Ouderbetrokkenheid: interviewschema Contactinformatie: Prof. dr. Johan van Braak, Lien Ghysens en Ruben Vanderlinde Vakgroep Onderwijskunde Universiteit Gent Inleiding Met dit interview willen we meer te weten komen over uw opvattingen over de lagere school. We zijn geïnteresseerd in de vraag hoe u als ouder tegen de school van uw kind aankijkt. We stellen ook een aantal vragen over uw relatie met de school en hoe u terugdenkt over uw eigen schooltijd. We willen er meteen bijzeggen dat alle informatie die u geeft volledig vertrouwelijk wordt behandeld. We doen deze oefening voor onze opleiding pedagogische wetenschappen. Er wordt op geen enkele manier persoonlijke informatie doorgespeeld. Ook wordt nergens vermeld wat de naam is van uw kind en van de school waar hij/zij naartoe gaat. Omdat we alles goed moeten kunnen verwerken, nemen we dit interview op op tape. We hopen dat u dit niet erg vindt. De antwoorden op de eerste vragen ken ik al, maar ik ga ze toch stellen voor de tape. 1. Hoe heet uw kind waarover we het in dit interview zullen hebben? 2. Hebt u nog andere kinderen? Zijn zij ouder of jonger? 3. In welk leerjaar zit (naam)? 4. Vindt u dat (naam) het goed doet op school in vergelijking met de klasgenootjes? Ik heb het dan over leerprestaties. 5. Vindt u dat (naam) zich goed voelt op school? (Zo neen, wat is hiervan dan de reden?) 6. Is (naam) ooit al blijven zitten op school? Waar en wanneer? 1
I. Percepties over de school We hebben u gevraagd voor een interview omdat (naam) in de lagere school zit. We stellen u eerste een aantal vragen over de school van (naam). 1. Wat is uw mening over de school waar uw kind naartoe gaat? Vindt u dit een goede school? Waarom (niet)? 2. Is (naam) enthousiast over de zaken die hij leert op school? 3. Is (naam) enthousiast over de andere activiteiten op school (bijvoorbeeld schoolreizen, toneel )? 4. Vindt u dat uw kind goed onderwijs krijgt op school? 5. Zou u de school van uw kind aanbevelen aan andere ouders? 6. Zou u de school punten mogen geven op tien. Hoeveel zou u geven? 7. Houdt de leraar van (naam) u op de hoogte van de vooruitgang die hij/zij boekt? 8. Contacteert de school u wanneer er zich problemen voordoen bij (naam)? 9. Heeft de school u op de hoogte gebracht van het schoolreglement? 10. Brengt de school u op de hoogte van schoolactiviteiten (voor ouders?)? 11. Zorgt de school ervoor dat activiteiten en festiviteiten georganiseerd worden op momenten dat u aanwezig kan zijn als ouder? 12. Nodigt de leraar u uit om te helpen in de klas van uw kind? 13. Verwacht de leraar van (naam) dat u hem/haar helpt bij zijn/haar huiswerk? 14. Verwacht de leraar van (naam) dat u zijn/haar huiswerk nakijkt? 15. Verwacht de leraar dat u s avonds met uw kind praat over de voorbije schooldag? 16. Voelt u zich als ouder welkom op de school van uw kind? 17. Vindt u dat de leerkracht voldoende tijd vrij maakt als u bepaalde vragen hebt? 18. Vindt u dat de school voldoende gelegenheid geeft om over de ontwikkeling van (naam) te praten? 19. Helpt het schoolpersoneel u goed wanneer u bepaalde vragen hebt? 2
20. Toont de leraar interesse wanneer u met hem/haar over uw kind praat? 21. Voelt (naam) zich veilig op school? 22. Is er vaak ruzie in de klas van (naam)? II. Percepties over onderwijs 1. Denkt u dat de lagere school tegenwoordig beter is dan vroeger? Op welk(e) gebied(en)? 2. Had u liever zelf in een lagere school gezeten zoals die er vandaag uitziet? Waarom (niet)? 3. Wat zijn volgens u de eigenschappen van de perfecte leraar voor (naam)? 4. Nu ga ik telkens twee uitspraken tegenover elkaar plaatsen. Het zijn niet altijd tegenstellingen, maar ik wil u wel vragen welk van de twee uitspraken u het belangrijkste vindt voor uw kind op school. U moet dus altijd één voorkeur geven. 1 (Naam) kan de hoofdsteden van Europa opsommen. OF (Naam) kan iets voor de klas vertellen zijn/haar vakantie in het buitenland. 2 (Naam) heeft goede punten op zijn/haar rapport. OF (Naam) kan met een andere leerling goed samenwerken aan een opdracht. 3 (Naam) kan mee beslissen wat er geleerd gaat worden. OF De leraar beslist wat er geleerd moet worden. 4 Op het rapport van (naam) staan cijfers per vak zoals taal en wiskunde, en ook een algemeen percentage. OF Op het rapport staan geen cijfers, maar wel een beschrijving van wat (naam) goed kan en minder goed kan. 5 (Naam) werkt samen met een andere leerling aan de computer. OF (Naam) maakt zelfstandig oefeningen nadat de leraar de leerstof heeft uitgelegd. 6 De school bereidt voor op een beroep. OF De school boort zoveel mogelijk nieuwe interesses aan. 7 (Naam) beslist zelf wanneer hij/zij taal- of rekenoefeningen doet. OF De leraar beslist wanneer aan taal- of rekenoefeningen wordt gedaan. 8 (Naam) werkt alleen in de klas. OF (Naam) werkt met anderen samen in groepjes. 9 De school leert kinderen vooral nadenken over wat er in de wereld gebeurt. OF De school leert vooral lezen, rekenen en schrijven. 10 De school brengt (naam) discipline bij. OF De school geeft (naam) veel vrijheid. 3
De volgende vragen gaan over uw eigen schooltijd. We willen graag weten welke herinneringen u hier aan overgehouden hebt. 5. Wilt u iets vertellen over uw eigen schooltijd? Hebt u goede of slechte herinneringen aan uw school van vroeger? Over welke school gaat dit? Gaat dit over het secundair onderwijs of ook over het lager onderwijs? 5. a. We hebben een aantal vragen voorbereid om nog een duidelijker idee te krijgen over hoe u aankijkt tegenover uw school van vroeger. Onze vraag is in welke mate u het eens of oneens bent met de volgende uitspraken. Ze gaan allemaal over uw eigen onderwijsverleden. U hebt verschillende antwoordmogelijkheden: helemaal oneens, oneens, niet eens/niet oneens, eens, helemaal eens. Indien u wilt kunt u de antwoorden ook zelf aankruisen. De eerste uitspraken gaan over de lagere school. Daarna geef ik u dezelfde uitspraken voor de middelbare school. 1. Ik heb vooral goede herinneringen aan mijn lagere school 2. Ik vind dat ik op de lagere school veel van mijn tijd heb verspild. 3. Ik denk met plezier terug aan de tijd dat ik op de lagere school zat. 4. Als ik terugdenk aan mijn lagere school komen vooral negatieve gevoelens boven. 5. Ik had op de lagere school met de meeste leraren een goede relatie. 6. Ik heb beslist geen heimwee als ik terugdenk aan mijn lagere school. 7. De lagere school heeft mij veel vooruitgeholpen in het leven. 8. Ik ging allesbehalve graag naar de lagere school. 9. De tijd van de lagere school was de mooiste tijd van mijn leven. 10. Ik ben blij dat de lagere school verleden tijd is. helemaal oneens Oneens noch eens / noch oneens eens helemaal eens 5. b. Nu geef ik u dezelfde uitspraken voor de middelbare school. 1. Ik heb vooral goede herinneringen aan mijn middelbare school 2. Ik vind dat ik op de middelbare school veel van mijn tijd heb verspild. 3. Ik denk met plezier terug aan de tijd dat ik op de middelbare school zat. 4. Als ik terugdenk aan mijn middelbare school komen vooral negatieve gevoelens boven. 5. Ik had op de middelbare school met de meeste leraren een goede relatie. 6. Ik heb beslist geen heimwee als ik terugdenk aan mijn middelbare school. 7. De middelbare school heeft mij veel vooruitgeholpen in het leven. 8. Ik ging allesbehalve graag naar de middelbare school. 9. De tijd van de middelbare school was de mooiste tijd van mijn leven. 10. Ik ben blij dat de middelbare school verleden tijd is. helemaal oneens Oneens noch eens / noch oneens eens helemaal eens 4
6. Zijn er bepaalde gebeurtenissen uit uw eigen onderwijsverleden die in positieve of in negatieve zin - een stempel hebben gedrukt op de manier waarop u aankijkt tegen de school? Kunt u hierover iets vertellen? III. Betrokkenheid bij de school a) De volgende vragen gaan over uw betrokkenheid bij de school van (naam). 1. Zit u in een of andere organisatie die met de school te maken heeft (de schoolraad, het oudercomité, een werkgroep...). Waarom hebt u hiervoor gekozen? Bent u hier tevreden over? 2. Doet u soms mee aan activiteiten in de klas (bv. lezen met de leerlingen)? Welke activiteiten zijn dit dan? Gebeurt dit vaak? 3. Organiseert u soms samen met de leraar activiteiten in de klas? Welke? 4. Neemt u soms deel aan activiteiten die voor ouders worden georganiseerd, zoals ouderavonden, schoolfeest...? Welke? 5. Gaat u soms mee op schoolreis? Hoe vaak? Bent u betrokken ooit betrokken geweest bij de voorbereiding van schoolreizen? 6. Praat u soms met andere ouders over wat er op school gebeurt? Waarover praat u dan? Gebeurt dit op school? 7. Spreekt u soms af met andere ouders buiten de school? Hoe vaak? b) De volgende vragen gaan over de hulp die u geef bij het schoolwerk van (naam). 1. Vertelt u soms verhalen over uw eigen schooltijd? Waarover gaat dit dan? 2. Vertelt u soms dat u zelf graag nieuwe dingen leert? Kunt u hiervan een voorbeeld geven? 3. Helpt u (naam) met rekenoefeningen voor school? Hoe vaak? Vindt u dit moeilijk? 4. Helpt u (naam) met lees- en schrijfoefeningen? Hoe vaak? Vindt u dit moeilijk? 5. Neemt u soms educatief materiaal mee naar huis, zoals video s? Hoe vaak? 6. Gaat u soms met (naam) naar de bibliotheek? 7. Praat u soms met (naam) over de voorbije schooldag? Gebeurt dit vaak? 8. Doet u soms creatieve dingen met (naam) zoals knutselen? Hoe vaak? 9. Zorgt u ervoor dat (naam) thuis een plaats heeft voor zijn/haar boeken en schoolmateriaal? 10. Kijkt u soms het huiswerk na van (naam)? Hoe vaak? 11. Leest u soms verhaaltjes voor? Hoe vaak? 12. Werkt u soms met (naam) aan de computer voor een schooltaak? 13. Zorgt u zelf voor leerrijke spelletjes op de computer? De laatste vragen gaan over uw relatie met de leraar van (naam). 14. Gaat u naar ouderavonden? Hoe vaak gebeurt dit? 15. Hebt u veel contact met de leraar van (naam)? 16. Waarover praat u zoal met de leraar? Bijvragen: a. over uitslag op het rapport van (naam)? b. over mogelijke problemen van (naam) op school? c. over hoe (naam) overeenkomt met de andere leerlingen? d. over de regels in de klas? e. over het huiswerk van (naam)? f. over de dagelijkse gang van zaken? 5
IV. Achtergrond Ten slotte willen we een aantal vragen stellen over uzelf. 1. Wat is uw leeftijd? 2. In welk land zijn uw ouders geboren? 3. Welke taal spreekt u thuis met uw kind(eren)? 4. Wat is het hoogste diploma dat u hebt behaald? En uw man/vrouw/vriend? (indien van toepassing) 5. Leest u graag boeken? Hoeveel boeken leest u per jaar? 6. Hebt u een job? Wat doet u? (werkzoekend, werkend, huisvader/moeder, op pensioen, arbeidsongeschikt) 7. En uw man/vrouw (indien van toepassing)? 8. Hoeveel uur werkt u per week? En uw partner? Verder in te vullen: - Sekse - Gezinssamenstelling (twee-oudergezin, eenoudergezin, ) - Relatie van de geïnterviewde tot kind - Naam van de gemeente waar de ouder woont. V. Tot slot Wat vond u van al deze vragen? Wilt u hier nog iets aan toevoegen? In de lente van 2007 zullen de interviews die we van alle ouders hebben afgenomen verwerkt zijn tot een rapportje. Bent u hierin geïnteresseerd? Zo ja, moet u uw adres (liefst e-mailadres) bezorgen. Hartelijk dank voor uw medewerking aan dit interview. 6