wat hebben andere onderzoekers gevonden die onderzoek deden naar dit verschijnsel? Je hoeft daarbij niet heel uitgebreid alle details van elk onderzoek te bespreken. Beperk je tot de hoofdpunten: welke opzet is gebruikt (bijvoorbeeld: wat hebben ze gemanipuleerd en wat gemeten), wat vonden ze en welke vragen roept dat op? Uit je bespreking van de literatuur moet duidelijk worden welke relevante vraag of vragen nog niet zijn beantwoord. Dat zijn dan de vragen die je met dit onderzoek wilt beantwoorden. Als je op basis van je bevindingen in de literatuur al een bepaald antwoord verwacht op de vraag, dan stel je een hypothese op: een standpunt over het te verwachten verband. 6
4. Methode: corpusanalyse Een corpusanalyse is een objectieve en systematische beschrijving van communicatie- inhoud. Je kunt corpusanalyses uitvoeren over verschillende onderwerpen in diverse communicatiemiddelen, zoals personeelsbladen, advertenties, websites, jaarverslagen en onderhandelingsfragmenten. Aangezien je in de methodesectie beschrijft welke keuzes je hebt gemaakt, schrijf je deze sectie in de verleden tijd. In de beschrijving van de methode behoren drie elementen in deze volgorde: Materiaal De beschrijving van het corpus bevat de volgende onderdelen: het soort corpus (bv. brochures, advertenties), de tijd waarin het corpus is verschenen (bv. jaargangen van een tijdschrift), de selectie van het corpus (bv. een steekproef van een aantal nummers per jaargang) en de eenheden die je gaat analyseren (bv. een bladzijde, een advertentie, een alinea of zin). Bij de corpusselectie moet je uitleggen of de steekproeftrekking random is (iedere eenheid uit de populatie heeft een even grote kans om in de steekproef te komen) of niet. Als het random is, leg je uit welke methode je gebruikt: simple random sampling, systematic random sampling, cluster sampling of stratified sampling. Procedure Hier beschrijf je wat er op welke manier door wie is gecodeerd. Alle relevante variabelen uit het corpus krijgen een operationele definitie. Zo leg je bijvoorbeeld uit welke politieke folder als links of als rechts wordt gecodeerd of wanneer een woord uit een corpus van Nederlandse jaarverslagen Engels is of niet. De variabele politieke oorsprong krijgt bijvoorbeeld één van de drie codes (links, rechts, geen van beide; nominaal meetniveau). De variabele hoeveelheid Engelse woorden kan een optelsom zijn van het aantal Engelse woorden per jaarverslag (ratio meetniveau). In de regel wordt een corpus door meerdere codeurs (geheel of gedeeltelijk) onafhankelijk gecodeerd. In dat geval moet ook de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid berekend en gerapporteerd worden. Afhankelijk van het meetniveau gaat dit via Cohen s Kappa of Pearson s r (voor Krippendorff s alfa: raadpleeg een statisticus). Cohen s Kappa (nominaal meetniveau) Maak voor elke variabele die door twee codeurs is geanalyseerd twee aparte kolommen aan in SPSS (Figuur 1). Voor var6 zijn er dus ook twee variabelen: één voor de ene codeur (var6a) en één voor de andere codeur (var6b). 7
Figuur 1 SPSS In SPSS: analyze > descriptive statistics > crosstabs > de ene variabele bij row en de andere bij column > statistics > kappa aanvinken > continue > ok Figuur 2 laat zien hoe de antwoorden van de twee codeurs zich tot elkaar verhouden en hoe groot de Kappa (κ) is. Kappa zit tussen.00 (zeer onbetrouwbaar) en 1.00 (zeer betrouwbaar). Vanaf.70 is κ adequaat, vanaf.80 is κ goed. Figuur 2 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Rapporteren: De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de variabele politieke oorsprong was adequaat: κ =.78, p <.001. Het symbool κ vind je in Word bij invoegen > symbool. SPSS Pearson s r (interval- of rationiveau) Maak voor elke variabele die door twee codeurs is geanalyseerd twee aparte kolommen aan in SPSS (Figuur 1): één voor de ene codeur (var7a) en één voor de andere codeur (var7b). In SPSS: analyze > correlate > bivariate > beide variabelen naar variables > Pearson aanvinken > ok 8
Figuur 3 laat zien hoe de antwoorden van de twee codeurs zich tot elkaar verhouden aan de hand van de correlatie r. Pearson s r zit tussen - 1.00 (zeer onbetrouwbaar) en 1.00 (zeer betrouwbaar). Vanaf.70 is r adequaat, vanaf.80 is r goed. Rapporteren: De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de variabele hoeveelheid Engelse woorden was redelijk: r (45) =.65, p <.001. Vermeld het aantal observaties (N) altijd na r. Figuur 3 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Statistische toetsing Leg kort uit welke statistische toetsen je gebruikt om antwoord te geven op de onderzoeksvraag en/of hoe de hypothese is getoetst. 9
5. Methode: experiment Een experiment is een gecontroleerde studie waarin de onderzoeker onafhankelijke variabelen manipuleert waarvan hij / zij veronderstelt dat deze een effect hebben op de afhankelijke variabele. Zo kun je bijvoorbeeld onderzoeken hoe het soort MVO- communicatie invloed heeft op de reputatie van bedrijven of kun je nagaan wat het effect is van de taal die mensen met elkaar spreken op de effectiviteit van het uitvoeren van een gezamenlijke taak. Aangezien je in de methodesectie beschrijft welke keuzes je hebt gemaakt, schrijf je deze sectie in de verleden tijd. In de beschrijving van de methode van een experiment behoren zes elementen in onderstaande volgorde. Voor complexe experimenten kan het raadzaam zijn om te beginnen met het Onderzoeksontwerp; beslis dit in overleg met je begeleider. Materiaal In deze paragraaf beschrijf je de onafhankelijke variabele(n) en de manier waarop je die geoperationaliseerd hebt. Als het soort MVO- communicatie bijvoorbeeld een onafhankelijke variabele is (twee niveaus: aandacht voor de waarden van het bedrijf of van de stakeholder), dan leg je hier uit hoe de twee versies van een webpagina eruit zien die je hebt gemaakt. Tevens is het de bedoeling dat je aangeeft wat in het materiaal gelijk is gehouden in de verschillende versies. Als het materiaal lang is, kun je verwijzen naar een bijlage. Of er nu wel of geen bijlage is: het moet voor de lezer helder zijn in je tekst hoe je je onafhankelijke variabele(n) hebt geoperationaliseerd. Als je een pretest hebt opgezet om de manipulatie te controleren, dan beschrijf je die pretest hier. Proefpersonen Hier beschrijf je welke proefpersonen aan het experiment hebben deelgenomen en op basis van welke kenmerken je de mensen hebt geselecteerd. Wat waren de essentiële kenmerken van de proefpersonen? Het minimale dat je moet noemen is: aantal, opleidingsniveau (meest frequente niveau, range), leeftijd (gemiddelde, range), geslacht (verdeling). Zijn er andere kenmerken van belang in het onderzoek, vermeld die dan ook (bv. politieke voorkeur, gemiddeld aankoopbedrag, roker of niet- roker). Daarnaast rapporteer je of deze kenmerken verschillen tussen de groepen proefpersonen die zijn blootgesteld aan verschillende versies van het materiaal. Afhankelijk van het meetniveau van de afhankelijke variabele zal dit een χ 2 zijn (nominaal; bv. geslacht) of een t- of F- toets zijn (interval of ratio; bv. leeftijd). Onderzoeksontwerp Leg uit hoe de onafhankelijke variabele(n) is (zijn) verdeeld over de proefpersonen: tussenproefpersoonontwerp en/of binnenproefpersoonontwerp. Als proefpersonen aan één niveau van de onafhankelijke variabele zijn blootgesteld (bv. alleen Franstalig), dan is er sprake van een tussenproefpersoonontwerp. Als proefpersonen aan alle niveaus van de variabele zijn blootgesteld (bv. zowel Frans- als Nederlandstalig), is er sprake van een binnenproefpersoonontwerp. Sommige ontwerpen hebben zowel een binnen- als tussenproefpersoonontwerp (er zijn dan minimaal twee onafhankelijke variabelen, zoals taal en nationaliteit ). Als er sprake is van een controlegroep (vaak een groep die geen boodschap ontvangt, maar wel het instrument invult), benoem die dan. 10
Instrumentatie In deze paragraaf beschrijf je de afhankelijke variabele(n) en hoe je ze geoperationaliseerd hebt. Het is gebruikelijk om de variabelen in de volgorde te bespreken waarin ze ook bevraagd zijn. Als de vragen afkomstig zijn uit vorig onderzoek, geef dan de bron weer, bijvoorbeeld Betrokkenheid werd gemeten aan de hand van de schaal van Cho en Boster (2005). Bespreek per afhankelijke variabele welk type vragen zijn gebruikt en hoeveel, bijvoorbeeld zes zevenpunts semantische differentialen (bv. mooi lelijk, goed slecht ), drie zevenpunts Likert- schalen ( helemaal mee oneens helemaal mee eens ) en tien ja- nee vragen. Voor de variabelen die met meerdere items zijn gemeten (bv. attitude ten opzichte van een merk), geef je de betrouwbaarheid van de schaal aan met Cronbach s α, afgerond op twee decimalen. SPSS Cronbach s α Bereken de betrouwbaarheid voor elke variabele afzonderlijk. In SPSS: analyze > scale > reliability analysis > zet de vragen naar rechts bij items > statistics > vink scale if item deleted aan > continue > ok Figuur 4 laat zien wat de α van de items is (hier: vier items) en in de laatste kolom van de tweede tabel staat wat de α zou zijn als een vraag (bv. Apro_1) niet zou zijn meegenomen in de berekening. Hier is de α niet hoger wanneer er een vraag wordt uitgehaald. Een α van.70 is adequaat, vanaf.80 is α goed. Figuur 4 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Rapporteren: De betrouwbaarheid van de attitude ten opzichte van het product bestaande uit vier items was adequaat: α =.76. Het symbool α vind je in Word bij invoegen > symbool. MA Als je de schaal zelf ontwikkeld hebt of de bestaande schaal bestaat uit veel items (bv. meer dan tien), dan is een factoranalyse te overwegen. Bij een surveyonderzoek wordt de factoranalyse geregeld toegepast. De uitleg over factoranalyse vind je dan ook daar. Procedure Leg uit hoe de afname verliep (individueel of groepsgewijs) en hoe het onderzoek werd geïntroduceerd bij de proefpersonen. Wat vertelde de proefleider na afloop van het onderzoek? Was de procedure voor iedere proefpersoon gelijk? Zijn er storende factoren geweest? Hoe lang duurde de gemiddelde afname? 11
Statistische toetsing Leg kort uit welke statistische toetsen je gebruikt om antwoord te geven op de onderzoeksvraag en/of hoe de hypothese is getoetst. 12
6. Methode: kwalitatief onderzoek Kwalitatief onderzoek is het beschrijven, interpreteren en verklaren van gedragingen, opvattingen en producten van participanten in een meestal beperkte onderzoekssituatie, door directe gegevensverzameling van onderzoekers die daar lijfelijk aanwezig zijn en die de onderzoekssituatie zo min mogelijk verstoren. Zo kun je bijvoorbeeld in een organisatie via diepte- interviews de mening van medewerkers over de inhoud van het intranet onderzoeken of kun je achterhalen welke gedachten mensen hebben bij het verwerken van een bepaalde tekst. Aangezien je in de methodesectie beschrijft welke keuzes je hebt gemaakt, schrijf je deze sectie in de verleden tijd. Hieronder gaat het over interviews, observaties en focusgroepen. In de beschrijving van de methode van kwalitatief onderzoek behoren drie elementen in deze volgorde: Instrumentatie Vermeld allereerst wat voor soort kwalitatief onderzoek je hebt uitgevoerd, zoals (diepte- )interviews, focusgroepen of participerende observaties. Dan komt de operationele definitie van de centrale begrippen of variabelen uit je onderzoek ter sprake. Bespreek per begrip of variabele welke vragen je hebt gesteld tijdens het onderzoek, of welke begrippen centraal stonden tijdens de observatie. De verschillende onderwerpen met daarin de vragen vormen samen de topiclijst van je onderzoek. Bij observatie gaat het meestal om gestructureerde observatie van verbaal en/of non- verbaal gedrag. Het observatieschema bevat specifiek omschreven categorieën van interactiezetten of van gedragsuitingen, die verwijzen naar een bepaald interactioneel verschijnsel. Het interviewschema bevat de items die je gaat bevragen en, waar nodig, expliciete instructies met betrekking tot de vraagstrategie van de interviewer. De opzet is zodanig expliciet dat het schema ook door anderen dan de ontwerper ervan kan worden ingezet. Door zijn persoonlijke aanwezigheid bij het onderzoek maakt de onderzoeker zelf ook deel uit van het onderzoeksinstrument. Omdat deze aanwezigheid de betrouwbaarheid kan aantasten, moet je aangeven welke maatregelen je hebt genomen om de betrouwbaarheid van het onderzoek te bewaken. Bij een observatie kan de onderzoeker bijvoorbeeld opnames maken zonder zelf aanwezig te zijn. Bij een interview moet de onderzoeker vragen stellen zonder te sturen in de richting van bepaalde antwoorden. Participanten Als eerste is het van belang om aan te geven hoeveel participanten hebben meegedaan aan je onderzoek. Het aantal benodigde participanten is afhankelijk van de omvang van je interviewopzet en de specifieke kenmerken van je afstudeeronderzoek, maar een vuistregel is minimaal 10 tot 12 personen. Tevens dien je aan te geven op basis van welke kenmerken de participanten zijn geselecteerd (bv. geslacht, leeftijd, beroep). Rapporteer over de kenmerken van de participanten, of die kenmerken nu wel of niet belangrijk zijn geweest voor je selectie: aantal, opleidingsniveau (meest frequente niveau, range), leeftijd (gemiddelde, range), geslacht (verdeling). Deze kenmerken moet je altijd beschrijven; zijn er andere kenmerken van belang in het onderzoek, vermeld die dan ook (bv. politieke voorkeur, gemiddeld aankoopbedrag). Als je het onderzoek hebt afgenomen binnen een organisatie, beschrijf dan ook kort kenmerken van de organisatie die relevant zijn voor je onderzoeksvraag, zoals soort organisatie, branche en aantal medewerkers. 13
Procedure Rapporteer waar en wanneer de observatie of het interview heeft plaatsgevonden, hoe het onderzoek bij de participanten is geïntroduceerd (onder meer hoe expliciet voor hen de doelstelling van de observatie is gemaakt), hoe is geregistreerd (bv. digitale opname) en welke incidenten zich mogelijk hebben voorgedaan. Tevens geef je inzicht in de manier waarop je de participanten hebt benaderd om mee te doen aan je onderzoek (bv. uitnodiging via e- mail of aangesproken op straat). 14
7. Methode: survey In een survey vindt gegevensverzameling plaats bij veel personen over een groot aantal kenmerken. Meestal heeft een survey de vorm van gestructureerde vragenlijsten die worden afgenomen bij een steekproef uit de populatie. Zo kun je bijvoorbeeld onderzoeken wat de relaties zijn tussen gepercipieerde kwaliteit van communicatie, betrokkenheid en tevredenheid van medewerkers. Aangezien je in de methodesectie beschrijft welke keuzes je hebt gemaakt, schrijf je deze sectie in de verleden tijd. In de beschrijving van de methode van een survey behoren drie elementen in deze volgorde: Instrumentatie In deze paragraaf beschrijf je de (on)afhankelijke variabele(n) en hoe je ze geoperationaliseerd hebt. Het is gebruikelijk om de variabelen één voor één te bespreken, vaak in de volgorde waarin ze ook bevraagd zijn. Als de vragen afkomstig zijn uit vorig onderzoek, geef dan de bron weer, bijvoorbeeld Betrokkenheid werd gemeten aan de hand van de schaal van Cho en Boster (2005). Bespreek per afhankelijke variabele welk type vragen zijn gebruikt en hoeveel, bijvoorbeeld zes zevenpunts semantische differentialen (bv. mooi lelijk, goed slecht ), drie zevenpunts Likert- schalen ( helemaal mee oneens helemaal mee eens ) en tien ja- nee vragen. Voor de variabelen die met meerdere items zijn gemeten (bv. attitude ten opzichte van een merk), geef je de betrouwbaarheid van de schaal aan met Cronbach s α, afgerond op twee decimalen. Voor de berekening van de Cronbach s α, zie p. 11. Als je de schaal zelf ontwikkeld hebt of de bestaande schaal bestaat uit veel items (bv. meer dan tien), dan is een factoranalyse te overwegen. MA SPSS Factoranalyse In SPSS: analyze > dimension/data reduction > factor > klik de betreffende items naar variables > options > vink aan sorted by size en suppress absolute values/small coefficients less than en vul in,40 > continue > extraction > kies principal components bij method > vink aan scree plot > continue > rotation > oblimin aanvinken > continue > ok Een factoranalyse levert zelden een zwart- wit resultaat op. Dit betekent dat je beredeneerd een keuze moet maken. Zo zou je ook voor drie in plaats van vier factoren kunnen kiezen: met drie factoren verklaar je immers ook al 60.34% van de variantie. Vaak is een factoranalyse een iteratief proces. Wanneer sommige items te laag op een factor laden of op meerdere factoren laden, draai je de factoranalyse opnieuw door telkens één item naar links te klikken in het beginscherm bij variables. Geef elke factor zelf een eigen naam al naar gelang de inhoud van de items en bereken met Cronbach s α de betrouwbaarheid van elke schaal. Rapporteren: Een principale componentenanalyse met oblimin- rotatie liet een oplossing in vier factoren zien die samen 69.74% van de variantie verklaren. De vier factoren waren A, B, C en D en elke schaal bleek betrouwbaar (A: α =.76; B: α =.72; C: α =.89; D: α =.81). 15
Figuur 5 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Procedure en respondenten Hier beschrijf je wat voor soort survey je hebt uitgezet: een schriftelijke, een telefonische of een elektronische vragenlijst. Leg ook uit op basis van welke kenmerken de respondenten zijn geselecteerd (bv. geslacht, leeftijd, beroep) en hoe de respondenten toegang hebben gekregen tot de survey. Rapporteer over de kenmerken van de respondenten, of die kenmerken nu wel of niet belangrijk zijn geweest voor je selectie: aantal, opleidingsniveau (meest frequente niveau, range), leeftijd (gemiddelde, range), geslacht (verdeling). Deze kenmerken moet je altijd beschrijven; zijn er andere kenmerken van belang in het onderzoek, vermeld die dan ook (bv. politieke voorkeur, gemiddeld aankoopbedrag). Als je het onderzoek hebt afgenomen binnen een organisatie, beschrijf dan ook kort kenmerken van de organisatie die relevant zijn voor je onderzoeksvraag, zoals soort organisatie, branche en aantal medewerkers. Statistische toetsing Leg kort uit welke statistische toetsen je gebruikt om antwoord te geven op de onderzoeksvraag en/of hoe de hypothese is getoetst. 16
8. Resultaten De resultaten moeten de lezer voldoende houvast bieden om te begrijpen wat het antwoord op de onderzoeksvraag is of om te begrijpen of de hypothese wordt bevestigd of verworpen. Refereer ook aan de vraag (bv. onderzoeksvraag 1) en/of de hypothese (bv. hypothese 2) i n de tekst. Aangezien je in de resultatensectie beschrijft welke resultaten je hebt verkregen, schrijf je deze sectie in de verleden tijd. Eerst worden verschillende toetsen besproken die relevant zijn voor kwantitatief onderzoek, gevolgd door het rapporteren van resultaten bij kwalitatief onderzoek. Kwantitatief onderzoek: welke toets? Bij kwantitatieve methoden is het erg belangrijk dat je de juiste toets gebruikt om antwoord te geven op je onderzoeksvraag of om je hypothese te toetsen. Laat je bij de keuze van de statistische toets leiden door de uitleg in Field (2009) en/of Tabel 1. Rapporteer de resultaten van de toetsen, ook als ze niet significant zijn. Tabel 1. Het gebruik van statistische toetsen in functie van het meetniveau van de onafhankelijke en de afhankelijke variabele MA MA toets onafhankelijk afhankelijk χ 2 nominaal nominaal r ordinaal, interval, ratio ordinaal, interval, ratio regressie nominaal, interval, ratio interval, ratio t- toets interval, nominaal (1 factor) interval, ratio F- toets interval, nominaal (1 of meer factoren) interval, ratio Descriptieve statistieken Geef alle M en SD van de condities in een tabel (voor tabellen: zie hoofdstuk 11). Die M en SD staan niet in de lopende tekst, behalve als het voor de interpretatie voor de lezer nodig is. Rapportage van p- waarden Essentieel bij het interpreteren van een toets is het significantieniveau. Je spreekt alleen van een verschil tussen scores of van een verband tussen twee variabelen, als het statistisch significant is (p- waarde is kleiner dan.05). In de meeste gevallen zullen gemiddelden bijvoorbeeld wel verschillen (bv. 3.54 versus 3.20), maar als de p- waarde gelijk is aan of groter is dan.05, dan spreek je niet van een verschil. Je rapporteert altijd de exacte p- waarde met drie decimalen zoals de SPSS- output die geeft, behalve als die waarde.000 is. In dat laatste geval rapporteer je p <.001 ; in alle andere gevallen rapporteer je (bijvoorbeeld) p =.001, p =.010, p =.043, p =.050, p =.127. Rapporteer in principe alle toetsen, ook als ze een niet- significant resultaat opleveren. Wanneer er heel veel niet- significante toetsen achter elkaar gerapporteerd moeten worden (bijvoorbeeld voor een hele serie afhankelijke variabelen), dan is het toegestaan om dat samen te vatten door een constructie als (alle toetsen waren niet- significant, p s >.341) als de grootste p- waarde bijvoorbeeld.340 was. Voor deze 17
compactere weergave van niet- significante resultaten is overleg met de eerste begeleider (en de tweede beoordelaar) gewenst. SPSS Chi- kwadraat Achtergrond: samenhang tussen twee nominale variabelen, bijvoorbeeld tussen versie van de vragenlijst en het geslacht van de respondent. In SPSS: analyze > descriptive statistics > crosstabs > twee variabelen naar row of column > statistics > vink Chi- square aan > continue > ok Figuur 6 (bovenste tabel) laat zien wat de man- vrouw- verdeling is in elke versie en de toets (onderste tabel) laat zien dat er geen verband is tussen versie en geslacht (de p- waarde is.88). Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld Uit de χ 2 toets tussen de Versie van de vragenlijst en het Geslacht van de respondent bleek er geen verband te bestaan (χ 2 (3) = 0.67, p =.881). Kijk voor deze getallen in de rij die Pearson Chi- square heet. Het symbool χ vind je in Word bij invoegen > symbool. Figuur 6 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) SPSS Correlatie Achtergrond: samenhang tussen twee variabelen die minimaal van ordinaal meetniveau zijn, bijvoorbeeld tussen leeftijd en attitude ten opzichte van een product (die respectievelijk van ratio- en intervalniveau zijn). In SPSS: analyze > correlate > bivariate > twee variabelen naar variables > vink Pearson aan > ok Figuur 7 laat zien wat het verband is tussen de twee variabelen. 18
Figuur 7 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld: Uit een correlatie voor de Leeftijd van de proefpersoon en de Attitude ten opzichte van het product bleek er een significant, positief verband te bestaan (r (20) =.59, p =.006. De interpretatie moet je altijd geven, bijvoorbeeld Oudere proefpersonen bleken een positievere attitude ten opzichte van het product te hebben. Als één van de twee variabelen van ordinaal meetniveau is, dan moet je niet Pearson aanvinken, maar Spearman. Rapporteer in dat geval niet r, maar rs. Wanneer de correlatie negatief is (bv. r (20) = -.59), dan spreek je van een significant, negatief verband. Ook in dat geval moet je uitleggen wat het verband inhoudt. Als je de correlaties berekent tussen een groot aantal variabelen, dan kan het handig zijn om een correlatietabel op te nemen, zoals het voorbeeld in Tabel 2. Tabel 2. Correlaties (r) tussen leeftijd, productattitude, merkattitude en koopintentie variabele leeftijd productattitude merkattitude leeftijd productattitude.64* merkattitude.61*.75** koopintentie.52*.36.22 * p <.050, ** p <.010 MA SPSS Regressie Achtergrond: lineair verband tussen een mogelijke voorspeller (onafhankelijke variabele) en een afhankelijke variabele van interval- of ratiomeetniveau. Wanneer je één voorspeller invoert, spreek je van een enkelvoudige regressie. Wanneer je meer voorspellers invoert, spreek je van een multiple regressie, bijvoorbeeld bij het verband tussen geloofwaardigheid en leeftijd als voorspellers voor de attitude ten opzichte van het product. In SPSS: analyze > regression > linear > twee voorspellers naar independent(s) > de afhankelijke variabele naar dependent > ok Figuur 8 laat vier tabellen zien. De bovenste tabel laat zien welke voorspellers er zijn ingevoerd en (in noot b) wat de afhankelijke variabele is. De tweede tabel geeft de verklaringskracht van 19
het model met de drie variabelen aan (adjusted R 2 ) en de derde tabel laat zien of het ook een significant model is. Als dat het geval is, is het zinvol om te kijken in hoeverre de voorspellers daadwerkelijk de scores op de afhankelijke variabelen voorspellen: dit staat in de onderste tabel. Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld: Uit een multiple regressie bleek dat de Attitude ten opzichte van het product voor 72% te verklaren was door de ingebrachte variabelen (F (2, 17) = 25.74, p <.001). De geloofwaardigheid ten opzichte van het product bleek een significante voorspeller voor de attitude ten opzichte van het product (β =.96, p =.001), maar de leeftijd van de respondent niet (β = -.11, p =.655). De 72% procent haal je uit de adjusted R 2 van de tweede tabel, de F- toets haal je uit de derde tabel, en de β s en p s uit de vierde tabel. Het is verstandig om naast deze rapportage in woorden ook een tabel op te nemen die je baseert op de vierde tabel, zoals Tabel 3: Figuur 8 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) 20
Tabel 3. Regressie- analyse voor de variabelen die de attitude ten opzichte van het product voorspellen (N = 20) variabele B SE B β geloofwaardigheid 1.00.26.96** leeftijd -.07.15 -.11 R 2.72 F 25.74*** ** p <.010, *** p <.001 SPSS T- toets: onafhankelijke waarnemingen Achtergrond: toetsen van verschillen tussen de gemiddelden van twee groepen, bijvoorbeeld de affectieve betrokkenheid tussen parttime en fulltime medewerkers. In SPSS: analyze > compare means > independent- samples t test > afhankelijke variabele naar test variable en onafhankelijke variabele naar grouping variable > define groups > group 1 = 1, group 2 = 2 > continue > ok Figuur 9 laat zien of het verschil tussen de twee gemiddelden significant is of niet. Figuur 9 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld: Uit een t- toets voor Affectieve betrokkenheid met als factor Type medewerker bleek er een significant verschil te zijn tussen de Affectieve betrokkenheid van parttime en fulltime medewerkers (t (18) = 2.18, p =.043). Om het verschil te interpreteren is de bovenste tabel nodig, waarin de gemiddelden staan. Voeg daarom toe: Parttimers (M = 3.60, SD = 0.70) bleken een hogere affectieve betrokkenheid te hebben dan fulltimers (M = 2.90, SD = 0.74). In dit geval is de t- waarde negatief: - 2.18. Laat het negatief- teken altijd weg. In dit geval werd aan de assumptie van gelijke varianties voldaan, omdat de p- waarde bij equal variances assumed onder Levene s test boven.05 lag (namelijk.74). Indien die p- waarde kleiner is dan.05, dan moet je de t- toets rapporteren met de gegevens van de regel eronder (equal variances not assumed). T- toets: afhankelijke waarnemingen Achtergrond: toetsen van verschillen tussen gemiddelden binnen een groep, bijvoorbeeld de affectieve en normatieve betrokkenheid van medewerkers. 21
SPSS In SPSS: analyze > compare means > paired- samples t test > twee afhankelijke variabelen naar paired variables > ok Figuur 10 laat zien of het verschil tussen de twee gemiddelden significant is of niet. Figuur 5 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld: Uit een t- toets voor Betrokkenheid bleek er een significant verschil te zijn tussen de Affectieve en de Normatieve betrokkenheid van medewerkers (t (19) = 2.63, p =.017). Om het verschil te interpreteren is de bovenste tabel nodig, waarin de gemiddelden staan. Voeg daarom een zin toe als: De normatieve betrokkenheid (M = 3.65, SD = 0.99) bleken hoger te zijn dan de affectieve betrokkenheid (M = 3.25, SD = 0.79). In dit geval is de t- waarde negatief: - 2.18. Laat het negatief- teken altijd weg. SPSS Eenweg variantie- analyse Achtergrond: toetsen van verschillen tussen gemiddelden van drie of meer groepen, bijvoorbeeld de affectieve betrokkenheid tussen uitzendkrachten, parttime en fulltime medewerkers. Eenweg betekent dat er één onafhankelijke variabele is. In SPSS: analyze > compare means > one- way ANOVA > onafhankelijke variabele naar factor > afhankelijke variabele(n) naar dependent list > options > descriptives aanvinken > continue > post hoc > Bonferroni of Sidak aanvinken > continue > ok Figuur 11 laat zien of het verschil tussen de drie gemiddelden significant is of niet (middelste tabel) en als dat het geval is waar de verschillen gelocaliseerd zijn (onderste tabel). Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld: Uit een eenweg variantie- analyse voor Affectieve betrokkenheid met als factor Contract bleek een significant hoofdeffect van Contract (F (2, 27) = 13.88, p <.001. Om het verschil te interpreteren is de onderste tabel nodig, waarin de drie gemiddelden telkens in paren worden vergeleken. Twee vergelijkingen blijken significant. Voeg in dit geval toe: De affectieve betrokkenheid van zowel parttime medewerkers (M = 3.60, SD = 0.70) als fulltime medewerkers (2.90, SD = 0.74) bleek hoger dan van die van uitzendkrachten (M = 1.90, SD = 0.74) (Bonferroni- correctie, p <.050). Als de F- waarde kleiner is dan 1, rapporteer dan F (df) < 1. Als de uitkomst in de output F (2, 27) = 0.93, p =.972 is, dan moet je rapporteren F (2, 27) < 1. Een eenweg variantie- analyse kun je ook aansturen op de manier zoals de tweeweg variantie- analyse, maar dan door slechts één fixed factor aan te geven. 22
Figuur 6 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) MA SPSS Tweeweg variantie- analyse met alleen tussenproefpersoonfactoren Achtergrond: toetsen van het effect van twee factoren (onafhankelijke variabelen) op een afhankelijke variabele, bijvoorbeeld het effect van dienstjaren en type contract op affectieve betrokkenheid. Tweeweg betekent dat er twee onafhankelijke variabelen zijn. Er bestaat een variant met meerdere afhankelijke variabelen (multivariate). Er bestaat ook een univariate- variant, waarbij je één afhankelijke variabele ingeeft; de rapportage gaat op die laatste variant in. In SPSS: analyze > general linear model > univariate > onafhankelijke variabelen naar fixed factor > afhankelijke variabele naar dependent variable > options > OVERALL naar displays means for > descriptives statistics aanvinken > continue > ok Figuur 12 laat zien of de drie mogelijke effecten zijn opgetreden. 23
Figuur 7 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld: Uit de tweeweg variantie- analyse voor Affectieve betrokkenheid met als factoren Dienstjaren en Contract bleek een significant hoofdeffect van Dienstjaren (F (1, 16) = 7.91, p =.013). Er bleek geen significant hoofdeffect van Contract (F (1, 16) = 3.70, p =.272) en er trad ook geen interactie op tussen Contract en Dienstjaren (F (1, 16) < 1). Om het hoofdeffect van dienstjaren te interpreteren is de bovenste tabel nodig. De rij Total biedt uitkomst: Het bleek dat medewerkers met meer dan 15 dienstjaren (M = 3.70, SD = 0.67) meer affectieve betrokkenheid hadden dan medewerkers met minder dan 5 dienstjaren (M = 2.80, SD = 0.63). Als de F- waarde kleiner is dan 1, rapporteer dan F (df) < 1. Dit is het geval bij het hoofdeffect van dienstjaren. Omdat er twee factoren tegelijkertijd worden getoetst, kunnen er drie effecten optreden: een hoofdeffect voor factor 1, een hoofdeffect voor factor 2 en een interactie tussen factor 1 en factor 2. Je moet altijd over alle effecten rapporteren, of ze nu wel of niet significant zijn. Als het interactie- effect significant is, dan moet je dat effect ook interpreteren. Een voorbeeld van zo n interpretatie staat 24
hieronder bij de Tweeweg variantie- analyses met tussen- en binnenproefpersoonfactoren. MA SPSS Tweeweg variantie- analyses met tussen- en binnenproefpersoonfactoren Achtergrond: toetsen van het effect van minimaal één tussenproefpersoonfactor en minimaal één binnenproefpersoonfactor op een afhankelijke variabele, bijvoorbeeld het verschil tussen affectieve en normatieve betrokkenheid en het effect van dienstjaren daarop. In SPSS: analyze > general linear model > repeated measures > betrokkenheid (of een andere naam) als within- subject factor name > number of levels 2 invullen > klik op add > define > de twee afhankelijke variabelen naar within- subjects variables > onafhankelijke variabele naar between- subjects factor(s) > options > OVERALL naar displays means for > descriptives statistics en homogeneity tests aanvinken > continue > ok In figuur 13 staat of de twee mogelijke effecten zijn opgetreden. Het binnenproefpersoon- effect staat in Tests of within- subjects effects en het tussenproefpersoon- effect staat in Tests of between- subjects effects. Figuur 8 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) 25
Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld: Uit de tweeweg variantie- analyse met herhaalde metingen voor Betrokkenheid met als factoren Soort betrokkenheid en Dienstjaren bleek een significant hoofdeffect van Soort betrokkenheid (F (1, 18) = 8.23, p =.010) en van Dienstjaren (F (1, 18) = 22.54, p <. 001). Deze hoofdeffecten werden gekwalificeerd door een significant interactie- effect tussen Soort betrokkenheid en Dienstjaren (F (1, 18) = 4.63, p =.045). Om het interactie- effect te interpreteren is de bovenste tabel nodig. Het verschil tussen de twee soorten betrokkenheid lijkt afwezig bij de proefpersonen met weinig dienstjaren. Het effect van betrokkenheid moet daarom bekeken worden per niveau van dienstjaren. Stap 1: data > split file > organize output by groups aanvinken en de onafhankelijke variabele naar groups based on klikken > ok. Stap 2: analyze > general linear model > repeated measures > alles zoals hierboven alleen de onafhankelijke variabele bij between- subjects factor(s) naar links klikken > ok. Je krijgt nu nagenoeg dezelfde output twee keer: één keer voor het ene niveau van dienstjaren en één keer voor het andere niveau van dienstjaren. Figuur 14 laat twee van de 22 (!) tabellen zien. De gemiddelden die nodig zijn bij de interpretatie zijn al gegeven in figuur 14. Figuur 9 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) 26
Rapporteren: Het verschil tussen de twee soorten betrokkenheid bleek alleen op te treden voor de proefpersonen met meer dan 15 dienstjaren (F (1, 9) = 21.00, p =.001): de normatieve betrokkenheid (M = 4.40, SD = 0.52) was bij hen hoger dan de affectieve betrokkenheid (M = 3.70, SD = 0.67). Er bleek geen verschil tussen de twee soorten betrokkenheid voor de proefpersonen met minder dan 5 dienstjaren (F (1, 9) < 1). Als de F- waarde kleiner is dan 1, rapporteer dan F (df) < 1. Dit is het geval bij het laatstgenoemde resultaat. MA SPSS Multivariate variantie- analyse Achtergrond: toetsen van het effect van één of meerdere factoren (onafhankelijke variabelen) op twee of meer afhankelijke variabelen. In plaats van univariate variantie- analyses voor elke afhankelijke variabele ga je in één keer na of er een effect is op de afhankelijke variabelen samen omdat die variabelen in redelijk tot hoge mate samenhangen. De factoren kunnen tussen- en binnenproefpersoon zijn. In dit voorbeeld wordt de meest eenvoudige MANOVA (multivariate ANOVA) beschreven: één tussenproefpersoonfactor en twee afhankelijke variabelen, bijvoorbeeld het effect van geslacht op productattitude en koopintentie. In SPSS: analyze > general linear model > multivariate > onafhankelijke variabele naar fixed factor > afhankelijke variabelen naar dependent variable > options > OVERALL naar displays means for > descriptives statistics aanvinken > continue > ok Figuur 15 laat zien of er multivariate en univariate effecten zijn opgetreden. In de tabel Multivariate tests wordt getoetst of er een effect is op de twee variabelen samen (kijk altijd in de rij Wilks Lambda). In de tabel Tests of between- subjects effects wordt vervolgens ingegaan op de effecten per afhankelijke variabele. Rapporteren: begin je zin altijd met de toets en de variabelen. Bijvoorbeeld: Uit de eenweg multivariantie- analyse voor Productattitude en Koopintentie met als factor Geslacht bleek een significant multivariaat effect van Geslacht (F (2, 17) = 4.48, p =.027). Alleen als er een significant multivariaat effect is, mag je kijken naar de volgende tabel en moet je de analyses daaruit rapporteren. Als er geen significant multivariaat effect is, is dat het einde van je analyse. Om het multivariate effect van geslacht te interpreteren is de tweede tabel nodig. Om de univariate effecten te interpreteren zijn de descriptieve statistieken nodig (niet afgebeeld in figuur 15): Uit univariate analyses bleek dat er een effect was van Geslacht op de Productattitude (F (1, 18) = 6.94, p =.017) en op de Koopintentie (F (1, 18) = 8.44, p =.009). Vrouwen hadden een hogere productattitude (M = 3.60, SD = 0.70) en koopintentie (M = 4.10, SD = 0.74) dan mannen (productattitude: M = 2.70, SD = 0.82; koopintentie: M = 3.00, SD = 0.94). Als de F- waarde kleiner is dan 1, rapporteer dan F (df) < 1. 27
Figuur 15 (NB dit is SPSS- output en mag niet worden opgenomen in een verslag) Kwalitatief onderzoek Bij de rapportage van de kwalitatief verkregen data gaat het erom dat je een zogenaamd patroon vindt in de data. Dit doe je door de kwalitatieve data schematisch in een tabel samen te vatten op basis van een aantal thema s. Soms zijn de thema s in het theoretisch kader al beschreven. In het onderstaande wordt alleen ingegaan op de verwerking van interviewdata, omdat het meeste kwalitatieve onderzoek bij CIW met behulp van interviews plaatsvindt. Voor de verwerking van data uit observatie is de werkwijze in hoge mate vergelijkbaar. Van elk interview schrijf je een volledig transscript uit, waarin je vervolgens met doorhalingen de irrelevante onderdelen aangeeft (bv. opmerkingen over het weer, de koffie of een voetbaluitslag). Maak op basis van deze uitwerkingen voor jezelf een tabel aan met daarin in elke kolom een nieuw item. In de rijen zet je de verschillende participanten. In de analyse van de interviewdata kun je per rij (dus per geïnterviewde) vaststellen in hoeverre de uitspraken coherent en consistent zijn. Per kolom (dus per item) kun je bepaalde patronen achterhalen. Dit houdt in dat je uitspraken groepeert of categoriseert. Zo kun je soorten motieven achterhalen voor bijvoorbeeld weerstand tegen organisatieveranderingen, door uitspraken van geïnterviewden naar soort te groeperen. Of je kunt zo opvattingen over vormen van participatie in besluitvorming 28
groeperen. Label uitspraken die volgens jou bij elkaar horen met een code of kleur. Een risico bij de analyse is dat de onderzoeker onjuiste interpretaties van uitspraken doet of een ambigue wijze van coderen gebruikt. Het is daarom verstandig om (een deel van) de data door een andere beoordelaar te laten beoordelen. De tabellen die zijn ingezet voor de beschrijving en analyse van de data, de transcripten en eventueel de opnamen voeg je toe bij voorkeur in een elektronische bijlage. Bewaar originele beeld- en geluidsopnamen voor controle tijdens het onderzoek en als materiaal voor vervolgonderzoek. Geef geen opsomming van verschillende meningen van mensen. Als je bijvoorbeeld 15 mensen hebt geïnterviewd, is het niet de bedoeling dat je per participant een samenvatting geeft van de antwoorden, maar dat je patronen ontdekt in alle antwoorden samen. Hebben alle participanten dezelfde mening over een bepaald thema? Zo ja, beschrijf die mening. Wellicht vind je dat de totale groep van participanten uiteenvalt in drie groepen van meningen; beschrijf dan die drie groepen. Daarbij kun je in de data ook zoeken naar verklaringen van de verschillen tussen de drie groepen; hebben die mensen in een bepaalde groep altijd dezelfde mening of verschilt dat per vraag en/of hebben de mensen in een bepaalde groep wellicht dezelfde persoonskenmerken, zoals leeftijd of beroep? Vervolgens is het mogelijk om uitspraken te doen over de samenhang tussen de bevindingen per item. Zo kun je bijvoorbeeld vaststellen dat een negatieve houding ten opzichte van opwaarts communiceren lijkt samen te hangen met geringe betrokkenheid, lage opleiding en angst voor sancties van de leiding. De status van dergelijke samenhangen is hypothetisch, maar kunnen aanleiding geven voor surveyonderzoek. Het ontdekken van patronen in de data impliceert ook dat je niet per gestelde vraag de antwoorden gaat beschrijven. Wellicht heb je een paar vragen gesteld die over één en hetzelfde onderwerp gaan; beschrijf dan de antwoorden per onderwerp. Het is dus de bedoeling dat je de resultaten in een goed leesbaar beschouwing presenteert. Illustreer de patronen die je gevonden hebt met enkele citaten van de participanten. Zorg er dan wel voor dat de lezer de resultaten kan onderscheiden van de citaten. Dit kun je doen door tussen de citaten en de gewone tekst een witregel te laten en door de citaten schuin te drukken. Daarnaast kunnen tabellen met gegevens, bijvoorbeeld percentages, erg verhelderend zijn. 29
9. Conclusie en discussie Conclusie De lezer is geïnteresseerd in het antwoord op de onderzoeksvragen of in het uitkomen van de hypothese. Bij de resultaten is die informatie voornamelijk gegeven aan de hand van toetsen. Hier geef je die informatie alleen in woorden weer. De conclusieparagraaf is meestal kort. Als hij erg kort wordt bijvoorbeeld als je één onderzoeksvraag hebt dan kun je één paragraaf maken waarin de conclusie en discussie achter elkaar aan bod komen: Conclusie en discussie. Discussie De discussie heeft een tweeledige functie. Ten eerste ga je hier in op de vraag wat de meest plausibele verklaring is voor je resultaten. Hierbij zijn de volgende vragen belangrijk: Waarom kwam eruit wat je verwachtte, of juist niet? Zijn er alternatieve verklaringen voor de gevonden resultaten? Hoe zou je in vervolgonderzoek kunnen nagaan welke van de verklaringen correct zijn? Wat zijn de beperkingen van het huidige onderzoek en hoe zouden die kunnen worden tegengegaan in vervolgonderzoek? Ten tweede heeft de discussie als functie dat je aangeeft wat de resultaten voor gevolgen hebben voor het theoretisch kader dat je in de inleiding hebt geschetst. Koppel de resultaten dus aan relevante literatuur die je hebt besproken in de inleiding. 30
10. Literatuurreferenties In een onderzoeksverslag refereer je naar andere verslagen, zoals artikelen of boeken. Op het einde van het onderzoeksverslag neem je een lijst op van de referenties waarnaar je hebt verwezen in het verslag. Voor het refereren in de tekst en in de lijst gelden strikte conventies. Hieronder worden de meest gebruikelijke verschijningsvormen besproken. Voor andere gevallen, raadpleeg www.apastyle.org. In vergelijking met de 6 e editie van de APA- normen is in dit vademecum voor tijdschriftartikelen een eenvoudigere rapportage gekozen. Refereren in een tekst Je hebt twee mogelijkheden: of je verwerkt de referentie in de zin of je plaatst de referentie tussen haakjes achter de zin. referentie in de zin (auteursgericht) Voorbeeld: Petty en Cacioppo (1986) hebben een model ontwikkeld voor overtuigen door communicatie. Je noemt beide auteurs en schrijft het jaartal van publicatie tussen haakjes erachter. referentie achter de zin (inhoudsgericht) Voorbeeld: Voor overtuigen door communicatie is het Elaboration Likelihood Model opgesteld (Petty & Cacioppo, 1986). Nu plaats je tussen de auteurs & in plaats van en. Het aantal auteurs Bij een publicatie die door drie, vier of vijf auteurs is geschreven, schrijf je de eerste keer alle namen op of het nu om een auteursgerichte of inhoudsgerichte referentie gaat: Petty, Cacioppo en Schumann (1983) laten zien dat. De daaropvolgende keren volsta je met de eerste auteur gevolgd door et al. : bijvoorbeeld in verschillende onderzoeken (Petty et al., 1983). Bij een publicatie die door zes of meer auteurs is geschreven, schrijf je altijd de eerste auteur op gevolgd door et al. Citaten In de tekst kun je ook een citaat opnemen. In dat geval moet je het paginanummer vermelden, bijvoorbeeld: Petty et al. (1983, p. 136) stellen dat neither the central nor the peripheral approach alone can account for the diversity of attitude- change results observed. of Volgens de onderzoekers is het zo dat neither the central nor the peripheral approach alone can account for the diversity of attitude- change results observed. (Petty et al., 1983, p. 136). Refereren in de literatuurlijst De literatuurlijst bevat alle referenties die in de tekst zijn opgenomen en ook alleen maar die referenties. Artikelen of boeken die je wel hebt gelezen maar die niet staan genoemd in het verslag, komen niet voor in de literatuurlijst. In Tabel 4 staan de conventies per type publicatie. 31
Tabel 4. Rapportageconventies van de literatuurlijst in functie van publicatiesoort publicatiesoort conventie voorbeeld artikel uit tijdschrift Auteur, A. A., Auteur, B. B., & Auteur, C. C. (jaartal). Titel van artikel. Titel van het Tijdschrift, Jaargangnummer, eerste blz. - laatste blz. Petty, R. E., Cacioppo, J. T., & Schumann, D. (1983). Central and peripheral routes to advertising effectiveness: The moderating role of involvement. Journal of Consumer Research, 10, 135-146. online artikel uit tijdschrift hoofdstuk uit geredigeerd boek boek krantenartikel online krantenartikel Auteur, A. A., Auteur, B. B., & Auteur, C. C. (jaartal). Titel van artikel. Titel van het Tijdschrift, Jaargangnummer, eerste blz. - laatste blz. Auteur, A. A., & Auteur, B. B. (Jaartal). Titel van het hoofdstuk. In A. A. Redacteur, & B. Redacteur (Red.), Titel van het boek (editie, pp. eerste blz - laatste blz). Plaats van uitgave: Uitgever. Auteur, A. A. (jaartal). Titel van het boek. Plaats van uitgave: Uitgever. Auteur, A. A (jaartal, datum). Titel van artikel. Titel van de krant, p. bladzijde. Auteur, A. A (jaartal, datum). Titel van artikel. Titel van de krant. Geraadpleegd van http://internet- adres. Hoeken, H., & Hustinx, L. (2009). When is statistical evidence superior to anecdotal evidence in supporting probability claims? The role of argument type. Human Communication Research, 35, 491-510. Petty, R. E. (2006). The research script: One researcher's view. In F. T. Leong & J. M. Austin (Red.), The psychology research handbook: A guide for graduate students and research assistants (2e ed., pp. 465-480). Thousand Oaks, CA: Sage Publications. Petty, R. E., & Cacioppo, J. T. (1986). Communication and persuasion: Central and peripheral routes to attitude change. New York: Springer. Pfanner, E. (2006, 20 januari). Dual citizens, one bottom line: In a changing Europe, the British- Dutch model yields new benefits - and drawbacks. International Herald Tribune, p. A4. Pfanner, E. (2006, 20 januari). Dual citizens, one bottom line: In a changing Europe, the British- Dutch model yields new benefits - and drawbacks. International Herald Tribune. Geraadpleegd van http://global.nytimes.com 32
Het aantal auteurs In de literatuurlijst noteer je tot en met zeven auteurs alle auteurs, zoals onderstaand voorbeeld: Gerritsen, M., Nickerson, C., Hooft, A. van, Meurs, F. van, Nederstigt, U., Starren, M., & Crijns, R. (2007). English in product advertisements in Belgium, France, Germany, the Netherlands, and Spain. World Englishes, 26, 291-315. Wanneer een publicatie acht of meer auteurs heeft, dan noteer je de eerste zes auteurs, gevolgd door puntjes en de allerlaatste auteur, zoals onderstaand voorbeeld: Gerritsen, M., Nickerson, C., Hooft, A. van, Meurs, F. van, Korzilius, H., Nederstigt, U.,, & Crijns, R. (2010). English in product advertisements in non- English- speaking countries in Western Europe: Product image and comprehension of the text. Journal of Global Marketing, 23, 349-365. Volgorde De literatuurlijst is alfabetisch geordend op achternaam van de eerste auteur gevolgd door het jaartal (oudere jaren eerst). Daarom staat O Keefe (2007) voor O Keefe en Figgé (1999) (achternaam- regel) en O Keefe (1999) boven O Keefe (2007) (jaar- regel). Om referenties van dezelfde auteurs uit hetzelfde jaar uit elkaar te halen kun je a en b gebruiken in de tekst en in de literatuurlijst. Zo wordt het boek van O Keefe (2002) als (2002a) aangegeven en het artikel van dezelfde auteur uit 2002 als (2002b), omdat de twee referenties uit 2002 voor het eerst verschillen in de eerste letter van de titel ( Persuasion versus The ). Deze lijst illustreert bovenstaande gevallen: O Keefe, D. J. (1999). How to handle opposing arguments in persuasive messages: A meta- analytic review of the effects of one- sided and two- sided messages. Communication Yearbook, 22, 209-249. O Keefe, D. J. (2002a). Persuasion: Theory and research (2e editie). Thousand Oaks, CA: Sage. O Keefe, D. J. (2002b). The persuasive effects of variation in standpoint articulation. In F. H. van Eemeren (Red.), Advances in pragma- dialectics (pp. 65-82). Amsterdam: Sic Sat. O Keefe, D. J. (2007). Persuasieve effecten van strategische manoeuvres: Bevindingen naar aanleiding van meta- analyses van empirisch onderzoek naar persuasieve effecten. Tijdschrift voor Taalbeheersing, 29, 196-206. O Keefe, D. J., & Figgé, M. (1999). Guilt and expected guilt in the door- in- the- face technique. Communication Monographs, 66, 312-321. Petty, R. E., & Briñol, P. (2008). Persuasion: From single to multiple to metacognitive processes. Perspectives on Psychological Science, 3, 137-146. Petty, R. E., & Brock, T. C. (1981). Thought disruption and persuasion. In R. E. Petty, T. M. Ostrom, & T. C. Brock (Red.), Cognitive responses in persuasion (pp. 55-79). Hillsdale, NJ: Erlbaum. 33
11. Tabellen Tabellen kunnen in de inleiding en methode worden opgenomen, maar spelen vooral bij het rapporteren van resultaten van onderzoek een belangrijke rol. In een tabel rapporteer je als het om resultaten gaat de frequenties of gemiddelden van de afhankelijke variabelen al naar gelang van het niveau van de onafhankelijke variabele. Een voorbeeld van een tabel is Tabel 5. De richtlijnen die niet over getallen gaan, gelden ook voor tabellen met alleen tekst. Tabel 5. De overtuigingskracht van advertenties in functie van fit (wel of niet passend bij het product) en vreemde taal (tenzij anders aangegeven is elk gemiddelde gebaseerd op n = 75) (1 = negatieve attitude, 5 = positieve attitude) productattitude merkattitude percentage positieve associaties vreemde taal M SD M SD M SD n Duits passend 3.32 1.36 3.99 1.36.65.49 34 niet passend 3.70 1.40 4.44 1.33.57.47 42 Frans passend 3.24 1.35 4.49 1.27.61.45 37 niet passend 3.15 1.30 3.96 1.32.47.48 27 Spaans passend 2.95 1.36 4.54 1.26.64.45 37 niet passend 2.29 0.98 3.45 1.09.14.30 43 Richtlijnen: Een tabel heeft een nummer en een titel. De titel moet zonder omringende tekst te begrijpen zijn. Geef aan om wat voor scores het gaat (bv. productattitude), wat de laagste en de hoogste scores betekenen (bv. hogere scores houden positieve attitudes in) en waar het naar is uitgesplitst (bv. vreemde taal). Zet een lijn boven en onder de bovenste kolom die de variabelen aangeeft. Zet een lijn onder de tabel als geheel. Gebruik alleen horizontale lijnen. Zorg dat boven elke kolom en naast elke rij een label staat zodat de lezer kan zien waar die scores voor staan; gebruik voor die kopjes geen afkortingen! Als de tabel over resultaten rapporteert, zorg er dan ook voor dat die resultaten in de tekst staan. Als je gemiddelden rapporteert (M), zet er dan de standaarddeviatie (SD) en het aantal observaties (n) bij. Scores (gemiddelden, standaarddeviaties, percentages) worden afgerond tot twee decimalen achter de punt. Zo wordt 2.891 afgerond als 2.89 en 2.895 als 2.90. 34
Gebruik als input voor je tabel in principe de toets waarmee je antwoord geeft op je onderzoeksvraag (bv. χ 2, t- toets, F- toets). Gebruik je geen toets, maar wil je wel deze gegevens rapporteren, dan kan dat op de volgende manieren. SPSS SPSS Frequenties genereren Analyze > descriptive statistics > frequencies > klik de gewenste variabele naar variable(s) > ok Je krijgt dan van elke variabele de frequenties en percentages van alle scores Gemiddelden genereren Analyze > descriptive statistics > descriptives > klik de gewenste variabele naar variable(s) > ok Je krijgt dan van elke variabele M, SD, n en de hoogste en laagste score 35
12. Spelling, grammatica, stijl, symbolen en lay- out De lezer van een onderzoeksverslag zal niet overtuigd zijn van de kwaliteit van je onderzoek en de gevonden resultaten als het verslag slecht scoort op spelling, grammatica, stijl en lay- out. Voor spelling en grammatica is het onmogelijk om hier een uitputtend overzicht te geven van tips. Voor meer informatie is het advies: Renkema, J. (2002). Schrijfwijzer. Den Haag: Sdu. Houd in ieder geval rekening met deze meest gemaakte fouten: Spelling - d of - t Het onderzoek is uitgevoerd (*uitgevoert). Deelwoorden zijn nooit met dt (* Het is gebeurdt ). Vooral in bijzinnen liggen - d/- t- fouten op de loer, omdat de afstand tussen onderwerp en persoonsvorm vaak groot is. Samengestelde woorden Schrijf samengestelde woorden aan elkaar: stageplaats (*stage plaats), internetverbinding (*internet verbinding) en televisiecommercial (*televisie commercial). In het Engels staan woorden in de regel wel los geschreven (bv. television commercial). Word haalt dit soort fouten er niet uit. alle of allen (als zelfstandig naamwoord) Verwijs je naar personen, dan is het altijd met een - n ( De vragenlijst werd uitgedeeld aan 120 medewerkers. Allen vulden de vragenlijst in ). Verwijs je niet naar personen, dan is het altijd zonder - n ( De vragenlijsten werden per brief gestuurd. Niet alle werden ingevuld teruggestuurd ). Grammatica hen of hun Gebruik hun alleen als het een meewerkend voorwerp is zonder voorzetsel: De proefleiders gaven hun een vragenlijst. Je gebruikt hen in alle andere gevallen, zoals De proefleiders gaven aan hen een vragenlijst. dat of wat Gebruik dat als je verwijst naar een onzijdig zelfstandig naamwoord ( Het probleem dat veel onderzoekers hebben aangekaart ). Gebruik wat in alle overige gevallen, bijvoorbeeld Tevredenheid heeft een invloed op arbeidskwaliteit, wat veel studies hebben onderstreept. Stijl Vermijd lange citaten (bv. langer dan drie regels). Als een citaat niets toevoegt aan je tekst, vraag je dan af of het opnemen van dat citaat nodig is. Vermijd archaïsch taalgebruik zoals teneinde, betreffende, reeds en welke (* Het onderzoek welke werd uitgevoerd ; welke > dat). Vermijd in het Nederlands een persoonlijk perspectief: geen ik, mijn, onze werkgroep, in het kader van de cursus X of van onze docent. Schrijf precies. Vermijd vage woorden als kijken in Het vorige onderzoek keek alleen naar de relatie tussen de soorten teksten en vervang dat door woorden als 36
beschrijven, beoordelen of verklaren : Het vorige onderzoek verklaarde alleen de relatie tussen de soorten teksten. Werkwoordtijden: in de inleiding en de discussie staat alles in de tegenwoordige tijd in het Nederlands. Die hoofdstukken bevatten informatie die in feite niet- tijdgebonden is. In de bespreking van methode en resultaten staan de zinnen in de verleden tijd. Wat je beschrijft, is immers feitelijk zo gebeurd in het verleden. Symbolen Veel symbolen bij het rapporteren moeten worden gecursiveerd, maar niet alle. In Tabel 6 staat de mogelijke cursivering voor elk symbool weergegeven inclusief de betekenis. Tabel 6. symbool CURSIEF B F M n N p r R 2 rs SD SE B t Symbolen en hun betekenis betekenis ongestandaardiseerd regressiegewicht F- toets gemiddelde groepsgrootte totale groepsgrootte significantieniveau Pearson correlatie verklaarde variantie modeltoetsing regressie Spearman correlatie standaardafwijking standaardfout van B- gewicht in regressie t- toets NIET CURSIEF α β κ χ 2 betrouwbaarheidsindex Cronbach gestandaardiseerd regressiegewicht interbeoordelaarsbetrouwbaarheid Cohen χ 2 - toets Lay- out regelafstand 1,5 12- punts lettertype marges rondom 2,5 cm. paginanummers onderaan elke bladzijde (behalve de titelpagina) 37
13. Fraude en plagiaat Je mag geen werk inleveren dat je reeds ingeleverd hebt bij andere cursussen zonder uitdrukkelijke toestemming van je begeleider. Zorg er daarnaast voor dat je van alle teksten die je inlevert (dus bijvoorbeeld ook conceptteksten die niet voor een cijfer worden beoordeeld), de bronnen correct vermeldt en citaten duidelijk als zodanig aangeeft. Je begeleider kan gebruikmaken van plagiaatdetectiesoftware om je teksten op plagiaat te controleren. In verband hiermee moet je op verzoek een digitale versie van je werk ter beschikking stellen, bijvoorbeeld door dit op BlackBoard te plaatsen. Voor meer informatie over fraude en plagiaat, zie de facultaire website: www.ru.nl/letteren > Onderwijs > Onderwijsregelingen. Onder het kopje Fraude vind je een toelichting en onder het kopje Plagiaat vind je de studentenhandleiding Plagiaat: wat is het, wat zijn de sancties, en hoe valt het te voorkomen?. Deze toelichting en handleiding worden als bekend verondersteld. 38
14. Checklist Onderstaande checklist is een hulpmiddel om na te gaan of je voldoet aan de richtlijnen voor rapporteren. Voor de specifieke invulling moet het vademecum worden geraadpleegd.! voorblad met naam cursus, naam student, studentnummer, e- mail, telefoon! correcte spelling, grammatica en stijl! regelafstand 1,5! 12- punts lettertype! marges rondom 2,5 cm.! paginanummers onderaan de bladzijde! begrijpelijke samenvatting! heldere, goed opgebouwde inleiding! correcte beschrijving van de methode! correcte tabellen volgens APA! juiste statistische analyses! resultaten correct weergegeven! heldere conclusie en discussie! correcte literatuurreferenties in de tekst volgens APA! correcte literatuurreferenties in de literatuurlijst volgens APA! geen fraude en plagiaat 39